Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Maand: november, 2019

65 (2)

  

Welke betekenis heeft kunst? Wat is haar waarde voor de samenleving? Welke plaats bekleedt zij daarin? Het zijn vragen die ik me al m’n hele leven stel, vragen die voor mij een existentiële lading hebben en vandaag bijzonder acuut zijn geworden. Op mijn 65ste moet ik nog op zoek naar een huis en dat is een rechtstreeks gevolg van de centrale plaats die de kunst in mijn leven heeft ingenomen. Ofschoon dat leven van me absoluut niet representatief is – wel integendeel – stel ik met verbazing vast dat de uiterst persoonlijke vragen die zich momenteel aan me opdringen, ook op het openbare toneel zijn verschenen. De besparingsmaatregelen van de regering hebben in Vlaanderen een ware brainstorm doen opsteken over de rol en de functie van kunst in de samenleving. Zowel in de reguliere als de sociale media wordt er heftig over gediscussieerd. Ik had nooit kunnen denken dat wat ik onlangs schreef over het oplaaien van emoties als kunst ter sprake komt, zo vlug geïllustreerd zou worden.

In wezen gaat het natuurlijk om de vraag: wat is kunst? Toen Peter De Roover onlangs op televisie verklaarde dat kunst ook met schoonheid te maken heeft en dat kunstenaars daar vroeger toch meer oog voor hadden, reageerde de linkse Katia Segers verontwaardigd: dit is oprecht akelig! Ze vertolkte daarmee de moderne mainstream-opvatting dat kunst niks met schoonheid te maken heeft en dat wie het tegendeel beweert sympathiseert met Hitler, want die vond eveneens dat kunst schoonheid moest brengen. Peter De Roover kreeg dan ook bakken kritiek over zich heen. Hij werd zowat aan de galg geschreeuwd, enkel en alleen omdat hij het gewaagd had kunst ook met schoonheid te associëren. De hele heisa ging dus niet over de vraag of kunst een belangrijke rol speelt in de samenleving – daarover is iedereen het wel eens, zonder kunst zou het leven ondraaglijk zijn – de echte vraag was: welk soort kunst achten we belangrijk (en willen we subsidiëren), de schone kunst of de lelijke?

Het antwoord van de culturele wereld was klaar en duidelijk: er werd unaniem gekozen voor de lelijke, hedendaagse kunst. Peter De Roover stond helemaal alleen met zijn mening. Niemand waagde het de schoonheid openlijk te steunen, zelfs zijn partijgenoten niet. Geen wonder, want sinds Hitler de term Entartete Kunst gebruikte, is iedere kritiek op de hedendaagse kunst taboe. Ook al spelen zich in die kunst taferelen af die niet anders dan ontaard genoemd kunnen worden, niemand durft er een opmerking over te maken uit schrik als neo-nazi bestempeld te worden. Zelf ga ik nog verder dan Peter De Roover: ik vind dat kunst enkel met schoonheid te maken heeft. De storm van verontwaardiging die hij deed losbreken en die hem tot het doelwit van de hele cultuursector maakte, riep een oude angst in me wakker: als de wereld wist wat ik denk, wat ik voel en wat ik wil – kortom wat ik ben – dan zou me hetzelfde lot beschoren zijn als Jozef K. in Het Proces van Kafka. 

Wie kunst associeert met lelijkheid, zoals dat in de hedendaagse kunst gebeurt, hoeft zich geen zorgen te maken: hij kan rekenen op subsidies, op lof en bewondering, op de steun van de powers to be. Een heel leger van intellectuelen, kunstenaars en kunstliefhebbers staat klaar om hem te verdedigen, we zien ze vandaag in actie. Wie kunst daarentegen met schoonheid associeert, staat moederziel alleen. Niemand durft het voor hem opnemen, want iedereen is bang om zoals Jozef K. in beschuldiging te worden gesteld en na een sluipend proces geruisloos geliquideerd te worden – in figuurlijke zin weliswaar maar daarom niet minder afschrikwekkend. Het is een vreemde gewaarwording om Kafka’s Proces te herlezen, want hij beschrijft in beelden precies wat er vandaag gaande is. Toen hij 100 jaar geleden zijn vrienden voorlas uit het manuscript rolden ze over de grond van het lachen. Wat een fantast was die Franz toch! Vandaag blijkt Franz een visionaire realist te zijn geweest wiens nachtmerrie werkelijkheid is geworden. 

