Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Categorie: ik blog, dus ik ben

Allen daarheen!

Mensen die vinden dat er wat al te veel woorden staan op deze blog (iets wat ik niet zal tegenspreken) kunnen voortaan terecht op mijn andere blog lievendebrouwere.wordpress.com alwaar ik mijn beeldend werk, tekeningen vooral, aan het licht zal brengen. Men zegge het voort!  
  Dit ben ik dus, in illo tempore getekend door mijn leraar, Gilbert Van Hool

Advertenties

Problemen

Gisteren of eergisteren meldde ik dat mijn blogactiviteiten momenteel op een laag pitje staan omdat ik me moet voorbereiden op de Antroposofische Zomeruniversiteit waar ik zal spreken over oude en jonge zielen. Maar dat betekent natuurlijk niet dat ik u – bij wijze van interludium – niet af en toe kan verblijden met een tekening of een schilderijtje. Die mogelijkheid lijkt sinds vandaag echter niet meer te bestaan. Als ik een afbeelding wil uploaden wordt m’n hele WordPress-app ontoegankelijk. Ik kan er niks meer mee doen. Als ik iets aantik, verschijnt er een berichtje dat ik moet wachten tot het uploaden voltooid is. Maar een uur later is het nog altijd niet voltooid. Het is alsof een of andere hacker via die afbeelding de hele inhoud van m’n iPad aan het downloaden is. Ik kan de zaak alleen afbreken door m’n toestel helemaal uit te zetten en weer op te starten. Ik weet nu zelfs niet meer of ik nog teksten op m’n blog kan zetten, dat zal ik zo meteen gaan ondervinden. In ieder geval, als er helemaal niks meer verschijnt, dan weet u hoe het komt: technische problemen. En die kan ik zelf niet oplossen. 

Afwezigheidsbriefje

De lezer zal al wel gemerkt hebben dat er niet veel meer gebeurt op deze blog. Dat komt doordat ik me aan het voorbereiden ben op de 3 voordrachten die ik moet geven aan/op/tijdens de Antroposofische Zomeruniversiteit van dit jaar. Aangezien ik nog nooit in m’n leven een voordracht heb gegeven en niet wil afgaan als een gieter, ben ik al een paar maanden aan het oefenen en blijft er geen tijd of energie meer over voor Vijgen na Pasen. U zult dus wat geduld moeten oefenen. In augustus ben ik er weer, als ik de hele zaak tenminste overleef. Want op je 60ste debuteren met iets wat je als kind al de stuipen op het lijf joeg – optreden voor een publiek – het is niet niks, al zeg ik het zelf. Marktkramer worden was al een hele stap, maar spreker worden, da’s nog een stap verder. Ik verlang er al naar dat de hele zaak achter de rug is en mijn leven weer zijn normale slakkengang herneemt. 

  

Een nieuw masjien

Ik probeer mijn ‘nieuw masjien’, de iPad Air 2, een cadeautje van mijn goede vriendin Tina. Eigenlijk zou ik daar blij moeten mee zijn, maar dat ben ik niet. Ik háát veranderingen. Zo word ik door de nieuwe WordPress-app gedwongen om in een doorlopende tekst te schrijven. Ik kan m’n zinnen niet meer onder elkaar plaatsen, zoals ik het liefst doe. Ik heb alle icoontjes op m’n scherm uitgeprobeerd, maar dat had als enige resultaat dat ik m’n bericht publiceerde nog voor het geschreven was.

Ik heb geen keuze, ik zal er moeten aan wennen, want ik kan niet terugkeren naar pen en papier. Het idee alleen al! Zou er nog iemand zijn die dat doet: met de hand schrijven? Het is bijna een kunstvorm geworden. Zouden kinderen in iPadklassen überhaupt nog leren schrijven? Zullen ze later niet luid lachen met hun grootouders die op school nog met een pen op papier schreven? Of was het met een ganzenveer?

Ik vind het een fantastisch apparaat die iPad, dat heb ik al meer gezegd. Maar tegelijk vind ik het beangstigend dat er een generatie opgroeit die wellicht niet meer zal kunnen schrijven. Of rekenen. Of zelfs autorijden. Want steeds meer wordt overgenomen door machines. Mijn allereerste blogbericht ging over een meisje aan de kassa dat in lachen uitbarstte toen ik haar vroeg hoeveel keer 7 ook alweer in 59 ging (ik moest met maaltijdcheques betalen). ‘Zeg, ik heb geen rekenmachine in mijn hoofd hoor!’ Was zij een voorloper van generaties die … niks meer zullen kunnen? Behalve dan machines bedienen. 

Alles heeft natuurlijk zijn keerzijde. 

Als machines alles overnemen van de mens dan krijgen we juist de mogelijkheid om alles wat we vroeger MOESTEN doen, nu uit vrije wil te doen. We kunnen er met andere woorden een kunst van maken. Als we dat tenminste willen. Maar dan zullen we wel botsen met Ahriman die de mens tot slaaf van zijn machines wil maken. Hij is namelijk degene die via zijn technologie zegt: ‘Ik doe alles wat je wilt, als jij alles doet wat ik wil.’ Dat ondervind ik bij het uitproberen van mijn nieuwe iPad weer heel duidelijk: Ahriman opent tal van mogelijkheden, maar dan moet ik wel precies zijn instructies volgen, anders gebeurt er niks. Behalve dat ik me dood erger.

Happy Birthday

20140611-184118.jpg

Vanmiddag kreeg ik het bericht dat ik vandaag precies één jaar aan het bloggen ben.
In die tijd heb ik 637 berichten geplaatst, heb ik 16.745 bezoekers gehad, en zijn er 242 reacties verschenen.
Dat zijn geen indrukwekkende cijfers, maar in de geestelijke sfeer gaat het niet om kwantiteit maar om kwaliteit. Woeha!
Voor mij volstaat het alleszins.
Kunst en antroposofie zijn nu eenmaal geen onderwerpen waarmee je voetbalstadions vult.
Ik ben al heel blij dat mensen me blijven lezen.
Dat is beslist een stimulans.

Sinds ik half maart marktkramer ben geworden, heb ik niet meer zoveel tijd om te schrijven, maar de koek moet nu eenmaal gedeeld worden met het schilderen. Dat heb ik blijkbaar karmisch zo bepaald.
Ik heb nog altijd geen gezond evenwicht gevonden tussen die twee, maar ik blijf zoeken.

20140611-195441.jpg

Nog even een woordje over de geboortedag van deze blog.
11 juni is een bijzonder beweeglijke datum, samengesteld als hij is door Tweelingen en Maan.
Juni is namelijk Gemini-maand en het cijfer 2 (1+1) staat voor de Maan.
Dat kan wel kloppen met zowel vorm als inhoud van deze blog.
Tweelingen is verstand, Maan is gevoel.
Tweelingen is schrijven, Maan is beeld.
Spelende kinderen zijn een symbool van scheppen, de Maan van reflecteren.
Enzovoort.
Of de Mercurius van Tweelingen hier een boodschapper van de goden is, dan wel de god van de dieven laat ik aan uw oordeel over.

20140611-195649.jpg

Het koldereske stukje over duiveluitdrijvingen dat ik vandaag gepubliceerd heb (en dat overigens – als altijd – gebaseerd is op ware feiten) was al geschreven vóór ik mijn verjaardagswensen van WordPress ontving.
Of het iets te betekenen heeft dat ik uitgerekend dáármee mijn tweede blogjaar heb ingezet, weet ik niet. Maar het zou best kunnen.
Is antroposofie trouwens geen vorm van exorcisme?
Volgens Rudolf Steiner was de strijd met het kwaad DE opgave van onze tijd.
En zonder een beetje humor hou je die strijd niet vol.
Het feit dat ik na een jaar bloggen en roeren in allerlei stinkende potjes nog altijd kan lachen, stemt me hoopvol.
Ik zal die hoop trouwens nodig hebben, want morgen vat ik weer de strijd aan met een heel bijzondere duivel, een duivel die zich bezighoudt met … kunst en antroposofie.
U raadt het al: Joseph Beuys staat weer op het menu.

