Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Categorie: Het leven zoals het is

Ite missa est

  

De streek waar ik nu woon, de Vlaamse Ardennen, ligt bezaaid met dorpjes. Om de vijf kilometer steekt een kerktoren boven de bomen uit. Groot zijn ze niet, die kerkjes, maar ze vormen wel een duidelijk herkenningspunt in het landschap. Het uiterlijke landschap dan, want voor ons innerlijke landschap betekenen ze niets meer. Ze zijn dan ook allemaal gesloten. Af en toe gaat de deur nog eens open, als de pastoor passeert om een mis op te dragen. Dat is dan niet de pastoor van het dorp, maar een ‘vliegende’ pastoor die in het weekend van hot naar her rijdt om in zoveel mogelijk kerken een eucharistieviering te houden. Feestelijk is anders. Ik heb nog de tijd meegemaakt dat er op zondag in iedere parochie meerdere misvieringen waren. Keuze genoeg. Later kwam daar ook nog de zaterdagavond bij. Maar dat was al een veeg teken.

Tijdens mijn leven is de ooit zo machtige katholieke kerk geruisloos ingestort. Mijn ouders gingen nog als vanzelfsprekend iedere zondag naar de mis. Even vanzelfsprekend ging ik (vanaf mijn 14de) niet meer, en mijn kinderen weten niet eens wat een mis is. Ze weten niks meer van het christendom, zoals de meeste jonge mensen. Dat betekent evenwel niet dat het christendom verdwenen is, wel integendeel. Het is langs de voordeur buitengeschopt, maar langs de achterdeur weer binnengekomen. De jongere generaties zijn even vanzelfsprekend politiek-correct als de oudere generaties christelijk waren, en politieke correctheid is niets anders dan onbewust, instinctief christendom. De idealen die de moderne mens in vuur en vlam zetten, zijn christelijke idealen. Alleen, hij weet het niet. En dat is de vloek van onze tijd.

Eigenlijk vieren we vandaag voortdurend Hemelvaart, maar dan in omgekeerde zin: we zijn blij dat Christus verdwenen is. Weg met religie! roepen we. Maar we bedoelen: weg met Christus! Want andere religies, de islam op kop, behandelen we met veel égards. De moderne mens is een christen-tegen-Christus geworden, en dat kan niet goed aflopen. Door gebrek aan bewustzijn is de wederkomst van Christus een zelfvernietigende impuls geworden, die de mens langzaam maar zeker ten gronde richt. Wat we meemaken is een omkering van het oerbeeld van Hemelvaart. In plaats dat we vooruitgaan naar Pinksteren keren we terug naar Golgotha en slaan in naam van de menselijkheid het wezen van alle menselijkheid aan het kruis. Meer dan ooit geldt het Christuswoord: heer, vergeef het hen, want ze weten niet wat ze doen!

Het sociale oerfenomeen

  
Voor het eerst sinds ik ‘op den buiten’ woon, ben ik weer eens ‘in de stad’ geweest. Ik had een nieuwe bril nodig en ik wilde op de valreep nog van de solden profiteren. Nou, het was me de cultuurshock wel! Eerst de trein op. Hoelang was dát al niet geleden! Overal jongeren met smartfoons, overal electronische klanken. Dat duurde dus een poos voor ik een plekje vond dat betrekkelijk rustig was. Het gerammel en geknars – in die nieuwe treinen lijkt altijd wel iets los te zitten – moest ik er maar bij nemen. Gelukkig duurde de reis niet lang: een kleine 25 minuten, langs Moortsele, Landskouter, Gontrode, Melle, Merelbeke en ten slotte – tergend traag – Gent. Stationsbuurten zijn nooit aangenaam en dus haastte ik me langs het Citadelpark (bomen!) naar de kleine ring. Daar was ik al zozeer van slag dat ik de Kortrijksepoortstraat insloeg in plaats van de Bijlokekaai. Grauwheid troef. Studentenbuurt ook. Er kwam maar geen eind aan. Tot ik uiteindelijk de Veldstraat bereikte en de brillenwinkel binnendook. Alles blonk en glitterde daar, tenminste zolang ik niet in de spiegel keek. Een uur later stak ik de straat over om in de Fnac een smartfoon te kopen. Ook daar blonk en glitterde alles, maar mijn bobijntje was af. Genoeg stads- en keuzestress voor vandaag. 

