Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Maand: juli, 2019

Het levende denken (6)

  

Het levende denken is een Steigerung van ons huidige denken. Steigerung is een begrip uit de kleurenleer van Goethe waarin de primaire kleuren geel en blauw zich onderaan (de kleurencirkel) vermengen tot groen en bovenaan ‘steigeren’ tot purper of magenta. Groen geldt daarbij als de kleur van de aardse wereld, terwijl aan magenta een geestelijk karakter wordt toegeschreven (reden trouwens waarom het door de katholieke kerk gebruikt wordt). Magenta kan niet bekomen worden door vermenging maar ontstaat uit de opgedreven spanning tussen de tegenpolen: het tot rood geïntensiveerde geel en het tot violet geïntensiveerde blauw. Goethes kleurenleer was geen theorie maar een waarneming, een fenomenologische beschrijving van de wereld van de kleuren. De wetmatigheden die daarbij zichtbaar werden, gelden ook voor andere gebieden, bijvoorbeeld de plantenwereld. Daar is de bloem een Steigerung van de polaire krachten die het zaadje doen uitgroeien tot een plant.

Deze wetmatigheden gelden ook voor de zielewereld, die door Rudolf Steiner trouwens een wereld van kleuren werd genoemd. Ons denken maakt deel uit van die zielewereld en, net als in de kleurenwereld, moeten we hier uitgaan van twee primaire denkwijzen (en niet van bijvoorbeeld drie) als we de mogelijkheid willen scheppen van een Steigerung, van een hoger denken, een levend denken. Die twee polaire denkwijzen kunnen we op verschillende manieren benoemen: als verstandelijk en gevoelsmatig, als begrippelijk en beeldend, als wetenschappelijk en kunstzinnig, als mannelijk en vrouwelijk, als aristotelisch en platonisch. In zijn Filosofie der Vrijheid hanteert Rudolf Steiner de tweedeling waarnemen en denken. Het oude, oorspronkelijke denken was inderdaad een waarnemen, een helderzien. Uit dat denkende waarnemen of waarnemende denken heeft zich in de loop er tijden dan geleidelijk ons huidige denken losgemaakt met in zijn zog het voelen.

Het zelfstandige, vrije, rationele denken is inmiddels zo dominant geworden dat het niks meer te maken wil hebben met de oude, helderziendheid waaruit het geboren is. Het gedraagt zich als een schooljongetje dat niet gezien wil worden met zijn bezorgde, liefhebbende moeder, want het wil stoer zijn, het wil op eigen benen staan. Deze houding valt goed te herkennen in het moderne, wetenschappelijke denken, dat bijzonder smalend doet over alles wat verstandelijk niet te verklaren is, zoals astrologie, homeopathie of antroposofie. Deze manieren van denken worden afgedaan als bijgeloof, onzin, fantasie, ze worden de benaming ‘denken’ niet eens waard geacht. Volgens het wetenschappelijk ‘schooljongetje’ is er maar één echte manier van denken’: de zijne. De moeder weet natuurlijk wel beter. Met name in onze tijd ziet ze dat haar stoere zoontje in zeven sloten tegelijk loopt en beseft ze dat het weer naar huis moet komen, lees: zich weer moet verbinden met zijn oorsprong.

Maar zoonlief luistert niet meer naar zijn moeder. Het oude, helderziende waarnemen – dat zich diep in het slapende, onbewuste deel van onze ziel heeft moeten terugtrekken – kan het rationele denken niet meer bereiken. Dit moeder-denken kan alleen nog invloed uitoefenen op haar dochter, wier vrouwelijke, gevoelsmatige denken verwant is met de oude helderziendheid maar er – onder de groeiende invloed van het rationele denken – de helderheid van verloren heeft. Het heldere onderscheidingsvermogen is overgegaan op het onzelfzuchtige, rationele denken van de zoon. Maar die is ook iets kwijtgeraakt: het contact met de (moeder)wereld van de geest. Deze zoon en dochter zijn de twee primaire denkpolen – het objectieve, onzelfzuchtige maar materialistische mannelijke denken, en het spirituele maar subjectieve en zelfzuchtige vrouwelijke denken – waar we moeten van uitgaan, willen we ons denken weer tot leven brengen, dat wil zeggen: opnieuw verbinden met de wereld van de geest. 

Deze situatie herkennen we in het bijbelse scheppingsverhaal. Dat bestaat uit twee delen. In het eerste wordt de mens, Adam, geschapen als een geestelijk wezen. Hij verkeert onder andere geestelijke wezens en zijn denken bestaat uit dit ‘sociale’ geestelijke verkeer. In het tweede deel van het scheppingsverhaal krijgt Adam een stoffelijk lichaam waarmee hij op aarde kan leven (in het Aards Paradijs). Dat lichaam is ongeslachtelijk, het is mannelijk en vrouwelijk tegelijk. Hoewel hij geen toegang meer heeft tot de geestelijke wereld, is de lichamelijke Adam nog wel in staat die helder waar te nemen. Deze tweede Adam wordt vervolgens gesplitst in man en vrouw, zodat er nog een derde, mannelijke Adam ontstaat. Samen met Eva is deze derde Adam drager van het nieuwe, polaire bewustzijn van de mens dat de mogelijkheid tot vrijheid – en dus ook tot dwaling – in zich draagt. Het is dit gespleten bewustzijn dat meegesleurd wordt in de zondeval, die uiteindelijk leidt tot de situatie waarin we ons vandaag bevinden.

