Het levende denken (5)

door lievendebrouwere

  

Levend denken is denken met het hart, dood denken is denken met het hoofd. Wat dat laatste is, weten we allemaal, maar wat is het eerste? En hoe komen we van ons dode denken tot een levend denken? Een antwoord op die vraag vinden we in de Weihnachtstagung, toen Rudolf Steiner de Grondsteen ‘in de harten van de aanwezigen’ legde. Die Grondsteen was een spreuk waarin hij de hele antroposofie had samengebald als in een zaadje, en waarmee hij de harten van zijn leerlingen ‘bevruchtte’. Deze (geestelijke) bevruchting betekende het prille begin van een nieuwe antroposofische vereniging, van een nieuwe omgang met het antroposofische gedachtengoed waarbij de nadruk lag op het hart en het gevoel. Rudolf Steiner wees in dat verband op de fout van sommige van zijn leerlingen die gemeend hadden de antroposofie wetenschappelijk te moeten bewerken. Dat was in zijn ogen een terugval in het dode denken. De antroposofie moest juist de tegenovergestelde richting uit: die van het levende denken, het denken met het hart.

Nochtans keert het levende denken-met-het-hart keert zich niet af van het dode denken-met-het-hoofd, integendeel. Het neemt het in zich op, het is inclusief. Maar het is dat niet in de moderne, modieuze betekenis. De inclusiviteit zoals die vandaag gepropageerd wordt, is het omgekeerde van wat Rudolf Steiner bedoelde. Niet het hart neemt hier het hoofd in zich op, maar het hoofd hult zich in de gedaante van het hart. Door zich voor te doen als inclusief en verbindend kan het dode denken des drastischer uitsluiten en scheiden. Deze wolf-in-een-schaapsvacht gebruikt het hart als vermomming om de mens te misleiden en nog veel dieper in zijn ziel te kunnen doordringen. Daarom is het van kapitaal belang de nieuwe, schaapachtige gedaante van het dode denken niet te verwarren met het levende denken dat Rudolf Steiner voorstond. Dat gevaar is reëel wanneer we het denken-met-het-hart opvatten als een abstract begrip en een mooie slogan in plaats van te zoeken naar de werkelijkheid achter de woorden. 

Die werkelijkheid is het kloppende hart dat onafgebroken pendelt tussen uitsluiting en verbinding, tussen verstand en gevoel. Want alleen op die manier kunnen de tegenpolen met elkaar verbonden worden. We spreken hier natuurlijk niet over het oude (louter gevoelsmatige) hart dat het (verstandelijke) hoofd uitsluit. We spreken over een nieuw, etherisch hart dat ontstaat uit de bewuste en vrijwillige pendelbeweging tussen het oude hart en het nieuwe hoofd. Rudolf Steiner legde de grondslag van dit etherische hart toen hij op de Weihnachtstagung de harten van de aanwezigen bevruchtte met het ‘hoofd’ – de geconcentreerde vorm – van de geesteswetenschap. Het nieuwe hart moet dus niet geboren worden uit het ahrimaanse hoofd (zoals dat vandaag overal gebeurt) maar uit het luciferische hart. Dat onvolmaakte, egoïstische, al te menselijke hart is de baarmoeder waarin het nieuwe, christelijk-etherische hart – de drager van het levende denken – zich moet ontwikkelen. 

Volgens Rudolf Steiner was de hele antroposofie slechts voorbereiding op de samenwerking tussen platonici en aristotelici die aan het eind van de 20ste eeuw moest plaatsvinden. De tijd tussen de Weihnachtstagung en het begin van de 21ste eeuw kan dus opgevat worden als een geestelijke zwangerschap die in onze tijd had moeten uitmonden in de geboorte van het nieuwe, etherische hart, dat met zijn levende denken de menselijke beschaving uit het slop zou halen. Dat is helaas niet gebeurd. In plaats daarvan is er een geheel ander, onderaards hart geboren, een ahrimaanse wolf die zich hult in luciferische wolligheid en onder het mom van inclusiviteit louter uitsluiting creëert. Dit kwaadaardige hart zet mensen tegen elkaar op en sleurt de beschaving de afgrond van de onderwereld in. Hoe verschrikkelijk dat ook is, we moeten dit ahrimaanse hart-in-wording zorgvuldig onder ogen zien teneinde het niet te verwarren met zijn spiegelbeeld, het christelijk-etherische hart. 

