Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Categorie: Anna

De voorkant …

  

Vier jaar …

  

De Schone Slaapster

De prinses met de tut

Anna, de prinses met de tut

Anna zoekt de zin des levens

20140927-125624.jpg
(Anna zoekt de zin des levens)

Anna maakt spaghetti

20140203-093831.jpg

Een favoriet onderdeel (naast rauwe paprika opeten): andzjoens pellen.

Wat groeit daar in mijnen hof?

20140117-195724.jpg

(eentje uit de oude doos)

Anna onder de tafel

20131215-201711.jpg

Anna kruipt ’s avonds onder de tafel en begroet de dingen: hallo, spinneweb!

Jong geleerd

20131209-105725.jpg

Dit is de goede Sint.
Ik bedoel: de goede goede Sint.
Ik heb hem gisteren van Anna gekregen.
Er was ook een witte Sint.
Die heeft ze voor zichzelf gehouden.
Ze heeft hem in twee gebroken en er een stuk uitgebeten.

Zo jong nog, en ze weet al hoe het moet!

Ik is klein

Even terug in de tijd.
Het is eind oktober.
Omdat ik in Bottelaere moet zijn, heb ik de opdracht gekregen om daarna Anna op te halen in het vlakbij gelegen Munte.
Ze heeft daar sinds kort kennis gemaakt met het fenomeen ‘school’, want op de Kasteellaan in Gent was er geen plaats meer.
Dus gaat Anna niet naar de peuterklas op vijf, maar op 50 minuten van haar huis.
Dat is tenminste de tijd die ík erover gedaan heb.
Helena – haar moeder en mijn dochter – vindt antroposofie dikke zever, maar ze wil wél dat Anna naar een steinerschool gaat.
Zo vader, zo dochter.
Ik vond antroposofie destijds ook dikke zever, maar zo’n steinerschool vond ik uitstekend voor m’n kinderen.
Stel je voor: ze konden daar tekenen en schilderen en boetseren en muziek maken en zingen en toneel spelen en hun schriften vol kleuren!
En last but not least: ze hoefden helemaal geen examens te doen!
Daarvoor nam ik die rare Steiner en zijn sofen graag op de koop toe.

Zo ziet Helena het waarschijnlijk ook.
Bovendien bevalt het haar wel in Munte.
Munte is namelijk een klein idyllisch dorpje waar de tijd is blijven stilstaan.
Het steinerschooltje is gehuisvest in het oude dorpsschooltje vlakbij de kerk.
Als de kinderen in de klas zitten, kun je buiten de bladeren horen vallen.
Ritsel, ritsel, ritsel: iets anders hoor je daar momenteel niet.

Hoezere vielen ze af, de zieke zomerblaren, toen ik er die herfstdag arriveerde.
Hoe zonken ze altemaal, die eer zo groene waren, te grondewaart.
Het leek wel of ik in een gedicht van Guido Gezelle was terechtgekomen.
Ik parkeerde onder de bomen en liep naar het schooltje.
Helena had me omstandig uitgelegd in welke klas ik moest zijn.

20131202-132918.jpg

Voor wie komt u?
Anna.
Aha. Anna, kom eens kijken!
Daar was ze, aangekleed en al.
Ik schrok.
Dat kleine, stille ding, was dat Anna?

Ik had het gevoel of ik boven op St. Baafs stond en zij beneden.
Ik stak mijn hand uit en zwijgend legde zij haar handje erin.
Ze is nog maar pas wakker, zei juf Nancy.
Ja, dat kende ik.
Als Anna geslapen heeft, komt ze van ver, van heel ver.
Misschien gaat ze iedere keer wel heen en terug naar Afrika, wie weet.
Half slapend liet ze zich naar buiten leiden.
Ik zei niets.
Ik heb grote eerbied voor mensen die slapen.
Ik zal ze nooit wakker maken.
We passeerden de kerk.
Opeens wrong Anna haar handje los, liep naar de metalen brug die op de trappen was geïnstalleerd (voor rolstoelgelovigen), sprong daar een paar keer op en neer, en kwam toen terug alsof er niets gebeurd was.
Ze was waarschijnlijk niet eens wakker geworden.
We wandelden zwijgend naar de auto, terwijl de bladeren ritselden.
(Reken maar dat je dát op de Kasteellaan niet hoort als de school daar uit is!)
Het was warm voor de tijd van het jaar en ik trok m’n jas uit voor ik Anna in de auto installeerde.
Ze kroop zelf in haar kinderstoeltje en wachtte geduldig tot ik haar vast zou gespen.
Dat was gemakkelijker gezegd dan gedaan, want Anna was bovenop de riemen gaan zitten.
Ik zocht met m’n handen achter haar rug, onder haar benen, onder haar poep, over haar gezicht, in haar haar, mompelend: waar zijn ze, waar zijn ze?
Daar moest Anna wel om lachen.
Ze begreep dat het moderne leven niet eenvoudig is voor oudere mensen, en stak een handje toe.
Hier, zei ze, en toonde me de beide riemen.
Nu moesten ze nog in elkaar geklikt worden.
Anna toonde me geduldig hoe dat moest.
Oef!
Ik was er voorwaar van beginnen zweten.
Ik kroop achter het stuur, klikte mijn eigen riem vast en wilde starten, toen ik opeens een ingeving kreeg.
Ik keek achterom, zag Anna lijdzaam in haar stoeltje zitten en vroeg: heb je niet te warm?
Ze knikte onmerkbaar.