In onze tijd vindt een herhaling van deze zondeval plaats. Werd de mens in de Lemurische tijd (als vrouw) verleid door Lucifer dan wordt hij vandaag (als man) misleid door Ahriman. In de 19de eeuw viel hij ten prooi aan het materialisme en in de 20ste eeuw brak de wereldoorlog uit en werd hij ‘verdreven uit het paradijs’. Nergens werd deze zondeval annex verdrijving duidelijker zichtbaar dan in de kunst. Oorlogen en geweld waren er altijd geweest, maar wat er in de kunst gebeurde, was ongezien in de geschiedenis. De hedendaagse kunst toonde aan dat er een (vergeleken bij de nieuwe wereld) paradijselijk tijdperk afgesloten was en dat de mensheid een diepe val maakte. In de 21ste eeuw dook dan het verbod op het denken op en de hele bizarre genderkwestie. Deze recente ontwikkelingen geven aan dat de herhaling van de zondeval er tevens een omkering van is: anders dan de eerste keer verleidt Lucifer de mens niet tot zelfstandig denken, maar verbiedt Ahriman dat denken.

Ook de genderkwestie wijst in dezelfde richting: men probeert de scheiding der geslachten ongedaan te maken en terug te keren tot de ongeslachtelijke, paradijselijke Adam. Dit verlangen manifesteert zich trouwens op alle gebieden: men wil van de wereld weer een paradijs maken waar iedereen gelijk is, waar er geen mannelijke en vrouwelijke tegenpolen bestaan die tot hoogoplopende spanningen leiden. Polariseren is uit den boze, alle heil wordt van verbinding verwacht. Maar juist deze reactionaire verbindingsbeweging veroorzaakt het grootste onheil. Na de eerste zondeval stond aan de poort van het paradijs de engel met het vlammende zwaard om de mens te beletten rechtsomkeer te maken. Het beeld spreekt voor zich: de mens moet vooruit. En vooruit is in de richting van de Steigerung, van de steeds intenser wordende spanning tussen de tegenpolen. Achteruit is in de richting van de ontspanning, van de vermenging van de tegenpolen, van het giftige groen van de draak.

Deze intensivering van de polariteit moet uiteraard gezocht worden op het gebied van het denken, en niet op fysiek gebied. We leven in het bewustzijnszieletijdperk en dat betekent (onder meer) dat conflicten in het bewustzijn moeten worden uitgevochten en niet op fysiek vlak. Maar we zien vandaag juist het tegenovergestelde: bewustzijnsconflicten worden vermeden, het is verboden om ideeën te laten botsen want dat kwetst mensen. Denken in polariteiten wordt verketterd, onderscheid maken – tussen man en vrouw, tussen blank en zwart, tussen hoog en laag – wordt afgestraft. Er moet genuanceerd worden, gerelativeerd, alle aandacht gaat uit naar diversiteit. Maar juist dat nuanceren, relativeren en streven naar diversiteit leidt tot alsmaar meer conflicten tussen mensen. De dualiteit die men op denkgebied te allen prijze wil vermijden, verschijnt op sociaal en fysiek gebied: overal komen groepen van mensen onverzoenlijk tegenover elkaar te staan. De eenmaking op ideëel vlak, werkt versplinterend in de realiteit.

Op zich is er niks verkeerd met het verlangen naar paradijselijke eenheid, met het streven naar verbinding en vergeestelijking. Integendeel, dat is wat moet gebeuren. De mens moet zich weer verbinden met de geest, hij moet (zoals Rudolf Steiner zegt) ‘vervrouwelijken’. Maar wat-moet-gebeuren wordt wat-niet-zou-mogen-gebeuren wanneer het zich afspeelt op het verkeerde gebied, namelijk op onbewust, gevoelsmatig, vrouwelijk gebied. Het verbinden, vergeestelijken en vervrouwelijken dient zich af te spelen op bewust, scherp onderscheidend mannelijk gebied. Het moet in vrijheid gebeuren, en niet instinctmatig, gedreven door troebele, zelfzuchtige gevoelens. Het mannelijke, rationele denken moet zich vrijwillig en ongedwongen – dat wil zeggen uit liefde – tot het vrouwelijke, gevoelsmatige denken wenden en daar een relatie mee aangaan. Het is tussen die twee dat de polariteit opgedreven moet worden tot een Steigerung. Zonder Eva kan Adam niet de noodzakelijke (her)verbinding met de geest maken. 

Zonder Adam kan Eva dat evenmin, want zij kan zich dan alleen verbinden met de oude moedergeest. Maar dat is nu juist de paradijselijke geest waartoe de mens geen toegang meer heeft. Elke poging om daarnaar terug te keren, stuit op de engel met het vlammende zwaard. We vinden dit ook uitgedrukt in de woorden van Christus: niemand komt tot de Vader dan door mij. Christus is de geest waarmee de moderne mens zich via de Steigerung van zijn mannelijk en vrouwelijk denkvermogen moet verbinden. Deze (ongeslachtelijke) Christusgeest incarneerde als man en noemde de oude moedergod ‘Vader’ omdat de herverbinding met de geest zich op bewust, mannelijk gebied diende af te spelen. Een terugkeer naar de moederschoot was uitgesloten, het zou de hele schepping zinloos hebben gemaakt. De (christelijke) weg die Rudolf Steiner wijst, is de weg vooruit, en dat is een mannelijke, rationele weg. Zijn antroposofie is dan ook een wetenschap, een geesteswetenschap.

Maar de (aristotelische) wetenschapper die Rudolf Steiner was, wendde zich tot de kunst (van Goethe) en drong daar kennend in door. Hij haalde er de essentie uit tevoorschijn en baseerde daarop zijn antroposofie. Men kan dus zeggen dat de geesteswetenschap geboren werd uit de (vrouwelijke) kunst nadat ze ‘bevrucht’ werd met het heldere (mannelijke) denken van Rudolf Steiner. Dat komt op hetzelfde neer als zeggen dat de antroposofie een Steigerung is van het geïntensiveerde mannelijke en vrouwelijke denken. In Goethe werd het vrouwelijke, kunstzinnige denken zo intens dat het uitgroeide tot een wetenschap, in Rudolf Steiner werd het mannelijke, wetenschappelijke denken zo intens dat het tot een kunst werd. Kunst en wetenschap groeiden naar elkaar toe en uit de hoogoplopende spanning tussen beide werd dan de antroposofie geboren, de kunstzinnige wetenschap of wetenschappelijke kunst die (in de zin van Goethe) ook een religie was, een herverbinding met de geest. 

