De Tuin van Heden (5)

door lievendebrouwere

  

In Leuven woonde ik opnieuw aan de rand van de stad. Opnieuw moest ik iedere dag de Dijle oversteken, maar dit keer maakte ze deel uit van de stad. Ze was niet veel breder dan een beek en de brug erover maakte deel uit van de Brusselsestraat die van mijn kot tot helemaal in het centrum liep. Bovendien ging ze bergaf, zodat ik met een vaart de academische wereld binnenfietste en niet merkte dat ik een grens, rivier of brug passeerde. Het was een beeld van mijn leven: de zwaartekracht trok me letterlijk en figuurlijk naar beneden, de stad en de wetenschap in. Weliswaar zou het nog 15 jaar duren voor ik het absolute dieptepunt van mijn leven bereikte, maar de grens tussen buiten en binnen, tussen platteland en stad, tussen kunst en wetenschap was reeds vervaagd. Ze werd de stenen wereld van het materialisme binnengezogen en ik met haar. Mijn eerste week in Leuven bracht ik door tussen vier witte muren, als een gevangene in zijn cel.  

Ik voelde me afgesneden van mijn oude, speelse leven op de grens tussen stad en platteland, materie en geest. Vóór mijn puberteit maakte die grens nog deel uit van het platteland: het was een rivier die zich door het landschap kronkelde. Daarna kreeg ze een steedser karakter: de Leuvense vaart was een onnatuurlijk rechte lijn die dwars door het landschap sneedt. In Leuven was de grens reeds onderdeel van de stad geworden. Ik leefde nu helemaal tussen de stenen, letterlijk en figuurlijk. Het brood van de kunst was vervangen door de stenen van de wetenschap: dode, harde abstracties waarmee ik mijn maag niet kon vullen. Daarom bleef ik ’s zondags naar de academie gaan, in een laatste poging om het contact met de levende geest te behouden. Nog drie jaar hield ik dat vol, maar toen werd de tegenstelling te groot. Ik kon de tweespalt niet langer verdragen en knipte de navelstreng door. Ik stond nu met beide benen in de wetenschappelijke wereld. Ik was volwassen geworden.

In een poging om het contact met mijn moederwereld niet helemaal te verliezen ging ik ’s avonds model tekenen in de academie van Leuven. Maar toen ik er een karikatuur van de leraar maakte, vloog ik aan de deur. Voor het eerst begon ik te beseffen dat de academie van Mechelen niet de regel maar een uitzondering was. De geest die ik daar had leren kennen, was in Antwerpen aan de deur gezet en had in Mechelen nog een laatste toevlucht gevonden. In Leuven was er al geen plaats meer voor hem. Maar zonder dat ik hem herkende, verscheen hij in een andere gedaante: ik leerde de astrologie kennen. Ik had nog nooit gehoord over planeten, huizen en aspecten, maar vreemd genoeg kwam het me allemaal vertrouwd voor. Ik besloot de zaak nader te onderzoeken en leerde horoscopen trekken. Geen moment kwam het in me op dat het in feite karikaturale portretten waren. Ik stelde alleen vast dat ze gelijkend waren. 

Daar stond ik van te kijken. Hoe kon een (abstract) beeld van de sterrenhemel nu gelijkenis vertonen met een (levend) mens? En het was geen vage, ingebeelde gelijkenis, het was een gelijkenis die – net als in een goede karikatuur – de nagel op de kop sloeg. De wetenschap mocht dan wel smalend doen over de astrologie, maar hadden die betweterige wetenschappers ooit een horoscoop getrokken? Ik wist wat ik zag. Na enkele tientallen horoscopen getrokken te hebben, twijfelde ik niet meer aan het verband tussen boven en beneden. Aan de lelijke, zinloze en toevallige wereld waarin ik leefde, bleek een verborgen, esthetische orde ten grondslag te liggen. Die zekerheid zou het fundament gaan vormen van een nieuwe brug tussen geest en materie. Er begon weer licht te schijnen in de duisternis. Overdag zat ik me te vervelen in de les, maar ’s avonds zat ik de sterren te bestuderen. Ik ontdekte een nieuwe wereld, en had er ook nog eens succes mee bij de vrouwelijke studenten. 

Wie kunst heeft en wie wetenschap heeft, die heeft ook religie, zei Goethe ooit. In de astrologie kwamen die drie inderdaad samen. Het trekken van horoscopen was zowel een kunst als een wetenschap, en het sloeg tegelijk een brug naar de religieuze wereld die ik zeven jaar tevoren verlaten had. Het was nog maar de eerste steen van die brug, maar hij was solide en ik greep er vaak naar terug als ik overvallen werd door twijfel. De hechte drieëenheid die ik in de astrologie aantrof, verving de verbrokkelende eenheid van academie, school en kathedraal die ik in Mechelen had aangetroffen. Maar de twee straten die dwars door het culturele hart van het oude Mechelen sneden (en die kunst, wetenschap en religie uiteen deden vallen) maakten wel de vrijheid mogelijk die ik miste in de astrologie. Daardoor verloor ik gaandeweg mijn belangstelling voor de sterren, maar ze hadden wel de deur geopend naar een onbekende wereld die ik enthousiast verder exploreerde. 