Zucht.

20131202-133120.jpg

Ik stapte weer uit, klom op de achterbank, maakte de riempjes los, wurmde Anna uit haar jas, klikte de riempjes weer vast, en zweette nog harder.
Half uitgeput kroop ik opnieuw achter het stuur.
Drie kinderen: hoe had ik dat in godsnaam overleefd?

Het leven was wél nog eenvoudiger in de vorige eeuw.
Een riem deed ik nooit om. Te lastig.
De kinderen gooide ik gewoon op de achterbank, samen met een paar van hun vriendjes.
Als ik bruusk moest remmen, vloog er wel eens eentje tot op de voorbank, maar dat was dikke pret.
Ik remde dus ook wel eens als het niét moest.
Nu hangt zo’n auto van voor tot achter vol riemen en hij wil niet eens rijden als je ze niet om hebt.

Toen ik een uur later in Gentbrugge arriveerde, had ik onbedoeld een flink stuk van de wereld tussen Munte en Gent gezien.
Anna sliep diep.
Haar hoofdje was helemaal op haar borst gezakt en over haar voorhoofd liep een straaltje zweet.
Arme duts!
Ik wurmde haar nog maar een los – ocharme mijn rug! – en droeg het slappe slapertje naar huis.
Ik wilde haar overdragen aan Helena’s nieuwe vriendje, maar ze sloeg zijn handen met een snauw weg.
Hij deinsde beduusd achteruit.
Dan maar naar de mama die op het terras stond te telefoneren.
Anna begon nu te dreinen en Helena trok ze met één hand op haar heup.
Ik maakte me vlug uit de voeten.
Dit zou geen prettig ontwaken worden, dat stond vast.
Zou het die dag nog wel goed komen?
Want als Anna uit haar hum is, is ze er heel erg uit.
Als ze erin is overigens ook.
Alles is bij Anna maal twee.
Een beetje zoals haar naam.

20131202-133334.jpg

En dat is nu net wat ik wilde vertellen.
Als Anna bij ons thuis is – in of uit haar hum – dan vult ze het hele huis.
Ik word dan in de hoek gedrukt.
Fysiek is Anna nochtans een klein ding, kleiner dan andere kinderen.
Maar haar etherisch lichaam kan bijna reusachtige proporties aannemen.
Je ziet het niet, maar verdorie, je ondervindt het wel!
En het is beslist geen ADHD-kind. Nee, ’t is pure levenskracht.
Ik word er soms zelfs een beetje bang van.
Mij maken ze in ieder geval niet wijs dat ras alleen maar een kwestie van huidskleur is.
Ik heb daar het zeer levende bewijs van.

Ja, wie wil weten wat een etherisch lichaam is, moet maar eens naar Anna komen kijken.
Of luisteren.
Bijvoorbeeld wanneer ze voorleest uit de Filosofie der Vrijheid.
Ik wil wedden dat dit boek nog nooit zo levendig en expressief is voorgedragen.
Je verstaat er wel geen woord van, maar dat is niet ongewoon bij de Filosofie der Vrijheid.
Anna declameert ook zonder tekst dat het een lieve lust is.
Hele redevoeringen steekt ze af, met dreigende blikken, wijdse gebaren, opengesperde ogen, gefronste wenkbrauwen, stemverheffingen en gefluister, gebalde vuisten, priemende vingers, alles erop en eraan.
Behalve de woorden.
Maar die komen wel.
Vrees ik.

