Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Maand: maart, 2020

Corona (2)

  

Omdat het al zolang geleden is: Koen Meulenaere

Carpoolen moesten we doen,met vijf in een Berlingo. En dicht bij elkaar gaan wonen, onderwees opperbouwmeester Leo Van Broeck, liefst in een kangoeroe­woning met alle generaties samen. De eerste die het deed, de Heilige Hilde uit Torhout, zit al weken in quarantaine te hoesten.

Zou de ziekenhuisbacterie nog bestaan? Daar hoor je niet veel meer van. Nu is die seriemoordenares altijd wel doodgezwegen door ziekenhuisdirecties, die anders hun winkel konden sluiten, maar God weet heeft ze geen zelfmoord gepleegd. Of euthanasie. Wat gebeurt als een corona­virus een blind date heeft met een ziekenhuisbacterie? In een van die deprimerende hospitaalgangen die overal door dezelfde boosaardige architect ontworpen lijken. Komen daar kindjes van? Of wie eet wie op? In dat geval kunnen we de ene kweken om de andere te vernietigen. Beter één vijand dan twee, hebben tal van overmoedige veldheren ondervonden.

Er zijn ook geestige aspecten aan deze crisis. Wij kennen iemand die bij een bedrijfsherstructurering op zijn 61ste werd ontslagen. Kreeg twee jaar salaris uitbetaald en viel dan terug op een werkloosheidsuitkering. Zat al drie jaar thuis toen de VDAB hem in februari meldde dat ze een job hadden gevonden en dat hij moest gaan werken. Drie weken later brak de coronahel los en mócht hij niet meer gaan werken. Waardoor hij terug thuiszit in tijdelijke werkloosheid, met een hogere uitkering dan anderhalve maand geleden. Bij elk bericht over een mogelijk vaccin slaat de schrik hem om het hart.

In De Tijd stond een artikel over een Antwerpse professor die coronapatiënten twee uur per dag in de oven wil steken! Zoals Hans, uit ‘Hans en Grietje’. Naar verluidt een Duits idee, tja. Bedoeling is het lichaam op te warmen tot 42 graden, want zoals men weet kan een virus nog minder tegen de hitte dan een Eskimo. De professor hoopt zo snel mogelijk groen licht te krijgen van de Europese Unie, en nog sneller subsidies. Zonnebankcentra en saunaconstructeurs kijken verwachtingsvol toe.

En zo zoekt iedereen op zijn manier naar een middel om dat gele gevaar te stoppen. De een test pillen tegen malaria uit, een ander probeert het met antiroestspray, het schijnt dat bepaalde soorten boschampignons ook helpen, en in de donkerte van zijn eigen lab is Kaaiman volop bezig met het ontwerpen van een lasergestuurde coronadetectorpen. Dat in afwachting dat zijn kweeklama’s groot genoeg zijn, en dat de twee die donderdag ontsnapt zijn worden teruggevonden. Het probleem is dat wij niet weten of het uitgerekend de twee zijn die we met het virus hadden geïnfecteerd om antilichamen op te wekken. We waren nog van plan een kruis op hun rug te schilderen, zoals je soms bij schapen ziet, maar we hadden geen verf en corona had Colora gesloten.

Ziet u twee verwilderde lama’s ronddraven, mail ons. Maar houd anderhalve meter afstand. Van de lama’s. Dat was vroeger ook al aangewezen.

Een oog voor kunst (5)

  

Hoe ontwikkelen we een oog voor kunst? Eenvoudig: door naar kunst te kijken. Maar naar welke kunst? Sinds de hedendaagse kunst op het toneel verscheen, bestaan er namelijk twee verschillende kunsten die ieder een heel andere manier van kijken vragen. De oude, klassieke kunst moet gevoelsmatig benaderd worden, want haar wezen is niet toegankelijk voor het verstand. Willen we voor deze kunst een oog ontwikkelen, dan moeten we alle gedachten weren en alleen ons gevoel laten spreken. Voor de nieuwe, hedendaagse kunst geldt het omgekeerde: hier moeten we ons gevoel uitschakelen, want deze kunst laat zich alleen benaderen door het verstand. We moeten dus kiezen voor welke kunst we een oog willen ontwikkelen, tenzij we beide manieren van kijken met elkaar kunnen verzoenen. Maar is dat wel mogelijk? Kunnen we een oog ontwikkelen voor zowel de oude als de nieuwe kunst? Kunnen we kunst met andere woorden zowel gevoelsmatig als verstandelijk benaderen? 

