Corona (12)

door lievendebrouwere

  

Schoonheid zal de wereld redden, schreef Dostojevski 150 jaar geleden. Op een onverwachte manier zijn die woorden vandaag heel actueel geworden. Meer dan ooit staan we voor de keuze tussen schoonheid en lelijkheid. We moeten beslissen of we het leven willen dat zich momenteel aandient, een leven waarin wetenschappers ons doen en laten bepalen, een leven in voortdurende angst voor virussen en andere onzichtbare vijanden, een leven achter slot en grendel, een leven met iedere dag weer nieuwe wetten, voorschriften en verboden, een leven met mondmaskers, contactonderzoeken en social distancing, een leven met mensen die elkaar wantrouwen en aangeven bij de politie, een leven met vaccinaties die ons steeds afhankelijker maken van medicatie, een leven waaruit langzaam maar zeker alles verdwijnt wat het mooi en de moeite waard maakt. Als we niks doen, dan is dit lelijke leven – waar we de jongste maanden al hebben kunnen van proeven – wat ons te wachten staat. 

Maar kunnen we wel iets doen? Kunnen we ook kiezen voor een ander leven, een mooi leven, een kunstzinnig leven? Behoort dat nog tot de mogelijkheden? Dagelijks schrijven de kranten hoe dodelijk het coronavirus wel is en de WHO waarschuwt dat het misschien wel nooit meer weggaat. Met andere woorden: de kans is reëel dat het lelijke leven zoals we het nu meemaken, permanent wordt. Dat is een huiveringwekkend vooruitzicht. Na twee maanden lockdown zitten veel mensen reeds op hun tandvlees, ze worden halfgek. En dan rekenen we nog niet met de economische gevolgen van het stilleggen van de maatschappij: al die bedrijven die op de fles gaan, al die mensen die in de schulden terechtkomen. Als dit het nieuwe leven wordt, zal er ook een nieuwe mens moeten verschijnen, een mens die al die lelijkheid kan uithouden. En dat zal ofwel een betere ofwel een slechtere mens zijn, afhankelijk van de keuze die we maken. We beslissen vandaag over wat voor soort mens we willen zijn. 

Maar om überhaupt te kunnen kiezen, moeten we een duidelijk beeld hebben van de keuzemogelijkheden. We kunnen niet kiezen voor iets waarvan we ons geen voorstelling kunnen maken. Van het lelijke leven kunnen we dat inmiddels heel goed: het is angstwekkend concreet geworden. Maar wat moeten we ons voorstellen bij het mooie leven? Dat wordt meer en meer een utopische wensdroom, een herinnering aan lang vervlogen tijden, een abstract denkbeeld zonder enige realiteit. Zo het al een beetje concreet wordt, grijpen we terug naar oude zonden, naar communistische of fascistische modellen, naar een wereld geleid door een ‘sterke man’. En dan zijn we weer terug bij af. Nee, als we willen ontsnappen aan het lelijke leven, hebben we een duidelijke en concrete voorstelling nodig van het mooie leven, anders zullen we nooit de moed en de overtuiging opbrengen om ons te verzetten tegen het deprimerende en mensonwaardige leven dat ons momenteel wordt opgedrongen door wetenschappelijke experts. 

Het toeval wil dat we op hetzelfde moment dat we een voorsmaakje krijgen van het lelijke leven ook een overtuigend beeld krijgen van het mooie leven. Want de quarantaine of lockdown valt samen met de lente, een lente waarin de bloemen uitbundiger lijken te bloeien dan ooit, als om onze aandacht te trekken, als om de tegenstelling in de verf te zetten en ons te wijzen op de keuze die we moeten maken. De lente is inderdaad alles wat het lelijke leven niet is: zij is het seizoen van de nieuwe hoop, van het geloof in het leven, van de vreugde, de schoonheid de scheppingskracht. Zadelt de lockdown ons op met angst, dan doet de lente die angst verdwijnen en vervult ons met frisse moed. Er kan geen twijfel over bestaan: de lente is het beeld bij uitstek van het mooie leven. En dat betekent dat beide keuzemogelijkheden ons momenteel klaar en duidelijk voor ogen staan, als het ware wachtend op onze beslissing. De coronacrisis is een vrijheidsmoment, misschien wel het vrijheidsmoment.

Ofschoon we een beeld van het mooie leven hebben, kunnen we er niet voor kiezen, want we begrijpen het niet. De lente spreekt, net als de kunst, tot ons hart en niet tot ons hoofd zoals de wetenschap. Daarom kunnen we er ons geen voorstelling van maken. Het is met de lente als met de liefde: ze verbergt haar gezicht. Als we verliefden vragen hun geliefde te beschrijven, staan ze met de mond vol tanden. Ze kunnen zich het gelaat van de ander met de beste wil niet voor de geest halen. De reden is dat ze dwars door het uiterlijk van de ander heen kijken en diens (geestelijke) wezen waarnemen. Verliefdheid is een vorm van helderziendheid, ze gaat gepaard met blindheid voor de fysieke, materiële wereld. Zoals de liefde maakt ook de lente ons blind, zij wekt in ons vreugde en liefde voor het leven, ze maakt ons een beetje dronken en licht in het hoofd, en daardoor kunnen we ons haar gelaat niet voor de geest halen. De lente onttrekt zich aan het voorstellingsvermogen van ons hoofd.

