De vruchten

Vijgen na Pasen is de digitale opvolger van Het Vijgeblad, het papieren ‘maandblad voor kunst en antroposofie’ dat ik jaren in m’n eentje uitgegeven heb. Mensen lopen natuurlijk gillend weg als ze zo’n ondertitel lezen en daarom heb ik hem vervangen door het ietwat minder aanstootgevende ‘de wereld als een kunstwerk zien’.

Andere vlag, zelfde lading.

Als iemand mij vroeger vroeg: wat is antroposofie? dan antwoordde ik: hoeveel tijd hebt u? Ga alstublieft zitten! Neem gerust een sigaar! Iets te drinken?
En ik stak van wal: antroposofie is de levensbeschouwing van Rudolf Steiner, juist ja, van de Steinerscholen.

Tot zover kunnen mensen meestal nog volgen.
Maar dan gaat het mis.
Steiner ging namelijk uit van het bestaan van een geestelijke wereld, niet als wat stoom die uit de oren van de materie komt, maar als de stoom die aan alles voorafging.
In den beginne was dus de geest, en niet de materie.
Nu struikelen mensen voor de eerste keer.
Geestelijke wereld? Is dat hetzelfde als God en al zijn engelen?
Nee dank u, zeggen ze, ik héb al een katholieke opvoeding gehad. Niet opnieuw zo’n religieuze polonaise aan mijn lijf!

Vervolgens moet ik hen vertellen dat Steiner aan occultisme deed. Hij hield zich bezig met verborgen zaken, met dingen waar gewone mensen geen weet van hebben.
Hier struikelen mensen een tweede keer.
Occultisme, esoterie?
Da’s verdorie nog een stuk erger dan godsdienst! De pastoors verrichtten hun hocus pocus tenminste nog in het openbaar. Maar toveren in het geniep? Nee, daar willen ze niets van weten.
Maar omdat ze beleefd zijn en de sigaar smaakt, blijven ze zitten.
En dan volgt de genadeslag.
Rudolf Steiner heeft een vereniging opgericht, de Antroposofische Vereniging, die nog altijd bestaat en die leden heeft over de hele wereld.
Nu worden de sigaren gedoofd.
Dit is erover.
Een sekte begot!
Had je dat niet meteen kunnen zeggen!
En ze voelen zich misleid, in de val gelokt.

Het is niet leuk: beschouwd worden als een misleider, een wolf in een schaapsvacht.
Het is maar een trap of twee hoger dan een pedofiel.
En beneden loert Dutroux.
Nee, wie zich laat hersenspoelen door duistere kerels met priemende ogen en een buitenmaatse strik onder hun kin, kan niet betrouwbaar zijn. Mijden dat volk!

En daar sta je dan, met je goede wil en je mond vol tanden.

En dus zeg ik voortaan, als mensen me vragen wat antroposofie is: wel, eigenlijk komt het er gewoon op neer dat je de wereld als een kunstwerk leert zien.
Dat doet nog altijd de wenkbrauwen de hoogte in gaan, maar er worden geen sigaren meer uitgedrukt en mensen herinneren zich niet opeens een afspraak die ze vergeten waren.

De wereld als een kunstwerk zien? Hmm.
Daar moeten ze even over nadenken.
Wat zou dát kunnen betekenen?

En dat is precies wat ik wil: dat ze erover nadenken, dat ze de gedachte even proeven, dat ze ze in overweging nemen. Ze kunnen ze zelfs mee naar huis nemen. Geen notitieboekje of smartfoon nodig. Makkelijk te onthouden.
Daarom ben ik echt blij met deze slagzin.
Hij vat de hele antroposofie samen zonder dat je honderden woorden nodig hebt, woorden die meestal het ene oor in gaan en het andere weer uit.
De antroposofie in woorden vatten: het is onbegonnen werk.
Daarom: een beeld.
De wereld als een kunstwerk zien.

Iedereen weet wat een kunstwerk is.
Iedereen weet wat de wereld is.
Iedereen weet wat kijken is,
naar de wereld en naar een kunstwerk.
Nu hoeven die twee alleen nog met elkaar verbonden te worden.

