Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Maand: maart, 2018

Antroposofie en karmabewustzijn (12)

  

De wereld schreeuwt om karmabewustzijn. Zij heeft dit ‘ontwakende’ bewustzijn nodig om niet ten gronde te gaan aan de zelfvernietigende strijd tussen de tegenpolen. Geen wonder dat de tegenmachten onmiddellijk reageerden toen Rudolf Steiner tijdens de Weihnachtstagung dit nieuwe bewustzijn boven de doopvont hield. Na afloop werd hij ‘als door een zwaardhouw getroffen’, zoals Marie von Sivers het uitdrukte. De brand van het Goetheanum had hem al fel verzwakt, maar deze tweede aanslag op zijn krachten werd hem fataal. Een goed jaar later overleed hij, na een lange en pijnlijke ziekte. Meteen sloegen de tegenmachten een derde keer toe: de antroposofische beweging werd het toneel van een nietsontziende broederstrijd die daarna uitdeinde over Duitsland en ten slotte heel Europa in twee scheurde. Maar daarmee was het niet afgelopen. Vandaag laait die strijd opnieuw op en dit keer dreigt hij de hele menselijke beschaving ‘aan de rand van het graf’ te brengen. 

Deze onheilspellende woorden gebruikte Rudolf Steiner toen hij sprak over oude en jonge zielen, het karmathema dat destijds hevige weerstanden opwekte, en dat vandaag nog altijd doet. Hoe pijnlijk deze weerstanden ook zijn in het licht van de wereldgebeurtenissen, ze openen tegelijk onvermoede perspectieven. Ze maken immers deel uit van de vernietigingskrachten die momenteel huishouden in de wereld en ons door hun enorme afmetingen verlammen. Dat ze de ontwikkeling van het karmabewustzijn in de antroposofische beweging saboteren is tragisch genoeg, maar ze hebben er wel niet langer dat overweldigende, apocalyptische karakter. En dat hebben we te danken aan de ruzie tussen Marie von Sivers en Ita Wegman. Hun ‘banale’ Urnenstreit ontwikkelde zich weliswaar tot een brand die antroposofische beweging (voor de tweede maal) in de as legde, maar ze klaarde tegelijk de lucht zodat we vandaag vrijer kunnen ademen en de vernietigingskrachten onder ogen zien. 

Ita Wegman was karmisch zeer sterk verbonden met Rudolf Steiner. Sinds oeroude tijden vormden deze twee zielen een onafscheidelijk duo. Aan het begin van de 20ste eeuw ontmoetten ze elkaar opnieuw, een ontmoeting die voor beiden van zeer grote betekenis was. Rudolf Steiner had echter het karma van Karl Julius Schröer overgenomen en zich verbonden met Marie von Sivers die 21 jaar lang zijn rechterhand zou zijn. Evenzovele jaren werd Ita Wegman verhinderd haar karmische band met Rudolf Steiner te vernieuwen. Men kan zich voorstellen wat dat in haar ziel teweeg heeft gebracht. En wat heeft het in de ziel van Marie von Sivers teweeg gebracht toen ze na 21 jaar de belangrijkste persoon in het leven van Rudolf Steiner te zijn geweest, plaats moest ruimen voor een andere vrouw? Het karma dat toen aan het werk was, vlocht intiem-persoonlijke en wereldhistorisch-bovenpersoonlijke elementen door elkaar en creëerde grote spanningen tussen beide vrouwen.

Marie von Sivers reageerde anders op die spanningen dan Ita Wegman, niet alleen omdat ze een ander temperament had, maar ook omdat ze een heel andere wereld vertegenwoordigde. Het is een hele opgave om de twee werelden die na de dood van Rudolf Steiner met elkaar in botsing kwamen in beeld te brengen, maar de eenvoudigste en veiligste manier om daarmee te beginnen is door ze te karakteriseren als een oude en een nieuwe wereld. Dat zijn natuurlijk verzamelbegrippen, zoals ook oude en jonge zielen dat zijn, maar ze vormen een aanzet, een eerste poging om karmisch licht te brengen in die toch wel zeer duistere periode tussen 1925 en 1935. Belangrijk om weten is dat Marie von Sivers en Ita Wegman zich uiteindelijk met elkaar verzoend hebben. Kort voor haar dood verklaarde Ita Wegman dat niets hun toekomstige samenwerking met Rudolf Steiner nog in de weg stond. En later zou Marie von Sivers erkennen dat de uitsluitingen een fout waren geweest. 

Als we de zusterstrijd die Marie von Sivers en Ita Wegman uitvochten vruchtbaar willen maken, dan moeten we hem in ons bewustzijn voortzetten. We moeten proberen het oerbeeld te begrijpen dat hun strijd zo diep in de antroposofische herinnering heeft gegrift. De sleutel tot dat oerbeeld heeft Rudolf Steiner ons gegeven toen hij in zijn karmavoordrachten het zielenthema onthulde. Hij wist heel goed welke spanningen er heersten tussen Marie von Sivers en Ita Wegman, en wat de geestelijke achtergrond ervan was. Toen Ita Wegman hem op een keer vertelde dat ze weer eens van mening verschilde met Marie von Sivers, antwoordde hij lachend: ‘Let maar op dat ik jullie straks nog herken!’ Daarmee raakte hij iets heel wezenlijks aan en Ita Wegman voelde dat zijn grapje – zoals zo vaak – ernstig bedoeld was. Wie ooit een antroposofische ruzie heeft meegemaakt, weet dat het akeligste aspect van zo’n broederstrijd is dat mensen onherkenbaar worden, dat ze veranderen in volslagen vreemden. 

Rudolf Steiner moet heel goed geweten hebben wat er na zijn dood kon gebeuren, en hij heeft er in zijn karmavoordrachten op geanticipeerd. Toch waren deze voordrachten niet bedoeld voor zijn leerlingen van toen. Afgezien van het feit dat slechts weinigen ze hadden kunnen bijwonen, was er ook helemaal geen tijd geweest om hun inzichten te verwerken. Het karmabewustzijn had nauwelijks de kans gekregen om te ontluiken en kon dan ook geen vuist maken tegen de frontale aanval van de tegenmachten, een aanval die zowel van buiten als van binnen kwam. Nee, de karmavoordrachten waren voor ons bedoeld, voor degenen die vandaag kunnen terugkijken op de Grote Ruzie waarvan Rudolf Steiner wist dat ze hoe dan ook zou komen. Daarom had hij tijdens de Weihnachtstagung de gevolgen op zich geladen. Zonder zijn offer zou de antroposofische beweging vandaag niet meer bestaan. Ze zou ten onder zijn gegaan aan de vernietigende krachten die na zijn dood vrij spel kregen. 

Vandaag leeft de antroposofische beweging vanuit de opstandingskrachten die Rudolf Steiner in het leven heeft geroepen door zijn offerdood. Maar ze leeft slechts in de mate dat we ons die opstandingskrachten eigen maken, en dat doen we door inzicht te ontwikkelen in het sterven van de antroposofie. Wanneer we naar de antroposofische beweging kijken, dan zien een beweging die overmand is door doodskrachten. Een aantrekkelijk schouwspel is dat niet, zeker niet als men bezield wordt door vurige idealen, en de verleiding is dan ook groot om dit sterven te negeren. Maar wat we niet bewust onder ogen zien, werkt onbewust. Zonder het te beseffen spannen we ons voortdurend in om het naderende einde af te wenden, en het zijn juist die blinde, door angst ingegeven, pogingen die de broederstrijd opnieuw doen oplaaien, zoniet binnen de antroposofische beweging, dan toch erbuiten. Want de wereld betaalt een zware prijs voor ons onvermogen het eigen sterven onder ogen te zien.

We realiseren ons niet dat we, net als Parsifal, tegenover een zieke Visserkoning staan en verzuimen de vraag te stellen naar zijn lijden, het lijden van iemand die stervende is maar (dankzij de opstandingskrachten van de graal) toch in leven blijft. Het enige wat de zieke uit dit lijden kan verlossen, is inzicht in de aard en de oorsprong van dat lijden. Daarvoor moet de Visserkoning echter een Parsifal worden die tegenover zijn eigen lijden gaat staan en de verlossende (karma)vraag stelt. In de Visserkoning herkennen we niet alleen de ouder wordende mens die terugkijkt op zijn voorbije leven, maar ook de oude antroposofie die zich terugplooit op zichzelf. In Parsifal herkennen we diezelfde oude antroposofie die steeds objectiever tegenover zichzelf komt te staan en langzaam ontwaakt uit de droom. Daardoor wordt ze zich bewust van haar eigen ‘koninklijke’ aard, maar is daar aanvankelijk zo diep van onder de indruk dat ze niet ziet hoe zwaar gewond ze wel is. 

Datzelfde (oer)beeld kunnen we ook herkennen in de relatie tussen Marie von Sivers en Ita Wegman. Frau Steiner was een Visserkoning(in), een ‘gewonde’ oude ziel die als het ware in twee gedeeld was: het ene moment warm en hartelijk, het volgende moment ijskoud en messcherp. Ita Wegman was eveneens een koninklijke oude ziel, maar ze was veel ‘gezonder’ dan Marie von Sivers, veel aardser, veel moderner ook. Terwijl Marie von Sivers zich van meet af ten dienste stelde van Rudolf Steiner en zelfs officieel zijn vrouw werd (aldus gehoorzamend aan de vormen van het verleden), ging Ita Wegman haar eigen, onafhankelijke weg. Pas toen ze helemaal op eigen benen stond, stelde ze zich ten dienste van Rudolf Steiner. Marie von Sivers had dat veel eerder gedaan, en wel uit bewondering voor de ‘koninklijke’ grootheid van Rudolf Steiner. Ita Wegman deed het uit medelijden met de mens Steiner, die zwaar gewond werd toen de brand het Goetheanum vernietigde.

