Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Maand: januari, 2020

Antroposofie Vandaag

  

Wie de actualiteit een beetje volgt, weet dat de vooruitzichten niet goed zijn. Om het met de woorden uit de populaire tv-serie Game of Thrones te zeggen: winter is coming. Om het antroposofisch uit te drukken: Ahriman is op komst. Niemand weet wat er te gebeuren staat, maar er hangt dreiging in de lucht en overal nemen angst en onrust hand over hand toe. Voor veel mensen is de zaak duidelijk: de jaren ’30 zijn weer terug. Honderd jaar na dato staan de nazi’s weer voor de deur en maakt Hitler opnieuw zijn opwachting. Alleen gebeurt dat dit keer niet enkel in Duitsland, maar in heel Europa en zelfs daarbuiten. Reden genoeg voor politici, journalisten, intellectuelen en kunstenaars om te waarschuwen voor de verrechtsing van de maatschappij en de heropleving van het fascisme. Maar het mag niet baten: de rechtse partijen worden alsmaar sterker. Steeds dringender klinkt dan ook de vraag: hoe kunnen we voorkomen dat de geschiedenis zich herhaalt? Hoe kunnen we een nieuwe katastrofe vermijden?

Die vraag is ook aan de orde in het winternummer van Antroposofie Vandaag, het ledenblad van de Antroposofische Vereniging in België. ‘Het is niet gemakkelijk’, aldus Werner Govaerts in het editoriaal, ‘om in deze woelige tijden van fake news, trumpisme, Brexit, IS, klimaatproblemen en andere bedreigingen het hoofd koel te houden en te trachten de grote tendensen, de grote ontwikkelingen te ontwaren.’ Toch citeert hij even verder een door Herbert Hahn opgetekende anekdote over Rudolf Steiner die aan duidelijkheid niets te wensen overlaat: ‘Maar hij zag donkere wolken aan de historische horizon opdoemen, waarvan mensen zoals wij niets konden vermoeden. Zo zei hij op een keer over de waldorfschool: ze zal elke ruk naar links uithouden, maar niet een stevige ruk naar rechts.’ Rudolf Steiner lijkt dus te waarschuwen voor rechts, maar de hoofdredacteur van Antroposofie Vandaag pleit voor enige terughouding. ‘Het zou de moeite waard zijn’, schrijft hij, ‘om te onderzoeken wat Rudolf Steiner precies in gedachten had toen hij dat zei’. 

Ook in een langer artikel over steinerpedagogie pendelt Werner Govaerts heen en weer tussen voorzichtige terughouding en duidelijke stellingname. Zo brengen ‘de rechts-nationalistische en zelfs pre-fascistische tendensen in Noord-België’ hem ertoe een vergelijking te maken tussen de situatie van de steinerscholen vandaag en de situatie van de eerste waldorfschool in Stuttgart. Daar heerste destijds grote verdeeldheid over de houding die de school moest aannemen tegenover het nieuwe nazi-regime. De enen drongen aan op samenwerking teneinde de school open te kunnen houden, de anderen wilden zich niet compromitteren. ‘Historisch gezien’, schrijft Werner Govaerts, ‘hadden de hardliners natuurlijk gelijk’, maar, voegt hij eraan toe, ‘achteraf is het makkelijk oordelen, als je er middenin zit is het moeilijk om een klare kijk te krijgen op de zaak.’ Wijze woorden zijn het, die hij echter meteen weer vergeet, want hij verbaast er zich over hoe weinig mensen zich vandaag uitspreken tegen de rechts-nationalisten. 

‘Dat is des te verwonderlijker’, schrijft hij, ‘omdat we in de jaren ’30 van de vorige eeuw gezien hebben tot welke verschrikkingen het rechts-nationalisme heeft geleid.’ Voor hem is het duidelijk: de N-VA is de Vlaamse NSDAP in wording en hij houdt deze partij dan ook verantwoordelijk voor ‘de verzieking en ontmenselijking van de maatschappij, het ondergraven van het sociale leven en het maatschappelijk vertrouwen, het opwekken en aanwakkeren van angst en eigenbelang’. Hoewel hij kort daarvoor nog schreef hoe moeilijk het is om een klare kijk te ontwikkelen op een situatie waar je middenin zit, twijfelt Werner Govaerts er geen moment aan dat hij met zijn visie aan de juiste kant van de geschiedenis staat. Hij is er zelfs zo zeker van dat hij onomwonden pleit voor politieke actie in de steinerscholen. Als de maatschappij hun voortbestaan bedreigt, schrijft hij, dan moeten ze die maatschappij veranderen. Dat is trouwens wat de leerlingen zelf willen, voegt hij eraan toe, ze willen iets doen

De hoofdredacteur van het ledenblad van de Antroposofische Vereniging die onomwonden aan politiek doet, die vroeger al vond dat steinerscholen kinderen van rechtse ouders moeten kunnen weigeren, en die nu oproept tot links activisme in de klas? Een mens vraagt zich onwillekeurig af wat Rudolf Steiner daarvan gevonden zou hebben. Hoorden steinerscholen volgens hem niet open te staan voor mensen van alle politieke en religieuze gezindten? Of verliest die regel zijn geldigheid in crisissituaties? In dat geval zouden steinerscholen wel eens tamelijk exclusief kunnen worden, want de helft van de Vlaamse bevolking stemt rechts. Met de kinderen van die andere helft wil Werner Govaerts dan de op rechts aansturende maatschappij van koers doen veranderen zodat ze de steinerpedagogie niet langer stokken in de wielen steekt. En dat moet allemaal nu gebeuren, want de jaren ’30 naderen snel, er is niet veel tijd meer om de wereld te veranderen en de steinerscholen te redden.