Dat is het moment waarop de vragen rijzen.
Wat bedoel je met ‘de wereld’?
Wat is kunst?
Zijn dat geen twee verschillende … euh, werelden?
Kun je die zomaar op dezelfde manier bekijken?
En als de wereld een kunstwerk is, waar is dan de kunstenaar?
Enzovoort, enzovoort.

Vragen is goed.
Vragen zijn beter dan het wantrouwen dat woorden wekken.
Ze laten een mens vrij.
En over ‘de wereld als een kunstwerk zien’ ben je niet gauw uitgevraagd.
Nog in geen jaren.

Het begint er al mee dat de vraag ‘wat is kunst?’ tegenwoordig als niet te beantwoorden wordt beschouwd. Het is een onzinnige vraag, een non-vraag. Aldus kunstpausen als Jan Hoet, die verklaren helemaal niet te weten wat kunst is. En ze kopen, voor veel geld, een rek met conserven en stellen dat tentoon in een museum.
Ziedaar, kunst!
Of niet.
Zijn conservenblikken kunst?
Zijn kartonnen dozen kunst?
Of pispotten?
Machines die stront maken?
Getatoeëerde varkens?
Bananenschillen?

In feite is de hedendaagse kunst één grote vraag: is dit kunst?
Wat is kunst?
Maar uitgerekend die vraag mag niet gesteld worden.
Want dat geeft geen pas. Je betreedt de tempel van de kunst niet vol eerbied om vervolgens te vragen: is dit wel kunst?
Ben ik niet bedrogen?
Zit ik niet in de verkeerde tempel?
Nee, dergelijke vragen stel je doodeenvoudig niet.

De situatie is niet nieuw.
De geschiedenis herhaalt zich.
In de middeleeuwen ontstond de graallegende.
Sinds de De Vinci Code weet iedereen daar alles van, maar toch even opfrissen.
De scène die ons aanbelangt, is de volgende.

Parsifal betreedt de graalburcht en wordt daar ontvangen door een doodzieke koning.
En hij is er werkelijk vreselijk aan toe, die koning.
Je zou kunnen zeggen: hij is omringd door conservenblikken, lege kartonnen dozen en verdroogde bananenschillen. Achter zijn troon scharrelt een varken en in de hoek staat een pispot te stinken.
Parsifal denkt: wat is hier aan de hand?
Maar hij durft niks te zeggen, want iedereen kijkt zeer ernstig.
Bovendien heeft hij altijd geleerd: houd je mond als de grote mensen spreken?
Dus zwijgt Parsifal.
Maar ondank is ’s werelds loon.
Zonder boe of ba wordt hij aan de deur gezet.
Blijkt dat men hem juist in de burcht had toegelaten opdàt hij die vraag zou stellen, de vraag die de koning, en met hem heel zijn koninkrijk, uit zijn lijden moest verlossen.
Alles was in scène gezet opdat Parsifal die ene verlossende vraag zou stellen, de vraag naar de ziekte van de koning, de vraag die het verschil betekende tussen genezing en uitzichtloze ellende.

Maar Parsifal zweeg. Hij gedroeg zich zoals een ridder zich hoort te gedragen: correct.

Ja, de middeleeuwen bezaten visionaire verhalenvertellers, troubadoers die met hun luit rondtrokken en in parochiezalen liedekens zongen die ver in de toekomst keken.

Kunst is de koning van onze tijd, een koning die alles weerspiegelt wat er in de wereld gebeurt. Er is niets in hem wat niet in de wereld is en omgekeerd. Hij en de wereld zijn één.
Maar de koning is ziek, doodziek.
Zijn schitterende paleis, opgetrokken in goud en marmer, en ontworpen door Frank Gehry, is een vuilnisbelt geworden, gevuld met stinkend afval.
Maar hij is nog altijd dé koning, en dus dient men hem, vol overgave en toewijding, zoals het hoort.
Er is er maar één die het protocol mag doorbreken, die mag zeggen wat hij denkt, en dat is de nar, de sotskap.
Hij, en hij alleen, mag de koning de waarheid vertellen.
Hij riskeert daarbij zijn vel, maar dat deert hem niet, want hij heeft de koning lief.