Ik besloot nog even bij De Slegte binnen te lopen, en toen zag ik het, aan de overkant van de straat, een groot raam waarachter een vijftal mensen naar me zaten te kijken. Tenminste zo leek het. Het was een van die nieuwe hippe cafés of koffiebars waar mensen niet aan de toog zitten maar aan het venster. Je ziet er steeds meer, de ramen reiken soms tot op de grond: het café als aquarium. Het is telkens schrikken als je er passeert, want je kijkt de klanten recht in het gezicht. Of is het omgekeerd? Dat is niet duidelijk. Het heeft iets van een krachtmeting: wie is de kijker, wie is de bekekene? Het sociale oerfenomeen, zeg maar. De nieuwe trend trof me als een compensatie-fenomeen. Nu ik op het platteland woon, waar iedereen iedereen groet, valt het me des te sterker op dat in de stad niemand iemand aankijkt. Iedereen zit er opgesloten in zijn eigen wereldje, wat nog geaccentueerd wordt door de oortjes en de smartfoons. Ik begrijp dat wel. As je, zoals ik, je ogen voortdurend de kost geeft dan ben je na een paar uur in de stad compleet uitgeput. Telkens ik naar Gent ga, moet ik een dag recupereren. Ik snap dus heel goed waarom mensen er zich zo naar binnen keren: het is een vorm van zelfbescherming. Maar dat heeft een prijs, en die betalen ze door in zo’n trendy aquariumcafé voor het raam te gaan zitten, waar ze veilig naar mensen kunnen kijken.

Het vreemde is echter dat het niet duidelijk is wie kijkt en wie bekeken wordt. Als je op een terras gaat zitten, doe je dat om naar mensen te kijken, al is dat sinds de smartfoon fel verminderd, heb ik de indruk. Je kijkt niet terug als je langs een terras passeert, daarvoor zijn de terrasgangers meestal te talrijk: ze vormen een menigte, ze zijn sterk. Maar de nieuwe ‘raamzitters’ zijn enkelingen en ze kijken ook niet altijd naar buiten. Ze zitten daar te kijk achter al dat glas en doen alsof ze niet zichtbaar zijn. Ze doen dus eigenlijk net hetzelfde als op straat, maar toch ook weer niet. Het is alsof ze onbewust de grens opzoeken waar mensen elkaar ontmoeten, en waar – zoals Rudolf Steiner zegt – het ene Ik probeert het andere in slaapt te wiegen. Alles is daar mogelijk: kijken of bekeken worden, de blik afwenden of de confrontatie aangaan. In die nieuwe etalagecafés wordt dus in feite iets geestelijks zichtbaar. Het is alsof mensen instinctief opzoeken wat ze kwijtspelen door zich af te sluiten, met of zonder oortjes, met of zonder smartfoons. Compensatiegedrag dus. Misschien moet ik het ook eens uitproberen Als ik nog eens in de stad ben. Maar eerst toch een smartfoon kopen. 

Omhoog, omlaag

  
Na drie dagen in huis te hebben rondgelummeld, ben ik donderdag voor het eerst op de fiets gekropen om de omgeving te verkennen. Er valt hier veel te verkennen en daar verheug ik me op. Vroeger, in Mechelen, was er binnen een straal van 10 kilometer rond de Sint-Romboutstoren geen straat of zandweg die ik niet kende. Ook in Destelbergen kende ik alle paden, vooral die waar je zelden een mens tegenkomt. Ik hoop dat het hier in Scheldewindeke niet anders zal zijn en dat ze me hierboven de tijd en de gezondheid gunnen om de streek grondig te leren kennen. Ik ben alvast begonnen door de Hundelgemsesteenweg, de steenweg die naar de Vlaamse Ardennen leidt, helemaal af te fietsen tot in … jawel, Hundelgem. Al een geluk dat ik een nieuwe fiets heb, want heuvels, dat is nieuw voor me. Gelukkig ben ik oud en wijs genoeg geworden om gewoon af te stappen als het me te steil wordt en te voet verder te gaan. Iedereen denkt dan wel dat ik een platte band heb, maar er zijn erger dingen in het leven. 