20140611-195918.jpg

Ik hoor lezers al zuchten en kreunen: daar IS hij weer! Hoelang gaat dat nog duren?
Wel, tot ik deze duivel-met-de-hoed uitgedreven heb.
Of beter: tot ik hem zijn geheim ontfutseld heb.
Want zomaar duivels uitdrijven, is de antroposofische regel niet.
Daarvoor moet je bij de paters van Averbode zijn.
Of bij duurdere en kleurrijker exorcisten.
Antroposofen willen hun duivels niet uitdrijven (want dan gaan ze gewoon andere en zwakkere mensen kwellen), ze willen die duivels verlossen, ze willen hen ontheffen van hun taak, ze willen hen weer veranderen in engelen.
Als ik aan de Beuysduivel denk, dan zal ik nog véél werk hebben.
Maar ik leer bij.
Iedere dag opnieuw.

En ik hoop van u hetzelfde.
Prosit!

20140611-200914.jpg

Voor 2014: meer van hetzelfde!

20131231-123608.jpg

Eindejaar is traditioneel een tijd van moeten, van sociale verplichtingen, van niet-anders-kunnen-dan.
Maar het is bijna voorbij.
Nog even doorbijten en dan breekt het nieuwe jaar aan, waarin alles precies zo zal zijn als dit jaar.
Dat komt er namelijk van als je je voorneemt het anders te zullen doen, je leven te beteren en de wereld te veranderen: het draait altijd averechts uit.
Hoe dat komt?
Wel, beneden (waar ze moeten uitvoeren wat boven beslist wordt) denken ze: dat zullen we nog wel eens zien!
En ze doen precies het omgekeerde.
Boven denken ze dan: wel verdorie, we hadden nog zo gezegd dat het anders moest! Die van beneden hebben het weer niet begrepen!
Maar die-van-beneden lachen zich natuurlijk een breuk om al die verontwaardiging.
En die-van-boven begrijpen er niks van: ze hadden het zo goed bedoeld!

Jaja, dat spelletje kan lang blijven duren.

Tot boven er depressief van wordt en beneden er geen pret meer aan beleeft.
Dan is het moment gekomen om iets te veranderen.
Wel, ik denk dat dat moment gekomen is.
Het moet anders.
Daarom heb ik me vast voorgenomen om in 2014 niks te veranderen, om precies hetzelfde te doen als in 2013.
Maar nee, dat voornemen is er te veel aan.
Ook dát moet veranderen.
Ik neem mij dus heel stellig NIKS voor.
Ik zie wel wat er komt.
Dat is mijn blogjob: zien wat er komt.
Ik werk met mijn hoofd, en het is niet de taak van het hoofd om voornemens te maken en die-van-beneden te vertellen wat ze moeten doen.
Dat was vroeger misschien zo, maar nu niet meer.
Het is nu de taak van het hoofd om te ZIEN wat die-van-beneden allemaal uitspoken.
Niet meer, maar ook niet minder.

Dat wens ik dus, op deze laatste dag van het 13de jaar van het 2de millennium na Ons Heerke, aan al mijn lezers en lezeressen.
Aan die-van-boven: geen goede voornemens, maar wél een goed uitzicht!
Aan die-van-beneden: luister niet naar die-van-boven, maar laat ze wel kijken!

En wie weet begint er dan in het midden, tussen beiden, een lichtje te branden.

Laat het dus aan uw hart komen in 2014!

20131231-130936.jpg

Moedermoed

Het internet is een wonderlijke, subversieve wereld die door deskundigen, experts, gediplomeerden, leidinggevenden, schrijvers, journalisten, politici – kortom de hele intelligentsia – met onverholen wantrouwen en afkeer wordt bekeken.
Het is een wereld waar mensen woord en beeld gebruiken zonder daartoe ‘geautoriseerd’ te zijn, dat wil zeggen zonder dat ze daarvoor toelating gevraagd of gekregen hebben van een of andere autoriteit.
Ze handelen met andere woorden op eigen gezag.

Het internet is een beeld van een wereld waar langzaam maar zeker een geweldige revolutie plaatsgrijpt: het gezag verplaatst zich van buiten naar binnen.
De autoriteiten zijn niet langer de deskundigen en de machthebbers die van buitenaf hun weten en hun wil aan de bevolking opleggen.
De autoriteiten zijn vandaag de individuele mensen zelf, die vanuit eigen inzicht en vrije wil handelen.
En dat is een omkering zoals de wereld die nog nooit gezien heeft.
Daarom kunnen we met recht zeggen dat we leven op het keerpunt der tijden.

Sinds oeroude tijden werd de mensheid geleid door goden, koningen, priesters, stamhoofden en ingewijden.
In de 20ste eeuw is daar verandering in gekomen, een drastische verandering, een totale ommekeer: de mens, de gewone mens, het volk leidt nu zichzelf.
Jan-met-de-pet is koning geworden.
En de koning is dienaar geworden (minister in ’t latijn).
Democratisering heet dat.
Het volk regeert.

20131216-164209.jpg

Het internet is een uitdrukking van de democratische geest.
Dat is ook de reden waarom het zoveel weerstand oproept bij de intelligentsia.
Het is een wereld die aan hun controle ontsnapt, een wereld die hun autoriteit niet erkent, een wereld die hen … overbodig maakt.
Dat laatste is natuurlijk niet waar.
Intellectuelen zijn nog altijd nodig, maar niet meer als autoriteit, wel als gesprekspartner.
Ze worden op het internet niet geweerd, maar ze moeten zichzelf wel bewijzen.
Ze kunnen niet meer steunen op het gezag van diploma’s, titels, instituten of overheden.
En dat is misschien wel het grootste probleem: het gezag van de moderne intellectueel is een extern gezag, niet alleen ten opzichte van anderen maar ook ten opzichte van hemzelf.
Het duidelijkst valt dat af te lezen aan de computer, dezelfde computer die ook het internet mogelijk maakt.
Een intellectueel is vandaag niks meer zonder computer.
Niet alleen slaat de computer alle informatie op, maar hij voert ook de berekeningen uit die zo’n grote rol spelen in moderne wetenschappelijk onderzoek.
Wat gebeurt er nu als die computer uitvalt?
Dan valt ook de intellectueel uit.
Hij is nergens meer.

Vroeger had je de wereldvreemde professor, die een autoriteit was op zijn vakgebied maar niet in staat was om koffie te zetten of twee dezelfde sokken aan te trekken.
Vandaag zijn professors jong, hip, cool, en volkomen bij de tijd.
Althans zo lijkt het, want in werkelijkheid zijn ze nog veel wereldvreemder dan hun oude mentors.
Rudolf Steiner gebruikt in dit verband het volgende beeld.
De moderne mens, zegt hij, denkt alleen nog met zijn hoofd, en zelfs dat niet.
Hij denkt eigenlijk met zijn haar, en tegen zijn dertigste is hij dat kwijt.
Het moderne intellect, voegt hij eraan toe, is een machine die vanzelf draait, los van de mens.

De moderne intellectueel is iemand die uiterlijk gezien deel uitmaakt van ‘het volk’, maar innerlijk staat hij er volkomen los van.
Hij staat zelfs los van zichzelf.
Hij is een soort computer geworden: trek de stekker eruit en je kunt niks meer met hem aanvangen.
De moderne intellectueel is het meest hulpeloze wezen dat men zich kan voorstellen.
Hij zweeft in een baan rond de aarde en als er iets mis gaat in Houston verdwijnt hij in het Grote Niets.
Diep van binnen weet hij dat.
Daarom klampt hij zich wanhopig vast aan zijn (tot schijn geworden) autoriteit.
Daarom spuwt hij zijn gal op het internet, op al die mensen die wél nog op aarde leven en vanuit die aardse werkelijkheid schrijven en nadenken.

