Het levende denken (4)

door lievendebrouwere

  

Levend denken ontwikkelt zich van imaginatie over inspiratie naar intuïtie. Hoezeer dat alles nog toekomstmuziek is, kunnen we opmaken uit de receptie van Goethes oerplant, de eerste bekende imaginatie. Volgens Rudolf Steiner was het een baanbrekende wetenschappelijke prestatie, en ook Niels Bohr en Werner Heisenberg, die beiden aan de wieg stonden van de quantummechanica, beschouwden Goethe als een wetenschapper die zijn tijd ver vooruit was. Maar zij blijven uitzonderingen. De moderne wetenschap heeft Goethe nooit ernstig genomen. Voor zijn imaginatieve denken is er geen enkele plaats in het wetenschappelijke of filosofische denken van onze tijd. Zelfs in de antroposofische wereld valt er weinig van te merken. De moderne mens slaagt er niet in kunst en wetenschap met elkaar te verbinden zoals Goethe dat deed en op die manier de eerste stap te zetten naar een levend denken en een hoger bewustzijn. Hoe komt dat? Wat houdt hem tegen? 

Een eerste probleem is het enorme gezag dat de wetenschap in onze tijd gekregen heeft. We worden op school allemaal wetenschappelijk opgeleid, maar voor kunst is er geen plaats in het moderne onderwijs. We staan dus met z’n allen aan de kant van de wetenschap en dat maakt het moeilijk om de brug te slaan naar de kunstzinnige overkant, want een brug bouwt men vanop beide oevers naar het midden toe. Daar komt nog eens bij dat er aan wetenschappelijke kant geen motivatie is om de andere oever te bereiken, wel integendeel. De wetenschap heeft die de kloof juist geslagen door de subjectieve, gevoelsmatige benadering van de kunst uit te sluiten en alleen de objectieve, verstandelijke benadering toe te laten. Die uitsluiting zit er zo diep ingebakken dat ze het fundament van het moderne bewustzijn is geworden. Vanuit dat rationele, wetenschappelijke bewustzijn zien we dan ook geen enkele toenadering tot de kunst. Alleen in de geesteswetenschap worden pogingen ondernomen om de brug te slaan.  

Nu duikt een tweede probleem op: de kunst is geen eenduidig gegeven meer. Er zijn vandaag twee kunsten – een oude en een nieuwe – die elkaar in hoge mate uitsluiten. Er loopt dus niet alleen een kloof tussen kunst en wetenschap, er loopt ook een kloof door de kunst zelf. Of het om dezelfde kloof gaat is niet meteen duidelijk, maar als we een levend denken willen ontwikkelen, dan moeten we eerst dit probleem oplossen, want het heeft geen zin om een brug te slaan naar de kunst als we niet weten in welke richting we moeten werken, die van de oude of die van de nieuwe kunst. Het ligt misschien voor de hand dat we ons vanuit de nieuwe (geestes)wetenschap richten op de nieuwe (hedendaagse) kunst. Deze laatste komt, door haar intellectuele karakter, de wetenschap alvast een heel eind tegemoet en in het werk van Joseph Beuys worden zelfs expliciet antroposofische ideeën verbonden met de kunst. Maar vanzelfsprekend is deze keuze toch niet, verre van zelfs.

De kloof tussen de oude, klassieke kunst en de nieuwe, hedendaagse kunst is zo groot dat men zich kan afvragen: is deze laatste nog wel kunst? Kan de pispot van Marcel Duchamp werkelijk op één lijn geplaatst worden met pakweg de Zonnebloemen van Vincent van Gogh? Is er geen wezenlijk verschil tussen kunstenaars die letterlijk op hun doek schijten en kunstenaars die er met een penseel kleurrijke taferelen op aanbrengen? Het enige wat deze twee kunsten met elkaar gemeen hebben is het begrip ‘kunst’. Maar welke inhoud heeft dat begrip nog als het op gelijk wat kan toegepast worden? Moeten we niet eerst de vraag stellen wat kunst is voor we haar verbinden met de wetenschap? Dat is in ieder geval wat Rudolf Steiner deed toen hij nog vóór de Filosofie der Vrijheid een filosofie van de kunst schreef en daarin duidelijk onderscheid maakte tussen twee tegengestelde opvattingen over kunst. Uitgerekend de opvatting die we belichaamd zien in de hedendaagse kunst wees hij radicaal af.

Het is maar één van de – vele – redenen om de hedendaagse kunst in vraag te stellen en te betwijfelen of zij het is waarnaar we vanuit de wetenschap een brug moeten slaan. Maar vreemd genoeg gebeurt dat niet. Nergens, ook niet in de antroposofische wereld, worden er vragen gesteld bij de hedendaagse kunst, nergens wordt onderscheid gemaakt tussen de oude en de nieuwe kunst. Alsof het volkomen vanzelf spreekt dat de (geestes)wetenschap zich voor de ontwikkeling van het levende denken net zo goed kan richten op pispotten en kakmachines als op de madonna van Rafaël. Dit totale gebrek aan kritische bevraging – en dan nog ten aanzien van haar centrale opgave – is zo onwetenschappelijk dat de antroposofie de kloof tussen kunst en wetenschap lijkt te willen overbruggen door … zichzelf af te schaffen, door op te houden een wetenschap te zijn. Ze gedraagt zich ten aanzien van de kunst als iemand die verliefd is, die alle redelijkheid overboord gooit en doet wat zijn hart hem ingeeft. 

