Por una Cabeza

door lievendebrouwere

  

Onlangs wilde mijn vrouw nog eens kijken naar Schindler’s List, de inmiddels al meer dan een kwarteeuw oude film van Steven Spielberg over de holocaust. Omdat ik een avondje gezellig filmkijken nooit afsla, ging ik meteen op zoek naar de dvd. Het klinkt natuurlijk ongepast om de woorden ‘gezellig’ en ‘holocaust’ in één zin te gebruiken, maar voor Schindler’s List gaan ze wel degelijk samen. De film heeft een moraliserende ondertoon waartegen het hart zich verzet door onverschillig te blijven voor de gruwelijke beelden. Ik herinner me nog hoe het bioscooppubliek destijds na afloop van de film vrolijk babbelend opstond, niet in het minst onder de indruk van wat het gezien had. En ja, Schindler’s List is weliswaar voortreffelijk gemaakt, maar het hart laat hij onberoerd. Eén uitzondering: de muziek. Het hoofdthema is bijzonder mooi: er spreekt een eindeloze weemoed uit, het verlangen naar een verloren gegane wereld. Zeer joods dus en zeer aangrijpend, in tegenstelling tot de filmbeelden. 

Toch was het dit keer niet de filmmuziek van John Williams die me trof, maar de muziek die in het begin van de film gespeeld wordt door het orkestje van de nachtclub die Oscar Schindler bezoekt en waar hij wil aanpappen met nazi’s in de hoop geld uit de oorlog te kunnen slaan. Deze (amusements)muziek was het die me recht naar het hart ging. Hij was het enige wat bleef hangen van de hele film, niet de terechtstellingen, niet de lijkverbrandingen, niet de redding van de joden. Omdat ik op de dvd-doos geen vermelding vond van die mij onbekende – en toch vertrouwd klinkende – muziek, bekeek ik de aftiteling opnieuw. De enige titel die in aanmerking kwam, was Por una Cabeza, een liedje van ene Carlos Gardel. En inderdaad, toen ik het op youtube opzocht, bleek het de bewuste muziek te zijn: een tango uit 1935. Ik had hem trouwens al eens gehoord in een andere film, Scent of a Woman, waar Al Pacino een blinde kolonel speelt die deze tango danst vlak voor hij zichzelf van het leven wil benemen. 

Sommige filmmakers weten hun muziek uitstekend te kiezen. Dat valt niet meteen op omdat in een film de beelden onze aandacht opeisen en de muziek naar de achtergrond verdwijnt. Maar vaak is deze – slechts halfbewust waargenomen – muziek heel bepalend voor de sfeer van de film en voor de manier waarop we de beelden interpreteren. De tango in Schindler’s List en Scent of a Woman is veel te kort om zo’n impact te hebben, maar hij doet iets anders: hij drukt de essentie van de film uit, en dat is in beide gevallen de strijd tussen leven en dood. De Argentijnse tango staat bekend om zijn ingehouden passie. Het is typische Scorpio-muziek, want hij combineert twee tegengestelde eigenschappen: grote hartstocht en grote zelfbeheersing. Of nog: vrouwelijke levenskracht en mannelijke doodskracht. In Por una Cabeza, dat tussen haakjes ‘op een hoofdlengte na’ betekent – het gaat over paardenraces – vallen die twee tegenpolen heel duidelijk te onderscheiden.

De tango van Carlos Gardel begint gezellig badinerend, als een opgewekt tafelgesprek tussen twee geliefden. Maar dan laaien de hartstochten opeens hoog op en wordt de liefde louter passie en lijden: de violen schrijnen, de accordeons klagen en de piano slaat spijkers met koppen. De muziek krijgt nu een grote intensiteit en expressieve kracht. Zoveel spanning valt niet lang uit te houden en de storm bedaart even vlug als hij opgestoken was. De gekwelde zenuwen ontspannen en de schrille klanken maken weer plaats voor de zoete lyriek van het eerste deel. Dit keer is doorheen het gezellige keuvelen echter de ingehouden passie hoorbaar, de dreigende vulkaan die zich onder het vriendelijke oppervlak verbergt. Het is de voortdurende afwisseling tussen deze twee tegenpolen die Por una Cabeza zo opwindend en meeslepend maakt: er wordt met vuur gespeeld. De levenskrachten gaan de confrontatie met de doodskrachten aan en worden erdoor getransformeerd tot kunst. 

