Wolken en gedachten

door lievendebrouwere

  

Zondagochtend. We zitten aan het ontbijt, mijn vrouw en ik. De koffie geurt, de zon schijnt door het raam en buiten siddert de forsythia in de wind. Terwijl ik geniet van een koffiekoek kijk ik naar de wolken die door de lucht drijven. Waar komen die wonderlijke dingen eigenlijk vandaan? Herinner je je die tekeningen niet meer van op school, zegt mijn vrouw, waarop je kon zien hoe wolken boven de zee ontstaan en dan naar land drijven waar het begint te regenen? Nee, antwoord ik, daar herinner ik me niks meer van, dat was allemaal veel te abstract voor me. Kom nou, reageert ze, iedereen kan toch zien hoe water kookt, verdampt en dan rook vormt? Ja, dat wel, maar de zee heb ik nooit zien koken, en ik heb de stoom uit de fluitketel ook nooit als een wolk naar de woonkamer zien drijven om daar alles nat maken! Daar moet mijn vrouw om lachen. De werkelijkheid zelf is abstract voor jou, zegt ze. Nee, schud ik het hoofd, dat is niet waar, het is de uitleg die ze eraan geven, die is abstract!

Dat is ook de reden waarom ik me van mijn schooltijd vrijwel niets herinner. Met mijn hoofd begreep ik wel wat ze vertelden, maar omdat ik het niet kon zien, sprak het mijn hart niet aan en beklijfde het ook niet. Het ergst waren de lessen wiskunde, daar kon ik me helemaal niks bij voorstellen, laat staan dat ik het kon zien. Mijn verveling werd hier weerzin en mijn verstand weigerde dienst, of beter: mijn hart blokkeerde het. Het ging in verzet tegen al die abstracte ‘onzichtbaarheden’. Wat ik me dan weer wel herinner, waren de zeer aanschouwelijke Historia-prenten die de meester gebruikte in de geschiedenisles. Daarop zag ik kruisvaarders door de woestijn strompelen, hun gezicht gegeseld door het zand, hun lippen verdroogd door de zon. Ja, dat was voedsel voor mijn ziel, dat onthield ik. Maar helaas waren die prenten louter illustratie, nooit uitgangspunt van een les. Altijd kwamen de abstracties eerst, en slechts bij uitzondering werden ze verbonden met dingen die ik kon zien. 

De school dreef een wig tussen waarnemen en denken, en maakte de kloof steeds breder. Ze dreef de werkelijkheid met zijn zon en wolken en bloeiende forsythia’s naar buiten om ruimte te scheppen voor het abstracte denken. Gelukkig was er na school nog volop tijd en plaats om buiten te spelen en zo de werkelijkheid te leren kennen, anders was ik misschien compleet wereldvreemd geworden. Maar in mijn ziel groeide een onoverwinnelijke afkeer voor het abstracte denken. Ik trok me terug in dromen. Als wolken stegen ze op uit mijn ziel om zich te ontladen in sombere treurigheid als de werkelijkheid haar rechten weer opeiste. Gelukkig kon ik op zondag gaan tekenen in de academie, en daar gebeurde precies het omgekeerde: waarnemen en denken werden er niet van elkaar gescheiden maar juist heel hecht met elkaar verbonden. Zintuiglijkheid en abstractie gingen er hand in hand en deden de zon door de wolken breken. Somberheid maakte plaats voor vreugde.

