Het levende denken (2)

door lievendebrouwere

  

 

Volgens Rudolf Steiner zal het denken weer tot leven komen in drie fasen: de imaginatie, de inspiratie en de intuïtie. ‘De trappen van het hoger bewustzijn’ noemt hij ze. Levend denken is met andere woorden het stapsgewijs opklimmen tot bewustzijn van de geest. In onze tijd staan we nog helemaal onderaan deze trap. Wie kan immers zeggen dat hij de geestelijke wereld in beelden voor zich ziet, dat hij de stemmen hoort van geestelijke wezens of dat hij in harmonie met hen leeft! Tot nog toe kennen we slechts één mens die erin geslaagd is een volkomen levend denken te ontwikkelen, en dat is Rudolf Steiner. Onnodig te zeggen dat niemand zelfs maar in zijn buurt komt. Van alle antroposofen die ik heb ontmoet waren er maar één of twee waarvan ik dacht: die mensen weten, zien en kunnen meer dan anderen. Zelf voel ik na 35 jaar antroposofie nog altijd vooral de onmacht om mij te ontworstelen aan de aardse zwaarte en de stairway to heaven te beklimmen.

Denken tot leven wekken gaat ontzettend langzaam. Het is dan ook iets waar we de hele tweede helft van de mensheidsontwikkeling mee bezig zullen zijn. In het verleden zijn we langzaam ingeslapen voor de geest, in de toekomst zullen we er langzaam wakker voor worden. Pas als eenieders denken helemaal levend is geworden zal die ontwikkeling afgelopen zijn. We hebben dus nog de tijd, we staan pas aan het begin. Toch wees Rudolf Steiner voortdurend op de dringende noodzaak om wakker te worden, en vandaag is het de actualiteit die ons daar dagelijks aan herinnert. Hoe valt die dringendheid te rijmen met de zeeën van tijd die nog voor ons liggen? De sleutel tot dat raadsel geeft Rudolf Steiner ons in zijn karmavoordrachten, wanneer hij het heeft over het proces van inslapen en ontwaken. Hij wijst er en passant op dat dit proces tot het moeilijkste behoort dat geesteswetenschappelijk onderzocht kan worden. Het gaat dus om iets heel fundamenteels. 

Wanneer we ’s avonds in slaap vallen, verlaat ons Ik ons lichaam en vertrekt naar de geestelijke wereld. ’s Morgens keert het terug en dringt ons lichaam binnen via onze tenen en vingertoppen. Dat gaat heel geleidelijk. Een fatsoenlijk mens, aldus Rudolf Steiner, wordt uiterlijk om 7 uur wakker – en blijft ook wakker – maar een half uur later is zijn Ik nog niet verder gekomen dan zijn enkels. Zo beschrijft hij het letterlijk. Ons Ik heeft de hele dag nodig om ons fysieke lichaam weer in bezit te nemen. Wanneer het dat lichaam ’s avonds helemaal vult, begint het het alweer te verlaten (via het hoofd) en vallen we in slaap. Ons geestelijk wezen is dus voortdurend in beweging, niet alleen overdag maar ook ’s nachts. Dan doorlopen we al onze voorbije levens in omgekeerde volgorde en we worden pas wakker wanneer we bij het allereerste aangekomen zijn. Dat gebeurt zelfs, voegt Rudolf Steiner er monkelend aan toe, wanneer we tijdens een voordracht even indommelen. 

