Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Maand: december, 2019

65 (3)

  

Geloof kan bergen verzetten, zo heet het. Ik heb dat bergenverzettende geloof momenteel hard nodig, want ik sta voor een enorme berg: het vinden van een nieuw huis, een huis vergelijkbaar met het huidige, want ik wil en kan niet terug naar de stress, het lawaai en de lelijkheid van mijn oude leven. Na drie jaar Scheldewindeke – jaren van rust, stilte en schoonheid – zou ik dat innerlijk niet meer overleven. Ik heb een geloof nodig dat bergen kan verzetten omdat de kans dat we zo’n huis vinden langs de gebruikelijke weg zo goed als onbestaande is. Net als drie jaar geleden toen we Destelbergen moesten verlaten, is er opnieuw een mirakel nodig. Ons nieuwe huis zal met andere woorden uit de hemel moeten vallen, net als dat in Scheldewindeke. Sinds ik hier woon weet ik dat dergelijke mirakels gebeuren. En eigenlijk weet ik dat al langer, want er zijn wel meer onwaarschijnlijke dingen gebeurd in mijn leven. Maar de vraag is: kun je zo’n mirakel bewerkstelligen door erin te geloven?

We hebben jaren gezocht voor we het huis in Scheldewindeke vonden. Achteraf gezien had dat zoeken geen enkele zin, want hoe vaak we ons ook kandidaat stelden voor een huis, we werden telkens afgewezen wegens werkloos, wegens een te laag inkomen. Uiteraard werd die reden nooit vermeld, we kwamen er pas op het laatst achter. Dat vruchteloze zoeken had dus nog jaren kunnen doorgaan als we niet op het beslissende moment – toen de huisbaas met de rechtbank dreigde – een seintje van kennissen hadden gekregen dat er in Scheldewindeke een huis te huur stond. Er was geen immo-kantoor bij betrokken en de zaak was in een, twee, drie beklonken. We hadden ons die jarenlange vernederende zoektocht dus kunnen besparen. Vandaag herhaalt die geschiedenis zich. Hoe meer huizen we gaan bekijken, hoe duidelijker het wordt dat het opnieuw geen zin heeft om te zoeken: een huis zoals het huidige zullen we niet vinden, tenzij er opnieuw een mirakel gebeurt.

We kunnen twee dingen doen. Ofwel wachten we vol vertrouwen op een nieuw mirakel, ofwel nemen we het eerste het beste huis dat we kunnen krijgen. Dat zal dan wel een huis zijn zoals in Destelbergen, een huis dat niemand anders wil. We zullen dan met andere woorden terugkeren naar ons oude leven, een leven temidden van lawaai en lelijkheid. Na drie jaar in het ‘beloofde land’ gewoond te hebben, omringd door rust, stilte en schoonheid, zou dat een enorme schok betekenen, niet alleen fysiek en mentaal, maar ook geestelijk. Het zou weinig heel laten van het geloof dat ik in de loop der jaren moeizaam heb opgebouwd, het karmische geloof dat de wereld – en dus ook mijn leven – een kunstwerk is. Het zou me met lege handen de woestijn weer in sturen, want dat geloof is het enige wat ik heb overgehouden aan een leven dat ik meer dan 30 jaar geleden aan de kunst heb gewijd, een leven dat me geen roem, geen eer, geen geld, en zeker geen huis heeft opgeleverd. 

Ik kan dat karmageloof niet zomaar opgeven in ruil voor een dak boven mijn hoofd. Als ik zou accepteren wat we normaal gezien kunnen krijgen, dan zou ik me neerleggen bij de nuchtere, concrete realiteit. Ik zou afstand doen van mijn dromen, mijn verlangens, mijn geloof. Ik zou denken: al die geestelijke aspiraties zijn mooi zolang je een huis hebt, maar als dat huis verdwijnt, kun je er niks mee aanvangen. Of nog: als puntje bij paaltje komt, dan speelt die zogenaamde geestelijke dimensie van het bestaan geen rol meer, dan gaat het enkel nog om de harde, materiële feiten. Die keuze voor de concrete, tastbare realiteit zou een salon-antroposoof van mij maken, iemand die de mond vol heeft van de geestelijke wereld zolang hij in een comfortabel huis woont, maar die op slag weer materialist wordt als hij dat huis kwijtraakt. Het zou van mijn leven een schijnvertoning maken en van de antroposofie wat mooi behang. Ik kan dus niet anders dan blijven geloven in een mirakel. 

