Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Categorie: Het leven zoals het is

Logica

  

Benaarstiging

  

Vanmorgen kreeg ik een gerechtsdeurwaarder aan de deur. De schrik sloeg me om het hart. Zou ik alsnog uit mijn huis gezet worden? Of had vadertje Staat een andere manier gevonden om me de duimschroeven aan te draaien? Niets van dat alles. Het bleek om een niet betaalde parkeerboete van 55 euro te gaan. Ik herinnerde me daar vaag iets van. Het was mijn dochter die de boete had gekregen en dus had ik het papier aan haar doorgespeeld. Daar was het blijkbaar bij gebleven. Kan gebeuren. Maar een gerechtsdeurwaarder? Voor een parkeerboete? 

In de krant lees je dat criminelen worden vrijgesproken, dat businesslui de hele Graslei kunnen huren en dat de politie niet eens reageert op zware overtredingen. Maar als je vergeet een parkeerboete te betalen sturen ze een gerechtsdeurwaarder op je dak die je een pak papier overhandigt voorzien van talloze onderstrepingen, omlijningen en handtekeningen, en met frasen als ‘op instructie en benaarstiging’, ‘die woonstkeuze doet op het kantoor’, ‘middelen van tenuitvoerlegging’ en ‘uitvoerend beslag op roerend goed’. 

Hebben ze daar op het stadhuis van Gent echt niks beters te doen? Ik vroeg het de (overigens zeer vriendelijke) gerechtsdeurwaarder. Vertel mij wat, zuchtte hij. Hij had blijkbaar nog genoeg gezond verstand om zich te generen voor zijn opdrachtgever. Het wordt met de dag duidelijker dat de staat zich aan het ontwikkelen is tot een monster dat andere monsters met rust laat (en zelfs de hand boven het hoofd houdt) maar dat brave burgers onafgebroken op de huid zit middels speciaal aangestelde ‘sactionerende ambtenaren’. 

In het zweet …

  

Ik dacht al dat ik iets voelde

  

De Wachter en het beeld

  

Gisteren zaterdag begon de herfst, en het was one of those days. Ik besloot om eens naar Gent te fietsen, want de afgelopen weken was ik altijd de omgekeerde richting uit gefietst en na al die natuur was ik toe aan een beetje cultuur. Ik zag wel op tegen de drukte van de stad, maar de atmosfeer was zo ontspannen dat ik er zelf van ontspande. En dan zien de dingen er heel anders uit. Bovendien had ik een doel: ik zou een boek kopen en een porseleinen koffiefilter. Dat scheelt ook. Het was inderdaad heel druk in Gent: de terrassen zaten vol, de trottoirs liepen vol, en ik vond aan de ballustrade van de Ajuinlei met moeite nog een plaatsje voor mijn fiets. Met de zon op mijn huid bereikte ik de Fnac. Het contrast met al de electronica aan de ingang kon nauwelijks groter zijn. 

Ik keurde de computers en smartfoons echter geen blik waardig en stevende direct af op de dvd’s in de kelder. Geen goed idee, zo bleek. Ik botste er op een meisje met roze schoenen dat aan een keyboard zat te zingen voor een kleine kring van toehoorders. Het geluid stond – zoals altijd – veel te hard en hoe ik ook probeerde me af te sluiten voor de electronische klanken, het lukte niet. Ijlings vluchtte ik naar de bovenverdieping, naar de boeken. Daar botste ik warempel alweer op een vrouwspersoon die aan een keyboard zat te zingen. Bach als ik me niet vergis. Dat klonk al veel beter, maar het bleef vreemd. Want niet alleen stond er niemand te luisteren, maar de vrouw zat ook in een stand die behangen was met witte doorschijnende doeken waarop lijsten met grote vergeelde foto’s waren bevestigd.