Sommige kunst alleszins wel. Denken we maar aan De Man in de Stoel van Henri De Braekeleer, een schilderij waar de tijd als het ware stil is blijven staan, waar ze tot ruimte is geworden, een ruimte vol geheimen, vol mysterie. Om deze ‘gewijde’ ruimte te kunnen betreden, moeten we ons verstand het zwijgen opleggen en kritische vragen achterwege laten. Alleen eerbied en bewondering horen hier thuis. In die zin kan De Man in de Stoel model staan voor de hele klassieke kunst, een kunst die trouwens is voortgekomen uit ‘gewijde ruimten’ en nog altijd iets van het mysterie in zich draagt dat daar vereerd werd. Zo heeft men dit schilderij van De Braekeleer ook altijd beleefd: als een mysterie dat in eerbiedige stilte benaderd moest worden. Men heeft er dan ook nooit echt over nagedacht en in dit geval is dat jammer, want De Man in de Stoel valt heel goed rationeel te benaderen. Meer zelfs, het schilderij vraagt erom, het is een kunstwerk dat zowel met het hart als het hoofd bekeken wil worden.

Wie zich onttrekt aan de mysterieuze betovering die uitgaat van De Man in de Stoel en het schilderij nuchter en kritisch bekijkt, begint vreemde dingen op te merken, dingen die vragen doen rijzen. Gaat men deze vragen niet uit de weg dan wordt langzaam een onvermoede wereld zichtbaar, een ideële wereld die alleen toegankelijk is voor het verstand en verborgen blijft voor het gevoel. Deze onzichtbare gedachtenwereld staat echter niet los van de zichtbare gevoelswereld die iedere liefhebber van De Braekeleer kent. Integendeel, het gaat om één en dezelfde wereld die van twee kanten benaderd kan worden en daardoor nog wint aan diepgang en mysterie. Schilderijen zoals De Man in de Stoel zijn weliswaar uitzonderingen, maar ze tonen aan dat het wel degelijk mogelijk is kunst op twee verschillende manieren te benaderen en wel zo dat ze elkaar aanvullen. Tenminste, dat geldt voor sommige klassieke kunstwerken. Of het ook geldt voor hedendaagse kunstwerken valt nog te bezien.

Eén ding is zeker: hedendaagse kunst roept niet dezelfde gevoelens op als klassieke kunst. Wekt deze laatste eerbied, bewondering, ontroering, troost, weemoed, vreugde enzovoort – aangename gevoelens zeg maar – dan wekt de eerste vooral onaangename gevoelens, gevoelens van bevreemding, verwarring, onbegrip, afkeer en zelfs walging. Dat is ook de bedoeling, want anders dan de klassieke kunst wil de hedendaagse kunst de kijker niet doen dromen van een andere, betere wereld, ze wil hem juist wakker schudden voor de reële wereld. Dat gebeurt niet zelden door hem te choqueren en te desoriënteren, want de onaangename gevoelens die daardoor worden opgeroepen, moeten de kijker aan het denken zetten. Wat in de oude kunst een uitzondering was, is in de nieuwe kunst de regel: ze spreekt zowel het gevoel als het verstand aan. De hedendaagse kunst lijkt zich dus veel beter dan de klassieke te lenen om een oog voor kunst te ontwikkelen. 

Maar schijn bedriegt. We hebben iets essentieels over het hoofd gezien. Het is niet de hedendaagse kunst zelf die gevoelens en gedachten oproept. De pispot van Marcel Duchamp bijvoorbeeld – die model kan staan voor de hele hedendaagse kunst – zou helemaal niets in ons oproepen als we hem in een toilet of een afvalcontainer aantroffen in plaats van in een museum of een tentoonstellingsruimte. We zouden hem geen blik waardig keuren, laat staan dat hij ons tot nadenken zou stemmen. De enige reden waarom we dat nu wel doen, is omdat die banale, ordinaire pispot voorgesteld wordt als een kunstwerk. Dat is waar we op reageren, niet op de pispot zelf. Wat onaangename gevoelens in ons wekt en ons doet nadenken, is dus niet een kunstwerk maar een daad, een barbaarse daad: het schenden van een gewijde ruimte die bestemd is voor kunst, dat wil zeggen voor contemplatie en verering. Daarom wekt de hedendaagse kunst afkeer in ons op: omdat ze blasfemisch is. 

