Een oog voor kunst (5)

door lievendebrouwere

  

Hoe ontwikkelen we een oog voor kunst? Eenvoudig: door naar kunst te kijken. Maar naar welke kunst? Sinds de hedendaagse kunst op het toneel verscheen, bestaan er namelijk twee verschillende kunsten die ieder een heel andere manier van kijken vragen. De oude, klassieke kunst moet gevoelsmatig benaderd worden, want haar wezen is niet toegankelijk voor het verstand. Willen we voor deze kunst een oog ontwikkelen, dan moeten we alle gedachten weren en alleen ons gevoel laten spreken. Voor de nieuwe, hedendaagse kunst geldt het omgekeerde: hier moeten we ons gevoel uitschakelen, want deze kunst laat zich alleen benaderen door het verstand. We moeten dus kiezen voor welke kunst we een oog willen ontwikkelen, tenzij we beide manieren van kijken met elkaar kunnen verzoenen. Maar is dat wel mogelijk? Kunnen we een oog ontwikkelen voor zowel de oude als de nieuwe kunst? Kunnen we kunst met andere woorden zowel gevoelsmatig als verstandelijk benaderen? 

Sommige kunst alleszins wel. Denken we maar aan De Man in de Stoel van Henri De Braekeleer, een schilderij waar de tijd als het ware stil is blijven staan, waar ze tot ruimte is geworden, een ruimte vol geheimen, vol mysterie. Om deze ‘gewijde’ ruimte te kunnen betreden, moeten we ons verstand het zwijgen opleggen en kritische vragen achterwege laten. Alleen eerbied en bewondering horen hier thuis. In die zin kan De Man in de Stoel model staan voor de hele klassieke kunst, een kunst die trouwens is voortgekomen uit ‘gewijde ruimten’ en nog altijd iets van het mysterie in zich draagt dat daar vereerd werd. Zo heeft men dit schilderij van De Braekeleer ook altijd beleefd: als een mysterie dat in eerbiedige stilte benaderd moest worden. Men heeft er dan ook nooit echt over nagedacht en in dit geval is dat jammer, want De Man in de Stoel valt heel goed rationeel te benaderen. Meer zelfs, het schilderij vraagt erom, het is een kunstwerk dat zowel met het hart als het hoofd bekeken wil worden.

Wie zich onttrekt aan de mysterieuze betovering die uitgaat van De Man in de Stoel en het schilderij nuchter en kritisch bekijkt, begint vreemde dingen op te merken, dingen die vragen doen rijzen. Gaat men deze vragen niet uit de weg dan wordt langzaam een onvermoede wereld zichtbaar, een ideële wereld die alleen toegankelijk is voor het verstand en verborgen blijft voor het gevoel. Deze onzichtbare gedachtenwereld staat echter niet los van de zichtbare gevoelswereld die iedere liefhebber van De Braekeleer kent. Integendeel, het gaat om één en dezelfde wereld die van twee kanten benaderd kan worden en daardoor nog wint aan diepgang en mysterie. Schilderijen zoals De Man in de Stoel zijn weliswaar uitzonderingen, maar ze tonen aan dat het wel degelijk mogelijk is kunst op twee verschillende manieren te benaderen en wel zo dat ze elkaar aanvullen. Tenminste, dat geldt voor sommige klassieke kunstwerken. Of het ook geldt voor hedendaagse kunstwerken valt nog te bezien.