Door dit medelijden werd haar karmabewustzijn geboren en kon ze de verlossende Parsifalvraag stellen, de vraag naar de nieuwe mysteriën, naar de wederopstanding van de (gestorven) antroposofie. Dankzij die vraag kon de Weihnachtstagung plaatsvinden en kon Rudolf Steiner – eindelijk – vrijuit spreken over het karma, zowel dat van de antroposofische beweging als dat van hemzelf en Ita Wegman. Ook Marie von Sivers had Rudolf Steiner destijds een verlossende vraag gesteld, de vraag die de geboorte van de antroposofie mogelijk maakte. Maar die vraag kwam (nog) niet voort uit karmabewustzijn, want daar wilde ze niks van weten. Telkens ze met Rudolf Steiner op doortocht was in Keulen, troonde hij haar mee naar het graf van Albertus Magnus, van wie hij wist dat het een van haar vroegere incarnaties was. Marie von Sivers – die het hart op de tong droeg – mopperde dan: weeral dat graf, hebben we dat nu nog niet genoeg gezien! Het kwam niet in haar op dat Rudolf Steiner haar iets wilde vertellen. Ze wilde het ook niet horen.  

Op een hoger niveau herkennen we in Rudolf Steiner de lijdende Visserkoning. Enerzijds was hij een koninklijke geest, de behoeder van de goddelijke graalgeheimen. Anderszijds was hij ‘een man van smarten’ die zwaar gebukt ging onder het lijden van de mensheid. Op datzelfde niveau herkennen we in Marie von Sivers en Ita Wegman twee stadia van de Parsifalweg. Marie von Sivers is de jonge Parsifal die onverwachts in de graalburcht terechtkomt en daar de Visserkoning ontmoet. Ze is zo onder de indruk van zijn grootheid dat ze zich, zoals het een ridder past, meteen in zijn dienst stelt. Omstreeks dezelfde tijd ontmoet ook Ita Wegman Rudolf Steiner, maar anders dan Marie von Sivers is ze niet onder de indruk en vervolgt haar eigen weg. Pas veel later komt ze terug in (antroposofische) graalburcht, maar ze is dan wel in staat de verlossende Parsifalvraag te stellen, omdat ze in de koninklijke Rudolf Steiner de lijdende mens herkent, haar metgezel, haar mensenbroeder. 

Dankzij dit oplichtende karmabewustzijn – dat in de mens zowel de ‘koning’ als de ‘broeder’ ziet – kan ze de fakkel van de stervende Rudolf Steiner overnemen en wordt ze de nieuwe ‘graalkoning’. Zo behandelt Rudolf Steiner haar ook: als ‘de leerling die hij liefhad’, als zijn opvolger. Maar deze kroning was tegelijk een kruisiging, dit hoogtepunt was tegelijk een nieuw begin. Ita Wegman, de oude ziel, wordt weer jong. Als een onstuimige Parsifal komt ze tegenover de oudere Marie von Sivers te staan. En ze faalt, ze verzuimt de vraag te stellen naar het lijden van deze koninklijke ziel. Als beide vrouwen met de auto terugkeren van de crematie van Rudolf Steiner – een wel zeer moderne versie van de graallegende – is Ita Wegman vol van de (koninklijke) taak die haar is toebedacht en ze heeft geen oog voor Marie von Sivers die door het sterven van Rudolf Steiner diep gewond is. Ze blijft blind voor het lijden van de ‘koningin’ en dat wekt verontwaardiging bij haar hofhouding: ze wordt zonder pardon uit de graalbrucht gezet.  

Zoals Ita Wegman destijds Rudolf Steiner niet herkende en daarvoor ‘gestraft’ werd met een eenzaam bestaan als dolende ridder, zo herkent ze nu ook Marie von Sivers niet en wordt andermaal ‘gestraft’ met een eenzaam bestaan buiten de antroposofische vereniging, veracht en bespuwd door de bewoners van deze graalburcht. Het is de herhaling van een oerbeeld, maar tegelijk de omkering ervan: de nieuwe graalkoningin had de oude van haar troon gestoten, maar ondergaat nu zelf dat lot. Dat maakt deel uit van haar nieuwe karmabewustzijn: ze wordt onmiddellijk geconfronteerd met de gevolgen van haar daden. Ze ondervindt aan den lijve wat het is om … Marie von Sivers te zijn en na een intense samenwerking met Rudolf Steiner aan de kant te worden geschoven. Maar ook Marie von Sivers beleeft nu wat het is om Ita Wegman te zijn en iemand ‘brutaal’ van zijn troon te stoten. Beide opponenten verwisselen als het ware van plaats en beleven de ander van binnenuit.

Wat beide vrouwen na de dood van Rudolf Steiner meemaken, is wat we na de dood allemaal meemaken. We beleven onszelf dan gezien door de ogen van de anderen. Wie zichzelf ooit ‘per ongeluk’ in de spiegel heeft gezien, zonder te beseffen dat hij naar zichzelf keek, weet hoe schokkend zo’n ervaring is. Na de dood van Rudolf Steiner hebben Marie von Sivers en Ita Wegman zichzelf gezien (en beleefd) met de ogen van de ander en dat moet hen diep geschokt hebben. Wat anders pas na de dood mogelijk wordt, onder leiding van ‘deskundige geesten’, moesten ze nu bij leven en op eigen kracht doormaken. Ita Wegman was zich van deze dimensie meer bewust dan Marie von Sivers. Ze reageerde dan ook niet op de vernietigende oordelen van deze laatste en haar hofhouding. Marie von Sivers had daar meer tijd voor nodig. Ita Wegman ‘worden’ moet voor haar een overrompelende ervaring zijn geweest. Maar ze overleefde het en stak uiteindelijk een verzoenende hand uit die Ita Wegman diep ontroerde. 

Wat zich tussen deze twee zielen heeft afgespeeld was een ‘openbare inwijding’, een moderne inwijding, een inwijding van de toekomst. Onder leiding van Rudolf Steiner hadden Marie von Sivers en Ita Wegman nog een oude inwijding ondergaan, want hoe modern de antroposofie ook was, ze bestond nog altijd bij de gratie van een grote ingewijde. In Rudolf Steiner dook het hele mysterieverleden van de mensheid in de openbaarheid op en werd er getransformeerd tot een mysterietoekomst. In die toekomst zullen mensen niet meer worden ingewijd door een ‘ster die uit de hemel is komen vallen’, ze zullen elkaar inwijden. Het oerbeeld daarvan zien we in de relatie tussen Marie von Sivers en Ita Wegman. Alleen al het feit dat het allebei vrouwen zijn, geeft aan dat het oude ‘mannelijke’ inwijdingswezen een ingrijpende verandering heeft ondergaan. De intense dramatiek waarmee dat gepaard ging, geeft aan hoe ontzettend moeilijk het is om die stap van oud naar nieuw te zetten.

Toen men Ita Wegman eens vroeg hoe ze zo kalm kon blijven onder dat spervuur van beschuldigingen en scheldpartijen antwoordde ze: ach, dat is toch maar maya, op geestelijk niveau ziet het er allemaal heel anders uit. Wat we ons van de Grote Ruzie nog kunnen herinneren (via documenten en getuigenissen) ziet er op het eerste gezicht heel lelijk uit. Maar juist door die lelijkheid – de lelijkheid van de dood – onder ogen te zien en ons hart erdoor te laten beroeren (hoe pijnlijk en beschamend dat ook is) dringen we langzaam door tot de karmische dimensie van wat we liefst zouden vergeten. Er wordt dan een waarlijk ‘koninklijk’ oerbeeld zichtbaar: twee tegengestelde zielen die elkaar inwijden in de nieuwe mysteriën. En dat zijn karmamysteriën, openbare mysteriën die zich niet in de beslotenheid van een mysterietempel afspelen, maar in het dagelijks leven. Dat is het geheim van onze tijd: de hele wereld is een graalburcht geworden en wij zijn allemaal Visserkoningen en Parsifals, Marie von Siversen en Ita Wegmans. 

Advertenties

Antroposofie en karmabewustzijn (11)

  

Karma reikt van de hoogste geestelijke regionen tot de diepste aardse gebieden. Het is een kunstwerk dat de hele werkelijkheid omvat. Hoe begin je eraan om een onderwerp van die dimensies te bestuderen? Klein, heel klein. Rudolf Steiner maant ons aan het karma niet alleen met de grootst mogelijke eerbied te benaderen, maar ook onze aandacht te richten op wat hij ‘imponderabelen’ noemt: kleinigheden waar we geen gewicht aan toekennen. Laten we dat eens proberen met de gebeurtenissen na Steiners dood, want toen ontrolde zich een karma met verstrekkende gevolgen, niet alleen voor de antroposofische vereniging maar voor de hele wereld. Na de uitsluitingen van 1935 verklaarde Elisabeth Vreede dat de dam tegen het nationaalsocialisme nu was gebroken, en eerder al had Ita Wegman voorspeld dat Hitler aan de macht zou komen indien de antroposofen er niet in slaagden hun ruzies bij te leggen. Het loont dus de moeite om een blik te werpen op de karmische dimensie van deze noodlottige periode.

Het belang van wat zich tussen 1925 en 1935 afspeelde in de Antroposofische Vereniging kan moeilijk overschat worden, en toch moeten we de aandacht richten op details, op dingen die er schijnbaar niet toe doen. Zo’n detail was de ruzie waar het allemaal mee begon: Marie von Sivers en Ita Wegman kunnen het niet eens worden over de plaats waar de as van Rudolf Steiner moet komen. Banaler dan deze Urnenstreit kan het niet worden en toch was dit onnozele voorval het topje van een ijsberg die het antroposofische schip lek zou slaan. De kunst bestaat erin deze ijsberg – de karmische dimensie van het voorval – boven water te krijgen. Marie von Sivers wilde de as op haar kamer hebben, terwijl Ita Wegman vond dat ze voor iedereen toegankelijk moest zijn. De twee vrouwen benaderden de zaak respectievelijk vanuit een persoonlijk en bovenpersoonlijk standpunt. Karma verbindt beide standpunten, en dus kunnen we nu reeds concluderen dat de ruzie een gevolg was van gebrek aan karmabewustzijn. 