Tenminste, dat was ze 100 jaar geleden. Toen riep de pispot van Marcel Duchamp de verontwaardiging op van iedere rechtgeaarde kunstliefhebber. Maar de tijden zijn veranderd: vandaag roept die pispot eerbied en bewondering op. De hedendaagse kunst, zou je kunnen zeggen, is klassiek geworden: in plaats van onaangename gevoelens roept ze nu aangename gevoelens op. Eén ding is echter niet veranderd: het zijn nog altijd niet de pispotten, kartonnen dozen of bananenschillen die deze gevoelens oproepen, maar het feit dat ze gepresenteerd worden als kunst. De verandering ligt in onze houding tegenover dit feit, niet in het feit zelf (dat juist niet verandert). Wat 100 jaar geleden nog beschouwd werd als een brutale, blasfemische daad wekt vandaag bewondering en wordt beschouwd als een heldendaad die het begin van een nieuw tijdperk inluidde. Er heeft zich de afgelopen eeuw dus een heuse paradigma-verschuiving voorgedaan: onze visie op kunst is helemaal veranderd.

Voor de hedendaagse kunst op het toneel verscheen, was niemand zich bewust van enige visie op kunst. Men benaderde kunst louter gevoelsmatig, zonder erbij na te denken. Een bewuste visie op kunst bestond alleen in de academische wetenschap, maar die had geen enkele invloed op de gewone kunstpraktijk. Kunstenaars noch kunstliefhebbers trokken er zich iets van aan, ze kenden die wetenschappelijke visie niet eens, kunst en wetenschap vormden gescheiden werelden. En juist daar vindt de grote verandering plaats: in de 20ste eeuw wordt de grens tussen kunst en wetenschap overschreden: de wetenschap dringt de wereld van de kunst binnen. Reeds aan het eind van de 19de eeuw duiken de eerste kunstcritici op en begint het denken over kunst deel uit te maken van de kunstpraktijk. Het is deze vermenging van kunst en wetenschap die de hele kunstwereld op zijn kop zet. De ingrijpende omwenteling wordt bezegeld met de woorden van Marcel Duchamp: dit is kunst omdat ik het zeg!

Zo luidt inderdaad het nieuwe paradigma: iets is kunst wanneer iemand zegt dat het kunst is. Vandaag wordt deze ‘wetenschappelijke’ visie algemeen geaccepteerd. Dat is de revolutie die zich in de afgelopen eeuw heeft voltrokken. Sinds mensenheugnis bestond de kunst uit tekeningen, schilderijen en beeldhouwwerken, maar toen stelde iemand een pispot tentoon met de woorden ‘dit is kunst omdat ik het zeg’ en … hij werd geloofd. Vijftig jaar later twijfelde al niemand meer aan zijn woorden en wie er vandaag nog durft aan te twijfelen, wordt beschouwd als een cultuurbarbaar, een bekrompen, achterlijk mens. Het grote raadsel van de hedendaagse kunst is niet haar blasfemische karakter – godslastering is van alle tijden – maar het feit dat ze zo snel aanvaard werd. Het was alsof men zat te wachten op een held die de klassieke (waarnemings)kunst zou neerslaan en haar vervangen door een ‘geloofskunst’. De nieuwe, hedendaagse kunst veroverde dan ook in geen tijd de hele wereld en wordt vandaag overal bewonderd en vereerd.

