Een oog voor kunst (2)

door lievendebrouwere

  
Is het mogelijk gevoelens te objectiveren zodat ze een zintuig worden waarmee kunst objectief benaderd kan worden? Het lijkt niet meteen een vraag van wereldbelang, eerder iets voor kunstwetenschappers en andere specialisten. Maar dat wordt tegengesproken door de emoties die steevast oplaaien wanneer de vraag bevestigend wordt beantwoord. Blijkbaar vinden we de zaak belangrijk genoeg om heftig te protesteren tegen het bestaan van een ‘oog voor kunst’. Maar we weten niet waarom we dat doen. Als we erover nadachten, zouden we inzien dat ons protest volkomen irrationeel is. Maar dat doen we niet. We staan er niet bij stil dat ‘kunst’ de overtreffende trap is van ‘kunnen’ en bijgevolg een oordeel impliceert, een onderscheid tussen goed, beter en best. Op dat onderscheid is de hele kunstgeschiedenis gebaseerd, want van alle kunstenaars die ooit bestaan hebben en van alle kunstwerken die ooit gemaakt zijn, is slechts een heel klein percentage opgenomen in de canon van de kunst.

Wie kiest die kunstenaars uit? Wie bepaalt welke kunstwerken we te zien krijgen? Hoe gebeurt die selectie? Welke normen worden gehanteerd? Die vragen worden nooit gesteld omdat we ervan uitgaan dat er geselecteerd wordt door mensen die een oog hebben voor kunst. En toch steigeren we als iemand beweert dat zo’n oog bestaat, dat er objectief geoordeeld kan worden over kunst. Maar we zouden ook steigeren als we ons realiseerden wat het alternatief is. Want als de kunsthistorische selectie niet gebaseerd is op een (objectief) oog voor kunst, maar op een (subjectieve) consensus, op een afspraak tussen mensen die we niet eens kennen en waar we niks van afweten, dan is de onvermijdelijke conclusie dat volslagen onbekenden al eeuwenlang onze gevoelens, onze gedachten en onze wil in de door hen gewenste richting sturen. Voor een modern mens is dat een ondraaglijke gedachte en dat maakt zijn emotionele verzet tegen het bestaan van objectieve gevoelens des te onbegrijpelijker.

Het is één van de twee: ofwel geloven we dat we een oog voor kunst kunnen ontwikkelen, ofwel geloven we in de grootste samenzweringstheorie aller tijden. Ofwel bepalen we zelf wat kunst is, ofwel laten we dat bepalen door een onbekende puppetmaster die ons als een marionet bespeelt. Verbazingwekkend genoeg kiezen we steeds meer voor dat laatste: we verkiezen slavernij boven vrijheid. Is een pispot kunst? Wel, iedereen zegt het, dus zal het wel zo zijn zeker? Deze keuze doet een vicieuze cirkel ontstaan. Hoe meer we geloven in de consensus des te minder spannen we ons in om een oog voor kunst te ontwikkelen. Omdat er steeds minder mensen zijn die dit oog bezitten, worden we steeds minder geconfronteerd met de keuze waarvoor we staan. We kiezen steeds onbewuster, en omdat een onbewuste keuze altijd een keuze voor de gemakkelijkste oplossing is, kiezen we steeds meer voor de slaafse overgave aan de puppetmaster, voor het blinde geloof in de consensus.