Hier is duidelijk iemand aan het woord die de kille adem van Ahriman in zijn nek voelt. Werner Govaerts doet weliswaar zijn best om rustig te blijven en wijze, terughoudende woorden te spreken, maar lang kan hij dat niet volhouden. Algauw slaat hij spijkers met koppen: als we geen actie ondernemen, dreigt er opnieuw een katastrofe zoals 100 jaar geleden! Het is een klassiek dilemma dat hier zichtbaar wordt: moeten we ons aanpassen aan de werkelijkheid en proberen er het beste van te maken of moeten we voet bij stuk houden en proberen die werkelijkheid te veranderen? Actie tegenover resignatie, idealisme tegenover realisme, doen tegenover denken. Werner Govaerts kiest zonder omhaal voor actie, voor links activisme tegen het rechtse gevaar. Zijn standpunt heeft alvast het voordeel van de duidelijkheid: gedaan met wikken en wegen, er moet aangepakt worden! Dat is ook wat de jongeren vragen en Werner Govaerts schaart zich ondubbelzinnig aan hun kant.

Het moet gezegd, het is een verfrissend geluid in een antroposofisch blad dat niet meteen uitmunt door eigentijdsheid. Het is wel niet zo erg als destijds in Das Goetheanum, waaruit onmogelijk op te maken viel dat er een wereldoorlog aan de gang was, maar de naam Antroposofie Vandaag dient toch met een korreltje zout te worden genomen. Werner Govaerts doet al een hele tijd zijn best om het blad bij de tijd te brengen, maar de eerbiedwaardige oude-zielensfeer blijft zijn stempel drukken. De spanning tussen de twee zielensferen – de oude en de jonge – is overigens een probleem dat zich niet beperkt tot Antroposofie Vandaag, het is het antroposofische probleem bij uitstek: moeten antroposofen zich terugtrekken en mediteren of moeten ze de wereld in trekken en actief worden? Moeten ze denken of moeten ze doen? Wanneer we de zaken zo stellen, wordt het antwoord vanzelf duidelijk: de antroposofie wil zowel denken als doen. Het is zelfs haar doel om die twee te verbinden, om denkend te doen en doend te denken.

Was dat niet wat Rudolf Steiner beoogde met de Weihnachtstagung? Hij wilde een vereniging die zowel esoterisch-naar-binnen-gericht als exoterisch-naar-buiten-gericht was. Tevoren stonden die twee aspecten los van elkaar en dat gaf enorme spanningen omdat ze elkaar steeds weer voor de voeten liepen. Het bracht Rudolf Steiner zelfs tot wanhoop maar uiteindelijk resulteerde het in wat we een Steigerung van doen en denken zouden kunnen noemen: er ontstond een geheel nieuwe vereniging waarin beide polen samenvielen. Tijdens de daarop volgende karmavoordrachten onthulde Rudolf Steiner de menselijke grondslag van die vereniging: de samenwerking tussen oude en jonge zielen, de denkende samenwerking tussen beide zielengroepen. Kort na die onthulling stierf hij echter, hij kreeg niet meer de kans die prille samenwerking te begeleiden. Nagenoeg meteen braken de vijandelijkheden weer uit. De zielen die hadden moeten samenwerken vervielen in hun oude gewoonten.

Honderd jaar later zijn die antroposofische zielen ouder en wijzer geworden, ze maken geen ruzie meer, ze hebben hun lesje geleerd. Maar kunnen we zeggen dat ze samenwerken, en vooral: dat het een denkende samenwerking is? Werken oude en jonge zielen samen in het besef van hun verschillende aard en met inzicht in hoe die twee geaardheden – de denkende en de doende – met elkaar verzoend moeten worden? De vraag stellen is ze beantwoorden: er is geen sprake van nadenken over oude en jonge zielen, en dus is er ook geen sprake van denkende samenwerking tussen beide. Dat is ook wat zo treffend tot uitdrukking komt in het winternummer van Antroposofie Vandaag, met name dan in de bijdragen van hoofdredacteur Werner Govaerts. Hier zijn twee zielen aan het woord: een oude ziel die pleit voor terughouding en een jonge ziel die oproept tot actie. Maar ze luisteren niet naar elkaar, de vraag is zelfs of ze van elkaars bestaan afweten, want de jonge ziel doet precies het tegenovergestelde van wat de oude ziel adviseert.

Wat we hier zien gebeuren, is in zekere zin een herhaling van wat honderd jaar geleden gebeurde. Na de eerste wereldoorlog stroomden honderden jonge zielen een antroposofische wereld binnen die hoofdzakelijk bestond uit oude zielen die zich in alle rust bezighielden met studie en meditatie. De jonge zielen geloofden echter niet meer in de oude wereld, ze wilden een nieuwe wereld waar de gruwelijkheden die ze hadden gezien niet meer mogelijk waren. Het resultaat was … een voortzetting van de oorlog, zij het dan op kleinere schaal: de spanningen tussen beide zielengroepen escaleerden en ontlaadden zich ten slotte in de brand van het Goetheanum waarvan de oorzaak volgens Rudolf Steiner niet buiten maar binnen de antroposofische vereniging moest worden gezocht. Het betekende het einde van de oude vereniging en de oprichting van een nieuwe vereniging. Maar het mocht niet baten: opnieuw raakten beide zielengroepen slaags alsof er niets veranderd was.

Honderd jaar later is er nog altijd geen eind gekomen aan deze ‘kleine oorlog’, de geschiedenis blijft zich herhalen. De twee zielentypes zijn duidelijk te herkennen in de bijdragen van Werner Govaerts: de wijze oude ziel en de onstuimige jonge ziel. Hun verhouding is nagenoeg dezelfde als tijdens de eerste ontmoeting van beide zielengroepen in de schoot van de antroposofische vereniging: de jonge ziel wil actie zien en de oude ziel maant tot terughouding. We herkennen deze zieledualiteit ook op het wereldtoneel. In de klimaatkwestie bijvoorbeeld staan jonge mensen die dringend om actie roepen tegenover een oude wereld die nauwelijks in beweging te krijgen is. De politieke wereld toont hetzelfde beeld: het jonge progressieve links staat lijnrecht tegenover het oude conservatieve rechts. En in al deze gevallen is er geen sprake van samenwerking, integendeel: er is geen gesprek meer mogelijk. Er heerst louter haat en vijandigheid beide zielengroepen. 