Dat heuvellandschap is toch wel bijzonder. Ik ben een West-Vlaming die geboren en getogen is in de provincie Antwerpen: allemaal vlak land dus, ik kan me geen heuvel herinneren. En nu, op mijn oude dag, gaat het omhoog en omlaag. Wat zou dát te betekenen hebben? Alvast dat ik harder moet duwen. ’s Avonds lag ik om halftien al in m’n bed. Bobijntje helemaal af. Wellicht ook een overdosis frisse lucht. Toen ik verleden week in Destelbergen de ‘hangar’ opruimde, trof ik daar een tafeltje aan dat ik vlug even schoonmaakte met een papieren zakdoekje. Na afloop bleek het helemaal zwart te zijn, echt zwart, niet zomaar vuil. Dat gaf me toch een kleine schok. Wat doet het met een mens zijn longen als hij 21 jaar naast zo’n roetspuwende steenweg woont? En dan zwijg ik nog van de autostrade. Ik denk dus niet dat het inbeelding is als ik de lucht hier in Scheldewindeke een stuk frisser en properder vind. En ’s avonds geurt ze heerlijk naar het hout dat hier alom verstookt wordt.

Fietsend langs de vreselijk lawaaierige (want betonnen) Hundelgemsesteenweg, zag ik tussen de huizen door af en toe verlokkelijke vergezichten. Ik durfde de steenweg echter niet te verlaten uit vrees verloren te rijden – als ik eenmaal begin te verkennen is er geen houden meer aan. Wat me trof was het dubbele karakter van die huizen. Aan de voorkant bevonden ze zich in de drukte, het lawaai en de lelijkheid van de moderne wereld, aan de achterkant heerste de vrede van een landschap dat waarschijnlijk al in eeuwen niet meer veranderd is. Ik voelde die tegenstelling ook in mijn ziel. Hoe heerlijk moet het niet zijn om diep in de Vlaamse Ardennen, alleen en van geen mens gestoord, op zo’n heuveltop te wonen en uit te kijken over de weidse verten! Helaas ben je dan ook afgesneden van alles wat het leven in de stad opwindend maakt: de winkels, de drukte, de scholen, de gebouwen, de tentoonstellingen, de concerten, de evenementen, enzovoort. Geen eenvoudige keuze, dat is zeker. 

Die keuze wordt in onze tijd verdoezeld door het feit dat iedereen een auto heeft en dat er overal gebetonneerde en geasfalteerde wegen liggen. Maar tijdens het fietsen waren er momenten dat ik nog een vaag aanvoelen had van hoe het leven hier 100 jaar geleden was. Dat moet geen onverdeeld plezier zijn geweest. Ik kan het (een beetje) weten want ik heb de afgelopen tien jaar gestookt met kolen, zoals dat toendertijd gebruikelijk was. Kolen zijn goedkoper dan stookolie (en ze stinken ook niet zo), maar op de duur gaat het toch wegen, dat dagelijks sleuren met kolen, dat wegkieperen van de assen, die voortdurende zorg om de kachel brandend te houden, al dat stof en gruis. Hier in ons nieuwe huis staan twee gaskachels: ’s morgens hoef ik maar aan een knopje te draaien en tien minuten later is het warm. Wat een luxe! En er komt zelfs warm water uit de kraan, stel je voor! Dat bestond honderd jaar geleden allemaal niet, zeker niet in de dorpen die ik donderdag gepasseerd ben.