Als we ervoor kozen een oog voor kunst te ontwikkelen – en dat kan alleen maar een bewuste, vrije keuze zijn – dan zouden we van niemand afhankelijk meer zijn, dan zouden we zelf kunnen bepalen wat kunst is en wat niet. We zouden dan vaststellen dat anderen – die dat ‘oog’ ook ontwikkelen – precies hetzelfde zien als wij. We zouden begrijpen dat de hele artistieke canon berust op deze anschauende Urteilskraft, dat dit onderscheidingsvermogen eigenlijk ten grondslag ligt aan de hele Europese beschaving. We zouden ons realiseren dat aan dit vermogen een eind kwam toen het oude oog voor kunst gesloten werd en vervangen door de consensusgedachte van hedendaagse kunst. We zouden beseffen dat dit het begin was van een nieuw tijdperk en dat een onzichtbare puppetmaster voortaan de touwtjes in handen had. We zouden ten slotte inzien dat we op een volkomen irrationele manier verknocht zijn aan een kwaadaardige geest die zowel in de kunst als daarbuiten de hel heeft doen losbarsten en de mens tot zijn slaaf heeft gemaakt.

Maar tot dat inzicht komen we niet, want de keuze waarvoor we staan dringt niet tot ons bewustzijn door. We doen geen moeite om bewust te kiezen en een oog voor kunst te ontwikkelen. Integendeel, we verzetten ons hevig tegen de gedachte dat gevoelens geobjectiveerd kunnen worden. We willen er niet eens over nadenken. En dus kiezen we er onbewust voor om slaaf te worden van een onzichtbare puppetmaster aan wie we ons met hart en ziel overgeven. Anders gezegd, we verkopen onze ziel aan de duivel en we beseffen het niet. We doen dat trouwens niet alleen in de kunst. De kwaadaardige geest die in 1917 de artistieke touwtjes in handen nam toen Marcel Duchamp zijn pispot tentoonstelde, deed dat ook in de politiek. 1917 was het onheilsjaar waarin Amerika en Rusland deelnamen aan de wereldoorlog en het lot van Europa bezegelden. Het Avondland werd in twee gescheurd, net als de menselijke ziel. Het midden verdween en de uitersten gingen elkaar te lijf. 

Het is deze mens-zonder-midden die zich in de armen van de duivel werpt in de overtuiging dat hij zichzelf en de wereld redt. Dit tragische schouwspel wordt steeds zichtbaarder en toont aan dat de vraag of gevoelens geobjectiveerd kunnen worden wel degelijk een zaak van wereldbelang is. Het verklaart ook de heftige emoties die oplaaien wanneer deze vraag op tafel komt, want diep van binnen weet de mens dat zijn ziel in gevaar is en dat hij ze alleen kan redden door zijn gevoelens te objectiveren. Dit objectiveren van de astrale wereld, dit openen van het innerlijke oog, is niets anders dan het ontwikkelen van het ‘etherische hart’ waar de antroposofie over spreekt. Dit hart is het nieuwe midden, het nieuwe zintuig waarmee de mens de geestelijke dimensie van de wereld kan waarnemen. Zijn hele toekomst hangt af van dit nieuwe hart, want als hij de geestelijke dimensie niet leert waarnemen, zal hij algauw geen onderscheid meer kunnen maken tussen goed en kwaad. Hij zal de puppetmaster als de redder van de wereld zien. 

De moderne mens moet kiezen tussen het objectiveren van zijn gevoelens en het zwelgen in die gevoelens, tussen vrijheid en slavernij, tussen zijn eigen hart en de puppetmaster, tussen de weg omhoog en de weg omlaag. Een middenweg is er niet, want één van beide wegen is de middenweg. De keuze is dus helemaal niet moeilijk, integendeel. Wie wil er nu zijn ziel aan de duivel verkopen! Wie wil als een marionet bespeeld worden door een kwaadaardige geest! Nee, het kiezen zelf is niet het probleem. Het probleem is de bewustwording van de keuze. Om te kunnen kiezen moet de mens eerst de twee keuzemogelijkheden zien, hij moet er zich bewust van worden dat hij voor een tweesprong staat. Doet hij dat niet en is hij ervan overtuigd dat er maar één weg is, dan zal hij gewoon rechtdoor gaan en de weg blijven bewandelen die de puppetmaster hem al zolang aanwijst. Hij zal dat zelfs met des te meer overgave doen naarmate de dreiging in zijn ziel voelbaarder wordt. 