Mijn stap van kunst naar wetenschap bleek tegelijk een stap naar de ‘occulte’ wetenschap te zijn, en die twee sporen zou ik gedurende mijn hele verblijf aan de universiteit blijven volgen. Net als voordien leefde ik in twee werelden, maar ik pendelde niet langer (uiterlijk) ussen stad en platteland, tussen school en spel, tussen wetenschap en kunst. Ik pendelde nu (innerlijk) tussen hemel en aarde, tussen geest en materie, tussen zichtbaar en onzichtbaar. Ik keek nu verder omhoog dan de torens van de Winketbrug of de toren van de Sint-Romboutskathedraal: ik keek naar de sterren. Ik keek ook verder naar beneden, want na de astrologie ging ik me bezighouden met de makrobiotiek. Na de sterren aan de hemel, de planten op de aarde. Na het geestelijk voedsel, het materiële voedsel. Had de astrologie mij inzicht gegeven in de verborgen patronen van het leven, dan deed de makrobiotiek mij een middel aan de hand om weer greep te krijgen op dat leven. Denken maakte plaats voor doen, beelden voor realiteit. Maar allebei verlosten ze me van de zwaarte van het bestaan.

Na een paar maanden rijst, groenten en gomasio was ik 20 kilo lichter geworden. Ik had de indruk te zweven als ik over straat liep. Maar belangrijker was dat ik me een ander mens voelde. Mijn eeuwige verkoudheden waren verdwenen en mijn donkere depressies behoorden tot het verleden. Ik sliep niet langer een gat in de dag, maar zat ’s morgens vroeg al te genieten van de zonsopgang en een bordje havermout. Ik had de sleutel tot het geluk gevonden! Later zou ik bij Rudolf Steiner lezen dat mann sich der Himmel nicht hinein kann fressen, maar nu geloofde ik werkelijk de graal te hebben gevonden. Ik voelde me als Leonardo di Caprio op de boeg van de Titanic: king of the world. Iedereen zag de ijsberg afkomen, maar ik dacht er niet over om gas te minderen: ik was op weg naar een betere wereld. De botsing kwam nadat ik Leuven al had verlaten. Nu ging alles nog goed, ik kon niet genoeg krijgen van de brave new world die voor me openging. De keuken werd mijn nieuwe biotoop.

Af en toe ging ik nog eens naar de les om wat mensen te zien, en zo ontmoette ik mijn toekomstige vrouw. Met een mengeling van fascinatie en ontzetting keek ze naar de manier waarop ik ‘studeerde’. Ze had in Leuven de steinerpedagogie leren kennen – eveneens een alternatieve vorm van onderwijs – en daar was ze meteen voor gewonnen geweest. Zelf zou ik pas zeven jaar later toegang vinden tot de antroposofie. Blijkbaar moest ik eerst nog dieper afdalen in de hel. Dankzij de makrobiotiek ging het me fysiek stukken beter en de astrologie had me bevrijd van het zwarte nihilisme van mijn puberteit, maar daartussen gaapte nog steeds de leegte die de kunst had achtergelaten. En daar tuimelde ik nu in. Dat gebeurde in Antwerpen, de stad waar ik verliefd op was geworden, omdat ik er (onbewust) dezelfde geest in herkende die ik aan de academie van Mechelen had ontmoet. Bij die geest wilde ik zijn en daarom was ik na mijn studies naar de koekestad verhuisd. 

Voor het eerst woonde ik in een grote stad. Een brede stroom scheidde mij nu van het platteland, dat nog slechts een herinnering was. Een brug viel in de verste verte niet te bekennen. Vaak zat ik op een bank aan de Schelde uit te kijken over het water naar linkeroever, waar nog niet zolang geleden de uitgestrekte polders begonnen waar mijn tekenleraar met zoveel weemoed over vertelde. Nu waren ze opgeslokt door stad en haven en keek ik tegen een muur van appartementsblokken aan. Was het dat vruchteloze verlangen naar het platteland dat me verslaafd maakte aan eten? Of was het alleen maar het fanatisme van mijn geest die macht wilde uitoefenen over mijn lichaam? Pas veel later zou de antroposofie me helpen begrijpen dat ik in de tang werd genomen door Lucifer en Ahriman. Ik kon aan hun wurggreep slechts ontsnappen met de hulp van Baghwan Shree Rajneesh, een Indische guru die toen furore maakte. In zijn boeken trof ik de Oosterse wijsheid aan die mijn ziel weer (een beetje) in evenwicht bracht.