Het doet me denken aan de begintijd van Vijgen na Pasen. We waren toen al op zoek naar een nieuw huis omdat het steeds duidelijker werd dat we niet in Destelbergen konden blijven wonen. Op een dag hadden we er eentje gevonden in Moortsele, niet ver van waar we nu wonen. Het was een buitenkans want was er geen immo-kantoor in het spel: als we ja zeiden, was het huis voor ons. De omgeving was precies wat we zochten: rust, stilte en groen alom. Het huis zelf was een ander verhaal: een badkamer kan ik me niet herinneren, de keuken was een ramp, de slaapkamer was alleen te bereiken via een steile ladder, en van de tuin zag je binnen helemaal niks. We moesten dus twee dingen tegen elkaar afwegen: de zeer aantrekkelijke omgeving en het zeer onaantrekkelijke interieur. Het was een dubbeltje op zijn kant, want we wisten dat we niet gauw meer zo’n kans zouden krijgen. Maar na lang nadenken kwamen we tot dezelfde conclusie: we nemen het niet. De reden: we vonden dat we meer verdienden dan dit. 

Het was dezelfde keuze waarvoor we ook vandaag weer staan. Financieel gezien kunnen we ons alleen dit soort huizen permitteren. Ofwel is de omgeving mooi maar ontbreekt de meest elementaire luxe, ofwel is het omgekeerd. Beide samen behoort niet tot onze mogelijkheden. Maar we weigerden ons neer te leggen bij de feiten en afstand te doen van ons geloof in de geest, ons geloof in de menselijke waardigheid. Wat we in feite weigerden te accepteren is dat materie en geest niet kunnen samengaan, dat je verplicht bent te kiezen tussen beide: ofwel wijd je je leven aan de geest en moet je afstand doen van rijkdom, luxe en zelfs elementair comfort, ofwel wijd je je leven aan de materie en blijven geest, kunst en antroposofie louter decoratie en versiering. Wij hadden allebei ons leven gewijd aan de ‘geest’ en dat had ons inderdaad veroordeeld tot materiële armoede. Door het huis in Moortsele af te wijzen, kwamen we in verzet tegen dat dualisme van geest en materie. 

Het bleek de juiste keuze te zijn, want uiteindelijk vonden we – als bij wonder – het huis in Scheldewindeke. Hier hadden we het allebei samen: een aantrekkelijke omgeving en een aantrekkelijk interieur. Deze overwinning op het dualisme kwam symbolisch tot uitdrukking in de drie schouwen op het huis: een schouw met één pijp, een schouw met twee pijpen en een schouw (de hoogste) met drie pijpen. Het was alsof er een derde element was verschenen dat beide andere verbond en oversteeg. In dit huis-met-de-drie-schouwen voerde ik ook drie karmaonderzoeken: het eerste naar het karma van de antroposofische beweging, het tweede naar mijn eigen karma, en het derde naar het karma van Adriaen Brouwer, wiens levenslot dat van de Lage Landen weerspiegelde en wiens werk als geen ander geest en materie verenigde. De eerste twee onderzoeken waren een herhaling van eerdere onderzoeken, maar Adriaen Brouwer was nieuw, hij kwam – net als het huis – uit de hemel vallen. 