Die verering heeft onmiskenbaar religieuze dimensies. Bewonderde men in de klassieke kunst wat men zelf kon zien en beoordelen, dan berust de verering voor de nieuwe, hedendaagse kunst op geloof in de autoriteit van mensen die verklaren: dit is kunst omdat ik het zeg! Kunnen die mensen hun bewering staven? Geenszins. Waarop berust hun gezag dan? Waarom worden ze geloofd, ondanks het groteske van hun statements? Omdat ze zich gedragen als helderzienden, als ingewijden die de geestelijke dimensie van kunst kunnen waarnemen. Hun (voorgewende) hogere waarnemingsvermogens vormen de basis van een wereldwijde geloofsgemeenschap, een internationale kunstkerk waar ieder weldenkend en vooruitstrevend mens deel wil van uitmaken. Maar waarom wil de moderne mens zo graag lid zijn van deze kerk? Omdat het nieuwe geloof appelleert aan iets dat diep in zijn ziel leeft. En wat kan dat anders zijn dan het (onbewuste) verlangen naar de geest, de geest die geboren wordt wanneer kunst en wetenschap zich verenigen?

Wie kunst en wetenschap heeft, die heeft ook religie, aldus Goethe. De hedendaagse kunst is het beste bewijs van die waarheid: door zich te verbinden met de wetenschap heeft deze kunst een wereldwijde religie doen ontstaan. Wanneer Marcel Duchamp een pispot tentoonstelt met de woorden ‘dit is kunst omdat ik het zeg’, doet hij hetzelfde als de katholieke priester die een stuk brood zegent en verkondigt: ‘dit is het lichaam van Christus’. Ofschoon de kerkgangers alleen een stukje brood zien, betuigen zij het de allergrootste eerbied. Ook de hedendaagse kunstgelovigen buigen eerbiedig het hoofd voor het getranssubstantieerde stukje materie dat opeens geen ordinaire pispot meer is maar het lichaam van een nieuwe god. Om het even wat kan veranderd worden in het lichaam van deze god, ja de hele wereld kan getranssubstantieerd worden tot hedendaagse kunst. En iedereen kan dit magische ritueel uitvoeren, iedereen kan priester worden in de nieuwe godsdienst: Jeder Mensch ein Kunstler

Op deze ‘kunstgod’ zat de mensheid te wachten toen in 1917 zijn profeet Marcel Duchamp verscheen en de wereld veroverde met de blijde boodschap dat alles kunst was als men het maar hard genoeg geloofde. Een beetje antroposoof begrijpt dat het de wederkomst van Christus is die voorvoeld werd in de kunst en die ertoe leidde dat de kunst zich verbond met de wetenschap. De wetenschap verbond zich van haar kant ook met de kunst: ze deed dat in de antroposofie van Rudolf Steiner. De conclusie ligt voor de hand: hedendaagse kunst en geesteswetenschap zijn voor elkaar geboren, ze vormen elkaars complement. In de mate dat ze samenwerken ontwikkelt de mens een oog voor Christus. Het is dan ook niet meer dan logisch dat de hedendaagse kunst in groot aanzien staat in de antroposofische wereld en dat met name Joseph Beuys als een lichtend voorbeeld wordt beschouwd. Hedendaagse kunstenaars verkondigen immers op hun manier dezelfde christelijke boodschap als de antroposofie.

Tenminste, zo lijkt het. Want hoe mooi het plaatje ook klopt, er rijzen toch enkele vragen. Als de hedendaagse kunst inderdaad het spiegelbeeld is van de antroposofie, hoe komt het dan dat zij een doorslaand succes is geworden, terwijl de antroposofie een marginaal verschijnsel is gebleven? Hoe valt het blinde geloof dat van de hedendaagse kunstliefhebber wordt geëist, te rijmen met de aanmaning van Rudolf Steiner om vooral niet te geloven wat hij zegt, maar alles zelf te onderzoeken? Hoe strookt het blasfemische karakter van de hedendaagse kunst met de diepe eerbied die de antroposofie koestert voor het geestelijk verleden van de mens? Hoe kan men een kunst christelijk noemen die van bovenaf wordt opgelegd, geen enkele kritiek duldt en hard optreedt tegen ketters, een kunst die gepropageerd wordt door de machthebbers en verafschuwd door het gewone volk? En hoe waarschijnlijk is het ten slotte dat de inzichten van de geesteswetenschap in beeld worden gebracht door pispotten en kakmachines? 

