Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Maand: april, 2018

Dekolonisering

  

Onlangs was er in Gent een schandaal(tje) toen een tentoonstelling van Russische avant-gardekunst in het Museum voor Schone Kunsten bleek te bestaan uit (vermoedelijke) vervalsingen. Directrice Catherine De Zegher had zich naar eigen zeggen gebaseerd op het advies van experten, maar een krant beweerde dat ze loog en ze werd op non-actief gezet. Momenteel is er een onderzoek gaande door een gespecialiseerde (en ongetwijfeld peperdure) firma, allemaal op kosten van de belastingbetaler uiteraard. Deze kleine schandalen – wie ligt nu wakker van een vervalsing (of verspilling) meer of minder – verbergen evenwel een veel groter schandaal. Want wat deden die avant-gardistische schilderijen in het Museum voor Schone Kunsten? Ze hoorden thuis in het SMAK, het museum voor hedendaagse kunst. Dat begon zijn bestaan als een afdeling van het MSK, maar toen het – onder impuls van Jan Hoet – een eigen gebouw kreeg (aan de overkant van de straat) begon het prompt zijn moeder op te vreten. 

Sinds de hedendaagse kunst in Gent haar eigen museum heeft, worden er in het oude moedermuseum voortdurend tentoonstellingen van … hedendaagse kunst ingericht. Langzaam maar zeker wordt de ‘oude’ kunst in haar eigen museum in een hoekje gedrumd. De Russische avant-gardeschilderijen waren slechts een zoveelste aflevering van dat artistieke Game of Thrones. Dat er hoogstwaarschijnlijk fraude in het spel is, bewijst alleen maar dat alle middelen goed zijn om de oude kunst van haar troon te stoten. Lang zal het niet meer duren voor de oorspronkelijke situatie helemaal omgekeerd is en de oude kunst in het MSK nog slechts een hoekje in beslag neemt, precies zoals de hedendaagse kunst dat destijds deed, toen Jan Hoet er het slachtoffer uithing. Die radicale omkering – een minderheid wordt meerderheid en een meerderheid wordt minderheid – komt met rasse schreden dichterbij, want de aanvallen op de oude kunst worden steeds heviger. 

Begin maart werd in de Brusselse KVS ‘Leven en Werken van Leopold II’ opgevoerd, een satirisch toneelstuk van Hugo Claus dat 15 jaar geleden al eens uit de oude doos werd gehaald en toen luid geprezen werd omwille van Claus’ scherpe kritiek op het Belgische kolonialisme. Ter situering: de Koninklijke Vlaamse Schouwburg is een theaterzaal die zich richt tot een kleine minderheid: de Vlamingen in Brussel. Ze wonen allemaal in de buurt van de Dansaertstraat, zoals de Congolezen in de Matongebuurt wonen. Een speciaal volkje, de Brusselse Vlamingen. Dat moet ook wel, want Brussel is een Franstalige, om niet te zeggen Vlaamsvijandige stad, hoewel ze in oorsprong zo Vlaams was als Broekzele maar kan zijn. De KVS is dan ook een schouwburg die inzet op multiculturaliteit en onderdrukte minderheden een podium wil bieden. Dat betekent echter geenszins dat het toneelstuk van Hugo Claus werd opgevoerd omdat het Vlaams is. Het werd opgevoerd omdat het de kolonisatie in het vizier neemt.

Dat staat altijd goed, moeten regisseur en directeur gedacht hebben. Maar dat was zonder de zwarte waard gerekend. Keniaans theatermaker Ogutu Moraya annuleerde zijn eigen voorstelling uit protest tegen de ‘koloniale beeldvorming’ in het toneelstuk van Hugo Claus. Critici en theaterrecensenten traden hem volmondig bij. Vijftien jaar geleden zongen ze nog de lof over dit stuk, maar nu trilden hun pennen van verontwaardiging. Het racisme, de blackfacing, de witheid van de acteurs, het feit dat er nog altijd geen Lumumba-plein is in Brussel: zo kon het echt niet langer. Regisseur Raven Ruell en directeur Michaël De Cock mochten er nog zo op wijzen dat het ging om satire en dat artistieke vrijheid heilig is, het mocht niet baten. Petra van Brabandt, links moraalfilosofe met feministische achtergrond, verwoordde de stemming als volgt: ‘Jullie kunnen dino’s worden of vervellen, uiteindelijk doet het er niet toe, dit is de laatste keer dat ik jullie in het centrum van mijn dramatische ontwikkeling plaats.’

