Een oog voor kunst (3)

door lievendebrouwere

  

Hoe ontwikkelen we een oog voor kunst? Eenvoudig: door naar kunst te kijken. Maar naar welke kunst? Sinds de hedendaagse kunst op het toneel verscheen, bestaan er namelijk twee verschillende kunsten – de oude en de nieuwe – die ieder een heel andere manier van kijken vragen. De klassieke kunst wil gevoelsmatig benaderd worden, want haar wezen is niet toegankelijk voor het verstand. Als we voor deze kunst een oog willen ontwikkelen, dan moeten we ons verstand uitschakelen. Voor de hedendaagse kunst geldt dan weer het omgekeerde: hier moeten we ons gevoel uitschakelen, want deze kunst laat zich alleen benaderen door het verstand. We moeten dus kiezen voor welke kunst we een oog willen ontwikkelen, tenzij we natuurlijk beide manieren van kijken met elkaar kunnen verzoenen. Maar is dat wel mogelijk? Kunnen we een oog ontwikkelen voor zowel de oude als de nieuwe kunst? Kunnen we kunst zowel gevoelsmatig als verstandelijk benaderen? 

Sommige kunst alleszins wel. Denken we maar aan De Man in de Stoel van Henri De Braekeleer, een schilderij waar de tijd als het ware is blijven stilstaan en tot ruimte is geworden, een ruimte vol geheimen, vol mysterie. Deze ‘gewijde’ ruimte kunnen we alleen met ons gevoel betreden, we moeten ons verstand het zwijgen opleggen, want het is ongepast hier kritische vragen te stellen. Alleen eerbied en bewondering zijn hier op hun plaats. In die zin kan De Man in de Stoel model staan voor de hele klassieke kunst, een kunst die trouwens is voortgekomen uit gewijde ruimten en nog altijd iets van het mysterie in zich draagt dat daar vereerd werd. Zo heeft men dit schilderij van De Braekeleer ook altijd beleefd: als een mysterie dat in eerbiedige stilte moest benaderd worden. Men heeft er dan ook nooit echt over nagedacht en dat is bijzonder jammer, want dit kunstwerk valt heel goed rationeel te benaderen, meer zelfs, het vraagt erom. De Man in de Stoel is een kunstwerk dat zowel met het hart als het hoofd bekeken wil worden.

Wie zich onttrekt aan de betovering die uitgaat van De Man in de Stoel en het schilderij nuchter en kritisch bekijkt, begint vreemde dingen op te merken, dingen die vragen doen rijzen. Gaat men deze vragen niet uit de weg dan wordt langzaam een onvermoede wereld zichtbaar, een ideële wereld die alleen toegankelijk is voor het verstand en verborgen blijft voor het gevoel. Deze onzichtbare gedachtenwereld staat echter niet los van de zichtbare gevoelswereld die iedere liefhebber van De Braekeleer kent. Integendeel, het gaat om één en dezelfde wereld, die van twee kanten benaderd kan worden en daardoor nog wint aan diepgang en mysterie. Schilderijen zoals De Man in de Stoel zijn weliswaar uitzonderingen, maar ze tonen aan dat het wel degelijk mogelijk is kunst op twee verschillende manieren te benaderen en wel zo dat ze eendrachtig samenwerken. Tenminste, dat geldt voor sommige klassieke kunstwerken. Of het ook geldt voor hedendaagse kunstwerken valt nog te bezien.