Eigenlijk weet ik niks af van tango, ik moet me behelpen met de youtube-filmpjes op het internet. Wat me daarin opvalt, is het grote contrast tussen man en vrouw. De man is meestal gekleed in een soort gangsterkostuum: brede schouders, smalle heupen, brede broekspijpen. De vrouw is halfnaakt en draagt naaldhakken. De tango accentueert de verschillen tussen man en vrouw tot in het karikaturale. Dit polariseren is typisch mannelijk. Het maakt deel uit van de macho-cultuur die in Argentinië heerst en tot uiting komt in de ‘nationale dans’. De man leidt, beheerst en koel. De vrouw hangt smachtend aan zijn zijde. Soms leunt ze letterlijk tegen hem aan alsof ze niet op eigen benen kan staan. Het is dan ook een wonder dat ze overeind kan blijven op die hoge naaldhakken. Het kan aan mij liggen, maar de tango is in mijn ogen niet echt flatterend voor de vrouw, zoals ze met achteruitgestoken achterste de soepel bewegende man als een schaduw volgt. Mooi om zien is het echter wel.

De relatie tussen beide dansers doet me onwillekeurig denken aan het ‘doden’ van de scheppende levenskrachten waar ik het onlangs over had. De vrouw wordt in de tango gezien als een verleidelijk, gevaarlijk wezen dat onder de duim moet worden gehouden, anders loopt het uit de hand. De Argentijnse tango is dan ook ontstaan uit de vermenging van Westerse en Europese tradities, dat wil zeggen uit de ‘onderdrukking’ van een levenskrachtige, ‘wilde’ cultuur door een ‘beschaafde’, aan doodskrachten onderhevige cultuur. Die bevruchting resulteerde in de geboorte van de dans die in de 20ste eeuw de wereld zou veroveren en bij uitstek ‘de verticale expressie van een horizontaal verlangen’ is, zoals George Bernard Shaw het uitdrukte. In Europa stuitte de tango op hevig verzet van de kerk, maar bewees zijn levenskracht door uitgerekend in het zeer katholieke Polen populair te worden. Het klopt dus historisch dat in de Krakause nachtclub die Oscar Schindler bezoekt Por una Cabeza gespeeld wordt.

De grote populariteit van de tango is waarschijnlijk mede te danken aan het feit dat hij het sterk polariserende Scorpio-karakter van onze tijd weerspiegelt. Met name Por una Cabeza doet dat. Zijn opgewekt kabbelende inleiding laat niets vermoeden van de explosie van hartstocht die daarna volgt. Ook tijdens de levendige Belle Epoque kon men zich niet voorstellen dat ze zou omslaan in een ongeziene uitbarsting van vernietigend geweld. Na de tweede wereldoorlog volgde dan weer een onbekommerde periode van vrede en vandaag rommelt de vulkaan opnieuw. Oorlog en vrede wisselen elkaar af als de strofen van Por una Cabeza, alsof de wereld meegesleurd wordt in een dance macabre, een heftige, passionele tango met de koele, berekenende doodskrachten van Ahriman en de verhitte, driftige levenskrachten van Lucifer als danspartners. Geen wonder dat de tango de wereld veroverd heeft: hij drukt de ziel van onze tijd uit.