Maar dat voorstellingsvermogen is nu juist wat we nodig hebben om voor het mooie leven te kunnen kiezen. We moeten ons een nauwkeurig beeld vormen van de lente. We moeten als het ware haar portret leren tekenen, want alleen op die manier worden we niet verblind door haar wezen en kunnen we het bewust leren kennen. Bij het lelijke leven doen we dat vanzelf, het spreekt een duidelijke taal, de taal van pijn en lijden. Het maakt ons wakker en ons dwingt een beeld te vormen van de lelijkheid zodat we er iets kunnen aan doen. Het is die lelijkheid waardoor we aan wetenschap zijn gaan doen, we danken er ons beeldvormende vermogen aan. De schoonheid daarentegen zet ons niet aan tot beeldvorming en actie, integendeel, ze doet ons dromen, ze brengt ons in een staat van verrukking die ons onnuttig maakt voor het praktische leven, waar lelijkheid, lijden en pijn dienen bestreden te worden. De schoonheid kan niet strijden, ze heeft geen wapens. Ze kan zich ook niet verdedigen, bijvoorbeeld tegen de wetenschap. 

De wetenschap sluit de lente op en zij is ook de enige die de lente weer kan ‘ontsluiten’. Zij moet haar sluier oplichten zodat we haar gezicht kunnen zien en haar woorden verstaan. Maar dat doet de wetenschap niet door zichzelf uit de weg te ruimen zoals ze dat vandaag – vreemd genoeg – doet. Ze gedraagt zich als een chauffeur die verblind wordt door de zon, zijn tegenwoordigheid van geest verliest en wild aan het stuur begint te draaien. Ze houdt met andere woorden op wetenschap te zijn. Die ‘zelfopheffing’ is al een hele tijd aan de gang en – meer nog dan de klimaatkwestie – toont de coronacrisis wat er gebeurt als de wetenschap haar beeldvormende vermogen opgeeft: de machtswellust komt tevoorschijn. Een wetenschap die zichzelf uit de weg ruimt, maakt niet de baan vrij voor de lente en het mooie leven, ze vernietigt het mooie leven, ze effent het pad voor de lelijkheid en maakt zichzelf tot een werktuig van Ahriman, de machthebber bij uitstek.

We hebben de wetenschap nodig om ons een beeld te kunnen vormen van de lente, zodat ze ons tot voorbeeld kan dienen voor het mooie leven. We moeten met andere woorden een innerlijk beeld vormen van een uiterlijk beeld. Dat laatste krijgen we kado: het wordt ieder jaar weer lente. Het eerste daarentegen moeten we stap voor stap opbouwen. Achter beide beelden – het natuurlijke en het wetenschappelijke – staat de wereld van de geest: hij is het die de beelden schept, zowel buiten ons (de lente) als in ons (de voorstelling van de lente). Wat werkzaam wordt als we proberen ons een denkbeeld te vormen van de lente, is dezelfde geest die de lente voortbrengt. We begrijpen de lente dus door ze na te bootsen, door hetzelfde te doen als de geest die in haar werkzaam is, namelijk beelden vormen. Dat geldt trouwens niet alleen voor de lente – we leren de hele wereld kennen door hem na te bootsen – maar in de lente is dat beeldvormende, scheppende, kunstzinnige vermogen van de geest het sterkst.

Tenminste in de natuur, want in onszelf is het dan juist het zwakst. In de lente worden we verblind door het scheppende genie dat aan het werk is en we kunnen er alleen maar in stomme verbazing naar kijken, als een kind dat vol ontzag toekijkt hoe een kunstenaar een beeld schept. De scheppingskracht van de lente vervult ons met zoveel vreugde en verrukking dat het laatste waar we aan denken is om het ook eens te proberen. Het komt niet in ons op om een voorstelling van haar te maken. Haar (natuur)beelden zijn zo vol glans en leven, dat onze (denk)beelden wel droog stro lijken. Als de lente komt laten we alle terughouding varen, we gooien alle afstandelijkheid overboord en werpen ons verliefd in haar armen. Anders gezegd, we verliezen ons hoofd. In de lente willen we alleen maar één worden met de natuur, genieten van het leven. Tijdens de (lelijke) winter hadden we alle tijd om na te denken, maar nu de schoonheid terugkeert vegen we al die muizenissen in een hoek en vullen onze ziel weer met licht en leven. 

