Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Categorie: de natuur natuurlijk

Zo stil

  

28 augustus, Goethes verjaardag. Het is het volop zomer. Ik snoei de frambozenstruiken in de tuin. Af en toe houd ik op en luister. Maïsbladeren ritselen. Insecten zoemen. In de verte klinkt het truweel van een metselaar. Verder is alles stil. Niets beweegt. Waar is iedereen? Het is alsof mens en dier de adem inhouden om de betovering niet te verbreken. Geen kind dat roept, geen koe die loeit, geen hond die blaft. Niets. Alleen die wonderlijke stilte van Maagd. Het is bekend dat Goethe – notoir vrouwengek en breker van talloze harten – tot zijn 40ste maagd is gebleven, letterlijk dan. In zijn tijd, bijna 300 jaar geleden, zal dat wel iets minder moeilijk zijn geweest dan vandaag, maar toch. Waarom doet iemand dat, en dan nog zo’n levensgenieter als Goethe? Het is geen kwestie die me bezighoudt, maar nu ik, zoals ieder jaar, weer betoverd word door de diepe stilte en vrede van de laat-zomerse Maagd, vraag ik me onwillekeurig af of het één niks met het ander te maken heeft. Bezitten mensen van het formaat van Goethe niet bij uitstek de kwaliteiten van hun sterreteken?

Er gebeurt niet veel meer in de tuin. Wat moest groeien is gegroeid. De appelen, de peren en de pruimen zijn nu aan het rijpen. Ook de laatste tomaten lopen rood aan. Ze hebben de laatste weken weinig zon en veel water gekregen. Daardoor zijn ze te snel te dik geworden en smaken ze nergens naar. Maagd is het seizoen van het rijpen, van het langzaam zacht en zoet worden. Zou het dat zijn wat Goethe de eerste helft van zijn leven gedaan heeft: langzaam rijpen, zacht en zoet worden? Want de vruchten die hij voortbracht zijn nog altijd vol smaak. Ze blijven hun mysterie behouden, zoals deze maand van de Maagd. Het is warm, maar de zon heeft haar scherpte verloren. Ze bijt niet meer. Dat maakt deze overgang naar de herfst, deze aanloop naar Michaël zo aangenaam. Het is een soort stilhouden, een vrede sluiten tussen buiten en binnen. Ja, de natuur krijgt nu een innerlijk karakter, ze wordt langzaam zacht en zoet. Tot ze dan, rijp geworden als de appelen en de peren, met een bons op de grond valt. Dan begint er weer een ander seizoen. 

Advertenties

Hemelvaart (1)

  

Verleden week was het Hemelvaartsdag, Ons-Heer-Hemelvaart zoals het vroeger in Vlaanderen werd genoemd. Terwijl de ramadan met alle mogelijke egards wordt behandeld, is het bon ton geworden om de draak te steken met de christelijke feestdagen: hoe stom en onnozel waren de mensen vroeger toch! Bij het lezen van die spottende commentaren – op Facebook wemelt het ervan – moet ik mezelf geweld aandoen om niet denken: hoe stom en onnozel zijn de mensen vandaag toch! Wees blij, zeg ik dan tegen mezelf, dat je de antroposofie hebt leren kennen, anders zou je wellicht net zo stom en onnozel zijn. Maar dat is toch een brug te ver. Ook zonder de antroposofie zou ik niet de spot hebben gedreven met de christelijke feestdagen. Wel zou ik er de schouders voor hebben opgehaald omdat ik niet begreep hoe mensen geloof kunnen hechten aan dergelijke dingen. Maar ik zou nooit vergeten zijn wat het christendom betekend heeft voor de kunst. Hoe zou dat ook kunnen! De hedendaagse kunst herinnert me dagelijks aan de gevolgen van het verdwijnen van de christelijke inspiratie. Nee, ik ben me te zeer bewust van de leegte en de geestloosheid van onze moderne tijd, dan dat ik ooit het koor der spotters-met-het-christendom zou vervoegd hebben. 

Dat neemt niet weg dat de christelijke feestdagen langzaam maar zeker uit mijn bewustzijn verdwenen zouden zijn. Zonder de antroposofie zou ik bijvoorbeeld nooit nagedacht hebben over Hemelvaartsdag. Toch volstaat de antroposofie alleen niet om me daartoe te bewegen. Ik mag graag lezen wat antroposofen (Emil Bock bijvoorbeeld) schrijven over het christendom. Maar er zelf over nadenken, op eigen initiatief? Nee, daarvoor is de kloof te groot. Gelukkig bestaat er een tussenstap die de afstand tussen de christelijke feesten en moderne tijd kleiner maakt, en dat is de beeldtaal van de natuur, vooral dan de gang van de vier seizoenen. Hoe ouder ik word, des te sterker beleef ik de kunstzinnigheid van het vierledige jaarverloop. Die wonderlijke metamorfose, dat jaarlijkse Stirb und Werde in slow motion: ik vind het mateloos fascinerend. Mijn jongste dochter zit regelmatig in Afrika – ze heeft daar een liefje – en wat ze ginder het meest mist, zijn de seizoenen. In Ghana kennen ze geen lente, zomer, herfst of winter. Ze weten ook niet wat een zonsondergang is. ’s Avonds wordt het opeens donker, alsof iemand het licht uitdoet. En ’s morgens gaat het weer aan. Dat is het enige (natuurlijke) ritme dat ze kennen: aan/uit, aan/uit, het hele jaar door. Zonder overgangen, zonder tussenstappen. 

