Corona (10)

door lievendebrouwere

  

De zon schijnt en de seringen bloeien. Na een malse regenbui ligt de wereld er als nieuw bij, glanzend van gezondheid en groeiend dat het een lieve lust is. Maar in onze ziel is het geen lente, wel integendeel, onze innerlijke zon is verdwenen. We tasten in het duister en weten niet meer wat we moeten denken van die stralende natuur. Is ze wel te vertrouwen? Is zij niet het liefelijke gezicht van het kwaad dat in de vorm van dodelijke virussen overal op de loer ligt? Opeens blijkt de lente levensgevaarlijk te zijn en kan ze ons leven onverwacht in een hel veranderen. Of komt het coronavirus niet uit de natuur maar uit één van onze laboratoria, waar we het gecreëerd hebben als leerling-tovenaars die nu de controle over hun eigen schepping kwijt zijn? Ja, misschien zijn wij zelf wel een kwaadaardig virus dat het leven op aarde bedreigt! Wat moeten wij onze kinderen nog vertellen over de lente, over de wereld, over onszelf? De waarheid? Maar wat is de waarheid? We weten het minder dan ooit.

Hoe ouder een mens wordt, hoe meer hij beseft niets te weten. De wereld wordt voor hem opnieuw een mysterie, net als bij zijn geboorte. Vandaag lijken we allemaal oud te zijn geworden, want de werkelijkheid heeft de illusies van de wetenschap doorprikt. Het pronkstuk van ons denken heeft geen antwoord op de problemen waarmee we momenteel geconfronteerd worden (en die het voor een groot deel zelf veroorzaakt heeft). We staan met lege handen tegenover de corona-dreiging en worden overrompeld door de vraag: wat kunnen we nog geloven? De waarheid is onvindbaar geworden en we worden overspoeld door angst, depressie en vertwijfeling. Wanhopig zoeken we naar houvast en zekerheid in een wereld die steeds chaotischer, steeds onherbergzamer, steeds dreigender wordt. De behoefte aan een sterke man (of vrouw) groeit, want het wordt alsmaar duidelijker dat de wetenschap dat houvast niet kan bieden. Ons weten is aan een grens gekomen, het verandert steeds meer in een niet-weten.

Maar hoe kunnen we dan nog zekerheid vinden in het leven zonder onze vrijheid kwijt te raken? Het antwoord komt uit onverwachte hoek, namelijk uit de kunst. Dat is de laatste plek waar we de waarheid gaan zoeken, want kunst staat voor ons gelijk met subjectiviteit en individualisme, terwijl we van de waarheid juist verwachten dat ze – zoals de wetenschap – objectief is en geldt voor iedereen. Maar het is precies deze dualiteit die overwonnen moet worden, want de waarheid mag dan wel objectief zijn, ze is tevens subjectief: ze kan niet los worden gemaakt van ons eigen wezen. De waarheid is geen ding dat buiten ons kan worden geplaatst, zij moet worden beleefd. Ze is iets levends: we moeten haar kunnen voelen in ons hart, ze moet ons vervullen. Zonder die rechtstreekse, persoonlijke verbinding merken we het niet als de leugen de plaats van de waarheid inneemt. En die gevoelsmatige verbinding, die hart-kwaliteit, vinden we in de kunst: zij geeft ons wat de wetenschap niet kan geven.

Maar ook het omgekeerde is waar: de wetenschap geeft ons wat de kunst niet kan geven: helderheid en inzicht. Het licht van de rede is als de zon die alles doet verschijnen. Die zon leeft weliswaar ook in de kunst, maar daar is zij verduisterd door de materie. Deze artistieke ‘zonsverduistering’ maakt echter iets zichtbaar dat in de zonovergoten werkelijkheid niet kan waargenomen worden: de allesdoordringende zonne-aura van de waarheid. Dit waarheidslicht is er altijd, maar het verschijnt alleen wanneer de maan de zon precies bedekt, dat wil zeggen wanneer de kunstenaar erin slaagt geest en materie volkomen te doen samenvallen. Er is echter nog een tweede voorwaarde: alleen degenen die precies weten waar en wanneer ze moeten kijken, krijgen deze mysterieuze zonne-aura te zien. Zij weten ook wat ze zien, zodat de verduistering hen geen angst aankaagt. Anders gezegd, zonder de wetenschap krijgt men het waarheidslicht van de kunst niet te zien, tenzij per ongeluk. 

