Het objectieve gevoel (1)

door lievendebrouwere

  

 

Naar aanleiding van mijn beschouwingen over Basic Instinct vraagt een lezer me hoe je dat doet: je zodanig inleven in een kunstwerk dat je het op een objectieve manier leert kennen. Hoe leer je met andere woorden je gevoel objectiveren zodat het tot een zintuig voor kunst wordt? Aan die vraag gaat natuurlijk een andere vraag vooraf: is zoiets wel mogelijk? Kunnen gevoelens objectief zijn? Kun je ze met andere woorden gebruiken om kunst wetenschappelijk te benaderen en objectieve kennis te verwerven, niet alleen over de materiële dimensie van het kunstwerk – het gebruikte materiaal, de gebruikte techniek, het afgebeelde onderwerp – maar ook over zijn geestelijke dimensie, over datgene wat het tot kunst maakt en alleen gevoelsmatig waargenomen kan worden? Dat is een vraag die niet alleen kunstliefhebbers aanbelangt, want de hele geestelijke wereld waarover de antroposofie spreekt, onttrekt zich, net als de kunst, aan het verstand. Hij maakt zich alleen kenbaar aan het gevoel. 

Toch beweert Rudolf Steiner dat de wereld van de geest wetenschappelijk onderzocht kan worden. De moderne kunstwetenschap lijkt hem daar gelijk in te geven, want zij beperkt zich geenszins tot de materiële aspecten van de kunst. Zij wijdt aan de kunst diepgaande beschouwingen die haar een aureool van spiritualiteit geven dat haar ver doet uitstijgen boven techniek en vakmanschap. Verschilt de kunstwetenschap dan van de overige wetenschappen en erkent zij als enige de wereld van de geest? Heeft zij een methode ontwikkeld die gevoelens objectiveert en wetenschappelijke kennis oplevert over de geestelijke dimensie van de kunst? En is dat wellicht dezelfde methode die Rudolf Steiner ontwikkeld heeft? De vraag stellen is ze beantwoorden. De kunstwetenschap is net zo materialistisch als de andere wetenschappen. Ze gebruikt dezelfde methoden en is dus alleen geschikt om de materiële dimensie van de kunst te bestuderen. Gaat zij daar bovenuit, dan verliest ze haar objectieve karakter en wordt een schijnwetenschap.  

Het probleem van de kunstwetenschap werd ooit treffend verwoord door kunsthistoricus Kenneth Clark, de bedenker en presentator van de onvolprezen televisie-reeks Civilisation. In een interview verklaarde hij: ik weet niet wat beschaving is, maar ik herken haar wanneer ik ze zie. Met beschaving bedoelde hij in de eerste plaats kunst, en alles wat hij daarover zei, berustte naar zijn eigen woorden op een herkennen, dat wil zeggen op een waarneming die louter persoonlijk is en zich onttrekt aan het objectiverende verstand. Hij gaf dus min of meer toe dat de hele kunstwetenschap een onwetenschappelijke grondslag had. Dat kon hij zich permitteren omdat hij een beroemd man was, iemand die voor zijn verdiensten zelfs in de adelstand was verheven. Maar ik zie het een gewone kunstwetenschapper nog niet zo gauw doen: toegeven dat zijn inspanningen om tot objectieve, wetenschappelijke kennis te komen, berusten op een herkenning, dat wil zeggen op een subjectieve, gevoelsmatige waarneming. 