20131216-165219.jpg

In de 20ste eeuw wordt het denken als het ware opnieuw uitgevonden.
Terwijl het intellectuele denken zo’n grote hoogten bereikt dat het helemaal abstract wordt en vervluchtigt tot pure schijn, ontstaat er van onderen af een heel ander soort denken, een denken vanuit de onderbuik zeg maar.
Het is een verward, onbeholpen en kinderlijk denken, maar het is wel concreet, persoonlijk en zelfs intiem.
Het stelt nog niks voor vergeleken met het machtige, vanuit indrukwekkende instituten en universiteiten opererende intellectuele denken.
Maar het bezit iets wat het Grote Denken niet meer bezit: vrijheid.

Aan de ene kant is er dus de officiële denkwereld: een buitengewoon machtige wereld die zorgvuldig behoed wordt in universiteiten, scholen, instituten, instellingen, enzovoort. Aan dit officiële denken – het objectieve, wetenschappelijke denken – moet ieder modern mens zich van kindsbeen af onderwerpen, middels een doorgedreven training van minstens 15 jaar.
Niets heeft ooit zo’n macht over de mens uitgeoefend als dit objectieve, intellectuele, autoritaire denken.
En tegen deze enorme machtsontplooiing treedt een bijna kinderachtig denken in het gelid, het stuntelige denken van de gewone mens, die na (of tijdens) zijn werk op zijn computer wat zit te bloggen, te mailen, te facebooken, te twitteren of wat dan ook.
Dit ontkiemende denken ontwikkelt zich via ontelbare pogingen om eenvoudige dingen te verwoorden en in beeld te brengen. Het zijn vaak aandoenlijke, soms ronduit zielige of zelfs weerzinwekkende en een enkele keer ook zeer verdienstelijke pogingen, maar ze worden dagelijks over de hele wereld door miljoenen mensen herhaald.
En dát is een lilliputtermacht waarvoor de intellectuele Gulliver zeer bevreesd is.

20131216-165414.jpg

Aanleiding tot deze inleiding was één enkel druppeltje in die oceaan van het internet, één enkele blog onder de miljoenen die in de virtuele ruimte cirkelen.
Het is – houd u vast – een huismoederblog.
Er bestaan tegenwoordig talloze blogs waarop huismoeders in woord en beeld vertellen over hun kinderen, over hun huis, over hun kinderen, over een nieuw recept, over hun kinderen, over een mooi stofje, over hun kinderen, over een kleedje dat ze genaaid hebben, en natuurlijk ook over hun kinderen.
Het is niet het soort blogs waar mijn belangstelling naar uitgaat, wel integendeel.
Als man ervaar ik die huismoederwereld als verstikkend.
Wanneer ik erin terechtkom, heb ik iets van: help, laat mij eruit, ik wil naar buiten, ik heb lucht nodig!
Nadien ben ik natuurlijk blij dat ik weer naar binnen kan, en dat die knusse, warme, gezellige huismoederwereld bestaat.
Maar er moet afwisseling zijn, anders houd ik het niet vol.
Noch in die oervrouwelijke wereld, noch in de oermannelijke wereld kan ik ademen.
Alleen waar ze elkaar raken en bevruchten, krijg ik lucht.

U ziet wellicht het verband al.

De almachtige intellectuele wereld die vandaag de mensheid in zijn ijzeren greep houdt, is een extreem-mannelijke wereld, een hoofd-zonder-lichaam.
Het is de wereld van het verleden, de wereld van het Duistere Tijdperk, van de verafgoding van de man en de onderdrukking van de vrouw.
Deze wereld is passé en hij beseft het: daarom laat hij zijn tanden zien en brult als een dinosaurus.
De tegenstander van deze kwaadaardig geworden mannenwereld, is de extreem-vrouwelijke wereld die langzaam en onopgemerkt het heft overneemt.

We zien die wereld bijvoorbeeld aan het werk in het onderwijs, waar vrouwen geleidelijk de plaats van de mannen hebben ingenomen. Zonder dat iemand het goed en wel besefte, zijn de mannen nagenoeg verdwenen uit het onderwijs.
In televisie-series duiken steeds meer sterke vrouwen op die mannen de loef afsteken en in soaps komen de mannen er nog bekaaider vanaf.
Ook in familieverband merk je dat vrouwen de fakkel van de mannen hebben overgenomen.
Misschien is mijn eigen familie niet representatief, maar het aantal keren dat er tijdens de familiefeestjes van de afgelopen 30 jaar over politiek werd gesproken, kan ik op de vingers van één hand tellen. Het is absoluut not done in mijn familie om over politiek en andere ‘mannelijke’ onderwerpen te spreken. De vrouwelijke familieleden houden streng de hand aan dat taboe. Ze doen dat op hun eigen vrouwelijke manier: door luidruchtig af te ruimen, door het gespreksonderwerp te veranderen, door een wandeling voor te stellen, of een enkele keer zelfs door te zeggen: moet het nu echt áltijd over politiek gaan?
Nee, als de familie samen is, wordt er alleen over familie gesproken.
En uiteraard is het ondenkbaar dat ‘de mannen’ zich, zoals vroeger, zouden afzonderen met sigaren en geestrijke dranken.
Zou die familie van mij een uitzondering zijn?
Ik betwijfel het.
In de moderne familie zwaait niet langer de pater maar de mater familias de plak.
En die moderne familie is een beeld van de moderne maatschappij.

Het feit dat familiefeestjes vaak geestdodende aangelegenheden zijn waar ieder ‘mannelijk’ gesprek deskundig (sic) de grond wordt ingeboord, weerspiegelt alleen maar de geestdodende mater-ialistische moderne wereld waarin we leven.

De revolutionaire omkering die vandaag in de wereld plaatsgrijpt, is op zich dus geen vooruitgang, wel integendeel.
Maar het is wel een mógelijkheid tot vooruitgang, een kans.

20131216-165652.jpg

Er grijpt een machtswissel plaats: vrouwen nemen de leiding over van mannen, het volk wil in plaats van de leiders regeren, de buik neemt het over van het hoofd, kwantiteit komt in plaats van kwaliteit, onder vervangt boven, enzovoort.
Beide polen staan momenteel op ieder gebied als gelijken tegenover elkaar.
Voor het eerst in de geschiedenis.
Dat heeft de enorme spanningen tot gevolg die we allemaal kennen.
Maar die spanningen kunnen niet blijven duren, want ze putten onszelf en de wereld uit.
Het kan dus twee kanten uit: ofwel ontaarden de spanningen in geweld (en dat is helaas de regel) ofwel ontstaat er uit die spanningen iets nieuws.
Om in de sfeer van man en vrouw te blijven: ofwel escaleert la guerre des sexes, ofwel wordt er … een kind geboren.
Ofwel wordt het dualisme steeds extremer, ofwel verandert het in een driegeleding: man, vrouw en kind, in plaats van alleen maar man en vrouw.

