De Tuin van Heden (6)

door lievendebrouwere

  

Op mijn 30ste verjaardag greep ik uit verveling een willekeurig boek vast. Het bleek De Filosofie der Vrijheid van Rudolf Steiner te zijn. Sinds ik mijn vrouw zeven jaar geleden had leren kennen, worstelde ik met de antroposofie. Ik had voordien al een aantal boeken van Rudolf Steiner gelezen, maar was nooit verder geraakt dan halverwege. Hun inhoud sprak mij wel aan, maar de saaie ‘wetenschappelijke’ vorm maakte ze voor mij onverteerbaar. In antroposofische kringen was het dan weer de religieuze sfeer die me op de maag lag. Men sprak er over engelen, kabouters en ‘elementaarwezens’ alsof het niks was. Hebben jullie wel eens een kabouter gezien? wilde ik weten. Neen, dat hadden ze niet. Dus jullie geloven gewoon dat ze bestaan? Dat wilden ze dan weer niet toegeven. De steinerschool had me door haar kunstzinnige karakter meteen overtuigd, maar wat moest ik met de antroposofie, een geloof dat pretendeerde wetenschap te zijn? Ik had voor geen van beide enige aanleg. 

Mijn vrouw daarentegen bleek er geen moeite mee te hebben en dat intrigeerde me. Hoe kon een nuchter en verstandig iemand zoals zij zich inlaten met mensen die geloofden in het bestaan van sprookjeswezens? Talloze gesprekken en dicussies hadden we daarover, maar het lukte haar niet me te overtuigen. Het water tussen mij en de antroposofie was te diep. Uiteindelijk vond ik dan toch een brug, een volkomen onverwachte brug nog wel. De Filosofie der Vrijheid was het meest onverteerbare boek van de hele antroposofie. Om redenen die ik nog altijd niet begrijp, las ik het in één ruk uit. Ik voelde me als ijzeren Hendrik nadat de prinses de kikker had gekust: de ijzeren banden rond mijn hart sprongen los. Ze waren gesmeed uit de overtuiging die de moderne wereld overheerst: wat zich afspeelt in het menselijk hart heeft niks te maken met de wereld daarbuiten. De onzichtbare muur tussen beide was voor mij realiteit, hij had me opgesloten een in een onzichtbare gevangenis.

Uit die gevangenis bevrijdde Rudolf Steiner me door uit te leggen dat die muur alleen in ons bewustzijn bestaat. De werkelijkheid is één, maar in ons bewustzijn verschijnt ze als gescheiden in waarneming en denken. We hebben die scheiding zelf veroorzaakt en we kunnen ze ook weer opheffen door een brug te slaan tussen waarneming en denken. Vermoedelijk herkende ik in de gortdroge uiteenzetting van Rudolf Steiner mijn eigen situatie. Zoals de scheiding tussen stad en platteland in mijn (uiterlijke) leven steeds groter was geworden, zo was in mijn ziel een steeds groter wordende kloof ontstaan tussen mijn waarnemingen en gedachten. Nergens was die kloof zo duidelijk als op school, in de lessen wiskunde. Ik had geen idee wat die abstracte wereld van cijfers en getallen te maken had met de zintuiglijke wereld waarin ik leefde en niemand kon het me uitleggen. Het werd als volkomen vanzelfsprekend beschouwd dat waarneming en denken niks met elkaar te maken hadden.

Aan de academie had ik een heel andere ervaring. Daar beleefde ik al tekenend de vanzelfsprekende eenheid van waarneming en denken. Het eerste wat ik er leerde was een assenstelsel op mijn blad te tekenen en aan de hand daarvan de plaats van punten bepalen. Die les duurde hooguit vijf minuten en het was de enige die ik ooit kreeg. Al de rest vloeide eruit voort. De lijnen en punten ontwikkelden zich tot een koffiepot, een plant, een dier, een mens. In iedere tekening ging ik de weg van de meest abstracte wiskunde naar de meest zintuiglijke werkelijkheid. Het een was een metamorfose van het ander, er was geen wezenlijke scheiding. Maar deze kunstzinnige ervaring van de eenheid der tegendelen moest het in mijn puberteit steeds meer afleggen tegen de wetenschappelijke ervaring van hun scheiding. En die scheiding werd totaal toen ik volwassen werd. Het bewustzijn van de eenheid verdween en tegenpolen vielen uit elkaar in twee werelden waartussen een diepe kloof gaapte. 

