Het levende denken (6)

door lievendebrouwere

  

Het levende denken is een Steigerung van ons huidige denken. Steigerung is een begrip uit de kleurenleer van Goethe waarin de primaire kleuren geel en blauw zich onderaan (de kleurencirkel) vermengen tot groen en bovenaan ‘steigeren’ tot purper of magenta. Groen geldt daarbij als de kleur van de aardse wereld, terwijl aan magenta een geestelijk karakter wordt toegeschreven (reden trouwens waarom het door de katholieke kerk gebruikt wordt). Magenta kan niet bekomen worden door vermenging maar ontstaat uit de opgedreven spanning tussen de tegenpolen: het tot rood geïntensiveerde geel en het tot violet geïntensiveerde blauw. Goethes kleurenleer was geen theorie maar een waarneming, een fenomenologische beschrijving van de wereld van de kleuren. De wetmatigheden die daarbij zichtbaar werden, gelden ook voor andere gebieden, bijvoorbeeld de plantenwereld. Daar is de bloem een Steigerung van de polaire krachten die het zaadje doen uitgroeien tot een plant.

Deze wetmatigheden gelden ook voor de zielewereld, die door Rudolf Steiner trouwens een wereld van kleuren werd genoemd. Ons denken maakt deel uit van die zielewereld en, net als in de kleurenwereld, moeten we hier uitgaan van twee primaire denkwijzen (en niet van bijvoorbeeld drie) als we de mogelijkheid willen scheppen van een Steigerung, van een hoger denken, een levend denken. Die twee polaire denkwijzen kunnen we op verschillende manieren benoemen: als verstandelijk en gevoelsmatig, als begrippelijk en beeldend, als wetenschappelijk en kunstzinnig, als mannelijk en vrouwelijk, als aristotelisch en platonisch. In zijn Filosofie der Vrijheid hanteert Rudolf Steiner de tweedeling waarnemen en denken. Het oude, oorspronkelijke denken was inderdaad een waarnemen, een helderzien. Uit dat denkende waarnemen of waarnemende denken heeft zich in de loop er tijden dan geleidelijk ons huidige denken losgemaakt met in zijn zog het voelen.

Het zelfstandige, vrije, rationele denken is inmiddels zo dominant geworden dat het niks meer te maken wil hebben met de oude, helderziendheid waaruit het geboren is. Het gedraagt zich als een schooljongetje dat niet gezien wil worden met zijn bezorgde, liefhebbende moeder, want het wil stoer zijn, het wil op eigen benen staan. Deze houding valt goed te herkennen in het moderne, wetenschappelijke denken, dat bijzonder smalend doet over alles wat verstandelijk niet te verklaren is, zoals astrologie, homeopathie of antroposofie. Deze manieren van denken worden afgedaan als bijgeloof, onzin, fantasie, ze worden de benaming ‘denken’ niet eens waard geacht. Volgens het wetenschappelijk ‘schooljongetje’ is er maar één echte manier van denken’: de zijne. De moeder weet natuurlijk wel beter. Met name in onze tijd ziet ze dat haar stoere zoontje in zeven sloten tegelijk loopt en beseft ze dat het weer naar huis moet komen, lees: zich weer moet verbinden met zijn oorsprong.

Maar zoonlief luistert niet meer naar zijn moeder. Het oude, helderziende waarnemen – dat zich diep in het slapende, onbewuste deel van onze ziel heeft moeten terugtrekken – kan het rationele denken niet meer bereiken. Dit moeder-denken kan alleen nog invloed uitoefenen op haar dochter, wier vrouwelijke, gevoelsmatige denken verwant is met de oude helderziendheid maar er – onder de groeiende invloed van het rationele denken – de helderheid van verloren heeft. Het heldere onderscheidingsvermogen is overgegaan op het onzelfzuchtige, rationele denken van de zoon. Maar die is ook iets kwijtgeraakt: het contact met de (moeder)wereld van de geest. Deze zoon en dochter zijn de twee primaire denkpolen – het objectieve, onzelfzuchtige maar materialistische mannelijke denken, en het spirituele maar subjectieve en zelfzuchtige vrouwelijke denken – waar we moeten van uitgaan, willen we ons denken weer tot leven brengen, dat wil zeggen: opnieuw verbinden met de wereld van de geest. 

