Adriaen Brouwer (1)

door lievendebrouwere

  

 

Adriaen Brouwer is met voorsprong de meest miskende kunstenaar van ons land. In zijn tijd – het begin van de 17de eeuw – was hij nochtans op jonge leeftijd al beroemd. Hij werd bewonderd door Rubens en Rembrandt, die allebei zijn werk verzamelden. Vandaag is hij enkel nog bekend als folkloristische figuur of als biermerk. Dat Adriaen Brouwer zich als schilder kan meten met de grootsten der aarde is men totaal vergeten. Nooit werd er in ons land een tentoonstelling aan hem gewijd. Nooit werd er een boek over hem geschreven, de roman van Felix Timmermans uitgezonderd. En de Vlaamse musea bezitten hooguit twee of drie werkjes van zijn hand. Opwekkend is het allemaal niet, wel integendeel. Maar nu komt het: geen twee jaar nadat ik in Scheldewindeke ben komen wonen, wordt daar in de buurt de allereerste Brouwertentoonstelling ooit gehouden. Dat ik dat nog mag meemaken! En ik kan er met de fiets naartoe! Een mens zou van minder opgewonden raken. 

Enkele dagen na de opening stap ik op mijn stalen ros en begin aan de tocht naar Oudenaarde. Het is nog vroeg, want ik wil Brouwer in alle rust bekijken. Ik verheug me op de rit langs de Schelde. Er gaat niets boven een gezonde benadering van kunst. De temperatuur is ideaal, de woelige wind van de vorige dag is gaan liggen en ik fiets prinsheerlijk via Dikkele en Beerlegem naar Meilegem. Aan de brug van de derde jagers te voet rijd ik het jaagpad langs de Schelde op. Ik ben nog geen levende ziel tegengekomen en, enkele schaarse uitzonderingen niet te na gesproken, zal dat zo blijven tot in Oudenaarde. De natuur lijkt de lange, hete zomer al vergeten te zijn en bereidt zich voor op de herfst. De geur van afgevallen bladeren vermengt zich met die van late bloemen. In de verte zie ik de toren van de Sint-Walburgakerk als een baken boven de bomen uitsteken. Niet dat ik verloren kan rijden, want ik hoef alleen de Schelde maar te volgen. Om kwart over tien rijd ik de Grote Markt van Oudenaarde op. 

Het stadhuis staat te blinken als een wat groot uitgevallen juwelenkist. Dat zal het de komende drie maanden ook zijn: de schilderijen van Adriaen Brouwer zijn kostbare kleinodiën. Alles is nog rustig. Ik had halvelings gevreesd een lange rij wachtenden voor de (smalle) ingang te zien staan maar er is nauwelijks beweging te bespeuren. Ook aan de balie zijn ze nog volop wakker aan het worden. Hebt u recht op vermindering? vraagt de vrouw aan de kassa. Nog niet, antwoord ik. Wenst u een audiogids? Nee, dank u. Dat is dan 10 euro. Ik kan het nog altijd niet goed geloven: ik sta op het punt om Adriaen Brouwer te zien! Via een hypermoderne trap daal ik af naar de kelder waar ik mijn fietstas opberg in een ‘locker’. Weer een nieuw woord geleerd. Via een hypermoderne lift stijg ik omhoog naar de derde verdieping. Daar sta ik even in verwarring tussen louter marmer, glas en metaal. Heb ik op de verkeerde knop gedrukt? Alles wat ik zie is een banale witte deur. Wie niet waagt, niet wint, denk ik bij mezelf, en op goed geluk trek ik ze open.