De astrologie, de makrobiotiek en Baghwan: ‘drie wijzen uit het Oosten’ leidden me naar de stal waar het kind geboren zou worden. Die stal stond in Melle, een godvergeten dorp waar An en ik waren gaan wonen toen ze werk had gevonden in de steinerschool van Gent. Opnieuw leefde ik op de grens tussen stad en platteland, want Gent reikte tot Melle. Dezelfde Schelde aan wier oever ik in Antwerpen zo vaak had gezeten, scheidde me opnieuw van het platteland. Dit keer lag er wel een brug over, maar ik had de gelegenheid niet om ze over te steken want ik werkte overdag in Brussel. Had ik me in Antwerpen al benauwd gevoeld , de stenen woestijn van de hoofdstad verstikte me helemaal. Hier was zelfs geen Schelde die me wat ademruimte gaf en me deed dromen van het platteland. Ik zat er opgesloten tussen grauwe muren als in een stenen graf. Langzaam naderde ik mijn dieptepunt en instinctief greep ik terug naar de kunst: ik begon te schilderen. Tussen de middag ging ik aquarelletjes maken in het Brusselse Warandepark. 

Was het daar te koud of te regenachtig voor dan zwierf ik rond in het Museum voor Schone Kunsten. Daar ontdekte ik de olieverfschetsen van Rubens. Ze overdonderden me helemaal: in mijn ogen was dit het summum van schilderkunst. De schilderijtjes waren klein, maar de geest die eruit sprak was reusachtig groot. Als schilder was Rubens bovenmenselijk: een oerkracht, zoals de wind of het water. Voor het eerst zag ik zijn werkelijke grootte. In hetzelfde museum zag ik voor het eerst ook de werkelijke grootte van De Braekeleer, een totaal andere geest. Ik kende beide schilders natuurlijk van vroeger, maar pas nu drong ik tot hun wezen door. Werd ik door Rubens overdonderd, verpletterd bijna, dan werd ik door De Braekeleer ontroerd, dieper dan ik voor mogelijk had gehouden. Toen ik zijn Zicht op het Vlaams Hoofd zag, werd ik niet alleen verplaatst naar Antwerpen-linkeroever toen het nog platteland was, ik werd ook verplaatst in de tere en schuchtere ziel van de schilder.

Zo extravert als Rubens was, zo introvert was De Braekeleer. In de schilderijen van de eerste zag ik de scheppende krachten van de natuur aan het werk. Wat hij ook schilderde, het was een werveling van kleur, vorm en beweging. Antroposofen zouden zeggen dat Rubens de etherische wereld zichtbaar maakte. Ruimte voor innerlijkheid was hier nauwelijks. Dit werk was indrukwekkend om naar te kijken, maar je kon er niet in ‘wonen’, zoals je dat ook niet kunt in de wilde natuur. Heel anders was dat bij De Braekeleer. Alles was innerlijk bij hem. Zelfs wanneer hij een landschap schilderde, was het een interieur, zoals de meeste van zijn schilderijen, een ziele-interieur. De grens tussen binnen en buiten – die bij Rubens nog zo sterk voelbaar was – verdween bij De Braekeleer helemaal. Alles was bij hem zowel buiten als binnen. De stad waar hij zo van hield, werd in zijn werk één grote zieleruimte die je als kijker moeiteloos kon betreden en waar je zo lang kon verblijven als je maar wilde.

Groter tegenstelling dan tussen deze twee schilders was nauwelijks mogelijk, en toch ademden ze allebei de kunstzinnige Antwerpse geest die me zo lief was. Deze geest hielp me mijn Brusselse jaren te overleven. Het was een enorme opluchting toen ze voorbij waren en ik herinner me nog de uitbundig bloeiende natuur toen ik voor de laatste keer van Brussel naar Gent reed. We trokken een fles wijn open om mijn bevrijding te vieren, maar de vreugde was van korte duur. Ik kwam in een nieuwe gevangenis terecht: elke dag moest ik aanschuiven aan het stempellokaal en dat miste zijn werking niet. In mijn ziel groeide dezelfde dofheid die ik op de gezichten van de andere werklozen zag. Twaalf jaar geleden had ik gekozen voor de wetenschap en mijn hart het zwijgen opgelegd. Daar betaalde ik nu de prijs voor. Ik was in een doodlopende straat terechtgekomen en zag geen uitweg meer. Drie zware jaren stonden me te wachten. Ik had het dieptepunt van mijn leven bereikt. 

Advertenties