Het vermoeden rijst dat hier iets niet klopt en dat de hedendaagse kunst wel eens een koekoeksjong zou kunnen zijn dat in het nest van de kunst werd gedropt en groot is geworden door zich te voeden met het blinde verlangen van de moderne mens naar de geest. Dat vermoeden wordt bevestigd door Rudolf Steiner, uit wiens esthetica duidelijk op te maken valt dat de hedendaagse kunst precies het omgekeerde is van wat kunst in wezen is. Wat iedere rechtgeaarde kunstliefhebber in zijn hart voelt – en wat bevestigd wordt door nuchter nadenken over de zaak – is dat de hedendaagse kunst één groot bedrog is, een bedrog van apocalyptische dimensies. Want wat erdoor verhinderd wordt is de vereniging van kunst en wetenschap die in het menselijk bewustzijn de ‘religieuze’ schaal moet vormen waarin de etherische krachten van de wedergekomen Christus ontvangen worden, de krachten die de wereld nodig heeft om zich weer op te richten uit de dood. 

Wie een oog wil ontwikkelen voor kunst, dat wil zeggen voor de geest in de materie, moet de hedendaagse kunst radicaal afwijzen. Doet hij dat niet, dan wijst hij de klassieke kunst af, want het hedendaagse koekoeksjong duldt geen andere jongen naast zich. De intellectuele benadering die het voorstaat maakt de mens blind voor kunst, alle kunst, ook de hedendaagse kunst zelf. Want de moderne mens kijkt niet echt naar hedendaagse kunst, hij legt de gevoelens die ze oproept het zwijgen op, en hij denkt er ook niet over na. Hij geeft zich gewoon over aan het oordeel van zelfverklaarde experten die hem zeggen: dit is kunst omdat ik het zeg! Op die manier laat hij zich de meest groteske en vernederende dingen in de maag splitsen zonder zich ook maar één moment af te vragen waarop hun oordeel berust. Hij neemt het gewoon over uit angst de culturele verdoemenis over zich af te roepen en uit de nieuwe geloofsgemeenschap te worden gestoten. Liever dan alleen te komen staan en zelf te leren kijken, voelen en denken, verkoopt hij zijn ziel aan de duivel. 

Corona

  

Een oog voor kunst (4)

  

De vraag hoe je een oog ontwikkelt voor kunst is in wezen dezelfde als de vraag hoe je een oog ontwikkelt voor de geest. Want een oog-voor-kunst is geen fysiek oog dat ziet wat er bijvoorbeeld op een schilderij staat, het is een innerlijk oog dat ziet wat dat schilderij tot een kunstwerk maakt. Het is een zintuig voor de geestelijke dimensie van kunst, voor datgene wat door fysieke ogen niet kan waargenomen en door het verstand niet bewezen of begrepen kan worden. Het is met andere woorden een geestelijk oog, maar dan wel een geestelijk oog dat niet kan bestaan zonder fysieke ogen. Wie blind is voor de materiële dimensie van kunst – wie geen schilderij kan zien of geen muziek kan horen – kan ook de geestelijke dimensie ervan niet waarnemen. In de kunst geldt: geen geest zonder materie. Het fysieke, zintuiglijke waarnemen is hier voorwaarde voor het geestelijke, bovenzintuiglijke waarnemen. Een oog voor kunst is dus geen oog voor de zuivere geest, het is een oog voor de geest in de materie. 

De wereld van de zuivere geest werd definitief voor ons afgesloten door de komst van Christus, de geest die afdaalde in de materie en verklaarde: niemand komt tot de Vader dan door mij. Hij deed de vijgeboom – symbool van de oude helderziendheid – verdorren en werd zelf de poort waardoor we voortaan de geestelijke wereld binnengaan. Als we dat tenminste willen, want we moeten ervoor kiezen, we kunnen alleen uit vrije wil de ogen openen voor Christus. Het waarnemen van de geest-in-de-materie is ons niet gegeven zoals de oude helderziendheid dat was. Het moet ontwikkeld worden vanuit de zintuiglijke waarneming van de materie. Die ontwikkeling is vrij, maar niet vrijblijvend, want sinds het einde van het Kali Yuga wordt onze oude helderziendheid weer wakker, en ze leidt ons weg van Christus, recht in de armen van de tegenmachten. We moeten dus kiezen tussen twee vormen van helderziendheid: de christelijke (die ons omhoog leidt) en de antichristelijke (die ons omlaag leidt, de onderwereld in). 