Hoe wist Kafka wat er 100 jaar later zou gebeuren? Hoe kon hij in 1914 onze huidige tijd zo treffend beschrijven? Het antwoord vinden we bij Rudolf Steiner: volgens hem is alles wat op aarde gebeurt voordien reeds in de geestelijke wereld gebeurd. Daar, in de geest, wordt de werkelijkheid geschapen die pas lang daarna zichtbaar wordt op aarde. Wie, zoals Kafka, in staat is die geestelijke wereld op de een of andere manier waar te nemen, kan dus beschrijven of verbeelden wat pas veel later aardse realiteit zal worden. Dit vermogen maakt dat kunstenaars vaak hun tijd vooruit zijn en dat hun kunst een visionair karakter heeft. Dat is geen geruststellende gedachte, want hoe zal de wereld er over 100 jaar uitzien als het waar is dat kunstenaars vandaag reeds in de geest waarnemen wat pas dan zichtbare werkelijkheid zal geworden zijn? Zal de wereld er dan echt uitzien zoals in de hedendaagse kunst? Zal het weerzinwekkende overal bewonderd worden en zal de schoonheid vogelvrij zijn verklaard? 

Ik mag er niet aan denken. Ik heb er trouwens geen tijd voor, het hier en nu eisen mijn aandacht op. Mijn leven is een kunstwerk waarvan de schoonheid me momenteel ontgaat en dat er ‘hedendaagser’ uitziet dan me lief is. Volgens Rudolf Steiner is ieder mensenleven inderdaad een kunstwerk dat de mens vóór zijn geboorte in de geestelijke wereld schept en dat hij vervolgens vergeet als hij op aarde komt. Hij heeft dan geen idee meer hoe zijn leven zal zijn en de toekomst vervult hem bijwijlen met angst en beven, zoals dat nu bij mij het geval is. That’s life, zegt men dan, we weten niet wat morgen ons brengen zal! Maar wie gelooft in karma, kan zich daar niet zomaar bij neerleggen. Hij gaat ervan uit dat de toekomst reeds bestaat, ja dat hij ze zelf geschapen heeft vóór hij op aarde kwam. Hij weet ook dat het mogelijk is door te dringen tot de geestelijke dimensie van de werkelijkheid en de toekomst, die daar reeds bestaat, te leren kennen. Mensen als Rudolf Steiner en Franz Kafka bewijzen dat.

Maar waarom zouden we die toekomst willen kennen? Waarom zouden we willen doordringen tot de karmische dimensie van het bestaan? Wat voor zin heeft dat? Nu mijn eigen toekomst opeens zo onzeker en beangstigend is geworden, zijn dat heel reële vragen. Tegelijk sluiten ze nauw aan bij de discussie die momenteel aan de gang is over de rol van de kunst in de samenleving. De karmische dimensie van het bestaan is namelijk een kunstzinnige dimensie. Het is de dimensie waar de werkelijkheid wordt geschapen en die alleen op een kunstzinnige manier kan benaderd worden. Kunst is de kenwijze van de geestelijke wereld en wanneer we ons afvragen wat de zin van kunst is, vragen we ons ook af wat voor zin het heeft de wereld van de geest te leren kennen. Dat is in wezen de vraag die schuilgaat achter de hele commotie over de subsidiëring van de kunsten: welke waarde hechten wij aan geestelijke kennis? Anders gezegd: wat is de rol van de antroposofie in de moderne samenleving?