Zwei Seelen wonen ach in meiner Brust, schreef Goethe, de ene wil ten hemel opstijgen, de andere klampt zich vast aan de aarde. Hij had het over het luciferische en het ahrimaanse streven in de mens. De afgelopen honderd jaar hebben we een duidelijke slingerbeweging tussen die twee krachten kunnen waarnemen, alsof de mensheid haar evenwicht verloren heeft. Het begon met een links-luciferische reactie op het ahrimaanse materialisme. Daarop volgde de beruchte rechtse reactie in de jaren ’30. In de jaren ’60 sloeg de slinger weer uit naar links om vandaag opnieuw naar rechts te gaan. Niemand weet hoe dit zal eindigen, maar één ding is zeker: de mensheid zal haar evenwicht niet hervinden zolang ze blind blijft voor deze slingerbeweging. Zolang ze zich blijft identificeren met één van beide polen en de andere pool als de grote vijand beschouwt die te vuur en te zwaard dient bestreden te worden, zal er niets veranderen. Integendeel, de slinger zal steeds verder uitslaan.

Het onvermogen om deze fundamentele dualiteit onder ogen te zien, is de grote blinde vlek in het moderne bewustzijn. Ze vindt haar wortels in de 9de eeuw toen op het concilie van Constantinopel ‘de geest werd afgeschaft’, zoals Rudolf Steiner het uitdrukte. Het drieledige mensbeeld – geest, ziel en lichaam – werd vervangen door een tweeledig mensbeeld waarin geen duidelijk onderscheid meer werd gemaakt tussen ziel en geest. Als gevolg daarvan ging men Christus en Lucifer steeds meer elkaar verwarren. Lucifer werd onbewust geassocieerd met het goede en Ahriman met het kwade. Deze verwarring of vermenging culmineert in de 20ste eeuw: de mens meent de grote strijd met het kwaad uit te vechten maar wordt in werkelijkheid heen en weer geslingerd door de tegenmachten. Deze slingerbeweging veroorzaakt niet alleen ongezien menselijk lijden, ze veroorzaakt ook een bewustzijnsverdoving die de mens dreigt te beroven van zijn menselijkheid, van datgene wat hem onderscheidt van het dier.

Juist doordat de moderne, weldenkende, idealistische mens geen onderscheid meer maakt tussen Lucifer en Ahriman, wordt hij een speelbal van deze zwei Seelen in seiner Brust. Hij voelt Ahriman naderen en werpt zich in de strijd met de draak, niet beseffend dat het Lucifer is die hem daartoe aanzet. Steeds meer mensen, tot kinderen toe, trekken vandaag ten oorlog tegen Ahriman in de overtuiging dat ze daardoor zichzelf redden, dat ze de planeet redden, dat ze deelnemen aan de levensbelangrijke strijd van het goede tegen het kwade. In werkelijkheid doen ze echter precies het omgekeerde: heen en weer geslingerd door de tegenmachten voeren ze een blinde strijd tegen het goede, tegen het menselijke, tegen het christelijke. Slechts één ding kan deze zelfvernietigende strijd-van-allen-tegen-allen een halt toe roepen en dat is zelfkennis, kennis van de zwei Seelen die in eenieders borst wonen en weerspiegeld worden in de links-rechtstegenstelling die de wereld verscheurt en zal blijven verscheuren tot ze begrepen wordt. 

Een oog voor kunst (3)

  

Hoe ontwikkelen we een oog voor kunst? Eenvoudig: door naar kunst te kijken. Maar naar welke kunst? Sinds de hedendaagse kunst op het toneel verscheen, bestaan er namelijk twee verschillende kunsten – de oude en de nieuwe – die ieder een heel andere manier van kijken vragen. De klassieke kunst wil gevoelsmatig benaderd worden, want haar wezen is niet toegankelijk voor het verstand. Als we voor deze kunst een oog willen ontwikkelen, dan moeten we ons verstand uitschakelen. Voor de hedendaagse kunst geldt dan weer het omgekeerde: hier moeten we ons gevoel uitschakelen, want deze kunst laat zich alleen benaderen door het verstand. We moeten dus kiezen voor welke kunst we een oog willen ontwikkelen, tenzij we natuurlijk beide manieren van kijken met elkaar kunnen verzoenen. Maar is dat wel mogelijk? Kunnen we een oog ontwikkelen voor zowel de oude als de nieuwe kunst? Kunnen we kunst zowel gevoelsmatig als verstandelijk benaderen? 

Sommige kunst alleszins wel. Denken we maar aan De Man in de Stoel van Henri De Braekeleer, een schilderij waar de tijd als het ware is blijven stilstaan en tot ruimte is geworden, een ruimte vol geheimen, vol mysterie. Deze ‘gewijde’ ruimte kunnen we alleen met ons gevoel betreden, we moeten ons verstand het zwijgen opleggen, want het is ongepast hier kritische vragen te stellen. Alleen eerbied en bewondering zijn hier op hun plaats. In die zin kan De Man in de Stoel model staan voor de hele klassieke kunst, een kunst die trouwens is voortgekomen uit gewijde ruimten en nog altijd iets van het mysterie in zich draagt dat daar vereerd werd. Zo heeft men dit schilderij van De Braekeleer ook altijd beleefd: als een mysterie dat in eerbiedige stilte moest benaderd worden. Men heeft er dan ook nooit echt over nagedacht en dat is bijzonder jammer, want dit kunstwerk valt heel goed rationeel te benaderen, meer zelfs, het vraagt erom. De Man in de Stoel is een kunstwerk dat zowel met het hart als het hoofd bekeken wil worden.