Hoe nieuw en onverwacht ook, deze derde factor was eveneens een herhaling van het verleden. De drie karmaonderzoeken in Scheldewindeke weerspiegelden de drie karmaonderzoeken in Destelbergen. Het eerste begon toen ik nadacht over mijn mislukking in Brugge, over mijn eigen persoonlijke levenslot. Daarna dacht ik – ter voorbereiding van de zomeruniversiteit in Frandeux – een jaar lang na over oude en jonge zielen, over het bovenpersoonlijke karma van de antroposofische beweging. En ten slotte dacht ik – ter voorbereiding van de Lichtbakenconferentie in Antwerpen – ook na over de karikatuur, een thema dat persoonlijk en bovenpersoonlijk tegelijk was. Zowel de kunstzinnigheid van dit derde thema als het internationale karakter van de conferentie werden later weerspiegeld door de Adriaen-Brouwertentoonstelling in Oudenaarde. Net zoals de karikatuur mij ‘van hogerhand’ als thema was aangewezen, zo was ook Adriaen Brouwer, wiens tentoonstelling een soort godsgeschenk was, een vingerwijzing ‘uit den hoge’. 

Ik kan het spoor van deze ‘hemelse’ derde factor nog verder terug volgen. Ik begon destijds met (persoonlijk) karmaonderzoek nog voor ik het woord kende. Later leerde ik ook het (bovenpersoonlijke) karmaonderzoek van Rudolf Steiner kennen, en ten slotte verscheen als een geschenk uit de hemel Basic Instinct, een kunstwerk dat het persoonlijke en het bovenpersoonlijke op weergaloze wijze verbond. In de loop van mijn leven duiken dus drie keer dezelfde drie vormen van karmaonderzoek op: het persoonlijke, het bovenpersoonlijke en het kunstzinnige dat beide omvat. Ze komen overeen met de drie plaatsen waar ik (samen met mijn vrouw) gewoond heb: Melle, Destelbergen en Scheldewindeke. Telkens was het derde kunstzinnige element het meest wonderlijke, het meest onverwachte, het meest michaëlische. Want wat ik in Brugge begon te vermoeden, werd in Antwerpen bevestigd: Michaël was de inspirerende kracht achter dit karmaonderzoek, en dan vooral achter de kunstzinnige verbinding van het persoonlijke met het bovenpersoonlijke. 

Ik ontdekte dat hij er altijd al geweest was en dat hij al heel vroeg een beslissende rol in mijn leven had gespeeld door mij een tekenleraar te geven die in alle opzichten michaëlisch te werk ging. Het eerste wat hij deed, toen ik als jongetje van 11 de (koninklijke) academie van Mechelen betrad, was … me de toegang tot de klas versperren en me terugsturen om materiaal te kopen. Daarna toonde hij me heel bondig hoe ik tewerk moest gaan en liet me verder met rust. Pas jaren later begon ik me bewust te worden van zijn aanwezigheid, want al die tijd had hij me volkomen vrij gelaten en was hij alleen verschenen op momenten dat ik helemaal in de knoei zat. Dan toonde hij mij opnieuw de weg, kordaat en zonder veel woorden. Pas lang nadat ik zijn klas had verlaten, begon ik te begrijpen wat een uitzonderlijk leraar hij was geweest. Zo is het me ook met Michaël vergaan. Hij toonde mij al heel vroeg welke weg ik moest gaan en verdween dan, om pas een halve eeuw later naar voor te treden en zich kenbaar te maken. 

Als ik terugdenk aan die allereerste ontmoeting met Michaël, in de persoon van mijn tekenleraar, dan zie ik een wachter op de drempel die mij terugstuurt. Ik was een kind en deed wat me gezegd werd, maar ik herinner mij de teleurstelling: ik had nog maar pas het heiligdom van de kunst betreden en ik werd al meteen teruggestuurd naar de wereld van de materie. Dit kleine voorval (dat ik me desondanks goed herinner) herhaalde zich 50 jaar later in Brugge waar ik op de markt ging staan in een laatste poging om de wereld van de schilderkunst te betreden. Op de drempel van die wereld ontmoette ik opnieuw een onverbiddelijke wachter. Net als toen gebeurde dat in het centrum van een historische stad op een plek met een geestelijk verleden. Net als toen stuurde Michaël me terug, dit keer niet om tekenmateriaal te kopen, maar om karmaonderzoek te doen. Ga ik te ver als ik ook daarin een herhaling zie en dat karmaonderzoek beschouw als het materiaal dat ik nodig heb om kunstzinnig aan de slag te gaan?