Hoe vreemd het ook moge klinken: in Vlaanderen komen vandaag duizenden mensen op straat voor … de antroposofie. Dat beseffen ze natuurlijk niet, want het materialisme belet hen door te dringen tot hun diepste drijfveren, het keert ze zelfs in hun tegendeel. Het heeft namelijk de schoonheid taboe verklaard en de kunst gereduceerd tot abstracte ideeën. Het tragische gevolg daarvan is dat men vandaag een kunst verdedigt die de mens niet langer in contact brengt met de geest maar hem er juist van afsluit. Alleen al daarom is het van het grootste belang dat we met ons bewustzijn doordringen in de geestelijk-karmische dimensie van het bestaan: om te voorkomen dat we ons – in naam van de kunst – tegen de kunst keren en daarmee ook tegen onze levensbron, de wereld van de geest. Wat zich vandaag in de kunst afspeelt, speelt zich overal af: de mens is zichzelf aan het vernietigen uit angst om … vernietigd te worden. Dat is wat het materialisme vandaag met de mens doet.

Ik ondervind dat momenteel aan den lijve. Doordat ik moet verhuizen, dreig ik afgesneden te worden van een wereld die voor mij iets hemels heeft: het Scheldewindeke waar ik nu al drie jaar woon. Ik voel me als iemand die een bijnadoodervaring heeft en niet meer terug wil naar zijn oude, aardse leven. De gedachte dat ik weer de struggle for life moet aangaan met andere mensen, dat ik me opnieuw moet blootstellen aan hebzucht van huiseigenaren en dat ik weer zal terechtkomen in een wereld vol lawaai, lelijkheid en stress is meer dan ik kan verdragen. Fysiek zal ik het wel overleven, maar ik ben bang dat het me innerlijk zal breken. De herinnering aan Scheldewindeke en alles waar het voor staat, zal zo pijnlijk voor me zijn dat ik, om te overleven, mijn eigen bewustzijn zal moeten uitschakelen. En is dat ook niet wat vandaag op grote schaal gebeurt? De herinnering aan de schoonheid van de oude wereld is zo pijnlijk dat we onszelf geestelijk beginnen te vernietigen. 

Het enige wat mij van die zelfvernietiging kan weerhouden, is mijn geloof in karma. Pas als ik kan geloven dat het sterven van mijn oude wereld – mijn zoveelste verdrijving uit het paradijs – zin heeft en deel uitmaakt van een groter kunstwerk, kan ik dit afscheid onder ogen zien zonder met mijn kop tegen de muur te slaan. Maar dan mag mijn geloof geen abstract geloof zijn, het mag zich niet enkel in mijn hoofd afspelen. Wat moet ik immers met de gedachte dat ik het verdiend heb om Scheldewindeke te moeten verlaten, ja dat ik dat zelf gewild heb? Dat maakt de pijn er niet minder op, integendeel, het verleidt me ertoe mijn karma-scheppende Ik te verwensen. Pas als ik weet waarom mijn Ik dit gewild heeft, kan ik de kracht opbrengen om ‘door het dal’ te gaan. En geldt dat niet voor iedereen? De wereld zoals we die tot nog toe gekend hebben, is voorbij. We moeten met z’n allen ‘verhuizen’ naar een andere wereld, of we dat nu willen of niet. Maar hoe kunnen we die overgang tot een goed einde brengen als we niet begrijpen wat er gebeurt?

In welke wereld zullen we terechtkomen? In welke wereld zal ik terechtkomen? Dat is de vraag. In beide gevallen is het heel, heel onwaarschijnlijk dat het een betere wereld zal zijn, of zelfs maar een wereld die even goed is. We staan machteloos tegenover de materialistische krachten die ons in hun greep hebben, meer zelfs: we werken met hen mee. Door ons eigen bewustzijn uit te schakelen, door niet meer te willen denken en de werkelijkheid niet meer te willen waarnemen, doen we precies wat deze krachten beogen: de mens ontmenselijken, hem geestelijk breken en vernietigen. Hoe kunnen we dat voorkomen? Hoe kunnen we beletten dat de pijn zo erg wordt dat we (geestelijk) zelfmoord plegen? Alleszins niet door een theoretisch geloof in karma dat zegt dat we het allemaal verdiend hebben, want dat maakt het nog erger. Geloof in karma werkt geestdodend als het abstract blijft, als het geen concreet, levend inzicht wordt in wat vandaag, hier en nu, gebeurt.