Het had iets van een dodenwake en ik verwachtte ieder ogenblik een vleermuis te zien rondfladderen. In plaats daarvan ontwaarde ik, halfverborgen in een hoek, een man die een bord voor zich hield met daarop een foto, waarin ik Dirk De Wachter meende te herkennen, een psychiater die de laatste tijd nogal veel in de media verschijnt. Vanachter dat bord met die foto klonk een stem die iets voordroeg. En dan was er muziek van Roy Orbison. Wat een bizarre voorstelling! Temeer daar niemand er enige notitie van leek te nemen. De man en de vrouw gingen helemaal op in hun eigen wereldje, een wereldje dat als een tang op een varken paste bij de zaterdagdrukte in de Fnac. De gedachte dat het om de presentatie van een boek kon gaan, kwam niet eens bij me op, zo bevreemdend was het allemaal. 

Toen legde de man zijn bord weg en trok zijn schoenen uit, lange puntige schoenen van wit krokodilleleer. Ook de eigenaar bleek lang te zijn, evenals zijn haar dat tot op zijn schouders viel. Verrek, dacht ik, het is Dirk De Wachter zelf! Wat doet die vent in godsnaam in de Fnac op een zonnige zaterdagmiddag in september! En waarom ziet hij eruit als een doordruk van Nick Cave? De man is verdorie professor in de psychiatrie, diensthoofd van het Psychiatrisch Centrum van de Leuvense universiteit! Hoezo, mogen professoren dan geen witte schoenen van krokodilleleer dragen en eruitzien als een rock ’n rollzanger? Natuurlijk mogen ze dat, maar ze moeten dan niet verwonderd zijn als ik me vragen begin te stellen. Want ik vind het maar niks, die vermenging van kunst en wetenschap. 

Ik gluur vanachter de boeken naar het vreemde koppel. Blijkbaar ben ik niet de enige die zich onwennig voelt bij dit optreden, want niemand blijft staan om te luisteren. Het lijkt Dirk De Wachter niet te deren. Ik begrijp het niet goed. Waarom doet een wetenschapper van zijn niveau zoiets? Waarom gaat iemand met een druk beroepsleven op een zalige nazomerdag naar de Fnac in Gent om daar een vreemdsoortige voorstelling te geven voor een onbestaand publiek? Van een jong meisje met roze schoenen kan ik het nog begrijpen. Ze moet iedere kans te baat nemen om op te treden en bekendheid te verwerven. Bovendien had ze wel degelijk luisteraars. Maar een bijna 60-jarige professor, die het helemaal gemaakt heeft in het leven? Wat kan zo’n man bezielen om witte schoenen te dragen en zich zo te kijk te zetten? 

Ik kan er maar één bedenken: ijdelheid. Het doet me denken aan die andere professor: Etienne Vermeersch. Dat is ook zo’n ijdeltuit. Toen ik hem, lang geleden, ging portretteren op zijn (enorme) kantoor naast de Vooruit, bracht zijn secretaresse hem een map met persknipsels waarin hij vernoemd werd. Die zat hij glunderend te lezen terwijl hij poseerde. Zijn ijdelheid bleek ook uit het korte gesprek dat ik daarna met hem had. Hij liet duidelijk blijken dat hij goed bekend was met de artistieke scène in Gent. Ik vond het een merkwaardig contrast: die zeer ernstige, zeer deftige (en zeer lelijke) professor in de filosofie die zo ongeremd genoot van de aandacht die de media aan hem besteedden. Zoiets verwacht je van iemand die het nog moet maken – ik ben zelf jong geweest – maar toch niet van een vice-rector die aan zijn pensioen toe is?

Nu goed, wat me die zaterdagmiddag trof, was het algemene beeld. Op de bovenverdieping van de Fnac trof ik de ijdele Lucifer aan, op de onderverdieping de electronische Ahriman. Vreemd genoeg werd Lucifer vertegenwoordigd door een oudere professor en Ahriman door een jong meisje, terwijl je net het tegenovergestelde zou verwachten. Want Lucifer is uitgesproken vrouwelijk-kunstzinnig, terwijl Ahriman onmiskenbaar mannelijk-wetenschappelijk is. Het was dus alsof de tegenpolen van plaats hadden verwisseld, of zich met elkaar vermengd hadden. En dat kon alleen gebeuren omdat het middengebied – het gelijkvloers – bezet was door electronica (vooraan) en kassa’s (achteraan). 