Opeens sta ik in een andere wereld. Gedempt licht, donker hout, glas in lood. Even waan ik me in het Antwerpse Plantin-Moretus. Het ruikt er naar boenwas en ouderdom. Voorwaar een passende omgeving voor Brouwer! In een etalage zie een dik boek opengeslagen liggen. Onderaan de handgeschreven tekst, waar ik niks kan van maken, staan twee handtekeningen: een grote zwierige van Pietro Paolo Rubens (met grote hoofdletters) en een heel kleine, timide van adriaen brouwer (zonder hoofdletters, maar wel met een venijnig haakje aan het eind). Twee geniale schilders, twee totaal verschillende figuren. In een andere etalage zie ik het bekende portret hangen dat Antoon Van Dijck van Brouwer maakte. Ik had geen idee dat het zo klein was, ik had ook geen idee dat het zo mooi was. Wat een juweeltje! Ik moet op m’n tenen gaan staan om het goed te kunnen bekijken, en als ik wegga blijft er een grote ademplek achter op het glas. Wie hangt zo’n meesterwerk ook zo hoog! 

Gelukkig kan ik de schilderijen van Brouwer wél goed bekijken. Dat is ook nodig, want god, wat zijn ze klein! Ik wist dat de paneeltjes van Brouwer niet groot waren, maar het is toch even wennen aan zijn dimensies. Aan de ingang van de zaal staat één zaalwacht. Toch wel een beetje weinig vind ik, want zo’n schilderijtje ter grootte van een postkaart is vlug weggestopt en buitengesmokkeld. Electronische beveiliging is nergens te zien. Men verwacht hier duidelijk geen dieven, of hartstochtelijke liefhebbers zoals ik, die maar al te graag zo’n paneeltje mee naar huis zouden nemen om het op hun gemak (de rest van hun leven) te kunnen bekijken. Is het opnieuw een teken dat Adriaen Brouwer niet naar waarde wordt geschat? Het is dan alvast niet het enige. De opening van de tentoonstelling is in de media onopgemerkt voorbijgegaan. Ze kwam alleen zijdelings in het nieuws omdat in het hedendaagse luik ervan een performance-video van Jan Fabre verwijderd werd. Arm Vlaanderen! Nog altijd. 

Maar ik laat het niet aan mijn hart komen. Ik ben allang blij dat men tussen al dat hedendaagse geweld nog een plaatsje voor Adriaen Brouwer heeft gevonden. In de folder heb ik gelezen dat er in totaal zo’n 75 schilderijen van hem bekend zijn en dat zowat de helft daarvan in Oudenaarde te zien is. Heb ik verkeerd gelezen? Ik tel er in ieder geval maar 25, waaronder 1 tekening, enkele zeer onrijpe werken waarvan je zelfs zou kunnen betwijfelen of ze wel van Brouwer zijn, enkele paneeltjes die zo klein zijn dat je ze met moeite schilderijen kunt noemen, en één werk dat (god mag weten waarom) verwijderd is en vervangen door een fotokopie. Blijft over: een 15-tal representatieve werken, en dat is toch wel heel mager, zeker voor een tentoonstelling die geschiedenis wil schrijven. Wat ik ook mis, is het magistrale ‘portret van enen rabauw’ dat in het bezit is van het museum van Antwerpen. Daarvan zei Jos Hendrickx ooit: zet dat op een dia, projecteer die naast een Velazquez, en die Velazquez gaat ervoor opzij! 

Deze tentoonstelling wekt om meer dan één reden gemengde gevoelens bij me op. Ik had er echt wel meer van verwacht. Op het eerste gezicht is het best een mooi geheel, maar men heeft de schaarse schilderijtjes van Brouwer aangevuld met werken van tijdgenoten die, afgezien van een mooie Teniers, het bekijken niet waard zijn. Ze kunnen hoogstens dienen als vergelijkingsmateriaal: zo ziet het werk van een middelmatig schilder eruit en zo ziet het werk van een meester eruit. Maar dat zal wel niet de bedoeling zijn geweest. Een en ander vestigt echter wel de aandacht op het feit dat Adriaen Brouwer opvallend weinig geschilderd heeft. Hij is weliswaar niet oud geworden – hij stierf op zijn 33ste – maar hij heeft toch zo’n 15 jaar op volle kracht kunnen werken. Meer dan 75 schilderijtjes heeft dat echter niet opgeleverd. En het is weinig waarschijnlijk dat er veel verloren zijn gegaan, want reeds tijdens Brouwers leven werd zijn werk als zeer kostbaar beschouwd. Het is dus een karige oogst: vijf (kleine) schilderijtjes per jaar.