Wie zich onttrekt aan de betovering die uitgaat van De Man in de Stoel en het schilderij nuchter en kritisch bekijkt, begint vreemde dingen op te merken, dingen die vragen doen rijzen. Gaat men deze vragen niet uit de weg dan wordt langzaam een onvermoede wereld zichtbaar, een ideële wereld die alleen toegankelijk is voor het verstand en verborgen blijft voor het gevoel. Deze onzichtbare gedachtenwereld staat echter niet los van de zichtbare gevoelswereld die iedere liefhebber van De Braekeleer kent. Integendeel, het gaat om één en dezelfde wereld, die van twee kanten benaderd kan worden en daardoor nog wint aan diepgang en mysterie. Schilderijen zoals De Man in de Stoel zijn weliswaar uitzonderingen, maar ze tonen aan dat het wel degelijk mogelijk is kunst op twee verschillende manieren te benaderen en wel zo dat ze eendrachtig samenwerken. Tenminste, dat geldt voor sommige klassieke kunstwerken. Of het ook geldt voor hedendaagse kunstwerken valt nog te bezien.

Eén ding is zeker: hedendaagse kunst roept niet dezelfde gevoelens op als klassieke kunst. Wekt deze laatste in ons gevoelens van eerbied, bewondering, ontroering, troost, weemoed, vreugde enzovoort – aangename gevoelens zeg maar – dan wekt de eerste vooral onaangename gevoelens, gevoelens van bevreemding, verwarring, onbegrip, afkeer en zelfs walging. Dat is ook de bedoeling, want anders dan de klassieke kunst wil de hedendaagse kunst de kijker niet doen dromen van een andere, betere wereld, ze wil hem juist wakker schudden voor de reële wereld. Dat gebeurt niet zelden door hem te choqueren en te desoriënteren, want de onaangename gevoelens die daardoor worden opgeroepen, moeten de kijker aan het denken zetten. Wat in de klassieke kunst een uitzondering is, is in de hedendaagse kunst de regel: ze spreekt niet alleen het gevoel aan maar ook – en vooral – het verstand. Ze lijkt dus bij uitstek geschikt te zijn om een oog voor kunst te ontwikkelen. 

Maar schijn bedriegt. We hebben iets essentieels over het hoofd gezien. Het is niet de hedendaagse kunst zelf die gevoelens en gedachten oproept. De pispot van Marcel Duchamp bijvoorbeeld – die model kan staan voor de hele hedendaagse kunst – zou helemaal niets in ons oproepen als we hem in een toilet of een afvalcontainer aantroffen in plaats van in een museum of een tentoonstellingsruimte. We zouden hem dan geen blik waardig keuren, laat staan dat hij ons tot nadenken zou stemmen. De enige reden waarom we dat nu wel doen, is omdat die banale, ordinaire pispot voorgesteld wordt als een kunstwerk. Dat is waar we op reageren, niet op de pispot zelf. Wat onaangename gevoelens in ons wekt en ons doet nadenken, is dus niet een kunstwerk maar een daad, een barbaarse daad: het schenden van een ‘gewijde’ ruimte die bestemd is voor kunst, dat wil zeggen voor contemplatie en verering. Daarom wekt de hedendaagse kunst afkeer in ons op: omdat ze blasfemisch is. 

Tenminste, dat was ze 100 jaar geleden. Toen riep de pispot van Marcel Duchamp de verontwaardiging op van iedere rechtgeaarde kunstliefhebber. Maar de tijden zijn veranderd: vandaag roept die pispot eerbied en bewondering op. De hedendaagse kunst, zou je kunnen zeggen, is klassiek geworden: in plaats van onaangename gevoelens roept ze nu aangename gevoelens op. Eén ding is echter niet veranderd: het zijn nog altijd niet de pispotten, kartonnen dozen of bananenschillen die deze gevoelens oproepen, maar het feit dat ze gepresenteerd worden als kunst. De verandering ligt in de aanvaarding van dit feit. Wat 100 jaar geleden nog beschouwd werd als een brutale, blasfemische daad wordt vandaag beschouwd als het omgekeerde: als een heldendaad die het begin van een nieuw tijdperk in de kunst inluidde. Er heeft zich de afgelopen eeuw dus een heuse paradigma-verschuiving voorgedaan: onze visie op kunst is compleet veranderd.

Voor de hedendaagse kunst op het toneel verscheen, was niemand zich bewust van enige visie op kunst. Men benaderde kunst louter gevoelsmatig, zonder gedachten. Een bewuste visie op kunst bestond alleen in de academische wetenschap, maar die had geen enkele invloed op de gewone kunstpraktijk. Kunstenaars noch kunstliefhebbers trokken er zich iets van aan, ze kenden die wetenschappelijke visie niet eens. Kunst en wetenschap waren gescheiden werelden. En juist daar vindt de grote verandering plaats: in de 20ste eeuw wordt de grens tussen kunst en wetenschap overschreden: de wetenschap dringt de wereld van de kunst binnen. Reeds tijdens het impressionisme duiken de eerste kunstcritici op en begint het denken over kunst deel uit te maken van de kunstpraktijk. Het is deze vermenging van kunst en wetenschap die de hele kunstwereld op zijn kop zet. En de omwenteling wordt bezegeld met de woorden van Marcel Duchamp: dit is kunst omdat ik het zeg!