We gaan vandaag over de drempel en we zouden geen vrije mensen zijn als we dat niet op twee manieren konden doen: via Christus of via de tegenmachten. Voor de christelijke manier moeten we bewust en vrijwillig kiezen, voor de antichristelijke manier hoeven we helemaal niet te kiezen, dat gaat vanzelf. Om Christus waar te nemen moeten we ons inspannen, om in de greep van de tegenmachten te raken, volstaat het dat we ons laten meedrijven met de stroom. Wat er in dat laatste geval gebeurt, zien we vandaag overal: we verliezen ons verstand, we worden langzaam maar zeker met waanzin geslagen. Het is echter geen fysieke waanzin die ons treft (als gevolg van het slecht functioneren van onze hersenen), maar geestelijke waanzin (als gevolg van het niet wakker en actief worden van onze geest). En wat deze ziekte zo gevaarlijk maakt, is dat we er ons niet bewust van zijn. Integendeel, we zien ze als een teken van geestelijke gezondheid, als een vorm van hoger bewustzijn.

De oorzaak van deze waanzin ligt in de desintegratie van onze ziel bij het overschrijden van de drempel naar de geestelijke wereld. Denken, voelen en willen komen los van elkaar en gaan ieder hun eigen gang. Ze onttrekken zich aan de controle van ons Ik en plaatsen ons voor de keuze: ofwel proberen we onze losgeslagen zielevermogens weer in het gareel te krijgen, ofwel laten we ze in handen van de tegenmachten vallen. Deze laatsten blazen onze gedachten, gevoelens en wilsimpulsen op tot karikaturen en creëren in onze ziel een chaos waarin ons Ik zich niet langer kan handhaven. We worden als het ware uit ons eigen huis gedreven en de tegenmachten nemen het in bezit. We raken met andere woorden ‘bezeten’, maar dat beseffen we niet want ons Ik is buitenspel geplaatst. We kunnen geen onderscheid meer maken tussen goed en kwaad, en identificeren ons steeds meer met de nieuwe, antichristelijke geest die onze ziel bezet houdt en die ons in de waan brengt dat we superieure wezens zijn. 

Deze superioriteitswaan verspreidt zich momenteel als een epidemie over de hele wereld, want we gaan allemaal over de drempel en komen daarbij allemaal voor de keuze te staan: blijven we baas in eigen ziel of ‘verkopen’ we onze ziel aan de duivel? Dat dringt echter niet tot ons door en we kiezen, al naargelang van onze natuur, voor de spirituele Lucifer of voor de materiële Ahriman, die ons meesleuren in hun onderlinge strijd en ons in de waan brengen dat het de (goede en noodzakelijke) strijd tegen de draak is. We denken dus te kiezen tussen goed en kwaad, maar in werkelijkheid kiezen we tussen twee kwaden – de links-idealistische Lucifer en de rechts-materialistische Ahriman – waardoor we in de greep raken van de vernietigende wil die beide bezielt. Door ons over te geven aan de machts- en superioriteitsroes die ze in onze ziel wekken, beginnen we in naam van het goede een nietsontziende strijd tegen het goede, tegen ons eigen Ik, tegen alles wat christelijk is.

Deze zelfvernietigende strijd is de keerzijde van de scheppende strijd die we moeten voeren om oog te krijgen voor Christus, en dat is de strijd om juist niet te kiezen tussen Lucifer en Ahriman maar beide tegenmachten in evenwicht te houden. Want we hebben ze allebei nodig om een zintuig voor Christus te ontwikkelen: Ahriman opent onze ogen voor de materie en legt aldus de grondslag voor het waarnemen van de geest-in-de-materie, terwijl Lucifer het verlangen wekt naar de geest. We mogen ze uiteraard niet hun eigen gang laten gaan, want dan raken ze slaags en veroorzaken in onze ziel een chaos van haat en geweld die ons blind maakt voor het christelijke midden. Alleen een Steigerung van beide tegengestelde krachten kan ons de ogen openen voor Christus en beletten dat we zonder het te weten voor de Antichrist kiezen. Daarom moeten Lucifer en Ahriman uit elkaar worden gehouden, ze mogen zich onder geen beding met elkaar vermengen, want dan sleuren ze ons mee in hun waanzin.