Anna leest heel graag, maar ze kijkt ook heel graag.
Ik heb twee klassiekers voor haar gekocht: Tiny in de bergen en Tiny op de boerderij.
Al heel vroeg was Anna gefascineerd door het prentje waarop Tiny op haar rug in de sneeuw ligt met haar ski’s hoog in de lucht.
Ze had nog nooit sneeuw gezien, laat staan ski’s, maar ze bladerde altijd meteen naar dat prentje en riep dan verheugd: boem patat!
Sindsdien heet Tiny eigenlijk Tiny Boem Patat.
En wij zeggen: Anna Boem Patat.
Maar dat laatste ontkent ze ten stelligste.
Een andere favoriet is het prentje waarop het gezin van Tiny aan tafel zit.
Daar kijkt ze eerst een hele tijd aandachtig naar, zet haar vingertje dan op de vader en verklaart opgetogen: papa!
Alsof de man lange tijd weg is geweest, maar nu teruggekeerd is in de schoot van het gezin.
An en ik kijken dan altijd even naar elkaar, want Anna’s papa is zwart als de nacht en Tiny’s vader is zeer blank.

Maar wat me die dag in Munte trof, toen ik Anna ging afhalen in haar schooltje, was een nog groter mysterie.
Hoe kan een kind dat thuis alle kamers van het huis vult, opeens zo klein lijken!
Ik moest me bijna bukken om haar te kunnen zien: een klein, stil hummeltje, verloren in een al te grote wereld.
En het was dan nog die idyllische dorpswereld van Munte!
Waar de bladeren zo rustgevend ritselen.
Ik wist op slag: zo’n kind hoort niet thuis in een school, ook geen dorpsschool, zelfs geen steinerschool.
Zo’n kind hoort thuis te zijn, waar het ongestoord het hele huis kan vullen.
Het is niet goed als een kind al zo vlug moet ineenkrimpen en zich diep in zijn lichaampje verstoppen.

20131202-133550.jpg

Als een steinerschool één opdracht heeft, dan is het om dat arme etherlichaam, het levenslichaam van het kind, met alle mogelijke middelen te helpen, te steunen en te versterken.
Over gewone scholen spreek ik niet eens.
Die hebben wat mij betreft ook maar één opdracht: zo vlug mogelijk steinerscholen worden!
En dat heeft niks met antroposofie te maken, maar alles met het kind zelf.
Scholen moeten kinderen niet leren leren.
Ze moeten kinderen leren spelen.
Ze moeten kinderen leren kind te zijn.
’t Is erg dat het zover is gekomen, maar ’t is nu eenmaal niet anders.
En wie het niet gelooft moet maar eens naar Annaatje komen kijken.
Of naar gelijk welk ander kind.
Daaraan moet je een school aflezen.
En aan niks anders.

20131202-133749.jpg

Anna en haar school

Anna (3 jaar) is maandag voor het eerst naar school geweest.
En trots dat ze was op haar nieuwe rugzakje!
Ze was ook trots op haar nieuwe school.
‘Is míjn school!’ verklaarde ze aan ieder die het horen wilde.
Het was ook háár rugzakje.
En háár rode schoentjes.
Alles is tegenwoordig van haar en van niemand anders.
Zelfs ik ben van haar.

Vroeger was Anna van de wereld.
Nu is de wereld van Anna.

Een drastische accentverschuiving als je ’t mij vraagt.
Het kind ontdekt zichzelf en de wereld.
Of de wereld en zichzelf.
Toen Anna nog van de wereld was, kende ze eigenlijk geen van beide.
Of ze kende ze op een heel andere manier als nu.
Het kwam niet in haar op de wereld die ze met zoveel verbazing en enthousiasme ontdekte, háár wereld te noemen.
Het kwam ook niet in haar op zichzelf ‘ik’ te noemen, en met dat woordje de betekenis van ‘trotse bezitter van de wereld’ te verbinden.
Het kwam niet in haar op gelijk wat te noemen en te benoemen.
Het is de ik-mens die namen geeft.
De kinderlijke wereld-mens doet dat niet.
Hij spreekt wel, maar hij spreekt na.
Hij zegt wat anderen zeggen, wat de wereld zegt.
De ik-mens daarentegen, die omstreeks het 3de levensjaar ‘geboren’ wordt, ontdekt de taal als een middel om te benoemen, om in bezit te nemen, om macht uit te oefenen.
Want het spreekt vanzelf dat bezit dient te gehoorzamen aan de bezitter.