Het oerbeeld van deze Steigerung vinden we opnieuw in het bijbelse scheppingsverhaal, maar dan wel dat van het Nieuwe Testament, waar de schepping van de nieuwe mens beschreven wordt. Die werd verwekt tijdens de doop in de Jordaan, toen de Christusgeest zich verbond met de mens Jezus. Aan deze Steigerung was een intensivering van de tegenpolen voorafgegaan die geheim is gebleven tot Rudolf Steiner ze onthulde. Het geheim van de twee Jezuskinderen wordt in de bijbel weliswaar op kunstzinnige wijze voorgesteld (door de twee geboorteverhalen) en later ook door de beeldende kunst, maar het is nooit doorgedrongen tot het heldere bewustzijn. Dat mag wel vreemd heten, want wie dit geheim eenmaal kent, vraagt zich af hoe het zolang verborgen kon blijven. Tenslotte is het Nieuwe Testament de meest bestudeerde tekst aller tijden. Het is alsof er (geestelijke) krachten waren die deze geheimhouding handhaafden tot ze in onze tijd Rudolf Steiner de toestemming gaven de zaak in de openbaarheid te brengen.

Deze geschiedenis herhaalt zich nu binnen de antroposofische beweging. Honderd jaar nadat Rudolf Steiner het geheim van de oude en de jonge zielen onthulde – en geheel in de geest van de Weihnachtstagung het oerbeeld van de twee Jezuskinderen tot een persoonlijke hartsaangelegenheid maakte – zijn er opnieuw geestelijke krachten die beletten dat het zielenthema doordringt tot het antroposofische bewustzijn. Deze krachten gaan echter lijnrecht in tegen Rudolf Steiner, die vond dat iedere antroposoof over dit onderwerp diende na te denken. Het zijn reactionaire krachten geworden, dezelfde die vandaag ook een verbod op het denken hebben ingesteld en iedereen tot ‘verbinding’ dwingen. Deze krachten willen niet dat er onderscheid gemaakt wordt tussen de twee zielengroepen waaruit de antroposofische beweging bestaat, met als gevolg dat dit onderscheid – dat geen toegang krijgt tot het bewustzijn – een weg zoekt via het onderbewustzijn en een splijtzwam wordt die de antroposofische wereld verdeelt en verlamt.

Vóór de Weihnachtstagung waren deze krachten nog op hun plaats, maar erna werden ze in toenemende mate reactionair en kwaadaardig. Rudolf Steiner waarschuwde er na de Kerstbijeenkomst dan ook voor dat er niet mocht teruggevallen worden in oude denkgewoonten (waarbij het mannelijke rationele denken en het vrouwelijke gevoelsmatige denken gescheiden bleven). Het zielenthema blijft dode letter wanneer het enkel met het hoofd wordt benaderd, en het wordt tot hokjesdenken wanneer het louter gevoelsmatig wordt benaderd. In beide gevallen verzinkt het in de banaliteit. Pas wanneer beide denkwijzen met elkaar verbonden worden, intensiveren ze elkaar zodanig dat het tot een Steigerung kan komen en dat het polaire denken bevrucht kan worden door de geest. De krachten die dit willen beletten, zowel binnen als buiten de antroposofische vereniging, zijn ongemeen sterk. Maar juist hun grote verbetenheid en agressiviteit bewijst hoe buitengewoon belangrijk de Steigerung van ons denken is.

Advertenties

Het levende denken (5)

  

Levend denken is denken met het hart, dood denken is denken met het hoofd. Wat dat laatste is, weten we allemaal, maar wat is het eerste? En hoe komen we van ons dode denken tot een levend denken? Een antwoord op die vraag vinden we in de Weihnachtstagung, toen Rudolf Steiner de Grondsteen ‘in de harten van de aanwezigen’ legde. Die Grondsteen was een spreuk waarin hij de hele antroposofie had samengebald als in een zaadje, en waarmee hij de harten van zijn leerlingen ‘bevruchtte’. Deze (geestelijke) bevruchting betekende het prille begin van een nieuwe antroposofische vereniging, van een nieuwe omgang met het antroposofische gedachtengoed waarbij de nadruk lag op het hart en het gevoel. Rudolf Steiner wees in dat verband op de fout van sommige van zijn leerlingen die gemeend hadden de antroposofie wetenschappelijk te moeten bewerken. Dat was in zijn ogen een terugval in het dode denken. De antroposofie moest juist de tegenovergestelde richting uit: die van het levende denken, het denken met het hart.

Nochtans keert het levende denken-met-het-hart keert zich niet af van het dode denken-met-het-hoofd, integendeel. Het neemt het in zich op, het is inclusief. Maar het is dat niet in de moderne, modieuze betekenis. De inclusiviteit zoals die vandaag gepropageerd wordt, is het omgekeerde van wat Rudolf Steiner bedoelde. Niet het hart neemt hier het hoofd in zich op, maar het hoofd hult zich in de gedaante van het hart. Door zich voor te doen als inclusief en verbindend kan het dode denken des drastischer uitsluiten en scheiden. Deze wolf-in-een-schaapsvacht gebruikt het hart als vermomming om de mens te misleiden en nog veel dieper in zijn ziel te kunnen doordringen. Daarom is het van kapitaal belang de nieuwe, schaapachtige gedaante van het dode denken niet te verwarren met het levende denken dat Rudolf Steiner voorstond. Dat gevaar is reëel wanneer we het denken-met-het-hart opvatten als een abstract begrip en een mooie slogan in plaats van te zoeken naar de werkelijkheid achter de woorden. 