Opeens staat mijn vrouw op en komt terug met het Maigretje dat ze net aan het lezen is. Ze wijst op de omslagillustratie en zegt: ik dacht eerst dat dit een schilderij van Albert Marquet was, maar dat blijkt niet zo te zijn. Ik bekijk de rudimentair geschilderde huisjes en zeg: de enige die ik kan bedenken is Maurice De Vlaeminck, maar ik denk niet dat het van hem is. Nee, antwoordt ze, het is van André Derain, ken je die? Ja, die ken ik zeker, hij is van dezelfde generatie als Marquet en De Vlaeminck, een generatie die in haar kunst alles tot het uiterste vereenvoudigde. En op dat moment begrijp ik dat deze mensen net hetzelfde deden als ik op school: ze gingen in verzet tegen de terreur van de materialistische wetenschap met zijn abstracties en onzichtbaarheden. Instinctief probeerden ze de scheidende kracht van het abstracte denken terug te dringen net zoals hun voorgangers, de impressionisten, dat al hadden gedaan. Maar paradoxaal genoeg leidde dat niet tot een zintuiglijker kunst, het leidde tot een … abstracte kunst.

Hoewel de fauvisten zoals ze genoemd werden – Marquet, Matisse, De Vlaeminck, Derain en co – de werkelijkheid vereenvoudigden tot bijna abstracte vormen, bleef hun kunst figuratief. Dat was niet langer het geval bij Kandinsky en Mondriaan, die in hun jonge jaren fauvist waren, maar later evolueerden tot een zuiver abstracte kunst. Daar werd vervolgens de hedendaagse kunst uit geboren, die de alleenheerschappij van de abstracte ideeën uitriep en de zintuiglijke waarneming op alle mogelijke manieren geweld aandeed. Wat begon met het verzet tegen het abstracte denken, eindigde dus met de totale onderwerping aan dat abstracte denken. De zaken werden omgekeerd, de kunst werd alles wat ze niet wilde zijn. De impressionisten – met wie de revolte begon – wilden enkel nog een oog zijn dat de zichtbare werkelijkheid registreerde. Hedendaagse kunstenaars zijn enkel nog een stel hersens die zich zeer vijandig opstellen tegen (het afbeelden van) de zintuiglijke wereld.

Deze ‘verhersening’ van de kunst leidde niet tot meer wakkerheid, integendeel, ze veroorzaakte een soort bewustzijnsverdoving. Hedendaagse kunstenaars wentelen zich in drek en andere viezigheid, maar wanen zich verheven boven het verleden. Rubens en Rembrandt waren in hun ogen verdienstelijke schilders, maar ze slaagden er niet in zich te bevrijden van de zintuiglijke waarneming. De ‘hedendaagsen’ lukte het wel die keten af te werpen en op te stijgen tot duizelingwekkende hoogten. Dat die hoogten in werkelijkheid laagten waren, ontging hen volkomen, want ze maakten geen onderscheid meer tussen hoog en laag, tussen scheppen en vernietigen. Dat onderscheid bestaat nu eenmaal niet in de wereld van het abstracte denken. Een plus twee is daar net hetzelfde als twee plus een. Je kunt er de dingen omkeren zonder dat het enig verschil maakt. Alleen in de zintuiglijke werkelijkheid wordt dat verschil zichtbaar: de dingen werken hier niet meer als je ze op hun kop zet. 

De hedendaagse kunst is gespeend van moreel onderscheidingsvermogen, maar ze is wel geboren uit … morele verontwaardiging. Ze is in het leven geroepen omdat de kunst, zo vreesde men, in de greep van de massa zou raken. Die vrees was gegrond, want samen met de moderne kunst ontstond ook de filmkunst, die inderdaad op maat van de massa was gesneden. Er valt veel te zeggen over het ahrimaanse karakter van de filmkunst, maar wanneer we haar naast de hedendaagse kunst plaatsen, zien we dat deze laatste minstens zo ahrimaans is en dat de eerste, ondanks alle laagheden, toch in staat is grote hoogten te bereiken. Ook het morele onderscheid dat in de hedendaagse kunst helemaal verdwenen is, speelt in de filmkunst nog altijd een belangrijke rol. Met andere woorden, de hedendaagsen hebben bewerkstelligd wat ze wilden voorkomen – de verlaging van de kunst – en wel in de hoogste mate. Niet Ahriman bleek hun grootste vijand, maar hun eigen morele verontwaardiging. 