Eén ding is zeker: hedendaagse kunst roept niet dezelfde gevoelens op als klassieke kunst. Wekt deze laatste in ons gevoelens van eerbied, bewondering, ontroering, troost, weemoed, vreugde enzovoort – aangename gevoelens zeg maar – dan wekt de eerste vooral onaangename gevoelens, gevoelens van bevreemding, verwarring, onbegrip, afkeer en zelfs walging. Dat is ook de bedoeling, want anders dan de klassieke kunst wil de hedendaagse kunst de kijker niet doen dromen van een andere, betere wereld, ze wil hem juist wakker schudden voor de reële wereld. Dat gebeurt niet zelden door hem te choqueren en te desoriënteren, want de onaangename gevoelens die daardoor worden opgeroepen, moeten de kijker aan het denken zetten. Wat in de klassieke kunst een uitzondering is, is in de hedendaagse kunst de regel: ze spreekt niet alleen het gevoel aan maar ook – en vooral – het verstand. Ze lijkt dus bij uitstek geschikt te zijn om een oog voor kunst te ontwikkelen. 

Maar schijn bedriegt. We hebben iets essentieels over het hoofd gezien. Het is niet de hedendaagse kunst zelf die gevoelens en gedachten oproept. De pispot van Marcel Duchamp bijvoorbeeld – die model kan staan voor de hele hedendaagse kunst – zou helemaal niets in ons oproepen als we hem in een toilet of een afvalcontainer aantroffen in plaats van in een museum of een tentoonstellingsruimte. We zouden hem dan geen blik waardig keuren, laat staan dat hij ons tot nadenken zou stemmen. De enige reden waarom we dat nu wel doen, is omdat die banale, ordinaire pispot voorgesteld wordt als een kunstwerk. Dat is waar we op reageren, niet op de pispot zelf. Wat onaangename gevoelens in ons wekt en ons doet nadenken, is dus niet een kunstwerk maar een daad, een barbaarse daad: het schenden van een ‘gewijde’ ruimte die bestemd is voor kunst, dat wil zeggen voor contemplatie en verering. Daarom wekt de hedendaagse kunst afkeer in ons op: omdat ze blasfemisch is. 

Tenminste, dat was ze 100 jaar geleden. Toen riep de pispot van Marcel Duchamp de verontwaardiging op van iedere rechtgeaarde kunstliefhebber. Maar de tijden zijn veranderd: vandaag roept die pispot eerbied en bewondering op. De hedendaagse kunst, zou je kunnen zeggen, is klassiek geworden: in plaats van onaangename gevoelens roept ze nu aangename gevoelens op. Eén ding is echter niet veranderd: het zijn nog altijd niet de pispotten, kartonnen dozen of bananenschillen die deze gevoelens oproepen, maar het feit dat ze gepresenteerd worden als kunst. De verandering ligt in de aanvaarding van dit feit. Wat 100 jaar geleden nog beschouwd werd als een brutale, blasfemische daad wordt vandaag beschouwd als het omgekeerde: als een heldendaad die het begin van een nieuw tijdperk in de kunst inluidde. Er heeft zich de afgelopen eeuw dus een heuse paradigma-verschuiving voorgedaan: onze visie op kunst is compleet veranderd.

Voor de hedendaagse kunst op het toneel verscheen, was niemand zich bewust van enige visie op kunst. Men benaderde kunst louter gevoelsmatig, zonder gedachten. Een bewuste visie op kunst bestond alleen in de academische wetenschap, maar die had geen enkele invloed op de gewone kunstpraktijk. Kunstenaars noch kunstliefhebbers trokken er zich iets van aan, ze kenden die wetenschappelijke visie niet eens. Kunst en wetenschap waren gescheiden werelden. En juist daar vindt de grote verandering plaats: in de 20ste eeuw wordt de grens tussen kunst en wetenschap overschreden: de wetenschap dringt de wereld van de kunst binnen. Reeds tijdens het impressionisme duiken de eerste kunstcritici op en begint het denken over kunst deel uit te maken van de kunstpraktijk. Het is deze vermenging van kunst en wetenschap die de hele kunstwereld op zijn kop zet. En de omwenteling wordt bezegeld met de woorden van Marcel Duchamp: dit is kunst omdat ik het zeg!

