De Tuin van Heden (1)

door lievendebrouwere

  

Zelfs de niet zo aandachtige lezer zal het gemerkt hebben: er gebeurt niet zoveel meer op Vijgen na Pasen. De verklaring is eenvoudig: ik heb nu een tuin. Een vrij grote tuin zelfs, die ik niet zomaar zijn gang kan laten gaan, want dan krijg ik last met de buren. Dus breng ik de lente al spittend, rakelend, snoeiend, zaaiend, plantend, gietend en wiedend door. Als de zon haar hoogste punt bereikt, komt daar nog eens het plukken bij, een niet te onderschatten bezigheid, want mijn tuin produceert aanzienlijke hoeveelheden rode bessen, witte bessen, zwarte bessen, aardbeien, frambozen, kersen, pruimen, appelen, peren en noten. En dan zwijg ik nog over het gras, het gras dat maar blijft groeien en voortdurend gemaaid moet worden. Het houdt gewoon niet op. Voor het eerst in mijn leven ben ik blij als de winter aanbreekt. Dan kan ik me weer wijden aan zaken die ik vroeger het hele jaar door deed: lezen, schrijven, tekenen, schilderen, wandelen en fietsen. Ja, die tuin heeft mijn leven veranderd.

Voor die verandering heb ik niet gekozen. Had ik gekund, ik zou waarschijnlijk nee hebben gezegd tegen mijn nieuwe huis. Het onderhouden van die grote tuin zou ik niet hebben zien zitten. Maar ik had geen keuze. Het was dit of het was niets. Er is dus geen twijfel aan, hier was karma in het spel, en dat doet de vraag rijzen waarom ik op mijn oude dag, nu mijn botten kraken en mijn gewrichten pijn doen, opgezadeld word met zo’n tuin. Nooit eerder heb ik een tuin gehad die naam waardig, en afgezien van wat gras maaien, de haag scheren en een occasioneel radijsje zaaien, heb ik nooit getuinierd. Pas nu, in de herfst van mijn leven, ben ik daar – noodgedwongen – aan begonnen. Hoewel ik me soms afvraag of ik nu een tuin heb, dan wel of die tuin mij heeft, ben ik er toch heel blij mee. Je zou voor minder. Na 21 jaar autodrukte en -lawaai is de groene rust van mijn tuin een enorme verademing. Het verschil is zelfs zo groot dat het van mijn tuin één grote vraag maakt, een karmische vraag. 

Het begint allemaal met de verplichting die tuin te onderhouden. Ik kan hem niet aan zijn lot overlaten, want het gras moet gemaaid, de brandnetels gekortwiekt, het onkruid binnen de perken gehouden. Daar kom ik niet onderuit. De volgende stap is dat ik de tuin verder fatsoeneer, dat ik bomen en struiken snoei, kale plekken opvul en andere cosmetische ingrepen uitvoer. Het oog wil namelijk ook wat. Een tuin is niet alleen een wild beest dat getemd moet worden, het is ook iets om naar te kijken. Als het uitzicht een beetje acceptabel is gemaakt, rijst de vraag wat ik ga doen met al die appels die op de grond liggen, al die bessen die aan de struiken hangen, al die aardbeien die tussen de bladeren verborgen zitten. Zonde om dat allemaal te laten wegrotten! En ten slotte komt de vraag of ik niet ook wat groenten kan kweken in mijn tuin, want een mens leeft niet van fruit alleen. Een tomaatje, een aardappeltje, een kropje sla van eigen grond, wie kan daaraan weerstaan!

Het is bijna een morele plicht om groenten te kweken in mijn tuin. Bijna. Want godzijdank moet ik niet leven van die tuin. Vreten de slakken mijn sla op, komen mijn worteltjes niet op, verpieteren mijn kolen, dan ga ik gewoon naar de winkel. Zelf je groenten kweken, is pure luxe. Het kost ook veel meer dan je groenten kopen. Ik heb al een fortuin besteed aan werktuigen, compost, potgrond, grondverbeteraar, zeewierkalk, mestkorrels, zaai- en plantgoed, stokken, netten, ladders, gaas en wat er allemaal nog meer komt kijken bij tuinieren. Nee, je bespaart echt niet door zelf je groenten te kweken, wel integendeel. En dan spreek ik nog niet over het werk en de tijd die je erin steekt, om maar te zwijgen van de rugpijn en de knarsende gewrichten. Ik kweek geen groenten omdat het moet, ik kweek groenten omdat ik het wil. Het is geen plicht, zelfs geen morele, want in feite onthoud je de boer – die wél van zijn tuin moet leven – zijn geld en draag je op die manier bij tot de verarming van de aarde. 