Deze situatie herkennen we in het bijbelse scheppingsverhaal. Dat bestaat uit twee delen. In het eerste wordt de mens, Adam, geschapen als een geestelijk wezen. Hij verkeert onder andere geestelijke wezens en zijn denken bestaat uit dit ‘sociale’ geestelijke verkeer. In het tweede deel van het scheppingsverhaal krijgt Adam een stoffelijk lichaam waarmee hij op aarde kan leven (in het Aards Paradijs). Dat lichaam is ongeslachtelijk, het is mannelijk en vrouwelijk tegelijk. Hoewel hij geen toegang meer heeft tot de geestelijke wereld, is de lichamelijke Adam nog wel in staat die helder waar te nemen. Deze tweede Adam wordt vervolgens gesplitst in man en vrouw, zodat er nog een derde, mannelijke Adam ontstaat. Samen met Eva is deze derde Adam drager van het nieuwe, polaire bewustzijn van de mens dat de mogelijkheid tot vrijheid – en dus ook tot dwaling – in zich draagt. Het is dit gespleten bewustzijn dat meegesleurd wordt in de zondeval, die uiteindelijk leidt tot de situatie waarin we ons vandaag bevinden.

In onze tijd vindt een herhaling van deze zondeval plaats. Werd de mens in de Lemurische tijd (als vrouw) verleid door Lucifer dan wordt hij vandaag (als man) misleid door Ahriman. In de 19de eeuw viel hij ten prooi aan het materialisme en in de 20ste eeuw brak de wereldoorlog uit en werd hij ‘verdreven uit het paradijs’. Nergens werd deze zondeval annex verdrijving duidelijker zichtbaar dan in de kunst. Oorlogen en geweld waren er altijd geweest, maar wat er in de kunst gebeurde, was ongezien in de geschiedenis. De hedendaagse kunst toonde aan dat er een (vergeleken bij de nieuwe wereld) paradijselijk tijdperk afgesloten was en dat de mensheid een diepe val maakte. In de 21ste eeuw dook dan het verbod op het denken op en de hele bizarre genderkwestie. Deze recente ontwikkelingen geven aan dat de herhaling van de zondeval er tevens een omkering van is: anders dan de eerste keer verleidt Lucifer de mens niet tot zelfstandig denken, maar verbiedt Ahriman dat denken.

Ook de genderkwestie wijst in dezelfde richting: men probeert de scheiding der geslachten ongedaan te maken en terug te keren tot de ongeslachtelijke, paradijselijke Adam. Dit verlangen manifesteert zich trouwens op alle gebieden: men wil van de wereld weer een paradijs maken waar iedereen gelijk is, waar er geen mannelijke en vrouwelijke tegenpolen bestaan die tot hoogoplopende spanningen leiden. Polariseren is uit den boze, alle heil wordt van verbinding verwacht. Maar juist deze reactionaire verbindingsbeweging veroorzaakt het grootste onheil. Na de eerste zondeval stond aan de poort van het paradijs de engel met het vlammende zwaard om de mens te beletten rechtsomkeer te maken. Het beeld spreekt voor zich: de mens moet vooruit. En vooruit is in de richting van de Steigerung, van de steeds intenser wordende spanning tussen de tegenpolen. Achteruit is in de richting van de ontspanning, van de vermenging van de tegenpolen, van het giftige groen van de draak.