We zien dat vandaag voor onze ogen gebeuren. Miljoenen klimaatjongeren over de hele wereld lopen hun ongeluk tegemoet. Ze doen dat in de overtuiging dat ze de wereld redden, maar in werkelijkheid worden ze door de puppetmaster bespeeld. Het komt niet in hen op dat er een alternatief is, dat er een geestelijke dimensie bestaat waar de werkelijke oorzaak van de klimaatveranderingen moet worden gezocht. En dus projecteren ze die geestelijke oorzaak in de materie en verklaren de oorlog aan iedereen die CO2 produceert. De puppetmaster gebruikt deze kinderen – de eerste generatie die nooit iets over de geest vernomen heeft – om wereldwijd chaos te creëren en de oorlog van allen tegen allen te veroorzaken. Die oorlog nadert zienderogen want de puppetmaster trekt steeds driftiger aan de touwtjes en laat zijn marionetten steeds harder tegen elkaar aan botsen. Dat maakt het tot een morele plicht om te werken aan datgene wat hij met alle geweld wil verhinderen: de ontwikkeling van een oog voor de etherisch-geestelijke dimensie van de wereld.

Ons oude, gevoelsmatige waarnemen van de geest is zo zwak geworden dat het zich zonder hulp van het denken niet meer kan herstellen. Alle hoop is op dat denken gevestigd. Maar juist het denken staat vandaag onder enorme druk. De gemoederen zijn zo verhit geraakt dat een redelijk gesprek nagenoeg onmogelijk is geworden. Die verhitte emoties dringen steeds harder aan op het inperken van de vrije meningsuiting. Wie verboden meningen uitspreekt, riskeert woede, verontwaardiging, karaktermoord, broodroof en zelfs gevangenisstraf. De puppetmaster kent geen genade. Het verbod op het denken dat Rudolf Steiner voorspelde is een feit geworden, want wie zijn gedachten niet meer vrij kan uitspreken, kan ze algauw ook niet meer denken. Opnieuw wordt een vicieuze cirkel zichtbaar: de emoties laaien zo hoog op dat redelijk denken onmogelijk wordt, maar zonder redelijk denken kunnen de emoties niet tot bedaren worden gebracht. Ze worden steeds wilder en keren zich steeds meer tegen het enige wat hen kan redden. 

Hoe ontsnappen we in godsnaam uit de vicieuze cirkel waarin de puppetmaster ons opgesloten heeft? Basic Instinct brengt deze cirkel, deze spiraal van geweld op geniale wijze in beeld. De film toont tevens aan dat er maar één uitweg is uit deze vicieuze cirkel en dat is een rationeel denken dat ‘uit zijn comfortzone treedt’ en doordringt in deze wild geworden emoties die de mens tot geweld drijven. Volgens Rudolf Steiner is de gedachte de vader van het gevoel, en dat betekent dat in de verhitte gevoelens gedachten schuilen. Het zijn die verborgen gedachten die de commotie veroorzaken, want zij willen ontdekt worden, zij willen door het denken tot bewustzijn worden gebracht. Waarom is de natuur zo ‘emotioneel’ geworden? Waarom gedraagt het eertijds zo rustige en betrouwbare klimaat zich als een grillige, onvoorspelbare vrouw? Waarom is het een femme fatale geworden? Omdat de geestelijke dimensie van de natuur begrepen wil worden, omdat zij schreeuwt om aandacht. 