Dat zou een normale, gezonde reactie zijn, ware het niet dat deze blinde (luciferische) liefde een al even blinde (ahrimaanse) haat verbergt. Wie het waagt om (kritische) vragen te stellen bij de hedendaagse kunst krijgt af te rekenen met woede, verontwaardiging en uitsluiting. Het is verboden om deze kunst wetenschappelijk te benaderen en dat (denk)verbod wordt angstvallig gehoorzaamd. Nergens hoort men een kritisch woord of een nuchtere vraagstelling. Lucifer en Ahriman slaan de handen – met veel succes – in elkaar om de ontwikkeling van het levende denken te verhinderen. De eerste wekt in de moderne mens de blinde liefde voor de kunst en de tweede leidt deze liefde af naar de hedendaagse kunst. Samen zorgen ze ervoor dat hij kiest voor de verkeerde kunst, samen creëren ze de illusie dat hij op die manier een hoger bewustzijn bereikt. De wetenschap slaat dus wel degelijk een brug naar de kunst, maar het is geen vrije, bewuste verbinding. Het is een instinctieve, door de tegenmachten gecontroleerde, dwangmatige verbinding.

Het grootste probleem voor wie de brug wil slaan tussen kunst en wetenschap, is dat die brug al lijkt te bestaan. De hedendaagse kunst gaat hand in hand met het intellectuele denken en kent zoveel succes dat er geen reden is om nog een andere brug te willen bouwen. Bovendien is deze (blinde) verbinding van kunst en wetenschap uitgegroeid tot een fanatieke religie die ketters en ongelovigen er zonder pardon uitgooit. Ik kan ervan meepraten. Al sinds ik antroposoof ben, bestrijd ik de rol die de hedendaagse kunst speelt in de antroposofische wereld. Ik stel er vragen over, vragen waar geen antwoord op komt. Ik probeer er gesprekken over aan te gaan, gesprekken die geweigerd worden. Het is teleurstellend om een dergelijke houding aan te treffen bij mensen die zichzelf (geestes)wetenschappers noemen en te moeten vaststellen dat de hedendaagse kunst – die de ontwikkeling van het levende denken lam legt – ook in de antroposofische wereld geen strobreed in de weg wordt gelegd.

Dezelfde teleurstelling voel ik ook in verband met het thema van de oude en de jonge zielen. Hier tref ik dezelfde onwil aan om (geestes)wetenschappelijk te werk te gaan, hier ontmoet ik dezelfde weerstand, ergernis en verontwaardiging als ik vragen stel. Dat is geen toeval, want beide thema’s horen samen, ze vormen de zijden van een zelfde medaille. De brug tussen kunst en wetenschap is tevens de brug tussen oude en jonge zielen, en dan met name tussen de denkers van beide zielengroepen, de platonici en de aristotelici. Zij moesten volgens Rudolf Steiner vóór het eind van de 20ste eeuw tot samenwerking komen om de menselijke beschaving de beslissende impuls van het levende denken te geven. Hier wordt duidelijk waar het om gaat bij de verbinding tussen kunst en wetenschap, tussen platonici en aristotelici: het gaat om de redding van de menselijke beschaving, de redding van de menselijke ziel. Hier wordt ook duidelijk wat die redding tegenhoudt: het is de anti-antroposofie of ‘de jezuiet’ zoals Rudolf Steiner zijn vijand ook wel eens noemde. 

Hoe teleurstellend en deprimerend het ook is dat deze samenwerking er niet is gekomen – onmiddellijk na Rudolf Steiners deadline werd de neergang ingezet – de opgave om een brug te slaan tussen kunst en wetenschap, en tussen platonici en aristotelici blijft onverminderd bestaan. Ze is vandaag zelfs dringender dan ooit. Maar ze zal op veel kleinere schaal moeten worden opgenomen, want op het niveau van de antroposofische vereniging is over geen van beide thema’s een gesprek mogelijk. De zaak zit al bijna 100 jaar muurvast en het ziet er niet naar uit dat daar verandering zal in komen. Het geeft een idee van hoe de tegenmachten werken, namelijk op een zeer diep en onbewust niveau, een niveau dat alleen op kunstzinnig-imaginatieve manier te bereiken is. Ze ontplooien hun misleidende werking allang niet meer in het dode denken (daar zit hun taak erop), maar in het hart en de wil van de moderne mens. Daar is het dat ze de ontwikkeling van het levende denken blokkeren.