Deze intensivering van de polariteit moet uiteraard gezocht worden op het gebied van het denken, en niet op fysiek gebied. We leven in het bewustzijnszieletijdperk en dat betekent (onder meer) dat conflicten in het bewustzijn moeten worden uitgevochten en niet op fysiek vlak. Maar we zien vandaag juist het tegenovergestelde: bewustzijnsconflicten worden vermeden, het is verboden om ideeën te laten botsen want dat kwetst mensen. Denken in polariteiten wordt verketterd, onderscheid maken – tussen man en vrouw, tussen blank en zwart, tussen hoog en laag – wordt afgestraft. Er moet genuanceerd worden, gerelativeerd, alle aandacht gaat uit naar diversiteit. Maar juist dat nuanceren, relativeren en streven naar diversiteit leidt tot alsmaar meer conflicten tussen mensen. De dualiteit die men op denkgebied te allen prijze wil vermijden, verschijnt op sociaal en fysiek gebied: overal komen groepen van mensen onverzoenlijk tegenover elkaar te staan. De eenmaking op ideëel vlak, werkt versplinterend in de realiteit.

Op zich is er niks verkeerd met het verlangen naar paradijselijke eenheid, met het streven naar verbinding en vergeestelijking. Integendeel, dat is wat moet gebeuren. De mens moet zich weer verbinden met de geest, hij moet (zoals Rudolf Steiner zegt) ‘vervrouwelijken’. Maar wat-moet-gebeuren wordt wat-niet-zou-mogen-gebeuren wanneer het zich afspeelt op het verkeerde gebied, namelijk op onbewust, gevoelsmatig, vrouwelijk gebied. Het verbinden, vergeestelijken en vervrouwelijken dient zich af te spelen op bewust, scherp onderscheidend mannelijk gebied. Het moet in vrijheid gebeuren, en niet instinctmatig, gedreven door troebele, zelfzuchtige gevoelens. Het mannelijke, rationele denken moet zich vrijwillig en ongedwongen – dat wil zeggen uit liefde – tot het vrouwelijke, gevoelsmatige denken wenden en daar een relatie mee aangaan. Het is tussen die twee dat de polariteit opgedreven moet worden tot een Steigerung. Zonder Eva kan Adam niet de noodzakelijke (her)verbinding met de geest maken. 

Zonder Adam kan Eva dat evenmin, want zij kan zich dan alleen verbinden met de oude moedergeest. Maar dat is nu juist de paradijselijke geest waartoe de mens geen toegang meer heeft. Elke poging om daarnaar terug te keren, stuit op de engel met het vlammende zwaard. We vinden dit ook uitgedrukt in de woorden van Christus: niemand komt tot de Vader dan door mij. Christus is de geest waarmee de moderne mens zich via de Steigerung van zijn mannelijk en vrouwelijk denkvermogen moet verbinden. Deze (ongeslachtelijke) Christusgeest incarneerde als man en noemde de oude moedergod ‘Vader’ omdat de herverbinding met de geest zich op bewust, mannelijk gebied diende af te spelen. Een terugkeer naar de moederschoot was uitgesloten, het zou de hele schepping zinloos hebben gemaakt. De (christelijke) weg die Rudolf Steiner wijst, is de weg vooruit, en dat is een mannelijke, rationele weg. Zijn antroposofie is dan ook een wetenschap, een geesteswetenschap.

Maar de (aristotelische) wetenschapper die Rudolf Steiner was, wendde zich tot de kunst (van Goethe) en drong daar kennend in door. Hij haalde er de essentie uit tevoorschijn en baseerde daarop zijn antroposofie. Men kan dus zeggen dat de geesteswetenschap geboren werd uit de (vrouwelijke) kunst nadat ze ‘bevrucht’ werd met het heldere (mannelijke) denken van Rudolf Steiner. Dat komt op hetzelfde neer als zeggen dat de antroposofie een Steigerung is van het geïntensiveerde mannelijke en vrouwelijke denken. In Goethe werd het vrouwelijke, kunstzinnige denken zo intens dat het uitgroeide tot een wetenschap, in Rudolf Steiner werd het mannelijke, wetenschappelijke denken zo intens dat het tot een kunst werd. Kunst en wetenschap groeiden naar elkaar toe en uit de hoogoplopende spanning tussen beide werd dan de antroposofie geboren, de kunstzinnige wetenschap of wetenschappelijke kunst die (in de zin van Goethe) ook een religie was, een herverbinding met de geest. 

