Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Categorie: film & televisie

De Murmurerende Man

20140206-142359.jpg

Frans en films: dat gaat niet samen.

Advertenties

F.C. De Kampioenen

20140111-102507.jpg

Dit is Bart Steenhaut, chef-muziek van De Morgen.
Soms krijg ik de indruk dat deze krant volgeschreven wordt door jonge broekjes, onder leiding van twee oude krokodillen: Yves Desmet en Hugo Camps.
Ze kunnen allemaal heel virtuoos schrijven, de oudjes zowel als de jonkies, maar wat ze te vertellen hebben, heeft vaak nog luiers aan.
Zo ook het opinie-stuk waarin Bart Steenhaut zich ergert aan F.C. De Kampioenen.

Ik zal niet zeggen dat ik een fan ben van F.C. De Kampioenen, maar ik heb er altijd met plezier naar gekeken. Het is ongecompliceerd volksvermaak en het is beter gemaakt dan je zou denken, afgaand op de ontelbare smalende commentaren van ‘onze’ intellectuelen.
Ik kijk in ieder geval tien keer liever naar Boma en co dan naar ‘Het Eiland’ of ‘In de Gloria’, de veelbejubelde tv-reeksen waarin jan-met-de-pet geraffineerd te kakken wordt gezet.

Maar zo niet Bart van De Morgen natuurlijk.
Hij vindt dat er grenzen zijn, en die worden ruimschoots overschreden door F.C. de Kampioenen.

Hij begint zijn stuk met te zeggen dat geen enkel onderscheid zo zinloos is als de kunstmatige muur die wordt opgetrokken tussen hoge en lage cultuur.
De toon is meteen gezet.
In de titel staat: er zijn grenzen.
In de eerste zin staat: niets zo zinloos als … grenzen.
Dat wordt leuk!
En inderdaad.

Bart drukt ons eerst op het hart dat hij heel erg in is voor ‘hogere’ cultuur.
Mark Rothko, Lucian Freud, Edward Hopper, Michaël Borremans, Jan De Cock, ze ontlokken hem woorden als: zelden meer ontroerd geweest, herinner mij nog ieder werk, altijd innig verliefd geweest, prijs mezelf gelukkig, ik tel de dagen af.
Het is duidelijk: deze man houdt hartstochtelijk van kunst met een grote K.
Maar wat hem pas echt groot maakt, onze Bart, is dat hij ook houdt van kunst met een kleine k.
Een nieuwe Asterix, een goede cartoon, een popsingle, een televisieserie: hij ziet niet in waarom die ondergeschikt zouden zijn aan de hogere cultuur, al doet hij er wel een stuk minder lyrisch over en beperkt hij zich tot ‘verkneukelen’, ‘vrolijk’ en ‘een danspasje maken’.
De goede verstaander begrijpt: hier is een echte cultuurmens aan het woord, een ruimdenkend cultuurmens, die ook het kleine eert.

Máár, zelfs voor deze ruimdenkende cultuurmensen zijn er grenzen!
Bart wil zich wel minzaam neerbuigen tot strips, cartoons, popmuziek en tv-series, maar hij wil onder geen beding op de knieën gaan voor ‘kindercomedy’ á la F.C. De Kampioenen.
Ah neen, dat nooit!
Hij schrikt ervan dat er in nauwelijks twintig dagen tijd een half miljoen mensen zonder een of andere vorm van dwang naar ‘Kampioen zijn blijft plezant’ is gaan kijken.
Eén op twaalf Vlamingen!
Dat kunnen toch niet allemaal kinderen zijn! En de teller loopt nog.
Hij zegt het eerlijk: de gedachte alleen al maakt hem bang.
Wie zijn die mensen? Wat doén ze? Wat drijft hen?

Hij heeft er écht geen idee van, en hij kan er ook niet achterkomen want in zijn vriendenkring is er echt niémand die de voorbije weken een kaartje heeft gekocht om het Franse avontuur van Boma, Marcske, Doortje, Xavier et les autres van dichtbij mee te maken. Nochtans halen Barts vrienden net als hij hun neus op voor alles wat naar cultureel elitarisme ruikt.

Bart staat dus voor een levensgroot raadsel.
Hij is een man die zeer hoog reikt in de culturele wereld en die zich tegelijk zeer laag kan bukken tot bij de ‘lage’ cultuur waar zoveel ‘hoge’ cultuurliefhebbers hun neus voor ophalen.
Alle elitarisme is hem dus vreemd.
Zijn interesse is zo breed als maar kan zijn.
En toch leven er in Vlaanderen mensen die zich nog ver onder de onderste cultuurgrens ophouden en die zich knorrend van genoegen wentelen in de kinderachtigheden van F.C. De Kampioenen.
Hij kent ze niet, hij weet niet wie ze zijn en niemand kan er hem iets over vertellen.
Ze ontsnappen aan zijn radar, die nochtans een zéér breed bereik heeft.
En dat maakt hem bang.

Hij zegt het niet, maar je hoort het hem denken:
Straks gaan die Untermenschen stemmen!
O my God!
En als ze uit hun riolen kruipen en de macht grijpen, dan is het afgelopen met ruimdenkende mensen zoals hij! Dan zullen ze doen wat hij zo verafschuwt: ze zullen een grens trekken tussen hoog en laag. Ze zullen hun eigen laagheid tot ‘hoogheid’ uitroepen en aan anderen opleggen. En het ergst van al: ze zullen het niet beseffen.
Ze zullen zichzelf heel ruimdenkend vinden, ze zullen verklaren elitarisme te verafschuwen en geen grenzen te willen trekken.

Ja meneer, ze zullen hetzelfde doen als wij!
En dat kan toch niet, meneer!
Dat mag toch niet zijn: dat anderen hetzelfde doen als wij!
Mensen die zich onder de laagste grens bevinden.
Mensen die het plezant vinden om Kampioen te spelen!

20140111-114753.jpg

20130817-190801.jpg

Without a trace

Aan zee (waar ik eigenlijk nog altijd half ben) heb ik een weeklang geleefd zonder televisie en zonder radio.
Dat was geen enkel probleem, al had ik af en toe wel zin in een beetje muziek.
Maar na een paar dagen was er toch iets wat ik begon te missen.
Iemand eigenlijk.
En wel Jack Malone.
Of the FBI.

Hij is de hoofdfiguur in ‘Without a trace’, een tv-serie die we nu al wekenlang volgen (op dvd).

20130812-161434.jpg

Het is geen echte top-serie, maar na 5 seizoenen en meer dan 100 afleveringen zijn we er ten huize Debrouwere danig op gesteld geraakt.
Iedere aflevering brengt het relaas van een verdwijning die behandeld wordt door Jack Malone en zijn team.
Het begint telkens met een scène uit het-leven-zoals-het-is.
We zien mensen in hun gewone (of soms wel ongewone) doen en laten, en op een gegeven moment verdwijnen ze (digitaal) uit beeld. Ze lossen als het ware op.
Ik hou van dergelijke intro’s.
Ik hield daar reeds als kind van, toen ik Suske en Wiske las.
Die strips begonnen ook altijd met een scène uit het gewone Vlaamse leven.
En zo hoort het ook.
Kunst mag een mens ver weg voeren – bijvoorbeeld naar het oude Athene, waar Lambik zich gaat moeien in de strijd met de Feniciërs – maar het moet altijd beginnen waar de lezer of kijker is.
Vind ik.
Ik hou het meest van kunst die mijn eigen wereld in beeld brengt.
En die daar vervolgens allerlei onvermoede aspecten van blootlegt.

Dat is ook wat ‘Without a trace’ doet.
Het ogenschijnlijk alledaagse leven dat we in de intro zien, blijkt bij nadere beschouwing niet zo alledaags te zijn.
Het wordt helemaal uitgespit door Malone’s special agents, die geen steen op de andere laten.
Want het ontraadselen van die ogenschijnlijk gewone levens leidt tot het terugvinden van de verdwenen personen.