De grote vraag is dus: hoe brengen we dit geloof tot leven? Met die vraag word ik momenteel heel direct geconfronteerd. Ons grootste probleem is het vinden van een ander huis, en dan liefst een huis dat me niet voor de rest van mijn dagen zal doen treuren over mijn verloren gegane paradijs in Scheldewindeke. Dat zeer praktische probleem valt niet los te maken van de zeer theoretische vraag: hoe kan ik mijn huidige leven nog als een kunstwerk zien, hoe moet ik nog geloven in de karmische zin en betekenis van mijn verhuizing? Als ik daar niet in slaag, raak ik verlamd van angst, verdrink ik in een zee van emoties en zal ik nooit een ander huis vinden. Is dat trouwens niet wat er vandaag op grote schaal gebeurt? De moderne mens zwelgt zodanig in emoties van woede, verontwaardiging, ontzetting, wraakzucht enzovoort, dat hij niet helder meer kan denken en ook niet doet wat kan en moet gebeuren. Verre van het onheil af te wenden, roept hij het over zich af.

‘Wanneer de hele wereld uit haar voegen raakt, tracht ik alleen maar te begrijpen wat er gebeurt en waarom, en als ik dat gedaan heb, ben ik weer rustig en goed geluimd’, schreef Rosa Luxemburg ooit. Dat is ook wat ik probeer. Ik vul mijn dagen momenteel met nadenken over wat me overkomt en al levert dat geen nieuw huis op, het brengt mijn hart tot bedaren en belet me om gek te worden. Zonder karmisch denken zou ik trouwens al lang mijn verstand zijn verloren. Misschien zou ik dan wel een hedendaags kunstenaar zijn geworden, iemand die zijn dag vult met het vernietigen van de kunst, met het honen, bespotten en verminken van de schoonheid die hij niet meer kan bereiken. Dat ik dat niet gedaan heb, is omdat ik al vroeg met karmaonderzoek ben begonnen. Ik dacht al na over karma nog voor ik het begrip kende. Eigenlijk heb ik nooit iets anders gedaan, want ik zie mijn karmische denken als een metamorfose van mijn tekenen. Wanneer ik probeer mijn leven te begrijpen, doe ik dat op dezelfde manier als wanneer ik een portret maak. 

Mijn theoretische geloof in karma heb ik aan de antroposofie te danken. Door mijn omgang met kunst is het een hartsaangelegenheid geworden, een deel van mijn leven, een deel van wie ik ben. Het heeft mij gesteund, getroost en aangemoedigd om vol te houden. Maar dat volstaat nu niet meer: ik heb een huis nodig. Mijn karmische geloof moet nu ook doordringen tot in de wil, het moet armen en benen krijgen. Want wat betekent geloof in de geest als het geen bergen kan verzetten, als het niet scheppend werkzaam wordt in de materie, als het geen huis tevoorschijn kan toveren? Scheldewindeke leek zo’n getoverd huis te zijn en ik beschouwde het dan ook als een erkenning van mijn geloof in kunst en karma, een geloof dat mij in zekere zin dakloos had gemaakt. Maar nu wordt dat huis me weer afgenomen en rijst de vraag: wat heeft dit te betekenen? Het enige wat mij dat kan leren, is mijn karma zelf, het karma dat zich afspeelt op dit eigenste moment. Ik moet doordringen tot de geestelijke dimensie van het nu. 