In Europa kent de dag geen twee maar vier bedrijven, net als het jaar. Er is de ochtend (lente), de middag (zomer), de avond (herfst) en de nacht (winter). Die vier dagdelen hebben, net als de vier seizoenen, hun eigen karakter. Zelf hou ik het meest van de avond, zoals ik ook het meest van de herfst hou. Nochtans kan ik ook de andere drie heel erg appreciëren. Stel je voor dat er geen nacht was! Wat een nachtmerrie (sic) zou dat niet zijn! En de ochtendstond heeft nog altijd goud in de mond. Maar de avond blijft toch mijn favoriet. Misschien komt dat wel omdat hij er in onze tijd het meest bij inschiet. ’s Ochtends staan we op en gaan aan de slag, ’s middags draaien we op volle toeren, en ’s nachts slapen we. Net als de zon. Maar ’s avonds komen we niet tot rust, zoals de natuur dat doet. We gaan gewoon door, ook als de zon reeds aan het zakken is. Stoppen we ten slotte met werken, dan staat ons vaak nog een trein- of autorit in de moordende drukte van het spitsuur te wachten. Thuisgekomen duurt het nog een hele poos voor ons adrenalinepeil weer gezakt is en de natuurlijke avond is grotendeels voorbij wanneer we aan onze persoonlijke avond beginnen. Nee, het moderne leven staat nergens haakser op het kunstzinnige ritme van de natuur dan tijdens de avonduren, wanneer de zon ondergaat. 

Wat Europa onderscheidt van (onder meer) Afrika zijn de kunstzinnige overgangen: de ochtenden en de avonden. Maar vooral de avonden. ’s Avonds verzamelt de zon de vruchten van de voorbije dag en neemt ze met zich mee, de nacht in, terwijl ze ’s ochtends uitdeelt wat ze tijdens de nacht verzameld heeft. De ondergaande zon is dus vervuld van de kwaliteiten van het wakker-zijn. Misschien noemt men Europa daarom wel het Avondland: de heldere ratio is er tot ontwikkeling gekomen, maar ook het christendom, de religie waarin God sterft. Is Christus niet als de ondergaande zon? Hij verzamelt de ervaringen van het mensenleven en neemt ze mee naar de Vader. Hij is de overgang tussen (aardse) dag en (hemelse) nacht, de brug tussen mens en God, tussen materie en geest. Wat het christendom gemeen heeft met de Europese natuur is zijn kunstzinnigheid, zijn beeldenrijkdom, zijn kleurrijke zintuiglijkheid. Zoals in Europa het eentonige dag- en nachtritme (zoals we dat bijvoorbeeld aantreffen in Afrika) verlevendigd wordt door de ochtenden en de avonden, zo wordt in het christendom de abstracte relatie tussen God en mens (zoals we die bijvoorbeeld vinden in de islam) aanschouwelijk gemaakt door de beelden van het leven van Christus.

Eén van de redenen waarom vandaag zo ongeremd de spot wordt gedreven met het christendom is dat de moderne mens vervreemd is van de natuur. Wie met de natuur leeft, zoals onze voorouders dat deden, gaat slapen met een ziel die vervuld is van natuurbeelden. Als die beelden ook nog eens zo kunstzinnig zijn als in Europa, met zijn vier seizoenen en zijn vierdelige dag, dan vormen ze een vruchtbare bodem voor het christendom. In de christelijke beelden herkenden onze voorouders intuïtief de ‘vermenselijking’ van de natuur die hen zo vertrouwd was. Het is bekend dat het jonge christendom de oude, heidense natuurfeesten niet zomaar aan de kant schoof, maar ze ‘kerstende’. Dat wordt vaak aangevoerd als bewijs dat het christendom niets nieuws bracht maar het oude alleen in een nieuw kleedje stak. Maar als Christus werkelijk was wie hij verondersteld werd te zijn – de schepper van de wereld – dan was die kerstening niets anders dan het zichtbaar maken van het wezen van die natuurfeesten. De christelijke feesten haalden bij wijze van spreken de kunstenaar uit zijn kunstwerk tevoorschijn. Dat ze zo nauw aansloten bij het natuurlijke jaarverloop was geen gevolg van kerkelijke machtspolitiek, maar een uitdrukking van het wezen van het christendom zelf.  

De vier grote christelijke jaarfeesten (zoals de antroposofie ze onderscheidt) komen overeen met de vier seizoenen en de vier delen van de dag. Pasen staat voor de lente (of de ochtend), St.Jan voor de zomer (of de middag), Michaël voor de herfst (of de avond) en kerstmis voor de winter (of de nacht). De overeenkomst tussen feest en natuur is geenszins programmatisch of bedacht, maar wezenlijk en mysterieus. Op het eerste gezicht is er zelfs eerder sprake van een tegenstelling dan van een overeenkomst, want hoe valt bijvoorbeeld de geboorte van een kind (kerstmis) te rijmen met de winter of de nacht? En hoe kan de dood aan het kruis herkend worden in de stralende lente? Daar ben je niet gauw klaar mee. Maar dankzij het pionierswerk van Rudolf Steiner hebben we vandaag een denkkader dat ons in staat stelt aan de slag te gaan met die beelden en een brug te slaan tussen het christendom en de tijd waarin we leven. Dat wil ik hier eens proberen met Hemelvaartsdag. Ik kan nu toch niet in de tuin werken, het hooikoortsseizoen is begonnen. Bovendien past het wel bij Pinksteren om zelf enig licht te werpen op de zaak, in plaats van alleen maar het (weliswaar veel stralender) licht van Rudolf Steiner te weerkaatsen. 