Marie von Sivers vertegenwoordigde het persoonlijke standpunt en deed dat op een persoonlijke manier. Ita Wegman vertegenwoordigde het bovenpersoonlijke standpunt, maar deed dat eveneens op een persoonlijke manier. Als zij zich werkelijk bewust was geweest van de karmische dimensie van het gebeuren, zou zij dan een ruzie geriskeerd hebben die zo’n verstrekkende gevolgen kon hebben? Zij moet toch, zoals iedereen, geweten hebben dat Marie von Sivers een emotionele, licht ontvlambare natuur had. Als ze haar de tijd had gegeven om de dood van haar echtgenoot te verwerken, dan zou ze na verloop van tijd zelf wel hebben ingezien dat de urne niet haar persoonlijke bezit kon blijven, en de fatale ruzie zou vermeden zijn. Maar dat deed Ita Wegman niet, ze volgde haar eigen natuur, zoals Marie von Sivers de hare volgde. Het resultaat was een botsing, niet alleen tussen twee zeer persoonlijke naturen, maar ook tussen het persoonlijke en het bovenpersoonlijke. 

De urnen – merkwaardig genoeg waren het er twee – vormen een tweede imponderabele in deze geschiedenis. Ze kunnen beschouwd worden als een beeld van het verleden. Met dat verleden was Marie von Sivers veel sterker verbonden dan Ita Wegman. Ze was getrouwd geweest met Rudolf Steiner, ze had samen met hem aan de wieg gestaan van de antroposofie en ze had hun beider ‘kind’ gedurende 21 jaar zien opgroeien. Ita Wegman daarentegen was pas op het toneel verschenen toen het Goetheanum – de ‘samenvatting’ van het antroposofische verleden – in vlammen opging. Haar blik was op de toekomst gericht, zij stond aan de wieg van de nieuwe mysteriën die de plaats van de oude moesten innemen. Beide vrouwen belichaamden de grootst mogelijke tegenstellingen: persoonlijk en bovenpersoonlijk, verleden en toekomst, oude en nieuwe mysteriën, de antroposofie van vóór de Weihnachtstagung en de antroposofie van na de Weihnachtstagung. Er gaapte een diepe kloof tussen beiden. 

Een derde ‘imponderabele’ duikt tien jaar later op, wanneer Ita Wegman en Elisabeth Vreede uit de Vorstand worden gezet, vooral door toedoen van Marie von Sivers en Albert Steffen. Toevallig – of juist niet – zijn beide uitgeslotenen nuchtere, wetenschappelijke geesten (Wegman is arts en Vreede is wiskundige), terwijl de ‘uitsluiters’ kunstenaars zijn, gevoelige zielen (von Sivers is actrice en Steffen is dichter). De tegenstelling kunst-wetenschap die hier zichtbaar wordt, maakt het opnieuw een stuk begrijpelijker waarom zo’n banale ruzie zo’n enorme gevolgen kon hebben. Maar tegelijk maakt het de zaak ook een stuk complexer. Want het trekken van scherpe grenzen, het maken van onderscheid, het vasthouden aan de juiste methode, het uitzuiveren van een zaak, kortom al de factoren die zo’n grote rol speelden bij de uitsluitingen van 1935: horen die niet bij de wetenschappelijke geest? Toch treffen we ze hier aan bij de twee kunstenaars uit het bestuur. Hoe valt dat te verklaren?

De kloof tussen kunst en wetenschap maakt duidelijk dat het in deze kwestie om heel wat meer gaat dan een simpele tegenstelling. Het gaat om een polariteit. We komen er niet door alleen maar naar de verschillen te kijken, we moeten ook kijken naar wat beide partijen gemeen hadden. Marie von Sivers en Albert Steffen waren kunstenaars, maar ze gedroegen zich als wetenschappers, als mensen die het kaf van het koren scheiden. Ita Wegman en Elisabeth Vreede waren dan weer wetenschappers die zich gedroegen als kunstenaars: ze probeerden te verbinden, te verzoenen, te verenigen. Beide partijen droegen dus de polariteit kunst-wetenschap in zich, zij het op een geheel andere manier. Het was gebrek aan inzicht in de complexe relatie tussen kunst en wetenschap waardoor ze diametraal tegenover elkaar kwamen te staan. En dat was een gebrek aan karmabewustzijn, want karmabewustzijn is polariteitsbewustzijn: het impliceert niet alleen inzicht in wat de tegenpolen scheidt, maar ook in wat ze verbindt. 

Karmabewustzijn overstijgt het oude dualistische bewustzijn dat in louter tegenstellingen denkt. Maar dat betekent niet dat de tegenstellingen hun geldigheid verliezen, wel integendeel. Met de Weihnachtstagung roept Rudolf Steiner zelfs een nieuwe tegenstelling in het leven. Na afloop zegt hij dat iedereen ervan doordrongen moet zijn dat er een volledige heroprichting en vernieuwing van de Antroposofische Vereniging heeft plaatsgevonden. Er moet gebroken worden met oude gewoonten en er dient op een nieuwe manier te worden omgegaan met de antroposofische inhouden. Voortaan moet er ‘vanuit het hart tot het hart’ worden gesproken. Telkens weer komt Rudolf Steiner daar op terug. Hij laat er geen twijfel over bestaan: er moet duidelijk onderscheid gemaakt worden tussen de oude antroposofie-van-het-hoofd en de nieuwe antroposofie-van-het-hart. Er kan dus geen sprake van zijn dat karmabewustzijn het denken-in-tegenstellingen afwijst. Het tegendeel is het geval.

Karmabewustzijn keert zich niet tegen het dualistische bewustzijn, het keert zich naar dat bewustzijn, als een pasgeboren kind naar zijn moeder. In de blik van dat kind ligt herkenning: het her-kent zijn moeder. Het dualistische bewustzijn waar het tot voor kort nog deel van uitmaakte, ziet het nu van aangezicht tot aangezicht, en het gaat er een intense relatie mee aan. Deze relatie doet de (door de moeder belichaamde) tegenstelling niet teniet, maar voegt er nog een tegenstelling aan toe: die tussen moeder en kind. Dat maakt van het karmabewustzijn een ‘driegeleed’ bewustzijn. We zouden ook kunnen zeggen dat het dualistische bewustzijn zich bewust wordt van zichzelf, het wordt wakker. Dat impliceert natuurlijk dat het in-tegenstellingen-denkende bewustzijn zoals we dat nu kennen, niet wakker is. Het ‘slaapt’ omdat het alleen de materiële wereld ziet en geen onderscheid maakt tussen materie en geest. Dat is de paradox van het dualisme: het maakt niet te veel maar te weinig onderscheid. 

Rudolf Steiner hamert er steeds weer op dat we wakker moeten worden. Het grote probleem van onze tijd is dat we slapen, niet fysiek maar geestelijk: we nemen de geestelijke werkelijkheid niet waar. Dat komt doordat we de materiële werkelijkheid zo helder waarnemen, want beide waarnemingen – de materiële en de geestelijke – sluiten elkaar uit, zoals we ook niet tegelijk de zon en de sterren kunnen zien. Het is het een of het ander. Wakker worden, zoals Steiner het bedoelt, kan dus niet betekenen dat we ontwaken voor de (sterren)wereld van de geest en tegelijk inslapen voor de (zonne)wereld van de materie. Dat zou gewoon een omkering zijn en geen vooruitgang, wel integendeel. Wakker worden in de zin van Steiner, betekent dat we beide werelden tegelijk leren waarnemen, dat we ons bewust worden, niet van de geest naast de materie, maar van de geest in de materie. Karmabewustzijn is dus meer dan bewustzijn van de geest, het is bewustzijn van geest en materie. 

Juist omdat geest en materie elkaar in ons bewustzijn uitsluiten – wakker worden voor het één betekent inslapen voor het ander – is karmabewustzijn noodzakelijkerwijs een drieledig bewustzijn. Het kind dat na de geboorte tegenover zijn moeder komt te staan, neemt beide polen van haar wezen waar: de materiële (fysieke) pool en de geestelijke (innerlijke) pool. Maar die waarneming is nog in hoge mate dromerig. Zonder het te beseffen pendelt het kinderlijke bewustzijn tussen beide polen heen en weer, waardoor ze in elkaar vloeien. Het maakt nog geen echt onderscheid, noch tussen beide aspecten van zijn moeder, noch tussen zijn moeder en zichzelf. Naarmate dat onderscheidingsvermogen toeneemt, groeit ook zijn zelfbewustzijn. Wie zich bewust wordt van de tegenstellingen in de wereld, wordt zich ook bewust van de tegenstelling tussen zichzelf en de wereld. De mens dankt zijn ik-gevoel aan zijn dualistische bewustzijn, aan zijn vermogen om onderscheid te maken en zijn aandacht van de ene pool naar de andere te verplaatsen. Op die manier wordt hij wakker voor de wereld en voor zichzelf.

Het oerbeeld van dit vermogen om te (onder)scheiden is de geboorte: de mens maakt zich los van zijn moeder. Daardoor wordt hij een op zichzelf staand wezen. Het hele verleden van de mensheid kan gezien worden als één grote geboorte: het (ontzettend moeilijke en pijnlijke) zich losmaken uit het moederlichaam ofte de geestelijke wereld. Vandaag bevinden we ons op het keerpunt der tijden: de geboorte is voltooid en de mens moet opnieuw toenadering zoeken tot zijn geestelijke moeder, want geen enkele pasgeborene kan op eigen kracht overleven. Deze toenadering impliceert een enorme ommekeer: de krachten die moeder en kind gescheiden hebben, moeten plaatsmaken voor krachten die moeder en kind verbinden. Of nog: het hoofd, dat zich een weg gebaand heeft naar de vrijheid, moet plaats maken voor het hart dat verbinding zoekt. En dat gebeurt ook: op ieder gebied wordt vandaag verbeten naar verbinding gestreefd alsof het voortbestaan van de wereld ervan afhangt.