Het heeft – zoals alle goede kunst – iets metaforisch.
Is de moderne mens niet iemand die zichzelf is kwijtgeraakt?
En is het bestuderen van zijn leven niet dé manier bij uitstek om dat ‘zelf’ terug te vinden?
Dat geldt trouwens niet alleen voor zijn persoonlijke leven, het geldt ook voor het bovenpersoonlijke leven van een volk of een cultuur of zelfs de mensheid tout court.
Rechtstreeks laat de mens zich niet kennen.
Dat doet hij alleen door de beelden van zijn leven.
Wie die beelden aandachtig bestudeert, komt vroeg of laat op het spoor van de kunstzinnigheid van dat leven, en dus ook van de kunstenaar die het vorm heeft gegeven.
Het is door het kunstwerk van zijn leven dat de mens zichzelf laat kennen.
Het is door dat kunstwerk te bestuderen dat hij zichzelf leert kennen.
En in die zelfkennis ligt genezing.
Door die zelfkennis kan de mens zichzelf weer terugvinden.

Hij moet daarbij natuurlijk wel kunstzinniger tewerk gaan dan Jack Malone, maar zo’n FBI-onderzoek is de eerste stap.
Het leven wordt in kaart gebracht.
Zo volledig mogelijk, zonder weglaten van puzzelstukjes.
En zo doemt na verloop van tijd een beeld op, dat in feite een zelfbeeld is.
Niet het egoïstische imago dat iedereen zich aanmeet, maar het beeld van iemands ware ‘zelf’, het beeld van de kunstenaar achter het kunstwerk.

Die beeldvorming is een lange en moeilijke weg, want een kunstwerk geeft zijn geheimen niet zomaar prijs, en zeker niet het kunstwerk van een mensenleven.
Maar het is wel de spannendste tocht die men kan ondernemen.
Je eigen leven als een kunstwerk zien: reken maar dat het spannend is.

Daarbij vergeleken stelt ‘Without a trace’ niet veel voor.
Maar zoals ik al zei: het is een goed begin.

De kracht van de reeks zit in het feit dat we telkens weer een ander leven voorgeschoteld krijgen.
In iedere aflevering leren we een uniek individu met een uniek leven kennen.
En het verbazende is dat je het nooit moe wordt.
Ik zei het al: het is geen topreeks.
En toch blijf je kijken.
Je raakt er zelfs meer en meer aan gehecht, ondanks de gebreken.

Jack Malone bijvoorbeeld is goed, maar zijn team bestaat uit grijze muizen, zonder veel persoonlijkheid.
Af en toe probeert men in dat grijs een beetje kleur in te krijgen, maar dat wordt algauw geforceerd.
De scènes waarin stoere Jack tranen in de ogen krijgt en allerhande spieren in zijn gezicht beweegt om emoties te suggereren, werken na een tijdje op de … lachspieren.

Wat ook tot een karikatuur wordt, is de steeds terugkerende vraag: zou u die persoon kunnen beschrijven?
Want dat leidt steevast tot een zo gelijkende tekening dat de geportretteerde meteen herkend wordt.
Wie iets van tekenen kent, weet wel beter.

Maar wat artistiek niet klopt, klopt metaforisch gezien wel.

De eerste fase in de beeldvorming – de wetenschappelijke fase zeg maar – beheerst de moderne mens zeer goed. Dat herkennen we in de knappe scenario’s van deze reeks en de zeer vakkundige verfilming ervan.
Met met de tweede fase – de overgang van wetenschap naar kunst – loopt het mis.
Die drempel kan de moderne mens nog niet overschrijden.
Dat komt niet alleen tot uitdrukking in die zeer onrealistische voorstelling van de portrettekening op basis van een beschrijving, maar ook in alles wat persoonlijk en emotioneel is in deze reeks.
Het is allemaal geforceerd, alsof de producer zei: er moet een beetje gevoel bij! Waarop de scnaristen antwoordden: dan doen we er een beetje gevoel bij!
Bij het zien van het resultaat denk je als kijker onwillekeurig: schoenmaker blijf bij je leest!

Maar wanneer je de zaak op metaforisch niveau bekijkt, klopt het weer wel.
De onhandigheid en geforceerdheid van ‘Without a trace’ wanneer er iets gebeurt dat buiten het FBI-werk valt, is een beeld van de stunteligheid van de moderne, rationalistische mens wanneer hij het gevoelsmatige, kunstzinnige gebied betreedt.

Ik denk dat je als kijker dat metaforische niveau onbewust aanvoelt, want je vergeeft deze reeks al die schoonheidsfouten.
Ik moet wel zeggen dat er één schoonheidsfout is waar ik me in toenemende mate aan erger, en dat zijn de opgespoten lippen van Poppy Montgomery.

20130812-171710.jpg

Gewoonlijk zou ik daar meteen op afknappen.
Ik kan dat echt niet aanzien, die onnatuurlijk gezwollen lippen.
Geen idee waarom.
Mischien moet ik daar eens over nadenken.
Dit keer heeft het echter vier seizoenen geduurd voor ik het er moeilijk kreeg met Poppy’s poppemondje.
Het geeft aan dat je deze reeks krediet geeft.
Je begint er gaandeweg meer en meer van te houden, ondanks de tekortkomingen.
En volgens mij heeft dat te maken met de eindeloze fascinatie die uitgaat van het leren kennen van (het leven van) een unieke, individuele mens.
Dat is iets wat je nooit moe wordt.

Jammer dat we al aan seizoen 6 zitten, want er zijn er maar 7.
Maar niet getreurd.
Na de laatste aflevering beginnen we gewoon weer opnieuw.
Niemand kan toch zoveel mensenlevens onthouden.
Bovendien word ik al een dagje ouder.
Dat helpt ook.

20130812-172644.jpg

La Fille du Puisatier

20130705-075653.jpg

‘De dochter van de putdelver (putgraver, puttenmaker)’ is een charmante film van Daniel Auteuil (die speelt én regisseert) naar een boek van Marcel Pagnol, de Ernest Claes van de Provence.
Het verhaal is klassiek.

Arm meisje ontmoet rijke jongen.
Hij mikt goed, zij wordt zwanger.
De oorlog breekt uit (WO1) en de jongen moet halsoverkop naar het front.
Zijn ouders weigeren het kind te accepteren.
Dus moet het meisje het dorp verlaten om haar vader (die weduwnaar is) niet te schande te maken.
De jongen wordt vermist. Alle hoop wordt opgegeven.
Zijn ouders hebben nu alleen het kind nog.
Maar de puisatier – intussen zwaar verliefd op zijn kleinkind – weigert hen op zijn beurt als grootouders te erkennen.
Drama, tragiek!
Er volgen nog een aantal verwikkelingen maar uiteindelijk komt alles goed.
En zo hoort het ook in een sprookje.

La Fille du Puisatier is geen grote film, zeker niet.
Daniel Auteuil is hoogst vermakelijk, als acteur en als regisseur, maar hij haalt lang niet het niveau van Manon des Sources, mijn favoriete Franse film.
Toch heb ik deze Pagnol-verfilming met onverholen plezier bekeken.
Alleen al de evocatie van de Provence van honderd jaar geleden, het land waar God woonde, maakt het de moeite waard.
Wie droomt er niet van om onder een paraplu du pain en du fromage te eten met uitzicht op de lavendelvelden, begeleid door het gesjirp van de krekels en gezegend door une bouteille de vin!
Ik in ieder geval wel.
La vie simple!
La douce France!
Dat is natuurlijk allemaal mythologie.
Waarschijnlijk zou ik gek worden in zo’n boerendorp, waar petanque het enige vermaak is, de bijbel het enige boek, en puttengraver een eerzaam beroep.
En o ja, natuurlijk is er ook Enrico Caruso die Nathalie zingt.

La Fille du Puisatier, u begrijpt het al, is pure nostalgie.
Maar hé, een mens moet kunnen dromen!
Al was het maar van zon en lavendel.
En juist daarin ligt de realiteit van deze ‘gezinsfilm’.
Dat besefte ik toen ik zag hoe hopeloos verliefd dat jonge meisje wel was, hoe compleet verloren.

Voor ons, moderne mensen van de eenentwintigste eeuw, is leven in een Frans dorp in de Provence een droom, die ons vervult met weemoed en nostalgie naar de goeie oude tijd.
Maar voor de bewoners van zo’n dorp was het honderd jaar geleden waarschijnlijk net omgekeerd.
Het leven tussen de bomen en de velden was voor hen harde realiteit.
En het meest reëele was dat er niks veranderde.
Men leefde op het ritme van de natuur, en dat ritme was een eeuwige herhaling van steeds maar hetzelfde.
Wie puttenmaker was, was dat voor de rest van zijn leven.
De dochter van zo’n puttenmaker zag al heel vroeg haar leven uitgestippeld voor zich liggen.
Alles had zijn plaats, ieder had zijn rol.
En dat lag allemaal vast.
Een leven lang.