Als ik groenten kweek, is dat niet uit noodzaak maar uit vrije wil. Alhoewel. Zoals ik al zei, het is me niet duidelijk of ik nu een tuin heb, dan wel of die tuin mij heeft. Het is een twijfelgeval. In de lente voel ik mij de koning te rijk. Ik hoef mijn erf niet te verlaten om tussen het groen te zijn en ik geniet van het wroeten in de grond. Maar als de winter aanbreekt ben opgelucht dat ik die hele tuin kan vergeten. Ik hou er immers ook van naar binnen te keren en een heel andere, geestelijker wereld op te zoeken. Die ommekeer begint trouwens al in de zomer, als de zon over haar hoogtepunt is. Dan begint de tuin te verdorren, de chaos slaat toe, het onkruid neemt de overhand. Er is nog van alles te doen, maar de drive van de lente is weg. Er groeit in mij dan een onmiskenbare antipathie voor al dat groen dat zijn gang gaat zonder mij iets te vragen. Voelde ik mij in de lente één met de natuur, dan ontstaat er nu afstand, wrevel, onverschilligheid. Een beetje zoals in een huwelijk, zeg maar. 

Sinds ik een tuin heb, beleef ik de gang der seizoenen een stuk intenser. Die jaarlijks terugkerende metamorfose van de natuur fascineerde me vroeger al. Maar nu ben ik niet enkel toeschouwer, ik ben ook deelnemer geworden. Mijn leven wordt nu veel sterker bepaald door de natuur en haar vier gezichten. Enerzijds is dat best aangenaam, geruststellend ook. Ik hoef me nu nooit meer af te vragen: wat zal ik vandaag eens gaan doen? Mijn tuin vertelt me iedere dag wat er gedaan moet worden. Maar dat is tegelijk ook het onaangename: ik ben niet vrij meer, ik ben aan handen en voeten gebonden. Sinds ik een tuin heb, kan ik me veel beter voorstellen hoe het leven vroeger geweest moet zijn, toen het nagenoeg helemaal gedicteerd werd door de natuur. Haar autoritaire stem gaf vorm en regelmaat aan het leven, ze liet geen ruimte voor twijfel, verveling of gepieker. Maar er was ook geen ruimte voor geestelijke ontwikkeling. Het werk veranderde nooit, het was een eeuwige herhaling van steeds hetzelfde. 

Het is dus heel dubbel, dat leven-met-de-natuur. Enerzijds geeft het rust, zekerheid en voldoening. Anderzijds is het een geestdodende sleur. Ik ben oprecht blij met mijn tuin, laat daar geen twijfel over bestaan, maar net zo goed voel ik er mij slaaf van. Nu eens weegt het ene door, dan weer het andere. De kunst bestaat erin die weegschaal onder controle te krijgen en zelf te bepalen of je deelneemt aan de natuur dan wel er afstand van neemt. Maar die kunst beheers ik nog lang niet. Zo stelde ik onlangs verbaasd vast dat ik, sinds ik die tuin heb, nog geen enkele keer ben gaan fietsen in de lente. Wel in de zomer en de herfst, maar niet in het seizoen wanneer de natuur op haar mooist is. Want dan eist mijn tuin mij op, dan heb ik geen tijd om wat anders te doen. Helemaal waar is dat natuurlijk niet. Niets belet mij om één namiddag per week vrijaf te nemen van mijn tuin. Maar dat doe ik dus niet, want het is zo’n genot om je leven niet langer zelf te regelen, om dat over te laten aan de natuur. 