En dat is ook zo: als de hoofdkrachten zich blijven verwijderen van de (moeder)geest dan gaat de mensheid ten gronde. Daarom zijn de verbindende krachten zo nietsontziend: het zijn blinde overlevingskrachten. Ze keren zich tegen datgene wat hun voortbestaan bedreigt: de (onder)scheidende hoofdkrachten die de mens tot een zelfzuchtig individu maken. Ze willen van de mens weer een groepswezen maken en leggen stelselmatig zijn vrijheid aan banden. Op fysiek vlak is dat een goede zaak, want daar hoort geen vrijheid te heersen. Maar de mens is ook een geestelijk wezen: zonder zin en betekenis kan hij niet leven. En die zin en betekenis liggen juist in zijn (geestelijke) vrijheid. Verdwijnt die vrijheid, dan heeft niet alleen zijn huidige bestaan geen zin meer maar ook zijn hele verleden. Al die tijd heeft de mens immers geleden omdat hij vrij wilde worden, en dat wil hij meer dan ooit. Daarom verzetten zijn (onderscheidende) hoofdkrachten zich uit alle macht tegen zijn (verbindende) hartkrachten: omdat ze allebei de mensheid willen redden.

Is dat niet precies waarom Marie von Sivers en Ita Wegman slaags raakten? Ze wilden allebei de antroposofische vereniging redden. Ze wilden precies hetzelfde, en ze beschikten over een buitengewoon sterke wil. Maar het was geen wakkere wil, ze waren zich onvoldoende bewust van de relatie tussen de onderscheidende krachten van het hoofd en de verbindende krachten van het hart. Het ontbrak hen met andere woorden aan onderscheidingsvermogen, niet het gewone onderscheidingsvermogen van het hoofd, maar een ‘hoger’ onderscheidingsvermogen van het hart dat zich bewust wordt van de relatie tussen beide. De ruzie tussen Marie von Sivers en Ita Wegman was een oerbeeld dat inmiddels de hele wereld in zijn greep heeft gekregen en als het ware schreeuwt om aandacht. Het drukt zich uit in vechtscheidingen op ieder gebied en vraagt steeds nadrukkelijker om toegang tot ons bewustzijn. Het klopt steeds luider aan onze deur. 

Barbarians at the gate (2)

  
(Overgenomen van Clericks Weblog)

Minister van Onderwijs Crevits heeft in haar één-septemberinterview met Het Nieuwsblad een paar behartenswaardige dingen gezegd. Lesgeven mag niet worden herleid tot ‘leerplannen, eindtermen en handboeken’. Een leraar is ‘geen robot’. Er moet iets gedaan worden aan de ‘papierberg in de scholen’. En haar wens is het dat onderwijsmensen op het einde van haar ministerschap zouden zeggen: ‘Crevits heeft echt een inspanning gedaan om ons meer vrijheid te geven.’ 

Ik ben het daar allemaal grondig mee eens. Maar in reacties op het interview hoor je niets over die behartenswaardige dingen. In reacties gaat het altijd over die andere uitspraak van Crevits, die waar ze zegt dat leerlingen niet ‘slaafs’ moeten volgen wat leraren zeggen. Oudere mensen schrikken daarvan. Voor het Vaticaans Concilie of, zeg, voor mei 1968, zou een minister van Onderwijs zoiets niet gezegd hebben. Het gezag was toen nog solidair. De leraar stond niet alléén voor de klas. Achter hem stond, figuurlijk dan, de prefect, de directeur, de minister, de regering en de koning – die laatste ook een beetje letterlijk want zijn portret hing boven het bord.

Een van de eerste regeringsleiders om die solidariteit te doorbreken was Mao Zedong. Tijdens de Culturele Revolutie (1966) riep hij de Chinese scholieren op om in opstand te komen tegen leraren die te veel aandacht besteedden aan theoretische en schoolse kennis en te weinig aan praktische toepassing en sociaal en politiek engagement. Die opstand, vond Mao, mocht gerust wat bruut zijn. Een revolutie was ten slotte geen theekransje.

De Chinese pubers hadden aan een half woord genoeg. Ze deden een rode armband om, noemden zich Rode Gardisten en ze riepen hun leraren ter verantwoording in massavergaderingen van ‘kritiek en zelfkritiek’. Een leraar of lerares die niet snel genoeg was in het toejuichen van de opstand of in het bekritiseren van conservatieve collega’s, kreeg zelf de volle laag. Zo Bian Zhongyun, directrice van een meisjeslyceum in Beijing. Haar gezicht werd met inkt ingewreven. Ze moest de toiletten gaan leegmaken. Ze moest op een emmer trommelen en roepen: ‘Ik ben een kapitaliste.’ Ze werd getrapt en geslagen met stokken. Ze werd bewusteloos op een kar gegooid. Ze overleed op weg naar een ziekenhuis.

Een van de aanstooksters van de moord op Bian Zhongyun was Song Binbin. De enthousiaste scholiere werd enkele dagen later tijdens een manifestatie van één miljoen revolutionaire jongeren bij Mao geroepen. Ze kreeg de eer om de oude leider een armband van de Rode Gardisten op te spelden. Van dat treffende tafereel werd een poster gemaakt, die nog op mijn kamer heeft gehangen toen ik zelf scholier was, want ik was een groot bewonderaar van Mao.

Met Song Binbin is alles goed gekomen. Na de culturele revolutie week ze uit naar de Verenigde Staten. Ze doctoreerde aan het MIT en ging werken voor een departement van Natuurbescherming. Er bestaat een foto van haar waar ze, teruggekeerd in China en met grijze haren, een berouwvolle buiging maakt voor het standbeeld van haar vermoorde directrice.

(Philippe Clerick)

Barbarians at the gate

  

Verleden woensdag kwam Jordan Peterson een lezing houden op de Queen’s University in Kingston, Ontario. De Canadese psychologie-professor is momenteel de meest populaire en tegelijk meest gecontesteerde publieke intellectueel worldwide. Vanuit het niets werd hij de beroemdheid in gekatapulteerd nadat hij protest aantekende tegen Bill C-16, een wetsvoorstel dat transgenders het recht geeft aangesproken te worden met de voornaamwoorden van hun keuze. Hij lichtte zijn argumenten toe in een aantal youtube-filmpjes en dat was het begin van een nieuwe carrière als woordvoerder van het groeiende protest tegen de politieke correctheid (die in Canada hoge ogen gooit met een premier die vooroploopt in gay parades en vindt dat het woord ‘mankind’ vervangen moet worden door ‘peoplekind’). Jordan Peterson is een intelligent, welbespraakt en strijdlustig man die zijn standpunten met vuur verdedigt en dat wordt hem door politiek-correct links dan ook niet in dank afgenomen. 

In Ontario werd hij opgewacht door zo’n 150 demonstranten, hoofdzakelijk studenten, die slogans riepen, gaande van ‘no hate speech at our university’ tot ‘lock them in and burn it down‘. Algauw verschenen op youtube filmpjes vanuit de zaal zelf en die waren lichtjes hallucinant. Ze tonen een eerbiedwaardige universiteitszaal in neo-classicistische stijl, met veel hout, glasramen en een spreekgestoelte. Terwijl Jordan Peterson aan het woord is, klinkt buiten onophoudelijke geroep en geschreeuw. Het geeft de zaal het karakter van een belegerde vesting die ieder moment kan ingenomen worden. Door de ramen zijn schimmen zichtbaar die proberen het glas-in-lood in te slaan, en daar uiteindelijk ook in slagen. Op andere filmpjes is te zien hoe de meute samentroept voor de ingang en inbeukt op de deur. Heel opvallend: de aanwezige politie-agenten grijpen niet in, ze laten begaan. Even later raken de demonstranten dan ook binnen. Ze schreeuwen vanop het balkon en klimmen op het podium met een spandoek waarop staat: permission to smash bigotry.    

Achteraf verschijnt in de kranten het bericht dat een (oudere) vrouw werd gearresteerd met een ‘dodelijk wapen’ in haar bezit, dat ze ook van plan was te gebruiken. Ze verzette zich naar verluidt hevig tegen haar arrestatie, sloeg, krabde en beet, en vernielde een venster van de politie-combi. Het past allemaal in het plaatje. Wat doorgaans begint als een studentikoos protest tegen ideeën en opvattingen verandert tegenwoordig heel snel in een persoonsgerichte agressie met de intussen klassiek geworden scheldwoorden: fascist, sexist, nazi, islamofoob, homofoob, enzovoort. Jordan Peterson, een beschaafd en ontwikkeld man, is duidelijk niets van dat alles, maar daar gaat het ook niet om. Het verschil van mening is slechts een voorwendsel om wilde driften los te laten. Je ziet dat ook aan de glunderende gezichten van de protesterende studenten: ze genieten, niet van de ideeënstrijd, maar van dat grijze gebied waar ideeën overgaan in daden, en waar andersdenkenden net niet gelyncht worden. 

Deze jonge mensen, kinderen nog, zijn blij dat er eens iets gebeurt in die kille, intellectuele wereld van de universiteit, iets dat hun bloed weer doet stromen en hen het gevoel geeft dat ze leven. Ze hebben niet veel nodig om opgeruid te worden en hysterisch te staan schreeuwen tegen iemand die afgeschilderd wordt als een ‘slecht mens’. In hun onbewuste beleving is dat iemand die hen wil beletten om toe geven aan hun lagere driften, iemand als Jordan Peterson die zegt dat ze moeten nadenken, logisch redeneren en hun demonen in bedwang houden. Zo iemand is dan een ‘rechtse zak’, een fascist, een weerzinwekkend figuur. Linkse mensen zijn veel sympathieker, want die stimuleren hen om enerzijds te zwelgen in luciferische eigenliefde en anderzijds in ahrimaanse haat. Wat een genot om je laagste driften bot te vieren en jezelf niettemin als een halve heilige te kunnen beschouwen! Jordan Peterson bestempelde de demonstranten op twitter als ‘barbarians at the gate‘, en dat zijn ze inderdaad.