Er was maar één uitzondering (buiten de oorlog natuurlijk), en dat was: de liefde.
L’ amour.
Als een meisje of een jongen verliefd werden, veranderde heel die harde, onwrikbare realiteit op slag in een droom waarin alles mogelijk werd.
En tegen de kracht van die droom was nauwelijks iets bestand.

Toen ik zag hoe de verliefdheid van la fille du puisatier insloeg als een bom, niet alleen in haar eigen leven, maar ook in dat van anderen, besefte ik opeens dat heel dat oude, traditionele leven met al zijn onwrikbare conventies niets anders was dan een vorm die bestand moest zijn tegen de explosieve kracht van de liefde.

We hebben tegenwoordig de gemakzuchtige en ietwat kinderachtige gewoonte om onszelf te projecteren op het verleden.
Dat maakt historische films vaak zo potsierlijk: je ziet er mensen in een relatief primitieve omgeving, maar met een volkomen modern bewustzijn.
En zo was het zeker niet.
In oude tijden hadden de mensen een heel ander bewustzijn.
Ze waren lang niet zo wakker, kritisch en zelfbewust als wij.
In de verste verte niet.
Ze waren veel kinderlijker van aard.
Wat onder meer betekende dat ze de grootste stommiteiten uithaalden.
Ze waren nog niet in staat om het stuur van hun eigen leven in handen te nemen.
Dat moesten anderen voor hen doen, ouderfiguren
Vandaar dat onveranderlijke leven met zijn strakke conventies.
Het moest dat nog ongetemde droom- en driftleven in goede banen leiden.

Zeker, we zijn vandaag veel volwassener en zelfstandiger dan onze voorouders.
Maar we betalen daar wel een hoge prijs voor.
We kunnen niet meer dromen, we kunnen niet meer verliefd worden.
We denken natuurlijk van wel, want hey, is ’t niet al sex, drugs and rock ’n roll wat de klok slaat tegenwoordig?
Maar dat is natuurlijk allemaal schijn.
We zoeken steeds extremere situaties op om toch nog iéts te voelen van de oude explosieve kracht van de liefde, die de harde realiteit in één klap kan veranderen in een golvende zee van mogelijkheden.

We kijken een beetje meewarig naar die simpele lieden in hun simpele Franse dorp.
We vinden ze zo braaf, zo keurig, zo vervelend.
Zo absoluut niet cool.
Maar wat we al te gemakkelijk vergeten, en wat we ons eigenlijk niet meer kunnen voorstellen, is dat deze eenvoudige mensen een innerlijk leven hadden dat veel rijker, veel dramatischer, veel krachtiger was dan het onze.
Vergeleken met hen zijn wij allemaal grijze, saaie boekhouders, die hun hele leven met hun neus in de papieren (lees in de computerschermen) zitten en niks anders doen dan cijferen, cijferen, cijferen.
Ons innerlijk leven verhoudt zich tot dat van onze voorouders als cijfers tot peng en veng (pain et vin), tot lavendelvelden, tot sjirpende krekels, tot de hele Provangse quoi.

Innerlijk zijn we als een woestijn geworden: alleen maar zand en dorst.
Geen wonder dat die muzelmannen zich hier zo thuis voelen …

Toch knap van Auteil dat hij me dat kan laten voelen.
Het brengt deze film onverwacht dicht bij onze tijd.
Op voorwaarde natuurlijk dat de nostalgie je niet helemaal in slaap sust.

20130705-092151.jpg

Unsere Mütter, unsere Väter

Mijn vrouw en ik zijn allebei verwoede tv-kijkers. En daarmee bedoel ik het toestel, niet de programma’s. Die hebben we al jaren geleden afgevoerd, toen er werd overgeschakeld op digitale televisie. Daarvoor moesten we een ‘decoder’ kopen en dan was het niet eens zeker of die wel zou werken, want ons toestel dateert nog uit het Neoliticum.

Dat was een stap te ver.

Betalen voor al die rommel? No way.
Het was al erg genoeg dat we eraan verslaafd waren – wat doe je met drie kinderen in huis! – maar het was tenminste een gratis verslaving.
En dus schakelden we over op dvd.
Wat een opluchting!

Haast je, het nieuws begint!

Werd nu:

Wat denk je, zullen we naar iets kijken?

Geen stress, geen deadlines, geen programmatie.
In plaats daarvan: vrijheid.
We kijken waarnaar we willen.

Natuurlijk heeft vrijheid zijn prijs. Dvd’s groeien niet aan de bomen.
Ik moest kiezen: huren of kopen?
Huren, dat betekende alweer stress. Bracht je de dvd’s te laat terug, dan moest je ze dubbel betalen. De rekening was vlug gemaakt: voor dat geld kon ik ze net zo goed kopen.
Bovendien was er net een Mediamarkt in de buurt gekomen en daar vond je films voor niet eens de helft van de prijs van een muziek-cd.

Dat was het begin van mijn dvd-verzameling. Ik werd collectioneur.

De helft van mijn verzameling bestaat uit rommel. Die berg ik zorgvuldig weg, breng ze naar De Slegte of gooi ze gewoon in de vuilnisbak. Jammer van het geld, maar er is geen andere manier.

Trial and error.

Blijft over: een bescheiden collectie van fijne filmwaren.
En daar kunnen we allebei heel erg van genieten. Want we bekijken die films en tv-series meer dan één keer. Er zijn films die we al tien of twintig keer gezien hebben. Veel zijn het er niet, maar ze bestaan en ze zijn a joy forever.
Zo zijn wij: we kijken meerdere keren naar dezelfde film, lezen meerdere keren hetzelfde boek, luisteren meerdere keren naar dezelfde muziek, eten meerdere keren spaghetti. Noem het ouderwets, but that is who we are.

Iedere maand ga ik dus op filmjacht. Het geld groeit niet op m’n rug, dus ik heb niet veel kogels te verschieten. Het is niet van grabbel, grabbel en we zien wel. Nee, ik probeer een zintuig te ontwikkelen voor wat goed is wat niet. Niet eenvoudig op basis van hoesjes die telkens weer een meesterwerk aanprijzen. Of op basis van kritieken. Want die heb ik evenzeer leren wantrouwen als de reclame op de doosjes.

En ja, soms zit ik er compleet naast. Zoals verleden week met The Newsroom. Daar kan ik echt wel pissig over worden. 25 euro over de balk gegooid! Maar zie – u zult het niet geloven – na regen komt zonneschijn. Na dat ondraaglijk Amerikaanse The Newsroom zagen wij deze week het zeer Europese Unsere Mütter, Unsere Väter, een Duitse oorlogs(mini)serie.

Hier moet ik even een kanttekening maken.
Ik ben een groot liefhebber van Amerikaanse films en tv-series. Niet omdat ze Amerikaans zijn, maar omdat ze goed zijn. Mensen snappen soms niks van mijn voorkeuren, en dat komt omdat ik maar één criterium heb: het moet goed zijn. Al de rest kan me niet schelen. Of het nu een commerciële Hollywoodfilm is of een Europese art movie, een bloederige oorlogsfilm of een romantisch sprookje, het maakt me niet uit. Er is maar één genre waar ik finaal op afknap en dat is SF. Vind ik vreselijk. Als ze met digitale effecten beginnen, loop ik weg. Ook opgespoten lippen en borsten jagen mij de kast op. Kan ik werkelijk niet hebben.
Maar voor de rest? Alles kan.
Ik geniet even erg van Titanic als van Il Postino.
’t Is maar dat u ’t weet.

En dus heb ik onlangs Unsere Mütter, Unsere Väter gekocht.
Ik heb wel lang geaarzeld.
Duitse film en televisie, daar kan ik me niet veel bij voorstellen.
De Duitsers zijn geen beeldend volk, ze zijn een volk van woorden en muziek.
En ze kunnen natuurlijk heel goed oorlog voeren.
Daarom wellicht is de beste Duitse film een oorlogsfilm: Das Boot.
Het is meteen de beste oorlogsfilm ooit. Staat na 28 jaar nog altijd als een huis. Onvergetelijk meesterwerk. Ik ben hem destijds, in de bioscoop, drie keer in één week gaan zien. En daarna heb ik hem nog talloze keren op dvd bekeken. Wirklich Grossartig!