Daarmee zal Anna zich de komende 18 jaar bezighouden: met het benoemen van de wereld, met het in bezit nemen van de wereld, met het beheersen van de wereld.
En van zichzelf.
Want die twee gaan altijd samen.
Zij zal haar identiteit vormen, zoals dat tegenwoordig heet.
Zij zal het vooralsnog lege ik-begrip opvullen.
Zij zal ook zichzelf leren beheersen en niet onmiddellijk haar keel openzetten als iets haar niet zint.
Zij zal ook stap voor stap haar lichaam in bezit nemen.
Onder meer door (fluisterend) kinderziekten.
Tot het helemaal van haar is,
tot de kleinste cellen drager zijn van haar ‘ik’.

Wat een werk!
Ik word al moe, alleen door eraan te denken.

En als Anna dan helemaal en heeltegans een zelfstandig ik-mens is geworden, zal ze moeten gaan samenleven met andere ik-mensen, die allemaal vinden dat de wereld van hen is.
De opgebouwde bezitsdrang moet weer worden afgebroken tot hij enkel nog het eigen lichaam omvat.
Dáár moet iedereen afblijven.
Dat is heilige grond.
Maar zo absoluut is ook die grens niet.
Want als Anna kindertjes wil, zal ze haar ‘heilige grond’ moeten laten betreden.
In werkelijkheid is het afbreken van de in de jeugd opgebouwde bezitsdrang een ritmisch proces.
Een proces van geven en nemen.
Van afbreken en opbouwen.
Het absolute van de jeugd – en hoe absoluut is zo’n driejarige niet! – wordt gerelativeerd.
Letterlijk en figuurlijk.
Het wordt in relatie gebracht met andere absoluutheden, met andere ikken.

Pas veel later, in de ouderdom, wordt de mens weer absoluut.
De ik-mens wordt weer wereldmens.
Hij kijkt enigszins meewarig terug op al dat ‘ik’ en ‘mijn’, op al die strijd om de eigen identiteit en het eigen bezit en de eigen macht.
Hij kijkt ook meewarig terug op al die relatie-perikelen, de persoonlijke zowel als de sociale.
Wat was hij toch jong en onbezonnen!

Pas nu hij oud is, krijgt hij zicht op het geheel.
Hij besteedt zijn dagen dan ook aan het overschouwen van zijn leven.
Als een koe herkauwt hij zijn herinneringen.
En dat levert dan, in het beste geval, de melk der wijsheid op.
De quintessens van al zijn vergissingen.

Het heeft iets tragisch.
Pas als een mens oud is, begint hij te begrijpen hoe het moet.
In vroeger tijden kon hij daarmee nog de jeugd helpen.
Hij kon zijn wijsheid delen en op die manier wereld-bezit worden.
Maar welk jongmens luistert vandaag nog naar de ouden?
En welk oudmens begrijpt nog iets van zijn leven?

De oude mens weerspiegelt het kind.
En het kind weerspiegelt de oude mens.
Wat zal kleine Anna op school leren dat haar zal helpen om de wereld waarin ze leeft te begrijpen?
Dat haar zal helpen om zichzelf te begrijpen?
Dat haar zal helpen om als oud Annaatje wijs te worden, en met evenveel verbazing en enthousiasme naar haar leven te kijken als ze nu naar de wereld kijkt?

Juist het wijsheids-element is uit de school verdwenen (voor zover het daar ooit aanwezig was).
Het hele moderne onderwijs draait rond het ‘ik’.
Het gaat om benoemen.
Het gaat om in bezit nemen.
Het gaat om heersen.
Het gaat om the struggle for life.
Het gaat om wat je ziet als je met de neus op de wereld gedrukt staat: die krioelende wereld van het zeer kleine, waar een onafgebroken strijd heerst.
Dat je ook achteruit kunt stappen en het grote geheel zien,
dat je de wereld als een kunstwerk kunt zien,
dat je ook oog kunt krijgen voor de (nu onzichtbare) harmonie en schoonheid en betekenis,
dat komt in de moderne mens niet op.

En zo organiseert hij ook zijn onderwijs: uiterst kortzichtig.
Het resultaat is er ook naar.

Dat is, helaas, de keerzijde van kleine Anna die trots staat te blinken omdat ze naar school mag.
Naar háár school!
Hoe lang zal het duren voor ze doorkrijgt dat de school niet van Anna is, maar dat Anna van de school is?

Laat ons hopen dat ze ooit doorkrijgt …

20130904-100543.jpg