In die lachende, joelende, schreeuwende, scheldende, hysterische jonge mensen at the gate of Queen’s University, Ontario, Canada, herkennen we de mens die over de drempel gaat en voor de keuze staat: zie ik mijn dubbelganger onder ogen of raak ik in zijn greep? En dat zou je de zwakke plek van Jordan Peterson kunnen noemen: dat hij dit onvoldoende beseft. Want in zijn – moedige en noodzakelijke – stellingname tegen de politieke correctheid schuilt eveneens genot. We zien hem op het vermelde youtube-filmpje glimlachend toekijken hoe de demonstranten de zaal op stelten zetten en hem het spreken beletten. Maar er valt helemaal niets te lachen of te glimlachen. Wat er vandaag gebeurt aan universiteiten, hogescholen, gewone scholen en andere ‘opvoedingsinstellingen’ is van een diepe, diepe, treurigheid. Dat men jonge mensen toelaat om deze (eertijdse) boegbeelden van het vrije denken op zo’n manier te onteren, dat vraagt om een molensteen, daar is geen vergeving voor. 

Antroposofie en karmabewustzijn (10)

  

Ik herinner me nog … Zo beginnen veel verhalen van oude mensen. Hun toekomst wordt steeds kleiner en daarom wenden ze zich naar het verleden. Paradoxaal genoeg is deze terugblik tegelijk een voorbereiding op de toekomst, want na hun dood zullen ze zich pas echt met hun voorbije leven gaan bezighouden. Ze zullen het helemaal opnieuw bekijken en beleven, maar dit keer als buitenstaander, als een kunstcriticus die een schilderij beoordeelt. Het is echter wel hun eigen ‘schilderij’ dat ze bekijken, hun eigen levenskunstwerk. Je kunt het vergelijken met het moment waarop een leerling een werkstuk voltooid heeft en de leraar zegt: laten we dat nu eens samen bekijken! Hij wijst de leerling op fouten waarvan hij zich geen rekenschap gaf, maar ook op kwaliteiten waarvan hij zich niet bewust was. Op die manier – onder deskundige leiding – vormt de mens zich na zijn dood langzaam een objectief oordeel over zijn leven. Tegelijk groeit in hem het verlangen om het opnieuw te proberen.

Voor jonge mensen is het heel moeilijk om naar hun eigen leven te kijken. Je kunt nu eenmaal niet kunstenaar en criticus tegelijk zijn. Het scherpe oordeelsvermogen van de criticus verlamt het scheppingsvermogen van de kunstenaar, en omgekeerd. Een kunstwerk kan pas beoordeeld worden wanneer het af is. Met het levenskunstwerk is dat pas het geval na de dood. De teerlingen zijn dan geworpen, er valt niks meer te veranderen, en de mens kan eindelijk afstand nemen van zijn leven. Maar dat alles kondigt zich reeds tijdens de ouderdom aan. Herinneringen duiken op en vragen om aandacht. Steeds weer schuiven ze aan het innerlijk oog voorbij en willen gezien worden. Zonder het te beseffen bereiden oude mensen zich voor op het grote karma-onderzoek dat hen ‘aan gene zijde’ te wachten staat. Ze zullen hun leven daar grondig analyseren, niet enkel met een scherp oordelend verstand, maar ook met een intens meelevend hart. Beide zullen daar tot één enkel vermogen worden. 

Dit post-mortemvermogen heeft de moderne mens steeds meer reeds tijdens zijn leven nodig. Het louter verstandelijke oordeelsvermogen is niet langer opgewassen tegen de complexe problemen van onze tijd, en het emotioneel reagerende hart spreekt zichzelf voortdurend tegen en veroorzaakt chaos en verwarring. Karma-onderzoek dringt zich op. Het is de enige manier waarop de mens nog kan voorkomen dat hij het noorden verliest, en dat is nu toch wel duidelijk aan het gebeuren. Je zou kunnen zeggen dat we terug naar de (menselijke) natuur moeten, maar dit keer op een veel bewustere manier. Het karmaonderzoek waar de ouderdom ons op een natuurlijke, instinctieve en dromerige manier toe brengt, moeten we wakker en doelbewust opnemen. Dat is trouwens waar Rudolf Steiner steeds weer toe oproept: wakker worden. Het is zeker geen toeval dat hij karmaonderzoek in verband brengt met het voortbestaan van de beschaving. Het gaat om de redding van de ziel …

Maar genoeg theorie, laat ik de daad eens bij het woord voegen. Ik herinner me nog … de voorstelling in Den Haag van de vertaling van Hans Peter van Manens Christussucher und Michaëldiener. We waren de stad binnengereden door onder een mastodontisch gebouw een tunnel in te duiken en ik had het gevoel opgeslokt te worden door een groot monster. Toen we weer bovenkwamen bleek Den Haag het toneel van een grote marathonloop en het was geen sinecure om de overkant van de straat te bereiken. Als ik daar nu aan terugdenk, waren het stuk voor stuk beelden die een aspect van het zielenthema illustreerden. Dit thema heeft veel weg van een marathon: er lijkt geen eind aan te komen. Tegelijk is het een ontmoeting met de dubbelganger: je zit in de ingewanden van een monster en zoekt de uitweg uit dat labyrint. En wie aan karmaonderzoek doet, probeert ‘de overkant’ te bereiken. Maar daar dacht ik toen allemaal niet aan. Ik keek vooruit. Mijn vertaling was net verschenen en ik was vol goede hoop.

IJdele hoop, zo zou blijken, en ik had het kunnen weten. Het grote, statige gebouw aan de Riouwstraat – het hoofdkwartier van de antroposofische vereniging in De Haag – maakte van binnen een uitgeleefde indruk. Nu ja, dat krijg je met gebouwen die echt gebruikt worden. Maar wat me pijnlijk trof, was dat ergens verloren in een donkere gang, op een sokkel die ieder moment omver kon worden gelopen, het bronzen portret stond van Willem Zeylmans van Emmichoven. Ik kende dat portret toevallig – in Gent hebben ze ook een exemplaar – anders had ik misschien niet geweten wie het voorstelde. Ik kende ook de maker, de Antwerpse beeldhouwer René Smits, die me wel eens verteld had over zijn gesprekken met Willem Zeylmans terwijl hij poseerde. Zeylmans was niet de eerste de beste: oprichter van de antroposofische vereniging in Nederland en naaste medewerker van Rudolf Steiner. Bovendien was hij een medestander van Ita Wegman en een onvermoeibaar propagandist van de Weihnachtstagung

Ik vond dat zo’n man beter verdiende. Nu ik eraan terugdenk komt de gedachte in me op dat de verwaarlozing van zijn portret wel eens een beeld zou kunnen geweest zijn van een veel grotere verwaarlozing: die van de Weihnachtstagung en het karmabewustzijn. Intussen heb ik vernomen dat het huis aan de Riouwstraat helemaal gerenoveerd is. Het heeft ook een nieuwe naam gekregen: het Elisabeth Vreedehuis. En in Dornach wordt geijverd voor de officiële rehabilitatie van Ita Wegman en Elisabeth Vreede. Allemaal heel mooi, zij het wel rijkelijk laat, want binnenkort zal het 100 jaar geleden zijn dat beide (door Rudolf Steiner zelf gekozen) vrouwen uit de Vorstand werden gezet. Wat ik me echter afvraag: wat is er gebeurd met dat portret van Willem Zeylmans? Heeft het eindelijk de ereplaats gekregen die het verdient, of is het in de kelder terechtgekomen? Dat laatste zou wel een veeg teken zijn, want het is ook het lot van het karmabewustzijn. 

Die beelden zijn natuurlijk bijkomstigheden waar doorgaans geen aandacht wordt aan geschonken. Maar volgens Rudolf Steiner vormen juist die bijkomstigheden – imponderabiliën noemt hij het – de sleutel tot het karma. God verbergt zich in de details. Heeft men dit detail – het portret van Willem Zeylmans – over het hoofd gezien bij de herinrichting van het huis aan de Riouwstraat? Ik hoop van niet, maar ik vrees ervoor. Ik heb net een petitie getekend voor de rehabilitatie van Ita Wegman en Elisabeth Vreede, en het verbaasde me dat zoiets überhaupt nodig was. Spreekt het niet vanzelf dat men de fouten uit het verleden probeert te herstellen? Maar als de dubbelganger er zich mee moeit, is niets nog vanzelfsprekend. Wie hem eens aan het werk wil zien, moet het fameuze ‘Denkschrift’ lezen dat de inleiding vormde tot die uitsluitingen van 1935. Het is opgenomen in het 3de deel van ‘Wer war Ita Wegman‘, de inmiddels 25 jaar oude poging tot rehabilitatie van Ita Wegman door Emanuel Zeylmans, zoon van Willem Zeylmans. 

Dit ‘Denkschrift’ heeft zelfs iemand als Friedrich Rittelmeyer om de tuin geleid. Dubbelgangers zijn dan ook doortrapte wezens. Ze gaan ongeveer als volgt te werk. Hun doel is macht en dus beschuldigen ze mensen ervan … de macht te willen grijpen. Verdedigen die mensen zich en zeggen ze dat het precies omgekeerd is, dan reageert de dubbelganger verontwaardigd: ze willen de macht grijpen en wie zich daartegen verzet beschuldigen ze ervan … de macht te willen grijpen! Resultaat: twee partijen die elkaar van exact hetzelfde beschuldigen en niemand die nog weet wie gelijk heeft. Want hoe kom je achter de waarheid? Door de feiten te controleren. Maar wat als je die feiten niet kent en moet voortgaan op wat anderen vertellen? Hoe weet je of hun weergave van de feiten juist is? Dit is gewoonlijk het punt waarop men partij kiest voor de mensen die men persoonlijk kent. Toen het ‘Denkschrift’ verscheen kenden weinig mensen de ware toedracht van de zaak, en dus kozen ze partij. Zo raakte de antroposofische vereniging verdeeld in twee kampen.