Unsere Mütter, Unsere Väter: dat zag er helemaal anders uit.
Die titel alleen al. Mutti, Vati. Het klonk tranerig. En de ondertitel: hun vriendschap zou eeuwig duren, maar de oorlog veranderde alles… Zeg nu zelf.
Dus heb ik lang geaarzeld voor ik deze miniserie (drie afleveringen van ongeveer 90 minuten) kocht. En daarna heb ik lang geaarzeld voor ik ernaar keek. Ook mijn vrouw keek er met een scheef oog naar. Wat heeft hij nu weer meegebracht!
Zondag was het echter zover. Na dat ondraaglijk lichte The Newsroom hadden we echt wel behoefte aan iets stevigers, iets zwaarders.

En dat kregen we.

Na afloop van vooral het tweede deel keken we naar elkaar en we zeiden niks.
Er kon ook niks gezegd worden. Dit ging voorbij woorden.
Toen ik gisteren het derde deel in de recorder stak, dacht ik bij mezelf: als dit een klassieke ontknoping wordt, dan zullen we een memorabele avond beleven. Ik hield mijn hart al vast.
Ik ben nochtans wel een en ander gewoon.
Ik kijk niet op een paar bloederige lijken meer of minder. Dat leer je wel als je veel naar Amerikaanse films kijkt. Amerikanen tellen de lijken niet, ook niet in hun films. Maar al dat geweld compenseren ze met een kostelijk soort humor waar ik heel veel van houd. Engelse humor is niet aan mij besteed, althans de moderne niet. Die is ofwel vulgair ofwel van de pot gerukt (genre Monty Python), maar in beide gevallen ondraaglijk. Althans voor mij. Engeland is ziek en dat merk je aan zijn humor. Van Amerika kun je zeggen wat je wil, maar het heeft een gezonde kern en die weerspiegelt zich in een heerlijke, mannelijke humor.

In Unsere Mütter, Unsere Väter valt niets te lachen.
Duitsers staan niet meteen bekend om hun gevoel voor humor.
Als je deze serie ziet, begrijp je waarom.
Dit gaat zo door merg en been dat alle lachen je vergaat.

Het begint met een afscheidsfeestje van vijf vrienden, een onafscheidelijk clubje.
Twee broers trekken als soldaat ten oorlog, een meisje als verpleegster. De twee andere blijven thuis: de ene omdat hij jood is, de ander omdat ze zangeres wil worden.
Ze spreken af dat ze elkaar met kerstmis hier weer zullen zien, want tegen dan is de oorlog al lang voorbij.
Het draait anders uit. Dat hadden ze niet voorzien.
Had iémand kunnen voorzien wat er de volgende jaren zou gebeuren?
Had iemand dat voor mogelijk gehouden?

Ik kijk nog altijd met verbijstering naar de beelden die iedereen kent: de beelden van de oorlog.
En het beeld dat mij altijd het diepst aangrijpt, is het beeld van het verwoeste Berlijn.
Zover je kunt kijken: niets dan ruïnes.
Het is alsof van een grote sprekende, zingende, etende en kussende mond niets anders meer overblijft dan een verzameling rotte, afgebrokkelde tanden.
Om de een of andere reden vind ik dit het vreselijkste beeld van de hele oorlog: die vernietigde stad van mensen.

En precies daar eindigt deze serie.
De vrienden van weleer zien elkaar terug op de plek waar ze afscheid hadden genomen.
Twee zijn niet teruggekomen, en de drie andere zijn vreemden voor elkaar geworden.
Ze drinken op degenen die er niet meer zijn.
Maar eigenlijk zijn ze er geen van allen meer.
De drie mensen die het smerige glas met het verschaalde bier heffen, zijn net als de plek waar ze dat doen, een ruïne geworden.
Drie ruïnes van mensen tussen de ruïnes van een stad.

Misschien is dat wel wat me zo aangrijpt als ik die beelden van Berlijn zie: dit is niet alleen het beeld van een verwoeste stad, het is ook een beeld van verwoeste mensen. Al die ruïnes van huizen zijn tegelijk ruïnes van mensen. Het is één grote schokkende metafoor. De metafoor van de twintigste eeuw.
Zou het toeval zijn, vraag ik me af, dat de eenentwintigste eeuw begon met een gelijkaardige metafoor? Het beeld van de twee verwoeste twin towers als een gapende holte in het midden van New York, het hedendaagse Berlijn.

Opeens begrijp ik de titel van deze serie: Unsere Mütter, Unsere Väter.
Wat de Duitsers hier te zien kregen, was hun familiegeschiedenis, de geschiedenis van hun vaders en hun moeders.
Ik lees op de doos dat 7,5 miljoen Duitsers deze serie op tv hebben bekeken.
Ik kan me nauwelijks een voorstelling maken van wat dat in hun ziel moet hebben teweeggebracht.
Ik heb deze drie aaneensluitende films gezien als Vlaming, als Belg, dat wil zeggen als lid van een volk dat, zoals zoveel andere, slachtoffer was van het Duitse geweld. Van jongs af groeide ik op in de overtuiging dat de Duitsers de slechten waren. Zij waren de schuld van alles. Dat sprak vanzelf, je hoefde er niet eens over te spreken. Duits was taboe. En dat is het eigenlijk nog altijd.

In Mechelen, de stad waar ik ben opgegroeid, staat er voor Nekkerspoelstation een oorlogsgedenkteken waarop in grote letters te lezen staat: AAN DE SLACHTOFFERS VAN DE DUITSE CULTUUR. Niemand die daarover struikelt of eraan denkt om die tekst weg te halen. Immers: wat Duits is vals is, slaat dood!

Ik heb op school nooit een letter Duits geleerd. Die taal leek eenvoudig niet te bestaan. Ik had er ook een zekere aversie tegen. Ik vond Duits een belachelijke taal: zo sprak je toch niet meer in deze moderne tijd! Wat was dat trouwens voor een land, Duitsland? Waarom schaften ze dat gewoon niet af? Daar kwam toch niks goeds vandaan. Oorlog en ellende ja. Weg ermee!

Later zou ik natuurlijk de antroposofie leren kennen, en daar was het alles Duits wat de klok sloeg. Dat was een serieuze drempel en ik ben er ook nooit echt overheen geraakt. Al dat Duitse blijft me op de een of andere manier vreemd. Het is een andere, weinig aantrekkelijke wereld.

Maakt deze diepgewortelde vreemdheid en zelfs aversie deel uit van de verwoesting van Duitsland aan het eind van de oorlog? Is de Duitse geest niet al heel vroeg uit mijn ziel verwijderd, als een wijsheidstand die getrokken wordt omdat je er toch alleen maar last van hebt? En is dat niet gebeurd met vele miljoenen Europeanen?
Was het misschien zelfs het opzet van de twee wereldoorlogen: om de Duitse geest uit de Europese ziel te verwijderen, om deze wijsheidstand te trekken?

Hoe moet het zijn om daar als moderne Duitser mee geconfronteerd te worden? Met het feit dat je tot een volk behoort dat men heeft willen vernietigen omdat het kwaadaardig was?
De Duitsers zijn arrogant genoeg om zich daar niet veel van aan te trekken. Maar als je in beeld ziet wat er heel concreet met je vader en moeder gebeurd is: daar is geen pantser van arrogantie tegen bestand. Dat gaat daar dwars doorheen.
Er is dan ook, heb ik op internet gelezen, heel wat te doen geweest over deze serie in Duitsland. Ze heeft de gemoederen in beweging gebracht. Maar daar verneem je in België natuurlijk niks over. Duitsland ligt wat ons betreft aan de andere kant van de wereld. Het zal ons worst (sic) wezen wat daar gebeurt.

Maar als ik naar deze serie kijk en moet vechten tegen de tranen, dan besef ik heel goed dat wat ik zie ook mij aangaat, dat het iederéén aangaat. Het lot van Duitsland is ook mijn lot, het is het lot van Europa, het is het lot van de hele wereld. Daarom was de oorlog ook een wereldoorlog. Het beeld van het verwoeste Berlijn is een beeld van de verwoeste menselijke ziel.