65

  

Verleden week werd ik 65. Ik hoor nu officieel bij de senioren: nog niet echt oud, maar toch al oud genoeg. Dat is echter niet de reden waarom het een verjaardag in mineur was. Verjaardagen in majeur heb ik weliswaar nooit gekend – ik heb in mijn geboorte nooit een reden gezien om te vieren – maar dit keer was de stemming toch wel heel bedrukt. We hebben namelijk bericht gekregen dat we moeten verhuizen. Nog geen drie jaar wonen we in Scheldewindeke – we begonnen er net wortel te schieten – en we moeten alweer verkassen. Over een paar maanden wordt ook mijn vrouw 65 en gaat dan met pensioen. Ze keek ernaar uit om eindelijk eens te kunnen genieten van ons nieuwe huis en onze nieuwe tuin – ze heeft daar tot nog toe nauwelijks de tijd voor gehad – maar dat vooruitzicht wordt nu vervangen door het vooruitzicht van opnieuw een zenuwslopende zoektocht naar een ander huis. De vorige ligt ons nog vers in het geheugen. We weten wat ons te wachten staat.

Onnodig te zeggen dat we er het hart van in zijn. Eindelijk hadden we een huis die naam waardig, eindelijk had ik de tuin waar ik altijd naar verlangd had. Het tij leek eindelijk gekeerd, we zouden onze oude dag in rust en schoonheid kunnen doorbrengen. Niet dus. Wat is er gebeurd? De dochter van de huisbazin wil in dit huis komen wonen en dus moeten we eruit. Ze heeft nochtans een eigen huis, net als haar broer, en er was ons verzekerd dat ze geen van beiden van plan waren in Scheldewindeke te komen wonen. We hoefden ons dus geen zorgen te maken. Maar als huurder ben je overgeleverd aan de grillen van de huisbaas. Het is nu al de derde keer dat we uit ons huis worden gezet. Beide vorige keren was dat nog begrijpelijk: het huis diende dringend gerenoveerd te worden (omdat de eigenaars er nooit een cent aan besteed hadden). Maar dit keer is het huis in prima staat. Er is geen enkele dringende reden om ons op straat te zetten en ik begrijp dan ook niet hoe je zoiets kunt doen. Maar er is veel dat ik niet begrijp.

Ik vind het vreselijk weer op huizenjacht te moeten gaan en overgeleverd te zijn aan andermans hebzucht. Je zou denken: mensen hebben een huis op overschot en bezitten dus iets dat voortdurend in waarde stijgt. Als ze het verhuren, wordt het gratis voor hen onderhouden. Zijn er herstellingen nodig, dan kunnen ze die betalen met de huur die ze iedere maand innen en ze houden nog geld over. Wat kunnen ze meer wensen! Het antwoord ligt voor de hand: nog meer. Een huis wordt niet langer gezien als een woongelegenheid, het wordt zelfs niet gezien als een investering, het wordt louter gezien als een middel om geld mee te verdienen. Zoals mijn leraar ooit cynisch zei: brood dient niet meer om op te eten, brood dient om geld mee te verdienen. Alles wordt vandaag gereduceerd tot een middel om geld te verdienen. Wij staan dus weer voor een vernederende tocht waarbij we niet gezien worden als mensen die een huis nodig hebben, maar als mensen waar geld aan verdiend kan worden. 

Soms vraag ik me af hoe ik gereageerd zou hebben als ik in de plaats van onze huisbazin was geweest. Want geld doet vreemde dingen met mensen en ik ben er zelf zeker niet ongevoelig voor. Toch kan ik me niet voorstellen dat ik twee oudere mensen die keurig hun huur betalen, die geen moeilijkheden veroorzaken, die ontzettend blij zijn met het huis en die er goed voor zorgen, er zomaar uit zou zetten omdat mijn dochter er opeens wil komen wonen. Zoiets getuigt van … ja, waarvan? Van onverschilligheid? Van gevoelloosheid? Van gebrek aan inlevingsvermogen? Van egoïsme? Ik ben nochtans zelf niet iemand die overmatig inzit met zijn medemensen, hardvochtigheid is mij niet vreemd. Toch zie ik mezelf zoiets niet doen. Ik weet te goed hoe het is om overgeleverd te zijn aan de genade van anderen. Wel vraag ik me af hoe ik zou reageren als ik die ervaring van machteloosheid niet had gehad, als ik bijvoorbeeld inspecteur van belastingen was geweest, zoals onze huisbazin?