Vandaag blijft er niemand meer over die de feiten uit eerste hand kent. We zijn helemaal aangewezen op geschreven verslagen, verhalen en getuigenissen. Emanuel Zeylmans heeft duizenden documenten bestudeerd en is tot de conclusie gekomen dat Ita Wegman ten onrechte gedemoniseerd werd. Maar hij is de zoon van Willem Zeylmans en die was een overtuigd medestander van Ita Wegman. Hoe kunnen we weten of hij zich daar niet door heeft laten beïnvloeden? En dan is er nog iets. Als hij gelijk heeft en Ita Wegman ten onrechte werd uitgesloten, dan betekent dat dat haar opponente, Marie von Sivers, ongelijk had en nog geen klein beetje. Wie leest hoe ze tekeer ging tegen Ita Wegman kan niet anders dan concluderen dat ze haar verstand verloren had. Maar ze was de vrouw van Rudolf Steiner! Bovendien was het ‘Denkschrift’ ondertekend door 12 vooraanstaande antroposofen en was er een overweldigende meerderheid vóór de uitsluitingen. Hadden al die mensen dan hun verstand verloren?

Als de dubbelganger in het spel is, ontstaat er een kluwen waar zelfs een kat haar jongen niet meer in terugvindt. Waarheid en leugen vallen niet meer van elkaar te onderscheiden, tenzij door het hart. On ne voit bien qu’avec le coeur. Maar het moet dan wel een bijzonder sterk hart zijn, een hart dat zich niet laat verblinden door emoties en dat even helder kan onderscheiden als het hoofd. Om zo’n ‘wakker’ hart te ontwikkelen zijn er geen betere manieren dan kunst- en karmaonderzoek. Die twee komen trouwens op hetzelfde neer, want karma is een kunst, de grootste die er is. Er gaat dan ook veel tijd overheen om op dit gebied helderheid te krijgen. Ars longa vita brevis, en dat geldt zowel voor het scheppen als voor het beoordelen. Na bijna 100 jaar is nu wel duidelijk geworden dat de uitsluitingen van 1935 onterecht waren. Daar kunnen tal van argumenten voor aangevoerd worden, maar uiteindelijk is het toch het hart dat oordeelt: je voelt dat het ‘Denkschrift’ grondig fout zit, je voelt dat vader en zoon Zeylmans het bij het rechte eind hadden. 

Maar daarmee is het probleem niet opgelost. Tijd en karma hebben wel hun werk gedaan, maar het onze moet nog beginnen: we moeten dat karma leren begrijpen, we moeten voorkomen dat het zich herhaalt. Want dat laatste gebeurt nog altijd: er worden nog altijd mensen uitgesloten, zonder dat we ons daar bewust van zijn. Waar zijn de miljoenen die volgens Rudolf Steiner voorbestemd waren om antroposoof te worden? Het aantal leden van de antroposofische vereniging blijft maar dalen, en de gemiddelde leeftijd blijft maar stijgen. Hoe kan zo’n ‘verschrompelende’ antroposofie iets betekenen voor de ontelbaren die nood hebben aan haar inzichten? Ze worden weggejaagd door de antroposofische dubbelganger, het onzichtbare wezen waarvan antroposofen zich niet (of veel te weinig) bewust zijn. Daarom is karmaonderzoek dringender dan ooit. Het eigen antroposofische karma moet onderzocht worden, met name dan het karma van de uitsluitingen van 1935, want toen dook de dubbelganger reuzengroot op. 

Comme toujours

  

Met vrouwelijke kunstenaars valt dezer dagen heel wat pret te beleven. Nog maar pas protesteerden ze tijdens de Oscaruitreiking – met diepe décolletés en ander bloot vlees – tegen het sexuele misbruik in Hollywood, maar in Brussel ging Deborah de Robertis nog een stuk verder: ze hield gewoon haar kleren aan. Alleen op de dia’s die ze toonde tijdens een TEDtalk konden we haar in haar blootje zien rondlopen of met opengesperde vagina voor Courbets Origine du Monde zien zitten. Het talrijk opgekomen publiek in de Bozar zal wel teleurgesteld zijn geweest dat de – overigens zeer aantrekkelijke – kunstenares dit keer niet de daad bij het woord voegde. Maar dat was zonder de waard gerekend. Tijdens haar  praatje kwam een keurige grijsharige man naar haar toe gestapt, nam voorzichtig het microotje van haar hoofd en wilde haar vervolgens van het podium begeleiden. Opeens liet de kunstenares zich vallen en de man zag zich verplicht haar weg te slepen, waarbij – o verrassing – haar hele bovenlichaam ontbloot werd. 

Toen er ook nog politie op het podium verscheen, begon het publiek te applaudisseren. Dit was precies waarvoor ze gekomen waren. Alle performances van de bevallige Deborah eindigen immers in een handgemeen met de politie waarbij ze naakt wordt weggesleept. Dat is haar handelsmerk. Dit keer was de kunstenares slechts half naakt toen ze werd weggesleept, maar dat werd dan weer goedgemaakt door het bericht dat de wegsleping echt was, het was géén kunst. Het werd zelfs nog beter: de TED-directie liet weten dat ze de licentie van TED-Brussels onmiddellijk had ingetrokken. Dat zou ze leren! Eerder dit jaar viel de politie, op zoek naar illegalen, al binnen bij een ander Brussels kunstevenement, en nu was er opnieuw opwinding in de kunstwereld. En het was nog niet afgelopen. De feministische kunstenares – ‘met mijn vagina klaag ik de hypocrisie aan’ – diende onmiddellijk klacht in wegens slagen en verwondingen. Ze hoopt ongetwijfeld dat er een proces van komt, want voor de kunst heeft ze alles over.

Het blijft me verbazen dat mensen daar intrappen. Ik zag ooit het filmpje waarmee Deborah de Robertis beroemd werd: haar Courbet-performance. Ze wandelt, gekleed in een kort gouden glitterjurkje, het Musée d’Orsay binnen, gaat met gespreide benen voor Courbets beroemde en beruchte schilderij zitten en trekt met haar vingers haar schaamlippen wijd open. Consternatie onder de suppoosten. Wat nu gedaan! Een vrouwelijke suppoost gaat voor Deborah staan in een poging om haar origine du monde aan het gezicht te onttrekken. Onderwijl praat ze zenuwachtig in haar walkie talkie. Ook onder de museumbezoekers ontstaat beroering. Ze keuren het gedrag van de suppoost af en applaudisseren voor de moedige kunstenares. Er komen andere suppoosten bij, die al evenmin weten wat ze moeten doen. Na enig heen en weer gepraat besluiten ze blote Deborah te verwijderen. Die werkt natuurlijk niet mee en er ontstaat een absurd tafereel: een paar geklede vrouwen worstelen met een blote vrouw. De omstaanders joelen. 

Er volgt nog een proces waarop de kunstenares een forum krijgt om haar ideeën uiteen te zetten: met haar performances wil ze het sexisme en de hypocrisie aanklagen. Daar willen de rechters natuurlijk niet van verdacht worden en dus spreken ze de exhibitioniste vrij. Zoals altijd. Jammer eigenlijk, want een veroordeling had haar artistieke handelswaarde nog méér doen stijgen. Deborah de Robertis speelt een spelletje dat ze niet kan verliezen. De vraag is: waarom speelt iedereen het mee? Ieder museum kent haar en toch reageren ze telkens op dezelfde manier, hun ‘slachtoffer’ gratis reclame verschaffend. Ook in Brussel was het weer van dat. De officiële verklaring luidde dat de kunstenares de afspraken niet was nagekomen omdat ze naaktbeelden had vertoond. Waarom werd de projectie van die beelden dan niet gewoon stopgezet? Dat zou een kleintje zijn geweest. In plaats daarvan sleepte men Deborah weg, goed wetend dat ze de volgende dag in alle kranten zou staan. 

Bewust of onbewust draait iedereen mee in deze kunst-caroussel: de musea, de media, de rechters, het publiek. Je hoeft echt niet veel hersens in je hoofd te hebben om te begrijpen dat Deborah de Robertis niets liever wil dan weggesleept te worden. Ik geloof dan ook geen moment dat die keurige meneer met het grijzende haar dat niet wist. Het was een acteur, iemand die het spelletje meespeelde. Hij deed dat overigens heel goed, want om een vrouw op zo’n manier weg te slepen dat haar hele bovenlichaam ‘per ongeluk’ ontbloot wordt: het is een kunst. Daar is op gerepeteerd. Wat zou er gebeuren als niemand Deborahs spelletje meespeelde? Wat zou er destijds in Parijs zijn gebeurd zijn als men de kunstenares gewoon genegeerd had, als de mannelijke museumbezoekers hadden gezegd: dat schilderijtje ga ik eens van dichtbij bekijken, en als de suppoosten hadden gedacht: zolang ze van de kunstwerken afblijft en de andere bezoekers niet lastigvalt, is er wat ons betreft niks aan de hand?

Er zou helemaal niks zijn gebeurd. Deborah zou de kramp hebben gekregen en na een uur of twee zijn afgedropen, teleurgesteld door het gebrek aan aandacht. Want daar gaat het uiteindelijk allemaal om: aandacht. Kunstenaars scheppen niet langer kunst, ze scheppen aandacht. Voor vrouwelijke kunstenaars is dat een kleintje: ze hoeven zich alleen uit te kleden. Dat doen ze dan ook in grote getale. Ze zijn niet meer te tellen de artistieke vrouwen die met hun borsten, billen en schaamlippen protesteren tegen sexisme, racisme en fascisme. Ze doen me denken aan de bekende Franse beeldhouwer Aristide Maillol, die op een dag een paar afgevaardigden van de regering over de vloer kreeg. Of hij een beeld kon maken dat de Franse idealen liberté, égalité en fraternité zou uitdrukken? Dat zou wel lukken, knikte de oude beeldhouwer. En had hij al een idee wat het zou worden? Zeker, knikte Maillol opnieuw: een koppel borsten en billen, zoals altijd. 