Die werkelijkheid is het kloppende hart dat onafgebroken pendelt tussen uitsluiting en verbinding, tussen verstand en gevoel. Want alleen op die manier kunnen de tegenpolen met elkaar verbonden worden. We spreken hier natuurlijk niet over het oude (louter gevoelsmatige) hart dat het (verstandelijke) hoofd uitsluit. We spreken over een nieuw, etherisch hart dat ontstaat uit de bewuste en vrijwillige pendelbeweging tussen het oude hart en het nieuwe hoofd. Rudolf Steiner legde de grondslag van dit etherische hart toen hij op de Weihnachtstagung de harten van de aanwezigen bevruchtte met het ‘hoofd’ – de geconcentreerde vorm – van de geesteswetenschap. Het nieuwe hart moet dus niet geboren worden uit het ahrimaanse hoofd (zoals dat vandaag overal gebeurt) maar uit het luciferische hart. Dat onvolmaakte, egoïstische, al te menselijke hart is de baarmoeder waarin het nieuwe, christelijk-etherische hart – de drager van het levende denken – zich moet ontwikkelen. 

Volgens Rudolf Steiner was de hele antroposofie slechts voorbereiding op de samenwerking tussen platonici en aristotelici die aan het eind van de 20ste eeuw moest plaatsvinden. De tijd tussen de Weihnachtstagung en het begin van de 21ste eeuw kan dus opgevat worden als een geestelijke zwangerschap die in onze tijd had moeten uitmonden in de geboorte van het nieuwe, etherische hart, dat met zijn levende denken de menselijke beschaving uit het slop zou halen. Dat is helaas niet gebeurd. In plaats daarvan is er een geheel ander, onderaards hart geboren, een ahrimaanse wolf die zich hult in luciferische wolligheid en onder het mom van inclusiviteit louter uitsluiting creëert. Dit kwaadaardige hart zet mensen tegen elkaar op en sleurt de beschaving de afgrond van de onderwereld in. Hoe verschrikkelijk dat ook is, we moeten dit ahrimaanse hart-in-wording zorgvuldig onder ogen zien teneinde het niet te verwarren met zijn spiegelbeeld, het christelijk-etherische hart. 

Want we moeten kiezen welk hart we in de toekomst willen hebben. In het ahrimaanse geval is dat een onbewuste en instinctieve keuze, een willoos en gedachtenloos meedrijven op de mainstream. In het christelijke geval is het een bewuste en vrije keuze, die grote gevolgen heeft. Want wie zich niet overgeeft aan de wolf-in-de-schaapsvacht ondervindt al gauw wat zijn inclusiviteit inhoudt. De antroposofische beweging ondervond het na de Weihnachtstagung. Rudolf Steiner werd zwaar ziek en onmiddellijk na zijn voortijdige dood begonnen de uitsluitingen. Ze gingen niet toevallig uit van Albert Steffen en Marie Steiner, de twee kunstenaars in het nieuwe bestuur. Ze vertegenwoordigden het (oude) hart en lagen aan de basis van de uitsluiting van de vertegenwoordigers van het (nieuwe) hoofd, de wetenschappers Ita Wegman en Elisabeth Vreede. Het ahrimaanse zaad ontkiemde zeer snel en leidde tien jaar later reeds tot de scheuring – en lamlegging – van de hele antroposofische beweging. 

De uitsluitingen waren een gevolg van de onbewuste afwijzing van de Weihnachtstagung. Veel harten waarin Rudolf Steiner de Grondsteen had gelegd, stootten dit ‘hoofd’ instinctief af. Dezelfde gevoelsmatige afwijzing trad op toen Rudolf Steiner het thema van de oude en de jonge zielen aansneed. Was de Weihnachtstagung een mysteriehandeling die alleen met het hart begrepen kon worden, dan was het zielenthema de sleutel tot het verstandelijk begrijpen ervan. De Grondsteen was het zaadje dat door Rudolf Steiner in het hart werd gelegd, het zielenthema was het eerste ontkiemen van dat zaadje, de eerste klop van het etherische hart. Maar het oude hart keerde zich tegen dat nieuwe hart. Er ontstonden sterke weerstanden onder de toehoorders toen Rudolf Steiner voor de eerste keer sprak over het feit dat er in de antroposofische beweging twee groepen van mensen zijn die duidelijk van elkaar te onderscheiden zijn. Deze fundamentele tweedeling bleek gevoelsmatig onverteerbaar te zijn.

Ze is dat nog altijd. Tot op de huidige wordt het thema van de oude en de jonge zielen – de eerste tweedeling van de bevruchte eicel zeg maar – afgewezen, en dat gebeurt in naam van eenheid en verbinding. De eerste slachtoffers van deze ahrimaanse inclusiviteit – Ita Wegman en Elisabeth Vreede – zijn intussen wel gerehabiliteerd, maar de vraag is of dat meer was dan een kosmetische behandeling. Intussen gaan er alweer stemmen op om ongewenste elementen te verwijderen, van een vruchtbare samenwerking tussen kunst en wetenschap is niets te merken en een gesprek over het zielenthema is nog altijd niet aan de orde. Er is met andere woorden niet veel veranderd sinds de Weihnachtstagung, het (onbewuste) verzet tegen de nieuwe mysteriën is nog altijd even groot als toen. Dat doet de vraag rijzen naar de reden van dat verzet. Waarom wil het (oude, luciferische) hart zich niet laten bevruchten door het (michaëlische) hoofd? Of nog: hoe werkt de draak in de ziel van de moderne mens?