Het aangrijpendste in Unsere Mütter, Unsere Väter is om te zien hoe die vijf jonge mensen veranderen, hoe de hele Duitse jeugd verandert. Eerst gaan ze vol idealen en enthousiasme de oorlog in. Ze willen vechten voor wat hen lief is: hun vaderland, het land van hun Mütter und Väter. Maar geleidelijk verandert die (luciferische, zouden antroposofen zeggen) roes in zijn tegendeel, in ontgoocheling, ontmoediging, cynisme. Maar dat zijn veel te zwakke woorden om te beschrijven wat hun ziel doormaakt. De jongste van de twee broers bijvoorbeeld, is een kunstzinnige geest, hij leest poëzie en filosofeert. Hij is niet enthousiast. De oorlog zal het slechtste in ons naar boven halen, zegt hij. En hij krijgt gelijk. Uitgerekend deze dichterlijke, gevoelige ziel die aanvankelijk gruwt van de grofheid die hij te zien krijgt, verandert in een genadeloze moordenaar die zonder een spier te vertrekken mensen executeert en zelfs kinderen neerschiet. Hij is als het ware een beeld van Duitsland, het land van dichters en filosofen, dat verandert in een moordmachine. Maar hij is niet helemaal gevoelloos geworden. Aan het eind kiest hij vrijwillig de dood in een deels wanhopige, deels heroïsche poging om zijn medesoldaten, kinderen van 12 jaar, ertoe te bewegen zich over te geven aan de Russen.

Die omkering, van het ene uiterste in het andere, is het Grote Drama dat zich hier voor onze ogen afspeelt. Maar het is niet zomaar een omkering van het luciferische enthousiasme en idealisme in het ahrimanische cynisme en nihilisme. Wat je in de tweede helft van deze serie goed kunt navoelen, is hoe de Duitsers langzaam maar zeker in de tang worden genomen. Aan de ene kant rukken de Russen op, aan de andere kant de Amerikanen. De ontredderde, gedesillusioneerde en uitgeputte Duitse soldaten zitten als ratten in de val. Ze worden als het ware naar Berlijn samengedreven, als dieren naar hun hok.
Maar ze hebben geen thuis meer, hun land is ofwel vernietigd ofwel bezet. Ze snakken allemaal naar het eind van de oorlog, maar ze weten dat hij voor hen nog niet zal afgelopen zijn. Ze weten niet of hij ooit zal afgelopen zijn.
Wat zal er met hen gebeuren als de hele wereld feest viert?
Tienduizenden zullen in erbarmelijke omstandigheden sterven in de Russische kampen.
Tienduizenden zullen spoorloos verdwijnen onder Amerikaans bewind.
En de anderen zullen de rest van hun leven moeten vechten tegen de wanhoop, tegen het verdriet, tegen de herinneringen, tegen de wraak van de slachtoffers.
Terwijl de wereld danst op hun graf.

Dit is wat deze serie de Duitsers toont: een blik in het leven en de ziel van hun ouders.
Tegelijk is het een blik in hun eigen ziel, die door iedereen zo misprezen Duitse ziel.
Maar vooral is het een blik in de ziel van de moderne mens, de zo misprezen en zichzelf misprijzende menselijke ziel.
Want het lot van de Duitsers verschilt niet wezenlijk van dat van de andere Europeanen of zelfs van de Amerikanen. Ook zij waren slachtoffers. Ook zij werden bedrogen, misleid, gemaakt tot wie ze niet waren of wilden zijn.

Wir sind alle Berliner.

In zekere zin was het Duitse lot het zwaarst van allemaal, want het kwaad kwam voor hen niet van buiten maar van binnen. Het werd geboren uit hun eigen schoot.
Ze waren slachtoffers én daders.
Ze konden de pijn van het slachtofferschap niet verdoven met de roes van de wraak.
Ze konden de schuld niet op andermans schouders afwentelen en de handen in onschuld wassen.
Ze moesten hun kruis helemaal alleen dragen.

En dat hebben ze gedaan.

Deze serie toont dat. En ze doet het zonder franjes, zonder zelfbeklag, zonder moraal.
Ze toont gewoon hoe het was, hoe het moet geweest zijn.
Want natuurlijk is het maar een poging, natuurlijk zijn het maar beelden.
Maar ze zijn overtuigend genoeg om alvast een vluchtige blik te werpen in de vreselijke afgrond die midden in Europa is opengegaan.
Dat zwarte gat kan niemand onberoerd laten.
Het is nog altijd het probleem waarmee we worstelen.
In onze ziel gaapt nog altijd een leegte, een duistere afgrond waarvoor we terugdeinzen en waarin we onszelf willen storten.
Dat is onze moderne condition humaine sinds de Grote Oorlog.
Want dat de oorlog afgelopen zou zijn, is een illusie.
Hij wordt gewoon voortgezet met andere middelen.
En hij speelt zich zowel in onszelf als op het wereldtoneel af.

Wanneer we naar het nieuws kijken, kijken we naar onszelf.
Maar we beseffen het niet.
We kijken in een spiegel, en we denken: dat ben ik niet, dat zijn de anderen.
Maar er zijn vandaag geen anderen meer.
Alleen wij zijn er, kijkend in een gigantische spiegel, kijkend naar onze eigen ziel.

Het grootste gevaar dat ons bedreigt, is dat we het niet meer kunnen aanzien en de spiegel stukslaan. Een klassieke scène in de hedendaagse film. Een metafoor van onze tijd.
We willen het kwaad uitroeien.
We trekken ten oorlog tegen het terrorisme.
We vechten tegen ‘de anderen’.
Maar we vechten alleen tegen onszelf.
We vechten tegen spiegels.

Het mooie van de kunst is dat ze ons een spiegel voorhoudt.
Ze houdt ons een spiegel voor van onze eigen ziel.
Net zoals de werkelijkheid dat doet.
Ze zijn elkaar trouwens zeer dicht genaderd, de kunst en de werkelijkheid.
Dat zien we in de hedendaagse film en televisie: ze zijn uiterst realistisch geworden.

Maar hoe realistisch de beelden ook zijn, met High Definition en met Dolby Stereo, we weten altijd dat het beelden zijn. We vergeten nooit dat we naar film kijken.
Daarom zijn we in staat de gruwelijkste dingen te bekijken: omdat we weten dat het slechts schijn is, letterlijk en figuurlijk.
Dat weten, dat bewustzijn maakt het verschil tussen kunst en werkelijkheid.
Want ook de werkelijkheid bestaat uit beelden. We leven in een wereld van beelden die we voor werkelijkheid nemen. En net als de beelden van de kunst, zijn de beelden van de werkelijkheid spiegelbeelden: ze weerspiegelen onze ziel.
Alleen: we weten het niet.
En omdat we het niet weten, zijn we nu op grote schaal bezig om die spiegel stuk te slaan.

Daarom is het zo buitengewoon belangrijk dat we de beelden van de kunst, en dan vooral die zo realistische beelden van de film, leren zien als spiegelbeelden, als metaforen van onze eigen ziel.
Want in en door de kunst moeten we leren wat we in de werkelijkheid nog niet kunnen, en dat is: beelden als spiegelbeelden zien, als metaforen.
Als we dat in de werkelijkheid doen, als we de beelden die ons omringen – zowel de beelden van ons dagelijks leven, als de beelden van het wereldtoneel – zien als spiegels van onze eigen ziel, als tegen alles zeggen: dat ben ikzelf, dan slaan we ten slotte die spiegels stuk, dan kunnen we dat enorme, concrete beeld van onszelf niet langer verdragen. Het is té dramatisch, té intens.
Daarom zijn we vandaag zo gewelddadig geworden: we worden aan alle kanten met onszelf geconfronteerd en we kunnen dat niet aan. Liever vernietigen we onszelf dan onszelf onder ogen te zien.

En daarom is er de kunst. Zij is er, zoals Nietzsche ooit zei, om de waarheid te overleven, die verschrikkelijke, ondraaglijke waarheid over onszelf.
In de kunst kunnen we die waarheid onder ogen zien.
Kijkend naar Unsere Mütter, unsere Väter grijpt die waarheid me naar de keel, ze geeft me een klap in het gezicht, ze raakt me frontaal. Ik voel dat, mijn hart vertelt me dat, want het beeft en huilt.
Maar ik weet: dit is niet echt, dit is film, dit is kunst.
En na 90 minuten is het gedaan en zet ik de televisie uit.
En ik ga zitten en begin te denken.
Ik denk aan alles wat ik gezien heb, ik laat de beelden weer opkomen.
Al een koe begin ik te herkauwen.
En uiteindelijk levert dat melk op.
Inzicht. Waarheid. Omtrent de wereld, omtrent mezelf.
En die waarheid bevrijdt me.

