De madonna en het kind

door lievendebrouwere

  

Wie de geestelijke wereld wil binnengaan, aldus Rudolf Steiner, moet enerzijds op de juiste manier leren denken, en anderzijds telkens weer terugkeren naar zijn eigen verleden, tot in de kindertijd toe. (Zie mijn blogbericht Twee dingen.) Als antroposoof wordt een mens natuurlijk verondersteld de geestelijke wereld met graagte te willen betreden, maar zelf ben ik daar nooit zo happig op geweest. De zintuiglijke wereld is me veel te lief dan dat ik hem zou willen ruilen voor een wereld die ik niet ken en waarbij ik me niks kan voorstellen. En toch doe ik al m’n hele leven precies wat Rudolf Steiner zegt: ik probeer zo juist mogelijk te denken en ik keer telkens weer terug naar mijn verleden. Ik doe dat niet omdat Steiner het zegt, maar omdat ik niet anders kan, omdat mijn leven mij daar als het ware toe dwingt. Maar dat leven heb ik zelf ontworpen, wat het mij verplicht te doen, heb ik dus eigenlijk zelf gewild. En dat betekent dat ik wel degelijk de geestelijke wereld wil binnengaan.

Er leven dus twee tegengestelde ‘willen’ in mijn ziel: één die streeft naar de geestelijke wereld en één die streeft naar de zintuiglijke wereld. Oftewel een luciferische wil en een ahrimaanse wil. Maar daar ben ik mij niet echt bewust van. Ik zie mezelf niet als iemand die de geestelijke wereld wil binnengaan (daarvoor hang ik te zeer aan de zintuiglijke werkelijkheid), maar ik zie mezelf evenmin als iemand wiens wil gericht is op de materie (daarvoor gaat mijn belangstelling te veel uit naar geestelijke zaken). Het is alsof deze twee ‘willen’ elkaar onzichtbaar maken. Pas wanneer ik ze duidelijk van elkaar onderscheid, begin ik te begrijpen hoe sterk en dwingend ze allebei zijn in mijn leven. Dat ik me daar zo moeilijk van bewust word, komt wellicht doordat er nog een ‘derde wil’ in mijn ziel leeft: mijn kunstzinnige, scheppende wil, die beide andere met elkaar verbindt tot één enkele wil. Want kunst is onmiskenbaar geestelijk van aard, maar zonder zintuiglijke wereld kan ze niet bestaan. Geen kunst zonder materie

Kunst is zowel een doen als een denken. Normaal gezien treden deze twee polen gescheiden op, maar in de kunst vormen ze een eenheid. Het gewone (bewuste) doen vertrekt van een plan, een gedachte, iets dat men begrijpt. Vervolgens wordt dat plan uitgevoerd: het denken wordt in doen omgezet en het resultaat wordt verondersteld overeen te komen met de oorspronkelijke gedachte. In de kunst daarentegen vertrekt men niet van een gedachte, maar van een waarneming: men wil bijvoorbeeld een boom tekenen. Om dat te kunnen moet men die boom begrijpen, niet door hem te vertalen in begrippen (die enkel gedacht worden) maar door hem te vertalen in vormen (die meteen getekend worden). Er is met andere woorden geen afstand tussen denken en doen: tekenen is een begrijpen. Het is niet het uitvoeren van iets wat men gedacht heeft, het is het zichtbaar gemaakte denken zelf. Dat denken is hetzelfde als het wetenschappelijke denken, maar in een zintuiglijker – en daarom levendiger maar tegelijk ook minder heldere – vorm. 