Ik kocht mijn tekenmateriaal destijds in een heel oud, middeleeuws aandoend winkeltje dat volgestouwd was met alles waar een kunstenaar maar van dromen kan. Het was mijn eerste kennismaking met een wereld die ik sindsdien altijd als een paradijs-op-aarde heb ervaren: de wereld van het teken- en schildermateriaal, de wereld van de onbeperkte mogelijkheden. Ik keek mijn ogen uit in dat winkeltje: wat een schatkamer! Toen ik in Brugge werd teruggestuurd, begon ik na te denken over mijn eigen leven en keek vol verbazing naar het ‘materiaal’ dat naar boven kwam. Die verbazing werd nog groter toen twee onverwachte vragen dat persoonlijke karmaonderzoek uitbreidden tot het bovenpersoonlijke en het kunstzinnig-verbindende karmaonderzoek. In Scheldewindeke herhaalde die drievoudige ontdekkingstocht zich en culmineerde ten slotte in de oude ridderzaal van het 16de eeuwse stadhuis van Oudenaarde waar ik het werk van Adriaen Brouwer zag (en waar bij de ingang een geopende schatkist stond).

Merkwaardig hoe de geschiedenis zich herhaalt, hoe het einde van een mensenleven het begin weerspiegelt. Toen Michaël me in Brugge de weg naar de kunst versperde, deed hij hetzelfde als toen ik 11 was en de tekenklas wilde binnenstappen: hij stuurde me terug om materiaal te kopen. In Mechelen was dat (drievoudig) tekenmateriaal: papier, houtskool en pluim. In Destelbergen en Scheldewindeke was het (drievoudig) karmamateriaal: persoonlijk, bovenpersoonlijk en kunstzinnig. Ik heb de afgelopen vijf jaar eigenlijk doorgebracht in een soort metamorfose van dat oude winkeltje op de hoek van het AB-straatje. Ik heb trouwens pas ontdekt dat het 16de eeuwse huis waar dat tekenwinkeltje gevestigd was In den Vijgenboom heet, en dat de letters AB – toevallig ook de initialen van Adriaen Brouwer – refereren naar een oude brouwerij die daar ooit gevestigd was. Of hoe de wonderen de wereld nog niet uit zijn, wonderen waarvan een mens zich in de verste verte niet bewust is. 

In de loop der jaren ben ik gaan inzien dat er in mijn leven verschillende wonderen zijn gebeurd, zaken die zo onwaarschijnlijk zijn dat ze niet aan het toeval toegeschreven kunnen worden. Op het moment zelf was ik me van die wonderen niet bewust, ik werd te veel in beslag genomen door de materiële werkelijkheid, met name dan door het mislukken van mijn plannen. Pas in Scheldewindeke begon ik het verband te zien tussen de wonderen en de mislukkingen, die in feite ontmoetingen met de wachter op de drempel waren. Ik werd me nu ook bewust van de rol die Michaël hierin speelde, de geest die me de weg naar het karmaonderzoek had gewezen. Deze bewustwording is op de een of andere manier een keerpunt, want voor het eerst kijk ik nu tegelijk achteruit en vooruit. Nadenken over de mislukkingen uit mijn verleden doet in mij het geloof en de hoop rijzen dat ook deze derde wegversperring in vijf jaar – na Brugge en Destelbergen moet ik nu ook Scheldewindeke verlaten – de voorwaarde is voor een nieuw wonder.    