Was ze me als werkelijkheid gepresenteerd, dan had ik ze niet overleefd.
Miljoenen en miljoenen mensen zijn in de vorige eeuw op hardhandige wijze met de waarheid over henzelf, over de mens geconfronteerd. En ze hebben het niet overleefd.
Ik zou bijna zeggen: wat via de kunst had moeten gebeuren, is via de werkelijkheid gebeurd.
De confrontatie van de mens met zichzelf.
Een groots en dramatisch moment in de geschiedenis.
Een keerpunt.
En dat keerpunt is niet voorbij.
De geschiedenis zal zich herhalen.
We hebben geen keuze: we moeten naar onszelf leren kijken, we moeten onszelf leren kennen, we moeten leren wat de mens is, in al zijn glorie en in al zijn laagheid.
Het moet en het zal gebeuren.
We hebben echter – voor zolang het nog duurt – de keuze hoé we dat willen leren.
Via de kunst of via de werkelijkheid.

Nooit voordien is de kunst zo belangrijk geweest.
Nooit voordien is zij zo nadrukkelijk onze helper geweest.
De rol van de religie is uitgespeeld, en de wetenschap kan ons ook niet langer helpen.
Integendeel, beide worden meer en meer tot vijanden.
Er is alleen de kunst nog.
Zij kan ons helpen de onvermijdelijke confrontatie met onszelf te overleven.
Zij kan een bloedbad vermijden.
Als wij dat willen tenminste.
Als wij bereid zijn haar beelden te zien als een spiegel van onze eigen ziel.

Dat is wat Unsere Mütter, Unsere Väter doet: het houdt ons een spiegel voor. Niets anders.
Het brengt geen boodschap, het verkondigt geen moraal.
Het laat ons volkomen vrij.

Dat is met de beelden van de moderne werkelijkheid wel anders. Zij schreeuwen ons als het ware toe: gij zijt slecht, de mens is een beest, het gevaarlijkste onder roofdieren.
En als die beelden dan ook nog in de media verschijnen, wordt het ons dagelijks ingepeperd: jullie zijn haatdragend, onverdraagzaam, discriminerend, bang en verzuurd, racistisch en xenofoob, hebzuchtig en egoïstisch, extremistisch en fanatiek. Er komt gewoon geen eind aan het gemoraliseer. Ieder beeld is hier drager van een boodschap, en het is bepaald niet de Goede Boodschap.

Kunst brengt nooit booschappen. Zij moraliseert nooit. Zij wil niet leren en opvoeden.
Zij wil alleen maar tonen.
Zij wil alleen maar spiegel zijn.
Zij oordeelt niet, maar ze verzwijgt ook niets.
Zij is de maan die het zonlicht weerkaatst.
Zij brengt licht in de duisternis.
Dat is wat kunst doet.

Dat is wat Unsere Mütter, Unsere Väter doet.
Het spiegelt onze ziel, onze gekwelde, geteisterde moderne ziel.
En het wacht tot we onszelf herkennen.
Het is er gewoon, voor ons.
Verder doet het niets.
Het laat ons volkomen vrij.
Wat wij in deze serie zien, hoe we ze interpeteren: het is volkomen aan ons.

Maar ik vind wel dat je een hart van steen moet hebben om niet geraakt te worden door deze beelden. En dan bedoel ik niet de hardheid van hun realisme. Dat hoort erbij, maar het is niet de hoofdzaak. Belangrijker zijn de innerlijke beelden, de beelden die zich achter al dat oorlogsgeweld verbergen. De beelden van het lot van de mens, in al zijn eindeloze variaties. Het idealisme, de ontgoocheling, het verraad, het bedrog, het medeleven, de liefde al dan niet beantwoord, de vergeving, het cynisme, de grofheid, de perversiteit: alles is er.

Maar het diepste beeld, het beeld dat langzaam naar boven komt als het stof gaat liggen, is het beeld van de mens die door de hel gaat en het overleeft.
Is dat niet het grootste beeld van de wereldoorlog?
We hebben onze wereld verwoest, uiterlijk en innerlijk. Het was een verschrikking van apocalyptische afmetingen. Maar zie: hier zijn we weer! En we kijken naar tv en we schrijven blogs. Het leven gaat door.
We gaan neer, we worden verpletterd en we staan weer op.
Stirb und Werde.
Geen enkel ander volk heeft dat wellicht zo duidelijk gedemonstreerd als de Duitsers.
Aan het eind van de oorlog had Herr Hitler nog maar één objectief: de totale vernietiging van Duitsland. Hij was er bijna in geslaagd.
Maar op de puinen van het verwoeste Duitsland verrees een nieuw Duitsland.

Stirb und Werde: dat is het centrale beeld van Unsere Mütter, Unsere Väter.
Het is geen concreet beeld. Het is niet zichtbaar.
En toch is het er.
Het wacht tot we het zichtbaar maken, tot we de fysieke beelden transparant maken voor het oerbeeld dat eraan ten grondslag ligt.
Aan het eind van de serie duikt het op in een scène die wel de meest ontluisterende en minst glorieuze van de hele driedelige film is.

Drie mensen die alles verloren hebben en compleet geruïneerd zijn, heffen te midden van de ruïne die Berlijn geworden is, het glas op de doden. Ze doen dat geslagen, maar ze doen het. Want ze houden een belofte die ze elkaar gedaan hebben toen ze uit elkaar gingen: ze zouden elkaar weer ontmoeten.
Het zijn drie heel andere mensen die we zien en het is zeer de vraag of ze ooit weer vrienden kunnen worden. Daarvoor is er té veel gebeurd.
Maar iets in hen is niet gebroken.
Iets in hen heeft die afschuwelijke tocht door de hel overleefd.

Niet alleen deze laatste scène, maar heel de serie is een beeld van het onverwoestbare dat in ieder mens leeft en dat zelfs het onvoorstelbare kan overleven.
Alleen al het feit dat Duitsers een dergelijke film hebben kunnen maken getuigt daarvan.
Op een dergelijke manier de waarheid over jezelf onder ogen zien, de verschrikkelijke waarheid over Duitsland, dat is … ik wilde zeggen groots, maar het is meer dan dat, het is: menselijk, in de diepste betekenis van het woord.

De mens is een wezen dat in staat is naar zichzelf te kijken.
Aan dat vermogen dankt hij zijn vrijheid.
En die vrijheid moet hij zwaar betalen.
Unsere Mütter, Unsere Väter toont ons hoé zwaar.

Het vreemde is dát wij die prijs betalen, want we doen ons al die ellende zelf aan.
Wij hebben zelf die wereldoorlog doen losbarsten, in ons eigen midden.
En we doen onszelf al dat kwaad aan, niet uit kwaadaardigheid – dat is slechts het middel – maar opdat we in staat zouden zijn naar onszelf te kijken, naar dat verblindend mooie wezen dat we in feite zijn.

Wie zei ook alweer dat we niet bang zijn voor het duister in onszelf, maar voor het licht?
Was het Nelson Mandela niet?

Goethe zei het enigszins anders:

Alles kan een mens verdragen, behalve een reeks mooie dagen.

De mens roept het lijden over zich af omdat hij in staat wil zijn de schoonheid van zijn eigen wezen onder ogen te zien.
Hij wil eigenlijk als God zijn. Dat is zijn zonde en zijn zaligheid.
Dat is zijn lot.
En zo is het bedoeld, zo heeft hij het zelf gewild.

Maar dat zijn we natuurlijk vergeten. En dat moest ook.
Maar nu is de tijd van de herinnering weer aangebroken.
We moeten ons weer leren herinneren wie we in wezen zijn, wie we in oorsprong waren, en waar we weer naartoe willen.

Unsere Mutter, Unsere Vater is daar een teken van.
Een aangrijpend teken van hoop.

Zoals alle echte kunst.