Kunst en wetenschap zijn dus allebei nodig om de waarheid te kunnen zien: in de kunst beleven we de waarheid zonder het te weten, in de wetenschap kennen we de waarheid, maar we hebben er het contact mee verloren. Het probleem is dat kunst en wetenschap elkaar uitsluiten: we kunnen de waarheid niet tegelijk kennen en beleven, evenmin als we tegelijk de aardse wereld en de sterrenwereld kunnen zien. Als de zon verschijnt, verdwijnen de sterren en omgekeerd. Ze zijn er altijd allebei, maar we zien ze nooit tesamen, tenzij tijdens een eclips. Zo gaat het ook met kunst en wetenschap. Om kunst te kunnen zien, moeten we er ons aan overgeven en dat maakt een rationele benadering onmogelijk. Een rationele benadering sluit dan weer de gevoelsmatige overgave uit en doet de kunst uit onze waarneming verdwijnen. Kunst en wetenschap wisselen elkaar af zoals de zon en de maan, maar ze vallen nooit samen, tenzij bij hoge uitzondering, zoals tijdens een zonsverduistering.

De grens die de wetenschap bereikt heeft, is de grens met de kunst. Pas wanneer ze die grens overschrijdt, kan ze de waarheid vinden die ze zoekt. Wat haar daarvan weerhoudt, is het feit dat ze dan verdwijnt, dat ze zichzelf opheft. De wetenschap kan het gebied van de kunst niet betreden zonder haar objectieve afstandelijkheid op te geven. En dus rijst de vraag: kan de wetenschap deze grens overschrijden en toch wetenschap blijven? Kunnen we de waarheid bewust leren kennen of kunnen we ze hoogstens gevoelsmatig beleven zoals in de kunst? Dat is de cruciale vraag die Rudolf Steiner zich stelde aan het eind van de 19de eeuw. Als helderziende was hij er diep van doordrongen dat de wetenschap aan een grens was gekomen: de grens tussen de dode materie en de levende geest. Voor hem was het geen probleem om die grens in beide richtingen te overschrijden, maar wat hij zocht was een brug tussen beide werelden, zodat er – op de grens – een wetenschap van de hele werkelijkheid kon ontstaan.

Die brug vond hij in de kunst (van Goethe) en dat is geen toeval, want in de kunst zijn materie en geest met elkaar verbonden. Maar dat zien we niet, want zowel materie als geest verdwijnen uit ons bewustzijn wanneer we naar kunst kijken. We zien geen van beide meer, zoals we ook de zon en de maan niet meer zien tijdens een zonsverduistering. Wat we wel zien, is een nieuwe, onbekende werkelijkheid: de zonne-aura van de waarheid. Daar zijn we ons echter niet van bewust, want we stellen ons geen vragen naar de aard van deze derde, kunstzinnige werkelijkheid. Ze vervult ons met verrukking en doet al onze vragen verstommen. De kunst is het antwoord op al onze vragen. Maar juist doordat we sprakeloos naar haar kijken, blijft haar (waarheids)wezen ons onbekend. Nochtans zien we in de figuur van Goethe dat de kunst wel degelijk gekend wil worden, dat ze streeft naar wetenschap en bewustzijn. Maar de laatste vraag, de vraag naar haar eigen wezen, kon Goethe niet stellen zonder op te houden kunstenaar te zijn. 