Dat brengt de zaak op een karmisch niveau. Waarom overkomt me dit? Heb ik in een vorig leven misschien op dezelfde manier gereageerd als onze huisbazin nu, en was zij toen het slachtoffer? Keert mijn eigen vroegere gedrag met andere woorden als een boemerang naar me terug? Het zou kunnen. Maar veel heb ik daar niet aan. Deze karma-gedachte is te algemeen en te abstract om er veel steun en troost aan te ontlenen. Bovendien is ze speculatief want ik weet niks af van mijn vorige levens. Als ik antwoorden wil op karmische vragen dan zal ik ze in dit leven moeten vinden, een leven dat momenteel opnieuw een kwellend raadsel voor me is. Drie jaar geleden was het nog heel anders. Ons nieuwe huis leek juist een antwoord te zijn, niet alleen op de vraag naar een nieuwe woonst, maar ook op de vraag naar de zin van mijn leven. De antroposofie had me weliswaar geleerd wat de zin van het leven was, maar dat was nog lang geen antwoord op de vraag naar de zin van mijn leven.

Die zin ontdekte ik pas toen ik mezelf de vraag stelde: wat wil ik in dit leven? Als antwoord kreeg ik: de wereld als een kunstwerk zien. Ik kon niets bedenken dat ik méér wilde dan dat, alles lag besloten in die zes woorden. Dit was de zin van mijn leven, dit was wat ik mij voor mijn geboorte voorgenomen had. Maar het antwoord was tegelijk een vraag, want wat betekende dat: de wereld als een kunstwerk zien? En hoe deed je dat? Hoe ontwikkelde je een oog voor de kunstzinnige dimensie van de wereld? Met die vraag heb ik sindsdien geworsteld en vandaag is ze zelfs acuut geworden. Niet alleen werd mij naar aanleiding van mijn beschouwingen over Basic Instinct de vraag gesteld: hoe ontwikkel je een oog voor kunst? Die vraag wordt mij nu ook gesteld door de werkelijkheid zelf, door het feit dat ik weer moet verhuizen. Want als de wereld een kunstwerk is, dan moet mijn leven dat ook zijn, net als de nakende verhuizing. En hoe moet ik daar de kunstzinnigheid van inzien?

In zekere zin breekt voor mij nu het uur van de waarheid aan. Toen ik halverwege mijn leven voor de kunst koos, verbrandde ik mijn schepen achter mij: ik besloot niet langer te proberen geld te verdienen. Dat was een heel radicale keuze en ik ben er dan ook drie keer op teruggekomen. Drie keer heb ik geprobeerd geld te verdienen met mijn kunst, en drie keer werd ik teruggefloten. Althans die indruk kreeg ik, want er was iets vreemds aan de manier waarop het telkens mislukte. Vooral de laatste keer, in Brugge, had ik echt het gevoel dat ik werd tegengehouden, dat iemand zei: nee, deze weg mag je niet inslaan! Ik was daar het hart van in, want het betekende het einde van mijn schilderdroom, en ik zocht verwoed naar een antwoord op de vraag: waarom? Ik kwam tot de verrassende conclusie dat het Michaël was die me tegenhield. Dat werd (tot tweemaal toe) bevestigd toen ik kort daarop – volkomen onverwacht – uitgenodigd werd om enkele voordrachten te geven over een onmiskenbaar Michaëlisch – want karmisch – onderwerp. 