Uiteraard is die intense spanning tussen de mannelijke en de vrouwelijke wereld niet zomaar ontstaan. Uit de antroposofie weten we dat een kind zijn ouders kiest, meer zelfs: dat het zijn ouders bij elkaar brengt.
Achter het feit dat man en vrouw vandaag als gelijken tegenover elkaar staan, verbergt zich de komst van een kind, een mensheidskind dat wil geboren worden en daarom zijn ‘ouders’ bij elkaar brengt.
Die ouders zijn uiterst verschillend, want tijdens het voorbije Duistere Tijdperk hebben ze zich in en door tegenstelling tot elkaar ontwikkeld.
Er heeft zich tussen hen een enorme, bijna kosmische antipathie opgestapeld die zich nu tot intense afkeer en haat ontwikkelt, juist doordat ‘het kind’ hen onweerstaanbaar naar elkaar toe drijft.
De intense spanningen die vandaag wereldwijd heersen tussen tegengestelde werelden, culturen, volkeren, groepen, ideologieën en noem maar op, worden veroorzaakt door een soort kosmische eros: de wereld verkeert in een staat van sexuele opwinding.

Geen wonder dat de aarde opwarmt.

Maar die Global Warming is niet het grootste probleem, ofschoon ze de mens tot daden kan brengen waartoe hij zich niet in staat achtte.
Nee, het grootste probleem is de Global Freezing die zal volgen als er uit het samenkomen van de tegenpolen geen kind geboren wordt, een kind dat van man en vrouw een vader en een moeder zal maken, twee mensen dus die een gemeenschappelijk doel hebben.
Zonder dat kind zullen man en vrouw – lees: alle tegengestelde werelden – in een kille, zelfvernietigende strijd verwikkeld raken, een kosmische broedertwist, een mondiale burgeroorlog: de strijd-van-allen-tegen-allen waarvoor Rudolf Steiner waarschuwde.

20131216-170000.jpg

De intense spanningen die in de huidige wereld heersen en die (in letterlijke en figuurlijke zin) een Global Warming veroorzaken, zijn van buitenaf gezien een schouwspel dat – zoals iedere sexuele daad – afkeer oproept.
Van binnenuit worden ze echter als een genot beleefd door degenen die er munt uit slaan.
Dat genot herkennen we in de media die als roofdieren op de loer liggen om ieder vonkje op te blazen tot een laaiend vuur.
We herkennen het in de gloeiende verontwaardiging waar tal van minderheidsorganisaties hun broodwinning van gemaakt hebben.
We herkennen het in de wederzijdse beschuldigingen tussen links en rechts.
We herkennen het in de wraakzucht van volkeren of rassen of groepen die in het verleden slachtoffer zijn geweest.
We herkennen het in het moderne taalgebruik met al zijn ingebouwde agressiviteit.
We herkennen het in al die heftige emoties waar tomeloos in gezwelgd wordt.

Enerzijds leven we in een kille, intellectualistische tijd, anderzijds in een tijd van tomeloos genot.
Een hoofdtijd en een buiktijd.
En daartussen is er niets.
In het midden gaapt een groot zwart gat.
Het is de leegte die we allemaal in ons dragen, een duistere, knagende, zuigende leegte.
Maar juist dat zwarte gat biedt ons de mogelijkheid die we als mens nog nooit hebben gehad.
De mogelijkheid dat er ‘uit het niets’ iets nieuws ontstaat.
De mogelijkheid dat in die duisternis een nieuw licht gaat schijnen.
De mogelijkheid dat er een kind geboren wordt.

Maar dit ‘geestelijke’ kind komt er alleen als wij dat willen.
Als we de kans grijpen die ons geboden wordt.
Deze unieke once-in-a-lifetime kans.

20131216-170128.jpg

En daarmee keer ik terug naar ‘Maandagdaandag’, de huismoederblog waarover ik het hierboven had.
Deze blog is mijns inziens een voorbeeld van een kans die gegrepen wordt.
Het is een blog die bijna uitsluitend bestaat uit foto’s van de vier ‘Rotjes’, de kinderen van Jan en Daan Rot.
Af en toe staan er een paar woorden commentaar bij, maar heel summier.
‘Maandagdaandag’ is een blog over kinderen.
Spelende kinderen.
Knutselende kinderen.
Slapende kinderen.
Kinderen in bad.
Kinderen in de tuin.
Kinderen op stap.
Kinderen verkleed.
Kinderen aan tafel.
Altijd weer diezelfde vier kinderen.
Dag in dag uit.
Week in week uit.
En dat al vijf jaar aan een stuk.

Kan het huiselijker? Kan het moederlijker?

Maar ‘Maandagdaandag’ gaat niet alleen over de kinderen van Daan Rot.
Deze blog gaat ook over ‘het kind’.
Hij gaat over het kinderlijke in de ruimste zin.

Wat deze oervrouwelijke blog verteerbaar maakt, is dat tikkeltje mannelijkheid, dat snuifje zout in de zoete pap.
Daan Rot zwelgt niet in haar moeder-zijn, ze kijkt er met een ironisch oog (en een camera) naar.
En juist die mannelijke ironie – ironie is altijd mannelijk – is de zuurdesem die het moederdeeg doet rijzen.
Zij maakt het huismoederlijke luchtig en verteerbaar.
Zij maakt het vrouwelijke, dat de neiging heeft om zich af te sluiten en een wereld op zichzelf te vormen, toegankelijk.

20131216-170334.jpg

Deze ‘ontsluiting’ van het vrouwelijke heeft een naam: kunst.
‘Maandagdaandag’ is een kunstzinnige blog.
Het is natuurlijk geen grote kunst.
Het is kleine kunst.
Het is kinderlijke kunst.
Maar juist daardoor kan ze de baarmoeder zijn waarin ‘het kind’ kan groeien, of – om in de kerststemming te blijven – de kribbe waarin het kerstekind kan gelegd worden.
Want het grote Kosmische Kind dat in onze tijd wil geboren worden, kan alleen ontvangen worden in een kunstzinnige omgeving, een omgeving waarin het vrouwelijke bevrucht wordt door het mannelijke.
Net als 2000 jaar geleden wordt dit mensheidskind niet geboren in een paleis van goud en marmer, maar in een donkere grot, in een stal.
Het is dus niet in de Grote Kunst dat we het moeten zoeken, maar in de kleine kunst, het soort kunst waar kenners en intellectuelen de neus voor ophalen.

De kleine, kinderlijke kunst van ‘Maandagdaandag’ verovert je hart (de blog is naar verluidt heel populair in Nederland) maar om dat kinderlijke in woorden en begrippen te vatten, is een ander paar mouwen. En toch wil ‘het kind’ begrepen worden. Het wijst het intellect niet af, integendeel. Het nodigt het uit de wereld van de moeders te betreden, zoals Goethe het noemde.
En op die uitnodiging ga ik hier in, zo goed en zo kwaad als het gaat.

20131216-170512.jpg

In ‘Maandagdaandag’ is niet alleen de vorm kunstzinnig, maar ook de inhoud.
En dat maakt deze blog tot hedendaagse kunst.
Maar het is een heel ander soort hedendaagse kunst dan de officiële hedendaagse Grote Kunst.

Deze laatste sluit zich af voor de buitenwereld en plooit zich terug op zichzelf.
Schrijvers schrijven over het schrijven.
Schilders schilderen het schilderen.
De kunst keert zich als het ware binnenstebuiten: ze neemt zichzelf tot onderwerp.
Daardoor wordt ze in hoge mate ontoegankelijk.
Hedendaagse kunst is dan ook kunst voor insiders.
Het is een hermetische, ontoegankelijke kunst.
Ze heeft het verstikkende karakter van het oervrouwelijke.
Want er ontbreekt één ding, en wel het belangrijkste: het kind.
De Hedendaagse Kunst is onvruchtbaar.
Zij bestaat uit vrouwelijkheid die niet bevrucht wordt door het mannelijke.
Er is nochtans heel wat mannelijkheid in de Hedendaagse Kunst.
Nog nooit zijn kunstenaars zo intellectueel geweest.
Nog nooit heeft een kunst zo in de belangstelling gestaan bij de intelligentsia.
Nog nooit is er zo nagedacht en geschreven over kunst.
Maar dit extreem-mannelijke denken is niet bij machte door te dringen in de extreem-vrouwelijke wereld van de kunst en deze te bevruchten.
Het is impotent.