Eén ding is zeker: hedendaagse kunst roept niet dezelfde gevoelens op als klassieke kunst. Wekt deze laatste eerbied, bewondering, ontroering, troost, weemoed, vreugde enzovoort – aangename gevoelens zeg maar – dan wekt de eerste vooral onaangename gevoelens, gevoelens van bevreemding, verwarring, onbegrip, afkeer en zelfs walging. Dat is ook de bedoeling, want anders dan de klassieke kunst wil de hedendaagse kunst de kijker niet doen dromen van een andere, betere wereld, ze wil hem juist wakker schudden voor de reële wereld. Dat gebeurt niet zelden door hem te choqueren en te desoriënteren, want de onaangename gevoelens die daardoor worden opgeroepen, moeten de kijker aan het denken zetten. Wat in de oude kunst een uitzondering was, is in de nieuwe kunst de regel: ze spreekt zowel het gevoel als het verstand aan. De hedendaagse kunst lijkt zich dus veel beter dan de klassieke te lenen om een oog voor kunst te ontwikkelen. 

Maar schijn bedriegt. We hebben iets essentieels over het hoofd gezien. Het is niet de hedendaagse kunst zelf die gevoelens en gedachten oproept. De pispot van Marcel Duchamp bijvoorbeeld – die model kan staan voor de hele hedendaagse kunst – zou helemaal niets in ons oproepen als we hem in een toilet of een afvalcontainer aantroffen in plaats van in een museum of een tentoonstellingsruimte. We zouden hem geen blik waardig keuren, laat staan dat hij ons tot nadenken zou stemmen. De enige reden waarom we dat nu wel doen, is omdat die banale, ordinaire pispot voorgesteld wordt als een kunstwerk. Dat is waar we op reageren, niet op de pispot zelf. Wat onaangename gevoelens in ons wekt en ons doet nadenken, is dus niet een kunstwerk maar een daad, een barbaarse daad: het schenden van een gewijde ruimte die bestemd is voor kunst, dat wil zeggen voor contemplatie en verering. Daarom wekt de hedendaagse kunst afkeer in ons op: omdat ze blasfemisch is. 

Tenminste, dat was ze 100 jaar geleden. Toen riep de pispot van Marcel Duchamp de verontwaardiging op van iedere rechtgeaarde kunstliefhebber. Maar de tijden zijn veranderd: vandaag roept die pispot eerbied en bewondering op. De hedendaagse kunst, zou je kunnen zeggen, is klassiek geworden: in plaats van onaangename gevoelens roept ze nu aangename gevoelens op. Eén ding is echter niet veranderd: het zijn nog altijd niet de pispotten, kartonnen dozen of bananenschillen die deze gevoelens oproepen, maar het feit dat ze gepresenteerd worden als kunst. De verandering ligt in onze houding tegenover dit feit, niet in het feit zelf (dat juist niet verandert). Wat 100 jaar geleden nog beschouwd werd als een brutale, blasfemische daad wekt vandaag bewondering en wordt beschouwd als een heldendaad die het begin van een nieuw tijdperk inluidde. Er heeft zich de afgelopen eeuw dus een heuse paradigma-verschuiving voorgedaan: onze visie op kunst is helemaal veranderd.

Voor de hedendaagse kunst op het toneel verscheen, was niemand zich bewust van enige visie op kunst. Men benaderde kunst louter gevoelsmatig, zonder erbij na te denken. Een bewuste visie op kunst bestond alleen in de academische wetenschap, maar die had geen enkele invloed op de gewone kunstpraktijk. Kunstenaars noch kunstliefhebbers trokken er zich iets van aan, ze kenden die wetenschappelijke visie niet eens, kunst en wetenschap vormden gescheiden werelden. En juist daar vindt de grote verandering plaats: in de 20ste eeuw wordt de grens tussen kunst en wetenschap overschreden: de wetenschap dringt de wereld van de kunst binnen. Reeds aan het eind van de 19de eeuw duiken de eerste kunstcritici op en begint het denken over kunst deel uit te maken van de kunstpraktijk. Het is deze vermenging van kunst en wetenschap die de hele kunstwereld op zijn kop zet. De ingrijpende omwenteling wordt bezegeld met de woorden van Marcel Duchamp: dit is kunst omdat ik het zeg!