Daar staat dan weer tegenover dat de warmte van kolen veel aangenamer is dan die van mazout of gas. En dat kan als een metafoor gelden. Ik was gisteren nog geen kwartier onderweg of er stopte een camionette naast me. Een oudere man – hij had nog drie tanden in zijn mond – vroeg me waar een bepaalde straat was. Ik vertelde hem dat ik hier pas was komen wonen en dat de Hundelgemsesteenweg de enige straat was die ik kende. Tedju, tedju, antwoordde hij. Ook hij belichaamde een tegenstelling: aan de buitenkant zag hij er niet erg presentabel uit, maar aan de binnenkant, dat voelde je, was hij als een kolenkachel: zacht, aangenaam en niet opdringerig. Wat een verschil met de keurig verzorgde kerel (ongetwijfeld met een stralend wit gebit) die me even later bijna van de weg reed met zijn Mercedes! Het leven was vroeger harder, maar de mensen waren zachter. Vandaag is het omgekeerd: het leven is zacht en comfortabel, maar de mensen zijn hard geworden. 

Merkwaardig toch dat ik op mijn allereerste fietstocht al meteen iemand ontmoet die als het ware belichaamt wat deze streek vroeger moet geweest zijn! Waarschijnlijk is ze dat nog – een genius loci verandert zomaar niet, lijkt me – maar die geest wordt vandaag aan de waarneming onttrokken door de talloze huizen die hier na de oorlog gebouwd zijn. Hier en daar zie je nog een oud huis dat het karakter van de streek uitdrukt, en dat nog gebouwd is door mensen die (zonder dat zelf te beseffen) verbonden waren met de geest van de streek. Die geest is het die ik wil leren kennen. Het feit dat hij me begroet heeft in de persoon van de man-met-de-drie-tanden geeft me een gevoel van welkom. Door me de weg te vragen liet de geest blijken door mij gekend te willen worden. Het is tenslotte altijd door een buitenstaander dat je het best gekend wordt. Ik kijk alvast uit naar de kennismaking. Het is voor mij immers nog altijd een open vraag waarom ik uitgerekend in deze heuvelachtige streek, in dit Scheldewindeke-zonder-Schelde terecht moest komen. 

Er was eens in Destelbergen …

  
Dit is de Dendermondesteenweg aan het begin van onze allerlaatste dag in Destelbergen. Poëtisch is anders, maar dan zou u het eens mét auto’s moeten zien! Ik heb van de zondagochtendluwte geprofiteerd om eens te doen wat anders nooit kon: midden op de steenweg gaan staan. 21 jaar hebben we op die strook asfalt gekeken in het vanzelfsprekende besef dat het verboden terrein was, ontoegankelijk voor de omwonenden. In Scheldewindeke is dat wel even anders: hier kan ik op gelijk welk moment van de dag midden op straat gaan staan. Het is als een terugkeer in de tijd. Als kind zát ik zelfs op straat te spelen, er passeerden toch maar 2 auto’s per dag, een in de voor- en een in de namiddag. In Scheldewindeke zijn het er wel meer: zeker twintig. Maar wat stelt dat voor vergeleken bij de duizenden en duizenden auto’s die in Destelbergen dagelijks voorbij ons raam zoefden! 

Het is nu avond. De rolluiken zijn naar beneden en de kaarsjes branden. Ik luister naar Mozart en ik kan iedere noot horen, want er zijn geen auto’s waarmee de muziek moet wedijveren. Buiten is het nochtans niet echt stil: in de verte klinkt het geraas van een autostrade of een steenweg en er is altijd wel ergens een hond aan het blaffen, maar binnen is daar niks van te horen. Voor het eerst in 21 jaar moet ik mijn huis niet delen met duizenden anonieme automobilisten. Het is nu echt van mij, ofschoon ik het niet bezit. Je zult er moeten aan wennen, zei men me. Maar ik hoef helemaal niet te wennen. Die rust en die stilte: het is als thuiskomen. Het lawaai van Destelbergen was als een kwade droom waaruit ik nu ontwaakt ben. Dat was trouwens zondag reeds het geval. Toen ik wat spullen was gaan afzetten en de Dendermondesteenweg weer opreed, schrok ik en dacht: hemeltje, ik ben verkeerd gereden, ik moet hier niet zijn! 

