Winter en lente

door lievendebrouwere

  

Vroeger dacht ik dat er geen groter tegenstelling kon bestaan dan tussen de winter en de lente. Nu weet ik beter. Beide seizoenen overlappen elkaar grotendeels. Eigenlijk begint de lente samen met de winter. Vanaf nieuwjaar duikt ze reeds op in de vorm van onverwacht zachte en zonnige dagen, vooruitgeschoven lentedagen zeg maar. Veel zijn dat er aanvankelijk niet, maar ze worden geleidelijk talrijker. Als sterren fonkelen ze in de duisternis van de winter. Ook het omgekeerde is het geval: tot diep in de lente zijn er barre, ijskoude dagen alsof de winter van geen wijken wil weten. Zo herinner ik me nog sneeuw op 5 mei, in volle lente dus. Die scherpe tegenstellingen horen bij de eerste helft van het jaar, wanneer de zon moeizaam uit het diepe dal van kerstmis klimt en langzaam omhoogstijgt naar de zomerse hoogten van Sint-Jan. Daarna gaat het weer bergaf en dat verloopt begrijpelijkerwijs veel gemakkelijker. Na de felle contrasten van de inspanning, het zachte vervloeien van de ontspanning in de tweede helft van het jaar. 

Het valt me ieder jaar meer op hoeveel moeite het de natuur kost om uit haar winterslaap te ontwaken. Tot halverwege de lente – de ijsheiligen – vervalt ze nog in winterse gewoonten. Zo was er verleden jaar in april een onverwachte vriesnacht die mijn vrolijk bloeiende notelaar in één klap veranderde in een zwartgeblakerd geraamte. Al het frisse groen was dood en verdord, het verkruimelde tussen mijn vingers. De boom herpakte zich wel, maar veel noten vielen er dat jaar niet te rapen. Dergelijke winterprikken kunnen heel wat schade aanrichten. Maar ze helpen me ook begrijpen waarom de mensheid zoveel moeite heeft om te ontwaken uit de winterslaap van het materialisme. Na duizenden jaren van godenschemering en geestverduistering – van zomer en herfst dus – is eindelijk het nieuwe Lichte Tijdperk aangebroken. Vanaf nu gaat het weer bergop met de geest. Maar dat betekent dat we nog maar aan het begin van de (kosmische) winter staan. Het is nog een lange, lange weg voor het lente wordt.

Gelukkig zijn er, net als in de natuur, ongewoon vroege ‘lentedagen’ waarop de geest verrassend dichtbij komt. Anders zouden we wellicht de moed verliezen en denken dat het nooit meer goed komt. Zo’n verrassend vroege lentedag in de winter van het materialisme was het optreden van Rudolf Steiner. Waar kwam die man opeens vandaan? Zijn ‘heilige’ geest stak zo schril af tegen de geestloosheid van zijn tijd dat slechts weinig mensen het konden geloven. De tegenstelling was veel te groot. Na zijn dood zakte de antroposofische beweging dan ook als een pudding in elkaar. Ze bestaat nog altijd, en dat is al een succes. Maar het is de vraag hoelang ze het nog zal volhouden in de bijtende materialistische vrieskou van onze tijd. De natuur troost ons echter: er zullen nog van die zonnige dagen komen, even onverwacht en even onbegrijpelijk als de antroposofie. Langzaam zullen ze talrijker worden, tot uiteindelijk, in een nog verre toekomst, de lente van de geest aanbreekt. 

Advertenties