Want we moeten kiezen welk hart we in de toekomst willen hebben. In het ahrimaanse geval is dat een onbewuste en instinctieve keuze, een willoos en gedachtenloos meedrijven op de mainstream. In het christelijke geval is het een bewuste en vrije keuze, die grote gevolgen heeft. Want wie zich niet overgeeft aan de wolf-in-de-schaapsvacht ondervindt al gauw wat zijn inclusiviteit inhoudt. De antroposofische beweging ondervond het na de Weihnachtstagung. Rudolf Steiner werd zwaar ziek en onmiddellijk na zijn voortijdige dood begonnen de uitsluitingen. Ze gingen niet toevallig uit van Albert Steffen en Marie Steiner, de twee kunstenaars in het nieuwe bestuur. Ze vertegenwoordigden het (oude) hart en lagen aan de basis van de uitsluiting van de vertegenwoordigers van het (nieuwe) hoofd, de wetenschappers Ita Wegman en Elisabeth Vreede. Het ahrimaanse zaad ontkiemde zeer snel en leidde tien jaar later reeds tot de scheuring – en lamlegging – van de hele antroposofische beweging. 

De uitsluitingen waren een gevolg van de onbewuste afwijzing van de Weihnachtstagung. Veel harten waarin Rudolf Steiner de Grondsteen had gelegd, stootten dit ‘hoofd’ instinctief af. Dezelfde gevoelsmatige afwijzing trad op toen Rudolf Steiner het thema van de oude en de jonge zielen aansneed. Was de Weihnachtstagung een mysteriehandeling die alleen met het hart begrepen kon worden, dan was het zielenthema de sleutel tot het verstandelijk begrijpen ervan. De Grondsteen was het zaadje dat door Rudolf Steiner in het hart werd gelegd, het zielenthema was het eerste ontkiemen van dat zaadje, de eerste klop van het etherische hart. Maar het oude hart keerde zich tegen dat nieuwe hart. Er ontstonden sterke weerstanden onder de toehoorders toen Rudolf Steiner voor de eerste keer sprak over het feit dat er in de antroposofische beweging twee groepen van mensen zijn die duidelijk van elkaar te onderscheiden zijn. Deze fundamentele tweedeling bleek gevoelsmatig onverteerbaar te zijn.

Ze is dat nog altijd. Tot op de huidige wordt het thema van de oude en de jonge zielen – de eerste tweedeling van de bevruchte eicel zeg maar – afgewezen, en dat gebeurt in naam van eenheid en verbinding. De eerste slachtoffers van deze ahrimaanse inclusiviteit – Ita Wegman en Elisabeth Vreede – zijn intussen wel gerehabiliteerd, maar de vraag is of dat meer was dan een kosmetische behandeling. Intussen gaan er alweer stemmen op om ongewenste elementen te verwijderen, van een vruchtbare samenwerking tussen kunst en wetenschap is niets te merken en een gesprek over het zielenthema is nog altijd niet aan de orde. Er is met andere woorden niet veel veranderd sinds de Weihnachtstagung, het (onbewuste) verzet tegen de nieuwe mysteriën is nog altijd even groot als toen. Dat doet de vraag rijzen naar de reden van dat verzet. Waarom wil het (oude, luciferische) hart zich niet laten bevruchten door het (michaëlische) hoofd? Of nog: hoe werkt de draak in de ziel van de moderne mens?