Maar als ons Ik ’s morgens nog maar in onze tenen zit, hoe kunnen we ons dan al klaarwakker voelen? Het antwoord op die vraag luidt: omdat er in de geestelijke wereld andere wetten heersen dan op aarde. In de fysieke wereld kan iets maar op één plek zijn, in de geestelijke wereld is een geest overal. Zodra ons Ik in onze tenen kruipt, is het werkzaam en voelbaar in ons hele lichaam. Dezelfde alomtegenwoordigheid doet zich ook voor na het inslapen, bij het beleven van onze voorbije levens. Die spelen zich niet af in de tijd, anders zouden we ze nooit allemaal kunnen doorlopen tijdens een hazenslaapje. Waarschijnlijk treden ze op als een soort tableaux vivant zoals we dat ook na onze dood te zien krijgen. En daarin kunnen we ons vrij bewegen, want er is geen ruimte of tijd in de geestelijke wereld. Omdat ons denken aan de aarde gebonden is, kunnen we ons dat moeilijk voorstellen, maar het verklaart wel waarom ons bewustzijn ’s morgens meteen overal is, ook al zit ons Ik pas in onze grote teen. 

Hetzelfde geldt voor ons hoger bewustzijn: hoe weinig we er ook van realiseren, de werking ervan laat zich voelen in onze hele lichaam. Om te beginnen is dat ons astrale lichaam, waar ons denk- en gevoelsleven zich afspeelt. Dat ondergaat onmiskenbare veranderingen, ook al worden ze pas geleidelijk merkbaar. Die veranderingen beïnvloeden op hun beurt ons etherische lichaam en ons fysieke lichaam, al valt daar weinig of niets van te merken. Vooral met het fysieke lichaam maken we deel uit van de aarde, die ons gemeenschappelijke lichaam is, het mensheidslichaam. Wat het levende denken aan ons eigen lichaam doet, doet het dus aan de hele wereld. Dat geldt uiteraard ook voor het dode denken. Zelfs zonder dat we het in daden omzetten, werkt het verstarrend, verhardend en ziekmakend op onze medemensen, op de samenleving, op de natuur, op het klimaat. Al houden we op de natuur geweld aan te doen, gezond kan ze pas weer worden als ook ons denken tot leven komt. 

En dat dient stapsgewijs te gebeuren. Eerst moet het imaginatieve denken ontwikkeld worden, daarna het inspiratieve denken en ten slotte het intuïtieve denken. Deze stappen komen overeen met denken, voelen en willen. Aangezien ze zich in onze (geestelijke) zieleruimte afspelen, zijn ze er altijd alledrie tegelijk. Zoals je niet kunt denken zonder ook te voelen en te willen (en omgekeerd), zo bestaat er ook geen imaginatief denken zonder inspiratief en intuïtief denken: ze horen samen, ze vormen één geheel. Maar de menselijke ziel is ook gebonden aan de aarde, ze is in tijd en ruimte geplaatst, en dat betekent dat denken, voelen en willen niet alleen duidelijk onderscheiden kunnen worden (ruimte) maar ook dat ze zich in een welbepaalde volgorde ontwikkelen (tijd). Keren we deze volgorde om en vermengen de drie gebieden zich, dan ontstaat er chaos. Hetzelfde geldt voor de imaginatie, de inspiratie en de intuïtie: we moeten ze duidelijk van elkaar onderscheiden en we moeten ze één voor één ontwikkelen.

Doen we dat niet, dan struikelen we over onze eigen voeten en komen geen stap verder. Dat is wat momenteel gebeurt. We maken steeds minder onderscheid tussen denken, voelen en willen. Wat we een gevoel noemen, is maar al te vaak een oordeel, en wat we een gedachte noemen is vaak niet meer dan een mening, dat wil zeggen een gevoel dat onder woorden is gebracht. Dat gevoel wordt dan weer in hoge mate bepaald door de idealen die we koesteren, door datgene wat we willen. Denken we maar aan het begrip ‘racisme’ dat steevast gepaard gaat met hevige emoties die zelden in de werkelijkheid wortelen maar des te meer in het ideaal van Alle Menschen werden Brüder. Denken, voelen en willen vormen in toenemende mate een kluwen dat chaos veroorzaakt. Niet het grote broederschapsideaal is daar verantwoordelijk voor, maar het feit dat we het ideaal niet onderscheiden van de voorstellingen die we ervan maken, noch van de gevoelens die het in ons opwekt. 