Winter en lente

  

Vroeger dacht ik dat er geen groter tegenstelling kon bestaan dan tussen de winter en de lente. Nu weet ik beter. Beide seizoenen overlappen elkaar grotendeels. Eigenlijk begint de lente samen met de winter. Vanaf nieuwjaar duikt ze reeds op in de vorm van onverwacht zachte en zonnige dagen, vooruitgeschoven lentedagen zeg maar. Veel zijn dat er aanvankelijk niet, maar ze worden geleidelijk talrijker. Als sterren fonkelen ze in de duisternis van de winter. Ook het omgekeerde is het geval: tot diep in de lente zijn er barre, ijskoude dagen alsof de winter van geen wijken wil weten. Zo herinner ik me nog sneeuw op 5 mei, in volle lente dus. Die scherpe tegenstellingen horen bij de eerste helft van het jaar, wanneer de zon moeizaam uit het diepe dal van kerstmis klimt en langzaam omhoogstijgt naar de zomerse hoogten van Sint-Jan. Daarna gaat het weer bergaf en dat verloopt begrijpelijkerwijs veel gemakkelijker. Na de felle contrasten van de inspanning, het zachte vervloeien van de ontspanning in de tweede helft van het jaar. 

Het valt me ieder jaar meer op hoeveel moeite het de natuur kost om uit haar winterslaap te ontwaken. Tot halverwege de lente – de ijsheiligen – vervalt ze nog in winterse gewoonten. Zo was er verleden jaar in april een onverwachte vriesnacht die mijn vrolijk bloeiende notelaar in één klap veranderde in een zwartgeblakerd geraamte. Al het frisse groen was dood en verdord, het verkruimelde tussen mijn vingers. De boom herpakte zich wel, maar veel noten vielen er dat jaar niet te rapen. Dergelijke winterprikken kunnen heel wat schade aanrichten. Maar ze helpen me ook begrijpen waarom de mensheid zoveel moeite heeft om te ontwaken uit de winterslaap van het materialisme. Na duizenden jaren van godenschemering en geestverduistering – van zomer en herfst dus – is eindelijk het nieuwe Lichte Tijdperk aangebroken. Vanaf nu gaat het weer bergop met de geest. Maar dat betekent dat we nog maar aan het begin van de (kosmische) winter staan. Het is nog een lange, lange weg voor het lente wordt.

Gelukkig zijn er, net als in de natuur, ongewoon vroege ‘lentedagen’ waarop de geest verrassend dichtbij komt. Anders zouden we wellicht de moed verliezen en denken dat het nooit meer goed komt. Zo’n verrassend vroege lentedag in de winter van het materialisme was het optreden van Rudolf Steiner. Waar kwam die man opeens vandaan? Zijn ‘heilige’ geest stak zo schril af tegen de geestloosheid van zijn tijd dat slechts weinig mensen het konden geloven. De tegenstelling was veel te groot. Na zijn dood zakte de antroposofische beweging dan ook als een pudding in elkaar. Ze bestaat nog altijd, en dat is al een succes. Maar het is de vraag hoelang ze het nog zal volhouden in de bijtende materialistische vrieskou van onze tijd. De natuur troost ons echter: er zullen nog van die zonnige dagen komen, even onverwacht en even onbegrijpelijk als de antroposofie. Langzaam zullen ze talrijker worden, tot uiteindelijk, in een nog verre toekomst, de lente van de geest aanbreekt. 

Antroposofie en karmabewustzijn (9)

  

Een lezer vroeg me onlangs waarom ik het thema van oude en jonge zielen zo belangrijk vind. Ik zette mijn argumenten nog eens op een rijtje. Maar hij vond mijn antwoord te lang, het moest korter en bondiger. Daar moest ik wel even om glimlachen. Hoe vaak krijg je als antroposoof niet de vraag: antroposofie, wat is dat eigenlijk, leg dat eens uit in een paar woorden! Dat lukt natuurlijk niet, en nu vroeg een antroposoof mij exact hetzelfde in verband met het zielenthema! Maar ik begreep hem wel. Als je doordringt tot de essentie van iets, kun je die essentie ook kernachtig formuleren (wat nog niet wil zeggen dat die formulering ook begrepen wordt). Ik kon dat niet. Ik kon niet in een paar woorden zeggen waarom het zielenthema in mijn ogen zo belangrijk is. De kern van de zaak heb ik nog steeds niet te pakken. Maar ik blijf proberen. Eén ding is alvast zeker: ik heb iets met oude en jonge zielen, ik ben er karmisch mee verbonden. Anders (en bondiger) gezegd: ik heb het zielenthema niet gekozen, het zielenthema heeft mij gekozen. 

Ook nu weer. Ik was helemaal niet van plan om opnieuw een reeks beschouwingen aan het zielenthema te wijden. Waarom zou ik ook? Het brengt geen aarde aan de dijk. Maar toen las ik in de biografie van Ludwig Polzer-Höditz (een vuistdik boek dat een bevriend antroposoof me had aangeraden) een zinnetje dat mijn belangstelling weer deed opleven. Het was een uitspraak van Ita Wegman die zei dat de golven van haat die haar na Rudolf Steiners dood overspoelden (en die tot haar afzetting als lid van de Vorstand zouden leiden) niet tegen haar persoonlijk waren gericht maar tegen het karmabewustzijn. Dat trof me, want het betekende dat de krachten die het zielenthema – volgens Rudolf Steiner toch de basis van het karmaonderzoek – verhinderen wortel te schieten in het antroposofische bewustzijn, dezelfde zijn die in de jaren 30 van de vorige eeuw geleid hebben tot de meest beschamende bladzijde in de geschiedenis van de antroposofie (en niet van de antroposofie alleen). 

De muur waar ik steeds weer tegenaan bots bij mijn pogingen om antroposofen warm te maken voor het zielenthema, bestaat dus niet alleen uit onverschilligheid. Er is veel meer in het spel. Ik heb te maken met een tegenstander die blinde haat opwekt en waar zelfs vooraanstaande leerlingen van Rudolf Steiner niet tegen opgewassen waren. Het begint me langzaam te dagen waarom antroposofen met een grote boog om dit thema heenlopen, waarom ze het zelfs zover drijven dat ze zich tegen Rudolf Steiner keren. Karmabewustzijn maakt machtige demonen wakker. Dat had ik me nooit gerealiseerd. Het zielenthema leek me juist zo kinderlijk onschuldig: er bestaan twee soorten antroposofen, ze moeten elkaar leren kennen en ze moeten met elkaar leren samenwerken. Wat kon er eenvoudiger en vanzelfsprekender zijn! Het was een gemeenschappelijk uitgangspunt, een duidelijke richtlijn die voor iedereen gold. Daar kon ik iets mee! Maar blijkbaar dachten de tegenmachten precies hetzelfde …

Dat ene korte zinnetje in dat dikke boek over Ludwig Polzer deed het oude vuur weer oplaaien. Ik begon mezelf vragen te stellen. Waarom heeft het zielenthema mij ‘gekozen’? Waarom kiest het geen andere mensen uit? Wat is er tussen mij en dit thema? Waarom is het voor mij belangrijker dan andere antroposofische thema’s? Zeer persoonlijke vragen allemaal. Maar is het zielenthema niet juist een bovenpersoonlijk thema? Is het volgens Rudolf Steiner niet bedoeld voor alle antroposofen? Of heb ik dat verkeerd begrepen? Heeft mijn persoonlijke relatie met het onderwerp mij wellicht parten gespeeld en heb ik Steiners woorden ‘kreatief’ geïnterpreteerd zonder mij daarvan bewust te zijn? Maar geldt dat niet even goed voor antroposofen die dit thema zorgvuldig vermijden? Waarom zouden ook bij hen geen (onbewuste) persoonlijke motieven meespelen? Ik heb genoeg antroposofen gekend die ervan overtuigd waren zich te laten leiden door bovenpersoonlijke motieven, terwijl het in werkelijkheid omgekeerd was. 

Als er werkelijk zoiets als karma bestaat, dan wordt het leven van een mens bepaald door zaken waarvan hij zich totaal niet bewust is. En dat zijn zeer persoonlijke zaken, want geen twee levens zijn gelijk. Persoonlijker dan karma vind je niet. Je karma leren kennen is de hoogste vorm van zelfkennis, intiemer dan welke zelf-introspectie ook. En toch is dit uiterst persoonlijke karma onlosmakelijk verbonden met het uiterst persoonlijke karma van tal van andere mensen. Karma is een vereffening van oude relaties die gestalte krijgt in nieuwe relaties. Het veronderstelt een netwerk van relaties dat zich zowel in tijd als ruimte uitstrekt tot de hele mensheid, want via via is ieder mens verbonden met alle andere mensen op aarde. Dat maakt karma tot een duizelingwekkend gegeven. Het regelt niet alleen ieder afzonderlijk leven, het stemt al die afzonderlijke levens ook nog eens op elkaar af. Het is met andere woorden zowel persoonlijk als bovenpersoonlijk, en dat in de allerhoogste mate.

Voor de moderne mens, die zijn eigen leven niet eens op orde krijgt en ziet dat ook leiders, regeringen en overheden er een potje van maken, is het bestaan van een dergelijk wereldomspannend ordeningsprincipe volstrekt ongeloofwaardig. Daar zijn ze weer met hun God, denkt hij. Als die God werkelijk bestond, waarom laat hij de zaken dan zo in het honderd lopen! Waar de geërgerde materialist echter geen rekening mee houdt is zijn eigen vrije wil. Zonder die vrije wil zou God de zaken prima kunnen regelen, denk maar aan de natuur. Maar dat wil hij niet. Hij wil dat de mens een vrij wezen wordt en regelt de zaken daarom via het karma. Hij geeft de mens de kans om fouten maken en ze daarna te herstellen. Dat veronderstelt natuurlijk een afwisseling van leven en dood, want als de mens wist wat hem allemaal te wachten stond, zou hij zich nooit vrij kunnen voelen. Om vrijheid mogelijk te maken, is het noodzakelijk dat de mens (bij de geboorte) zijn levensplan ‘vergeet’.