Een (begin van) antwoord op die vraag vinden we in de fysieke bevruchting: de zaadcel die de eicel binnendringt, veroorzaakt daar een totale chaos. Van de oorspronkelijke structuur van de eicel blijft niets meer over en dat schept de mogelijkheid voor de incarnerende geest om zich een nieuw lichaam te bouwen. Deze wetmatigheid geldt ook voor de Christusgeest, die de ziel van de mens wil bevruchten om daar een nieuw etherisch lichaam te bouwen (te beginnen met het hart). Hij kan dat maar doen in de mate dat er chaos ontstaat in het menselijk hart. En dat kan op twee manieren: vrijwillig of onvrijwillig. In het eerste geval werkt de mens bewust mee aan de omvorming van zijn hart door het nieuwe hoofd, een hoofd dat is doorgedrongen tot de kern van de zaak, dat wil zeggen tot Christus zelf. Die ‘kern van de zaak’ vinden we vandaag in de antroposofie, en in zijn meest gebalde vorm in de Grondsteen. Pas wanneer de mens zijn hart door dit zaadje laat bevruchten, kan Christus aan zijn ziel beginnen werken.

In het tweede geval stoot hij dit ‘antroposofische zaadje’ af en schept daarmee – zonder het te beseffen – ruimte voor het ahrimaanse zaad. Dat dringt het (luciferische) hart binnen en doet daar een chaos ontstaan die Ahriman de kans geeft om een eigen lichaam te bouwen. Want Ahriman wordt niet alleen geboren in een fysiek lichaam, hij wordt ook – en vooral – geboren in talloze harten. De deadline die Rudolf Steiner stelde voor de samenwerking van platonici en aristotelici aan het eind van de 20ste eeuw valt samen met de incarnatie van Ahriman die hij voorspelde voor het begin van de 21ste eeuw. Het christelijk-etherische hart dat door die samenwerking moest beginnen kloppen, had die incarnatie niet kunnen verhinderen, maar het had wel kunnen beletten dat zoveel mensenharten – onbewust en instinctief – voor Ahriman zouden gaan kloppen. Het is dat heftige, dwangmatige kloppen dat vandaag steeds luider klinkt en mensen opzweept om anderen ongenadig uit te sluiten. 

Wat de moderne mens massaal in de armen van Ahriman drijft is liefde, luciferische eigenliefde. Zij brengt hem in een roes van morele superioriteit wanneer hij uitsluit, verkettert en demoniseert. Nooit voelt hij zich beter dan wanneer kan haten in naam van de liefde. De samenwerking van Lucifer en Ahriman is zo verwarrend en misleidend dat ze alleen doorzien kan worden door een hart dat (levend) kan denken. En ze is zo dwingend en dreigend dat ze alleen weerstaan kan worden door een hart dat onzelfzuchtig liefheeft. Denken-met-het-hart is denken uit liefde, en alleen dit michaëlische denken is opgewassen tegen de luciferisch-ahrimaanse religie die vandaag de wereld verovert en zichtbaar wordt in allerhande nieuwe kerken: de kunstkerk, de linkse kerk, de klimaatkerk, enzovoort. Deze kerken zijn buitengewoon onverdraagzaam: wie niet toetreedt, wordt uitgestoten. Ze zijn ook buitengewoon machtig: een uitsluiting heeft zware gevolgen die alleen gedragen kunnen worden door een denkend hart. 

Voor welke religie de mens ook kiest – de luciferisch-ahrimaanse religie of de christelijke religie van het levende denken – de uitkomst is chaos, een chaos die Christus in staat stelt om in de menselijke ziel een nieuw, etherisch lichaam te bouwen. Dat nieuwe lichaam, en die nieuwe wereld die ermee gepaard gaat, zullen er hoe dan ook komen. Maar het is de mens die bepaalt welke prijs hij daarvoor betaalt. Is dat de prijs van het individuele lijden dat veroorzaakt wordt door de uitsluitingen die een gevolg zijn van de keuze voor het levende denken, of is het de prijs van het collectieve lijden dat veroorzaakt wordt door de rampspoed die de luciferisch-ahrimaanse religie over de mensheid brengt? Het eerste lijden is de onvermijdelijke metgezel van de scholingsweg die men bewust en vrijwillig gaat wanneer men kiest voor het levende denken. Het tweede lijden overkomt de mens zonder dat hij erop bedacht is, zonder dat hij er iets kan aan doen en zonder dat hij er de zin van inziet.  

Scholingsweg of katastrofe: dat is de keuze waarvoor de moderne mens staat. Maar uiteindelijk komen ze allebei samen. Het is door te lijden dat de mens leert denken en het is door te denken dat hij lijdt. Hoe bewuster hij lijdt en denkt, des te vruchtbaarder wordt dat lijden en denken, des te meer draagt het bij tot de schepping van het nieuwe etherische hart (en lichaam). Hoe onbewuster de mens lijdt en denkt – doordat hij zich laat meesleuren door de draak – des te groter is het gevaar op onherstelbare schade. Het kwaad waarmee de mens vandaag geconfronteerd wordt, dringt veel dieper door in zijn ziel en kan volgens Rudolf Steiner zelfs stukken uit zijn Ik scheuren die dan onherroepelijk verloren zijn. We kunnen het vergelijken met de aarde waarop steeds meer diersoorten uitsterven. Er blijven er nog altijd meer dan genoeg over, maar toch, het is een verarming en ze kan niet meer ongedaan worden gemaakt. Om maar te zwijgen over hoelang dit uitsterven nog zal doorgaan.