Daarbij komt nog eens dat ze heel schetsmatig geschilderd zijn. De achtergrond, de kleren, de voorwerpen, het wordt allemaal met een minimum aan verf en penseelstreken weergegeven. Er wordt meer gesuggereerd dan afgebeeld. Deze uiterste economie van middelen is heel opvallend bij Brouwer. Op veel plaatsen is de ondergrond nauwelijks bedekt. Van iemand die zo klein schildert zou je verwachten dat hij zijn tafereeltjes tenminste afwerkt. Maar dat doet Brouwer juist niet. Het ‘portret van eenen rabauw’ (tegenwoordig heet het ‘de sjouwer’ heb ik gemerkt) is een zeldzaam voorbeeld van een schilderijtje dat hij helemaal heeft afgewerkt. Het resultaat is indrukwekkend. Maar Brouwer lijkt daar zelden het geduld te kunnen voor opbrengen. Hij had gemiddeld twee maanden om aan zo’n paneeltje te werken, maar ze zien eruit alsof ze in een paar dagen zijn afgehaspeld. Waarom? Was Brouwer liever lui dan moe? Was hij kunstenaar tegen wil en dank? Of was hij een kroegloper die meer dronken dan nuchter was? 

Er is weinig bekend over het leven van Adriaen Brouwer, maar wel staat vast dat hij al heel vroeg succes kende. Zijn schilderijtjes waren zeer gegeerd en er werd veel geld voor betaald. Bovendien stond hij in hoge achting bij zijn collega’s en dat waren niet de minsten: Rubens, Rembrandt, Van Dijck, Frans Hals … Adriaen Brouwer was een jonge god die als een komeet ten hemel steeg. Maar die hemel leek hem niet te interesseren. Hoewel hij goed geld verdiende, zat hij voortdurend in financiële problemen en toen hij stierf liet hij louter schulden na. Een enfant terrible dus. Rubens heeft zich (althans volgens Felix Timmermans) nog over hem willen ontfermen, maar Brouwer weigerde zijn hulp. Zat hij liever in de kroeg? Was hij verslaafd aan alcohol en verdovende middelen? Het is pijnlijk om zien hoe hij zijn tijd, zijn geld, zijn leven en zijn talent verkwanselt. Hij had zoveel meer kunnen zijn: een stralende ster die even helder schitterde als zijn beroemde tijdgenoten. In plaats daarvan werd hij een sotscop, een folkloristische figuur, een nobele onbekende. 

Adriaen Brouwer is ten onder gegaan aan wat hem beroemd maakte: de kroeg. Buiten een paar landschapjes heeft hij nooit iets anders geschilderd dan kroegtaferelen. En het waren geen keurige tearooms die hij afbeeldde, maar gore kroegen waar schorremorrie zich te buiten ging aan drinken, roken, kaartspelen, vechten en hoereren. Het kan vreemd klinken dat deze beelden van de zelfkant van de maatschappij zoveel succes kenden bij de rijke burgerij. Maar dat is een verschijnsel van alle tijden. Ook vandaag kijken de betere standen met onverholen fascinatie naar de weerzinwekkendheden van de hedendaagse kunst. Extremen trekken elkaar aan. Figuren als Jan Fabre en Wim Delvoye maken daar gewetenloos gebruik van en slaan er veel geld uit. Ze wonen in kastelen en leven als koningen. Niet zo Adriaen Brouwer. Hij gooide het geld door deuren en vensters naar buiten en woonde zowat in de kroeg, tussen de ‘kannekijkers’ en de ‘wijvensmijters’. Maar vooral: hij hield van deze deplorables.