Een (begin van) antwoord op die vraag vinden we in de fysieke bevruchting: de zaadcel die de eicel binnendringt, veroorzaakt daar een totale chaos. Van de oorspronkelijke structuur van de eicel blijft niets meer over en dat schept de mogelijkheid voor de incarnerende geest om zich een nieuw lichaam te bouwen. Deze wetmatigheid geldt ook voor de Christusgeest, die de ziel van de mens wil bevruchten om daar een nieuw etherisch lichaam te bouwen (te beginnen met het hart). Hij kan dat maar doen in de mate dat er chaos ontstaat in het menselijk hart. En dat kan op twee manieren: vrijwillig of onvrijwillig. In het eerste geval werkt de mens bewust mee aan de omvorming van zijn hart door het nieuwe hoofd, een hoofd dat is doorgedrongen tot de kern van de zaak, dat wil zeggen tot Christus zelf. Die ‘kern van de zaak’ vinden we vandaag in de antroposofie, en in zijn meest gebalde vorm in de Grondsteen. Pas wanneer de mens zijn hart door dit zaadje laat bevruchten, kan Christus aan zijn ziel beginnen werken.

In het tweede geval stoot hij dit ‘antroposofische zaadje’ af en schept daarmee – zonder het te beseffen – ruimte voor het ahrimaanse zaad. Dat dringt het (luciferische) hart binnen en doet daar een chaos ontstaan die Ahriman de kans geeft om een eigen lichaam te bouwen. Want Ahriman wordt niet alleen geboren in een fysiek lichaam, hij wordt ook – en vooral – geboren in talloze harten. De deadline die Rudolf Steiner stelde voor de samenwerking van platonici en aristotelici aan het eind van de 20ste eeuw valt samen met de incarnatie van Ahriman die hij voorspelde voor het begin van de 21ste eeuw. Het christelijk-etherische hart dat door die samenwerking moest beginnen kloppen, had die incarnatie niet kunnen verhinderen, maar het had wel kunnen beletten dat zoveel mensenharten – onbewust en instinctief – voor Ahriman zouden gaan kloppen. Het is dat heftige, dwangmatige kloppen dat vandaag steeds luider klinkt en mensen opzweept om anderen ongenadig uit te sluiten. 

Wat de moderne mens massaal in de armen van Ahriman drijft is liefde, luciferische eigenliefde. Zij brengt hem in een roes van morele superioriteit wanneer hij uitsluit, verkettert en demoniseert. Nooit voelt hij zich beter dan wanneer kan haten in naam van de liefde. De samenwerking van Lucifer en Ahriman is zo verwarrend en misleidend dat ze alleen doorzien kan worden door een hart dat (levend) kan denken. En ze is zo dwingend en dreigend dat ze alleen weerstaan kan worden door een hart dat onzelfzuchtig liefheeft. Denken-met-het-hart is denken uit liefde, en alleen dit michaëlische denken is opgewassen tegen de luciferisch-ahrimaanse religie die vandaag de wereld verovert en zichtbaar wordt in allerhande nieuwe kerken: de kunstkerk, de linkse kerk, de klimaatkerk, enzovoort. Deze kerken zijn buitengewoon onverdraagzaam: wie niet toetreedt, wordt uitgestoten. Ze zijn ook buitengewoon machtig: een uitsluiting heeft zware gevolgen die alleen gedragen kunnen worden door een denkend hart. 

Voor welke religie de mens ook kiest – de luciferisch-ahrimaanse religie of de christelijke religie van het levende denken – de uitkomst is chaos, een chaos die Christus in staat stelt om in de menselijke ziel een nieuw, etherisch lichaam te bouwen. Dat nieuwe lichaam, en die nieuwe wereld die ermee gepaard gaat, zullen er hoe dan ook komen. Maar het is de mens die bepaalt welke prijs hij daarvoor betaalt. Is dat de prijs van het individuele lijden dat veroorzaakt wordt door de uitsluitingen die een gevolg zijn van de keuze voor het levende denken, of is het de prijs van het collectieve lijden dat veroorzaakt wordt door de rampspoed die de luciferisch-ahrimaanse religie over de mensheid brengt? Het eerste lijden is de onvermijdelijke metgezel van de scholingsweg die men bewust en vrijwillig gaat wanneer men kiest voor het levende denken. Het tweede lijden overkomt de mens zonder dat hij erop bedacht is, zonder dat hij er iets kan aan doen en zonder dat hij er de zin van inziet.  