Hetzelfde geldt voor het moderne feminisme. Of voor het holebi-activisme, of voor de hele genderkwestie, of voor de geslachtsveranderingen, of voor het virulente atheïsme, of voor de politieke correctheid, kortom voor dat hele irrationele, krankzinnige gedrag van de moderne mens. Het is één grote schreeuw om aandacht, een wanhopig verlangen (van de geestelijke of ideële dimensie van deze fenomenen) om gezien te worden, om begrepen te worden. Sinds de Big Bang streeft de hele kosmos naar bewustzijn. Daarom heeft ze de mens voortgebracht, daarom is ze beginnen denken in die mens, daarom heeft ze ruimte geschapen voor de denkende mens, daarom heeft ze eindeloos veel offers gebracht: om de mens mogelijk te maken zoals hij vandaag, op het keerpunt der tijden, is: een rationeel denkend wezen, dat beschikt over het kostbaarste goed in de hele wijde kosmos: het heldere denken, het denken dat zich heeft bevrijd van moeder natuur.

Voor dit kristalheldere denken heeft de natuur zichzelf teruggehouden opdat ze zichzelf ooit zou kunnen zien in deze spiegel. Zij wil zichzelf herkennen in de ogen van haar kind, het kind dat ze zo innig liefheeft dat ze er alles voor over heeft, de grootste offers, de zwaarste pijnen. Maar dat kind keert zich af van zijn moeder, het laat zich misleiden door de draak die – zoals het in de Openbaring staat – klaarstaat om het te verslinden zodra het geboren wordt. Dat is wat we vandaag meemaken: de draak verslindt de denkende mens, die terechtkomt in de draak en niet beter weet dan dat zij zijn moeder is, degene die hij nodig heeft om te kunnen overleven. Met die draak identificeert de denkende mens zich totaal en wordt daardoor zijn werktuig, een marionet in handen van deze puppetmaster. We herkennen die mens in de kinderen van de Islamitische Staat die gevangenen de keel oversnijden, trots dat ze hun moeder blij maken. Hoe kunnen die kinderen weten dat hun moeder de draak is!

Dat is de grote vraag: hoe kan de moderne mens – die rationeel denkende mens die zichzelf zo volwassen waant maar in feite nog heel kinderlijk is – hoe kan hij weten wie zijn geestelijke moeder is? Hoe kan hij de kwaadaardige geest waarmee hij zich zo volkomen identificeert, onderscheiden van zijn echte moeder? Daar kan maar één antwoord op bestaan: hij moet ze leren zien, hij moet een zintuig ontwikkelen voor de geestelijke dimensie waar ze zich allebei ophouden. Om het antroposofisch uit te drukken: hij moet een etherisch hart ontwikkelen dat in staat is de idee in de werkelijkheid waar te nemen. Rudolf Steiner noemt dat de ‘ware communie’ van de mens: de vereniging van de pasgeboren denkende mens met zijn moeder. Daar kijkt de moeder – de hele schepping – halsreikend naar uit en ze wordt steeds wanhopiger omdat ze ziet dat haar kind in handen is van de draak en door die draak tegen zijn eigen moeder wordt opgehitst.

Het wordt voor die moeder steeds moeilijker om dit te verdragen. Ze zou niets liever doen dan haar kind uit de klauwen van de puppetmaster rukken en het in haar armen sluiten. Maar dan zou het kind haar gaan beschouwen als een kwaadaardige draak die het met geweld heeft losgerukt uit zijn vertrouwde omgeving. Zij kan dus alleen maar machteloos toezien en hopen dat haar kind zelf tot inzicht komt, dat het zich uit vrije wil tot zijn geestelijke moeder wendt. Het enige wat ze kan doen, is gebaren maken in de hoop dat het kind ze begrijpt. Alle calamiteiten waarmee we vandaag geconfronteerd worden, zijn tekenen aan de wand. Ze richten zich tot het rationele denken van de mens, het denken dat de moeder aan haar kind heeft afgestaan. Mene, mene tekel, upharsin: gij zijt gewogen en te licht bevonden. Ons denken is inderdaad te licht, het heeft geen substantie, het is louter schijn. Het moet zich verbinden met zijn moeder en weer levend worden. Pas dan zal die moeder tot bedaren komen.