Panamarenko

  

Eén van de grootste kunstenaars van onze tijd is niet meer: Panamarenko, de Vlaamse Leonardo da Vinci zoals hij wel eens genoemd wordt. De lyrische lofzangen op deze ‘geniale dromer die het kind in zich levend heeft weten te houden’ zijn niet te tellen. Toevallig had de Vlaamse televisie twee weken geleden nog een ‘ten huize van’ opgenomen waarbij een twintigtal bekende Vlamingen de meester kwamen feliciteren met zijn (aanstaande) 80ste verjaardag. Het eerbetoon veranderde onverwachts in een In Memoriam dat me diep trof, zij het om een andere dan de voor de hand liggende reden. Ik zag namelijk in een notedop wat ik me altijd gedroomd heb in dit leven, vandaag zelfs meer dan ooit: een prachtig huis in het hart van de Vlaamse Ardennen, omringd door velden en weiden, ikzelf omringd door een liefhebbende (jonge) vrouw en een schare beroemde bewonderaars, terwijl in de grote stad ijverig gewerkt wordt aan een overzichtstentoonstelling van mijn werk. Wat kan een kunstenaar nog meer wensen!

Die droom is helaas niet uitgekomen. Ik heb wel een liefhebbende (zij het niet meer zo jonge) vrouw, maar het (bescheiden) huis in de Vlaamse Ardennen waar ik drie jaar heb mogen wonen, moet ik alweer verlaten, en van de rest kan ik niet eens meer dromen wegens te laat. Tja, zal men zeggen, niet iedereen is een genie zoals Panamarenko! Wel, dat is nu juist waar ik het zo moeilijk mee heb. Ik gun kunstenaars – en zeker genieën – hun roem en hun rijkdom. Ze verdienen die en ik ben de laatste om hen die te benijden, want mijn bewondering voor hun kunst is grenzeloos. Maar ik kan met de beste wil van de wereld geen genie zien in Panamarenko, of in Jan Fabre, of in Wim Delvoye, of in Luc Tuymans, of in Koen Van Mechelen, of in al die andere hedendaagse grootheden die ons kleine landje rijk is. Ik kan er zelfs geen kunstenaars in zien, ofschoon ze dat misschien ooit wel zijn geweest. Ik zie er vooral mensen in die hun ziel aan de hedendaagse duivel verkocht hebben in ruil voor roem en geld.

Ik herinner me nog dat ik ooit tegen mijn leraar zei (een man die ik wel als kunstenaar beschouwde): als ik nu eens deeltijds hedendaags kunstenaar werd en daar flink wat geld mee verdiende, dan kon ik de rest van mijn tijd besteden aan wat ik echt wil doen! Hij schudde het hoofd: dat gaat je niet lukken! En waarom niet, vroeg ik. Omdat je geen twee heren kunt dienen, antwoordde hij. Natuurlijk had hij gelijk: wie de hedendaagse kunst dient, kan geen andere kunst dienen en omgekeerd. Ik heb verschillende kunstenaars gekend die buitengewoon getalenteerd waren en tot de besten van hun generatie behoorden. De ene werd tijdens zijn opleiding mentaal kapot gemaakt door een vooraanstaand hedendaags kunstenaar wiens naam ik niet zal noemen, de ander verkommerde op een zolderkamertje, vruchteloos proberend een subsidie-aalmoes te krijgen om materiaal te kopen, en allemaal zijn ze in de anonimiteit verdwenen, zonder roem, zonder eer, zonder geld. Omdat ze niet hedendaags waren. 

En nu kijk ik dus naar dat filmpje over Panamarenko en zie een man die het gemaakt heeft, die alles heeft wat zijn hartje maar begeren kan en die zelfs vergeleken wordt met Leonardo da Vinci. Ik luister naar de lofzangen van al die bekende Vlamingen, al die schrijvers, acteurs, zangers, mediafiguren, intellectuelen, filosofen enzovoort. De hele cultuursector jubelt, even unaniem en solidair als ze kort geleden nog protesteerde tegen de besparingen. Niet één afwijkende stem is er te horen, niet één valse noot, niet één woord van kritiek. En tegenover dat duizendkoppige jubelkoor sta ik, helemaal alleen met mijn oordeel dat Panamarenko geen kunstenaar is, laat staan een genie. De conclusie ligt voor de hand: ik ben een kleinzielige, verzuurde man die het niet kan verkroppen dat hij onvoldoende talent had om het te maken in de kunst en die zijn leven dan maar gewijd heeft aan het neerhalen van iedereen die dat talent wél bezit. Een leven in het teken van de afgunst: wat een zielig spektakel!