Haar boodschap was duidelijk: de maat is vol. Het stuk van Claus was de druppel die de emmer deed overlopen. De Brusselse KVS mag in België dan wel koploper zijn qua multiculturaliteit en antikolonialisme – er staan meer zwarte acteurs op de planken dan blanke – het racisme is er niettemin zo erg dat het voor Petra Van Brabant definitief de deur dichtdoet. Wat ze dan wel vindt van schouwburgen die heel wat minder op de multiculturele barricaden staan, is niet bekend. Waarschijnlijk vindt ze er geen woorden voor. Toch is ze hoopvol gestemd: ‘MeToo, BlackLivesMatter en dekolonisering zijn niet meer te stoppen. Een nieuwe generatie is aan zet. Zij komen met de vaardigheden van intertekstualiteit en kruisrefereren, met radicaal diverse referentiekaders en met internationale maar lokaal verankerde netwerken van solidariteit, zelfzorg en empowerment. Zij laten zich niet langer tot de Vlaamse vergelijkbaarheid beperken, waar witte mannen de regie, het script en de cast bepaalden.’ 

‘Wat politicologe Olivia Rutazibwa het einde van de witte wereld noemt is een feit.’ Zo vat ze de situatie samen. De KVS mag nóg zo multicultureel en politiek correct zijn, het blijft een ‘witte’ schouwburg en anno 2018 is dat onvergeeflijk. Pas als de blanken helemaal gedekoloniseerd zijn, zal Petra Van Brabandt rust vinden. Zolang ze nog de regie voeren en de directie uitmaken, zal ze haar heilige oorlog blijven voeren, de oorlog tegen de white supremacy. En die beperkt zich niet tot schouwburgen. Haar verontwaardiging geldt ook ‘de seksistische en racistische traditie van het witte, vrouwelijke naakt in de westerse olieverfschilderkunst’. Hoog tijd dat ook daar een eind aan komt. Het Gentse MSK weze gewaarschuwd: als Petra klaar is met de theaterwereld, begint ze aan de wereld van de beeldende kunsten. De toestand is daar niet minder wraakroepend. Hoeveel zwarten staan er op de schilderijen van de Europese kunst? Rubens heeft er een paar geschilderd, maar die heten ‘Negerkoppen’. Dat zegt genoeg. 

Nee, als het van Petra afhangt dan komt er een grote schoonmaak in de wereld van kunst en cultuur. En liever vandaag dan morgen. Het nieuwe slagwoord is: dekolonisering. Je hoort het tegenwoordig overal. Want Petra Van Brabandt is niet alleen. Ze maakt deel uit van de nieuwe generatie die nu aan zet is en die stormenderhand de witte wereld verovert. Alle (echte of vermeende) koloniale connotaties moeten verdwijnen: de negerkoppen van Rubens, de negerinnetetjes van de bakker, de Zwarte Piet van Sinterklaas, de strips van Kuifje, de boeken van Jef Geeraerts, enzovoort. Maar dekolonisering betekent veel meer dan dat. Het wil de Europese mens dwingen in de spiegel te kijken en zich bewust te worden van zijn diepgewortelde racisme, imperialisme en kolonialisme. Eeuwen van geweld, overheersing, slavernij en uitbuiting hebben niet alleen diepe sporen achtergelaten in alle aspecten van de Europese beschaving, ze hebben ook hun stempel gedrukt op het gedrag, de levensinstelling en het denken van de witte mens. 