The inconvenient truth is inderdaad dat de hele kunstwetenschap steunt op iets dat volkomen onwetenschappelijk is. Want hoe herken je kunst? Hoe onderscheid je ze van wat geen kunst is? Hoe leer je dat? Daarover zwijgt de kunstwetenschap in alle talen. Gelukkig zegt de geestewetenschap daar wel iets over. Rudolf Steiner noemde het herkennen (van mensen) een helderziende ervaring: we nemen iemands geestelijke wezen – zijn Ik – rechtstreeks waar, we leiden het niet af uit zijn fysieke verschijning. We hebben die verschijning natuurlijk nodig om hem überhaupt te kunnen herkennen, want een lichaamsloze geest kunnen we niet zien. Maar ofschoon we de geest herkennen dankzij het lichaam, kan hij niet herleid worden tot dat lichaam. Alle wetenschappelijk onderzoek van het fysieke lichaam zal daar geen geest in aantreffen. En toch herkennen we mensen in één oogopslag. De mysterieuze relatie tussen lichaam en geest is voor ons een vanzelfsprekende zaak.

Met kunst is het niet anders. We herkennen haar wanneer we ze zien, ook al weten we niet hoe we dat doen of wat het juist is dat we zien. Maar het moet iets zijn dat ons heel erg vertrouwd is, want het vervult ons met vreugde en liefde. Tenminste, zo was het vroeger, toen de mens nog niet zo materialistisch was als vandaag en kunst nog in een oogopslag herkende. De eerbied en bewondering waarmee ze hem vervulde was een welhaast religieuze ervaring die hij deelde met andere mensen, want iedereen herkende dezelfde kunstzinnige geest in de vele kunstwerken – of lichamen – waarin hij zich manifesteerde. Vandaag is die vanzelfsprekende, gemeenschappelijke herkenning verdwenen, zelfs in die mate dat men niet meer gelooft in het bestaan van het geestelijke wezen ‘kunst’. In de materialistische opvatting is kunst niets anders dan een verzameling materiële voorwerpen waaraan door de mens het predikaat ‘kunst’ wordt toegekend. Kunst is hier dus geen geestelijke realiteit die herkend wordt, maar een naam, een etiket dat ergens wordt op geplakt.

Die naamgeving gebeurt in onderling overleg: men spreekt af iets kunst te noemen. Omdat de mens zich ontwikkelt, veranderen de artistieke afspraken voortdurend. Omstreeks 1900 trad er een zelfs een grote verandering op: het terrein van de kunst werd drastisch uitgebreid. Beperkte het zich voordien tot tekeningen, schilderijen en beeldhouwwerken, dan werden nu ook pispotten, kartonnen dozen en kakmachines als kunst beschouwd. Letterlijk alles kon als kunst bestempeld worden: men begon de hele wereld als een kunstwerk te zien. Maar anders dan vroeger was dit zien geen individuele, persoonlijke herkenning meer, het was een consensus geworden, een overeenkomst. Men werd het erover eens om het kunstbegrip te ‘verruimen’ en de kunst te bevrijden uit haar klassieke cocon. Voortaan kon iedereen in navolging van Marcel Duchamp verklaren: dit is kunst omdat ik het zeg. Jeder Mensch ein Kunstler. De kunst werd gedemocratiseerd, ze werd toegankelijk voor iedereen.

Daar kon natuurlijk niemand tegen zijn. Kunst was al te lang het voorrecht geweest van een kleine elite van geestelijk en/of materieel gepriviligieerde mensen. Wat men niet besefte, was dat de kunst zoals ze altijd bestaan had – dat wil zeggen als een geestelijk wezen dat ‘geïncarneerd’ was in een kunstwerk – gewoon werd afgeschaft. Het drong niet door tot het bewustzijn van de kunstliefhebber dat het oude, individuele herkennen van die geïncarneerde geest vervangen werd door het accepteren van een consensus waar hij part noch deel aan had. Want hoe kwam die overeenkomst tot stand? Wie bepaalde voortaan wat kunst was? Niet Jeder Mensch. Het kunstbegrip mocht dan wel verruimd zijn tot de hele wereld, men maakte nog altijd scherp onderscheid tussen wat kunst was en wat niet, anders kon men het begrip ‘kunst’ net zo goed afschaffen. Het was echter niet Jan met de Pet die de grens trok. Het stond hem weliswaar vrij om gelijk wat kunst te noemen, maar daarom werd hij nog niet geloofd.