Vroeger geloofde de mens rotsvast in God en onderwierp zich lijdzaam aan diens wil. Om vrij te kunnen worden, moest hij God echter ‘afschaffen’. Dat had tot gevolg dat zijn lijden opeens zinloos werd en daarom veel zwaarder om dragen. Tegen dat zinloze lijden revolteert de mens momenteel zo hevig. De zinloosheid kan hij niet opheffen en dus keert hij zich tegen het lijden zelf, met name tegen de bron van alle lijden: de dualiteit, de diepe kloof die het bestaan in twee deelt. Die wil hij uit de weg ruimen en hij gaat daar zeer ver in. Maar die dualiteit is tevens de grondslag van zijn vrijheid en dus keert hij zich (zonder het te beseffen) tegen zijn eigen vrijheid. Aangezien die vrijheid de zin is van zijn lijden, maakt hij zijn lijden nog zinlozer en ondraaglijker dan het al is en sluit hij zichzelf op in een vicieuze cirkel die hem – letterlijk – tot waanzin drijft. Het wordt met de dag duidelijker: de moderne mens die het recht opeist niet meer gekwetst te worden, verliest langzaam maar zeker zijn verstand.  

Terugkeren naar het oude Godsgeloof kan hij niet en wil hij niet, en dus is er maar één uitweg uit die zelfvernietigende vicieuze cirkel: karmabewustzijn. Zonder dat bewustzijn ervaart de mens zijn lot als iets wat hem van buitenaf wordt opgelegd, door God – of erger nog – door het toeval. Hij spant zich tot het uiterste in om de plaats van God en toeval in te nemen en zijn leven de richting uit te sturen die hij wil, maar hoe meer hij zich inspant, des te minder lukt het. Het gevecht tegen datgene wat hij niet wil, put hem uit en zijn wil begeeft het: hij wil niet meer, hij kan niet meer willen – het droeve lot van de hedendaagse mens. Wordt die uitgeputte, wanhopige mens zich echter bewust van zijn karma, dan begint hij te beseffen dat zijn ongewilde levenslot wel degelijk door hem gewild wordt. Het is niet zomaar een onpersoonlijke, willekeurige kooi waarin hij opgesloten wordt, het is een zeer persoonlijke constructie waar hij zelf voor gekozen heeft. In zijn bewustzijn beginnen het persoonlijke en het bovenpersoonlijke langzaam naar elkaar toe te groeien …

Deze geleidelijke toenadering van de tegenpolen geeft zijn leven een geheel nieuwe zin zonder dat hij beroep moet doen op een God die vanuit onbereikbare hoogten zijn wil oplegt aan de mens en daardoor zijn vrijheid geweld aandoet. De mens die zijn karma leert kennen, ontdekt dat de vrijheid in dat karma ingebakken zit, en wel op twee manieren. Enerzijds heeft hij dat karma (voor zijn geboorte) zelf gevormd, weliswaar met de hulp van (veel verstandiger) geestelijke wezens maar toch met eigen instemming. Anderzijds stelt karma-inzicht hem in staat om nieuw karma te vormen, karma dat later niet hersteld moet worden (omdat het reeds rekening houdt met het bovenpersoonlijke). De paradox is dat de acceptatie van oud karma de wil versterkt en de mens in staat stelt om steeds vrijer te worden. Het omgekeerde – het uitzichtloze gevecht tegen het eigen karma – maakt de mens steeds onvrijer. Geen wonder dat de tegenmachten al hun duivels ontbinden om de ontwikkeling van karmabewustzijn te verhinderen.

Beter dan wie ook weten ze hoe belangrijk dit karmabewustzijn is. Zolang ze het kunnen verhinderen, maakt de mens geen kans. Hij raakt dan steeds meer in hun greep. Begint hij zijn aandacht echter te richten op het karma, dan dreigen ze hun greep te verliezen en slaan ze alarm. Nergens wordt dat zo duidelijk als in de geschiedenis van de antroposofie. Het was Rudolf Steiners levensopdracht om de moderne mens tot karmabewustzijn te brengen, en vanaf het allereerste moment probeerden de tegenmachten dat te verhinderen. Het scheelde niet veel of het pasgeboren kind was doodgebloed. Daarna werd hij in het geboorteregister verkeerdelijk ingeschreven als Adolf Steiner, een wel zeer perfide streek. Toen hij Karl Julius Schröer ontmoette, werd hij ‘gedwongen’ om diens opgave – de ontwikkeling van de antroposofie – over te nemen. Daar moest hij zijn leven aan wijden en pogingen om het te combineren met karmaonderzoek stuitten op onoverkomelijke weerstanden, zowel uiterlijke als innerlijke. 

Toen Rudolf Steiner tijdens de Weihnachtstagung de levenstaak van Schröer afsloot en eindelijk kon beginnen met zijn eigen taak, werd hij ‘als door een zwaardhouw’ getroffen. De tegenmachten wilden en zouden niet toestaan dat hij over karma zou spreken. In een uiterste krachtinspanning kon hij zijn leerlingen echter de basisprincipes van het karma meegeven, en dan vooral de eerste stap: het thema van de oude en de jonge zielen. Hij overwon in extremis de weerstanden waar hij zijn leven lang mee gevochten had, maar na zijn dood barstten ze in alle hevigheid los. Hoe antroposofen toen tekeer gingen tegen Ita Wegman valt alleen te verklaren door haar diepe (karmische) verbondenheid met de Weihnachtstagung en Rudolf Steiners eigen levensopgave. Reactionaire krachten wilden de stap van antroposofie naar karmabewustzijn ongedaan maken. Hoe ongemeen sterk ze waren – en nog altijd zijn – kan worden afgelezen aan het feit dat het zielenthema tot op de huidige dag niet is doorgedrongen tot het antroposofische bewustzijn. 

Wie aan de slag wil met dit elementaire karma-thema krijgt te maken met de dubbelganger van de antroposofie. Als een wachter staat hij aan de drempel van het karmabewustzijn, dat in wezen een geestelijk bewustzijn is, een bewustzijn zoals de mens het ontwikkelt na de dood, aan gene zijde van de drempel. Als antroposoof ben je (karmisch) niet alleen verbonden met het wezen ‘antroposofie’ maar ook met haar dubbelganger. Die dubbelganger is in feite de dekadent en kwaadaardig geworden geest van de oude mysteriën, die een scherpe grens trokken tussen het persoonlijke en het bovenpersoonlijke, het materiële en het geestelijke. Men kreeg alleen toegang tot de mysteriën van de geest wanneer men het eigen Ik aan de kant schoof. Rudolf Steiner heeft daar een eind aan gemaakt door tijdens de Weihnachtstagung de ‘nieuwe mysteriën’ in te stellen, die juist uitgingen van het eigen Ik en het persoonlijke en bovenpersoonlijke tot een onlosmakelijke eenheid smeedden. 

We beseffen nog nauwelijks de impact en draagwijdte van die overgang van oud naar nieuw. Rudolf Steiner was er de man niet naar om dat met veel bombarie te doen. Alles speelde zich af tijdens een van de jaarlijkse kerstbijeenkomsten, en aangezien het Goetheanum was afgebrand vond alles plaats in een schuur. Het was een veelzeggend beeld: de schitterende oude mysteriën waren op rituele wijze in vlammen opgegaan, de nieuwe leken veel eenvoudiger en onaanzienlijker. Ze waren echter op een geheel nieuwe wijze esoterisch: hun spirituele karakter moest ontdekt worden, het was alleen zichtbaar voor het hart. Daarom legde Rudolf Steiner de grondsteen nadrukkelijk ‘in de harten van de aanwezigen’, niet in hun hoofd, want dat was iets van de oude tijd. In de karmavoordrachten die hij daarna hield, legde hij er de nadruk op dat er op een geheel nieuwe manier met de antroposofische inhouden moest worden omgegaan. Dat gold heel in het bijzonder voor het zielenthema: dat kon alleen met het hart worden begrepen.

Zo heb ik het thema van oude en jonge zielen ook altijd ervaren: als een hartsaangelegenheid. Ik wist helemaal niet waarom het me zo aansprak, en eigenlijk weet ik het nog altijd niet. Maar het inzicht groeit. Langzaam begin ik met mijn hoofd te begrijpen wat ik met mijn hart reeds begrijp. Dat is geen vervanging van het ene weten door het andere, maar een samengroeien van hoofd en hart, in wederzijds respect maar wel onder leiding van het hart. Dat is de grote omkering die Rudolf Steiner tijdens de Weihnachtstagung doorvoerde: het hoofd stelt zich ten dienste van het hart. En hij voegde de daad bij het woord. Als hoofd van de (geestelijke) antroposofische beweging had hij altijd zorgvuldig afstand bewaard tot de (menselijke) antroposofische vereniging, maar nu stelde hij zich helemaal ten dienste van dit ‘hart’. Hij werd voorzitter van de vereniging, wat niet betekende dat hij haar ging leiden, maar dat hij de volledige verantwoordelijkheid op zich nam voor alles wat de leden deden (en niet deden). 

Heel wat antroposofen die erbij aanwezig waren, hebben de betekenis van de Weihnachtstagung met hun hart begrepen. Maar daarmee begrepen ze het nog niet met hun hoofd. Dat onbegrip – de kloof tussen hoofd en hart – heeft Rudolf Steiner het leven gekost. Maar dat wist hij. Hij kende de dubbelganger van de antroposofie maar al te goed. Toen hij zich verbond met de vereniging hing zijn lot af van de mate waarin zijn leerlingen in staat waren (via hun persoonlijke dubbelganger) de confrontatie met deze (bovenpersoonlijke) dubbelganger aan te gaan. Ze faalden deerlijk en Rudolf Steiner betaalde (vrijwillig) het gelag met zijn leven. Door deze offerdaad is de verbinding van hoofd en hart die hij belichaamde een geestelijk wezen geworden waarmee iedere antroposoof zich kan verbinden in de mate dat hij de confrontatie met zijn dubbelganger (en daarmee ook de dubbelganger van de antroposofie) aangaat. Dat is en blijft de opgave – het karma – van de antroposofische beweging. Hoe meer ze zich daar bewust van wordt, des te dichter zal ze de essentie van de antroposofische zaak kunnen benaderen.