Denken, voelen en willen ontwikkelen zich ook in de tijd. Als kind ontplooien we eerst onze wil, daarna ons gevoel en ten slotte ons denken. Wordt die natuurlijke volgorde omgekeerd doordat we al in de kleuterklas leren denken nog voor onze wil en ons gevoel ontwikkeld zijn, dan ontstaan de ontwikkelingsstoornissen die vandaag zoveel problemen veroorzaken. Ook ons hoger bewustzijn dient in de juiste volgorde ontwikkeld te worden, en dat des te meer naarmate het de geest benadert, want die doet imaginatie, inspiratie en intuïtie ineenvloeien. Eigenlijk zijn niet wij het die de geest benaderen, het is de geest die ons benadert en die ons denken weer tot leven wekt. Rudolf Steiner voorspelde dat we op natuurlijke wijze weer helderziend zouden worden, dat wil zeggen zonder dat we er iets voor hoeven te doen. Op dezelfde manier zullen we ook helderhorend en helderwillend worden. Dat hangt niet van onszelf af, het is de wil van de geest. Maar het is wel de bedoeling dat we er onze wil van maken.

We leven op het Keerpunt der Tijden, de hele mensheidsontwikkeling keert zich om. Het geleidelijk inslapen voor de geest verandert nu in een geleidelijk ontwaken voor de geest. Dat is – net als het gewone inslapen en ontwaken – een kosmische beweging, een beweging van de wereldgeest. Wij kunnen daar als mens niks aan doen. Of we het nu willen of niet, we zullen ontwaken voor de geest en ons denken zal opnieuw tot leven komen. Maar of dat ontwaken ons tot heil zal strekken dan wel ons tot waanzin drijven, dat hangt wel van onszelf af. Tot aan het Keerpunt der Tijden werden we geleid door de geestelijke wereld. Die heeft zich nu teruggetrokken en we staan op eigen benen. Deze pasverworven vrijheid brengt echter grote gevaren met zich mee, want de tegenmachten zien hun kans schoon, niet om de ontwikkeling van ons hoger bewustzijn te verhinderen (want dat kan niemand), maar om ze in de war te sturen, om ze tegen zichzelf te keren en er een lager, dierlijk bewustzijn van te maken. 

Dat doen ze paradoxaal genoeg door de ontwikkeling van ons hoger bewustzijn te stimuleren en te versnellen. Lucifer maakt ons denken dromeriger en gevoelsmatiger, zodat het meer geest kan opnemen. Hij breekt de harde, starre vormen van ons dode denken af, maakt het weker, doet grenzen en onderscheidingen vervagen. Ahriman van zijn kant perst de tijd als het ware samen. Hij verleidt er ons toe de hele toekomstige ontwikkeling nu reeds te willen realiseren. Dat komt erop neer dat de geest – waarvoor Lucifer ruimte schept – gematerialiseerd wordt, opgesloten in de harde, starre vormen van het dode denken. Die bezwijken vervolgens onder dit ‘geestelijk geweld’, vallen in stukken uiteen en gaan tot ontbinding over. Als de mens zijn verstand niet wil verliezen, als hij niet overspoeld wil worden door dwingende imaginaties en stemmen die hem tot slaaf maken van de tegenmachten, als hij wil verhinderen dat ze zijn Ik uitdrijven en diens plaats innemen, dan moet hij op de rem gaan staan, dan moet hij zijn denken vertragen.