Zo luidt inderdaad het nieuwe paradigma: iets is kunst wanneer iemand zegt dat het kunst is. Vandaag wordt deze ‘wetenschappelijke’ visie algemeen geaccepteerd. Dat is de revolutie die zich in de afgelopen eeuw heeft voltrokken. Sinds mensenheugnis bestond de kunst uit tekeningen, schilderijen en beeldhouwwerken, maar toen stelde iemand een pispot tentoon met de woorden ‘dit is kunst omdat ik het zeg’ en … hij werd geloofd. Vijftig jaar later twijfelde al niemand meer aan zijn woorden en wie er vandaag nog durft aan te twijfelen, wordt beschouwd als een cultuurbarbaar, een bekrompen, achterlijk mens. Het grote raadsel van de hedendaagse kunst is niet haar blasfemische karakter – godslastering is van alle tijden – maar het feit dat ze zo snel aanvaard werd. Het was alsof men zat te wachten op een held die de klassieke (waarnemings)kunst zou neerslaan en haar vervangen door een ‘geloofskunst’. De nieuwe, hedendaagse kunst veroverde dan ook in geen tijd de hele wereld en wordt vandaag overal bewonderd en vereerd.

Die verering heeft onmiskenbaar religieuze dimensies. Bewonderde men in de klassieke kunst wat men zelf kon zien en beoordelen, dan berust de verering voor de nieuwe, hedendaagse kunst op geloof in de autoriteit van mensen die verklaren: dit is kunst omdat ik het zeg! Kunnen die mensen hun bewering staven? Geenszins. Waarop berust hun gezag dan? Waarom worden ze geloofd, ondanks het groteske van hun statements? Omdat ze zich gedragen als helderzienden, als ingewijden die de geestelijke dimensie van kunst kunnen waarnemen. Hun (voorgewende) hogere waarnemingsvermogens vormen de basis van een wereldwijde geloofsgemeenschap, een internationale kunstkerk waar ieder weldenkend en vooruitstrevend mens deel wil van uitmaken. Maar waarom wil de moderne mens zo graag lid zijn van deze kerk? Omdat het nieuwe geloof appelleert aan iets dat diep in zijn ziel leeft. En wat kan dat anders zijn dan het (onbewuste) verlangen naar de geest, de geest die geboren wordt wanneer kunst en wetenschap zich verenigen?

Wie kunst en wetenschap heeft, die heeft ook religie, aldus Goethe. De hedendaagse kunst is het beste bewijs van die waarheid: door zich te verbinden met de wetenschap heeft deze kunst een wereldwijde religie doen ontstaan. Wanneer Marcel Duchamp een pispot tentoonstelt met de woorden ‘dit is kunst omdat ik het zeg’, doet hij hetzelfde als de katholieke priester die een stuk brood zegent en verkondigt: ‘dit is het lichaam van Christus’. Ofschoon de kerkgangers alleen een stukje brood zien, betuigen zij het de allergrootste eerbied. Ook de hedendaagse kunstgelovigen buigen eerbiedig het hoofd voor het getranssubstantieerde stukje materie dat opeens geen ordinaire pispot meer is maar het lichaam van een nieuwe god. Om het even wat kan veranderd worden in het lichaam van deze god, ja de hele wereld kan getranssubstantieerd worden tot hedendaagse kunst. En iedereen kan dit magische ritueel uitvoeren, iedereen kan priester worden in de nieuwe godsdienst: Jeder Mensch ein Kunstler

Op deze ‘kunstgod’ zat de mensheid te wachten toen in 1917 zijn profeet Marcel Duchamp verscheen en de wereld veroverde met de blijde boodschap dat alles kunst was als men het maar hard genoeg geloofde. Een beetje antroposoof begrijpt dat het de wederkomst van Christus is die voorvoeld werd in de kunst en die ertoe leidde dat de kunst zich verbond met de wetenschap. De wetenschap verbond zich van haar kant ook met de kunst: ze deed dat in de antroposofie van Rudolf Steiner. De conclusie ligt voor de hand: hedendaagse kunst en geesteswetenschap zijn voor elkaar geboren, ze vormen elkaars complement. In de mate dat ze samenwerken ontwikkelt de mens een oog voor Christus. Het is dan ook niet meer dan logisch dat de hedendaagse kunst in groot aanzien staat in de antroposofische wereld en dat met name Joseph Beuys als een lichtend voorbeeld wordt beschouwd. Hedendaagse kunstenaars verkondigen immers op hun manier dezelfde christelijke boodschap als de antroposofie.