Dat is de keuze waarvoor we staan: ofwel ontwikkelen we een oog voor Christus, ofwel worden we blind voor Christus. Dat laatste is het ergste wat ons kan overkomen, want als we de wederkomst van Christus ‘verslapen’, aldus Rudolf Steiner, zal het grootst mogelijke onheil over de mensheid komen. We moeten dus kost wat kost een ‘etherisch oog’ ontwikkelen, een oog voor de etherische wereld waarin Christus verschijnt. Een belangrijker en dringender opgave bestaat momenteel niet. En hier betreedt de kunst het toneel, want zij maakt de etherische dimensie van de werkelijkheid zichtbaar. Zij legt de etherische levens- en vormkrachten vast in de materie en stelt ons daardoor in staat er een zintuig voor te ontwikkelen. Dat gebeurt op exemplarische wijze in de filmkunst, die met zijn bewegende beelden en in elkaar vloeiende kunstvormen een uitgesproken etherisch karakter heeft. Maar we leren hier ook de keerzijde van de medaille kennen: de etherische wereld wiegt ons in slaap.

Door de verbinding met de materie ‘sterft’ de geest: hij wordt door de kunstenaar bij wijze van spreken gedood en in zijn graf gelegd. Maar daaruit kan hij door de kijker weer worden opgewekt. Dit Stirb und Werde van de geest is in wezen een Offenbares Geheimnis, een openbare mysteriehandeling. In de kunst gebeurt dus in het klein wat vandaag in het groot gebeurt: de mens gaat over de drempel, hij wordt ingewijd. Vroeger was die inwijding streng voorbehouden aan uitverkorenen, maar vandaag gaat iedereen over de drempel: we betreden allemaal de grafwereld van de inwijding en de kunst, en vallen daar ‘in slaap’. We doen dat echter als vrije mensen, wat betekent dat het van onszelf afhangt of we wakker worden in die inwijdingsslaap en de ogen openen voor de geest-in-de-materie die zich daar manifesteert. Doen we dat niet en blijven we slapen, dan kunnen we Christus niet onderscheiden van de tegenmachten die ons de onderwereld binnenloodsen. 

Sinds het aflopen van het Kali Yuga dringt de geestelijke wereld opnieuw onze materiële wereld binnen en maakt er een inwijdingsplek van, een ‘grafwereld’ waar een zelfde ‘etherische’ sfeer heerst als in de kunst. Daar zijn we ons echter niet van bewust. We beseffen niet dat de moderne wereld een mysterieplaats is geworden waar we ons instinctief op dezelfde manier gedragen als in de kunst: ons overgevend aan de schone schijn, onderduikend in beelden en gevoelens die ons kritische verstand uitschakelen. We zijn ‘geestdronken’ maar voelen ons nuchterder en wakkerder dan ooit. Met nauw verholen misprijzen kijken we neer op onze ‘domme’ voorouders die nog in sprookjes geloofden, overtuigd als we ervan zijn de wereld – eindelijk – te zien zoals hij is. Geen moment komt het in ons op dat wij de slaapwandelaars zijn, de dromers die alles geloven wat hen voorgehouden wordt en geen onderscheid meer maken tussen goed en kwaad. We beseffen niet dat we in het duister tasten en op grote schaal misleid worden. 

Dit dromende inwijdingsbewustzijn maakt ons tot puppets on a string die in de waan verkeren vrij te zijn maar in werkelijkheid precies doen wat de antichristelijke puppetmaster van hen verlangt. Het probleem is dat we niet zomaar wakker kunnen worden uit deze ‘inwijdingsslaap’, want dan gebeurt hetzelfde als wanneer we in de bioscoop tijdens een film om ons heen kijken: we zien ons omringd door louter zombies die roerloos in het donker voor zich uit zitten te staren. Proberen we hen wakker te maken dan verzetten ze zich hevig, want ze willen niet uit de droom worden gehaald. En dus zit er niets anders op dan zelf ook weer onder te duiken in de film, anders kunnen we net zo goed de zaal verlaten. Dat laatste is in de reële wereld echter geen optie. Daar zitten we gevangen in het donker en breekt er een gevecht in regel uit tussen de ‘dromers’ en de ‘wakkeren’. In feite slapen ze allebei: de eersten slapen een luciferische slaap, de laatsten een ahrimaanse slaap. 