Aan het eind van zijn leven, na de Weihnachtstagung, beklemtoonde Rudolf Steiner steeds weer de rol van het hart. Daar wordt volgens hem de michaëlische strijd met de draak uitgevochten. ‘De harten moeten helpers van Michaël worden bij de verheffing van de uit de hemel op aarde geworpen intelligentie’. Met deze woorden verwees hij naar de samenwerking tussen platonici en aristotelici. De aristotelici, dat waren de antroposofen, de geesteswetenschappers, de Michaëldienaars, en ze moesten de hulp krijgen van de platonici, de Christuszoekers, de kunstwetenschappers. Dat laatste is een ietwat misleidende term want platonici denken helemaal niet na over kunst zoals moderne wetenschappers dat doen, dat wil zeggen in heldere, abstracte begrippen. Zij denken in beelden, op kunstzinnig-imaginatieve wijze. Ze slaan vanuit de kunst een brug naar de wetenschap, en dat is de hulp die de (wetenschappelijke) antroposofen nodig hebben. 

De antroposofische pogingen om een brug te slaan naar de kunst zijn bewonderenswaardig maar ook naïef. Ze zijn, om zo te zeggen, geschikt voor de kleuterklas en de lagere school, maar wanneer er echt moet nagedacht worden – in de middelbare en de hogeschool zeg maar – gaan ze de mist in en worden ze om de tuin geleid door de kunst-met-de-twee-gezichten. Dat is het punt waarop de (mannelijke) aristotelici de hulp nodig hebben van de platonici, die hen de weg kunnen wijzen in het (vrouwelijke) labyrint van de kunst. De wereld van de kunst presenteert zich aan de wetenschapper inderdaad als een verwarrende doolhof waar hij zijn weg niet vindt, want met het logische denken als kompas kan hij hier niks aanvangen. Hier moet hij zich oriënteren op zijn gevoel en dat is nu juist wat hij – als wetenschapper – geleerd heeft om niet te doen. Deze omslag van verstand naar gevoel brengt hem dan ook in verwarring en voert hem op dwaalwegen. Het verleidt hem ertoe de verkeerde keuze maken. 

Dit omslagmoment wordt (op kunstzinnige wijze) in beeld gebracht door de graallegende. Wanneer Parsifal de graalburcht betreedt en daar de gewonde Visserkoning ontmoet, weet hij niet wat hij moet doen: de stem van zijn verstand volgen (en doen wat hem geleerd is) of luisteren naar zijn hart (en het risico lopen majesteitsschennis te plegen). Hij speelt op veilig en dat blijkt de verkeerde keuze te zijn. Het klinkt misschien vergezocht om in de middeleeuwse Visserkoning de gespleten kunst van onze tijd te zien, maar Rudolf Steiner noemde de Parsifalweg de weg van onze tijd. Parsifal was de gereïncarneerde Mani en in het manichëisme stond de confrontatie met het kwaad centraal. Die confrontatie is het hoofdthema van onze tijd en diep in zijn ziel weet de moderne mens dat. Het verklaart het overweldigende succes van moderne versies van de graallegende zoals Titanic en De da Vinci Code. Maar ook hier weer toont de kunst haar dubbele, misleidende gezicht en verzuimt de mens de verlossende vraag te stellen.

En dat is de vraag: wat is kunst? Nooit werd deze vraag dringender aan de orde gesteld dan door de hedendaagse kunst. Zij stelt de moderne mens – en de geesteswetenschapper in het bijzonder – voor de keuze: met welke kunst wil hij zich verbinden, welke kunst wil hij tot leiddraad nemen in het steeds complexer en verwarrender wordende moderne leven: de oude of de nieuwe? Maar hij kiest niet, hij maakt geen onderscheid, hij verzuimt de vraag te stellen welke van de twee kunsten de ware is. Hij maakt het zich gemakkelijk, hij wil de machtige hedendaagse kunst niet voor het hoofd stoten en doet wat hem is geleerd: hij gebruikt zijn verstand en legt zijn hart het zwijgen op. Dat hart beseft echter veel beter dan het hoofd in welke situatie het zich bevindt en het reageert dan ook enthousiast op eigentijdse kunstwerken die deze situatie in beeld brengen. Helaas haalt de wetenschappelijke mens daar de schouders voor op, want hij heeft geleerd niet te luisteren naar zijn hart, en dit (vrouwelijke) gebied niet te betreden. 

Kunstenaars betreden dit gebied wel, tenminste dat deden ze tot de hedendaagse kunst hen daaruit verdreef. Sindsdien ligt het menselijke hart er onbewoond bij en wordt het ‘gekraakt’ door de tegenmachten die het vullen met haat, wantrouwen en angst. Dat is de duistere wereld die de wetenschapper moet betreden wanneer hij zijn dode denken tot leven wil brengen. Want alleen kan hij dat niet, hij heeft de hulp van het hart nodig. Maar dat hart heeft op zijn beurt de hulp van de wetenschapper nodig om bevrijd te worden van zijn bezetters, van de misleiders die in zijn naam spreken. Het moderne hart heeft het hoofd nodig om weer een stem te krijgen en de ratio heeft de (beeld)taal van het hart nodig om zijn weg te vinden in een wereld die steeds meer een doolhof wordt vol monsters. Hoofd en hart hebben elkaar nodig om tot imaginaties te komen, tot van heldere gedachten doordrongen beelden en van kleurrijk leven vervulde gedachten. Zonder die imaginaties kan er geen orde komen in de huidige chaos.