Adriaen Brouwer (11)

door lievendebrouwere

  

Het eerste wat opvalt aan De Rokers is het verbaasde gezicht van Adriaen Brouwer. Het schilderij had net zo goed De Verbazing kunnen heten. Waarom stelt Brouwer uitgerekend deze emotie centraal in zijn (enige) zelfportret? Verbazing is elementair. Ieder kind verbaast zich. Zolang de mens nog geen zelfgevoel heeft, is hij één en al verwondering over de wereld. Dat is ook hoe Brouwer zichzelf afbeeldt: als een kind dat vol verbazing naar de wereld kijkt. Vandaar het witte bakerdoekje waarop hij zit. Maar tegelijk beeldt hij zich ook af als een volwassen man die in een kroeg zit te roken en te drinken. De combinatie van beide – volwassene en kind – levert het portret op van een kunstenaar, dat wil zeggen van iemand die het kinderlijke vermogen om zich te verbazen heeft behouden en in staat is een beeld te scheppen van datgene waarover hij zich verbaast. Brouwer portretteert zich in De Rokers dus in de eerste plaats als kunstenaar, iets wat hij extra in de verf zet door zich te omringen met schilders. 

Brouwer was een schilder en dus ligt het voor de hand dat hij zichzelf afbeeldt als schilder. Maar paradoxaal genoeg is deze schilder de laatste die we ontdekken, want niets in dit schilderij verwijst naar de (schilder)kunst. We zien gewoon vijf mannen die in een kroeg zitten te roken en te drinken. Als kunstwetenschappers het ons niet hadden verteld, zouden we niet weten dat we naar schilders kijken, we zouden niet eens weten dat één van hen Adriaen Brouwer is en dat het dus om een zelfportret gaat. In feite kijken we naar een omgekeerd kunstenaarsportret. Want het is niet de vermenging van kind en volwassene zoals we die hier zien – de figuren op De Rokers zijn grote kinderen, volwassenen die zich gedragen als kinderen en zich laten leiden door hun driften en begeerten – die van iemand een kunstenaar maakt, maar de Steigerung van de tegenpolen, het nieuwe dat uit de spanning tussen beide ontstaat. Brouwer schildert dus het portret van een kunstenaar die eruitziet als zijn tegendeel. 

Deze conclusie klopt met het beeld dat we ons reeds van Brouwer gevormd hebben en dat door zijn tijdgenoten bevestigd wordt: ‘Hy heeft altijdt veracht al ’s werelds ydel goet, hy wist de sotte dulheydt des werelds aen jeder te ontdecken.’ Brouwer zag onder de uiterlijke mens ook altijd de gewone mens, de mens zonder meer. Daarom schildert hij zichzelf niet met palet en penseel in de hand (zoals Rembrandt) of als een grand seigneur (zoals Rubens), hij schildert zichzelf als een kroegloper, een onopvallende figuur. Dat is hoe hij wil gezien worden: een mens als ieder ander. Tegelijk schuilt er iets uitdagends in de manier waarop hij alleen maar kroegtaferelen schildert en daarmee dwars ingaat tegen de ‘schone schijn’ van Rubens, Rembrandt, Van Dijck en eigenlijk al zijn tijdgenoten. Zelfs vandaag nog vormt Brouwer een buitenbeentje in de kunst en dat maakt zijn onopvallendheid heel opvallend. Hij was niet zomaar iemand die, uit bescheidenheid of verlegenheid, zijn licht onder de korenmaat verborg. 

Wie was hij dan wel? Wat wilde Brouwer bereiken? Misschien komen we daarachter door zijn werkwijze te bestuderen, door na te gaan hoe hij zichzelf tegelijk toonde en verborg. Op De Rokers doet hij dat door de zwei Seelen in zijn borst – de volwassene en het kind, de kroegloper en de kunstenaar – met elkaar te vermengen tot een dubbelzinnige figuur, tot iemand die zich vermomt als iemand die niets te verbergen heeft. Hoe effectief deze vermomming wel is, bewijst Brouwers eeuwenlange miskenning. Ook vandaag nog kijken kunstwetenschappers niet door de schijn van zijn ‘gewoonheid’ heen, ofschoon dat hun grote specialiteit is. Want zien ze geen schoonheid en diepzinnigheid – kortom kunst – in de meest banale dingen? In De Rokers zien ze evenwel niets bijzonders, ze laten zich vangen door de Brouwer die zich wil verbergen. Daar tegenover staat dat ze desondanks deze tentoonstelling georganiseerd hebben en dus op de een of andere manier ook de ‘andere’ Brouwer gewaar zijn geworden. 