Wat ‘vieren’ we met Hemelvaart? De ten-hemel-opneming van de verrezen Christus. Moeilijk is het niet om daar de spot mee te drijven, want niet alleen gelooft de moderne mens niet meer in het bestaan van een hemel, hij gelooft nog minder in de mogelijkheid dat iemand uit de dood zou kunnen opstaan. Daar komt nog eens bij dat Hemelvaart de vraag doet rijzen waarom Christus pas 40 dagen na zijn dood naar de hemel ging en niet onmiddellijk erna, zoals iedereen? Het lijkt wel alsof hij iets vergeten was en vlug even uit de dood verrees om het in orde te kunnen brengen en daarna voorgoed te verdwijnen. Maar zo banaal kan de betekenis van de verrijzenis natuurlijk niet zijn. De opstanding is de essentie van het christendom. Als Christus niet was verrezen, schrijft Paulus, zou ons geloof geen zin hebben. Daar moeten we rekening mee houden als we denken aan Hemelvaart. Zonder Pasen zou Hemelvaart niks bijzonders zijn, want iederéén wordt ‘ten hemel opgenomen’ na zijn dood. Maar Christus keerde niet terug naar de geestelijke wereld als een dode, dat wil zeggen als een geest-zonder-lichaam, hij keerde terug als een levende, als een geest-met-een-lichaam. Dat is wat Hemelvaart tot Hemelvaart maakt: het was een lichaam dat ten hemel steeg.    

Zoiets was natuurlijk alleen mogelijk omdat het lichaam van Christus vergeestelijkt was. Juist die vergeestelijking van het (fysieke) lichaam is de kern van het christendom. Ook in andere religies keert de mens na de dood terug naar zijn geestelijke oorsprong, maar zijn lichaam moet hij achterlaten: de kloof tussen geest en materie blijft bestaan. Christus overbrugt die kloof. Hij schept een lichaam dat zowel geestelijk als fysiek is. Van de Verrezene wordt gezegd dat hij at en dronk, en hij gaf de ongelovige Thomas zelfs toestemming om zijn wonden te betasten. Toch stijgt Christus met dat lichaam ten hemel en voegt daarmee een nieuw element toe aan de geestelijke wereld. Tegelijk doet hij dat ook met de aardse, fysieke wereld: hij plant er de kiem van een toekomstige wereld, van een vergeestelijkte aarde. Want zijn opstandingslichaam stelt hem in staat in twee werelden tegelijk te leven. En dat is wat hij doet op Hemelvaartsdag: hij keert terug naar de geestelijke wereld en verbindt zich tegelijk met de aarde. Daarom kan hij zeggen: zie, ik blijf bij u, alle dagen tot het einde van de wereld. Hemelvaart betekent dus geen scheiding maar een verbinding. Het wordt door de leerlingen alleen als een afscheid ervaren omdat ze nog niet in staat zijn die verbinding waar te nemen. Dat gebeurt pas met Pinksteren.

Het leven van Christus is een oerbeeld. We kunnen het overal in herkennen. Zo kunnen we de voorbije 2000 jaar zien als een uitvergroting van de 40 dagen tussen Pasen en Hemelvaart. Zoals Christus zijn leerlingen onderrichtte, zo heeft ook de kerk (die het lichaam van Christus wordt genoemd) dat gedaan. Vandaag is haar onderricht afgelopen, ze heeft de mensheid niks meer te vertellen. We beleven dan ook een soort Hemelvaart: het christendom lijkt te verdwijnen, maar in feite is het aanweziger dan ooit. Dezelfde mensen die de spot drijven met het christendom worden sterker dan ooit bezield door de christelijke idealen. Christus is weliswaar uit hun bewustzijn verdwenen, maar hij is deel geworden van hun lichaam, met name dan hun etherische lichaam, hun gewoontelichaam. Ze gedragen zich christelijk zonder zich daar bewust van te zijn. Hoe kwalijk dat gebrek aan bewustzijn is, toont de politieke-correctheid iedere dag. Rudolf Steiner noemt het verslapen van de wederkomst van Christus (in de etherische wereld) het ergste wat de mensheid kan overkomen. Er is dus nood aan een tweede Pinksteren: de mens moet zich bewust worden van de werkzaamheid van Christus in zijn etherische gewoontelichaam, anders zal dat tot rampen leiden. 

Pinksteren vieren betekent Hemelvaart begrijpen. Het betekent bewust worden van de etherische levenssfeer, waar het fysieke tegelijk geestelijk is en omgekeerd. Om een dergelijk Pinksterbewustzijn te verwerven moeten we ons verzetten tegen twee diepgewortelde gewoonten: de (ahrimaans-wetenschappelijk) gewoonte om alles te verklaren vanuit de dode materie, en de (luciferisch-religieuze) gewoonte om de geest te zoeken in dode abstracties. Met name in onze tijd worden die twee ‘gewoonten’ door Lucifer en Ahriman opgezweept tot driften die de mens niet meer onder controle heeft en die hem verhinderen een (christelijk-kunstzinnig) bewustzijn te ontwikkelen van de levenssfeer. Dat komt zowel tot uiting in de kunstwereld, die ten prooi lijkt aan krankzinnigheid, als in de gewone wereld waar we in the clash of civilisations twee driften frontaal op elkaar zien botsen. Door al dat geweld verliest de mens zijn bezinning en is niet meer in staat de nodige afstand te bewaren om beelden te kunnen lezen die nu ontstaan. Gelukkig is er altijd nog de natuur waar de tegenpolen op harmonische wijze in elkaar overgaan. Met name door de aandacht te richten op de overgangen in die natuur kunnen we iets opvangen van de ‘heilige’ geest die daar werkzaam in is en waar we in onze tijd zo’n nood aan hebben. 