Nee, het verhuizen heeft me geen greintje pijn gekost. Althans innerlijk niet. Fysiek, dat is een ander verhaal. Dagenlang ben ik in de weer geweest met het uitmesten van onze ‘stal’ en ik verbaasde me erover dat m’n rug het uithield. Maar maandag kreeg ik de rekening voorgeschoteld. Opstaan was een marteling, bij iedere beweging schreeuwde mijn rug het uit van de pijn. De rest van de dag heb ik languit in de zetel doorgebracht, luisterend naar de stilte. Die stilte is een balsem voor mijn ziel, maar voor mijn lichaam betekent ze niet veel: ik voel me op slag tien jaar ouder. Weken al verheug ik me erop de streek te verkennen – ik heb er zelfs een nieuwe fiets voor gekocht – maar ik ben het huis nog niet uit geweest. Naar verluidt stapten de Indianen vroeger halverwege uit als ze een treinreis maakten: ze wilden eerst wachten op hun ziel (die niet zo snel was). Bij mij is het omgekeerd: ik wacht nu op mijn lichaam. 

De verhuis zelf is voorspoedig verlopen. Het begon eigenlijk al op 3 december, toen we het huis voor het eerst als nieuwe huurders bezochten. Er hing die ochtend een dichte mist die de tocht van Destelbergen naar Scheldewindeke tot een belevenis maakte. De zon scheen als een witte maan doorheen de nevelen. Het was alsof de wereld opnieuw geschapen werd. Tegen de middag klaarde alles op tot een stralende dag en ’s avonds bungelde Venus als aan een touwtje onder de maansikkel. Als dat geen goed voorteken was! De volgende avond stond er een heel andere constellatie aan de hemel: de maan keek als in verbazing naar Mars die van bovenaf op haar toekwam. Was dat een beeld van onze verhuizing? Tenslotte wonen we nu op nummer negen, het getal van Mars, terwijl 582 (ons huisnummer in Destelbergen) een zes vormt, het getal van Venus. Of zoek ik er teveel achter? 

Dat eerste bezoek had hoe dan ook een Venus-karakter. De verhuis daarentegen, een week later, was een en al Mars: trekken en sleuren, afbreken en uit elkaar vijzen, demonteren en leeg maken. Maar beiden stonden onder het welwillende toezicht van moedertje Maan, want alles liep op rolletjes – letterlijk en figuurlijk. Ik vond het eerst een onmogelijk moment van het jaar om te verhuizen – vlak voor kerstmis – maar bij nader inzien was het lang geen slecht moment. Wat valt er anders te doen in deze tijd van het jaar? We hebben nu een tuin waarin heel wat werk is, maar daar hoeven we de eerste maanden niet aan te denken. We kunnen in alle rust het nieuwe huis bewoonbaar maken. Nee, hoe meer ik erover denk hoe meer ik ervan overtuigd raak dat we onder een goed gesternte verhuisd zijn. Zondagavond trokken we eindelijk het witte hek achter ons dicht. De zon ging oogverblindend onder en begeleidde ons helemaal tot in Scheldewindeke. 

Continuïteit

  
Vanmorgen zaten we te ontbijten en keken als gewoonlijk door het raam. We zagen een muisje op de houten paaltjes springen waarmee ons (enige) bloemperkje afgezoomd is. Daarna sprong het in het gras om even later weer op de paaltjes te springen en in het bloemperk te verdwijnen. Wel twintig keer sprong het heen en weer op en af die paaltjes. 21 jaar al zitten we aan het keukenraam te eten en naar buiten te kijken, maar nog nooit hebben we een muisje gezien. Roodborstjes wel, en mussen en merels en eksters en kauwen en vinken. Maar muisjes? Die zaten alleen in huis, dachten we. 