Het is een beetje als met Greta Thunberg. Tienduizenden jongeren maken zich zorgen over het klimaat en zijn bereid daarvoor te spijbelen en actie te voeren, maar slechts eentje mag voor de VN gaan spreken en wordt ontvangen door de groten der aarde. Hoe wordt die selectie gemaakt? Wie bepaalt naar wie geluisterd wordt en naar wie niet? Als we ons daarin gaan verdiepen, komen we terecht in een duistere, troebele wereld waar zaken gebeuren waar we niks van afweten, waar mensen die we niet kennen aan de touwtjes trekken. In de kunstwereld is het niet anders. Niemand weet hoe de consensus tot stand komt die vandaag bepaalt wat kunst is en wat niet. Dat gebeurt in kringen die achter de schermen opereren. Zij hebben het begrip ‘kunst’ als een registered trademark in hun bezit en zien er streng op toe dat niemand anders het gebruikt. Het zijn deze onzichtbare elites die de persoonlijke, subjectieve herkenning van kunst vervangen hebben door een blind geloof in hun gezag. 

Dat gezag steunt op de overtuiging dat het niet mogelijk is gevoelens te objectiveren en kunst wetenschappelijk te benaderen. Kunst, zo gelooft men stellig, is een kwestie van smaak, en omdat er zoveel smaken zijn als mensen, en omdat al die mensen gelijkwaardig zijn, heeft het begrip ‘kunst’ geen enkele objectieve inhoud meer. Wil men het desondanks handhaven dan moet het die objectieve betekenis op een andere manier krijgen: door consensus. Het klinkt logisch, maar in de praktijk heeft het wel tot gevolg dat de kunstliefhebber de grootste rotzooi als kunst voorgeschoteld krijgt. De consensus-bepalende krachten – die zich voordoen als progressief, emanciperend en democratisch – dwingen de kunstliefhebber (bijna) letterlijk om stront te vreten. En hij doet het nog ook. Hij slikt braaf en volgzaam de meest weerzinwekkende dingen. Hij heeft immers – meent hij – geen keuze: het is ofwel de consensus ofwel de afschaffing van de kunst. En dat laatste kan hij om de een of andere reden niet accepteren.

Hij zou kunnen zeggen: ach, wat kan die kunst mij schelen, wat maakt het mij uit of ze bestaat of niet! De artistieke consensus zou in zijn ogen dan een kinderachtig spelletje zijn: we spreken onder elkaar af dat we iets kunst gaan noemen! Het zou een soort afgoderij zijn: mensen creëren een god die ze kunnen vereren. Aangezien de moderne mens niet meer gelooft in goden en afgoden, en niet meer de behoefte voelt om op de knieën te gaan liggen voor iets wat hij zelf uitgevonden heeft, zou hij logischerwijze volkomen onverschillig moeten staan tegenover dat hele hedendaagse kunstcircus, die kerkelijke organisatie van een verzonnen godsdienst. Maar dat is nu juist niet het geval, wel integendeel. Hij identificeert zich zodanig met deze kunstkerk dat hij iedereen als een ketter beschouwt en behandelt die haar materialistische credo niet deelt. Het volstaat dat iemand beweert dat objectieve gevoelens bestaan – en dat hij dus zelf wel kan uitmaken wat kunst is – of hij reageert als door een wesp gestoken.