Dat is het stempel dat iedereen op zijn voorhoofd krijgt gedrukt als hij het waagt niet in te stemmen met de lofzangen die vandaag overal weerklinken. Ik kijk naar het filmpje dat ten huize van Panamarenko werd opgenomen en zie een gezellig en hartverwarmend tafereel: de artistieke grootvader omringd door zijn liefhebbende vrouw en bewonderaars. Maar ik zie ook de verborgen keerzijde van dat roerende tafereel: één woord van kritiek en al die liefde en bewondering veranderen op slag in haat en afschuw voor de barbaar die het gore lef heeft een opmerking te maken over deze warme familie. Die keerzijde werd onlangs nog zichtbaar toen Peter De Roover het bestond te pleiten voor meer schone kunst (en dus minder hedendaagse kunst). Ogenblikkelijk barstte de verontwaardiging los, en ze gold heus niet alleen de besparingen of de inmenging van de regering, ze gold in de eerste plaats de barbaar die het gewaagd had een vraagteken te plaatsen bij de macht en de glorie van de hedendaagse-kunstdynastie.  

Naar aanleiding van Panamarenko’s dood heb ik even overwogen om op Facebook een kritisch bericht te plaatsen, maar ik heb het niet gedurfd. Want al degenen die onlangs nog verontwaardigd waren over de banaan die voor 150.000 euro verkocht werd (en vervolgens opgegeten) juichen vandaag vrolijk mee met de Panamarenko-bewonderaars. Het is één ding om al die beate bewonderaars over je heen te krijgen, maar het is een ander om een mes in de rug te krijgen van de zogenaamde critici. Je mag niet veralgemenen, is hun geijkte bezwaar, natúúrlijk zijn er excessen in de hedendaagse kunst, die zijn er overal, maar dat is geen reden om iedereen over dezelfde kam te scheren! Wat ze daarbij uit het oog verliezen – hoewel het onmiskenbaar bleek uit de recente protesten tegen de besparingen – is dat de kunstsector als één man achter die excessen staat en als één man in verontwaardiging uitbarst als die excessen bekritiseerd worden, zoals Peter De Roover (voorzichtig) deed toen hij pleitte voor meer schoonheid in de kunst.

Het veralgemenen gebeurt dus in de kunstwereld zelf. Alle kunst wordt daar over dezelfde kam geschoren, van de klassieke muziek tot het zwaaien met blote piemels. Geen enkele, maar dan ook geen enkele kunstenaar of kunstliefhebber durft daar (in het openbaar) onderscheid tussen maken. De reden heeft Peter De Roover (ongewild) duidelijk gemaakt: je wordt afgeschilderd als een onmens, een monster, een nazistisch zwijn. En steeds luider klinken de stemmen om dergelijke onmensen de mond te snoeren, te broodroven of zelfs op te sluiten. Daar moest ik dus aan denken toen ik keek naar dat o zo gezellige en hartverwarmende filmpje over Panamarenko. Hoe graag ik ook zou willen wonen en leven als deze godfather, ik ben niet bereid mijn ziel te verkopen om deel uit te kunnen maken van zijn artistieke maffia-familie. Want reken maar dat ze hun kalasjnikovs bovenhalen als iemand een familielid tegen de haren instrijkt. Wie het niet gelooft, moet het maar eens proberen.  

Save Spaces

  

Mannen zijn ontegensprekelijk beter dan vrouwen.

  
Volgens de Amerikaanse ex-president Barack Obama zijn vrouwen ‘ontegensprekelijk beter dan mannen’. De meeste wereldproblemen worden volgens hem veroorzaakt door mannen die hun plaats niet willen afstaan aan vrouwen. Voilà, die zit! Daar kan Jeff Hoeyberghs een puntje aan zuigen. En geen enkele man die protesteert, klacht indient, Obama de mond wil snoeren of een mes in zijn pens duwen wegens deze walgelijke, sexistische, haatdragende uitspraak. Conclusie: mannen zijn toleranter, verdraagzamer en grootmoediger dan vrouwen. Hoeveel vrouwen zouden er trouwens bereid zijn hetzelfde te zeggen als Obama, maar dan over mannen? Mannen zijn ontegensprekelijk beter dan vrouwen. Iemand? 