De Hedendaagse Kunst is een getrouw beeld van onze tijd.
Aan de ene kant een verstikkende, onvruchtbare vrouwelijkheid.
Aan de andere kant een agressieve, impotente mannelijkheid.
En daartussen een gapende leegte.
De Hedendaagse Kunst is een beeld van de oeverloze guerre des sexes waarin de wereld verzeild dreigt te raken omdat er uit al die opwinding geen kind voortkomt.

Binnenkort viert de Hedendaagse Kunst haar 100-jarig bestaan, en al die tijd heeft ze niets nieuws voortgebracht. Ze heeft de wereld alleen overspoeld met een eindeloze stroom variaties op het pispot-thema van Marcel Duchamp.
In feite doet ze net hetzelfde als de hedendaagse wetenschap: zichzelf klonen.
Zoals het intellect zich heeft losgemaakt van de mens en zijn eigen gang gaat, zo is ook de scheppingskracht onmenselijk geworden.

20131216-170815.jpg

Vergelijken we deze Grote Kunst nu eens met de kleine kunst van ‘Maandagdaandag’.
Ook hier hebben we dat oervrouwelijke gebaar: het zich terugplooien op zichzelf, op de eigen kleine binnenwereld.
Ook hier heeft de kunst zichzelf tot onderwerp.
Maar dat onderwerp is niet de oude, klassieke kunst die beelden maakte van de werkelijkheid.
Het onderwerp van ‘Maandagdaandag’ is een nieuwe kunst, een kunst die beelden maakt IN de werkelijkheid, een levende kunst.
Het onderwerp van deze blog(kunst) is het gezin van Daan Rot.
En dat gezin is een kunstwerk, een kunstwerk dat tegelijk werkelijkheid is.

De Hedendaagse Kunst stelt zichzelf voor als een buitengewoon subversieve kunst, een kunst die zowat synoniem is met maatschappijkritiek, een kunst die de mens wil doen nadenken, die hem wakker wil schudden.
Dat is natuurlijk een lachertje.
De Hedendaagse Kunst is gewoon de ‘art pompier’ van deze tijd.
Ze zou heus niet gesubsidieerd en gepromoot worden door de overheid als ze subversief was.
Nee, wie echte subversieve kunst wil zien, moet maar eens een kijkje nemen op ‘Maandagdaandag’.
Dat is pas kunst die tegen de stroom in roeit.
Ze wordt namelijk gemaakt door een huismoeder, dat wil zeggen door een-vrouw-die-niet-gaat-werken, waarschijnlijk zelfs een-vrouw-die-niet-WIL-gaan-werken.

Ik weet niet hoe het in Nederland is, maar hier in België is dat nog net niet strafbaar.
Een moderne, hedendaagse vrouw gaat nu eenmaal werken.
Die laat zich niet ringeloren door de mannen.
Die gaat met hen in competitie.
Die laat zien dat ze haar mannetje kan staan.
Die maakt carrière.
Die eist bonussen en quota.

En om te laten zien hoe superieur ze is, doet ze er nog haar gezin bij ook.

Wat ze op haar curriculum vitae waarschijnlijk niet vermeldt, is dat haar gezin niet bepaald een kunstwerk is.
Maar wie maalt daar om!
Een tijd die ‘kinderloze’ kunst verafgoodt, ziet heus geen graten in een gezin waar de kinderen op de derde plaats komen, wel integendeel.

Een gezin tot kunstwerk maken, is zwaar werk.
Dat kun je er niet eventjes bij doen.
Daarvoor moet je thuis blijven.
En dat is een subversieve daad.
Het is een daad van verzet tegen een wereld die het kind afwijst.
Een wereld als een propvolle herberg waar geen plaats meer is.

20131216-170952.jpg

Toen ik verleden week grasduinde in de foto’s van het Rotgezin, dacht ik bij mezelf: die kinderen hebben het verdorie getroffen!
Dat was trouwens de aanleiding tot bovenstaande, enigszins uit de hand gelopen inleiding.
De Rotjes leiden een soort … Astrid-Lindgrenleventje.
Elvis, Rover, Wolf en Maantje Piet herinneren me aan de vrolijke, olijke kinderen van het eiland Zeekraai, de beroemde tv-serie uit de jaren ’70.
En dat is geen onverdeeld aangename herinnering.
Ik heb die serie op dvd, maar ik durf er bijna niet naar kijken, zo hartverscheurend is het om naar die beelden van een kinderparadijs te kijken en dan te denken aan het leven dat de meeste kinderen vandaag hebben.

In de jaren ’60 en ’70 van de vorige eeuw was gezinskunst al even verachtelijk als klassieke kunst.
Een moeder die thuis bleef om voor haar gezin te zorgen, was een seut, een beklagenswaardig wezen, een vrouwelijke dinosaurus.
Wat vroeger de oude vrijsters waren, dat waren toen de huismoeders.
Een beetje vrouw wierp zich met uitgestoken klauwen in la guerre des sexes, in the struggle for life, in the survival of the fittest.
Ze ging studeren, ze ging werken, ze maakte carrière.

20131216-171120.jpg

Niemand zal mij horen zeggen dat de vrouwenemancipatie niet nodig was.
Ze was even nodig als de emancipatie van de gewone man, de arbeider.
Allebei, man en vrouw, werden in de 19de eeuw zowat verpletterd onder het autoritaire gewicht van de macht.
Vandaag hebben ze zich allebei ‘geëmancipeerd’, maar er is één lid van de familie dat nog niet geëmancipeerd is: het kind.
De man heeft zich bevrijd van het juk van de armoede.
De vrouw heeft zich bevrijd van het juk van de man.
Maar het kind moet nog bevrijd worden van het juk van … ja, van wat?

Een paar maanden na zijn geboorte moet het naar de crèche.
Een tijdje later gaat het naar de kinderopvang.
Daarna naar de peuterklas.
Dan naar de kleuterklas.
Daarna volgt de lagere school.
De middelbare school.
De hogeschool.
De avondschool.
Vrijwel vanaf zijn geboorte tot aan zijn volwassenheid wordt het kind uitbesteed aan … deskundigen, professionele opvoeders, intellectuelen.
En die intellectuelen wijzen iedere persoonlijke band met het kind af.
Alles moet volgens objectieve, wetenschappelijke normen en voorschriften verlopen.
Zo wordt het kind stelselmatig losgemaakt van zichzelf en veranderd in een … intellectueel, een wandelend brein, klaar om in de virtuele ruimte te worden gelanceerd.
En de rest van het kind, het eigenlijke kind, wat gebeurt daarmee?
Dat moet het stellen met wat kruimeltjes: een vriendelijk woord van mama ’s avonds, of een spelletje met papa in het weekend, of wat stoeien met vriendjes als er even tijd is.

20131216-171237.jpg

Geleidelijk wordt de honger echter zo groot dat het kind ziek wordt, of agressief, of depressief, of andere vormen van ‘afwijkend gedrag’ gaat vertonen.
En dan krijgt het pillen, pillen die helpen, maar waarvan niemand eigenlijk weet wat ze met een mens doen.

Man en vrouw zijn in de 20ste eeuw opgestaan tegen het uiterlijke gezag: ze hebben hun leven in eigen handen genomen.
Dat was een revolutie zonder weerga.
Maar het juk waarvan man en vrouw zich bevrijd hebben, rust nu op de schouders van het kind.
De emancipatie van de mens is nog niet voltooid.
Ze dreigt zelfs in haar tegendeel te keren.
Want de motor van die hele bevrijdingsbeweging – het kind – wordt niet erkend.
De democratisering die hele wereld heeft aangestoken, dreigt te ontaarden in een mondiale dictatuur omdat het wezen ervan – het kind-in-de-mens – niet wordt gezien.
Het wordt door de hedendaagse intelligentsia zelfs in alle toonaarden ontkend.
De mens, beweert zij, is geen scheppende geest die alsmaar wil groeien.
Hij is een brein, een paar pond hersenen, een computer die steeds weer dezelfde bewerkingen herhaalt.