Wit is dus niet zomaar een huidskleur. Het is een geheel van normen en waarden die superieur worden geacht. De Engelse wetenschapsjournaliste Angela Saini heeft aangetoond dat zelfs de wetenschap racistisch en sexistisch is. Dat kan natuurlijk geen verwondering baren want de moderne wetenschap is grotendeels het werk van witte mannen. Om een eind te maken aan die schrijnende ongelijkheid heeft de jonge generatie een ware revolutie op gang gebracht in het geestesleven. Ze wil niet alleen komaf maken met de alleenheerschappij van de witte kunst en cultuur, ze wil ook het grootste witte bastion naar beneden halen: de wetenschap. De universiteiten (te beginnen met de Amerikaanse) worden bestormd door Social Justice Warriors die ieder spoor van racisme, sexisme en discriminatie willen uitroeien. Ze eisen een veilige universiteit en genderneutraal, multicultureel onderwijs. De wetenschap willen ze verlossen van de witte waan de waarheid in pacht te hebben. 

De opvatting dat er zoiets bestaat als een objectieve waarheid, is natuurlijk het toppunt van witte arrogantie. Hoogleraar genderstudies Gloria Wekker verklaart dan ook onomwonden dat ze ‘niet van de objectiviteit is’. Volgens haar is objectiviteit niets anders dan een schaamlapje voor de machtsposities die mannen innemen. En hier komt de aap uit de multiculturele mouw. De aanval die de Social Justice Warriors hebben ingezet, is een aanval op de grootste verworvenheid van de Europese beschaving: het concept waarheid, de opvatting (of ervaring) dat er objectieve geest leeft in het subjectieve individu. Antroposofen spreken in dat verband over de bewustzijnsziel. Schrijver Hafid Bouazza formuleert het anders. Hij associeert het kennen – of geloven in het bestaan – van de waarheid met het hebben van een gezicht. Volgens hem weten zijn Marokkaanse landgenoten niet wat waarheid is. Ze dragen een leugenmasker omdat ze geen gezicht hebben. En ‘gezicht’ gebruikt hij hier als metafoor voor het individuele ik van de mens.

Als inwijkeling ziet Hafid Bouazza heel duidelijk wat de kern van de Europese beschaving is: het menselijke ik als waarnemingsorgaan van de waarheid. Dat individuele ik is natuurlijk niet denkbaar zonder Christus, het wezen van de waarheid dat de mensheid bevruchtte met zijn Ik. Dat Ik-wezen werd ‘gezaaid’ in het Midden-Oosten maar nadien overgeplant in de Europese bodem. Daar ontwikkelde het zich vanuit twee verschillende richtingen: vanuit de wil tot individualisering en vanuit de wil tot objectivering. Pendelend tussen deze twee polen – de luciferisch-subjectieve en de ahrimaans-objectieve – ontwikkelde Europa zich tot de toonaangevende beschaving van onze tijd, een beschaving die zich vervolgens – via de kolonisten – verspreidde over de hele wereld. Overal waar deze emigranten kwamen ploegden ze erop los, rukten het onkruid uit en plantten de ‘gewassen’ van de Europese beschaving. Dat is de wandaad waarvoor de ‘witte mens’ vandaag ter verantwoording wordt geroepen. 

Er kan geen twijfel over bestaan: de Europese kolonisten waren zelfzuchtig en traden hardhandig op tegen de plaatselijke bevolkingen en culturen. Maar er kan evenmin twijfel over bestaan dat ze de wereld kennis lieten maken met de Europese beschaving en haar waarheidsgeest. Het feit dat deze twee kanten van de koloniseringsmedaille niet onderscheiden worden, leidt tot een regelrechte omkering. Steeds talrijker zijn de Afrikaanse intellectuelen die Europa in zuiver koloniale stijl komen ‘heropvoeden’, steen en been klagend over de domheid van de plaatselijke bevolking die maar niet begrijpt hoe bekrompen en racistisch ze wel is. Geen moment komt het in deze neo-kolonialisten op dat ze precies hetzelfde doen als waar ze de ‘witte mens’ van beschuldigen. Geen moment ook komt het in hen op dat ze zonder kolonisering nog altijd halfnaakt in de Afrikaanse brousse zouden rondlopen in plaats van te doceren aan Europese en andere ‘witte’ universiteiten. 