Toevallig zag ik onlangs een filmpje over taï chi, en het viel me op hoe sterk de bewegingen van deze Oosterse discipline lijken op die van de tango. Hoewel in het extreem gestileerde taï chi niets te merken valt van de passie en de erotiek die zo kenmerkend zijn voor de tango, is de verwantschap onmiskenbaar. Taï chi was oorspronkelijk dan ook een gevechtstechniek en om te vechten moet je niet alleen met twee zijn, je hebt er ook passie en hartstocht voor nodig. Ook de tango kan gezien worden als een – tot dans gestileerd – gevecht tussen man en vrouw (wat overigens ook gezegd kan worden van het liefdesspel). Hoe dan ook, het oosterse taï chi en de westerse tango weerspiegelen elkaar, ze vertolken dezelfde oerbewegingen. Dat geldt ook voor de Midden-Europese wals die, hoewel heel anders van karakter dan zowel de tango als taï chi, duidelijk dezelfde wortels heeft. Dat merk je wel wanneer je de wals vergelijkt met bijvoorbeeld de Iers-Keltische dans. 

De Weense wals wordt doorgaans geassocieerd met de aristocratie en haar paleizen. Het is een beschaafde, harmonische dans waarin alles vloeiend en ritmisch verloopt. Heel anders is de melancholische tango, vol passie en pijn, met schrille, klagende klanken. Hier bevinden we ons niet bij de upper class, maar in de onderwereld. Dat komt ook tot uitdrukking in de vorm van de dans. Bij de wals is die onderaan vrij gesloten, maar bovenaan opent hij zich bij momenten als een bloemkelk die het licht van de zon wil ontvangen. Bij de tango is het net omgekeerd: de hoofden blijven heel dicht bij elkaar, terwijl de benen soms heel ver uit elkaar glijden, alsof de dansers onderaan gespleten worden door duistere krachten die van beneden komen. Bij taï chi krijgen we weer een heel ander verhaal en het is niet overdreven te stellen dat de Europese wals het (gulden of koninklijke) midden houdt tussen Oost en West, tussen de aardse passie van de tango en de hemelse wijsheid van taï chi. 

Het maakt deel uit van het polariserende Scorpio-karakter van onze tijd dat het Europese midden – vertegenwoordigd door de Weense wals – naar de achtergrond is verdwenen en dat de uitersten – vertegenwoordigd door tango en taï chi – naar voor zijn gekomen. Dat wordt nergens duidelijker dan op politiek gebied waar de wereld verdeeld is in links en rechts, en waar Europa zijn leidende positie verloren heeft aan Amerika en China. Maar ook op cultureel gebied heeft Europa, met zijn klassieke kunst, het moeten afleggen tegen de internationale hedendaagse kunst, die kille abstractie paart aan barbaarse wildheid. Toch is dat niet het hele verhaal, want naast deze extreme polarisering valt ook de tegenovergestelde beweging waar te nemen, zij het heel subtiel. Een tango als Por una Cabeza bijvoorbeeld is niet alleen gecomponeerd door een uitgeweken Europeaan die zich baseerde op een thema van Mozart, maar door zijn opvallend polaire structuur is hij ook verwant aan het – tegelijk scheidende en verbindende – Europese midden. 

Por una Cabeza was oorspronkelijk filmmuziek, ook dat is veelbetekenend. De klassieke kunst werd in de 20ste eeuw als het ware in twee gespleten: ze viel uiteen in de elitaire (en extreem gepolariseerde) hedendaagse kunst en in de populaire (en veel evenwichtiger) filmkunst. Uitgerekend in die filmkunst werd het toenaderingsgebaar van Por una Cabeza beantwoord door een toenaderingsgebaar uit de andere richting. In een Sovjetfilm van 1955 duikt namelijk een wals op die – net als de tango van Carlos Gardel – in het laatste decennium van de 20ste eeuw beroemd zal worden dankzij een Hollywoodfilm. Het is de zogenaamde ‘tweede wals’ van Sjostakovitsj, die Stanley Kubrick gebruikte in Eyes Wide Shut, de film die hij draaide vlak voor hij stierf. Deze tot dan onbekende wals werd op hetzelfde moment een hit in Europa door toedoen van André Rieu, de man van de populaire massa-concerten. Wat deze ‘tweede wals’ zo meeslepend maakt is het feit dat hij de zoete klanken van de wals vermengt met de schrijnende klanken van de tango.