Wie vandaag de waarheid spreekt over de kunst, wie vraagt waarom ze verandert is in een dure vuilnisbelt, haalt zich de woede en verontwaardiging van de hele kunstclerus op de hals. Hij wordt ter plekke geëxcommuniceerd. Hij wordt uit de gemeenschap der weldenkenden gestoten en verbannen naar het land der cultuurbarbaren. Daarom zwijgen alle beschaafde mensen als vermoord. Over de hele wereldbol, van Noord tot Zuid, van Oost tot West, is er al tientallen jaren geen woord van kritiek meer te horen. Niemand die zijn mond opendoet. Niemand die het waagt te zeggen: koning, u stinkt uren in de wind! Niemand die de vraag stelt: wat is er toch aan de hand met de kunst?

Zelfs antroposofen stellen die vraag niet, terwijl het toch ook – en zelfs vooral – om hún koning gaat. Want zij zijn dienaars van de kunst.
En wat een keurige dienaars zijn zij! Er valt werkelijk niets op hen aan te merken.
Alleen …
Zij zijn zo ernstig.
Zij willen de wereld redden.
Zij zijn zich zeer berust van de zware taak die op hun schouders rust.
En daarom, omdat ze zo ernstig, zo plichtsgetrouw, zo ridderlijk zijn, verzuimen zij de vraag te stellen, de verlossende vraag, de Parsifalvraag:
Wat scheelt er toch met de koning die wij dienen?

Ik dien dezelfde koning als zij, ik ben een antroposoof zoals zij,
Maar toch voel ik me niet echt thuis tussen al die dienaren, tussen al dat protocol.
Ik ben een sotskap.
Ik trek gekke bekken.
En er rinkelen belletjes als ik mijn hoofd schud.
Zij dulden mij, maar ze wantrouwen mij.
Ze bekijken mij met een scheef oog,
Want je lacht niet in de nabijheid van de koning,
En je stelt hem zeker niet de vraag waarom hij erbij ligt als een lijk dat al tot ontbinding is overgegaan.

Bestaat er iets ergers dan aan een koning vragen waarom hij zo stinkt?

Welnu, dat is juist de vraag die ik wél stel.
Want ik heb de koning lief, meer dan mijn eigen leven.
Ik heb dat leven juist aan hem te danken.
Zonder de kunst zou ik er al lang niet meer zijn.
Zonder de kunst zou ik de stank van de vuilnisbak waarin wij tegenwoordig leven niet kunnen verdragen. Hij snijdt mij de adem af.
Alleen de kunst (en mijn vrouw natuurlijk) doet mij volhouden, en belet mij uit die vuilnisbak te stappen.
Maar nu is de kunst zelf een vuilnisbak geworden.
Zij is zelf beginnen stinken.
En dat is meer dan ik kan verdragen.
Ik kan niet anders dan vragen: kunst, waarom zijt gij zo smerig? Waarom maakt gij uzelf niet meer schoon? Wat is er met u gebeurd?
Als ik die vraag niet stelde, zou alles geen zin meer hebben.
Als ik die vraag niet stelde, zou het me allemaal niks meer kunnen schelen.
Maar ik stel ze wel.
Ik stel ze al mijn hele leven.
Because I care.
Omdat ik mijn koning innig liefheb, omdat hij alles voor me is.
Omdat alleen hij, de kunst, de wereld kan redden. En mij erbij.
Daarom stel ik de vraag die hem uit zijn lijden kan verlossen,
zijn lijden dat ook mijn lijden is, en dat van iedereen.
Ik stel die vraag uit mede-lijden.

Dat, beste jongens en meisjes, is antroposofie in een notendop.
Maar hey, je hoeft me niet te geloven.
Want ik ben maar een nar, een sotscap,
Een Pierke Pierlala.
Ik ben een vijg na Pasen.

Je hoeft niet in me te bijten.
Maar het mag wel.

20130628-153141.jpg

Advertenties