Wat bezielt deze Afrikanen om zich te keren tegen de Europese beschaving waaraan ze zoveel te danken hebben? Het antwoord ligt voor de hand: hetzelfde wat ook de Europeaan bezielt. Ze worden geïnfecteerd door diens afschuw voor de dubbelganger, het afschrikwekkende wezen dat opdoemt bij het overschrijden van de drempel naar de geestelijke wereld. Daar ligt de oorzaak van de hele dekoloniseringsbeweging: in de onbewuste drempeloverschrijding, in de louter wilsmatige ontmoeting met de schaduwzijde is van het ik. De mens had zich nooit kunnen ontwikkelen tot een zelfstandig wezen zonder de wereld geweld aan te doen. Zijn individualisering houdt een verzet in tegen de geest, tegen de natuur, tegen anderen. Voor die omgang met het kwaad krijgt hij nu de rekening gepresenteerd in de vorm van de dubbelganger. En dat is geen straf maar een kosmische wetmatigheid: de mens kan de drempel van de geest niet overschrijden zonder zijn schulden te betalen. 

Dat laatste kan op twee manieren: vrijwillig en onvrijwillig. In het eerste geval erkent hij de dubbelganger als een deel van zichzelf en probeert hem te integreren. Dat vergt inzicht en overleg want de dubbelganger is als een wild dier dat getemd moet worden. In het andere geval stoot hij de dubbelganger (innerlijk) instinctief van zich af en bestrijdt hem (uiterlijk) in dingen en mensen waarop hij hem zonder het te weten projecteert. Dit gevecht tegen windmolens leidt tot de omkering die vandaag op grote schaal plaatsvindt: in plaats dat de mens zijn dubbelganger stap voor stap onder controle krijgt, raakt hij steeds meer in diens greep. In plaats dat hij zijn ik-bewustzijn verder ontwikkelt, verliest hij het en valt terug in oude vormen van groepsbewustzijn. Hij voelt zich verantwoordelijk voor de schaduwzijden van de kolonisatie omdat hij tot het blanke ras behoort. En Afrikanen voelen zich op hun beurt gerechtvaardigd daar gebruik van te maken omdat ze tot het zwarte ras behoren. 

We worden vandaag gekoloniseerd door onze dubbelganger. Hij maakt gebruik van zwarten, moslims, holebi’s, vrouwen en andere ‘onderdrukte minderheden’ die hij ‘hun rechten wil teruggeven’. In werkelijkheid heeft hij het gemunt op het menselijk ik, dat hij in zijn bezit wil krijgen en tot zijn werktuig maken. Daartoe verkondigt hij de theorie dat er pas vrede op aarde kan komen als alle rassen, volkeren en geslachten als gelijken worden behandeld. Deze ‘vredesboodschap’ combineert het (christelijke) streven naar gelijkheid en eenheid met het (ahrimaanse) afwijzen van de geest: niet de mens als individu moet gelijkberechtigd worden, maar de mens als lichaam. Het is de materialistische versie van de christelijke boodschap en waar dat in de praktijk toe leidt, zien we nergens beter dan in de kunstwereld. De barbaarse kunstvorm die daar honderd jaar geleden opdook en zich profileerde als een onderdrukte minderheid werd dankzij die politiek binnen de kortste keren een onderdrukkende meerderheid.

Als een koekoeksjong eiste de hedendaagse kunst een plaats in het artistieke nest, en toen ze die kreeg, begon ze meteen de oorspronkelijke kunst overboord te werpen. En net als in de natuur werd dat niet opgemerkt. De moderne mens heeft een monster grootgebracht en hij ziet het niet. Hij is blind voor het feit dat de dubbelganger de plaats van zijn ik heeft ingenomen, hij ziet geen verschil tussen beide. Deze morele blindheid maakt dat hij zich in toenemende mate identificeert met het monsterlijke wezen dat hem misbruikt, brutaliseert en uitlacht. Maar de machtshonger van de dubbelganger is nog lang niet gestild. Hij heeft de ‘oude’ kunst reeds verdreven uit het openbare leven, maar hij wil ze ook verdrijven uit het hart van de mens. Hij wil alle liefde die men nog voor deze kunst voelt, uitroeien en haar voorstellen als een historische fout, als een misdaad tegen de mensheid, een uitdrukking van het blanke racistische, discriminerende, sexistische waanbeeld van het ik.