Zo luidt het nieuwe paradigma: iets is kunst wanneer iemand zegt dat het kunst is. Deze wetenschappelijke visie wordt vandaag algemeen geaccepteerd. Dat is de revolutie zich de afgelopen eeuw in de kunst voltrokken heeft. Sinds mensenheugnis bestond de kunst uit tekeningen, schilderijen en beeldhouwwerken, maar toen stelde iemand een pispot tentoon met de woorden ‘dit is kunst omdat ik het zeg’ en … hij werd geloofd. Vijftig jaar later twijfelde al niemand meer aan die woorden en wie er vandaag nog durft aan twijfelen, wordt als een cultuurbarbaar beschouwd, als een bekrompen, achterlijk mens. Het grote raadsel van de hedendaagse kunst is niet haar blasfemische karakter – godslastering is van alle tijden – maar het feit dat ze zo snel werd aanvaard. Het is alsof iedereen zat te wachten op de held die de klassieke kunst dood zou verklaren en vervangen door een nieuwe kunst. Die nieuwe kunst veroverde in ieder geval de hele wereld en wordt vandaag overal bewonderd en vereerd.

Deze verering heeft onmiskenbaar religieuze dimensies. Berustte de klassieke kunst op de eigen ervaring – men bewonderde wat men zelf kon waarnemen en beoordelen – dan berust de nieuwe, hedendaagse kunst op blind geloof, op het geloof in mensen die verklaren: dit is kunst omdat ik het zeg! Kunnen die mensen bewijzen wat ze zeggen? Helemaal niet. Kunst laat zich niet bewijzen. Maar waarop berust hun gezag dan? Waarom worden hun beweringen blindelings geloofd? Eenvoudig: omdat iedereen dat doet. De afgelopen eeuw heeft de hedendaagse kunst zich ontwikkeld tot een wereldwijde geloofsgemeenschap, een kunstkerk waar iedere kunstenaar en kunstliefhebber deel van uitmaakt. Waarom willen moderne, ontwikkelde mensen deel uitmaken van een kerk die zo’n extreem autoritair geloof belijdt? Om dezelfde reden waarom mensen vroeger deel uitmaakten van de katholieke kerk: omdat het grote problemen oplevert als je dat niet doet. 

Wanneer Marcel Duchamp een pispot tentoonstelt met de woorden dit is kunst omdat ik het zeg, dan doet hij hetzelfde als de priester die een stuk brood zegent en het aan de gelovigen toont met de woorden ‘dit is het lichaam van Christus’. En net zoals dat vroeger in de mis gebeurde, buigen de hedendaagse gelovigen eerbiedig het hoofd voor dit getranssubstantieerde stukje materie, dat opeens geen ordinaire pispot meer is, maar ‘het lichaam van de nieuwe god van de kunst’. Deze nieuwe kunstgod is een stuk machtiger dan de oude want om het even wat kan veranderd worden in zijn lichaam, ja de hele wereld kan getranssubstantieerd worden tot hedendaagse kunst. Iedereen kan ook priester worden: Jeder Mensch ein Kunstler. De nieuwe kunstkerk is veel democratischer en internationaler dan de katholieke kerk ooit was: ze is toegankelijk voor iedereen en overstijgt alle grenzen, alle rassen, alle volkeren, alle culturen. Op deze internationale kerk was het dat de mensheid zat te wachten, voor deze wereldreligie was ze klaar. 

Werkelijk? Wie kan geloven dat de mens van de 20ste eeuw zat te wachten op een religie die van hem een blind geloof vergt in wat niet kan waargenomen, aangevoeld of begrepen worden! De hedendaagse kunst is geen heruitgave van de katholieke kerk, ze is een regressie naar veel oudere tijden, toen de mens nog niet in staat was tot zelfstandig denken en voelen. En op die prehistorische religie zat de moderne mens te wachten? Voor dat blinde geloof was hij bereid zijn hoogontwikkelde bewustzijn op te geven? Nee, dat is ondenkbaar. En toch. Zowat ieder kunstminnend mens belijdt vandaag het nieuwe geloof. Althans in het openbaar. Niemand waagt het en plein public ook maar één kritisch woord te zeggen over de hedendaagse kunst. Wat de kunstliefhebber werkelijk denkt en voelt over de nieuwe god die hij slaafs eer betuigt, daar hebben we het raden naar. De vraag is of hij dat zelf nog weet, want zelfstandig denken en voelen levert in de hedendaagse kunstwereld alleen maar problemen op.

Hoe is de moderne mens ten prooi kunnen vallen aan dit volstrekt anachronistische geloof? Wat heeft die beschamende regressie veroorzaakt? Dat ligt eigenlijk voor de hand: het is het verlangen naar de geest, het verlangen dat sinds het einde van het Kali Yuga weer wakker is geworden en alsmaar sterker wordt. Van dat verlangen is de mens zich, materialistisch als hij is, echter niet bewust. Hij weet niet dat er in zijn ziel een onstuitbaar verlangen leeft naar een hogere, geestelijke wereld, een verlangen om zich over te geven aan iets of iemand die groter is dan hijzelf. Zonder dat hij het beseft, vermengt dat geestelijke verlangen zich met dat andere onstuitbare verlangen in zijn ziel, het verlangen naar de materie. Het resultaat van die onbewuste vermenging van luciferisch en ahrimaans verlangen, is de nieuwe religie van de hedendaagse kunst, een religie die niets menselijks meer heeft omdat ze berust op het opgeven van het eigen oordeelsvermogen, op de overgave van denken, voelen en willen aan de tegenmachten. 