20130626-132028.jpg

Im Urbeginne ist die Erinnerung,
Und die Erinnerung lebt weiter,
Und göttlich ist die Erinnerung
Und die Erinnerung ist Leben,
Und dieses Leben ist das Ich des Menschen,
Das im Menschen selber strömt.
Nicht er allein, der Christus in ihm.
Wenn er sich an das göttliche Leben erinnert,
Ist in seiner Erinnerung der Christus,
Und als strahlendes Erinnerungsleben
Wird der Christus leuchten
In jede unmittelbar gegenwärtige Finsternis.

(Rudolf Steiner)

De taak van de mens op aarde is om te herinneren. Om te zien dat het eeuwige ooit in de tijd is gebeurd. Alles gebeurt slechts één keer, maar dat is voor altijd. A toujours. Het geheugen is de lamp van de slaapwandelaar op de vloer van de eeuwigheid. Als er niets verloren gaat, wordt er ook niets gewonnen. Er is alleen het duurzame. IK BEN. Dat geldt voor alle ervaringen, alle wijsheid, alle waarheid. Dat wat wegvalt wanneer de herinnering de deuren en ramen openzet, heeft nooit werkelijk bestaan en is alleen door angst of smart ingegeven.

(Henry Miller)

We’ll meet again,
Don’t know where,
Don’t know when.
But I know we’ll meet again some sunny day.
Keep smiling through
Like you always do
Till the blue skies drive the dark clouds far away.

So will you please say ‘Hello’
To the folks that I know.
Tell them I won’t be long.
They’ll be happy to know
That as you saw me go,
I was singing this song.

(Vera Lynn)

The Newsroom

In de krant van een week geleden (die ik nog altijd aan het lezen ben) zie ik op pagina C18 een bespreking staan van een nieuwe HBO-serie.
Een nieuwe HBO-serie is altijd nieuws, want deze Amerikaanse betaalzender heeft enkele van de beste tv-series aller tijden afgeleverd – met helemaal bovenaan het onvolprezen The Wire – en staat dus voor kwaliteit.
Afgaand op de recensie van Valerie Droeven is die kwaliteit weer volop aanwezig in The Newsroom, een fictiereeks over het reilen en zeilen van een nieuwredactie.

Ik lees:

Ondanks slechte kritieken in de VS, is The Newsroom weerom een knap staaltje televisie.
Deze reeks is bedacht en grotendeels geschreven door de legendarische Aaron Sorkin.
De zes seizoenen en 86 televisieprijzen van The West Wing leverden Sorkin de eretitel van ’s werelds beste scenarioschrijver op.
Zijn dialogen zijn geweldig: intelligent en grappig. Het Engelse woord ‘witty’ lijkt uitgevonden te zijn enkel en alleen om Sorkins dialogen te omschrijven.
Nochtans kreeg Sorkin het een jaar geleden hard te verduren nadat hij de eerste vier afleveringen van deze reeks aan de pers had getoond. Maar misschien was een reeks over de journalistiek en hoe het er bij de vierde macht aan toe zou moeten gaan een brug te ver voor het Amerikaanse journaille.
Laat u vooral niets op de mouw spelden door Amerikaanse recensenten. Wie erin slaagt om The West Wing even aan de kant te schuiven, kan alleen maar concluderen dat The Newsroom een steengoede reeks is.
Het is heerlijke humor.
Wie de kijker zo vaak op het puntje van zijn stoel krijgt, terwijl de meeste scènes zich in één ruimte afspelen, verdient een eretitel.

Zo. Dat is niet mis.
Valerie bedacht de reeks dan ook met 4 sterren (van de vijf).

Nu ben ik niet zo gauw onder de indruk van film- en tv-kritieken.
Eigenlijk lees ik ze bijna nooit. Ze zijn meestal nog slechter dan de rest van de krant.
Maar ik ben een zwak mens.
Toen ik al die lof las over een nieuwe HBO-serie, wilde ik het graag geloven.
Het aanbod goede tv-series is de laatste jaren namelijk nogal mager geworden.
Na een absoluut hoogtepunt als The Wire kon het eigenlijk alleen maar bergaf gaan.
Een mens hoopt dat het niet zo is, maar het blijkt wel zo te zijn.
Dus, ik had het kunnen weten.

Toen ik verleden zaterdag kijkvoer ging inslaan bij de Mediamarkt in Oostakker, sloeg ik na enige aarzeling The Newsroom in. Zo slecht zou het wel niet zijn.

Maar dat dachten veel mensen waarschijnlijk ook over de zomer van 2013.

Mijn vrouw en ik hebben 2 afleveringen van The Newsroom bekeken. Daarna hebben we eens naar elkaar gekeken. En vervolgens hebben we het hoofd geschud. Woorden waren niet nodig. Hier keken we niet langer naar. Zesentwintig euro of niet (zoveel heb ik voor het 1ste seizoen betaald) dit doen we onszelf niet meer aan. De zomer is al erg genoeg.

Wat is er dan mis met deze reeks?

Stel u iemand voor die heel rap spreekt. Rapper dan een rapper. Hij ratelt eigenlijk. Zoals een Spanjaard, maar dan in het Engels. En hij doet dat aan één stuk door. Ademen is blijkbaar niet nodig.
Stel u nu een gesprek voor tussen 2 zo’n mensen. Ze vallen elkaar niet in de rede. O nee. Als de een stopt, gaat de ander naadloos verder. Als in een estafettewedstrijd. Maar dan sneller.
Stel u nu een televisiereeks voor die louter en alleen uit dergelijke gesprekken bestaat.
De eerlijkheid gebiedt me om te zeggen dat er af en toe adempauzen vallen. Sommige duren wel 5 seconden. Ze zijn waarschijnlijk ingebouwd om de kijker de gelegenheid te geven even te recupereren. Even maar, want dan barst de verbale artillerie opnieuw los.

Zo kun je deze reeks nog het best karakteriseren: als één lange artilleriebeschieting.
Af en toe slaan de mitrailletten een kogel over en laait de hoop op vrede bij de kijker weer op. Maar het is als met deze zomer: de hoop blijkt telkens weer ijdel te zijn.
Na afloop zit je versuft en verdwaasd in je zetel.
Wat. Was. Dat.
Wel, het was Aaron Sorkin die eens wilde laten zien waarom hij de beste van de wereld is.
De reeks begint trouwens met een tv-debat waarin iemand uit het publiek, een jong meisje, aan het panel de vraag stelt: waarom is Amerika volgens jullie The Greatest Nation on Earth?
Daar moet het panel geen seconde over nadenken. De artillerie barst meteen los.
Alleen Will McAvoy, de man rond wie de hele reeks draait, zwijgt.
Dan barst hij uit in een tirade die eigenlijk hierop neerkomt dat Amerika in een dipje zit. Het is niet meer zo Great als het altijd geweest is.
Grote consternatie!
Een Amerikaan overtreedt het eerste Amerikaanse gebod: bovenal bemin één God, USA the Great!
Maar hij krijgt onmiddellijk de kans om te boeten voor zijn zonde: zijn ex-vrouw verschijnt en leest hem (met een afschuwelijk Australisch accent) de levieten. Gij Zult Voortaan The Greatest News on Earth maken! En Will gehoorzaamt, zoals het een moderne man betaamt.

Ik vraag me af: zou het zo gegaan zijn?
Vond Aaron Sorkins vrouw of ex-vrouw dat hij in een dipje zat, dat hij niet meer ’s werelds grootste was? En heeft de brave man willen bewijzen dat hij dat wél nog is?
Hoed u voor Amerikanen die willen bewijzen dat ze de Grootste, de Beste en de Grappigste zijn!
Dat is echt niet om te lachen.
Dat is om heel hard weg te lopen.

Dat is dan ook wat ik mijn lezers – alledrie – adviseer:
Verspil hier uw tijd en uw geld niet aan!
Kijk niet naar The Newsroom.

Tenzij u natuurlijk wilt weten of ik gelijk heb.
Want geloof nooit een criticus.
Kijk en oordeel altijd zelf.

Dan zult u in dit geval nog iets anders leren (behalve dan dat ik gelijk heb). Namelijk dat Amerika niet alleen veel betere film&televisie maakt dan Europa of gelijk wie, maar dat ze ook veel betere ciritici hebben. Het Amerikaanse ‘journaille’, zoals Valerie Droeven haar Amerikaanse collega’s met de voor Vlaamse intellectuelen zo kenmerkende bescheidenheid noemt, heeft The Newsroom heel terecht neergesabeld. Ze hadden overschot van gelijk om die compleet naast zijn schoenen lopende en over meer dan één paard getilde Aaron Sorkin eens goed op zijn nummer te zetten.
Niet dat het veel geholpen zal hebben.
Dit soort Amerikanen is beyond repair.