Rudolf Steiner kon dat wel. Als wetenschapper kon hij de ultieme vraag stellen naar het waarheidswezen van de kunst, naar het scheppende wezen van de mens. Dat was een grote stap, want alles verandert wanneer we ons vragen beginnen te stellen over datgene wat alle vragen doet verstommen. Er is een enorm verschil tussen het onbewuste en het bewuste betreden van de geestelijke dimensie van de werkelijkheid, tussen het dromerig-gevoelsmatige beleven en het bewust-verstandelijke benaderen van het wezen van de kunst. Het eerste vervult ons met verrukking, het tweede met ontzetting. In ons hart kennen we de waarheid, zij is ons vertrouwd, het waarnemen ervan is een herkenning. Maar wat voor onze onbewuste ziel kinderspel is, is voor onze bewuste, verstandelijke ziel een schokkende ervaring. De wetenschapper die vragend doordringt tot het wezen van de kunst, voelt zich overweldigd, al zijn wapens worden hem uit handen geslagen. En daar staat hij dan: klein, nietig en onmachtig. 

Het bewust overschrijden van de grens tussen kunst en wetenschap is een beproeving en er is veel liefde nodig om deze beproeving te doorstaan. We kunnen ons niet voorstellen wat Rudolf Steiner doorgemaakt heeft toen hij – als eerste – deze grens overschreed. Voor het oog van de wereld was hij een mislukte wetenschapper die leefde als een bohémien tussen kunstenaars. Maar dat was slechts een uiterlijk beeld van wat zich in zijn ziel afspeelde: als wetenschapper betrad hij het gebied van de kunst en werd ‘verduisterd’. Maar dankzij deze (vrijwillige) verduistering zag Rudolf Steiner de zonne-aura van de waarheid verschijnen en werd een nieuwe wetenschap geboren: de geesteswetenschap, de wetenschap van de hele werkelijkheid, de materiële zowel als de geestelijke. Dit waarheidslicht scheen echter in de duisternis van een door en door materialistische wereld en werd er niet door aanvaard. Dat nam echter niet weg dat het een keerpunt was, het aanbreken van een nieuw tijdperk. 

Rudolf Steiner voorspelde dat de wetenschap zoals we die vandaag kennen zou verdwijnen. Dat kunnen we ons nauwelijks voorstellen, want de moderne wetenschap is machtiger dan ooit. Toch heeft de corona-crisis duidelijk gemaakt dat die machtige wetenschap een reus op lemen voeten is. En hij wankelt. Wat we vandaag meemaken, is de machtsgreep van een materialistische wetenschap die voelt dat haar dagen geteld zijn en zich gedraagt als een gewond dier dat gevaarlijker is dan ooit. Dit dier is vervuld van haat tegen de kunst en tegen het vrije, scheppende wezen van de mens wiens tijd gekomen is. Die haat is eigenlijk angst, want de enige manier waarop de wetenschap zichzelf kan redden, is door zich te verbinden met die verafschuwde kunst, er zich door te laten ‘verduisteren’ en daarna in een nieuwe vorm weer te verschijnen. Tegelijk is dat ook de enige manier waarop belet kan worden dat de vrije mens opgesloten wordt in een kooi: door de waarheid van de kunst bewust te leren kennen. 

Honderd jaar geleden zei Rudolf Steiner dat het in de 20ste eeuw twee kanten op kon: ofwel kwam de antroposofie tot bloei en gaf zij de menselijke beschaving de geestelijke impuls die ze nodig had, ofwel kwam die beschaving aan de rand van het graf te staan. Alles hing af van de samenwerking tussen platonici en aristotelici, tussen de kunstenaars en wetenschappers par excellence dus. Er moest op ruimere schaal gebeuren, wat 2000 jaar geleden op één enkele plaats gebeurde: in de tempel van Jeruzalem, waar het Ik van de solomonische Jezus (de ‘wetenschapper’) overging in de nathanische Jezus (de ‘kunstenaar’). Door dit goed bewaarde geheim te onthullen, maakte Rudolf Steiner het oerbeeld zichtbaar van wat hij zelf zou doen tijdens de Weihnachtstagung: hij offerde zijn leven door zijn lot te verbinden met dat van zijn leerlingen. Toen hij vervolgens – wegkwijnend als de solomonische Jezus – het geheim onthulde van de oude en de jonge zielen, nodigde hij ons uit zijn voorbeeld te volgen.