De ‘tempel’ van de mens – zijn hart – is ontwijd door hebberige kooplieden (die met hun geldverrichtingen op de achtergrond blijven) en door kille electronica (die zich overal op de voorgrond dringt). Daardoor kan de mens geen onderscheid meer maken tussen Lucifer en Ahriman. Ze verwisselen van plaats zonder dat hij het merkt. Ik heb me de afgelopen jaren vaak afgevraagd waarom er voortdurend geschoven werd met de verschillende afdelingen van de Fnac, waarom de kassa’s bijvoorbeeld verhuisden van vooraan (waar je ze zou verwachten) naar helemaal achteraan. Maar zie: there is a system in that madness, en op een mooie dag als gisteren wordt het opeens zichtbaar. Toch blijft het een complex systeem. Ik ben er nog altijd niet uit wat die witte en roze schoenen betekenden. Something though

Het leven is hard

  

Lawaai

  

Ik zit op een bank bij het Damvalleimeer en kijk hoe de zon glinstert op het water. Wat een zaligheid, die sint-michielszomer! Iedereen is weer aan het werk, de jeugd zit weer op de schoolbanken, en ik, ik heb het rijk voor mij alleen. Natuurlijk zijn er de gepensioneerden die overal electrisch rondfietsen, maar op mijn wandelingen volg ik paden waar zij nooit komen. Wie een beetje zoekt, vindt hier in Destelbergen nog plekken waar je zelden een mens tegenkomt, waar je van de wereld weg bent en waar je alleen maar vijvers, velden, bomen en weiden ziet. Wat een weelde! Maar helaas. Al dat moois wordt grondig verpest door het alomtegenwoordige lawaai van de autostrades die er dwars doorheen lopen. Het is alsof ze op een natuurfilm een heavy metal soundtrack hebben geplakt.

Niemand die met gesloten ogen naar mijn bank bij het Damvalleimeer werd geleid, zou ooit kunnen vermoeden dat hij op een idyllische plek zit waar alleen water en bomen en vogels te zien zijn. Want van het ruisen van de bomen, het zingen van de vogels en het plonzen van de vissen is niks te horen. Het wordt allemaal overstemd door het geraas of gebulder (al naargelang de wind) van de autostrade. De geluiden die bij het natuurbeeld horen, zijn vervangen door een geluid dat er niks mee te maken heeft. Het is alsof ik op de brug over de E17 zou staan en alleen maar het geklater van water en het gefluit van vogels zou horen. Het zou die eindeloze stroom voorbijzoevende auto’s ontdoen van zijn betekenis en van het beeld een leugen maken. Beeld en geluid moeten samenhoren om waar te zijn. 

Soms probeer ik me Destelbergen voor te stellen zonder lawaai. Ik zit dan op mijn bank aan het water en span me in om het geraas en gebulder van de autostrade weg te denken, om alleen die weidse vijver te zien, die paradijselijke zonovergoten plek. Maar het lukt niet. Ik kan mijn ogen wel sluiten en alleen het lawaai horen, maar niet omgekeerd. Voor lawaai kan een mens zich nooit echt afsluiten. Zelfs als hij zijn oren dichtstopt, wordt het nog als trilling door zijn lichaam waargenomen. Ik heb dus geen idee hoe Destelbergen zou zijn zonder autostrades. Ik kan het me zelfs niet voorstellen. Want de eenheid van beeld en geluid is meer dan de som der delen. Als ze van elkaar gescheiden worden, verdwijnt er iets dat je met behulp van beeld en geluid afzonderlijk niet meer kunt oproepen.

Als ik even verlost wil zijn van al dat lawaai, fiets ik naar de Kalkense meersen, een natuurgebied vijftien kilometer verderop. Zodra ik de Dendermondesteenweg verlaat en het autogeraas wegvalt, is het alsof ik in een deken van rust en stilte word gewikkeld. Het is een bijna fysieke sensatie die ik niet kan oproepen met mijn voorstellingsvermogen, daarvoor is ze veel te indringend. Op zo’n moment realiseer ik me dat ik in Destelbergen constant moet vechten tegen dat lawaai en dat ik er nooit echt tot rust kom. Vroeger gingen we wel eens logeren bij mijn schoonouders, die ver weg van alle autolawaai woonden. Het viel me op dat ik daar altijd veel beter en veel dieper sliep dan thuis. Je zou denken dat het gevecht met het lawaai ophoudt als je slaapt en niks meer hoort, maar dat is dus niet zo. 