Wie een reis maakt doorheen de wereld van de hedendaagse kunst waant zich in een krankzinnigengesticht. Hij ziet mensen die met hun uitwerpselen spelen en zich kunstenaar wanen. Hij ziet deskundigen die instemmend knikken alsof ze denken: wie niet wordt als de kinderkens zal het Rijk Gods niet binnengaan. Hij ziet bezoekers die met een mengeling van huiver en fascinatie kijken naar deze aberraties en stiekem denken: gelukkig zijn wij zo niet! Hij ziet rijkelui die waanzinnige bedragen betalen voor het afval dat deze krankzinnigen produceren en hij ziet hoe de overheid het ene paleis na het andere optrekt om dit afval te etaleren. Hij denkt: dit kan niet waar zijn! Het is niet mogelijk dat al die mensen krankzinnig zijn geworden, dat de hele kunstwereld krankzinnig is geworden! En hij begint te twijfelen aan zichzelf: misschien zijn het niet de anderen die krankzinnig zijn, misschien ben ik zelf krankzinnig aan het worden! En om verlost te zijn van die kwellende twijfel treedt hij ten slotte toe tot de nieuwe kerk.

Door deze overgave komt er een eind aan zijn innerlijke strijd. De bekeerde kunstliefhebber hoeft nu niet meer te kiezen tussen de oude en de nieuwe kunst, hij hoeft zich niet voortdurend af te vragen: is dit nu kunst of niet? Hij kan nu onbekommerd alles omarmen. En hij wordt ook zelf omarmd: hij koestert zich in het besef opgenomen te zijn in de nieuwe moederkerk. Hij is nu eindelijk een mens van deze tijd geworden: ruimdenkend, inclusief, geen onderscheid makend tussen goed en slecht. Dat laatste laat hij over aan de bekrompen hokjesdenkers die overal grenzen willen trekken, die overal onderscheidingen willen maken. Wat een opluchting om bevrijd te zijn van dat oude, polariserende denken! Wat een vreugde om over die drempel te zijn geraakt en deel uit te maken van de heerlijke nieuwe wereld! En het is zo gemakkelijk! De nieuwe god vraagt helemaal niet veel van zijn volgelingen: alleen dat ze hun oordeelsvermogen opgeven, dat ze ophouden onderscheid te maken, dat ze niet meer kiezen. 

De madonna en het kind

  

Wie de geestelijke wereld wil binnengaan, aldus Rudolf Steiner, moet enerzijds op de juiste manier leren denken, en anderzijds telkens weer terugkeren naar zijn eigen verleden, tot in de kindertijd toe. (Zie mijn blogbericht Twee dingen.) Als antroposoof wordt een mens natuurlijk verondersteld de geestelijke wereld met graagte te willen betreden, maar zelf ben ik daar nooit zo happig op geweest. De zintuiglijke wereld is me veel te lief dan dat ik hem zou willen ruilen voor een wereld die ik niet ken en waarbij ik me niks kan voorstellen. En toch doe ik al m’n hele leven precies wat Rudolf Steiner zegt: ik probeer zo juist mogelijk te denken en ik keer telkens weer terug naar mijn verleden. Ik doe dat niet omdat Steiner het zegt, maar omdat ik niet anders kan, omdat mijn leven mij daar als het ware toe dwingt. Maar dat leven heb ik zelf ontworpen, wat het mij verplicht te doen, heb ik dus eigenlijk zelf gewild. En dat betekent dat ik wel degelijk de geestelijke wereld wil binnengaan.

Er leven dus twee tegengestelde ‘willen’ in mijn ziel: één die streeft naar de geestelijke wereld en één die streeft naar de zintuiglijke wereld. Oftewel een luciferische wil en een ahrimaanse wil. Maar daar ben ik mij niet echt bewust van. Ik zie mezelf niet als iemand die de geestelijke wereld wil binnengaan (daarvoor hang ik te zeer aan de zintuiglijke werkelijkheid), maar ik zie mezelf evenmin als iemand wiens wil gericht is op de materie (daarvoor gaat mijn belangstelling te veel uit naar geestelijke zaken). Het is alsof deze twee ‘willen’ elkaar onzichtbaar maken. Pas wanneer ik ze duidelijk van elkaar onderscheid, begin ik te begrijpen hoe sterk en dwingend ze allebei zijn in mijn leven. Dat ik me daar zo moeilijk van bewust word, komt wellicht doordat er nog een ‘derde wil’ in mijn ziel leeft: mijn kunstzinnige, scheppende wil, die beide andere met elkaar verbindt tot één enkele wil. Want kunst is onmiskenbaar geestelijk van aard, maar zonder zintuiglijke wereld kan ze niet bestaan. Geen kunst zonder materie

Kunst is zowel een doen als een denken. Normaal gezien treden deze twee polen gescheiden op, maar in de kunst vormen ze een eenheid. Het gewone (bewuste) doen vertrekt van een plan, een gedachte, iets dat men begrijpt. Vervolgens wordt dat plan uitgevoerd: het denken wordt in doen omgezet en het resultaat wordt verondersteld overeen te komen met de oorspronkelijke gedachte. In de kunst daarentegen vertrekt men niet van een gedachte, maar van een waarneming: men wil bijvoorbeeld een boom tekenen. Om dat te kunnen moet men die boom begrijpen, niet door hem te vertalen in begrippen (die enkel gedacht worden) maar door hem te vertalen in vormen (die meteen getekend worden). Er is met andere woorden geen afstand tussen denken en doen: tekenen is een begrijpen. Het is niet het uitvoeren van iets wat men gedacht heeft, het is het zichtbaar gemaakte denken zelf. Dat denken is hetzelfde als het wetenschappelijke denken, maar in een zintuiglijker – en daarom levendiger maar tegelijk ook minder heldere – vorm. 