De gevolgen van dit versnelde, bezeten denken vallen in onze tijd duidelijk waar te nemen. Rudolf Steiner waarschuwde er reeds voor. De gevaren van helderhorendheid (inspiratie) zijn nog veel groter dan die van helderziendheid (imaginatie), en het behoort tot de akeligste dingen die hij gezegd heeft dat er steeds meer mensen zouden verschijnen die geen mensen meer zijn, die geen Ik bezitten maar louter instrument van de tegenmachten zijn. Wie de Social Justice Warriors aan het werk ziet, kan zich niet van de indruk ontdoen dat hij het had over dit soort agressieve, voor geen rede vatbare en door angst gedreven wezens. Hoe dan ook, het is huiveringwekkend om te zien hoe steeds meer mensen tekenen van bezetenheid vertonen, hoe ze niet helder meer kunnen denken, hoe hun gevoelsleven overspoeld wordt door dierlijke driften. Het is alsof ze innerlijk aan het desintegreren zijn. Het gaat dan ook steeds meer om wat Bernard Lievegoed ‘de redding van de ziel’ noemde.

Op de achtergrond van dit aardse drama staat een kosmisch drama. Toen Christus op aarde kwam, bleef Michaël achter op de zon om daar de kosmische intelligentie te beheren, de scheppende kracht van het Woord. Dit moeilijk te vatten begrip kan misschien nog het best omschreven worden als ‘de harmonie der sferen’. In ieder geval, toen Christus op aarde zijn leven had geofferd, bracht Michaël ook een offer in de hemel: hij deed afstand van de kosmische intelligentie en gaf ze in handen van de mensheid. Hij liet ze, zoals Rudolf Steiner het beschrijft, langzaam neerdruppelen op aarde, als een langzaam sterker wordende regenbui. De kosmische intelligentie schoot wortel in de hersenen van de mens, die voor het eerst in zijn bestaan zelf begon na te denken. Aanvankelijk waren slechts enkelingen daartoe in staat, maar geleidelijk werden het er meer en meer, en vandaag beschouwen we het als vanzelfsprekend dat iedereen voor zichzelf kan denken. 

Lang niet alle engelen gingen akkoord met het besluit van Michaël, er ontstond zelfs onenigheid in de hemel. Als we zien wat er vandaag op aarde gebeurt, kunnen we dat maar al te goed begrijpen. De kosmische intelligentie is bijna helemaal in handen van de tegenmachten gevallen en dat heeft hen een enorme macht gegeven die zelfs doorwerkt tot in de geestelijke wereld. Michaël, die net als Christus zijn lot verbonden heeft met dat van de mens, wacht nu tot deze hem de intelligentie weer ter hand stelt zodat hij de ontwikkeling ervan in goede banen kan leiden. Hij kan de mens maar helpen als deze hem tegemoet komt en zelf het initiatief neemt. Dat betekent dat het lot van de aarde – en tot op zekere hoogte ook van de geestelijke wereld – in onze handen ligt. Daarom hamerde Rudolf Steiner er steeds weer op dat we wakker moeten worden, want hoe weinig Michaël ook kan doordringen in ons denken, zijn werking wordt gevoeld in heel de wereld, ook de geestelijke.

Ons denken weer ter beschikking van Michaël stellen, betekent de ontwikkeling ervan vertragen, ze onttrekken aan de vergeestelijking van Lucifer en de versnelling van Ahriman. Een denken dat de kracht niet bezit om die (geestelijke) snelheid te volgen, struikelt voortdurend over zijn eigen voeten, komt geen stap vooruit en zakt ten slotte uitgeput in elkaar. Het slaagt er niet in zich een duidelijk beeld te vormen van de geest die zich in ons bewustzijn kenbaar wil maken en in plaats daarvan treden vage imaginaties op die veel dwingender zijn dan de heldere begrippen van ons dode denken. Pas wanneer we deze onbewuste ‘visioenen’ doordringen met abstracte gedachten nemen ze een duidelijke vorm aan en kunnen we een vrije relatie aangaan met de geest die er zich in uitdrukt. Tegelijk krijgen die gedachten een innerlijke samenhang die ze nu niet meer hebben. Het tot leven wekken van het denken impliceert dus een wederzijdse toenadering van mens en geest, van dood denken en levend denken.   

Advertenties