De nieuwe generatie van Social Justice Warriors wil Grote Schoonmaak houden in onze theaterzalen en musea. De Europese kunst moet er plaats ruimen voor een echte, universele wereldkunst waarin alle rassen, volkeren, etnische groepen, geslachten en minderheden aan bod komen. Voor de oude, witte kunst zal nog een klein hoekje gereserveerd worden ter herinnering aan de culturele holocaust die ze veroorzaakt heeft. Want de afschuw voor alles wat uitgaat van het individuele ik van de mens moet levendig worden gehouden, ja het moet de nieuwe mensheidsreligie worden. En daarvoor moet ook de wetenschap worden aangepakt. Haar waarheidsstreven moet net als in de kunst (waar het zich als schoonheidsstreven manifesteerde) voor de bijl. Onmogelijk, denken we. Maar dat dachten we ook toen Marcel Duchamp zijn pispot tentoonstelde, and look what happened. Vijfenzeventig jaar geleden schreef C.S.Lewis zijn beroemde essay ‘De Afschaffing van de Mens’. Het is vandaag helaas actueler dan ooit. 

Advertenties

Antroposofie en karmabewustzijn (13)

   

Karmaonderzoek is de bewuste en vrijwillige versie van wat ieder mens op zijn oude dag onwillekeurig doet: terugkijken op zijn leven. Het is een hogere vorm van zelfonderzoek, aangezien ieder leven de uitdrukking is van een hoger Ik. Volgens Rudolf Steiner komt dat Ik van buitenaf op de mens toe. Wat van binnenuit werkt is het lager ik of ego, dat zich kenbaar maakt in wensen, begeerten en verlangens. Het leven waar dit lager ik van droomt, is zelden of nooit het leven dat het krijgt. Vaak is het zelfs het tegenovergestelde. Met name bij de moderne mens, wiens lager ik als gevolg van de talloze mogelijkheden die het leven hem biedt zeer begerig en verlangend is geworden, bestaat er een steeds dieper wordende kloof tussen het leven dat hij zich droomt en het leven dat hij werkelijk leidt. Dat laatste ervaart hij in toenemende mate als een mislukking, en omdat hij niet kan geloven dat die ‘mislukking’ het werk is van een hoger Ik, wordt de terugblik een pijnlijke zaak. 

Dat is de reden waarom gepensioneerden het vandaag zo druk hebben: ze willen niet omkijken naar hun leven, ze willen niet geconfronteerd worden met de pijnlijke kloof tussen droom en werkelijkheid, met alles wat niet heeft mogen zijn. Om dezelfde reden werpen steeds meer jonge mensen zich in het ‘activisme’: ook zij willen niet geconfronteerd worden met de tegenstelling tussen de wereld-zoals-hij-zou-moeten-zijn en de wereld-zoals-hij-is. De kloof tussen die twee werelden – de ideale en de reële – is zo groot geworden dat ze hun dromen waarschijnlijk nooit zullen kunnen realiseren. Beide generaties zitten dus in hetzelfde parket: ze zien geen toekomst meer en dat zwarte gat ontvluchten ze door koortsachtig actief te zijn. Bij de ouderen heeft dat ‘wilde willen’ een eerder egocentrisch karakter (ze willen er nog eens goed van profiteren), bij de jongeren heeft het een eerder exocentrisch karakter (ze willen de wereld verbeteren), maar in beide gevallen gaat het uit van hun lager ik.  

Dit ‘lagere’ willen brengt ouderen en jongeren met elkaar in botsing. Als de ouderen ‘er nog eens goed van willen profiteren’ dan moet de wereld blijven zoals hij is. Willen de jongeren opnieuw een toekomst hebben dan moet de wereld kost wat kost veranderen. Hoe meer de mens toegeeft aan zijn lagere driften, aan zijn zelfzuchtige ik, aan de-wereld-zoals-hij-zou-moeten-zijn, des te meer komen oud en jong tegenover elkaar te staan, des te meer worden ze elkaars vijanden. Was dat niet ook de oorzaak van de problemen die de antroposofische beweging na de dood van Rudolf Steiner uiteen deden spatten? Zolang hij nog leefde, kon hij de spanningen tussen de oudere en de jongere generatie in bedwang houden. Dat werd echter steeds moeilijker, en toen het Goetheanum afbrandde was hij de wanhoop nabij. De brand was weliswaar van buitenaf aangestoken, maar de diepere oorzaak ervan lag in de wrijvingen tussen de generaties, in de zelfzuchtigheid van hun streven.