In mijn jeugd lagen deze twee vormen nog dicht bij elkaar. Dat kwam zelfs tot uitdrukking in het feit dat school en academie vlak tegenover elkaar lagen. Pas vanaf mijn 14de werd ik mij bewust van de diepe kloof tussen beide. Terwijl het kunstzinnige begrijpen me steeds beter af ging, kreeg ik een intense hekel aan het wetenschappelijke begrijpen. Het was voor mij trouwens geen begrijpen, het was het nabootsen van gedachten die los stonden van de werkelijkheid. Die kloof tussen dode abstractie en levende zintuiglijkheid kon ik niet verdragen. Ik verafschuwde de exclusiviteit en onverdraagzaamheid van de wetenschap. Aan de academie leerde ik tekenen door middel van wiskunde: de abstracte meetkunde ging er als vanzelf over in zintuiglijke kunst, ze vormden geen tegenstelling. Het kunstzinnige begrijpen was met andere woorden inclusief. Op school daarentegen was er alleen plaats voor wetenschap. Wiskunde ging hier niet over in kunst, wel integendeel, ze sloot de kunst uit.

Die uitsluiting maakte mijn schooltijd uiteindelijk tot een hel, terwijl de inclusiviteit van de kunst mijn academietijd tot een hemel maakte. De harmonische eenheid die er heerste, werd belichaamd door de vlakbij gelegen St.Romboutskathedraal: een schitterend kunstwerk, maar tegelijk ook een indrukwekkend staaltje vakmanschap en technisch-wetenschappelijk inzicht. Is het trouwens niet uit de schoot van die oude kunstzinnig-religieuze wereld dat wetenschap zich heeft ontwikkeld? Ze is er het kind van. Dat beleefde ik ook aan de academie: het was niet alleen een ‘gewijde ruimte’ waar ik leerde tekenen, het was ook de plek waar ik leerde denken, waar ik wakker werd. Op school daarentegen – waar die levende eenheid van religie, kunst en wetenschap totaal verbroken was – raakte mijn bewustzijn steeds meer afgestompt. Ik kwam er uiteindelijk in een toestand van verdoving terecht waarin ik niets meer begreep van de wereld om me heen, die me volkomen absurd voorkwam.

Kunst was voor mij synoniem met leven, wetenschap met dood. En tot mijn stijgende ontzetting zag en beleefde ik hoe de doodskrachten de levenskrachten steeds meer in het nauw dreven. Enkel aan de academie kon ik mij overgeven aan de kunst, en dan nog alleen op zondag. Maar die paar uur per week maakten voor mij alle verschil, want ze toonden mij dat er een wereld bestond waar geen tegenstellingen heersten, waar ik innerlijk niet uit elkaar werd gescheurd, en waar ik kon zijn wie ik was. Die kunstzinnige wereld stond echter op het punt te verdwijnen, niet alleen uit mijn eigen leven, maar uit de wereld tout court. Ik was er getuige van hoe de oude, niet-dualistische kunst vervangen werd door een uiterst dualistische nieuwe kunst. Deze ‘hedendaagse kunst’ was geen kunst, maar ook geen wetenschap. Ze was de belichaming van de kloof tussen beide: er was geen enkel waarneembaar verband tussen het (zogenaamde) kunstwerk en de (zogenaamde) wetenschappelijke uitleg. 

Waar ik altijd zoveel vreugde had aan beleefd: die mysterieuze eenheid van kunst en wetenschap – als de eenheid van moeder en ongeboren kind – ontbrak geheel en al in de hedendaagse kunst. Daar beleefde ik de scheiding van moeder en kind – het uit elkaar drijven van kunst en wetenschap – als een ondraaglijke kwelling. Maar zo begreep ik het toen nog niet, ik begreep er helemaal niets van. Hoe kwamen mensen er in godsnaam toe om tekeningen, schilderijen en beeldhouwwerken te vervangen door pispotten, kartonnen dozen en bananenschillen? Ik luisterde naar de redenen die ze daarvoor opgaven, maar die klonken me al even onwetenschappelijk in de oren als de kunst er onkunstzinnig uitzag. Ze sloegen nergens op, ze verklaarden helemaal niets. Hedendaagse kunst was geen kunst, het was geen wetenschap, het was … niets. Maar dat ‘niets’ vervulde me wel met verbijstering en ontzetting, want er ging een enorme kracht vanuit, een kracht die alles vernietigde waar ik zo van hield.