Het is die luciferische reactie die maakt dat de ‘hedendaagsen’ niet beseffen dat ze in de greep van Ahriman zitten. Ze leven nog altijd in de heilige overtuiging de draak te bestrijden, maar juist daardoor zinken steeds dieper weg, buiten het bereik van de rede. Wat deze redeloosheid pas echt angstaanjagend maakt, is dat ze niet langer beperkt blijft tot de kunstwereld. Ook in de gewone werkelijkheid breidt ze zich zienderogen uit en veroorzaakt een toenemende verwildering van mens en beschaving. Overal zien we hoe het grootste kwaad veroorzaakt wordt door degenen die het kwaad willen bestrijden, die de wereld willen redden en de mensheid beletten weg te zinken in riolen van racisme, fascisme of welk ander isme ook. Uitgerekend deze moreel verontwaardigden, deze politiek-correcten, antiracisten, mensenrechtenverdedigers en activisten allerhande, creëren in snel tempo de wereld waar ze zo bang voor zijn. Ze gaan precies dezelfde weg op als de hedendaagsen in de kunst.

En zo krijgt mijn vraag waar de wolken vandaan komen een onverwachte dimensie. Die kreeg ze trouwens al toen mijn vrouw me een beduimeld Maigretje toonde met daarop de afbeelding van een schilderij van André Derain. Kunstwerken zijn namelijk nauw verwant met wolken. Ze horen bij de zintuiglijke werkelijkheid en komen daar ook uit voort, maar toch maken ze deel uit van een hogere wereld waar we vol ontzag naar opkijken en zonder dewelke we niet zouden kunnen leven. Zo noodzakelijk als de wolken zijn voor het fysieke leven op aarde, zo noodzakelijk is de kunst voor het geestelijke leven. Als opeens alle kunst verdween – alle schilderijen, alle beelden, alle tekeningen, alle muziek, alle romans, alle gedichten, alle toneel, alle dans, alle films – zou het niet lang duren voor we allemaal gek werden. Het leven zou ondraaglijk worden, we zouden ons voelen als bioscoopgangers die plotseling in het donker komen te zitten omdat de film afbreekt. Het zou een heuse nachtmerrie zijn.

Het is begrijpelijk dat Ahrimans dreiging de kunstwereld in grote beroering bracht en dat men vreesde voor de geestelijke gezondheid van mens en beschaving. Het is begrijpelijk dat ook buiten de kunstwereld Ahriman opschudding veroorzaakte bij de ‘verantwoordelijken’ van de samenleving: de politici, de leiders, de intellectuelen. Maar angst is een slechte raadgever, dat bleek op ontstellende wijze. Zowel binnen als buiten de kunstwereld vond een ongeziene uitbarsting van geweld plaats, die in wezen een uitbarsting van angst en verontwaardiging was, gecamoufleerd met abstracte idealen. Sindsdien is er geen eind meer gekomen aan het geweld. De uitbarstingen volgen elkaar op en zetten de wereld telkens weer op zijn kop. Ook vandaag dreigt dat opnieuw te gebeuren. De klimaatbetogingen worden geïnspireerd door angst en verontwaardiging. Als die emoties niet beteugeld worden door rede, zullen de gevolgen van de pogingen om de wereld te redden veel erger zijn dan de opwarming van de aarde.