De hedendaagse mens weet diep in zijn ziel dat hij voor een beslissende keuze staat. Het is voor hem een halszaak geworden ‘aan de goede kant van de geschiedenis te staan’. Hij voelt als het ware hoeveel daarvan afhangt. Maar jammer genoeg heeft hij geen helder beeld van die keuze en laat hij zich misleiden Ahriman, die hem gebruikt om mensen uit te sluiten en tegen elkaar op te zetten. Er rust dus een zware verantwoordelijkheid op de schouders van de antroposoof, die tot opdracht heeft het levende denken te ontwikkelen waarmee een beeld kan worden gevormd van de keuze waarvoor de mensheid staat. Hoe moeilijk die opdracht is en hoe gemakkelijk men op dwaalsporen kan raken, daarvan getuigt de geschiedenis van de antroposofische beweging. Er zijn de uitsluitingen van 1935, er zijn de antroposofen die voor het nazisme kozen, en er is vandaag de politieke correctheid. Maar wat als een rode draad doorheen dat alles loopt, is de afwijzing van het zielenthema, het verzet tegen de bewustwording van deze fundamentele dualiteit. 

Van dit gebrek aan bewustzijn maakt Ahriman gebruik om van de ziele-dualiteit een morele dualiteit te maken. Steeds weer, niet alleen in de antroposofische wereld maar ook daarbuiten, komen beide zielensferen tegenover elkaar te staan, waarbij ze zichzelf identificeren met het goede en de tegenpartij met het kwade. Verre van boven de ziele-dualiteit uit te stijgen en ze dankbaar te zien als een middel om de materiële wereld tot de geest te verheffen, zakt men weg in de wereld van de materie en beschouwt haar dualiteit als een kwaad dat uitgeroeid moet worden (door de tegenpartij te vernietigen). Dat leidt tot een niets ontziende strijd die zich vandaag zelfs vertaalt in een nieuwe guerre des sexes. De emoties die daarbij oplaaien, maken het zielenthema niet alleen nog onbespreekbaarder dan het al is, ze brengen ook de menselijke moraliteit – de kostbaarste eigenschap van het hart – in gevaar. Als we er niet in slagen deze moraliteit te verbinden met ons heldere bewustzijn, dan zal ze tot een instrument worden van onze laagste driften. 

Het levende denken (4)

  

Levend denken ontwikkelt zich van imaginatie over inspiratie naar intuïtie. Hoezeer dat alles nog toekomstmuziek is, kunnen we opmaken uit de receptie van Goethes oerplant, de eerste bekende imaginatie. Volgens Rudolf Steiner was het een baanbrekende wetenschappelijke prestatie, en ook Niels Bohr en Werner Heisenberg, die beiden aan de wieg stonden van de quantummechanica, beschouwden Goethe als een wetenschapper die zijn tijd ver vooruit was. Maar zij blijven uitzonderingen. De moderne wetenschap heeft Goethe nooit ernstig genomen. Voor zijn imaginatieve denken is er geen enkele plaats in het wetenschappelijke of filosofische denken van onze tijd. Zelfs in de antroposofische wereld valt er weinig van te merken. De moderne mens slaagt er niet in kunst en wetenschap met elkaar te verbinden zoals Goethe dat deed en op die manier de eerste stap te zetten naar een levend denken en een hoger bewustzijn. Hoe komt dat? Wat houdt hem tegen? 

Een eerste probleem is het enorme gezag dat de wetenschap in onze tijd gekregen heeft. We worden op school allemaal wetenschappelijk opgeleid, maar voor kunst is er geen plaats in het moderne onderwijs. We staan dus met z’n allen aan de kant van de wetenschap en dat maakt het moeilijk om de brug te slaan naar de kunstzinnige overkant, want een brug bouwt men vanop beide oevers naar het midden toe. Daar komt nog eens bij dat er aan wetenschappelijke kant geen motivatie is om de andere oever te bereiken, wel integendeel. De wetenschap heeft die de kloof juist geslagen door de subjectieve, gevoelsmatige benadering van de kunst uit te sluiten en alleen de objectieve, verstandelijke benadering toe te laten. Die uitsluiting zit er zo diep ingebakken dat ze het fundament van het moderne bewustzijn is geworden. Vanuit dat rationele, wetenschappelijke bewustzijn zien we dan ook geen enkele toenadering tot de kunst. Alleen in de geesteswetenschap worden pogingen ondernomen om de brug te slaan.  

Nu duikt een tweede probleem op: de kunst is geen eenduidig gegeven meer. Er zijn vandaag twee kunsten – een oude en een nieuwe – die elkaar in hoge mate uitsluiten. Er loopt dus niet alleen een kloof tussen kunst en wetenschap, er loopt ook een kloof door de kunst zelf. Of het om dezelfde kloof gaat is niet meteen duidelijk, maar als we een levend denken willen ontwikkelen, dan moeten we eerst dit probleem oplossen, want het heeft geen zin om een brug te slaan naar de kunst als we niet weten in welke richting we moeten werken, die van de oude of die van de nieuwe kunst. Het ligt misschien voor de hand dat we ons vanuit de nieuwe (geestes)wetenschap richten op de nieuwe (hedendaagse) kunst. Deze laatste komt, door haar intellectuele karakter, de wetenschap alvast een heel eind tegemoet en in het werk van Joseph Beuys worden zelfs expliciet antroposofische ideeën verbonden met de kunst. Maar vanzelfsprekend is deze keuze toch niet, verre van zelfs.