Dergelijke conclusies spelen zich natuurlijk helemaal af in de wereld van de persoonlijke gedachten en gevoelens. Ze hebben geen enkele betekenis voor de buitenwereld, die ze afdoet als hersenspinsels. Dat geldt trouwens voor mijn hele karmische denken, voor mijn streven om de wereld als een kunstwerk te zien. Dit uiterst individuele streven deed me van de radar verdwijnen, ik leefde alleen nog in mijn eigen subjectieve binnenwereld. Daar betaalde ik de prijs voor want ik kon financieel nauwelijks het hoofd boven water houden. Een en ander werd gespiegeld door de plek waar ik woonde: in een huis dat langzaam veranderde in een bouwval, omringd door het onophoudelijke lawaai van een wereld die enkel met geldverdienen bezig was. De spanning tussen die twee werelden – de uiterlijke en de innerlijke – bereikte een dramatisch hoogtepunt toen we drie jaar geleden moesten verhuizen. We waren al lang op zoek naar een ander huis, werden overal afgewezen en dreigden op straat terecht te komen.

In feite was het een herhaling van de crisis waar ik destijds in beland was doordat mijn leven in het teken stond van het geldverdienen (en waaruit ik me pas kon bevrijden door voor de kunst te kiezen). Maar toen was het de innerlijke leegte die ondraaglijk werd, nu ging het om een uiterlijke leegte. Ik was van de regen in de drop terechtgekomen en de uiteindelijke conclusie leek te zijn dat je de tegenpolen niet met elkaar kunt verenigen: geldverdienen gaat ten koste van de kunst en omgekeerd. Ze zijn niet met elkaar te verzoenen, en als je kiest, eindigt het in – materiële of geestelijke – ellende. Wat ik, ondanks alle pogingen om het tegendeel te bewijzen, aan den lijve had ondervonden, was dat het (subjectieve) Ik onverenigbaar was met de (objectieve) buitenwereld. Paradoxaal genoeg bleek die persoonlijke ervaring tevens bovenpersoonlijk te zijn. De hele wereld is vandaag hopeloos gepolariseerd. Overal staan de tegenpolen onverzoenlijk tegenover elkaar en nergens is er een verbindend midden te bespeuren.

Maar net zoals die onhoudbare situatie op m’n 33ste plots veranderde, zo deed ze dat ook drie jaar geleden. Opeens vonden we een huis, en niet zomaar een huis. Het was beter dan we ooit hadden durven hopen en vooral de stilte was hemels vergeleken bij het helse lawaai van Destelbergen. Net als de vorige keer was de opluchting enorm. Van het ene moment op het andere veranderde de nachtmerrie in een zalige droom. Ik kon het nauwelijks geloven. De onverwachte wending was dit keer niet het gevolg van een persoonlijk besluit, ze kwam gewoon uit de hemel vallen, ik had er geen enkel aandeel in. Maar juist dat ‘hemelse’ karakter beleefde ik als een goedkeuring van mijn strikt persoonlijke besluit om voor de kunst te kiezen, net zoals ik het als een afkeuring had beleefd toen mijn pogingen om geld te verdienen zo ostentatief mislukten. Scheldewindeke hield voor mij de boodschap in: maak je geen zorgen om geld of andere materiële zaken, doe wat je moet doen, dan krijg je wat je nodig hebt.

Scheldewindeke was als een zegen, letterlijk en figuurlijk: mijn leven werd goedgekeurd en er viel een pak van mijn schouders. Want ofschoon ik nooit getwijfeld heb aan mijn besluit om voor de kunst te kiezen en me nooit iets gelegen heb laten liggen aan de afkeuring van de wereld – noch de geldverdienende wereld, noch de kunstwereld, noch de antroposofische wereld – viel het me toch zwaar om tegen de stroom in te roeien. Ik heb dat eenzame roeien alleen volgehouden door mijn geloof in de kunst, een zeer persoonlijk geloof dat ik zeker niet ontleende aan de wereld om me heen. Het was zelfs sterk genoeg om een levenslange strijd aan te binden met de hedendaagse kunst, het vleesgeworden ongeloof-in-de-kunst. Toen ik echter drie jaar geleden met mijn hele hebben en houden op straat dreigde terecht te komen, werd mijn geloof in de kunstzinnigheid van de wereld toch wel heel sterk op de proef gesteld. Maar blijkbaar doorstond ik die proef want er viel mij een godsgeschenk in de schoot.