20131216-171351.jpg

Een blog als ‘Maandagdaandag’ is zo subversief omdat hij haaks staat op het agressieve intellectualisme van de hedendaagse gezagsdragers, die kinderen liefst al van in de baarmoeder zouden willen vormen naar hun beeld en gelijkenis.
Er is niks agressiefs of intellectueels aan deze blog.
Maar hij is evenmin naïef of dromerig.
Iets zegt mij dat Daan Rot heel goed weet wat ze doet.
Iets zegt mij ook dat ze hard moet werken om van haar gezin een kunstwerk te maken.
En iets zegt mij ook dat haar blog daarin een cruciale rol speelt.

De nieuwe kunst – de échte hedendaagse kunst – wordt in toenemende mate IN de werkelijkheid geschapen, en niet erbuiten, in de tentoonstellingszalen en musea van de kunstwereld.
Maar dat heeft tot gevolg dat de nieuwe kunst nauwelijks kijkers heeft, want alle ogen zijn nog altijd gericht op de oude, decadent geworden kunstwereld.
Kunst wil echter gezien worden.
Kunstenaars hebben kijkers nodig.
Het moet voor een moderne vrouw niet eenvoudig zijn om thuis te blijven en je helemaal aan je gezin te wijden. Want in deze tijd betekent dat: isolement, vereenzaming, niet-gezien-worden.
En hier speelt het internet zijn rol als reddende engel: je kunt thuis blijven en toch gezien worden.

Daan Rot is in Nederland een bekende blogster.
Zij tilt het bloggen op een artistiek niveau, en zij doet dat met beide voeten stevig in de werkelijkheid geplant. Want wat is er in deze tijd werkelijker dan een gezin, en wat is er in een gezin werkelijker dan het kind.
Zij doet dus precies het omgekeerde van wat de Hedendaagse Kunst met grote K doet.

Daan Rot tilt ook haar gezin op een artistiek niveau, en zij doet dat bewust.
Zij plaatst ‘het kind’ in het centrum van haar leven, en zij doet dat uit vrije wil.
Ook hier doet zij precies het omgekeerde van wat verwacht wordt van de Hedendaagse Vrouw met een grote V.

En daar is moed voor nodig.
Moedermoed.
De moed om het op te nemen voor het kind.

20131216-171504.jpg

De engel van het heden

Toen ik vier maanden geleden begon te bloggen, stond ik ervan te kijken hoe vlot dat ging.
Ik begon ’s morgens vroeg aan een bericht, en tegen de middag was ik klaar.
Mooi afgerond, eindigend waar het begonnen was.
Zoals het hoort voor een levende tekst.
Het kostte me nauwelijks moeite.
Het ging bijna vanzelf.

Dat was vroeger wel even anders.
Toen ik 21 jaar geleden begon te schrijven, moest ik het nog leren.
Buiten een occasionele brief had ik nooit iets geschreven.
Ik had er niet de minste ambitie voor.
Ik was een tekenaar, geen schrijver.
Ik dacht wel veel na, maar dat denken had geen enkele vorm.
Het was meer dromen dan denken.
Ik kon geen uitdrukking geven aan de ideeën die in mijn hoofd gonsden als een zwerm bijen.

Ik wilde dat ook niet.

Wanneer ik tekende, wilde ik helemaal niet denken, althans niet bewust.
Want tekenen is in feite een soort toegepaste meetkunde.
Je leert het door alles te herleiden tot abstracte vormen.
En daarmee bouw je de wereld dan weer op.
Analyseren en synthetiseren, daar komt het op neer.
Tekenen is dus wel degelijk een vorm van denken.
Maar om levende tekeningen te kunnen maken, moet het (abstracte, wiskundige) denken er helemaal in onderduiken.
Het moet weer uit het bewustzijn verdwijnen.

20131018-161916.jpg

Ik herinner me nog dat ik eens op bezoek was bij René Smits, de beeldhouwer.
Hij toonde mij een tekening en vertelde me dat hij de mouw van het model niet goed kreeg.
Hoe zou jij dat oplossen?, vroeg hij me.
Ik keek hem enigszins verbijsterd aan en zei: René, ik heb geen flauw idee.
Ik besefte toen voor het eerst dat ik nooit bewust nadenk als ik teken.
Ik laat geen enkele gedachte toe.
Ik handel louter instinctief.

Dat doe ik trouwens ook als ik naar kunst kijk.
Ik laat geen enkele bewuste gedachte toe.
Behalve één: het is goed of slecht.
Dat wil niet zeggen dat ik niet nadenk als ik kijk.
Ik denk zelfs heel intens na.
Maar het is geen bewust denken.
Het is een halfbewust, dromerig denkproces dat pas aan het eind tot bewustzijn komt in de vorm van een oordeel.

Toen ik begon te schrijven, keerde alles om.
Ik begon nu bewust na te denken.
Want dat is wat schrijven voor mij is: bewust nadenken.
Als ik niet schrijf, kan ik niet bewust nadenken.
Het blijft dan bij verward dromen.
Mijn hoofd is dan als een boom vol kwetterende vogels die van de ene tak op de andere springen. Of als een speelplaats vol kinderen die uitgelaten roepend door elkaar lopen.
Uiterst levendig, maar uiterst verward.
Bewust, schrijvend denken is voor mij als luiden met de schoolbel en roepen: allemaal mooi op een rij komen staan, klas per klas!
Aangezien het mij aan alle gezag ontbreekt, heb ik de grootste moeite om orde te scheppen in mijn gedachten.
Het zijn er teveel en ze spelen te wild.
Ik krijg ze niet getemd, ik krijg ze niet op een rijtje.
Althans niet voor lang.
Altijd is er weer eentje dat de rangen verbreekt en de rest met zich meesleurt.
En mijn teksten eindigen altijd zoals ze begonnen: als een speelplaats vol wild rennende kinderen.

Mijn probleem met schrijven is niet de inhoud.
Ik heb ideeën genoeg.
Een hele speelplaats vol, en er komen er alsmaar bij.
Nee, het probleem is de vorm.
Ik kan geen orde scheppen.
Een tijdje gaat het goed en kan ik een heldere redenering ontvouwen.
Maar dan loopt het weer mis en verlies ik me in een oerwoud van gedachten die zich als apen van de ene boom naar de andere slingeren.

20131018-162718.jpg

Dat is het patroon dat zich steeds weer herhaalt.

In het begin was ik me van dat patroon niet bewust.
Althans niet helder.
Het kwam wel tot uitdrukking in het feit dat ik mijn teksten niet durfde te herlezen.
Ik las ze wel nadat ze gepubliceerd waren in de schoolkrant, in Het Vijgeblad of een ander tijdschrift, maar de band die ik er als schrijver mee had, was dan nog veel te sterk.
Ik kon ze niet objectief lezen.
Na verloop van enige tijd (maanden, jaren) kon ik dat wel, en de enkele keren dat ik dat, per ongeluk, deed, schaamde ik me dood.
Wat een verwarde troep!
Het leken wel de woorden van iemand die niet goed bij zijn zinnen was.