In mijn jeugd lagen deze twee vormen nog dicht bij elkaar. Dat kwam zelfs tot uitdrukking in het feit dat school en academie vlak tegenover elkaar lagen. Pas vanaf mijn 14de werd ik mij bewust van de diepe kloof tussen beide. Terwijl het kunstzinnige begrijpen me steeds beter af ging, kreeg ik een intense hekel aan het wetenschappelijke begrijpen. Het was voor mij trouwens geen begrijpen, het was het nabootsen van gedachten die los stonden van de werkelijkheid. Die kloof tussen dode abstractie en levende zintuiglijkheid kon ik niet verdragen. Ik verafschuwde de exclusiviteit en onverdraagzaamheid van de wetenschap. Aan de academie leerde ik tekenen door middel van wiskunde: de abstracte meetkunde ging er als vanzelf over in zintuiglijke kunst, ze vormden geen tegenstelling. Het kunstzinnige begrijpen was met andere woorden inclusief. Op school daarentegen was er alleen plaats voor wetenschap. Wiskunde ging hier niet over in kunst, wel integendeel, ze sloot de kunst uit.

Die uitsluiting maakte mijn schooltijd uiteindelijk tot een hel, terwijl de inclusiviteit van de kunst mijn academietijd tot een hemel maakte. De harmonische eenheid die er heerste, werd belichaamd door de vlakbij gelegen St.Romboutskathedraal: een schitterend kunstwerk, maar tegelijk ook een indrukwekkend staaltje vakmanschap en technisch-wetenschappelijk inzicht. Is het trouwens niet uit de schoot van die oude kunstzinnig-religieuze wereld dat wetenschap zich heeft ontwikkeld? Ze is er het kind van. Dat beleefde ik ook aan de academie: het was niet alleen een ‘gewijde ruimte’ waar ik leerde tekenen, het was ook de plek waar ik leerde denken, waar ik wakker werd. Op school daarentegen – waar die levende eenheid van religie, kunst en wetenschap totaal verbroken was – raakte mijn bewustzijn steeds meer afgestompt. Ik kwam er uiteindelijk in een toestand van verdoving terecht waarin ik niets meer begreep van de wereld om me heen, die me volkomen absurd voorkwam.

Kunst was voor mij synoniem met leven, wetenschap met dood. En tot mijn stijgende ontzetting zag en beleefde ik hoe de doodskrachten de levenskrachten steeds meer in het nauw dreven. Enkel aan de academie kon ik mij overgeven aan de kunst, en dan nog alleen op zondag. Maar die paar uur per week maakten voor mij alle verschil, want ze toonden mij dat er een wereld bestond waar geen tegenstellingen heersten, waar ik innerlijk niet uit elkaar werd gescheurd, en waar ik kon zijn wie ik was. Die kunstzinnige wereld stond echter op het punt te verdwijnen, niet alleen uit mijn eigen leven, maar uit de wereld tout court. Ik was er getuige van hoe de oude, niet-dualistische kunst vervangen werd door een uiterst dualistische nieuwe kunst. Deze ‘hedendaagse kunst’ was geen kunst, maar ook geen wetenschap. Ze was de belichaming van de kloof tussen beide: er was geen enkel waarneembaar verband tussen het (zogenaamde) kunstwerk en de (zogenaamde) wetenschappelijke uitleg. 

Waar ik altijd zoveel vreugde had aan beleefd: die mysterieuze eenheid van kunst en wetenschap – als de eenheid van moeder en ongeboren kind – ontbrak geheel en al in de hedendaagse kunst. Daar beleefde ik de scheiding van moeder en kind – het uit elkaar drijven van kunst en wetenschap – als een ondraaglijke kwelling. Maar zo begreep ik het toen nog niet, ik begreep er helemaal niets van. Hoe kwamen mensen er in godsnaam toe om tekeningen, schilderijen en beeldhouwwerken te vervangen door pispotten, kartonnen dozen en bananenschillen? Ik luisterde naar de redenen die ze daarvoor opgaven, maar die klonken me al even onwetenschappelijk in de oren als de kunst er onkunstzinnig uitzag. Ze sloegen nergens op, ze verklaarden helemaal niets. Hedendaagse kunst was geen kunst, het was geen wetenschap, het was … niets. Maar dat ‘niets’ vervulde me wel met verbijstering en ontzetting, want er ging een enorme kracht vanuit, een kracht die alles vernietigde waar ik zo van hield.

Het was dit ‘vernietigende niets’ dat me aan het denken zette over kunst. Dat was trouwens het enige wat ik kon doen, want het was zelfmoord om je (in de praktijk) te verzetten tegen de nieuwe onkunst. De weinige kunstenaars die dat probeerden, hielden het niet lang vol: ze gingen één voor één door de knieën. De sociale, economische en geestelijke druk om de oude kunst in te ruilen voor de nieuwe was dan ook enorm. Ik had het geluk de kunstwereld tijdig te verlaten en over te stappen naar de wetenschappelijke wereld. Maar deze ingreep van het lot beleefde ik niet als een geluk, wel integendeel. Ik beleefde het als een ongeluk, een vreselijke vergissing, iets wat nooit had mogen gebeuren. Ik vond het vreselijk afgesneden te worden van de alomvattende kunstzinnige moederwereld waar ik me altijd zo thuis had gevoeld. En ofschoon ik aanvankelijk contact probeerde te houden, werd dat algauw veel te pijnlijk. De kloof tussen kunst en wetenschap was veel te groot, ik kon die spagaat niet volhouden. 