De kern van dat voorbeeld is de manier waarop de tegenpolen met elkaar verbonden worden. De verbinding zelf wordt bewerkstelligd door de (weder)komst van Christus en ligt niet in de vrijheid van de mens. Wat wel in zijn vrijheid ligt is hoe de verbinding tot stand komt: op de manier van de wetenschap of op die van de kunst. In het eerste geval is de verbinding gebaseerd op macht: zoals de wetenschap de natuur onderwerpt, zo onderwerpt ze ook de kunst. Het resultaat zien we in de hedendaagse kunst. Deze zogenaamde ‘nieuwe’ kunst kan niet bestaan zonder de uitleg van experts, ze is afhankelijk van de wetenschap. Eigenlijk is ze niet meer dan een toegepaste wetenschap: ze brengt de ideeën van de (materialistische) wetenschap in beeld. In het tweede, kunstzinnige geval is de verbinding gebaseerd op liefde: de wetenschap geeft zich over aan de kunst, en laat er zich door verduisteren. Het resultaat van deze kunstzinnige verbinding zien we in de antroposofie: een wetenschap die tegelijk een kunst is.

Het kan dus twee richtingen uit met de verbinding der tegenpolen: de richting van de kunst of de richting van de wetenschap. De eerste resulteert paradoxaal genoeg in een nieuwe wetenschap (de antroposofie), de tweede in een nieuwe kunst (de hedendaagse). In beide gevallen worden kunst en wetenschap één, maar in het ene geval gebeurt dat op christelijke wijze (naar het voorbeeld van de twee Jezuskinderen), in het andere geval gebeurt het op omgekeerde, ahrimaanse wijze. Wat de hele zaak zo complex maakt, en waardoor beide manieren voortdurend met elkaar verward worden, is dat het in beide gevallen om een omkering gaat. In het christelijke geval wordt de wetenschapper een kunstenaar, in het ahrimaanse geval wordt de kunstenaar een wetenschapper. In abstracto lijkt dat hetzelfde te zijn, in concreto is het het verschil tussen goed en kwaad: de christelijke omkering leidt tot een Steigerung van zowel kunst als wetenschap, de ahrimaanse omkering leidt tot de vernietiging van beide. 

Op welke manier verbinden we kunst en wetenschap met elkaar? Dat is de keuze waarvoor we vandaag staan. Het is de keuze tussen Christus en Ahriman, tussen goed en kwaad, tussen een nieuwe lente en de dood. Op zich is die keuze niet moeilijk, het probleem ligt in het onderscheiden van de twee keuzemogelijkheden. Doordat we allemaal ‘wetenschappers’ zijn geworden en met ons hoofd denken, zien we geen verschil tussen beide. Dat verschil zien we alleen met ons hart. De wetenschapper onderscheidt zintuiglijk en verstandelijk, dat wil zeggen op materieel vlak. De kunstenaar onderscheidt ook op moreel-geestelijk vlak: hij kan de waarheid waarnemen. Maar hij onderscheidt niet met zijn hoofd, hij onderscheidt met zijn hart, en dat hart moet de wetenschapper leren kennen. Daarvoor moet hij dit ‘waarheidsorgaan’ echter bevrijden, want Ahriman heeft het in zijn wurgende greep, de greep van de angst. En om het hart te bevrijden is moed nodig, michaëlische moed.