Zo luidt het nieuwe paradigma: iets is kunst wanneer iemand zegt dat het kunst is. Deze wetenschappelijke visie wordt vandaag algemeen geaccepteerd. Dat is de revolutie zich de afgelopen eeuw in de kunst voltrokken heeft. Sinds mensenheugnis bestond de kunst uit tekeningen, schilderijen en beeldhouwwerken, maar toen stelde iemand een pispot tentoon met de woorden ‘dit is kunst omdat ik het zeg’ en … hij werd geloofd. Vijftig jaar later twijfelde al niemand meer aan die woorden en wie er vandaag nog durft aan twijfelen, wordt als een cultuurbarbaar beschouwd, als een bekrompen, achterlijk mens. Het grote raadsel van de hedendaagse kunst is niet haar blasfemische karakter – godslastering is van alle tijden – maar het feit dat ze zo snel werd aanvaard. Het is alsof iedereen zat te wachten op de held die de klassieke kunst dood zou verklaren en vervangen door een nieuwe kunst. Die nieuwe kunst veroverde in ieder geval de hele wereld en wordt vandaag overal bewonderd en vereerd.

Deze verering heeft onmiskenbaar religieuze dimensies. Berustte de klassieke kunst op de eigen ervaring – men bewonderde wat men zelf kon waarnemen en beoordelen – dan berust de nieuwe, hedendaagse kunst op blind geloof, op het geloof in mensen die verklaren: dit is kunst omdat ik het zeg! Kunnen die mensen bewijzen wat ze zeggen? Helemaal niet. Kunst laat zich niet bewijzen. Maar waarop berust hun gezag dan? Waarom worden hun beweringen blindelings geloofd? Eenvoudig: omdat iedereen dat doet. De afgelopen eeuw heeft de hedendaagse kunst zich ontwikkeld tot een wereldwijde geloofsgemeenschap, een kunstkerk waar iedere kunstenaar en kunstliefhebber deel van uitmaakt. Waarom willen moderne, ontwikkelde mensen deel uitmaken van een kerk die zo’n extreem autoritair geloof belijdt? Om dezelfde reden waarom mensen vroeger deel uitmaakten van de katholieke kerk: omdat het grote problemen oplevert als je dat niet doet. 

Wanneer Marcel Duchamp een pispot tentoonstelt met de woorden dit is kunst omdat ik het zeg, dan doet hij hetzelfde als de priester die een stuk brood zegent en het aan de gelovigen toont met de woorden ‘dit is het lichaam van Christus’. En net zoals dat vroeger in de mis gebeurde, buigen de hedendaagse gelovigen eerbiedig het hoofd voor dit getranssubstantieerde stukje materie, dat opeens geen ordinaire pispot meer is, maar ‘het lichaam van de nieuwe god van de kunst’. Deze nieuwe kunstgod is een stuk machtiger dan de oude want om het even wat kan veranderd worden in zijn lichaam, ja de hele wereld kan getranssubstantieerd worden tot hedendaagse kunst. Iedereen kan ook priester worden: Jeder Mensch ein Kunstler. De nieuwe kunstkerk is veel democratischer en internationaler dan de katholieke kerk ooit was: ze is toegankelijk voor iedereen en overstijgt alle grenzen, alle rassen, alle volkeren, alle culturen. Op deze internationale kerk was het dat de mensheid zat te wachten, voor deze wereldreligie was ze klaar. 

Werkelijk? Wie kan geloven dat de mens van de 20ste eeuw zat te wachten op een religie die van hem een blind geloof vergt in wat niet kan waargenomen, aangevoeld of begrepen worden! De hedendaagse kunst is geen heruitgave van de katholieke kerk, ze is een regressie naar veel oudere tijden, toen de mens nog niet in staat was tot zelfstandig denken en voelen. En op die prehistorische religie zat de moderne mens te wachten? Voor dat blinde geloof was hij bereid zijn hoogontwikkelde bewustzijn op te geven? Nee, dat is ondenkbaar. En toch. Zowat ieder kunstminnend mens belijdt vandaag het nieuwe geloof. Althans in het openbaar. Niemand waagt het en plein public ook maar één kritisch woord te zeggen over de hedendaagse kunst. Wat de kunstliefhebber werkelijk denkt en voelt over de nieuwe god die hij slaafs eer betuigt, daar hebben we het raden naar. De vraag is of hij dat zelf nog weet, want zelfstandig denken en voelen levert in de hedendaagse kunstwereld alleen maar problemen op.