Met die schaamte in mijn achterhoofd begon ik mijn teksten steeds meer te herlezen terwijl ik ze nog aan het schrijven was.
En al vlug bereikte ik dan het punt waar ik de controle verloor en het spoor bijster raakte.
Vanaf dat punt begon ik dan opnieuw.
Waarna ik opnieuw verloren liep.
Zo kon ik weken en zelfs maanden aan een tekst werken zonder dat ik hem rond kreeg, zonder dat ik mijn ideeën op een rijtje kreeg.
Het was als een processie van Echternach: twee stappen vooruit, een achteruit.
Alleen waren het tien stappen vooruit en negen achteruit.
Dat schoot zo traag op en het kostte zoveel energie dat ik het ten slotte opgaf.
En dat kostte dan nog meer energie, want zaken die je begint maar niet af maakt, blijf je met je meeslepen.

Dat overkomt me trouwens ook in het echt, als ik bijvoorbeeld ga wandelen.
Van zodra ik ergens een zijpaadje zie, sla ik dat in en verlaat de hoofdweg.
Ik vind het spannend om ergens te komen waar bijna niemand komt, waar ik helemaal alleen ben met de natuur.
De natuur heeft op die plekken een ander karakter.
Zo ging ik vroeger wel eens wandelen in de Rupelstreek.
Vrienden hadden daar een huisje aan de rand van een domein waar vroeger klei gewonnen werd, maar dat al tientallen jaren aan de elementen was prijsgegeven.
Het was een wonderlijke ervaring om te wandelen tussen de diepe putten die vol water water waren gelopen en de berken die daar vanzelf waren gegroeid.
Je voelde dat deze natuur (nog) niet door mensenhanden of zelfs mensenaanwezigheid was aangeraakt.
De natuurwezens speelden er bij wijze van spreken nog onbekommerd in het zand en de lucht was vol van hun geroep en gelach.
Het had iets betoverends, iets paradijselijks wat je nooit voelt langs de gebaande wegen.

Vandaag bestaan dergelijke gebieden niet meer.
Ze worden beschermd, gecultiveerd en gereglementeerd, en daarbij wordt uiteraard geen rekening gehouden met het onzichtbare natuurvolkje, dat dan maar diep in zijn holen kruipt.
Ook die kronkelende paadjes die je naar vergeten, mysterieuze plekken leiden, bestaan niet meer.
De overblijvers zijn ondergebracht in een benummerd en bewegwijzerd wandelpadenparcours waar het ’s zondags soms even druk is als op de autoweg.

20131018-163352.jpg

Zoals de natuur er vandaag uitziet, zo ziet het er ook in ons hoofd uit.
Alles is in kaart gebracht, gecatalogiseerd, gesystematiseerd, gefatsoeneerd.
Er zijn alleen nog gebaande wegen, geen onbewandelde paadjes.
Dat heeft zo zijn voordelen.
Je weet altijd waar je bent en hoe je weer terug kunt keren.
Je bent op bekend terrein, je bent in feite thuis.
Dat is niet het geval als je onbekende zijpaadjes inslaat.
Het is me meer dan eens overkomen dat ik verloren liep en slechts met de grootste moeite, uitgeput, weer thuis raakte.

Dat overkomt me ook als ik denk, als ik schrijf.
Want mijn hart – dat in feite het orgaan is waarmee ik denk – voelt zich opgesloten in mijn hoofd met al zijn in kaart gebrachte, genummerde en geasfalteerde wegen.
Het wil vrij zijn, onbekende paadjes inslaan, nieuwe gebieden verkennen.
Na een tijdje in de rij te hebben gestaan, wil het weer vrij rondlopen op de speelplaats.
En dus verlaat het het heldere hoofd en … wordt weer chaotisch.

Zolang je in je eentje droomt, is dat geen probleem.
Maar als je jezelf uit wilt drukken omdat je contact wilt maken met andere mensen, dan is het wél een probleem.
Ik ondervind dat zelf wanneer ik teksten lees.
Als alles klopt, als alles gestroomlijnd is, dan glijd ik als vanzelf in een tekst, dan beweeg ik mee, dan word ik er één mee.
Dat is wat iedere schrijver wil: dat de lezer met hem meedenkt, met hem meevoelt, ja hem eenvoudig wórdt.
Maar als de tekst hapert, als hij niet meer vloeit, als er gaten in de redenering vallen, als er stappen worden overgeslagen, als hij kortom chaotisch wordt, dan trek je je als lezer terug uit die tekst. Je doet niet meer mee.
Misschien lees je dan nog wel verder, maar je moet je inspannen, je moet de gaten vullen die de schrijver gelaten heeft, en de betovering van de ‘eenwording’ verdwijnt.
Lezen wordt dan werken, en uiteindelijk geef je het op.
Want je beleeft er geen plezier meer aan.
En waarom zou je dan nog lezen?

Ik lees nooit teksten waar ik geen plezier aan beleef.
Soms gooi ik een boek al na drie bladzijden weg.
Soms klap ik het al dicht na het lezen van de eerste zin.
Soms doe ik het niet eens open.
Ik weiger het werk van de schrijver te doen.
Als hij mij geen plezier bezorgt, lees ik hem niet.

Maar mis ik dan niet veel?
Er zijn toch boeken waar je niet zo makkelijk ‘in’ komt en die je meer dan één keer moet lezen om ze te kunnen smaken. Soms zijn dat zelfs de beste boeken.
Dat is zo.

Maar ik ben een geoefend lezer.
Ik heb vroeger heel veel gelezen.
Mijn leeshonger was heel groot, en dan kauw je op elk leesvoedsel dat je kunt krijgen.
Maar die honger is inmiddels gestild.
Ik kan ook niet meer zoveel leesvoer verteren.
Alles wat ik lees en waar ik geen plezier aan beleef, wordt ballast die ik moet meesleuren.

Ik heb door al dat lezen ook mijn smaak ontwikkeld.
Ik herken een goed boek heus wel.
Ik laat me niet meer verleiden door de lengte of de breedte, door mooie woorden, door haantjesgedrag.
Ik heb grote bewondering voor iemand die in één zin kan zeggen waar een ander drie bladzijden, of zelfs een heel boek voor nodig heeft.
Die dikke turven die jonge schrijvers vandaag op de markt brengen, zijn in werkelijkheid vaak heel magere beestjes.
Net als goedkope verf bestaan ze grotendeels uit vulstoffen.
Daar geef ik mijn geld en mijn tijd niet meer aan.
Ik ben kieskeurig geworden.
Ik kan niet meer woekeren met mijn ‘leeskrachten’.

20131018-164859.jpg

Maar die veeleisendheid heeft tot gevolg dat ik ook een strenge lezer ben van mijn eigen werk.
Zo streng dat ik vaak blijf schrijven en herschrijven aan een tekst tot ik het moe word en het opgeef.
En dat is pijnlijk.

Met dat vormprobleem worstel ik nu al 21 jaar.
Af en toe viel er wel eens een eetbare appel van de boom, die een idee gaf van wat het zou kunnen worden.
Het deed mensen dan zeggen: je moet voor een krant schrijven, of voor een tijdschrift, of je moet een boek schrijven!
Maar ik wist dat ik het niet kon.
Nog niet.
Nog lang niet.
Want ik had het heus wel geprobeerd: een boek schrijven.
De inhoud was er (ideeën genoeg).
De vorm was er (ik kon schrijven).
Maar ik kreeg ze niet samen.
Eenentwintig jaar lang heb ik geprobeerd om inhoud en vorm samen te krijgen, maar het lukte niet.
En uiteindelijk gaf ik het op.
Ik gaf mijn hele (nog steeds beginnende) schrijverscarrière eraan en ging weer schilderen.
Eenentwintig jaar in het water gegooid.
Een groot stuk van mijn leven verspild.
Zo voelde het aan.
Een mislukking van formaat.