Daardoor derf ik echter wel een ander genot: dat van het toeschouwer zijn. Ik ga echt niet fietsen om kilometers af te malen en spieren te kweken. Ik fiets om te kijken. Ik geniet ervan om de streek hier te verkennen en thuis te raken in mijn nieuwe omgeving. Maar ik geniet er ook van om die wereld te laten voor wat hij is en cultiver mon jardin. Ik heb het nog lang niet zover gebracht dat ik die twee in evenwicht kan brengen en daardoor dubbel genieten. Daarvoor mis ik de kunde en het inzicht: de kunde om efficiënter te tuinieren en het inzicht hoe ik dat moet doen. Onlangs zag ik een youtube-filmpje van The Barefoot Farmer, een Amerikaanse boer op blote voeten die uitlegde dat we vaak te veel doen in onze tuin. Hij zag eruit als een overjaarse hippie en ik was skeptisch, maar toen bleek dat hij bio-dynamisch tuinierde was mijn aandacht gewekt. Om daarna weer te verslappen. Want godlievehemel, wat een mens allemaal niet moet weten om efficiënter te kunnen tuinieren! Het is een wetenschap op zich.

Ik verspil heel veel tijd en energie in mijn tuin – en word er daardoor slaaf van – omdat het mij in hoge mate ontbreekt aan inzicht. Toen ik hier twee jaar geleden kwam wonen, wist ik helemaal niks van tuinieren. Mijn kennis heb ik bijeengesprokkeld uit boeken, websites en youtubefilmpjes. Maar het is allesbehalve levende kennis, want je kunt die mensen geen vragen stellen. En zelfs als dat wel kon, zouden ze waarschijnlijk geen antwoord kunnen geven. Juist omdat tuinieren zo nieuw voor me is, stel ik vragen waar ervaren tuiniers niet eens aan denken. Zoals: waarom moet je een zaadje in de grond steken? Dat klinkt als een domme vraag, maar als ik een zaadje op een schoteltje leg en het vochtig houdt, groeit het ook. En er bestaan fabrieken waar groenten worden gekweekt zonder dat er grond aan te pas komt. Dus waarom zou er gezaaid moeten worden? Welk verschil maakt het of een zaadje in de grond zit of niet? Wat is de betekenis van het zaaien? Dat soort dingen wil ik weten.

Ik heb intussen al met wisselend succes tomaten gekweekt, en sla, en aardappelen, en boontjes. Ik weet dus hoe het moet, maar toch heb ik het gevoel dat ik helemaal niks weet, dat ik maar doe alsof, dat ik voor tuinier speel. Ik heb eigenlijk geen idee wat ik doe, ik heb ook geen idee wat er gebeurt wanneer een zaadje ontkiemt, groeit en vrucht draagt. Ik doe gewoon wat me verteld wordt, ik kijk hoe alles groeit en daarna eet ik het op. Maar begrijpen doe ik er niks van. Mijn tuin confronteert mij op overweldigende wijze met mijn onwetendheid. En ook met die van andere tuiniers. Want ze kennen heel veel praktische weetjes, maar van echt inzicht is ook bij hen geen sprake. Ik verdenk ze ervan, net als ik, te doen alsof ze tuinieren. Dat geldt ook voor de boeren die ik hier aan het werk zie. Ze rijden met grote machines over hun land, zaaien genetisch gemanipuleerd zaad en spuiten stinkende chemische stoffen. Weten zij wat ze doen? Zelfs hun koeien weten niet meer dat ze gras moeten eten.

Door mijn tuin besef ik pas goed welke enorme afstand er is ontstaan tussen mens en natuur. Dankzij de wetenschap weten we vandaag heel veel over de natuur. Maar eigenlijk begrijpen we er niks meer van. Onze kennis is die van het gemiddelde tuinhandboek: doe dit, dan gebeurt er dat. Maar wat er precies gebeurt en waarom het gebeurt, dat vragen we ons niet af. Als we het maar kunnen gebruiken. Nu, als ik van mijn tuin moest leven, zou ik me die vragen ook niet stellen, ik zou al blij zijn dat ik te eten had. Maar dat betekent dat de moderne, wetenschappelijk onderlegde mens nog altijd redeneert zoals de boer waar hij zich zover verheven boven voelt: het kan hem niet schelen wat hij doet, als ’t maar opbrengt. Hoewel steeds meer mensen gaan tuinieren, en het allemaal luxe-tuiniers zijn die niet van hun tuin moeten leven, vragen ze zich niet af wat ze doen. Ze vragen zich wel af wat de chemo-boeren doen, en dat is een begin, maar de wil om echt te begrijpen wat ze doen, leeft ook bij hen niet.