Slapen hoort bij de natuur zoals wakker-zijn bij de stad. Wie in en met de natuur leeft, slaapt niet alleen beter, hij staat ook dichter bij de geestelijke wereld. Wie daarentegen in de stad woont, slaapt minder diep en verliest gaandeweg het vanzelfsprekende contact met de geest. Hij moet het onderhouden door middel van kunst en cultuur. Maar zoals er in ons land geen echte natuur meer is, zo zijn er ook geen echte steden meer. Alles loopt door elkaar. Dat was vroeger niet zo. Er was toen nog een duidelijk onderscheid. En ik kan het weten, want ik heb mijn jeugd doorgebracht op de grens tussen stad en land. Tien minuten wandelen en ik stond aan de voet van de Sint-Romboutstoren, in het centrum van Mechelen. Honderd meter de andere richting uit begon er een heel andere wereld, een (in mijn kinderogen) grenzeloze wereld van rivieren, bossen en velden. 

Vandaag is die grens volkomen vervaagd. Waar de natuur begon ligt nu een autostrade, en daarachter beginnen de villawijken. Als een kankergezwel heeft de stad zich uitgezaaid. Maar ook het omgekeerde is gebeurd: de natuur is de stad binnengedrongen en heeft er een jungle van gemaakt, vol koortsachtig leven en duistere driften. De tegenpolen hebben zich met elkaar vermengd en het grensgebied uitgewist. Ik zou vandaag niet meer kunnen wat ik vroeger kon. Ik stond ’s zondags op en keek uit het slaapkamerraam. De zon blikkerde op de daken. Niets bewoog. Geen geluid was er te horen. Aan de ene kant lag de stad te slapen, aan de andere kant maakte de natuur zich op voor weer een zomerse dag. Door die voorwereldlijke rust fietste ik eerst naar de stad om te gaan tekenen, en na de middag fietste ik de wijde natuur in. 

Zo pendelde ik tussen cultuur en natuur. Na een ochtend hard werken op de academie, zag de wereld er heel anders uit en genoot ik dubbel zoveel van de natuur. Maar na een middag fietsen langs de rivier, tussen bomen en velden en vogelgefluit, was ik blij weer een boek te kunnen lezen of naar kapitein Zeppos te kunnen kijken. Dat heb ik nog altijd: ik kan niet zonder natuur, maar ik kan ook niet zonder cultuur. Ik pendel nog altijd tussen beide. Maar dat grensgebied heeft lang niet meer dezelfde kwaliteit. Noch in de natuur noch in de cultuur kan ik nog zo diep onderduiken als vroeger. Het onderscheid tussen beide is verdwenen en daardoor ook hun complementariteit. Ze bevruchten elkaar niet meer, ze vermengen zich alleen nog tot een grijze, kleurloze werkelijkheid waarmee ik me niet meer kan verbinden. 

Het lawaaierige Damvalleimeer is daar een beeld van. Hoe natuurlijk en idyllisch het er ook uitziet, ik blijf erbuiten staan. Hoe graag ik ook zou opgaan in die natuur, inslapen in die natuur, contact maken met de geest die erin leeft, het wordt me belet door die andere geest die me teistert met zijn onophoudelijke gebrul en geraas. Als een onzichtbare muur staat hij tussen de wereld en mezelf. Hij verhindert het contact met zowel natuur als cultuur. Doordat hij me belet te pendelen tussen beide kan ik lang niet meer zo diep in hen doordringen en wordt mijn contact steeds oppervlakkiger. In plaats dat ik doordring in beide werelden en ze met elkaar verbind, dringen zij in elkaar door en persen mij als het ware naar buiten. Hun eenwording is als een dode muur die het levende grensgebied vervangt waar ik als kind woonde. 