Ontwaken uit deze inwijdingsslaap is niet mogelijk. Keren we terug naar ons wakkere, materialistische bewustzijn, dan vallen we in slaap voor de geest en bestrijden instinctief alles wat spiritueel of idealistisch is. Geven we ons over aan ons dromende spirituele bewustzijn, dan vallen we in slaap voor de materie en verliezen het contact met de realiteit. Wat we ook doen, we ontsnappen niet aan de slaap en aan de onvermijdelijke botsing met andere slapers. Aangezien beide manieren van slapen elkaar versterken, sluiten ze ons op in een onderwereld vol haat en geweld, waaruit we niet eens willen ontsnappen. Want de strijd die hier woedt – het gevecht tussen de dromers en de wakkeren, tussen de idealisten en de realisten, tussen luciferisch links en ahrimaans rechts – beschouwen we als een heilige strijd, een strijd tegen de draak die gewonnen moet worden als we de wereld willen redden. Niets is belangrijker in onze ogen, niets kan ons van deze strijd afhouden.  

De enige manier om deze zelfvernietigende strijd te stoppen, is door onze ogenen te openen in de slaap en te zien dat het niet onze strijd is, maar de strijd van onze dubbelganger, die ons als een bal heen en weer kaatst tussen Lucifer en Ahriman. Vroeger werd de inwijdeling voorbereid op de ontmoeting met de dubbelganger, hij leerde diens twee gezichten kennen en wist dat hij zich niet mocht laten meezuigen in de draaikolk die ze veroorzaakten. Zoals Odysseus, moest hij tussen Scylla en Charybdis door laveren, hij moest als het ware dwars door de dubbelganger heen om Christus te bereiken, de poort tot de geestelijke wereld. Dat is vandaag nog altijd zo, maar dan met dat verschil dat de moderne mens onvoorbereid – en dus onbewust – geconfronteerd wordt met de twee wachters aan de drempel, met de dubbelganger en met Christus. In zijn slapende bewustzijn vloeien ze samen tot één wezen waaraan hij zich, gedreven door zijn intense verlangen naar de geest, blindelings overgeeft. 

Wat de mens die over de drempel gaat dus het meest nodig heeft, is onderscheidingsvermogen. Hij moet onderscheid leren maken tussen de dubbelganger en Christus, zodat hij een vrije keuze kan maken tussen beide. Want kiezen moet hij, een compromis is geen optie. Christus laat daar geen twijfel over bestaan: wie niet voor hem is, is tegen hem. Het gaat dan ook om een morele keuze, een keuze tussen goed en kwaad. En wat deze keuze zo moeilijk maakt, is dat de oude morele grenzen verdwenen zijn: goed en kwaad zijn niet langer zorgvuldig gescheiden, ze lopen door elkaar. Onze gewone moraliteit volstaat niet meer bij het overschrijden van de drempel. Daar doelt Rudolf Steiner op wanneer hij zegt dat iedere stap op de scholingsweg gepaard moet gaan met drie stappen op de morele weg. We moeten ons morele onderscheidingsvermogen versterken, we moeten het over de drempel leiden zodat we niet langer alleen maar voelen wat goed en kwaad is, maar het ook zien en doordringen tot hun wezen. 

Hoe kan de mens echter doordringen tot het wezen van goed en kwaad – dat wil zeggen tot de dubbelganger en tot Christus – als hij geen geestelijke wezens kan waarnemen, als hij niet eens gelooft in hun bestaan? Het antwoord luidt: met behulp van de kunst. Hier wordt het hele drempeloverschrijdingsproces weerspiegeld in beelden die we in alle rust kunnen bekijken en beoordelen. Anders dan in de werkelijkheid geven we ons in de kunst bewust en vrijwillig over aan de slaap. We weten dat het slechts schijn is wat we zien en precies deze wakkerheid-in-de-slaap stelt ons in staat de beelden te beoordelen op hun morele (lees: artistieke) kwaliteit. In de kunst nemen we ons morele oordeelsvermogen mee over de drempel: we leren onderscheid maken tussen goed en slecht in de etherische sfeer. En dat is precies wat we vandaag zo dringend nodig hebben. Als we niet in de grootst mogelijke ellende terecht willen komen, moeten we onze artistieke wakkerheid versterken en uitbreiden. Alleen op die manier kan kunst de wereld redden.