De eerste generatie, die het Rudolf Steiner mogelijk maakte de antroposofie in de wereld te zetten, bestond uit gepensioneerden en gefortuneerde mensen. Ze hadden hun plaats in de wereld veroverd (of gekregen) en die plaats vormde de grond van hun bestaan. De jongere generatie, die na de eerste wereldoorlog aan de antroposofische deur klopte, had de grond onder haar voeten voelen verdwijnen. Op de slagvelden had ze kennisgemaakt met de keerzijde van de oude wereld en die (gespleten) wereld wilden de jongeren niet meer, ze wilden een nieuwe en betere wereld. Ook de ouderen zochten naar vernieuwing – anders hadden ze zich niet rond Rudolf Steiner geschaard – maar ze zochten die vernieuwing niet in een verandering van de wereld, maar in een verandering van bewustzijn. Hun leven had in het teken gestaan van het veroveren van (een plaats in) de materiële wereld, en de jaren die hen nog restten wilden ze besteden aan het veroveren van (een plaats in) de geestelijke wereld. 

Beide generaties kwamen in verzet tegen het leven zoals het was, maar ze deden dat op tegengestelde wijze. De ouderen hadden de neiging de materiële wereld te vergeten en zich enkel te concentreren op de geestelijke wereld, de jongeren hadden de neiging precies het omgekeerde te doen. Ze zagen in de geest een middel om de wereld te veranderen, terwijl de ‘gepensioneerden’ in hun materiële welstand een middel zagen om zich aan de geest te kunnen wijden. Allebei zochten ze die geest – in de hemel of op aarde – maar ze zochten hem op zelfzuchtige wijze, gedreven door de dromen en verlangens die in hun ziel leefden. Geen van beiden zocht de geest waar hij was: in het leven zoals dat van buitenaf op hen toekwam. En wat in de antroposofische vereniging van buitenaf op hen toekwam, was de andere generatie. De ouderen zagen hun hoger Ik verschijnen in de gedaante van de jongeren, en de jongeren zagen het op zich toekomen in de gedaante van de ouderen.

Dat konden ze toen echter niet weten, want Rudolf Steiner had nog niet gesproken over het antroposofische karma dat juist bestond in de ontmoeting tussen (zowel in letterlijke als in figuurlijke zin) oude en jonge zielen. Ze hadden dit karma-inzicht ook niet kunnen verteren. De oudere generatie – welgestelde dames en heren van stand – had onmogelijk de gedachte kunnen accepteren dat de ‘barbaarse’ jongeren die zo brutaal en zonder enig respect de antroposofische wereld waren komen binnenstampen, de representant waren van hun eigen hogere Ik. En omgekeerd hadden de jongeren, die zo’n diepe afkeer voelden voor de burgerlijke, bekrompen wereld van de ouderen, nooit kunnen aanvaarden dat die keurige aristocratische lieden, die nooit hadden moeten werken (laat staan vechten) om te overleven – en die in hun ogen dus niks van het werkelijke leven afwisten – hun eigen hogere Ik vertegenwoordigden. Nee, geen van beide generaties was daaraan toe. 

Sigmund Freud was in die tijd nog een nobele onbekende en het concept van het onderbewuste moest nog doordringen tot het algemene bewustzijn. Het kwam in de oudere generatie niet op om naar zichzelf te kijken en zich bewust te worden van de duistere keerzijde van hun burgerlijke en/of aristocratische geest. Het arbeidersvraagstuk en het opkomende socialisme lagen reeds als een tikkende tijdbom onder hun oude wereld, maar de scheiding der standen hield dat veilig voor hen verborgen. Voor de jongeren lag de confrontatie met zichzelf zo mogelijk nog moeilijker. Niet alleen waren ze nog veel te jong om al aan zelfreflectie te doen – hun natuurlijke dadendrang zou erdoor verlamd zijn geworden – maar het zou hen ook geconfronteerd hebben met de vreselijke wonde die de oorlog in hun ziel had geslagen. Die gapende kloof konden ze met de beste wil van de wereld niet onder ogen zien. Trouwens, veel van hun dadendrang hadden ze juist te danken aan de angst waarmee dit ‘zwarte gat’ hen vervulde. 