Life and science

  

Sinds kort ben ik tuinier. Ik moet wel, want ik heb nu een tuin, en die kun je niet zomaar zijn gang laten gaan. Gelukkig doe ik het graag, tenminste wanneer de zon schijnt. Dat heeft ze dit jaar reeds volop gedaan en zo ben ik erin geslaagd een stukje van mijn tuin te heroveren op de wildernis. Mijn eerste overwinning behaalde ik op een overwoekerd bed aardbeien. Aardbeien! Daar had ik wel wat rug- en andere pijnen voor over. Na eerst het onkruid verwijderd te hebben, haalde ik de samengegroeide planten uit elkaar. Hingen er (naar mijn mening) nog voldoende wortels aan, dan stak ik ze meteen weer in de grond. Hingen er slechts enkele dunne draadjes aan, dan stak ik ze in potjes met potgrond die ik vervolgens in de serre plaatste om wat aan te sterken. Ik kon het niet over m’n hart krijgen om ze weg te gooien. 

Mijn debuut als tuinier bestond dus uit (1) het vernietigen van de vijand en (2) het verzorgen van zijn slachtoffers. Deze laatste kwamen langzaam weer op krachten en toen ze een beetje te groot werden voor hun potje plantte ik ze weer in volle grond. Als gevolg van die pleegzorg staat (het heroverde deel van) mijn tuin nu vol aardbeiplantjes. Half april verschenen de eerste bloempjes en die vervulden me met trots en verwachting. Maar toen ik voor het eerst sinds lang weer eens ging wandelen, zag ik de aardbeiplanten van mijn overbuurman. Vergeleken bij mijn vondelingen leken het wel reuzen. Ik stond weer met mijn voeten op de grond. Kort daarna zag ik een youtube-filmpje waarin werd uitgelegd hoe ik iets aan die achterstand kon doen: ik moest de bloempjes uitknijpen, dat zou de groei van het plantje ten goede komen. 

Het klonk me niet onlogisch in de oren. Maar moest ik nu echt de bloempjes die me met zoveel vreugde vervulden, verwijderen? Stel je voor dat mijn hele oogst eraan ging! Groot zou ze wel niet zijn, maar aardbeien van eigen kweek – al waren ’t er slechts twee (één voor mijn vrouw en één voor mij) – dat was toch iets om naar uit te kijken! Probeer het eens uit met enkele plantjes, adviseerde An. Een redelijk voorstel. Maar ik wilde niet experimenteren, ik wilde aardbeien! Op Facebook zag ik dat de tuinbouwschool van Melle een lenteverkoop hield en ik besloot daar mijn licht eens te gaan opsteken. Kon ik gelijk ook enkele tomatenplantjes van het ras ‘coeur de boeuf’ kopen. Vorige zomer had ik van iemand zo’n ossenhart-tomaat gekregen en dat was de beste tomaat die ik ooit gegeten had.

Ik was niet de enige die dat vond. Toen ik arriveerde was de coeur de boeuf al uitverkocht. Ik klampte dan maar een leraar aan en vroeg hem of het waar was dat je de eerste aardbeibloempjes moest uitknijpen. Hij keek me verbluft aan en vroeg: wie heeft je dát wijsgemaakt? Het internet, antwoordde ik. Luister eens, zei hij, ik geef hier al 30 jaar les en ik heb nog nooit gehoord dat je de bloemen van aardbeien moet uitknijpen. Hij vond het te gek voor woorden. Er is maar één regel, vervolgde hij, en die geldt voor alle vruchtdragende planten: geen blad, geen vrucht! Ja maar, antwoordde ik, dat is nu net de reden waarom ze die bloemen verwijderen: ze onttrekken energie aan de plant en beletten haar om blad te vormen! Ik dacht aan mijn schriele plantjes, die vaak maar twee blaadjes hadden (en geen honderd zoals die van mijn overbuurman).

Kom eens mee, zei hij en hij bracht me naar een serre waar bloemkolen stonden. De planten waren reusachtig, een ander woord was er niet voor. Kijk, zei hij, dát zijn bladeren en daar zullen mooie bloemkolen aan komen. Maar heb je slechts een paar kleine bladeren, dan zal daar een bloemkool aan komen de grootte van mijn vuist, en misschien zelfs dat niet. Ja maar, probeerde ik nog eens, dat is precies waarom ze zeggen dat je die eerste aardbeibloemen moet verwijderen: omdat de plant eerst bladeren moet vormen en dat kan ze niet als haar energie naar de bloemen gaat! Maar ik had het net zo goed tegen de bloemkolen kunnen zeggen. De brave man schudde alleen maar het hoofd: jongens toch, wat ze allemaal niet op het internet vertelden! 

Opeens kwam de school me, ondanks haar weelde aan bloemen, planten en bomen, een stuk minder aantrekkelijk voor. Was dit de geest die er heerste: een schoolmeestersgeest die niet luisterde en steeds maar weer de eigen waarheid herhaalde? Op weg naar de uitgang zag ik ergens een affiche hangen. Er stond een man in een witte overall op afgebeeld. Op zijn hoofd stond een helm, voor zijn gezicht hing een gasmasker en aan zijn handen zaten grote handschoenen. Die attributen waren rood omcirkeld en ernaast stonden de giftige stoffen vermeld waartegen ze bescherming boden. Er waren ook nog een paar sloganeske waarschuwingen aan toegevoegd. Tuinieren: het was blijkbaar een beroep vol risico’s. Toen ik weer buiten stond las ik op een spandoek: Tuinbouwschool Melle, life and science

Leven en wetenschap: het klonk me in de oren als een contradictie. Hoe kan een wetenschap die alles reduceert tot dode materie nu bijdragen tot het leven? De man-in-het-witte-pak die ik op de affiche had zien staan, zag eruit als een bestrijder van het leven die zich moest beschermen tegen zijn eigen dodelijke wapens. Eigenlijk was de moderne tuinier een karikatuur van mezelf. Wat ik wilde doen door de bloemen van mijn aardbeiplantjes uit te knijpen, deed hij in honderdvoud: doden om meer leven te hebben. Daarom was het ook lachwekkend dat de tuinbouwleraar de ogen ten hemel sloeg toen ik hem vertelde van mijn vernietigingsplan. Hij zag de gelijkenis niet tussen het kleine dat ik (voor het eerst) wilde doen en het grote dat hij (dagelijks) deed. Hij wist met andere woorden niet waar hij mee bezig was. 