Het is echter niet alleen een muur van lawaai die tussen mij en de wereld staat. Ook wanneer het stil is, zoals in de Kalkense meersen, en ik volop geniet van de rust en het landschap, kan ik me er nauwelijks nog mee verbinden. Ik blijf erbuiten staan, hoe mooi het allemaal ook is. De ‘muur’ bevindt zich met andere woorden ook in mezelf. In de wereld van de cultuur vergaat het me niet anders. Musea waren vroeger oorden van rust en stilte. Vandaag heerst er een drukte van jewelste die het contact met de kunstwerken nagenoeg onmogelijk maakt. Maar ook wanneer het er (even) rustig is, lukt het me niet meer – of toch zeker lang niet meer zo goed als vroeger – om door te dringen in de kunstwerken en me ermee te verbinden. De muur van lawaai, die zowel de natuur als de cultuur teistert, loopt dwars door me heen. 

Die gedachte was al in me opgekomen toen ik op mijn bank aan het Damvalleimeer zat. Dat eeuwige geraas en gebulder van de autostrade: is dat niet een beeld van het lawaai in mijn eigen ziel? Zijn het niet mijn eigen (abstracte) gedachten die ik daar onder de brug over de E17 zie voorbijzoeven? Vermengen ze zich niet met mijn (natuurlijke) driften, begeerten en verlangens, omdat er in mijn ziel geen grensgebied meer is dat ze op hun plaats houdt, omdat er geen levendig verkeer meer is tussen beide? Is het Damvalleimeer geen weerspiegeling van mijn ziel? Als ik op mijn bank aan de vijver zit, kijk ik in een spiegel, verlangend naar mezelf, maar niet bij machte om mezelf te zijn. Want dwars door mijn ziel loopt een muur van beelden en geluiden die niet bij elkaar horen en die daarom een leugen zijn. 

De uiterlijke wereld weerspiegelt mijn innerlijke wereld. In allebei heerst een waanzinnige activiteit, maar in feite gebeurt er niets. Alles blijft bij het oude, er is alleen maar stilstand en verstarring. Het is een wereld die ten prooi is aan materialisme, een mensheid die langzaam maar zeker versteent. Immers, ook in een steen heerst een intense activiteit – die van de elementaire deeltjes – maar ze is geen teken van leven, ze is een teken van de dood. Niet de dood als een natuurlijke overgang van de ene wereld naar de andere, maar de dood als een permanente toestand: een opgesloten zitten in een grensgebied waarvan de ritmische beweging verstard is tot een muur die de mens de toegang tot zowel de materiële als de geestelijke wereld ontzegt. De moderne mens wordt steeds meer tot een steen in die muur en hij beseft het niet. 

Je wordt dat wel gewoon, zei men toen we in Destelbergen kwamen wonen, na een tijdje hoor je dat lawaai niet meer! Wel, 21 jaar later hoor ik dat lawaai nog altijd, en zelfs beter dan ooit. Ik ben heus niet blind voor de schoonheid van het Damvalleimeer, maar ik kan en wil mijn oren niet sluiten voor het brullende ahrimanische monster dat zich achter die luciferische schoonheid verbergt. Wie hun eenheid gewoon wordt en hun discrepantie – zowel in de natuur als in de cultuur – niet langer opmerkt, bespaart zich ongetwijfeld veel ellende. Maar hij raakt wel ongemerkt in een materialistische coma: hij maakt geen onderscheid meer tussen de tegenpolen, hij probeert niet meer te pendelen tussen beide. Zijn ziel versteent. Hij herkent zichzelf niet meer in de spiegel van de wereld. Hij wordt een vreemde voor zichzelf.  

The day before

  
De Slag aan de Somme

Verwende kinderen

  
‘Jij en ik zijn verwende kinderen van de westerse naoorlogse generatie. We zijn opgegroeid met het idee dat het goed gaat met onze wereld. Maar terwijl wij hier in Europa in een langdurige welvarende comfortzone zaten, bleven mensen elders op aarde traumatische conflictervaringen over zich heen krijgen.’