Mijn overgang van de academie naar de universiteit was als een – bijzonder pijnlijke – geboorte. Ik werd verdreven uit een wereld waar ik me als een vis in het water had gevoeld, ik werd op het droge geworpen. De wereld waar ik terechtkwam, was kaal en kleurloos, ik had geen idee wat ik er kwam doen. Maar in die grauwe wetenschappelijke wereld vond ik wel zaken die ik in de wereld van de kunst niet had gevonden. Om te beginnen het contact met andere mensen: dat was er aan de academie niet geweest. Alles stond daar in het teken van de kunst en kunst was een strikt individuele zaak. Kunstenaars zijn in wezen solitaire mensen, wetenschappers zijn veel socialer. Dat volgt uit het verschil tussen het rationele denken – dat in feite één groot gesprek is – en het kunstzinnige denken – dat een vorm van eenzaam dromen is. Ik vond aan de universiteit dan ook mijn vrouw, een veel wetenschappelijker en socialer wezen dan ikzelf. En ik vond er de antroposofie, eveneens een wetenschappelijk en sociaal vrouwelijk wezen: Antroposofia

In de wereld van het dode denken vond ik inderdaad de kiem van een nieuw, levend denken, een kiem die zich in twee richtingen ontwikkelde: mijn beginnende, aarzelende nadenken over kunst, en mijn niet minder aarzelende nadenken over (geestes)wetenschap. Die eerste manier van denken was heel persoonlijk, intiem zelfs. Ik dacht na over iets waar ik intens van hield en daar had niemand wat mee te maken, het was iets tussen mij en de kunst. Het kon me dan ook niet schelen wat anderen dachten over de kunst, ik wilde mijn gedachten enkel en alleen halen uit wat ik met mijn eigen ogen zag. Ten aanzien van de antroposofie kon ik dat natuurlijk niet, want ik had geen enkele waarneming van de geestelijke wereld. Hier was ik helemaal aangewezen op wat anderen daarover dachten, in de eerste plaats dan Rudolf Steiner. Ging het in de kunst om het geloof en het vertrouwen in mezelf, dan ging het in de (geestes)wetenschap om het geloof en het vertrouwen in anderen. 

In beide gevallen gebruikte ik hetzelfde ‘ontwakende’ denken, maar ik hield de twee sporen waarlangs het verliep zorgvuldig gescheiden. Ik liet geen antroposofische gedachten toe in mijn denken over kunst, en met dat zeer persoonlijke denken kon ik ook niks aanvangen in de onpersoonlijke antroposofische wereld, waar alleen de gedachten van Rudolf Steiner als juist golden. Maar volkomen onverwacht kruisten die twee sporen elkaar. Ik zag Basic Instinct, een film die me enerzijds dieper trof en meer vreugde verschafte dan enig kunstwerk ooit gedaan had, en die me anderzijds ook aan het denken zette, logischer en nauwkeuriger dan ik ooit had gedaan. Juist door dat samengaan van (uiterste) gevoelsmatige betrokkenheid en (uiterste) rationele afstandelijkheid begon het me te dagen dat Basic Instinct antroposofie-in-beeld was. Wat in mijn denken altijd gescheiden had geleefd, was in de kunst als een eenheid verschenen. Moeder en kind waren weer verenigd.

Het was de ontdekking van mijn leven. Zoiets had ik nog nooit gezien, ik had het zelfs niet voor mogelijk gehouden. Zeven jaar tevoren had ik de toegang tot de antroposofie gevonden via het meest abstracte boek dat Rudolf Steiner ooit geschreven had – De Filosofie van de Vrijheid – en nu vond ik die toegang opnieuw via Basic Instinct, het meest zinnelijke kunstwerk dat ik ooit gezien had. Zoals ik doorheen de droge wetenschappelijkheid van het boek de kunstzinnige kern had waargenomen, zo nam ik nu doorheen de zintuiglijke kunstzinnigheid van de film zijn (geestes)wetenschappelijke kern waar. Beide – wetenschap en kunst – waren hier zijden van dezelfde medaille. Dat begreep ik op dat moment nog niet – het hoofd is zeer traag – maar mijn hart reageerde meteen op die hereniging van moeder en kind: het werd overspoeld door vreugde. Het was het begin van een nieuwe – dit keer veel bewustere – relatie tussen kunst en wetenschap. Ik begon nu pas echt na te denken over kunst en de antroposofie kwam nu pas echt tot leven.

Op die vreugde volgde echter een diep verdriet: niemand herkende deze hereniging van moeder en kind, de antroposofische wereld nog het minst van al. Verre van zichzelf te herkennen in de spiegel die Basic Instinct was, wezen antroposofen dit kunstwerk verontwaardigd af. Ze slaagden er niet in door het zeer aardse, zintuiglijke uiterlijk van deze film heen te kijken. Ze zeiden: wat voor goeds kan er uit Hollywood komen! De koninklijke Rudolf Steiner met zijn indrukwekkende wijsheid, ja die ontvingen ze met open armen, maar de herderlijke versie die in de donkere grot van de bioscoop verscheen, daar voelden ze alleen maar minachting en afkeer voor. Ik was niet bij machte hen uit te leggen wat mijn hart gezien en beleefd had: ik was maar een ‘simpele ziel’ die door het lot naar een grot was geleid waar ik tot mijn opperste verbazing een moeder en haar kind had aangetroffen. Het was pas door die ontmoeting dat ik begon na te denken over de beelden die ik had gezien en die een ander mens van me hadden gemaakt.

Ontelbare keren heb ik de film (sic) van deze ontmoeting in gedachten afgespeeld, proberend haar te begrijpen. Door er steeds weer en steeds beter over na te denken, stel ik tot mijn verbazing vast dat het oerbeeld van de madonna met het kind mijn hele leven beheerst. Ik kan het zelfs terugvolgen tot in mijn vroege jeugd. Het is een beeld van wat ik altijd gewild heb, een beeld van mijn leven. Door na te denken over dat beeld realiseer ik het ook, stap voor stap. Want mijn denken komt langzaam tot leven en verbindt zich daardoor, heel langzaam, weer met zijn kunstzinnig-geestelijke moeder. Dat is een buitengewoon ingewikkeld proces dat de samenwerking van de ‘drie willen’ impliceert: de luciferische, de ahrimaanse en de kunstzinnige. Alleen al het beeld van deze samenwerking doet me duizelen, laat staan dat de realiteit ervan reeds aan de orde zou zijn. En toch, het is een begin. De nieuwe wereld begint met de moeizame verrijzenis van het dode denken, met de hereniging van moeder en kind.