Ezelachtig

  

Bestaat er in de dierenwereld een verbijsterender geluid dan het gebalk van een ezel? In deze contreien alleszins niet. Toen ik vanmiddag de weide bij de Gallische hoeve in Destelbergen passeerde, kwam zo’n pluisoor naar me toegelopen, die twee oerklanken uitstotend: de ongelooflijk diep resonerende A en de niet minder ongelooflijk hoge, amechtige I. Achter hem kwam ook zijn compaan aangelopen, of beter aangetrippeld – want ezels zijn vrouwelijk precieuze wezens – dezelfde twee schabouwelijke klanken producerend, maar op een geheel eigen wijze. Daarna werd het weer stil en stonden de twee dieren ietwat verlegen naar me te kijken. Ik begreep er niks van. Hoe viel dat gigantische geluid te rijmen met dat zachte en bescheiden uiterlijk? Kijk, dat is nu eens een vraag waarop ik van de wetenschap een antwoord verwacht. Waarschijnlijk zal ik daar nog lang mogen op wachten, want moderne wetenschappelijke verklaringen klinken me vaak in de oren als het gebalk van ezels: schokkend, onbegrijpelijk en niet te rijmen met de zichtbare werkelijkheid.

Herfsttij

  

Verleden week vrijdag was het buiten zo grijs en troosteloos dat ik dacht: het zit erop, ik begin aan mijn winterslaap! Maar zie, twee dagen later scheen de zon zo stralend dat het onmogelijk was om binnen te blijven. En dus ging ik wandelen, stak de autostrade over en daalde af naar een weiland waar het lawaai iets minder was. Daar zag ik aan de overkant een muur van bomen die me in verrukking bracht. Een paar weken geleden bestond hij nog uit louter groene ‘bakstenen’, maar die waren nu veranderd in gele, rode, bruine en zilvergrijze bladeren. Ook de verschillende vormen tekenden zich duidelijk af en ze produceerden ieder hun eigen geluid. Waren ze eetbaar geweest, ze zouden zelfs anders gesmaakt hebben. Wat een afwisseling vergeleken bij de eenvormigheid van de zomer! Wat een diversiteit!

De herfst staat duidelijk in het teken van de individualisering. De bomen worden weer zichzelf nadat ze in de zomer slechts deel van het grote geheel waren. Maar die afzondering luidt wel hun dood in. Vandaag staan de bladeren nog aan hun takken, over een goeie maand zullen ze allemaal op de grond liggen. Individualiseren betekent sterven. Dat klinkt triest, maar de natuur toont ons (als de zon tenminste schijnt) hoe ongelooflijk mooi dat sterven is. En ook hoe lang het duurt. Ook in de lente doet de natuur er lang over om geboren te worden. Sterven en geboren worden: ze neemt er ruim de tijd voor. Net als voor dood zijn (in de winter) en leven (in de zomer). Tenminste hier in de gematigde streken, waar er vier seizoenen zijn. Elders is de natuur lang niet zo uitvoerig en kunstzinnig.

Mijn jongste dochter Marianne vertoeft regelmatig in Afrika. Ze heeft daar namelijk een liefje. Vraag me niet waarom ze het zo ver gaat zoeken, ze weet het waarschijnlijk zelf niet. In ieder geval, in Afrika hebben ze maar twee seizoenen: het droog seizoen en het regenseizoen. Die gaan even bruusk in elkaar over als dag en nacht. Ochtend en avond, dat kennen ze daar in Afrika niet, evenmin als lente en herfst. De avond valt er als een baksteen. Het ene moment schijnt de zon nog volop, het volgende moment is het stikdonker. Hoe bedoel je, vroeg ik toen Marianne dat de eerste keer vertelde. Wel ja, zei ze, alsof iemand het licht uitdoet. Je kunt maar best niet te ver van huis zijn op dat moment, want je vindt de weg niet meer terug in het donker. Tjonge, dacht ik, wat een fantasieloze gang van zaken!

Hier bij ons is de avond – net als de herfst trouwens – een tot de verbeelding sprekend gebeuren. Hij valt niet als een baksteen zoals in Afrika, hij daalt neer als een pluimpje. Het duurt een hele tijd voor hij (bij wijze van spreken uiteraard) de grond raakt. Het begint al met het langzaam tot rust komen van de drukke dag. Want ook in de natuur is het overdag druk. Al dat groen groeit echt niet vanzelf, daar moet aan gewerkt worden. Je ziet dat mysterieuze werk niet, maar je voelt wel wanneer het ’s avonds afneemt. Dan treedt er een diepe ontspanning in die een genot is om mee te beleven (als je tenminste niet naast een steenweg of een autostrade woont). En als om dat genot te bekronen, verschijnen dan ten slotte die wonderlijke kleuren aan de hemel, als de dag echt sterft en de zon ondergaat. 

We mogen dan wel aan een steenweg wonen, maar ’s avonds kunnen we door het raam de zonsondergang zien. Voor zolang het nog duurt tenminste, want Bostoen – van ‘Thuiskomen is Bostoen!’ – is heel ons uitzicht aan het volbouwen. ’s Avonds wanneer we naar tv kijken, zitten we de helft van de tijd naar buiten te kijken, niet omdat de film of de tv-serie ons verveelt, maar omdat er weinig op kan tegen een zonsondergang. Opkomen doet de zon vrijwel altijd op dezelfde manier, maar ondergaan doet ze altijd anders. Iedere zonsondergang is uniek, zoals ieder sterven uniek is. Alle mensen worden op dezelfde manier geboren, maar niemand sterft op dezelfde manier. Want allemaal ontwikkelen we ons in meer of mindere mate tot een individu tijdens ons leven. De kleuren van herfst en zonsondergang zijn daar een uitdrukking van.