Wat ik eigenlijk ‘aan den lijve’ ondervind sinds ik een tuin heb, is de nood aan antroposofie. Want alleen de antroposofie kan antwoord geven op de vragen die ik mij stel. Zonder antroposofie heeft het zelfs geen zin om die vragen te stellen. Maar de boeken die ik lees en de voordrachten die ik hoor, dalen als het ware uit de hemel neer. De grond waar ik op mijn knieën zit in te wroeten, bereiken ze niet. Antroposofische inzichten hebben iets overweldigends, iets verlammends, iets dat een mens zich klein en ontoereikend doet voelen. Ze zijn eigenlijk even overweldigend en verlammend als de onwetendheid waarmee mijn tuin mij confronteert. Als geweldige antwoorden dalen ze uit de geestelijke wereld neer, terwijl vanuit de aardse wereld ontelbare vragen opstijgen. Maar ze ontmoeten elkaar nauwelijks, er blijft een diepe kloof bestaan tussen hemel en aarde. En in die kloof bevind ik mij. Dat is waar mijn tuin mij plaatst: midden in dat spanningsveld tussen twee enorme uitersten die met elkaar verbonden willen worden. 

Op het ogenblik dat ik dit schrijf, hebben de slakken vrijwel al mijn sla opgegeten, de vogels hebben mijn boontjes uit de grond gehaald en mijn aardappelplanten zitten vol coloradokevers. De aarde is kurkdroog, het gras is roest en alles verdort, behalve het onkruid. Ik kan het bijna niet meer aanzien en heb veel zin om er het bijltje bij neer te gooien en heel die verwilderende tuin aan zijn lot over te laten. Wat mij daar echter van weerhoudt, is zijn karmische dimensie. Ik heb die tuin niet gekozen, hij heeft mij gekozen. Op het moment dat wij uiterst dringend een huis nodig hadden, is hij samen met dat huis uit de hemel komen vallen. Met dat huis alleen zouden we al meer dan gelukkig zijn geweest, maar die grote tuin hoorde erbij. Hij is dus tegelijk een hemels geschenk en een aardse opgave, die twee kan ik niet meer van elkaar losmaken. En dat betekent dat die aardse opgave er niet alleen in bestaat om die tuin te bewerken, maar ook om hem te begrijpen, om de vragen te beantwoorden die hij in mij wekt.

Daarmee heb ik al een antwoord gevonden op de vraag waarom ik die tuin pas nu gekregen heb, op mijn oude dag, en niet vroeger, toen ik nog fitter was. Pas nu beschik ik over voldoende ervaring en inzicht om mijn tuin karmisch te benaderen, dat wil zeggen, niet enkel als een stuk natuur dat toevallig bij mijn huis hoort, maar als een onderdeel van mijn karma. En wat ik over dat karma geleerd heb, is dat het een kunstwerk is waarvan ieder onderdeel het geheel weerspiegelt. De tuin, die nu zo’n prominente rol speelt in mijn leven, zou dus een spiegel zijn van mijn leven, en daardoor ook van mezelf, want de theorie van het karma zegt dat ieder mens de schepper is van zijn leven. Dat is nogal wat: mijn tuin als spiegel van mezelf. En wat die spiegel me vertelt, is dat ik mezelf niet ken. Ik begrijp helemaal niks van de scheppende geest die ik in wezen ben. Ik ben één grote open vraag voor mezelf. Maar ik bezit wel de middelen om die vraag te beantwoorden en dat antwoord valt samen met het bewerken van mijn tuin.   

Advertenties