Hoe is de moderne mens ten prooi kunnen vallen aan dit volstrekt anachronistische geloof? Wat heeft die beschamende regressie veroorzaakt? Dat ligt eigenlijk voor de hand: het is het verlangen naar de geest, het verlangen dat sinds het einde van het Kali Yuga weer wakker is geworden en alsmaar sterker wordt. Van dat verlangen is de mens zich, materialistisch als hij is, echter niet bewust. Hij weet niet dat er in zijn ziel een onstuitbaar verlangen leeft naar een hogere, geestelijke wereld, een verlangen om zich over te geven aan iets of iemand die groter is dan hijzelf. Zonder dat hij het beseft, vermengt dat geestelijke verlangen zich met dat andere onstuitbare verlangen in zijn ziel, het verlangen naar de materie. Het resultaat van die onbewuste vermenging van luciferisch en ahrimaans verlangen, is de nieuwe religie van de hedendaagse kunst, een religie die niets menselijks meer heeft omdat ze berust op het opgeven van het eigen oordeelsvermogen, op de overgave van denken, voelen en willen aan de tegenmachten. 

Wie een reis maakt doorheen de wereld van de hedendaagse kunst waant zich in een krankzinnigengesticht. Hij ziet mensen die met hun uitwerpselen spelen en zich kunstenaar wanen. Hij ziet deskundigen die instemmend knikken alsof ze denken: wie niet wordt als de kinderkens zal het Rijk Gods niet binnengaan. Hij ziet bezoekers die met een mengeling van huiver en fascinatie kijken naar deze aberraties en stiekem denken: gelukkig zijn wij zo niet! Hij ziet rijkelui die waanzinnige bedragen betalen voor het afval dat deze krankzinnigen produceren en hij ziet hoe de overheid het ene paleis na het andere optrekt om dit afval te etaleren. Hij denkt: dit kan niet waar zijn! Het is niet mogelijk dat al die mensen krankzinnig zijn geworden, dat de hele kunstwereld krankzinnig is geworden! En hij begint te twijfelen aan zichzelf: misschien zijn het niet de anderen die krankzinnig zijn, misschien ben ik zelf krankzinnig aan het worden! En om verlost te zijn van die kwellende twijfel treedt hij ten slotte toe tot de nieuwe kerk.

Door deze overgave komt er een eind aan zijn innerlijke strijd. De bekeerde kunstliefhebber hoeft nu niet meer te kiezen tussen de oude en de nieuwe kunst, hij hoeft zich niet voortdurend af te vragen: is dit nu kunst of niet? Hij kan nu onbekommerd alles omarmen. En hij wordt ook zelf omarmd: hij koestert zich in het besef opgenomen te zijn in de nieuwe moederkerk. Hij is nu eindelijk een mens van deze tijd geworden: ruimdenkend, inclusief, geen onderscheid makend tussen goed en slecht. Dat laatste laat hij over aan de bekrompen hokjesdenkers die overal grenzen willen trekken, die overal onderscheidingen willen maken. Wat een opluchting om bevrijd te zijn van dat oude, polariserende denken! Wat een vreugde om over die drempel te zijn geraakt en deel uit te maken van de heerlijke nieuwe wereld! En het is zo gemakkelijk! De nieuwe god vraagt helemaal niet veel van zijn volgelingen: alleen dat ze hun oordeelsvermogen opgeven, dat ze ophouden onderscheid te maken, dat ze niet meer kiezen.