Het was dit ‘vernietigende niets’ dat me aan het denken zette over kunst. Dat was trouwens het enige wat ik kon doen, want het was zelfmoord om je (in de praktijk) te verzetten tegen de nieuwe onkunst. De weinige kunstenaars die dat probeerden, hielden het niet lang vol: ze gingen één voor één door de knieën. De sociale, economische en geestelijke druk om de oude kunst in te ruilen voor de nieuwe was dan ook enorm. Ik had het geluk de kunstwereld tijdig te verlaten en over te stappen naar de wetenschappelijke wereld. Maar deze ingreep van het lot beleefde ik niet als een geluk, wel integendeel. Ik beleefde het als een ongeluk, een vreselijke vergissing, iets wat nooit had mogen gebeuren. Ik vond het vreselijk afgesneden te worden van de alomvattende kunstzinnige moederwereld waar ik me altijd zo thuis had gevoeld. En ofschoon ik aanvankelijk contact probeerde te houden, werd dat algauw veel te pijnlijk. De kloof tussen kunst en wetenschap was veel te groot, ik kon die spagaat niet volhouden. 

Mijn overgang van de academie naar de universiteit was als een – bijzonder pijnlijke – geboorte. Ik werd verdreven uit een wereld waar ik me als een vis in het water had gevoeld, ik werd op het droge geworpen. De wereld waar ik terechtkwam, was kaal en kleurloos, ik had geen idee wat ik er kwam doen. Maar in die grauwe wetenschappelijke wereld vond ik wel zaken die ik in de wereld van de kunst niet had gevonden. Om te beginnen het contact met andere mensen: dat was er aan de academie niet geweest. Alles stond daar in het teken van de kunst en kunst was een strikt individuele zaak. Kunstenaars zijn in wezen solitaire mensen, wetenschappers zijn veel socialer. Dat volgt uit het verschil tussen het rationele denken – dat in feite één groot gesprek is – en het kunstzinnige denken – dat een vorm van eenzaam dromen is. Ik vond aan de universiteit dan ook mijn vrouw, een veel wetenschappelijker en socialer wezen dan ikzelf. En ik vond er de antroposofie, eveneens een wetenschappelijk en sociaal vrouwelijk wezen: Antroposofia

In de wereld van het dode denken vond ik inderdaad de kiem van een nieuw, levend denken, een kiem die zich in twee richtingen ontwikkelde: mijn beginnende, aarzelende nadenken over kunst, en mijn niet minder aarzelende nadenken over (geestes)wetenschap. Die eerste manier van denken was heel persoonlijk, intiem zelfs. Ik dacht na over iets waar ik intens van hield en daar had niemand wat mee te maken, het was iets tussen mij en de kunst. Het kon me dan ook niet schelen wat anderen dachten over de kunst, ik wilde mijn gedachten enkel en alleen halen uit wat ik met mijn eigen ogen zag. Ten aanzien van de antroposofie kon ik dat natuurlijk niet, want ik had geen enkele waarneming van de geestelijke wereld. Hier was ik helemaal aangewezen op wat anderen daarover dachten, in de eerste plaats dan Rudolf Steiner. Ging het in de kunst om het geloof en het vertrouwen in mezelf, dan ging het in de (geestes)wetenschap om het geloof en het vertrouwen in anderen. 