Tenminste, zo lijkt het. Want hoe mooi het plaatje ook klopt, er rijzen toch enkele vragen. Als de hedendaagse kunst inderdaad het spiegelbeeld is van de antroposofie, hoe komt het dan dat zij een doorslaand succes is geworden, terwijl de antroposofie een marginaal verschijnsel is gebleven? Hoe valt het blinde geloof dat van de hedendaagse kunstliefhebber wordt geëist, te rijmen met de aanmaning van Rudolf Steiner om vooral niet te geloven wat hij zegt, maar alles zelf te onderzoeken? Hoe strookt het blasfemische karakter van de hedendaagse kunst met de diepe eerbied die de antroposofie koestert voor het geestelijk verleden van de mens? Hoe kan men een kunst christelijk noemen die van bovenaf wordt opgelegd, geen enkele kritiek duldt en hard optreedt tegen ketters, een kunst die gepropageerd wordt door de machthebbers en verafschuwd door het gewone volk? En hoe waarschijnlijk is het ten slotte dat de inzichten van de geesteswetenschap in beeld worden gebracht door pispotten en kakmachines? 

Het vermoeden rijst dat hier iets niet klopt en dat de hedendaagse kunst wel eens een koekoeksjong zou kunnen zijn dat in het nest van de kunst werd gedropt en groot is geworden door zich te voeden met het blinde verlangen van de moderne mens naar de geest. Dat vermoeden wordt bevestigd door Rudolf Steiner, uit wiens esthetica duidelijk op te maken valt dat de hedendaagse kunst precies het omgekeerde is van wat kunst in wezen is. Wat iedere rechtgeaarde kunstliefhebber in zijn hart voelt – en wat bevestigd wordt door nuchter nadenken over de zaak – is dat de hedendaagse kunst één groot bedrog is, een bedrog van apocalyptische dimensies. Want wat erdoor verhinderd wordt is de vereniging van kunst en wetenschap die in het menselijk bewustzijn de ‘religieuze’ schaal moet vormen waarin de etherische krachten van de wedergekomen Christus ontvangen worden, de krachten die de wereld nodig heeft om zich weer op te richten uit de dood. 

Wie een oog wil ontwikkelen voor kunst, dat wil zeggen voor de geest in de materie, moet de hedendaagse kunst radicaal afwijzen. Doet hij dat niet, dan wijst hij de klassieke kunst af, want het hedendaagse koekoeksjong duldt geen andere jongen naast zich. De intellectuele benadering die het voorstaat maakt de mens blind voor kunst, alle kunst, ook de hedendaagse kunst zelf. Want de moderne mens kijkt niet echt naar hedendaagse kunst, hij legt de gevoelens die ze oproept het zwijgen op, en hij denkt er ook niet over na. Hij geeft zich gewoon over aan het oordeel van zelfverklaarde experten die hem zeggen: dit is kunst omdat ik het zeg! Op die manier laat hij zich de meest groteske en vernederende dingen in de maag splitsen zonder zich ook maar één moment af te vragen waarop hun oordeel berust. Hij neemt het gewoon over uit angst de culturele verdoemenis over zich af te roepen en uit de nieuwe geloofsgemeenschap te worden gestoten. Liever dan alleen te komen staan en zelf te leren kijken, voelen en denken, verkoopt hij zijn ziel aan de duivel.