Wat voor een dag geldt (de zonsondergang) en voor een jaar (de herfst), geldt hoogstwaarschijnlijk ook voor een tijdperk. Johan Huizinga schreef destijds over ‘De herfsttij der Middeleeuwen’. Het lijdt geen twijfel dat we ook vandaag een herfsttij meemaken. Zware wolken verduisteren de hemel, stormen razen door de wereld, doodskrachten heersen overal, de beschaving verliest haar bladeren, de mensheid verschanst zich tussen vier muren, enzovoort. Allemaal in figuurlijke zin natuurlijk. We beleven de ondergang van een tijdperk. Welk tijdperk? Dat is niet duidelijk, maar het ziet ernaar uit dat we voor een lange, koude winter staan die wel eens eindeloos zou kunnen duren. Alsof er nooit meer een lente zal komen. En dan kunnen de beelden van de natuur een steun zijn, vooral dan de beelden van de seizoenen, vooral dan de beelden van de herfst. 

Wat me telkens weer opvalt in die herfst is het enorme verschil tussen goed en slecht weer. Niets is zo deprimerend als een grijze, regenachtige herfstdag, maar als de zon weer schijnt weet je niet wat je ziet. En het gekke is: die prachtige kleuren zijn er ook als de zon verstek laat gaan. Je ziet ze dan alleen niet. Ik herinner me nog dat ik lang geleden op zo’n troosteloos grijze dag met een auto vol kinderen door de Vlaamse Ardennen reed. Opeens brak de zon door en onthulde een onwaarschijnlijk mooie wereld. Ik dacht toen: dát zou een mens moeten kunnen, zelf voor zon spelen! Iets zegt me dat het precies dát is wat we in onze tijd moeten leren: onze innerlijke zon ontdekken, in al dat deprimerende grijs de kleuren waarnemen, de vurige herfstkleuren van de individualisering.    

 

Vorm en geest

  

In een voortuintje zag ik onlangs stengels staan die ik nooit eerder had gezien. Toen ik ze wat van naderbij bekeek, bleken ze uit een zelfde soort ‘geledingen’ te bestaan als heermoes, het ‘horlogekruid’ waar ik als kind placht mee te spelen. Reuzenheermoes zeg maar. De bijna manshoge stengels liepen uit op een merkwaardig kegeltje dat me deed denken aan het staartje van een mol. Ik brak er eentje middendoor en zag hoe keurig de talloze (donkere) zaadjes geformeerd stonden rond de bleke kern. Op dat moment viel me de gedachte in: weet er eigenlijk iemand waarom dat kegeltje die vorm heeft? Anders gezegd: waar komt die vorm vandaan? Wie of wat maakt hem? 

De wetenschap weet ongetwijfeld hoe die anderhalve meter hoge stengel zich ontwikkelt uit het zaadje (of in dit geval uit het spoor, zoals ik naderhand op Wikipedia las). Ze kan alle fasen beschrijven in de vormverandering van dat spoor. Maar daarmee geeft ze nog geen antwoord op de vraag waar die vormen vandaan komen. Ze zal wellicht zeggen: die vormen liggen opgesloten in het DNA van de plant. Maar wat wil dat zeggen: ‘opgesloten’ liggen? Moet ik me dat voorstellen als de bloemblaadjes van de klaproos, die opgevouwen zitten in de knop en zich ontvouwen als die knop opengaat? Ik kan me eerlijk gezegd niet voorstellen dat de vormen van een plant, minuscuul opgevouwen, in het DNA zitten. 

Dat zou namelijk betekenen dat een wetenschapper de vorm van een plant kan afleiden uit dat DNA. Is dat zo? Ik weet niks af van wetenschap, maar ik betwijfel het ten zeerste. Kan de forensische wetenschap uit de DNA-sporen die een moordenaar achterlaat op het lichaam van zijn slachtoffer, afleiden hoe hij eruitziet? Dat heb ik in misdaadseries op tv nog nooit gezien. Men kan wel DNA vergelijken, maar men kan er geen lichaamsvormen of gelaatstrekken uit aflezen. En dat betekent dat de vormen van een plant of een dier of een mens NIET aanwezig zijn in de microscopisch kleine wereld van het zaad of het sporenelement. 

Maar waar komen ze dan wel vandaan? Een plant neemt niet toevallig een bepaalde vorm aan. Wel integendeel. Ze neemt altijd precies dezelfde vorm aan, een vorm die onlosmakelijk verbonden is met het erfelijke materiaal van het zaad of het spoor. En toch is die vorm niet terug te vinden in die materie. Kan een wetenschapper die een onbekend zaadje in handen krijgt, de vorm van de plant voorspellen die uit dat zaadje zal groeien? Ik dacht het niet. Hij zal die vorm pas kennen als hij het zaadje plant en de vormen waarneemt die vervolgens verschijnen. De vormen die we in de natuur aantreffen, kunnen dus niet verklaard worden vanuit de materie. Ze zijn met andere woorden geestelijk van aard. Of vergis ik mij? 