Deze zoetzure vermenging van Europese harmonie en polaire dissonantie gaat recht naar het hart en maakt van zowel Sjostakovitsj’ tweede wals als Gardels Por una Cabeza muziek waar je kunt blijven naar luisteren. Ze drukt dan ook uit wat er in het gekwelde hart van de moderne mens leeft en dat is ontzettend veel. Wie de moed opbrengt om naar dat hart te luisteren, merkt hoe onder het gebulder van de intellectualistische en moralistische ‘kanonnen’ van onze tijd subtiele draden worden geweven tussen het Oosten, het Westen en Europa. Terwijl overal tegenpolen de wereld verscheuren, wordt er, vrijwel onopgemerkt, een nieuw midden geboren, een midden dat niet langer alle disharmonie weert zoals in de oude Weense wals, maar die disharmonie incorporeert zoals in Sjostakovitsj’ ‘tweede’ wals. Dit ‘driegelede’ midden – het nieuwe Europa zou je kunnen zeggen – grijpt als het ware de hand die in Por una Cabeza vanuit het Westen verlangend wordt uitgestoken. 

Terwijl Ahriman zijn verstikkende world wide web weeft, wordt er ook nog een ander web geweven, een bijzonder kunstzinnig web van tere draden die onzichtbaar blijven omdat niemand er durft naar te kijken. Schindler’s List is daar een mooi voorbeeld van. De moderne intellectueel kijkt doorgaans vol minachting neer op de Hollywoodfilm. Hij vindt het pure commercie en populistisch amusement, de naam kunst onwaardig. Voor Schindler’s List maakt hij een uitzondering – om voor de hand liggende redenen – maar hij benadert deze film zoals hij alle kunst benadert: intellectueel en moraliserend. Hij luistert niet naar wat zijn hart hem vertelt, en dat is in dit geval de harde waarheid dat de Amerikaan Steven Spielberg (what’s in a name) de holocaust gebruikt om Europa, en dan vooral Midden-Europa, een bestraffende vinger voor te houden. Het was dan ook een Midden- Europeaan, de Hongaarse schrijver en holocaust-overlever Imre Kertesz, die dit misbruik aanklaagde. 

Maar het hart brengt hier niet alleen een harde waarheid aan het licht, het vestigt ook de aandacht op een diepere, aangrijpender waarheid. Door zijn keuze voor Por una Cabreza laat Steven Spielberg tegelijk ook een heel ander geluid horen. In deze tango – die precies vertolkt wat er in de nachtclubscène gebeurt – beluisteren we niet het polariserende moraliseren, dat wil zeggen het strenge afwijzen van de doodskrachten, maar net het tegenovergestelde: het opnemen en transformeren van deze vernietigende krachten. Dat is ook wat Oskar Schindler doet: door samen te werken met de nazi’s redt hij niet alleen honderden joden het leven, maar tilt hij ook zichzelf op een hoger niveau. Hij is in zekere zin de verpersoonlijking van het nieuwe Europa, het nieuwe wereldmidden dat als een Goetheaanse Steigerung geboren wordt uit de grootst mogelijke spanning tussen de tegenpolen, tussen levenskrachten en doodskrachten.

Deze nieuwe mens-van-het-midden is in wezen een manicheëer, iemand die het kwaad niet verontwaardigd veroordeelt zoals de moderne farizeëers, maar die het verlost door het lief te hebben. Deze manicheïsche weg is de weg van de toekomst en hij wordt gevolgd door individuen die als eenzame sterren oplichten in de doordringende duisternis van onze tijd. Wie de ogen sluit voor deze duisternis, ziet ook de sterren niet en blijft onwetend over de wonderlijke verbanden tussen deze sterren, de onzichtbare draden die geweven worden door een indrukwekkend wereldwezen dat al het kwaad van de wereld opneemt in zijn hart en het transformeert tot een hoger goed. De beelden en klanken die daaruit ontstaan spreken van hart tot hart, maar doen dat uiterst bescheiden, zoals de kleine tango in Schindler’s List. Ze wachten tot ze gezien worden door ons hoofd, anders kunnen ze geen nieuwe draden weven, anders kunnen ze niet dansen. It takes two to tango

Advertenties