Het levende denken (1)

door lievendebrouwere

  

Een lezer vraagt me: hoe zie ik dat, levend denken cultiveren? Hij had me net zo goed kunnen vragen: hoe word je antroposoof? Want de core business van de antroposofie is het denken weer tot leven brengen. Die formulering kan op twee manieren begrepen worden: het denken levend maken en het denken nader tot het leven te brengen. Ze betekenen allebei hetzelfde. Dood denken is denken dat zich (te) ver van het leven verwijderd heeft. Levend denken cultiveren betekent dus de kloof tussen het dode denken en de levende werkelijkheid verkleinen. Dat is geen geringe opgave, want die kloof is ontzettend groot geworden. In de kranten kunnen we iedere dag lezen hoe er gedachten ontwikkeld worden die niets meer met de werkelijkheid te maken hebben, ja die de werkelijkheid gewoon omkeren. Dat is dan ook de volgende fase in het sterfproces van het denken: het denken wordt kwaadaardig, het vergrijpt zich aan de werkelijkheid. Het gaat niet alleen dood, het wordt ook dodelijk.

Een stervend denken is een denken dat zich losmaakt van de levende werkelijkheid en overgeleverd wordt aan de zwaarte van de materie en de wetten die daar heersen. Dat betekent dat het denken mechanisch wordt, het verliest zijn beweeglijkheid en wordt stram. Ten slotte valt het helemaal stil en gaat tot ontbinding over. Het is soms pijnlijk om te lezen of te horen hoe onsamenhangend het moderne denken geworden is, hoe het niet meer bij machte is een logische gedachtengang te volgen. Het rijgt gedachten aan elkaar zonder enig verband, gedachten die elkaar tegenspreken. Mensen zeggen in de ene zin dat iets wit is en in de volgende zin dat het zwart is, alsof het de normaalste zaak van de wereld is. Ze lijken niet meer te weten wat ze denken, het is alsof ze niet meer zelf denken. En dat is ook het geval. Een denken dat sterft, maakt zich niet alleen los van de werkelijkheid maar ook van de denker, wiens plaats wordt ingenomen door krachten die het lijk systematisch afbreken. 

Een denken dat tot ontbinding overgaat, begint te stinken. De kranten – waar men dat dode denken aan het werk ziet – hebben het voortdurend over de riolen van het internet, over de bruine onderstroom van de samenleving, over de bagger in de sociale media. In feite hebben ze het over zichzelf, over hun eigen stinkende denken dat ze overal op projecteren. Het resultaat is haatzaaierij, oorlogspropaganda. Ontbindend denken werkt polariserend, zaait wantrouwen, zet mensen tegen elkaar op, verdeelt de wereld in links en rechts die elkaar naar het leven staan. En de mens realiseert zich dat niet, want zijn denken is in handen van de tegenmachten gevallen. Zij zijn het die de stank verspreiden en van het denken één grote, uniforme brij maken. Stront is overal hetzelfde, er is niks persoonlijks of menselijks meer aan. Het dode, tot ontbinding overgegane denken bestaat enkel nog uit de afvalstoffen van het levende denken, uit lege, abstracte gedachten die ieder verband verloren hebben, zowel met de werkelijkheid als met elkaar. 

Hedendaagse kunst giet dit dode, ontbindende denken in beelden. Daarom bestaat het – letterlijk en figuurlijk – uit rommel, afval, uitwerpselen. Het allereerste hedendaagse kunstwerk was een pispot, Marcel Duchamp vatte er op visionaire wijze de hele 20ste eeuwse kunst mee samen. In die kunst schuilt een diepe tragiek, want ze is waar: ze toont ons de realiteit van het ontbindende denken. Maar zo zien we het natuurlijk niet, want ons denken (dat ons denken niet meer is) keert de werkelijkheid om. We menen beelden van levend denken te zien en staan daar vol bewondering voor, maar ons zien is omgekeerde blindheid, onze bewondering omgekeerde angst. Wie deze beelden van het dode denken benadert met een levend denken – en dus ziet wat er werkelijk te zien is – deinst verschrikt achteruit voor de (geestelijke) stank die de tegenmachten verspreiden, maar ook voor hun dodelijke agressie. Want als hij durft te zeggen wat hij ziet, wordt hij aan alle kanten onder vuur genomen.  

Na de beelden komen de woorden. De stank en de agressie van het in staat van ontbinding verkerende denken manifesteert zich in toenemende mate ook buiten de kunstwereld. In de politieke correctheid zien we duidelijk hoe het denken zich tegen zichzelf keert: met onsamenhangende, tegenstrijdige, maar geraffineerde en intimiderende redeneringen wordt het denken verboden. Aan de Amerikaanse universiteiten wordt dat pijnlijk zichtbaar. De wetenschap wordt er stap voor stap het zwijgen opgelegd. Onderzoekers wier bevindingen niet stroken met de politiek correcte dogma’s worden ontslagen of krijgen geen geld meer. Professoren wordt het lesgeven onmogelijk gemaakt door schreeuwende studenten, die hen soms zelfs van de campus wegjagen. Tot nog toe zijn er geen doden gevallen, maar de protesterende studenten schuwen het geweld niet. Regelmatig moet de politie massaal uitrukken als het denken weer eens door wilde horden wordt aangevallen.  