Even later was ik in de tuin aan het rommelen toen een vlinder, een mooie dagpauwoog, om me heen kwam fladderen. Een vlinder in december? Ik keek omhoog of ik de twee tortelduifjes niet zag die al zolang we ons kunnen herinneren in de tuin wonen. Als ze niet op de electriciteitsdraad zitten, zitten ze op het afdak of in een boom. Maar nu zag ik ze niet. Waar zouden ze zijn? Hebben ze ook besloten om te verhuizen? Zijn ze wellicht onderweg naar Scheldewindeke? Dat zou leuk zijn. Maar zover zal de natuur het wel niet drijven, al mag je haar niet onderschatten.

Toen we nog in Melle woonden, was ik op een dag samen met mijn vader gazon aan het aanleggen in de tuin. Dat wil zeggen, mijn vader deed het werk en ik liep een beetje in de weg. Vanonder de muur van de buren was een berkje gegroeid. Ik trok het uit en plantte het in het midden van de tuin. Het zal nooit pakken, zei m’n vader, er zitten bijna geen wortels meer aan! Dat zullen we wel eens zien, dacht ik, meer om contrarie te doen dan omdat ik erin geloofde. Maar ik gaf het prille boompje elke dag trouw water en sprak het moed in. Ik gaf het zelfs Bach-druppeltjes, Rescue Remedy, tegen de schok. 

Tien jaar later was de berk uitgegroeid tot een grote, prachtige boom waar de kinderen graag in klommen. Vooral Helena placht tot helemaal in de top de klauteren. De buren kwamen dan in paniek bellen: meneer, meneer, uwe kleine zit helemaal boven in de boom! Ja, zei ik, daar zit ze dikwijls. Maar als ze valt meneer, als ze valt! Ze is nooit uit die boom gevallen, Helena, het was een kindvriendelijke boom. We waren er dan ook zeer aan gehecht. Toen we moesten verhuizen omdat het huis gerenoveerd werd, vroegen we de huisbaas: u zult de berk toch laten staan? Tuurlijk, tuurlijk, antwoordde hij.

Een week later was hij al verdwenen. Aan mootjes gehakt, we konden ze zien liggen. De kinderen waren er het hart van in. Maar ze werden groter en vergaten de berk. Ik echter niet. Ik trok dan ook grote ogen toen ik vanonder de schutting van de buren opnieuw een jonge berk tevoorschijn zag komen. Net als de vorige maakte hij eerst een bocht voor hij verticaal omhoog groeide. Dit keer had ik geen plaats om hem ergens anders te planten, en dus liet ik hem staan, al groeide hij op een onmogelijke plaats. Vandaag is hij grote, mooie berk, die helaas hetzelfde lot als zijn voorganger zal ondergaan. 

Zouden bomen kunnen reïncarneren? Zouden ze hun ‘baasje’ kunnen volgen naar zijn nieuwe huis? Ik heb onze berk alvast verwittigd dat we weggaan en dat hem waarschijnlijk geen lang leven meer beschoren is. Of hij ons wil volgen, heb ik niet gevraagd. Ik hoop het natuurlijk wel. Stel je voor dat er in Scheldewindeke een berk begint te groeien in onze tuin, zomaar uit het niets! Dat zou pas een klein mirakel zijn! Maar mirakels gebeuren niet als je ze verwacht, dus ik reken er niet op. Er staat wel een hulst in onze nieuwe tuin, net als hier in Destelbergen. De continuïteit is dus verzekerd. 