Helemaal achteraan links in de tentoonstelling hangt het grootste schilderij dat Adriaen Brouwer ooit gemaakt heeft. Het meet ongeveer 50 op 70 cm en stelt – wat dacht u – een kroegtafereel voor. Links is een koppel ruzie aan het maken, rechts zitten enkele drinkebroers bij elkaar. De usual suspects dus. Maar de figuur helemaal rechts op het schilderij kijkt glimlachend naar zijn kompaan, en dat glimlachende gezicht, daar … zijn geen woorden voor. Je moet er de aandacht op richten, anders kijk je er overheen. Maar als je dat doet, gaat er een deur open naar een andere wereld: je stapt als het ware de ziel van Adriaen Brouwer binnen en dat is de ziel van … een engel. Letterlijk. Dat glimlachende gezicht – het is niet groter dan een stuk van twee euro – kan onmogelijk door een mens geschilderd zijn. Dat is geen beeldspraak, het is nuchtere beschouwing. Wie op zo’n kleine ruimte het portret kan schilderen van een mens die gloeit van goedheid en menselijkheid, die beschikt over bovenmenselijke krachten. En dat zijn de krachten van de liefde.

Dit minuscule glimlachende gezicht is in mijn ogen de sleutel tot de ziel van Adriaen Brouwer. Het is een tweede deur die je op deze tentoonstelling kunt opentrekken en waardoor je – opnieuw – in een heel andere wereld terechtkomt. Opnieuw is dat een waagstuk, want het is geen rustige, vredige wereld die je nu betreedt, geen wereld van gedempt licht, eeuwenoude balken en blinkende glasramen. Het is een wereld die tot leven komt naarmate je er dieper in doordringt: de wereld van de menselijke ziel – niet alleen die van Adriaen Brouwer, maar ook die van de kijker. Het gelijke kan alleen door het gelijke gekend worden. Je kunt de ziel van Adriaen Brouwer maar leren kennen door van je eigen ziel een ken-orgaan te maken en het onder te dompelen in de ziel van Brouwer. Op die manier leer je zijn ziel van binnenuit kennen, maar ook je eigen ziel komt daardoor tot leven. Ze wordt bij wijze van spreken doordrenkt door het levenswater van de andere ziel. En doordat ze begint te ademen, komt de hele tentoonstelling tot leven.

Ik ben een kind van mijn tijd. Mijn ziel staat droog. Daarom vond ik het zo lavend om langs de Schelde naar Oudenaarde te rijden. Ik vond het ook passend. Ik wilde niet met de auto naar Adriaen Brouwer, laat staan met het openbaar vervoer. Ik zou dan overstelpt zijn geweest met indrukken die mijlenver afstonden van de wereld van de schilder. Nee, ik wilde mezelf doordrenken met de aanblik van de Schelde en de natuur, dezelfde Schelde en dezelfde natuur die ook Brouwer moet gekend hebben. En het lukte. Toen ik Oudenaarde naderde begon de wind op te steken, de woelige wind die al dagen de komst van de herfst aankondigt, maar ik had het gehaald. Ik was de drukte voor, zowel die van de natuur als die van de mens. In alle rust kon ik Adriaen Brouwer benaderen. Toch moest ik eerst nog over een drempel. Tenslotte waren het bijna vierhonderd jaar die ons scheidden. Het duurde een hele tijd voor ik erin slaagde het stof der eeuwen weg te blazen. 

Het lukte me pas toen mijn blik viel op dat ene glimlachende gezicht, helemaal in de hoek achteraan. Als een klein, onopvallend lichtje scheen het in de stoffige duisternis van die eeuwenoude wereld en pas toen ik er mijn aandacht op vestigde, begon het te stralen en wekte het de hele tentoonstelling langzaam tot leven. Was het toeval dat Brouwer in de rechterbovenhoek van het tafereel een koperen ketel had geschilderd waarvan de binnenkant glansde als een zon? Wist hij met andere woorden wat hij deed? Zocht hij bewust de – steevast in grauwe, slijkerige kleuren geschilderde – kroegen en krochten op om in hun duisternis het licht te zien stralen, het licht van de innerlijke zon die zo hartverwarmend straalt uit dat glimlachende gezicht van de drinkebroer? En zocht hij dat gouden licht niet zo hartstochtelijk dat hij er alles voor over had: zijn geld, zijn roem, zijn reputatie en uiteindelijk zelfs zijn leven? Want hij stierf op zijn 33ste, dezelfde leeftijd waarop ook de grote mensenzo(o)n stierf.

Advertenties