Waar we vandaag getuige van zijn, is niets minder dan de terechtstelling van het denken. Die wordt uitgevoerd door het denken zelf, of beter gezegd, door de tegenmachten die het in hun greep hebben gekregen en het tegen zichzelf richten. Het hele wetenschappelijke apparaat wordt langzaam losgemaakt van de waarheid en verbonden met de leugen. Dat heeft verregaande gevolgen. Eén voorbeeld: op gezag van deze wetenschap wordt steeds meer aangedrongen op verplicht vaccineren. In Amerika is iedere 18-jarige reeds 75 keer ingeënt. De vaccins – die allesbehalve onschuldig zijn – worden steeds meer gecombineerd tot een cocktail die de mens van bij zijn geboorte moet beschermen tegen alle mogelijke ziekten. In werkelijkheid gebeurt het omgekeerde: hij wordt weerloos tegen deze ziekten omdat zijn immuunlichaam systematisch verzwakt. Wat we hier zien opdoemen is het medicijn dat Rudolf Steiner voorspeld heeft en dat de mens helemaal zou afsluiten voor de geest. 

Via de hedendaagse kunst dringt het dode denken door in de gevoelswereld en legt dat lam. Via de hedendaagse wetenschap dringt het door tot in de wil van de mens: het wordt hem fysiek onmogelijk gemaakt om nog zelf te denken. Het is een ontredderende ervaring om te discussiëren met mensen en vast te stellen dat ze vol goede wil zijn maar niet meer kunnen denken. Het is alsof ze door een denkberoerte getroffen zijn: ze maken innerlijk allerlei denkbewegingen maar hun lichaam luistert niet meer, het is ontoegankelijk geworden voor hun geest en diens goede wil. Zelf zijn ze zich daar niet van bewust, want ze nemen hun denken niet meer waar. Dat is namelijk wat de hersenen doen: ze maken het denken zichtbaar, ze zijn een spiegel waarin het denken zichzelf kan waarnemen en bewust worden van zichzelf. Maar die spiegel wordt kapot geslagen door het bombardement van chemicaliën waaraan de hedendaagse mens blootstaat.

En dat alles gebeurt op gezag van de wetenschap. Geen wonder dat uitgerekend studenten en jonge intellectuelen zich keren tegen het oude, nog waarheidsgetrouwe wetenschappelijke denken: hun denkapparaat is ontregeld, hun geest is niet meer in staat erin door te dringen en het te gebruiken, ze zijn hulpeloos overgeleverd aan de tegenmachten. Het is huiveringwekkend om de bezetenheid, maar ook de angst, te lezen in de ogen van deze jongeren, het kruim van de intelligentsia, de toekomstige leiders van de mensheid. Rudolf Steiner voorspelde dat het intellect kwaadaardig zou worden en dat is wat we vandaag overal zien gebeuren. Het dodelijke, rottende denken verspreidt zich als een infectie, een virus dat kinderen van jongs af wordt ingespoten, zowel geestelijk als lichamelijk. Niemand ontsnapt eraan, en wie zich verzet – omdat hij ziet wat het met kinderen doet – wordt verketterd, als een misdadiger te kijk gesteld, uit zijn ouderrechten gezet.  

Het cultiveren van het levende denken is een poging om de ziel van de mens te redden, en dat vergt een strijd op leven en dood tegen een verpletterende overmacht die zich op alle gebieden manifesteert, geestelijk, fysiek en sociaal. Op fysiek gebied wordt het immuniteitssysteem aangevallen, op sociaal gebied het vertrouwen, op geestelijk gebied de moraliteit. Deze overmacht keert alles in zijn tegendeel: het immuniteitssysteem begint zichzelf aan te vallen, het vertrouwen wordt wantrouwen, de moraliteit wordt immoraliteit. De ontketende tegenmachten vinden hun aangrijpingspunt in het dode denken van de mens: dat is hun bruggenhoofd, van daaruit lanceren ze hun geallieerde aanval op de ziel van de mens. Zolang die mens zijn denken niet herovert, zolang dat denken dood en dodelijk blijft, zullen al zijn pogingen om zich te verzetten tegen de ontmenselijking schipbreuk lijden. Want in alles wat de mens doet, is zijn denken werkzaam. Hij is een animal rationale

Schakelt men het denken van de mens uit, dan schakelt men ook zijn menselijkheid uit, dan wordt hij een dier. Geen dier echter dat geleid wordt door een geniaal instinct, maar een dier dat geleid wordt door wilde, chaotische en egoïstische driften. Deze dierlijke mens staat veel lager dan het dier, hij is een monster zoals we het in de dierenwereld nergens tegenkomen. De voorbije wereldoorlogen hebben dat ten overvloede geïllustreerd. De beestachtigheid van het mensdier kent geen grenzen. De redding van de ziel – de redding van de menselijkheid van de mens – begint bij het denken. Dat dode denken moet weer omgekeerd worden, het moet in zijn oorspronkelijke – levende en levenwekkende – staat worden hersteld. Het verleden – vanaf de schepping tot vandaag – was één langgerekt sterven van het levende denken. Het culmineerde in de vrije mens die nu de keuze heeft dat sterven voort te zetten of om te keren. Die keuze is de zin en het doel van het hele mensheidsverleden.