Verhuizen is altijd een beetje sterven

  

Scheldewindeke

   

Zaterdag, 10 december, verhuizen we. Het zal hier de komende dagen dus stil worden. Na 21 jaar Destelbergen trekken we naar Scheldewindeke. Zo heeft het lot beslist heeft. De huisbaas zet ons eruit, hij wil renoveren. 21 jaar lang heeft hij geen cent uitgegeven aan het huis en pas nu het zowat uit elkaar valt, gaat hij er iets aan doen. We waren dan ook al jaren op zoek naar een ander huis, maar dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan. Vroeger ging je een huis bekijken, en als het je aanstond zei je: OK, we nemen het. Vandaag kom je echter op een lijst van kandidaat-huurders te staan waaruit de huisbaas dan kiest. Om de een of andere reden werden wij nooit gekozen. Hoe vaak hebben we dat ritueel niet doorlopen: huis zoeken op het internet, afspraak maken, huis gaan bezichtigen, formulieren invullen, attesten opsturen, en dan wachten. Soms werd je verwittigd als het huis verhuurd was, meestal niet. 

Pas toen ik op Facebook het (zeer herkenbare) relaas las van een alleenstaande moeder op zoek naar een huis, begreep ik dat de immo-kantoren ons doodeenvoudig van die lijst schrapten. Als werkloze was ik immers een risico. We waren dan ook de wanhoop nabij toen de huisbaas eind september kwam zeggen dat hij naar de rechtbank zou stappen als we het huis per 1 januari niet verlaten hadden. Hoe moesten we in drie maanden voor mekaar krijgen wat ons in drie jaar niet was gelukt? We hadden ons lot niet meer in eigen handen. We konden alleen nog hopen dat ze ons ‘hierboven’ zouden helpen. En dat deden ze. Enkele dagen later belde An. Ga zitten, zei ze, ik moet je iets vertellen! Ze had een huis gevonden. Het was zomaar uit de hemel komen vallen. Wat ook viel was een enorm pak van mijn hart, want ik had al visioenen van hoe we putje winter op straat zouden belanden. 

De hele huizen-affaire confronteert me met zowel de aardse als de bovenaardse realiteit. De eerste is deprimerend, de tweede is raadselachtig. Zo hebben we hier precies 21 jaar gewoond. Het hadden er net zo goed 18 kunnen geweest zijn, of 15, want we wilden hier al een hele tijd weg. Maar pas na 21 jaar is het gelukt, en dan nog als bij wonder. Dat wonder greep ook plaats bij het vinden van ons huis in Destelbergen, en het huis daarvoor, in Melle, hebben we eveneens op laatste nippertje gevonden. Die geschiedenis herhaalt zich dus al voor de 3de keer. En het is niet de enige. Wat zich ook voor de 3de keer herhaalt, is de onmiddellijke nabijheid van de Schelde. Zowel in Melle als Destelbergen woonden we op een paar honderd meter van de grote Vlaamse stroom. Dit keer gaan we echter slechts in naam bij de Schelde wonen, want in Scheldewindeke is de Schelde vreemd genoeg in geen velden of wegen te bekennen. 

Over die ‘toevalligheden’ wil ik dus eens grondig nadenken. Maar dat zal even moeten wachten, want nu verdrink ik in de praktische aangelegenheden. Ik zal een grote zucht van verlichting slaken als het allemaal voorbij is, als ik aan mijn vita nuova (het zal wel het laatste zijn) kan beginnen en het oude kan vergeten. Waar ik mij het meest op verheug, is ’s ochtends het raam opentrekken en NIET begroet worden met het gebulder van de autostrade. Helaas heb ik al gemerkt dat er een paar huizen verder een tiental hanen rondlopen en die kunnen ’s morgens vreselijk tekeer gaan. Tja, je gaat op de buiten wonen of je gaat er niet wonen. In ieder geval, erger dan hier kan het niet zijn, en dat is toch al iets. Morgen komt het grof vuil (niet te geloven wat een mens in 21 jaar opstapelt), zaterdag en zondag verhuizen we, en maandag zou ik levend en wel in Scheldewindeke moeten zitten. U hoort nog van me. 

Al is de leugen nog zo snel …

  
De jeep die de assen van Fidel Castro vervoert, valt in panne …

Noordzee

  
De firma Noordzee aan het werk. Ver van huis.

Logica