Dit jaar is het echter anders. De wetenschap verspert ons de weg tot de schoonheid van de lente, als een strenge vader verbiedt zij ons de geliefde te ontmoeten. Net nu het leven op zijn mooist is, wordt het lelijker dan ooit. De hele mensheid lijdt vandaag aan liefdesverdriet: wanhopig verlangt ze naar het mooie leven, dat zo vlakbij is en toch zo ver. Het grote gevaar dat haar bedreigt, is dat haar hart breekt, dat ze erbij gaat zitten en zegt: wat kan het mij nog schelen, ze doen maar, het leven heeft voor mij geen enkele zin meer! Hoeveel jonge mensen worstelen vandaag niet met dat gevoel van wanhoop, nu hun toekomstdromen steeds onbereikbaarder worden? Was de moderne mens al verslaafd aan drugs en anti-depressiva, dan zal het nu nog erger worden. Hij dreigt deze lente niet alleen zijn hoofd te verliezen, maar ook zijn hart. Hij loopt het gevaar herleid te worden tot een lethargisch, depressief en willoos wezen door een wetenschap die de schoonheid verboden heeft. 

We staan vandaag voor de keuze waarvoor ook de verliefde mens staat die zijn geliefde niet mag zien. Wat zullen we doen: ons hart volgen of het ouderlijke gezag gehoorzamen? Verliefdheid is een enorme kracht, maar de wetenschap is dat ook: zij beschikt vandaag over het grootste gezag dat ooit bestaan heeft op aarde. Voor het eerst in de geschiedenis der mensheid staan deze twee grote krachten als gelijken tegenover elkaar: de levenskrachten van de liefde en de doodskrachten van de wetenschap. Het is de grootste krachtmeting ooit en de uitkomst ervan zal onze toekomst bepalen. Als de wetenschap wint, zal het hart van de mens gebroken worden, hij zal een machteloos wezen worden dat meegesleurd wordt door lagere driften, zijn eigen driften of die van de machthebbers, dat komt op hetzelfde neer. Wint daarentegen de liefde en trotseert ze het ouderlijk gezag, dan zal … hetzelfde gebeuren. De levenskrachten zullen het rationele denken vernietigen en van de mens (weer) een dier maken. 

Overal klinkt vandaag de stem van het gekwelde mensenhart: het wil de lokroep van de liefde beantwoorden en zich in de armen van de lente werpen, het wil een heerlijke nieuwe wereld scheppen en de oude, verstarde wereld achter zich laten. Maar hoe moet die nieuwe wereld eruitzien? Daar heeft de mens geen voorstelling van, althans geen nieuwe. Het zijn oude linkse of rechtse idealen die weer uit de kast worden gehaald, idealen die in de voorbije eeuw zoveel ellende veroorzaakt hebben. Er dreigt dus opnieuw groot gevaar, een gevaar dat alleen bezworen kan worden als we nieuwe voorstellingen maken van het mooie leven, als we een nieuwe wetenschap in het leven roepen, een wetenschap van de lente. Want de oude voorstellingen – linkse zowel als rechtse – zijn allebei gebaseerd op de moderne, materialistische wetenschap. Ze gaan niet uit van de liefde voor het mooie leven, ze gaan uit van de haat tegen het lelijke leven. Ze zijn het product van angst en macht, en eindigen logischerwijze in geweld en onderwerping. 

Wanneer we vandaag kiezen voor het mooie leven, doen we dat blindelings, gedreven door onze groeiende afschuw voor het lelijke leven. Mensen pleiten hartstochtelijk voor liefde, verdraagzaamheid en menselijkheid, maar ze worden gedreven door blinde haat die hen ertoe brengt anderen onophoudelijk te beschuldigden, te verketteren en te achtervolgen. Wat ze vooral haten is de haat zelf, dat wil zeggen, ze haten in de eerste plaats zichzelf. Op grond van die onbewuste zelfhaat (gecamoufleerd door sentimentele liefdesverklaringen) kan nooit een ‘heerlijke nieuwe wereld’ worden gebouwd. Een voorstelling van het mooie leven moet zowel de liefde als de haat omvatten, ze kan nooit ontstaan uit de overwinning van één van beide tegenpolen. We hebben de haat nodig om voor de liefde te kunnen kiezen, want zonder haat kunnen we ons geen voorstelling maken van het mooie leven, zonder haat kunnen we geen afstand nemen van wat we liefhebben, zonder haat kunnen we ons nooit het gelaat van de lente voor de geest halen. 

Each man kills the thing he loves, schreef Oscar Wilde na zijn lockdown in de gevangenis van Reading. Hij componeerde zijn beroemde ballade na het bijwonen van de terechtstelling van een man die zijn vrouw had vermoord. De schok deed hem doordringen tot een diepe waarheid: we moeten de liefde vermoorden om haar te leren kennen en bewust voor haar te kiezen. Vandaag zijn we er getuige van hoe de schoonheid vermoord wordt door de wetenschap, en de reden daarvoor is dat we het zelf niet doen. We komen er niet toe to kill the thing we love, we maken ons geen voorstelling van de schoonheid, van de lente, van het leven. Hoe lelijker dat leven wordt, des te meer verlangen we naar het mooie leven, des te meer dromen we ervan. We zitten in ons kot te treuren terwijl zich voor onze ogen de prachtigste lente in jaren afspeelt. Maar we durven niet kijken, we durven de lente niet vermoorden. Alsof ze niet ieder jaar vermoord wordt, alsof ze niet ieder jaar weer uit de dood verrijst.