We beleven momenteel het Keerpunt der Tijden: de hele wereld wordt ‘omgekeerd’. Maar het dode denken beweegt niet mee, het blijft star in dezelfde richting verder gaan, het gaat steeds meer tot ontbinding over. Om de keuze te maken waarvoor we staan, hebben we maar een bepaalde tijdsspanne, de tijd van het dode denken zeg maar. Het is immers dat dode denken dat een vrije keuze mogelijk maakt. Begint het tot ontbinding over te gaan, dan verliezen we die vrijheid weer, dan raken we in de greep van de tegenmachten. Het komt er dus op aan dat dode denken te gebruiken voor het uiteen begint te vallen en onbruikbaar wordt. We moeten het gebruiken om na te denken over het denken, over de vrijheid die het ons biedt, maar ook over de grote gevaren die het inhoudt. Juist doordat het denken zich steeds meer van ons losmaakt en sterft, zijn we in staat het waar te nemen en erover na te denken. En dat is een voorwaarde om doordrongen te worden van de noodzaak om er ons weer mee te verbinden en het tot leven te wekken. 

Rudolf Steiner bekloeg er zich over dat de moderne mens zo ongelooflijk goed kan denken maar het niet doet. Hij maakt geen gebruik van het schitterende vermogen dat hij van het verleden gekregen heeft. Hij laat het zich ontfutselen door de tegenmachten, als een rijkeluiskind dat het familiefortuin erdoor jaagt. We leven in een tijd van grote beslissingen, aldus Rudolf Steiner, en die kunnen allemaal teruggebracht worden tot de beslissing om te denken, om het dode denken – dat kostbare instrument – ter hand te nemen en weer tot leven te wekken, om het uit handen van de tegenmachten te houden of te trekken. En daarmee ben ik weer terug bij het begin van deze uiteenzetting, want die beslissing werd genomen in het voorgeboortelijk leven, met name in de Michaëlschool en -cultus waarover Rudolf Steiner aan het eind van zijn leven sprak. Daar werd de antroposofie verwekt, daar ontstond de wil om het denken weer tot leven te wekken.

Waar Rudolf Steiner zich dus eigenlijk over bekloeg was dat zo weinig mensen zich bewust werden van die wil, want er hadden veel meer mensen aan deze Michaëlbijeenkomst in de hemel deelgenomen, dan er op aarde tot de antroposofie kwamen. Hier duikt het thema op waar Rudolf Steiner steeds weer op hamerde: we moeten wakker worden. We moeten ons dode (maar bewuste) denken verbinden met onze levende (maar onbewuste) wil. Die twee moeten in elkaar doordringen: de wil moet het denken weer tot leven brengen, het denken moet licht ontsteken in de duistere gebieden van de wil. Dat is wakker worden. Levend denken is denken waarin onze wil werkzaam is. Maar die wil kan pas werkzaam worden als we hem kennen. Veel jonge mensen ontbreekt het aan wilskracht, ze zijn onverschillig, lusteloos, ten prooi aan hun driften. Maar dat komt niet doordat ze niks willen, het komt doordat ze niet weten wat ze willen. Hun denken en hun willen zijn ontkoppeld, ze kunnen elkaar niet meer bereiken.

Wakker worden is daarom nauw verbonden met karmabewustzijn. Als we erachter willen komen wat we willen in dit leven, wat onze levensopgave is, dan moeten we niet in onszelf kijken, want daar treffen we vooral wensen aan. We moeten naar buiten kijken, naar de concrete werkelijkheid van ons leven, want dat is een beeld van onze wil. Voor jonge mensen ligt dat moeilijk omdat ze nog niet veel beeldmateriaal hebben. Daarom moeten ze geholpen worden door oudere mensen die op een heel leven kunnen terugkijken en zich een veel duidelijker beeld kunnen vormen van hun wil. In dit karmaonderzoek overbrugt de mens de kloof tussen denken en willen. Het is dan ook in de eerste plaats een aangelegenheid van het hart. Levend denken is hartelijk denken, het is denken met het hart. Het is ook sociaal denken, denken in gesprek met anderen. Daarom stond in het centrum van Rudolf Steiners karmavoordrachten het gesprek tussen de oude (denkende) zielen en de jonge (willende) zielen. Dat is het hart van de antroposofie. 

Advertenties