In die kloof vond ik De Filosofie der Vrijheid. Het boek toonde aan dat waarnemen en denken twee zijden van dezelfde medaille waren, dat ze allebei tot dezelfde werkelijkheid behoorden. In scherpe, wetenschappelijke begrippen legde Rudolf Steiner uit wat ik in de kunst telkens weer had beleefd: dat er slechts één werkelijkheid was, dat we ze op twee zeer verschillende manieren ervaren – als zintuiglijke waarneming en als abstract, meetkundig denken – en dat we die twee weer met elkaar kunnen verbinden. Hoe had mijn hart niet kunnen opspringen nu het in de kern van de wetenschap – in dit denken-over-het-denken – de kunst herkende? Die herkenning was een begrijpen-met-het-hart, ze was nog lang geen begrijpen-met-het-hoofd. Ik beleefde De Filosofie der Vrijheid als een ziele-aangelegenheid, niet als de oplossing van een filosofisch raadsel. Toen ik het later opnieuw las, begreep ik er niks meer van. De herkenning was een moment van genade geweest. 

In feite was De Filosofie der Vrijheid een herhaling van mijn eerste tekenles. Opnieuw toonde een leraar mij dat waarneming en denken één zijn. Opnieuw deed hij dat op een zeer zakelijke, nuchtere manier die ogenschijnlijk niks te maken had met de kunstzinnige, zintuiglijke wereld die eruit zou voortvloeien. Wie zou bij het lezen van dit droog-filosofische boek ooit kunnen denken dat de hele antroposofie eruit is voortkomen, die wonderbaarlijke wereld met zijn ontelbare beelden en praktische toepassingen! Ik had destijds ook nooit kunnen denken dat de hele wereld van de kunst, met zijn grenzeloze vormenrijkdom, voortkwam uit een simpel assenstelsel, een zuiver meetkundige constructie. Maar ik was een kind, ik deed gewoon wat de leraar zei en ondervond dat hij gelijk had. Zo verging het me ook met De Filosofie der Vrijheid. Rudolf Steiner gaf me opnieuw vertrouwen in mijn denken, en door dat denken te verbinden met mijn waarnemingen ondervond ik gaandeweg dat hij gelijk had. 

De gedachte is de vader van het gevoel, schreef hij in De Filosofie der Vrijheid. Dat werd algauw bewaarheid, want kort daarna las ik een boek dat rechtstreeks mijn gevoel aansprak. Ik aarzelde toen ik in de boekhandel Tussen Bethlehem en de Jordaan zag liggen, het boek van Emil Bock over de onbekende jaren van Jezus van Nazareth. Wat moest ik met een boek over Jezus? Had ik de godsdienst en de bijbel niet al jaren geleden achter me gelaten? Maar ik dacht bij mezelf: wie A zegt, moet ook B zeggen. En ik kocht het boek. Al op de eerste bladzijden was ik verrukt over de kunstzinnige beschrijving van Palestina’s geografie en de diepe betekenissen die daarin verborgen lagen. Dit was een taal die ik begreep en ik las ook dit boek in één ruk uit. Ik had nog nooit gehoord over het bestaan van twee Jezuskinderen, maar het stoorde me niet, integendeel. Ik vond het buitengewoon kunstzinnig, vanzelfsprekend en zelfs onvermijdelijk. Mijn gevoel accepteerde het onmiddellijk.

In feite was het verhaal van de twee Jezuskinderen de kunstzinnige versie van De Filosofie der Vrijheid. Het ene Jezuskind was een uitgesproken denker, het andere was één en al waarneming. Maar hoe verschillend ze ook waren, ze herkenden in elkaar het Christuswezen dat boven hen zweefde en waarvan ze in zekere zin de twee menselijke verschijningsvormen waren. De wederzijdse herkenning bracht hen ertoe samen te smelten tot een menselijke schaal die de Christusgeest kon ontvangen. Rudolf Steiner had deze ‘schaalvorming’ in De Filosofie der Vrijheid denkend verwezenlijkt. In Tussen Bethlehem en de Jordaan beschreef Emil Bock datzelfde ‘smeltproces’ aan de hand van bijbelse oerbeelden. Na het denken, de waarneming. Wat zich tussen de twee Jezuskinderen afspeelde kon ik me veel beter voorstellen dan wat Rudolf Steiner in abstracte begrippen beschreef. Het was de tweede – kunstzinnige – stap in de overbrugging van de kloof tussen mezelf en de antroposofie. 