Er is dus alle reden om de vraag te stellen: hoe komt het dat we telkens weer van de regen in de drop terechtkomen, of juister misschien: van de drop in de regen? Hoe komt het dat ons verzet tegen Ahriman telkens weer uitmondt in een onderwerping aan Ahriman? Het antwoord op die vraag vind ik in de kunst. Als kind deed ik niets liever dan tekenen, eerst uit mijn fantasie, later aan de hand van afbeeldingen van kunstwerken. Dat leverde stuntelige, houterige kopieën op die geenszins de vloeiende, zinnelijke schoonheid van de originelen bezaten, maar genoeg talent verrieden om me naar de academie te sturen. Daar was het echter niet mijn liefde voor de zintuiglijke wereld die verder ontwikkeld werd, wel integendeel. Die zinnelijke liefde werd er compleet genegeerd. In plaats daarvan moest ik … abstract leren denken. Ik moest kubussen, bollen, kegels, cilinders en andere onaantrekkelijke, kleurloze voorwerpen tekenen. Gelukkig was ik nog een kind en deed ik wat van mij gevraagd werd. 

Ik vond het niet leuk, deze strenge discipline van het meetkundige denken, maar beklagen deed ik me niet want ik ondervond dat ze resultaat opleverde. Door de zintuiglijke werkelijkheid tot op het bot te abstraheren en te herleiden tot zuiver meetkundige figuren leerde ik tekeningen maken die veel zintuiglijker en zinnelijker waren dan mijn oude kindertekeningen. En dat was precies wat ik wilde. Dat is trouwens wat ieder kind wil: doordringen in de zichtbare wereld, er deel van uitmaken in plaats van er onhandig nabootsend buiten te blijven staan. Dat leerde ik stap voor stap  en zonder de omweg van het abstracte denken zou dan nooit gelukt zijn. Als mijn verlangen naar de zintuiglijke wereld niet zo drastisch – en deskundig – was gesnoeid, zou ik, zoals de meeste kinderen, het tekenen opgegeven hebben. Ik ondervond aan den lijve wat iedere tuinier weet: snoeien doet bloeien. Of wat Goethe op een andere wijze uitdrukte toen hij zei dat de dood een kunstgreep is om meer leven te hebben.

Wie de zintuiglijkheid – als waarneming of als werkelijkheid – wil redden, moet haar dus niet beschermen tegen het ‘dodelijke’ abstracte denken, hij moet er haar juist aan blootstellen. Maar dat moet wel op de juiste manier gebeuren, dat wil zeggen: het abstracte denken moet middel blijven, het mag geen doel worden. De fauvisten werden ‘wilden’ genoemd omdat ze zich wilden bevrijden uit het keurslijf van een abstract denken dat de zintuiglijkheid verstikte. Paradoxaal genoeg gebruikten ze daarvoor het … abstracte denken. Ze vereenvoudigden de werkelijkheid tot bijna meetkundige vormen, maar ze bleven wel vasthouden aan de figuratie, dat bleef het doel. En het werkte: er ontstond een vrolijke, kleurrijke en levendige kunst. Maar na het fauvisme keerden de zaken helemaal om: het middel werd doel. Mondriaan en Kandinsky gebruikten het dode denken niet langer om meer leven te hebben in de kunst, het dode denken gebruikte hen om het leven in de kunst uit te roeien. 

De fauvisten probeerden de kunst te redden uit handen van Ahriman en gebruikten daarvoor het geëigende middel: de abstractie. Ze deden dat echter instinctief, zonder inzicht in de relatie tussen waarnemen en denken. Hun gevoel vertelde hen nog dat het abstracte denken ondergeschikt moest blijven aan de zintuiglijke waarneming, maar tegen de machtsroes die dat denken veroorzaakte, was het niet opgewassen. De bevruchting van de waarneming door het denken werd steeds meer een verkrachting. Wat oorspronkelijk een liefdesdaad was, veranderde in een gewelddaad. Deze bracht kinderen van haat voort die de grenzen tussen kunst en werkelijkheid overschreden en zich meester maakten over de wereld. Op dat punt zijn we vandaag gekomen: we vernietigen de wereld in de overtuiging hem te redden. En dat allemaal omdat we niet begrijpen hoe waarnemen en denken samenhangen, hoe gedachten als wolken opstijgen uit de zintuiglijke werkelijkheid om haar daarna bevruchtten. 

Advertenties