Vandaag zijn we honderd jaar verder en liggen de zaken heel anders. We kunnen onszelf niet meer ontvluchten, het leven dwingt ons in de spiegel te kijken. Het wordt steeds moeilijker om te (over)leven zonder de hulp van psychologen, psychiaters, therapeuten en andere zielzorgers. Deze zelfreflectie – een begin van karmaonderzoek – negeert weliswaar de geestelijke dimensie van het hogere Ik, maar ze is toch een grote stap vooruit. Jonge mensen spreken vandaag veel vrijer over hun (uiterlijke en innerlijke) leven dan hun ouders, terwijl het voor hun grootouders vaak nog taboe is. Juist dat grote verschil doet ons beseffen dat karmabewustzijn in de tijd van Rudolf Steiner nog niet tot de mogelijkheden behoorde. Als het ons al zo moeilijk valt het antroposofische karma onder ogen te zien, hoe zou de vooroorlogse generatie daar ooit toe in staat zijn geweest! Nee, ze moest eerst de antroposofie leren kennen voor er zelfs maar aan karmabewustzijn kon gedacht worden. 

De Weihnachtstagung was dan ook een enorme stap. Tot dan toe hadden de antroposofen hun aandacht naar buiten gericht – ook hun aandacht voor de geest was op ‘het andere’ gericht – en nu moesten ze hem opeens ook naar binnen richten, op het eigen zelf. Het was de stap van het oude dualistische bewustzijn naar het nieuwe karmabewustzijn. In het eerste beleeft de mens zichzelf als een duidelijk afgebakende eenheid, een binnenwereld die afgesloten is van de buitenwereld. In het tweede beleeft hij zich als een dubbel wezen dat zowel binnen leeft (het lagere ik) als buiten (het hogere Ik). De grens die het dualistische bewustzijn tussen mens en wereld trekt, en die de werkelijkheid in twee deelt, trekt het karmabewustzijn – dat slechts één werkelijkheid erkent – in de mens zelf. De dualistische mens is ‘een mens uit één stuk’: hij stelt zichzelf niet in vraag en ontleent daaraan de kracht om de buitenwereld te veroveren. De ‘karmische’ mens daarentegen wordt geconfronteerd met de gespletenheid van zijn eigen wezen, en raakt daardoor van slag. 

We herkennen deze overgang in Parsifal die de graalburcht betreedt – beeld van een binnenwereld die tegelijk buitenwereld is – en daar geconfronteerd wordt met zijn eigen gespleten wezen. Hij herkent zichzelf echter niet in de gewonde Visserkoning, want hij beleeft zichzelf nog als een (koninklijk) wezen uit één stuk, een heldhaftige ridder die de buitenwereld stormenderhand verovert en zichzelf niet in vraag stelt. Door dit onvermogen om in zijn heersersnatuur de gekwetste, lijdende mens te zien, kan hij niet in de graalburcht blijven en moet hij opnieuw de oude, dualistische wereld in. Maar er is iets veranderd, het beeld van de tegenstelling tussen de zwaargewonde Visserkoning (zijn lagere ik) en de verheven graal (zijn hogere Ik) laat hem niet meer los. De oude strijd met de buitenwereld wordt steeds meer een strijd met zichzelf. Het zwaartepunt verschuift langzaam van zijn (onoverwinnelijke) lagere ik naar zijn (deemoedige) hogere Ik.  