De kloof tussen de oude, klassieke kunst en de nieuwe, hedendaagse kunst is zo groot dat men zich kan afvragen: is deze laatste nog wel kunst? Kan de pispot van Marcel Duchamp werkelijk op één lijn geplaatst worden met pakweg de Zonnebloemen van Vincent van Gogh? Is er geen wezenlijk verschil tussen kunstenaars die letterlijk op hun doek schijten en kunstenaars die er met een penseel kleurrijke taferelen op aanbrengen? Het enige wat deze twee kunsten met elkaar gemeen hebben is het begrip ‘kunst’. Maar welke inhoud heeft dat begrip nog als het op gelijk wat kan toegepast worden? Moeten we niet eerst de vraag stellen wat kunst is voor we haar verbinden met de wetenschap? Dat is in ieder geval wat Rudolf Steiner deed toen hij nog vóór de Filosofie der Vrijheid een filosofie van de kunst schreef en daarin duidelijk onderscheid maakte tussen twee tegengestelde opvattingen over kunst. Uitgerekend de opvatting die we belichaamd zien in de hedendaagse kunst wees hij radicaal af.

Het is maar één van de – vele – redenen om de hedendaagse kunst in vraag te stellen en te betwijfelen of zij het is waarnaar we vanuit de wetenschap een brug moeten slaan. Maar vreemd genoeg gebeurt dat niet. Nergens, ook niet in de antroposofische wereld, worden er vragen gesteld bij de hedendaagse kunst, nergens wordt onderscheid gemaakt tussen de oude en de nieuwe kunst. Alsof het volkomen vanzelf spreekt dat de (geestes)wetenschap zich voor de ontwikkeling van het levende denken net zo goed kan richten op pispotten en kakmachines als op de madonna van Rafaël. Dit totale gebrek aan kritische bevraging – en dan nog ten aanzien van haar centrale opgave – is zo onwetenschappelijk dat de antroposofie de kloof tussen kunst en wetenschap lijkt te willen overbruggen door … zichzelf af te schaffen, door op te houden een wetenschap te zijn. Ze gedraagt zich ten aanzien van de kunst als iemand die verliefd is, die alle redelijkheid overboord gooit en doet wat zijn hart hem ingeeft. 

Dat zou een normale, gezonde reactie zijn, ware het niet dat deze blinde (luciferische) liefde een al even blinde (ahrimaanse) haat verbergt. Wie het waagt om (kritische) vragen te stellen bij de hedendaagse kunst krijgt af te rekenen met woede, verontwaardiging en uitsluiting. Het is verboden om deze kunst wetenschappelijk te benaderen en dat (denk)verbod wordt angstvallig gehoorzaamd. Nergens hoort men een kritisch woord of een nuchtere vraagstelling. Lucifer en Ahriman slaan de handen – met veel succes – in elkaar om de ontwikkeling van het levende denken te verhinderen. De eerste wekt in de moderne mens de blinde liefde voor de kunst en de tweede leidt deze liefde af naar de hedendaagse kunst. Samen zorgen ze ervoor dat hij kiest voor de verkeerde kunst, samen creëren ze de illusie dat hij op die manier een hoger bewustzijn bereikt. De wetenschap slaat dus wel degelijk een brug naar de kunst, maar het is geen vrije, bewuste verbinding. Het is een instinctieve, door de tegenmachten gecontroleerde, dwangmatige verbinding.

Het grootste probleem voor wie de brug wil slaan tussen kunst en wetenschap, is dat die brug al lijkt te bestaan. De hedendaagse kunst gaat hand in hand met het intellectuele denken en kent zoveel succes dat er geen reden is om nog een andere brug te willen bouwen. Bovendien is deze (blinde) verbinding van kunst en wetenschap uitgegroeid tot een fanatieke religie die ketters en ongelovigen er zonder pardon uitgooit. Ik kan ervan meepraten. Al sinds ik antroposoof ben, bestrijd ik de rol die de hedendaagse kunst speelt in de antroposofische wereld. Ik stel er vragen over, vragen waar geen antwoord op komt. Ik probeer er gesprekken over aan te gaan, gesprekken die geweigerd worden. Het is teleurstellend om een dergelijke houding aan te treffen bij mensen die zichzelf (geestes)wetenschappers noemen en te moeten vaststellen dat de hedendaagse kunst – die de ontwikkeling van het levende denken lam legt – ook in de antroposofische wereld geen strobreed in de weg wordt gelegd.

Dezelfde teleurstelling voel ik ook in verband met het thema van de oude en de jonge zielen. Hier tref ik dezelfde onwil aan om (geestes)wetenschappelijk te werk te gaan, hier ontmoet ik dezelfde weerstand, ergernis en verontwaardiging als ik vragen stel. Dat is geen toeval, want beide thema’s horen samen, ze vormen de zijden van een zelfde medaille. De brug tussen kunst en wetenschap is tevens de brug tussen oude en jonge zielen, en dan met name tussen de denkers van beide zielengroepen, de platonici en de aristotelici. Zij moesten volgens Rudolf Steiner vóór het eind van de 20ste eeuw tot samenwerking komen om de menselijke beschaving de beslissende impuls van het levende denken te geven. Hier wordt duidelijk waar het om gaat bij de verbinding tussen kunst en wetenschap, tussen platonici en aristotelici: het gaat om de redding van de menselijke beschaving, de redding van de menselijke ziel. Hier wordt ook duidelijk wat die redding tegenhoudt: het is de anti-antroposofie of ‘de jezuiet’ zoals Rudolf Steiner zijn vijand ook wel eens noemde. 

Hoe teleurstellend en deprimerend het ook is dat deze samenwerking er niet is gekomen – onmiddellijk na Rudolf Steiners deadline werd de neergang ingezet – de opgave om een brug te slaan tussen kunst en wetenschap, en tussen platonici en aristotelici blijft onverminderd bestaan. Ze is vandaag zelfs dringender dan ooit. Maar ze zal op veel kleinere schaal moeten worden opgenomen, want op het niveau van de antroposofische vereniging is over geen van beide thema’s een gesprek mogelijk. De zaak zit al bijna 100 jaar muurvast en het ziet er niet naar uit dat daar verandering zal in komen. Het geeft een idee van hoe de tegenmachten werken, namelijk op een zeer diep en onbewust niveau, een niveau dat alleen op kunstzinnig-imaginatieve manier te bereiken is. Ze ontplooien hun misleidende werking allang niet meer in het dode denken (daar zit hun taak erop), maar in het hart en de wil van de moderne mens. Daar is het dat ze de ontwikkeling van het levende denken blokkeren.