Brouwer verbindt de tegenpolen op zo’n manier dat hun dualiteit onzichtbaar wordt, maar niet helemaal. Het is alsof hij twee transparanten over elkaar heen legt zodat ze één beeld vormen, maar hier en daar steekt er nog een ‘randje’ uit: kleine, onopvallende details die geen steek houden en waarvan we ons afvragen wat ze te betekenen hebben – een bijna onzichtbare rookpluim, een ontbrekend knoopje, een vreemde strik, een misvormde hand. Het werk van Brouwer zit vol met eigenaardigheden die we bij een eerste visie niet eens opmerken. Wie Brouwers schilderijen op de gewone manier bekijkt – vluchtig, oppervlakkig, luisterend naar de audiogids – zal ze niet zien en er ook geen vragen bij stellen. Doet hij dat toch, dan vindt hij niet meteen een antwoord. Het kan van alles zijn: een onvolkomenheid, een vergetelheid, een grapje. Wie werkelijk uitsluitsel wil krijgen, moet zich verdiepen in het schilderij, hij moet het de tijd geven om zich ‘uit te spreken’. 

Op die manier vraagt Brouwer van de toeschouwer – en hij moet dat heel bewust gedaan hebben – een veel aandachtiger en aktiever manier van kijken dan gewoonlijk. Hij stelt de kijker in zekere zin op de proef: alleen wie die extra aandacht kan opbrengen, krijgt toegang tot zijn werk. Een bijzondere betekenis krijgt deze ‘proef’ wanneer we denken aan wat Brouwer zijn hele leven geschilderd heeft: gewone, onaanzienlijke mensen, ‘armen van geest’ zeg maar. We kunnen het Brouwer bijna horen zeggen: vergeet al die goden en godinnen, al die helden en heiligen, al die bovenmenselijke figuren, het werkelijke geheim ligt in de gewone, alledaagse mens! Voor een schilder uit de 17de eeuw, de tijd dat een nietsontziende strijd ontbrandt tussen katholieken en protestanten, is dat een opvallend ‘christelijk’ statement. Brouwer richt zijn oog op de verworpenen der aarde, de zwakken, de hulpelozen. Meer zelfs, hij deelt hun lot, en als één van hen vraagt hij aandacht voor deze armen van geest. 

Hij doet dat op een buitengewoon terughoudende manier, een manier die ons helemaal vrij laat. Een voorbeeld is het verbaasde gezicht van Brouwer op De Rokers. Als we dit schilderij bekijken zoals we dat gewoon zijn, dat wil zeggen zonder onze aandacht toe te spitsen, dan zien we een vrolijk tafereel dat ons amuseert maar geen vragen oproept. Zelfs de kunstwetenschappers staan er niet bij stil. Nochtans, wanneer we De Rokers onze volle, onverdeelde aandacht geven, dan stellen we verrast vast dat we niet één maar twee Brouwers zien. De verbazing op zijn gezicht is namelijk net iets te groot om echt te zijn. Brouwer is verbaasd, daar kan geen twijfel over bestaan, maar hij doet er nog een schepje bovenop, hij overdrijft zijn verbazing. En dat betekent dat Brouwer zich heel goed bewust is van zijn verbazing en dat hij de kijker er attent op wil maken: kijk eens hoe verbaasd ik ben! Dat doe je niet als je alleen maar verbaasd bent, dan vergeet je jezelf, dan ga je helemaal op in datgene wat je verbaast. 