Scholingsweg of katastrofe: dat is de keuze waarvoor de moderne mens staat. Maar uiteindelijk komen ze allebei samen. Het is door te lijden dat de mens leert denken en het is door te denken dat hij lijdt. Hoe bewuster hij lijdt en denkt, des te vruchtbaarder wordt dat lijden en denken, des te meer draagt het bij tot de schepping van het nieuwe etherische hart (en lichaam). Hoe onbewuster de mens lijdt en denkt – doordat hij zich laat meesleuren door de draak – des te groter is het gevaar op onherstelbare schade. Het kwaad waarmee de mens vandaag geconfronteerd wordt, dringt veel dieper door in zijn ziel en kan volgens Rudolf Steiner zelfs stukken uit zijn Ik scheuren die dan onherroepelijk verloren zijn. We kunnen het vergelijken met de aarde waarop steeds meer diersoorten uitsterven. Er blijven er nog altijd meer dan genoeg over, maar toch, het is een verarming en ze kan niet meer ongedaan worden gemaakt. Om maar te zwijgen over hoelang dit uitsterven nog zal doorgaan.

De hedendaagse mens weet diep in zijn ziel dat hij voor een beslissende keuze staat. Het is voor hem een halszaak geworden ‘aan de goede kant van de geschiedenis te staan’. Hij voelt als het ware hoeveel daarvan afhangt. Maar jammer genoeg heeft hij geen helder beeld van die keuze en laat hij zich misleiden Ahriman, die hem gebruikt om mensen uit te sluiten en tegen elkaar op te zetten. Er rust dus een zware verantwoordelijkheid op de schouders van de antroposoof, die tot opdracht heeft het levende denken te ontwikkelen waarmee een beeld kan worden gevormd van de keuze waarvoor de mensheid staat. Hoe moeilijk die opdracht is en hoe gemakkelijk men op dwaalsporen kan raken, daarvan getuigt de geschiedenis van de antroposofische beweging. Er zijn de uitsluitingen van 1935, er zijn de antroposofen die voor het nazisme kozen, en er is vandaag de politieke correctheid. Maar wat als een rode draad doorheen dat alles loopt, is de afwijzing van het zielenthema, het verzet tegen de bewustwording van deze fundamentele dualiteit. 

Van dit gebrek aan bewustzijn maakt Ahriman gebruik om van de ziele-dualiteit een morele dualiteit te maken. Steeds weer, niet alleen in de antroposofische wereld maar ook daarbuiten, komen beide zielensferen tegenover elkaar te staan, waarbij ze zichzelf identificeren met het goede en de tegenpartij met het kwade. Verre van boven de ziele-dualiteit uit te stijgen en ze dankbaar te zien als een middel om de materiële wereld tot de geest te verheffen, zakt men weg in de wereld van de materie en beschouwt haar dualiteit als een kwaad dat uitgeroeid moet worden (door de tegenpartij te vernietigen). Dat leidt tot een niets ontziende strijd die zich vandaag zelfs vertaalt in een nieuwe guerre des sexes. De emoties die daarbij oplaaien, maken het zielenthema niet alleen nog onbespreekbaarder dan het al is, ze brengen ook de menselijke moraliteit – de kostbaarste eigenschap van het hart – in gevaar. Als we er niet in slagen deze moraliteit te verbinden met ons heldere bewustzijn, dan zal ze tot een instrument worden van onze laagste driften.