Zonnecrème

  
Vanochtend stapte ik buiten en bleef verbaasd staan: zo stil dat het was! Even later passeerden er alweer enkele auto’s op de steenweg en de betovering was verbroken. Vanmiddag stapte ik buiten en opnieuw bleef ik verbaasd staan: wat een heerlijke ontspannen sfeer! Het was of ik zonnecrème rook en even waande ik me aan het strand. Toen wist ik wat er aan de hand was: Kreeft had plaats gemaakt voor Leeuw. Wat een verschil! Wat een totaal andere sfeer! Kreeft heeft iets drukkends, iets benauwds. Hoe zou je zelf zijn als je opgesloten in zo’n loodzwaar pantser op de bodem van de oceaam moest rondscharrelen! Leeuw daarentegen is één en al rust en ontspanning. Er heerst nu een koninklijke, royale harmonie waarbinnen alles zijn plaats heeft. Toch is die rust niet zonder beweging. Bewegingloos is juist de Kreeft. In haar seizoen lijkt de tijd stil te staan. In Leeuw ontstaat er weer beweging: de ontspannen, zalige beweging van een renner die de top van een col bereikt heeft, daar bijna stil stond, maar zich nu heerlijk naar beneden kan laten suizen. Dat is het gevoel dat nu heerst in de natuur: het zware werk is volbracht, nu is het tijd voor welverdiende ontspanning en genot. 

Beeld ik me dit in? Is dit allemaal fantasie? O neen. Ik heb al m’n hele leven dergelijke ervaringen. Ik ga buiten, blijf verbaasd staan en denk: wat is er aan de hand? Ik voel in de atmosfeer dan zo’n opvallende verandering dat ik het nauwelijks kan geloven. Want alles is hetzelfde – in één dag verandert de natuur heus niet drastisch – en toch is alles anders. Honderden keren al is me dat overkomen en telkens weer kom ik, na even nadenken, tot de vaststelling: o ja, de zon is in een ander sterreteken gekomen! Ik heb in de loop der jaren deze gang van de zon door de tekens van de dierenriem als een realiteit leren kennen, een realiteit waaraan ik allang niet meer twijfel. Nochtans is het een realiteit die op geen enkele materiële manier aan te tonen of te bewijzen is. Ik zou wel eens willen weten hoe de wetenschap de kwaliteit ‘Leeuw’ gaat uitdrukken in atomen, moleculen of genen! Dat is gewoon onmogelijk, want de kwaliteit ‘Leeuw’ is geestelijk van aard. En toch bestaat ze, toch kan ze waargenomen worden. Ze is zelfs een alles overheersende kwaliteit. Maar juist daarom merken we ze alleen op aan het begin, in contrast met de vorige kwaliteit. En misschien geldt dat wel voor álle geestelijke realiteiten. 

Bereklauw

  
De dader.
  
Het slachtoffer. 

Alfalfa

  

Sinds enkele weken ben ik weer begonnen met het kweken van ‘sprietjes’ of kiemen. Het procédé is heel eenvoudig: in speciaal daarvoor ontworpen schaaltjes laat je zaadjes ontkiemen en binnen de week heb je verse en goedkope groenten. In principe kun je daarvoor alle zaden gebruiken, in de praktijk gebruik ik bijna altijd luzerne of alfalfa. Niet alleen bevatten die kiempjes het meeste vitaminen en mineralen, maar ze hebben ook een frisse en aangename smaak. Ten bewijze: toen ik Anna (vijf jaar en vleeseter) er eindelijk toe kon bewegen om eens te proeven, was ze meteen verkocht. Ze wil nu iedere dag sprietjes mee naar school hebben. Of haar moeder dat ziet zitten is een andere vraag. Maar ’t zal alleszins gezonder zijn dan de door de overheid gepushte vaccinaties tegen mazelen. 

Nu zou ik mezelf niet zijn als die sprietjes me niet tot nadenken stemden. De vraag die ze in me deden opkomen (sic) was de volgende. Toen na de Middeleeuwen de grote ontdekkingsreizen begonnen, was één van de grootste problemen scheurbuik. Deze door gebrek aan vitamine C veroorzaakte ziekte eiste op de zeilschepen talloze dodelijke slachtoffers. Al vlug ontdekte men dat de ziekte voorkomen en/of genezen kon worden door het eten van citrusvruchten. Maar die waren slechts beperkt houdbaar en geen oplossing op de lange omvaart. Pas halverwege de 18de eeuw kwam men erachter dat ook zuurkool een probaat middel was en dat was natuurlijk wél lang houdbaar. Al met al heeft het dus eeuwen geduurd vóór men scheurbuik de wereld kon uithelpen.

Hoeveel slachtoffers de ziekte al die tijd geëist heeft, is niet bekend, maar het zullen er ongetwijfeld veel zijn geweest. En dat maakt de vraag zo prangend: waarom kweekten ze op die schepen geen sprietjes? Het is een simpel procédé, iedereen (zeker in die tijd) wist hoe zaadjes ontkiemen. Maar waarschijnlijk wist men niet dat kiempjes zoveel vitamine C bevatten en evenmin dat scheurbuik veroorzaakt wordt door gebrek aan vitamine C. Toch blijft het merkwaardig, vind ik, dat dokters en geleerden eeuwenlang gezocht hebben naar een oplossing voor deze dodelijke ziekte en nooit uitgekomen zijn bij die eenvoudigste en goedkoopste aller oplossingen: het laten ontkiemen van zaadjes. Waaraan zou het liggen dat dergelijke eenvoudige dingen (niet) ontdekt worden? 

Alles van waarde is weerloos

  

Onderstaande tekst is van de hand van Renaat Devreese, de boer van ’t Reigershof in Klemskerke. 