Van de Aaron Sorkins dezer wereld, verlos ons Heer!

En neem en passant ook de Valerie Droevens mee, want ze hebben hun naam niet gestolen.

20130624-161354.jpg

You cannot hope to bribe or twist
thank God! the Flemish journalist.
But seeing what the man will do
Unbribed, there’s no occasion to.

Vrij naar Humbert Wolfe (1855-1940)

The Newsroom

In de krant van een week geleden (die ik nog altijd aan het lezen ben) zie ik op pagina C18 een bespreking staan van een nieuwe HBO-serie.
Een nieuwe HBO-serie is altijd nieuws, want deze Amerikaanse betaalzender heeft enkele van de beste tv-series aller tijden afgeleverd – met helemaal bovenaan het onvolprezen The Wire – en staat dus voor kwaliteit.
Afgaand op de recensie van Valerie Droeven is die kwaliteit weer volop aanwezig in The Newsroom, een fictiereeks over het reilen en zeilen van een nieuwredactie.

Ik lees:

Ondanks slechte kritieken in de VS, is The Newsroom weerom een knap staaltje televisie.
Deze reeks is bedacht en grotendeels geschreven door de legendarische Aaron Sorkin.
De zes seizoenen en 86 televisieprijzen van The West Wing leverden Sorkin de eretitel van ’s werelds beste scenarioschrijver op.
Zijn dialogen zijn geweldig: intelligent en grappig. Het Engelse woord ‘witty’ lijkt uitgevonden te zijn enkel en alleen om Sorkins dialogen te omschrijven.
Nochtans kreeg Sorkin het een jaar geleden hard te verduren nadat hij de eerste vier afleveringen van deze reeks aan de pers had getoond. Maar misschien was een reeks over de journalistiek en hoe het er bij de vierde macht aan toe zou moeten gaan een brug te ver voor het Amerikaanse journaille.
Laat u vooral niets op de mouw spelden door Amerikaanse recensenten. Wie erin slaagt om The West Wing even aan de kant te schuiven, kan alleen maar concluderen dat The Newsroom een steengoede reeks is.
Het is heerlijke humor.
Wie de kijker zo vaak op het puntje van zijn stoel krijgt, terwijl de meeste scènes zich in één ruimte afspelen, verdient een eretitel.

Zo. Dat is niet mis.
Valerie bedacht de reeks dan ook met 4 sterren (van de vijf).

Nu ben ik niet zo gauw onder de indruk van film- en tv-kritieken.
Eigenlijk lees ik ze bijna nooit. Ze zijn meestal nog slechter dan de rest van de krant.
Maar ik ben een zwak mens.
Toen ik al die lof las over een nieuwe HBO-serie, wilde ik het graag geloven.
Het aanbod goede tv-series is de laatste jaren namelijk nogal mager geworden.
Na een absoluut hoogtepunt als The Wire kon het eigenlijk alleen maar bergaf gaan.
Een mens hoopt dat het niet zo is, maar het blijkt wel zo te zijn.
Dus, ik had het kunnen weten.

Toen ik verleden zaterdag kijkvoer ging inslaan bij de Mediamarkt in Oostakker, sloeg ik na enige aarzeling The Newsroom in. Zo slecht zou het wel niet zijn.

Maar dat dachten veel mensen waarschijnlijk ook over de zomer van 2013.

Mijn vrouw en ik hebben 2 afleveringen van The Newsroom bekeken. Daarna hebben we eens naar elkaar gekeken. En vervolgens hebben we het hoofd geschud. Woorden waren niet nodig. Hier keken we niet langer naar. Zesentwintig euro of niet (zoveel heb ik voor het 1ste seizoen betaald) dit doen we onszelf niet meer aan. De zomer is al erg genoeg.

Wat is er dan mis met deze reeks?

Stel u iemand voor die heel rap spreekt. Rapper dan een rapper. Hij ratelt eigenlijk. Zoals een Spanjaard, maar dan in het Engels. En hij doet dat aan één stuk door. Ademen is blijkbaar niet nodig.
Stel u nu een gesprek voor tussen 2 zo’n mensen. Ze vallen elkaar niet in de rede. O nee. Als de een stopt, gaat de ander naadloos verder. Als in een estafettewedstrijd. Maar dan sneller.
Stel u nu een televisiereeks voor die louter en alleen uit dergelijke gesprekken bestaat.
De eerlijkheid gebiedt me om te zeggen dat er af en toe adempauzen vallen. Sommige duren wel 5 seconden. Ze zijn waarschijnlijk ingebouwd om de kijker de gelegenheid te geven even te recupereren. Even maar, want dan barst de verbale artillerie opnieuw los.

Zo kun je deze reeks nog het best karakteriseren: als één lange artilleriebeschieting.
Af en toe slaan de mitrailletten een kogel over en laait de hoop op vrede bij de kijker weer op. Maar het is als met deze zomer: de hoop blijkt telkens weer ijdel te zijn.
Na afloop zit je versuft en verdwaasd in je zetel.
Wat. Was. Dat.
Wel, het was Aaron Sorkin die eens wilde laten zien waarom hij de beste van de wereld is.
De reeks begint trouwens met een tv-debat waarin iemand uit het publiek, een jong meisje, aan het panel de vraag stelt: waarom is Amerika volgens jullie The Greatest Nation on Earth?
Daar moet het panel geen seconde over nadenken. De artillerie barst meteen los.
Alleen Will McAvoy, de man rond wie de hele reeks draait, zwijgt.
Dan barst hij uit in een tirade die eigenlijk hierop neerkomt dat Amerika in een dipje zit. Het is niet meer zo Great als het altijd geweest is.
Grote consternatie!
Een Amerikaan overtreedt het eerste Amerikaanse gebod: bovenal bemin één God, USA the Great!
Maar hij krijgt onmiddellijk de kans om te boeten voor zijn zonde: zijn ex-vrouw verschijnt en leest hem (met een afschuwelijk Australisch accent) de levieten. Gij Zult Voortaan The Greatest News on Earth maken! En Will gehoorzaamt, zoals het een moderne man betaamt.

Ik vraag me af: zou het zo gegaan zijn?
Vond Aaron Sorkins vrouw of ex-vrouw dat hij in een dipje zat, dat hij niet meer ’s werelds grootste was? En heeft de brave man willen bewijzen dat hij dat wél nog is?
Hoed u voor Amerikanen die willen bewijzen dat ze de Grootste, de Beste en de Grappigste zijn!
Dat is echt niet om te lachen.
Dat is om heel hard weg te lopen.

Dat is dan ook wat ik mijn lezers – alledrie – adviseer:
Verspil hier uw tijd en uw geld niet aan!
Kijk niet naar The Newsroom.

Tenzij u natuurlijk wilt weten of ik gelijk heb.
Want geloof nooit een criticus.
Kijk en oordeel altijd zelf.

Dan zult u in dit geval nog iets anders leren (behalve dan dat ik gelijk heb). Namelijk dat Amerika niet alleen veel betere film&televisie maakt dan Europa of gelijk wie, maar dat ze ook veel betere ciritici hebben. Het Amerikaanse ‘journaille’, zoals Valerie Droeven haar Amerikaanse collega’s met de voor Vlaamse intellectuelen zo kenmerkende bescheidenheid noemt, heeft The Newsroom heel terecht neergesabeld. Ze hadden overschot van gelijk om die compleet naast zijn schoenen lopende en over meer dan één paard getilde Aaron Sorkin eens goed op zijn nummer te zetten.
Niet dat het veel geholpen zal hebben.
Dit soort Amerikanen is beyond repair.

Van de Aaron Sorkins dezer wereld, verlos ons Heer!

En neem en passant ook de Valerie Droevens mee, want ze hebben hun naam niet gestolen.

20130624-161354.jpg

You cannot hope to bribe or twist
thank God! the Flemish journalist.
But seeing what the man will do
Unbribed, there’s no occasion to.

Vrij naar Humbert Wolfe (1855-1940)