Het oerbeeld van deze Steigerung vinden we opnieuw in het bijbelse scheppingsverhaal, maar dan wel dat van het Nieuwe Testament, waar de schepping van de nieuwe mens beschreven wordt. Die werd verwekt tijdens de doop in de Jordaan, toen de Christusgeest zich verbond met de mens Jezus. Aan deze Steigerung was een intensivering van de tegenpolen voorafgegaan die geheim is gebleven tot Rudolf Steiner ze onthulde. Het geheim van de twee Jezuskinderen wordt in de bijbel weliswaar op kunstzinnige wijze voorgesteld (door de twee geboorteverhalen) en later ook door de beeldende kunst, maar het is nooit doorgedrongen tot het heldere bewustzijn. Dat mag wel vreemd heten, want wie dit geheim eenmaal kent, vraagt zich af hoe het zolang verborgen kon blijven. Tenslotte is het Nieuwe Testament de meest bestudeerde tekst aller tijden. Het is alsof er (geestelijke) krachten waren die deze geheimhouding handhaafden tot ze in onze tijd Rudolf Steiner de toestemming gaven de zaak in de openbaarheid te brengen.

Deze geschiedenis herhaalt zich nu binnen de antroposofische beweging. Honderd jaar nadat Rudolf Steiner het geheim van de oude en de jonge zielen onthulde – en geheel in de geest van de Weihnachtstagung het oerbeeld van de twee Jezuskinderen tot een persoonlijke hartsaangelegenheid maakte – zijn er opnieuw geestelijke krachten die beletten dat het zielenthema doordringt tot het antroposofische bewustzijn. Deze krachten gaan echter lijnrecht in tegen Rudolf Steiner, die vond dat iedere antroposoof over dit onderwerp diende na te denken. Het zijn reactionaire krachten geworden, dezelfde die vandaag ook een verbod op het denken hebben ingesteld en iedereen tot ‘verbinding’ dwingen. Deze krachten willen niet dat er onderscheid gemaakt wordt tussen de twee zielengroepen waaruit de antroposofische beweging bestaat, met als gevolg dat dit onderscheid – dat geen toegang krijgt tot het bewustzijn – een weg zoekt via het onderbewustzijn en een splijtzwam wordt die de antroposofische wereld verdeelt en verlamt.

Vóór de Weihnachtstagung waren deze krachten nog op hun plaats, maar erna werden ze in toenemende mate reactionair en kwaadaardig. Rudolf Steiner waarschuwde er na de Kerstbijeenkomst dan ook voor dat er niet mocht teruggevallen worden in oude denkgewoonten (waarbij het mannelijke rationele denken en het vrouwelijke gevoelsmatige denken gescheiden bleven). Het zielenthema blijft dode letter wanneer het enkel met het hoofd wordt benaderd, en het wordt tot hokjesdenken wanneer het louter gevoelsmatig wordt benaderd. In beide gevallen verzinkt het in de banaliteit. Pas wanneer beide denkwijzen met elkaar verbonden worden, intensiveren ze elkaar zodanig dat het tot een Steigerung kan komen en dat het polaire denken bevrucht kan worden door de geest. De krachten die dit willen beletten, zowel binnen als buiten de antroposofische vereniging, zijn ongemeen sterk. Maar juist hun grote verbetenheid en agressiviteit bewijst hoe buitengewoon belangrijk de Steigerung van ons denken is.

Advertenties