De dubbelzinnigheid is heel subtiel en laat alle ruimte voor twijfel. Hoe bepaal je of iemand overdrijft? Is dat niet heel subjectief? Is onze gevolgtrekking dat er naast de verbaasde Brouwer nog een andere Brouwer staat, niet voorbarig? Is het geen inbeelding dat Brouwer op die manier de aandacht wil vestigen op zijn verbazing? Brouwer lijkt te beseffen dat hij ons in een moeilijk parket brengt, en hij helpt ons, hij geeft ons een zetje: hij schildert een rookpluim die uit zijn mond komt. Opnieuw is dat een buitengewoon subtiel detail, want wat is er vanzelfsprekender dan rook uit de mond van een roker? En toch vertelt die rookpluim ons iets dat onze gehele eerste indruk tegenspreekt. Het tafereel van De Rokers ziet er namelijk uit als een momentopname: er gebeurt iets wat grote verbazing wekt, en dan drukt de schilder af, hij bevriest het beeld. Maar zo is het dus niet. De rookpluim vertelt ons dat Brouwer een pose aanneemt en dat dit schilderij niet is wat het lijkt te zijn. 

Van achter de jolige drinker komt nu iemand tevoorschijn die het hele tafereel zorgvuldig geregisseerd heeft – zet die voet eens op dat bankje, houdt die pint eens wat hoger, blaas de rook eens door je neus – en die vervolgens tegen de schilder heeft gezegd: ok, zo is het goed, begin maar te schilderen! Deze regisseur opent een geheel nieuwe wereld voor ons, want hij heeft niet alleen tegen Brouwer en zijn metgezellen gezegd hoe ze moeten kijken en zitten, hij heeft ook gezegd waar de kuip en de kruik moeten staan, hoe de borstel er tegenaan moet worden gelegd, waar het ‘sigaretje’ op de vloer moet liggen, en het gebroken pijpekopje. Kortom, hij heeft niets aan het toeval overgelaten en de gehele compositie van dit schilderij tot in de kleinste details geregeld. Maar is dat niet – opnieuw – de vanzelfsprekendheid zelve? Geen enkel schilderij ontstaat vanzelf, iedere penseelstreek moet (bewust) gezet worden. Wat we net, tot onze verbazing, ontdekt hebben, is eigenlijk geen ontdekking. En de twijfel slaat opnieuw toe. 

Maar alle goede dingen bestaan uit drie. Er is nog een derde element dat wijst op het bestaan van twee Brouwers, en dat is de figuur van Jan de Heem. Zijn gezicht is met zoveel zorg geschilderd en zijn witte kraag licht zo helder op, dat we verrast vaststellen dat de spotlights niet op Brouwer maar op hèm gericht zijn, alsof hij eigenlijk de belangrijkste figuur op het schilderij is. Toch kan er geen twijfel over bestaan dat Brouwer de hoofdpersoon is, en dat plaatst ons voor een raadsel: over wie gaat De Rokers nu eigenlijk, over Adriaen Brouwer of over Jan de Heem? Opnieuw dus een twijfelgeval, opnieuw die dubbelzinnigheid. Tot we inzien dat Jan de Heem gewoon de ‘tweede Brouwer’ is. De schilder laat hem als het ware langzaam tevoorschijn komen van achter de eerste Brouwer tot hij duidelijk zichtbaar tegenover hem zit. Drie keer herhaalt Brouwer dus hetzelfde, en nu kan er geen twijfel meer over bestaan: hij wil ons wijzen op het bestaan van een tweede, ‘onzichtbare’ Brouwer.