Aan het eind van zijn leven, na de Weihnachtstagung, beklemtoonde Rudolf Steiner steeds weer de rol van het hart. Daar wordt volgens hem de michaëlische strijd met de draak uitgevochten. ‘De harten moeten helpers van Michaël worden bij de verheffing van de uit de hemel op aarde geworpen intelligentie’. Met deze woorden verwees hij naar de samenwerking tussen platonici en aristotelici. De aristotelici, dat waren de antroposofen, de geesteswetenschappers, de Michaëldienaars, en ze moesten de hulp krijgen van de platonici, de Christuszoekers, de kunstwetenschappers. Dat laatste is een ietwat misleidende term want platonici denken helemaal niet na over kunst zoals moderne wetenschappers dat doen, dat wil zeggen in heldere, abstracte begrippen. Zij denken in beelden, op kunstzinnig-imaginatieve wijze. Ze slaan vanuit de kunst een brug naar de wetenschap, en dat is de hulp die de (wetenschappelijke) antroposofen nodig hebben. 

De antroposofische pogingen om een brug te slaan naar de kunst zijn bewonderenswaardig maar ook naïef. Ze zijn, om zo te zeggen, geschikt voor de kleuterklas en de lagere school, maar wanneer er echt moet nagedacht worden – in de middelbare en de hogeschool zeg maar – gaan ze de mist in en worden ze om de tuin geleid door de kunst-met-de-twee-gezichten. Dat is het punt waarop de (mannelijke) aristotelici de hulp nodig hebben van de platonici, die hen de weg kunnen wijzen in het (vrouwelijke) labyrint van de kunst. De wereld van de kunst presenteert zich aan de wetenschapper inderdaad als een verwarrende doolhof waar hij zijn weg niet vindt, want met het logische denken als kompas kan hij hier niks aanvangen. Hier moet hij zich oriënteren op zijn gevoel en dat is nu juist wat hij – als wetenschapper – geleerd heeft om niet te doen. Deze omslag van verstand naar gevoel brengt hem dan ook in verwarring en voert hem op dwaalwegen. Het verleidt hem ertoe de verkeerde keuze maken. 

Dit omslagmoment wordt (op kunstzinnige wijze) in beeld gebracht door de graallegende. Wanneer Parsifal de graalburcht betreedt en daar de gewonde Visserkoning ontmoet, weet hij niet wat hij moet doen: de stem van zijn verstand volgen (en doen wat hem geleerd is) of luisteren naar zijn hart (en het risico lopen majesteitsschennis te plegen). Hij speelt op veilig en dat blijkt de verkeerde keuze te zijn. Het klinkt misschien vergezocht om in de middeleeuwse Visserkoning de gespleten kunst van onze tijd te zien, maar Rudolf Steiner noemde de Parsifalweg de weg van onze tijd. Parsifal was de gereïncarneerde Mani en in het manichëisme stond de confrontatie met het kwaad centraal. Die confrontatie is het hoofdthema van onze tijd en diep in zijn ziel weet de moderne mens dat. Het verklaart het overweldigende succes van moderne versies van de graallegende zoals Titanic en De da Vinci Code. Maar ook hier weer toont de kunst haar dubbele, misleidende gezicht en verzuimt de mens de verlossende vraag te stellen.

En dat is de vraag: wat is kunst? Nooit werd deze vraag dringender aan de orde gesteld dan door de hedendaagse kunst. Zij stelt de moderne mens – en de geesteswetenschapper in het bijzonder – voor de keuze: met welke kunst wil hij zich verbinden, welke kunst wil hij tot leiddraad nemen in het steeds complexer en verwarrender wordende moderne leven: de oude of de nieuwe? Maar hij kiest niet, hij maakt geen onderscheid, hij verzuimt de vraag te stellen welke van de twee kunsten de ware is. Hij maakt het zich gemakkelijk, hij wil de machtige hedendaagse kunst niet voor het hoofd stoten en doet wat hem is geleerd: hij gebruikt zijn verstand en legt zijn hart het zwijgen op. Dat hart beseft echter veel beter dan het hoofd in welke situatie het zich bevindt en het reageert dan ook enthousiast op eigentijdse kunstwerken die deze situatie in beeld brengen. Helaas haalt de wetenschappelijke mens daar de schouders voor op, want hij heeft geleerd niet te luisteren naar zijn hart, en dit (vrouwelijke) gebied niet te betreden. 

Kunstenaars betreden dit gebied wel, tenminste dat deden ze tot de hedendaagse kunst hen daaruit verdreef. Sindsdien ligt het menselijke hart er onbewoond bij en wordt het ‘gekraakt’ door de tegenmachten die het vullen met haat, wantrouwen en angst. Dat is de duistere wereld die de wetenschapper moet betreden wanneer hij zijn dode denken tot leven wil brengen. Want alleen kan hij dat niet, hij heeft de hulp van het hart nodig. Maar dat hart heeft op zijn beurt de hulp van de wetenschapper nodig om bevrijd te worden van zijn bezetters, van de misleiders die in zijn naam spreken. Het moderne hart heeft het hoofd nodig om weer een stem te krijgen en de ratio heeft de (beeld)taal van het hart nodig om zijn weg te vinden in een wereld die steeds meer een doolhof wordt vol monsters. Hoofd en hart hebben elkaar nodig om tot imaginaties te komen, tot van heldere gedachten doordrongen beelden en van kleurrijk leven vervulde gedachten. Zonder die imaginaties kan er geen orde komen in de huidige chaos.