De derde stap volgde niet lang daarna, opnieuw in de vorm van een boek: Christussucher und Michaëldiener van Hans Peter van Manen. Op een dag trof ik het op de keukentafel aan. Mijn vrouw had het te leen gekregen van een vriend die het op zijn beurt kado had gekregen van iemand die het uit Dornach had meegebracht. Het was alleen te krijgen in het Goetheanum, en dan nog alleen voor leden van de vereniging. Hoe groot was de kans dat ik het in handen zou krijgen? Maar daar lag het, gewoon op tafel. Ik had nooit een woord Duits geleerd, laat staan een Duitse tekst gelezen, maar toen ik het boek opensloeg, las ik het – net als beide vorige boeken – in één ruk uit, het woordenboek in de aanslag. Het was mijn eerste kennismaking met Rudolf Steiners karamaonderzoek en ik herkende mezelf meteen in zijn beschrijving van de oude zielen. Ik herkende ook mijn vrouw onmiddellijk als een jonge ziel, en dat verklaarde veel, heel veel. Dit was antroposofie naar mijn hart, ik was meteen verkocht.

Opnieuw was dit boek een variatie op hetzelfde thema. Na waarnemen en denken in De Filosofie der Vrijheid, en de twee Jezuskinderen in het boek van Emil Bock, ging het hier om oude en jonge zielen, of Christuszoekers en Michaëldienaars zoals Hans Peter van Manen ze noemde. Na het denken en het voelen was het nu de beurt aan het willen. En dat was een heel andere wereld, dat zou ik al vlug ondervinden. Ik betwijfel of veel mensen De Filosofie der Vrijheid gelezen hebben, maar er wordt alleszins veel gesproken en geschreven over dit boek. Er worden zelfs cursussen en conferenties over gehouden. Ondanks zijn onaantrekkelijkheid heeft het niet te klagen over de aandacht die het krijgt. Ook het verhaal van de twee Jezuskinderen is in de antroposofische wereld welbekend. Maar ofschoon het boeiender en kleurrijker is dan De Filosofie der Vrijheid moet ik toch diep nadenken om me een boek voor de geest te halen dat dit onderwerp behandelt.

Dat is echter nog niets vergeleken bij het lot van het zielenthema. Bijna 40 jaar na zijn verschijnen is het boek van Hans Peter van Manen nog altijd het enige dat het onderwerp ernstig neemt. De eerste druk is nog steeds verkrijgbaar en de vertaling die ik er later van maakte, staat intussen in de ramsj, want de uitgever raakt het aan de straatstenen niet kwijt. Er is waarschijnlijk geen enkel ander antroposofisch onderwerp waar zo weinig over geschreven en gesproken wordt dan juist het zielenthema. In al die jaren heb ik er welgeteld één voordracht weten over houden, en die gaf dan nog de niet mis te verstane boodschap mee dat antroposofen zich verre moesten houden van het zielenthema. Dat dit de algemene houding is in antroposofische kringen heb ik meer dan eens mogen ondervinden. Ik was dan ook diep teleurgesteld toen niemand (behalve mijn vrouw, met wie ik talloze gesprekken over het onderwerp voerde) mijn enthousiasme bleek te delen. Het zielenthema was gewoon taboe.

Ik begreep het niet. Hoe konden antroposofen zo onverschillig blijven tegenover een thema waar Rudolf Steiner zo sterk de nadruk had op gelegd! Tijdens zijn karmavoordrachten had hij verklaard dat iedere antroposoof over dit onderwerp hoort na te denken. Honderd jaar later wordt in antroposofische kringen precies het tegenovergestelde verkondigd. Mijn kennismaking met het wilsgebied van de antroposofie, betekende tegelijk mijn ontmoeting met de anti-antroposofie. Tot mijn verbazing stuitte ik in de antroposofische wereld op een (onbewuste) wil die zich hardnekkig tegen de antroposofie verzette. Later zou ik vernemen dat Rudolf Steiner zelf had gezegd dat in de antroposofische vereniging de uitgesproken tendens  bestond om hem dood te zwijgen. Nu kon ik alleen maar vaststellen dat het waar was.  Hoe was zoiets mogelijk? Hoe konden mensen met evenveel overtuiging voor én tegen de antroposofie zijn? Hoe konden er twee tegengestelde ‘willen’ in hun ziel leven zonder dat ze het beseften?

Advertenties