Wanneer we de Adriaen Brouwer op De Rokers als het ware ‘ontdubbelen’ dan zien we enerzijds de verbaasde Brouwer: hij is het kind dat met open mond naar de wereld kijkt en die wereld instinctief nabootst, hij is de schilder die zijn model schildert. Hij is de eerste Brouwer die we op De Rokers zien, maar we zijn er ons niet van bewust, want we zien een doodgewone man. Anderzijds zien we de tweede Brouwer, Jan de Heem, maar ook daar zijn we ons niet van bewust. Dit keer zien we echter geen doodgewone man, we zien een man die zich – door zijn wakkerheid, zijn helderheid, zijn kleren – duidelijk onderscheidt van de rest van het gezelschap. Maar hij onderscheidt zich ook nog door iets anders: hij is niet verbaasd. Ofschoon hij ook moet zien wat (de eerste) Brouwer ziet, en indien niet, dan toch minstens diens verbaasde reactie moet opmerken, is hij totaal niet verbaasd. Dat kan alleen betekenen dat hij weet wat er gebeurt. En hij weet het omdat hij de hele zaak geënsceneerd heeft: hij is de tweede Brouwer. 

Wat hij echter niet weet, is hoe de kijker zal reageren op zijn werk. Daarom kijkt hij ons benieuwd aan: zullen we de verborgen dimensie van De Rokers überhaupt opmerken, of zullen we alleen de eerste Brouwer zien en als een kind met open mond voor De Rokers staan zonder ons vragen te stellen? Jan de Heem vertegenwoordigt de wetende of denkende Brouwer, de tegenpool van de scheppende Brouwer. Want kunstenaars denken niet, althans niet zoals filosofen of wetenschappers dat doen. Ze vermijden juist alle bewuste gedachten omdat deze het scheppingsproces verstoren en verlammen. Vandaar de uitdrukking ‘bête comme un peintre’. Schilders zijn geen denkers, het zijn dromers, het zijn zieners. Zij nemen de onzichtbare dimensie van de wereld waar, maar ze doen dat niet bewust, ze kijken bij wijze van spreken met hun handen, ze zien door beelden te scheppen. En aan dat ‘zien’ hebben zij genoeg. Hun scheppende activiteit, hun beeldvorming is een soort onbewuste eredienst. 

Voor de denkende mens ligt dat anders. Hij wil geen beelden scheppen, hij wil de wereld niet nabootsen zoals een kind. Hij wil die wereld begrijpen, er denkend in doordringen. En wat hij begrijpt, wil hij ook delen met anderen, want alle kennis is onvolmaakt, zij bezit niet de volmaaktheid van het beeld. Daarom kijkt Jan de Heem naar ons en Adriaen Brouwer niet. De schilder gaat helemaal op in zijn onderwerp, hij schept vanuit de volmaakte samenhang van de zintuiglijke wereld. De denker staat tegenover die wereld, in de onvolmaaktheid van zijn individuele zelf en van daaruit probeert hij contact te maken met andere zelven, in een streven om de onvolmaaktheid te herstellen. In De Rokers weet de denker alles wat de kunstenaar ziet, en omdat hij zich in zijn volmaakte weten toch tot de kijker richt, getuigt hij ook van de onvolmaaktheid van de schilder en werpt hij licht op de reden waarom Brouwer als onderwerp de meest onvolmaakte aller werelden heeft gekozen: de kwade kroeg. 

Jan de Heem werpt ook licht op onze eigen rol als kunstliefhebber. Hij verwacht niet alleen dat we ons verbazen over De Rokers en met open mond voor dit schilderij staan, als in zwijgende verering voor de volmaaktheid ervan, hij appelleert ook aan ons denken, aan onze kritische zin, aan ons onderscheidingsvermogen. Want De Rokers is niet volmaakt, er zitten kleine ‘fouten’ in het schilderij. Ze vallen niet op en ze verstoren de harmonie niet, maar ze doen niettemin een beroep op ons vermogen om ze te herstellen. Daarvoor moeten we eerst de niet (helemaal) passende onderdelen uit elkaar halen: we moeten beide Brouwers onderscheiden, de schilder en de denker. En vervolgens moeten we ze weer samenvoegen, zoals Adriaen Brouwer dat zelf ook gedaan heeft. We moeten met andere woorden zijn werk voortzetten, en dat kan alleen door zowel de denker als de kunstenaar in onszelf aan te spreken. Als we dat willen natuurlijk, want we kunnen Brouwer ook nabootsen door gewoon met open mond voor zijn zelfportret te blijven staan. 

Advertenties