Daarom komt het ook zo hard aan dat dit geschenk me nu weer wordt afgenomen, alsof er een vergissing is gebeurd, alsof het niet voor mij was bestemd. Een mens zou voor minder gaan geloven in een sadistische God, die een mens eerst laat geloven dat zijn leven zin heeft, ja dat het zelfs een kunstwerk is, om dan als een puppetmaster een ruk aan de touwtjes te geven en alles wat met zoveel moeite opgebouwd is weer uit te wissen. Ik heb geen idee hoe dit verhaal gaat aflopen. Eén blik op de websites van de immokantoren leert me dat het heel, heel onwaarschijnlijk is dat we opnieuw een huis zoals dit zullen vinden, laat staan eentje dat nog beter is. Want is dat laatste niet de logische gevolgtrekking van mijn overtuiging dat het leven een kunstwerk is? Kunstwerken horen beter te worden naarmate ze hun voltooiing naderen, niet slechter. Maar dat er opnieuw een mirakel zal gebeuren, dat er voor de tweede keer in drie jaar een godsgeschenk in onze schoot zou vallen, is meer dan ik kan geloven. 

Ik kan zelfs nog altijd niet goed geloven dat we het huis in Scheldewindeke gekregen hebben, het verschil met Destelbergen is zo groot. Ik kan ook nog altijd niet goed geloven dat dit huis niet alleen een godsgeschenk is (was) dat uit de hemel is komen vallen, maar tevens iets wat past in mijn karma, en wat dus in de loop der jaren langzaam uit de aarde is opgerezen. Ik kan deze karmische dimensie – die zowel van bovenaf als van onderuit lijkt te komen – nog altijd niet goed bevatten. Bestaat er werkelijk een kunstzinnige dimensie waarin het hemelse en het aardse naar elkaar toegroeien zoals de plantenwereld en de zon dat doen? Wel, het huis waar ik nu al drie jaar woon is alvast geen droom, het is heel concreet, ik heb zelfs getuigen die dat kunnen staven. Mijn karmische interpretatie van dat huis is natuurlijk van een heel andere orde. Ze maakt deel uit van een – nog zeer schetsmatig – portret van mijn leven, een kunstzinnige beschrijving waarin ik probeer de verborgen verbanden zichbaar te maken.

Wat is de waarde van zo’n levensportret? Dat is momenteel de meest actuele vraag in mijn leven – en merkwaardig genoeg ook daarbuiten. Wat is de waarde van kunst? Welke rol speelt zij in het leven? Er loopt een rode draad van de eerste tekeningen die ik als kind maakte naar het karmische portret waar ik nu al mijn energie in steek. Eigenlijk zou ik verwoed naar een ander huis moeten zoeken, maar in plaats daarvan ben ik met (karma)kunst bezig. En zo is het altijd geweest: terwijl iedereen bezig was met het bouwen of verwerven van een huis, was ik aan het tekenen of schrijven. Mijn hele leven heb ik op de kap van anderen geleefd en nooit iets nuttigs gedaan, zelfs niets aangenaams want het interesseerde niemand wat ik deed – de zeldzame uitzonderingen bevestigen die regel. En nu mondt heel dat onnutte leven uit in mijn huidige situatie: 65 en nog altijd op zoek naar een huis om in te wonen. We zullen er wel een vinden, maar het zal een soort laatste oordeel zijn: mijn leven wordt gewogen en ik houd mijn hart vast voor het resultaat …