(Joe Sacco)

Een huis denken

  
Terwijl wij nog altijd vergeefs naar een huis zoeken – in augustus moeten we eruit – is het huis naast ons verkocht aan een jong en sympathiek stel. We gaan de bovenverdieping bewoonbaar maken, vertelden ze, zodat we de benedenverdieping kunnen renoveren. Groot was dan ook mijn verbazing toen op een dag het hele dak afgebroken werd. Dat was trouwens niet het enige wat afgebroken werd. Er klonk aan de andere kant van de muur zo’n hels kabaal dat het hele huis er leek aan te gaan. Van gedacht veranderd? vroeg ik toen ik ze nog eens zag. De jongeman zuchtte. Hij hoefde niet meer te zeggen. Lijken in de kast! Om eerlijk te zijn: dat wens ik onze huiseigenaar ook toe als hij óns huis begint te renoveren. Om helemáál eerlijk te zijn: ik hoop dat het huis gewoon instort. Of dat het hem in ieder geval veel meer kost dan verwacht, zóveel als hij ons in de afgelopen 21 jaar onthouden heeft. 

Een voorbeeld. Toen de dakgoot naar beneden kwam, liet hij ze een half jaar op het trottoir liggen, in de hoop dat ik de klus wel zou klaren. Wel, ik heb die dakgoot daar láten liggen, in de hoop dat de politie op een dag zou aanbellen. Dat is helaas niet gebeurd. Uiteindelijk liet hij de zaak herstellen, maar dan wel op zo’n manier dat het water enkele jaren later langs de voorgevel naar beneden gutste als het regende. Dat doet het trouwens nog altijd, meer dan ooit zelfs. En dat is het enige wat hij in 21 jaar heeft laten herstellen. O ja, hij heeft ook nog eens een nieuwe boiler laten installeren nadat we gedreigd hadden naar de politie te stappen omdat niemand de oude wilde herstellen wegens te gevaarlijk. De volgende winter vroor het ding kapot en sindsdien zitten we zonder warm water. Aandringen heeft geen zin. ‘Als je wilt dat ik er iets aan doe, moet je maar naar de rechter stappen,’ is zijn reactie. 

Dat soort huisbaas is het dus en daarom wens ik hem toe dat hij flink zijn broek scheurt aan de renovatie van ‘ons’ huis. Als God onmiddellijk straft, dan is dit het moment om te laten zien dat er nog enige gerechtigheid bestaat. Tenzij ik natuurlijk die huisjesmelker in een vorig leven de duivel heb aangedaan. In dat geval hoop ik dat we eindelijk quitte staan en dat ik niet nog een derde keer zo’n straf moet uitzitten. Want in Melle – waar we 15 jaar gewoond hebben – was het nóg erger. Daar stroomde het water regelmatig van de trappen naar beneden. Nee, huisbazen – ik zeg niet dat men ze allemaal moet opknopen, maar een paar zou toch beslist geen kwaad kunnen. In ieder geval, als we dit keer een huis vinden dat de naam ‘huis’ verdient, dan is alles vergeten en vergeven. Ik ben te oud geworden om nog energie te verspillen aan wraakzucht. 

Maar dat wilde ik eigenlijk niet zeggen – ik werd gewoon overvallen door de bodemloze emoties die voor mij verbonden zijn met het begrip ‘huis’. Wat ik wél wilde zeggen is dat ik met bewondering sta te kijken naar die dakwerkers. En het zijn echte werkers, u weet wel, van die mannen met hun broek halverwege hun billen. Het lijkt me niet dat ze een blog bijhouden of op een andere manier veel tijd besteden aan nadenken. Maar … ze denken op een andere manier. Want om zo’n dak te kunnen bouwen, moet je echt wel kunnen denken (en bouwen op wat anderen vóór je gedacht hebben). Ik zou niet eens weten hoe ik eraan moest beginnen. Alleen al de idee zou voor mij ondenkbaar zijn. De uitvoering … ik mag er niet aan denken. Misschien is dat wel de reden waarom ik geen huis vind die naam waardig: ik kan het niet denken, ik kan me geen huis denken. God mag weten waarom.