Februari 2001. In Engeland breekt mond-en-klauwzeer (MKZ) uit. Voor de mens is de ziekte ongevaarlijk, maar voor tweehoevigen zoals runderen, varkens, geiten en schapen betekent het: koorts, blaasjes in de muil en op de poten. De zwakste dieren sterven, de anderen maken een ziekteproces door, maar halen het. Even later bereikt de ziekte Nederland. De Lage Landen staan op hun kop. In België worden alle boerderijen die contact gehad hebben met Engeland en Nederland in kaart gebracht en gescreend op de aanwezigheid van MKZ. Ook onze boerderij. Alles blijkt gelukkig in orde. Maar de minister beveelt om boerderijen met varkens en runderen in quarantaine te plaatsen, en schapen en geiten (niet toevallig de zwakste sector) af te maken. Alles moet wijken voor de exportbelangen van de agro-industrie, waar we juist geen deel wilden van uitmaken. Omdat we zelfstandig boer wilden zijn. Omdat we ervan overtuigd zijn dat ‘boerenlandbouw’ de meest toekomstgerichte manier van voedsel produceren is. Daarom kozen wij destijds om te starten met een geitenboerderij, zelf melk te verwerken en rechtstreeks te verkopen aan de consument. 

Na een juridische strijd en onder hevig protest van het publiek, worden op 8 maart al onze dieren afgemaakt. De volgende dag maakt het ministerie bekend dat alle dieren kerngezond waren, iets wat voor het afslachten al bekend was, maar geen verschil maakte. ‘Maar je wordt toch vergoed voor de geleden schade’, hoorden we achteraf vaak zeggen. Want daar had de minister mee uitgepakt. De waarheid is dat we nog tot 2019 elk jaar extra belastingen betalen op de schadeloosstelling. Dat is tot 18 jaar na de feiten… 
In Engeland werden tussen 3 en 4 miljoen dieren afgemaakt. Honderden boeren pleegden zelfmoord, maar geen haan die daar naar kraaide. In Nederland werden boerderijen binnen het vaccinatiegebied hermetisch afgesloten. Kinderen mochten niet meer naar school, niemand mocht op of van de boerderij. Boeren moesten wel nog hun dieren verzorgen, de koeien melken, en vervolgens de melk in de mestput laten lopen. Dit alles in de wetenschap dat alle dieren in de komende weken zouden worden afgemaakt. In die weken pleegden 17 boeren zelfmoord. Nadien werden er geen cijfers meer bijgehouden.

Landbouw wordt door overheden en lobbygroepen enkel als een economische sector gezien, niet als een manier van leven, een manier van omgaan met dieren, planten, grond. Hoe je na jaren verknocht bent aan je dieren, hoe je één wordt met je dieren, hoe het boerderijleven deel uitmaakt van het gezinsleven: dat is allemaal van geen tel.  

Februari 2016: Start overleg op het hoofdkantoor van FAVV (federaal voedselagentschap): “Noodvaccinatie bij mogelijke dreiging MKZ.” Hoe gaan we om met MKZ als ons land getroffen wordt? De keuze gaat tussen: massaal ruimen (afslachten) of een beschermende vaccinatie toepassen zodat de gezonde dieren kunnen blijven leven. In het najaar moet dit uitmonden in een ministeriële beslissing. Ook nu weer wordt er geschermd met economische belangen. Massaal ruimen zou veel goedkoper zijn dan het afsluiten van de uitvoer. Voor zuivel is er geen enkel probleem, na een warmtebehandeling is er geen exportbeperking nodig. De economische schade situeert zich volledig in de vleesexport, voornamelijk de uitvoer van varkensvlees. Zowel wat de beheersing van MKZ als de dreiging van een embargo op vlees van gevaccineerde dieren betreft, vormt de varkenssector het grote probleem. Maar het vrijwaren van de export van 7,3% van het varkensvlees lost de problemen in deze sector niet op. Het grote aantal varkens in ons land is oorzaak van de nooit eerder geziene economische crisis in deze sector (te lage prijzen door overproductie), van de vermesting en van het fosfaatprobleem. En toch eist de varkenssector dat andere sectoren (de herkauwers) hun dieren laten afslachten om de afzet van de (voor de gewone varkenshouder rampzalige) overproductie in de varkenssector veilig te stellen.

Er bestaat dus een vaccinatiemethode die dieren kan beschermen tegen zowel preventieve slachting als tegen een ziekte die veel lijden veroorzaakt. Ze beschermt de boeren ook tegen het lastige verzorgen van zieke dieren die nooit meer helemaal de oude worden, tegen de economische schade die ze daardoor oplopen, en tegen het psychische lijden om hun dieren te zien aftakelen of ze nutteloos te zien afslachten. Het is dan ook wraakroepend dat het gebruik van deze vaccinatie wettelijk verboden zou worden. Het slachten van gezonde dieren is barbaars, mens- en dier-onwaardig. Bovendien is het een schandalige verspilling.

8 maart 2001. Op die dag werden onze gezonde geiten afgemaakt uit ongegronde vrees voor schade aan de exportbelangen van de agro-industrie. Deze onbegrijpelijke beslissing heeft veel leed en verdriet veroorzaakt. Onze dieren, ons vak, ons leven werden zonder enige vorm van respect behandeld. 15 jaar later is de wonde minder zichtbaar maar daarom niet minder pijnlijk. De boerderij staat weer in volle bloei: we zijn in blijde verwachting van een grote bende jong leven, we hebben een stal met gezonde hoogproductieve geiten, er liggen plannen voor de coöperatie op tafel en de nieuwe kaasjes krijgen vorm. We staan voor een spannende en veelbelovende toekomst. De herinnering aan het zinloze slachten van onze geiten blijft pijnlijk, maar de motivatie om te kiezen voor boerenlandbouw is alleen maar sterker geworden. Landbouw in handen van boeren, landbouw met een voedzaam product waar we fier op zijn. We werken autonoom. We zijn verweven met onze dieren, onze grond, onze cultuur, met de samenleving, de natuur en de andere boeren. En dat op een economisch rendabele manier. Mooier kan voedselproductie toch niet zijn? Daarom zullen we blijven strijden voor het recht om boer te zijn en het recht om onze dieren, ons levenswerk te beschermen. Want 8 maart 2001: dat nooit meer! Het afslachten van gezonde dieren kan in geen enkel geval nog een optie zijn.