Vrouwen en clichés

  

Inmiddels hebben al 500 vrouwen klacht ingediend tegen Jeff Hoeyberghs wegens zijn vrouwonvriendelijke uitspraken. Ook de Orde van Artsen heeft zich daarbij aangesloten en Hoeyberghs dreigt nu misschien zijn job kwijt te raken. Ik vraag me af: wat hebben al die vrouwen eigenlijk tegen de vrije meningsuiting? Of hebben ze alleen iets tegen de vrije meningsuiting van mannen? Daar begint het wel op te lijken, want in hun mening OVER mannen zijn vrouwen niet bepaald terughoudend dezer dagen, ze zeggen zelfs veel ergere dingen dan Jeff Hoeybreghs. Of veralgemeen ik nu en gaat het alleen over een bepaald soort vrouwen, over cliché-vrouwen? In dat geval zou ik het wel op prijs stellen als normale, niet-karikaturale vrouwen af en toe eens zouden zeggen: not in my name. Want anders ga ik straks nog denken dat Jeff Hoeyberghs gelijk heeft …

Jeff en de clichés

  

Jeff Hoeybergs heeft er weer een paar uit zijn botten geslagen en hop, daar is de Vrouwelijke Verontwaardiging weer! Al 300 klachten heeft chirurgmans aan zijn broek and still counting. Staan die Verontwaardigde Vrouwen er wel eens bij stil dat ze de levende bevestiging zijn van Hoeybergs’ clichés? Ze schreeuwen moord en brand als één enkele (dikke, witte) man iets onvriendelijks ZEGT over vrouwen, maar als honderden (magere, gekleurde) mannen onvriendelijke dingen DOEN tegenover vrouwen, geven ze niet thuis. Ook als die mannen gruwelijke dingen doen tegenover vrouwen én kinderen, geven ze geen krimp. Ze zijn zelfs verontwaardigd als iemand deze macho-mannen met de vinger wijst. Het is alsof ze luid nee, nee, nee roepen, maar eigenlijk bedoelen: onderwerp mij, tuchtig mij, laat me voelen dat je een echte man bent! Als dat geen cliché-gedrag is! 

De geboorte van de hedendaagse kunst

  

Het arme schaap

  

Ziedaar de kunst! Het arme schaap ligt op haar rug, helemaal omgekeerd: ooit zo schoon en nu zo lelijk. Ze ziet er lachwekkend uit, maar in werkelijk is ze in nood: op eigen kracht raakt ze niet meer overeind en riskeert ze te sterven. Dan zitten we zonder wol en moet onze ziel naakt rondlopen. Dat is iets wat ze in de huidige tijd niet overleeft en dus moet dat schaap geholpen worden. De kunst redden betekent onszelf redden. Ze moet weer een schone kunst worden in plaats van zo’n vieze omgekeerde kunst met haar poten in de lucht en haar gat bloot. Het schaap mag echter onder geen beding omgerold worden, want dan kan het kolieken krijgen. Het moet bij de kop overeind worden geholpen, dat wil zeggen: de redding moet in het denken beginnen, want daar is de omkering ook begonnen. De kunst is heus niet vanzelf op haar rug gaan liggen, zij is misschien dom maar ze heeft goede manieren. Nee, het is het moderne denken dat haar heeft wijsgemaakt dat ze als God zelve zou worden als ze op haar rug ging liggen en vieze dingen doen. En het arme schaap is erin getuind. Al 100 jaar ligt de kunst op haar rug, te wachten op een prins die zich een weg baant door de doornhaag van intellectualistische kromrederingen die iedereen doen terugdeinzen. Het klinkt als een sprookje maar, lieve kunstliefhebbers, dat is het NIET.