De antroposofie was de graalburcht waarin Rudolf Steiner zijn leerlingen binnenleidde en waar ze geconfronteerd werden met hun eigen dualistische wezen. Maar ze waren nog niet in staat te begrijpen dat de kloof tussen de generaties een beeld was van de kloof die door hun eigen ziel liep. Zoals Parsifal zichzelf niet herkende in de gewonde Visserkoning, zo herkenden de antroposofen van het eerste uur zichzelf niet in de andere generatie. Ze slaagden er niet in de verlossende vraag te stellen naar de oorzaak van hun lijden: de tegenstelling tussen beide generaties, tussen beide zielengroepen. Die wonde konden ze nog niet onder ogen zien en in een onbewuste poging om hun ‘koninklijke zelf’ te vrijwaren stootten ze hun lager ik van zich af en projecteerden het op de andere generatie. Rudolf Steiner had hen tot aan de drempel van de geestelijke wereld gevoerd en daar ontmoetten ze hun dubbelganger. Maar ze herkenden hem niet en gingen met hem in de clinch.

Het was deze dubbelgangersstrijd die Rudolf Steiner tot wanhoop dreef. Na de brand van het Goetheanum speelde hij met de gedachte zich terug te trekken en de vechtende vereniging aan haar lot over te laten. In plaats daarvan deed hij het tegenovergestelde: tijdens de Weihnachtstagung verbond hij zich persoonlijk met de gepolariseerde vereniging. Hij werd voorzitter van de antroposofische vereniging en nam de verantwoordelijkheid op zich voor alles wat in die vereniging gebeurde, dus ook voor de strijd met de dubbelganger. Doordat hij als bliksemafleider fungeerde, kon er een nieuwe wind door de vereniging waaien, maar het kostte hem wel het leven. De dubbelgangers die de vereniging ten gronde hadden gericht, richtten nu Rudolf Steiner ten gronde. Wellicht had hij gehoopt dat zijn leerlingen zelf de confrontatie met hun dubbelganger zouden aangaan, zodat hij niet het volle gewicht van hun ‘zonden’ moest dragen. Maar ze schoten tekort, zoals ook Parsifal tekort was geschoten.

Onmiddellijk na Rudolf Steiners dood wierp de dubbelganger zich opnieuw op de vereniging en sleurde haar mee in een niets ontziende strijd. Die strijd had nu een geestelijker karakter gekregen. Hij ging niet zozeer tussen de oude en de jonge generatie, dan wel tussen de oude en de jonge zielen. De wonde die nu zichtbaar werd, was de ‘oerwonde’ van de mensheid. Rudolf Steiner had er tijdens zijn karmavoordrachten op gewezen omdat hij wist welke beproeving zijn leerlingen te wachten stond. Maar de weerstanden waren te groot, het oude dualistische bewustzijn nog te sterk. Toen de dubbelganger reuzengroot voor hen opdook, reageerden ze instinctief en trokken heldhaftig ten strijde tegen de draak. Het was echter een blinde strijd, ze zagen geen verschil tussen de dubbelganger van de vereniging en haar hogere Ik. Als gevolg daarvan bestreden ze niet de draak maar de vereniging. Ze sloegen het zwaard stuk dat ze van Rudolf Steiner gekregen hadden, het Michaëlszwaard van het hogere onderscheidingsvermogen.  

Vandaag heeft deze blinde dubbelgangersstrijd heeft zich over de hele wereld verspreid. De mensheid gaat over de drempel en overal staan heldhaftige ridders op die de draak te lijf gaan. Door hun gebrek aan onderscheidingsvermogen ontketenen ze echter een wereldwijde broederstrijd. Er bestaat voor de moderne mens dan ook geen dringender opgave dan het ontwikkelen van dit hogere onderscheidingsvermogen. De antroposofen hebben uit handen van Rudolf Steiner het Michaëlszwaard ontvangen en op hen rust de ‘heilige plicht’ dit zwaard te stalen, want het is nog bijzonder bros. Wie er de draak mee te lijf wil gaan, raakt onherroepelijk in de greep van zijn dubbelganger. De echte, michaëlische strijd ligt dan ook in de ontwikkeling van het karmabewustzijn, dat in eerste instantie het bewustzijn is van de wonde van de Visserkoning, de tegenstelling tussen het lagere en het hogere Ik. Met de Parsifalvraag naar die wonde begint het karmaonderzoek en worden we Michaëldienaars.