De paradox is dat de moderne mens rotsvast gelooft in de consensus die het objectieve bestaan van kunst ontkent omdat hij … rotsvast gelooft in het objectieve bestaan van kunst. Waarom zou hij anders zo verontwaardigd zijn als iemand de hedendaagse consensus in twijfel trekt? Waarom anders voelt hij zich op zijn ziel getrapt als iemand beweert dat de geest van de kunst bestaat en dat je hem kunt herkennen? Dit emotionele, tegenstrijdige gedrag treft men niet alleen aan bij fervente kunstliefhebbers, maar ook bij mensen die geen bijzondere belangstelling tonen voor kunst. Het is alsof de moderne mens diep in zijn ziel kunst zo belangrijk vindt dat hij bereid is alle vernederingen te ondergaan die de consensus hem oplegt om maar niet onder ogen te moeten zien dat kunst niks te betekenen heeft, dat ze niet meer is dan een afgodsbeeld. Alles is hem liever dan de logische consequentie van het materialisme te moeten trekken en de kunst gewoon af te schaffen. 

De moderne mens wordt dus gegijzeld door twee tegengestelde overtuigingen: het (materialistische) geloof dat de kunst niet bestaat en het (onbewuste, instinctieve) geloof dat ze wel bestaat. Beide geloofsovertuigingen zijn even sterk en hij kan niet kiezen. Hij kan de materialistische opvatting dat kunst slechts een naam is die we aan dingen toekennen niet accepteren omdat hij dan moreel gedwongen is de hele kunstwereld af te doen als een religieus spookbeeld, een volkomen achterhaald verschijnsel. Om de een of andere reden is hij daar niet toe in staat. Maar hij kan evenmin accepteren dat kunst een geestelijke realiteit is die we in ieder kunstwerk kunnen herkennen, want hoe zit het dan met zijn vrijheid, met zijn persoonlijke appreciatie van kunst, met zijn gevoelens? Die wil hij evenmin opgeven. Hij wil niet gedwongen worden die geestelijke realiteit te bewonderen en te vereren. En dus zit hij klem en ziet hij geen andere uitweg dan zich te onderwerpen aan het gezag van de artistieke consensus.

De moderne mens kan niet meer leven met de gedachte dat er een God bestaat die hij moet gehoorzamen. Maar hij kan evenmin de gedachte verdragen dat er geen God bestaat en dat het hele bestaan geen zin of betekenis heeft. Daarom heeft hij, zonder het te beseffen, de oude religieuze God vervangen door een de nieuwe seculiere God van de kunst. Maar die confronteert hem met hetzelfde probleem en dat maakt hem gek. Het brengt er hem toe om in plaats van kunst nu … stront te loven en te prijzen, en niet enkel in figuurlijke zin. Het is bepaald geen eenmalig feit dat ‘kunstenaars’ hun uitwerpselen tentoonstellen en daarvoor bewonderd worden door ‘kunstliefhebbers’. Als een klein kind dat doet, wordt het door zijn ouders met zachte maar ferme hand van de anale fase naar de volwassen fase geleid. Maar in de kunst gebeurt precies het omgekeerde: de volwassen, beschaafde, zelfstandig denkende mens wordt teruggevoerd naar de anale fase. En hij beseft het niet. Integendeel, hij waant zich superieurder dan ooit. 

Het ergst van al is dat deze krankzinnigheid zich nu ook buiten de kunstwereld verspreidt. Steeds meer mensen onderwerpen zich aan de politiek-correcte consensus, wanen zich moreel superieur aan degenen die dat niet doen en voelen zich gerechtigd hen te dwingen zich eveneens te onderwerpen. Een veelzeggend voorbeeld was de recente toespraak van Greta Thunberg voor de VN. We zagen daar een kind dat zich gedroeg als een volwassene maar als een marionet bespeeld werd door krachten die achter de schermen werken. Als we willen kunnen we die krachten ontmaskeren, maar dat is gevaarlijk werk. Dit keer konden we ze echter ook zien op dat van woede verwrongen gezicht van het meisje-met-de-vlecht: het waren krachten die ook in haar ziel leven, krachten waarvan ze letterlijk bezeten is. En dat is het lot dat de hele mensheid te wachten staat als zij er niet in slaagt deze duistere krachten – de uiterlijke zowel als de innerlijke – te ontmaskeren: bezeten te worden door Ahriman en het niet te beseffen.