In beide gevallen gebruikte ik hetzelfde ‘ontwakende’ denken, maar ik hield de twee sporen waarlangs het verliep zorgvuldig gescheiden. Ik liet geen antroposofische gedachten toe in mijn denken over kunst, en met dat zeer persoonlijke denken kon ik ook niks aanvangen in de onpersoonlijke antroposofische wereld, waar alleen de gedachten van Rudolf Steiner als juist golden. Maar volkomen onverwacht kruisten die twee sporen elkaar. Ik zag Basic Instinct, een film die me enerzijds dieper trof en meer vreugde verschafte dan enig kunstwerk ooit gedaan had, en die me anderzijds ook aan het denken zette, logischer en nauwkeuriger dan ik ooit had gedaan. Juist door dat samengaan van (uiterste) gevoelsmatige betrokkenheid en (uiterste) rationele afstandelijkheid begon het me te dagen dat Basic Instinct antroposofie-in-beeld was. Wat in mijn denken altijd gescheiden had geleefd, was in de kunst als een eenheid verschenen. Moeder en kind waren weer verenigd.

Het was de ontdekking van mijn leven. Zoiets had ik nog nooit gezien, ik had het zelfs niet voor mogelijk gehouden. Zeven jaar tevoren had ik de toegang tot de antroposofie gevonden via het meest abstracte boek dat Rudolf Steiner ooit geschreven had – De Filosofie van de Vrijheid – en nu vond ik die toegang opnieuw via Basic Instinct, het meest zinnelijke kunstwerk dat ik ooit gezien had. Zoals ik doorheen de droge wetenschappelijkheid van het boek de kunstzinnige kern had waargenomen, zo nam ik nu doorheen de zintuiglijke kunstzinnigheid van de film zijn (geestes)wetenschappelijke kern waar. Beide – wetenschap en kunst – waren hier zijden van dezelfde medaille. Dat begreep ik op dat moment nog niet – het hoofd is zeer traag – maar mijn hart reageerde meteen op die hereniging van moeder en kind: het werd overspoeld door vreugde. Het was het begin van een nieuwe – dit keer veel bewustere – relatie tussen kunst en wetenschap. Ik begon nu pas echt na te denken over kunst en de antroposofie kwam nu pas echt tot leven.

Op die vreugde volgde echter een diep verdriet: niemand herkende deze hereniging van moeder en kind, de antroposofische wereld nog het minst van al. Verre van zichzelf te herkennen in de spiegel die Basic Instinct was, wezen antroposofen dit kunstwerk verontwaardigd af. Ze slaagden er niet in door het zeer aardse, zintuiglijke uiterlijk van deze film heen te kijken. Ze zeiden: wat voor goeds kan er uit Hollywood komen! De koninklijke Rudolf Steiner met zijn indrukwekkende wijsheid, ja die ontvingen ze met open armen, maar de herderlijke versie die in de donkere grot van de bioscoop verscheen, daar voelden ze alleen maar minachting en afkeer voor. Ik was niet bij machte hen uit te leggen wat mijn hart gezien en beleefd had: ik was maar een ‘simpele ziel’ die door het lot naar een grot was geleid waar ik tot mijn opperste verbazing een moeder en haar kind had aangetroffen. Het was pas door die ontmoeting dat ik begon na te denken over de beelden die ik had gezien en die een ander mens van me hadden gemaakt.

Ontelbare keren heb ik de film (sic) van deze ontmoeting in gedachten afgespeeld, proberend haar te begrijpen. Door er steeds weer en steeds beter over na te denken, stel ik tot mijn verbazing vast dat het oerbeeld van de madonna met het kind mijn hele leven beheerst. Ik kan het zelfs terugvolgen tot in mijn vroege jeugd. Het is een beeld van wat ik altijd gewild heb, een beeld van mijn leven. Door na te denken over dat beeld realiseer ik het ook, stap voor stap. Want mijn denken komt langzaam tot leven en verbindt zich daardoor, heel langzaam, weer met zijn kunstzinnig-geestelijke moeder. Dat is een buitengewoon ingewikkeld proces dat de samenwerking van de ‘drie willen’ impliceert: de luciferische, de ahrimaanse en de kunstzinnige. Alleen al het beeld van deze samenwerking doet me duizelen, laat staan dat de realiteit ervan reeds aan de orde zou zijn. En toch, het is een begin. De nieuwe wereld begint met de moeizame verrijzenis van het dode denken, met de hereniging van moeder en kind.