Ik meende het toen ik het schrijven eraan gaf.
Ik zou de rest van mijn leven schilderen.
Ik keerde terug naar mijn eerste liefde.
Mijn denken dook weer onder in de dromerige wereld van de beeldende kunst.
Het zou zich weer in vormen en kleuren uitdrukken, niet meer in bewuste begrippen en woorden.
Eigenlijk stortte ik me in het schilderen om de pijn van mijn mislukking te vergeten of tenminste draaglijk te maken.
Die pijn had ik ook gevoeld toen ik begon te schrijven.
Want dat schrijven betekende het einde van mijn tekencarrière.
Die twee lieten zich niet combineren: de dromerige wereld van de (beeldende) kunst en de wakkere wereld van het bewuste, schrijvende denken.
Het was met bloedend hart dat ik afscheid nam van mijn eerste liefde.
Het deed zo’n pijn dat ik geen tentoonstellingen of musea meer wilde bezoeken en in een grote boog om winkels met teken- en schildermateriaal liep.
Ik bande de beeldende kunst uit mijn leven.

20131018-165800.jpg

Die pijn hielp me om diep in de (zo andere) wereld van de gedachten te duiken.
Schrijven was een soort ontwaken uit een droom.
Ik besefte dat ik tot dusver nooit bewust had nagedacht.
Mijn hele schoolcarrière, tot en met de universiteit, heb ik dromend afgelegd, zonder echt na te denken.
Daar kwam een grote portie list en bedrog bij kijken, en vooral aan de universiteit ontwikkelde ik een grote sluwheid in het om de tuin leiden van professoren en examinatoren.
Ik heb toen zelfs een handleiding geschreven: hoe behaal je een diploma zonder na te denken?
Alvast één medestudente is dankzij mijn ‘slechte’ raad door de examens geraakt.
Zelf zou ik nooit een diploma hebben gehaald als ik had moeten nadenken, als ik die hele, afschuwelijke, dorre, intellectuele wereld bewust had moeten betreden.
Dat zou voor mij volstrekt ondraaglijk zijn geweest.

Nee, het was zeker niet de (moderne) wetenschap die me aan het denken zette en wakker maakte.
Het enige wat die wetenschappelijke wereld deed, was mijn dromerige, vrouwelijke denken transformeren in sluwheid, misleiding en bedrog.
Ja, in het onderwijs heb ik geleerd hoe je zeer geleerde, zeer mannelijk denkende mensen om de tuin leidt, hoe je met andere woorden slang wordt.
Mijn vrouw, die ik toen leerde kennen, keek met ontzetting toe hoe ik te werk ging.
Ik ben niet trots op de kunst-van-de-leugen die ik toen ontwikkeld heb.
Maar ik schaam me er evenmin voor.
Het moderne onderwijs is een geestelijke gevangenis, en in een gevangenis moet je overleven.
Ik heb de schoolgevangenis overleefd door instinctief en halsstarrig te weigeren wakker te worden.

Wakker ben ik pas geworden door de kunst.
En meer bepaald door één enkel kunstwerk.
Dit kunstwerk – een zeer modern en eigentijds kunstwerk – heeft me over de drempel geholpen.
Het heeft me doen ontwaken.
Het heeft me doen denken.
Het heeft me doen schrijven.

Voor het eerst in mijn leven.

Het was als een nieuwe geboorte.
Ik betrad een wereld die ik voordien nooit betreden had.
Althans niet bewust.
Ik betrad de wereld van de kunst, de wereld van de droom.
Ik ontwaakte IN de droom.
Met het denken van mijn hoofd werd ik wakker in mijn hart.
En dat was de meest overweldigende ervaring in mijn leven.

Ik herinner me nog heel duidelijk het moment dat ik, omstreeks mijn 14de, wakker werd UIT de droom.
Dat gebeurde in de kerk, tijdens een misviering.
Op een gegeven moment hief ik het hoofd op, keek rond, en dacht: wat doe ik hier?
Ik had had helemaal niks tegen de kerk.
Ik was tenslotte een kunstzinnige ziel, en in de kerk waren er beelden, schilderijen, glasramen, muziek, wierook, literatuur en toneel.
Het was een ‘Gesamtkunstwerk’ waarin ik graag wegdroomde.
Weg van de dagelijkse wereld, weg van de grijze school, weg van alles.
Maar die keer besefte ik opeens dat ik er niet meer thuishoorde.
Mijn liefde ging uit naar een andere, niet-kerkelijke kunst.
Een veel zinnelijker, aardser kunst.
Een kunst ook waarin ik niet enkel toeschouwer maar ook ‘priester’ was, iemand die zelf het mysterie voltrok.

20131018-171203.jpg

Ik verloor, zoals dat heet, mijn geloof.
In werkelijkheid was het veeleer de vaststelling dat ik al lang niet meer geloofde.
Mijn echte geloof was van kindsbeen af de kunst geweest.
Daar voelde ik mij thuis, veel meer dan in die grauwe, onkunstzinnige moderne wereld.
Ik tekende en ik las.
En ik speelde buiten in de zon.
Ik leefde al dromend en uit die kinderlijke droom ontwaakte ik toen ik 14 was.

Mentaal kostte het me geen greintje pijn om de kerk te verlaten.
Ik had me alleen met haar kunstzinnige vorm verbonden.
Er was nooit een bewuste verbinding geweest.
Maar onbewust kwam de scheiding zeer hard aan.
Ze kwam tot uitdrukking in een ongeval op school, een ongeval dat me bijna invalide maakte.
In de turnles kwam ik terecht op een bal en er knapte van alles in mijn linkerknie.
Als beeld kan het tellen: ik kwam met beide voeten op aarde terecht.
Ik werd weer opgelapt door een oude chirurg die de veelzeggende naam ‘Toen’ droeg.
Volgens zijn assistenten was het niet minder dan een wonder dat ik nadien weer kon lopen.

Mijn lichaam besefte het eerder dan ikzelf: dit met beide voeten op de aarde komen viel me ontzettend zwaar.
Zonder een mirakel had het me kreupel gemaakt voor de rest van mijn leven.
Soms moeten engelen ingrijpen.
Mijn engel heette ‘Toen’ en was blijkbaar de Engel van het Verleden.
Hij hielp me heelhuids over de drempel van het heden, een heden dat ik zonder de technieken van de kunst – de heelkunst zowel als de beeldende kunst – niet had overleefd.

Eenentwintig jaar later greep er opnieuw een engel in.
Het was de Engel van het Heden en hij hielp me over de drempel naar de toekomst.
Opnieuw gebeurde dat door de modernste technieken van de kunst, door een waar mirakel van menselijk kunnen.
Opnieuw kwam ik met een schok op aarde terecht.
Maar dit keer werd ik niet kreupel geslagen.
Ik kreeg vleugels.
Mijn ogen gingen open voor de onvermoede schoonheid van het aardse leven.
Voor het eerst in mijn leven voelde ik mij thuis op aarde.
Ik herinner mij het gevoel en het besef nog heel goed.
Want het was een wakker gevoel, ik was me heel erg bewust van wat ik voelde.
Ik was IN dat voelen, in dat dromerige (be)leven wakker geworden.
Nooit was ik zo ‘aanwezig’ geweest.
Mijn vrouw wist niet wat haar overkwam.

Net als toen ik wakker werd UIT de droom, werd ik wakker IN de droom in en door een ‘Gesamtkunstwerk’.
Anders dan het oude totaalkunstwerk van de kerkviering, stamde het nieuwe, eigentijdse kunstwerk uit de toekomst.
Het wortelde helemaal in het heden, maar het toonde de weg naar een nog verre toekomst.
En het toonde die weg in beelden die zo krachtig waren dat ze een hele ommekeer in me teweegbrachten: ik begon te schrijven, ik begon te denken.
Wat ik vroeger dromend had gedaan, deed ik nu wakker.
Maar het was niet de wakkerheid van het moderne, intellectuele verstand, want dat had ik leren kennen als een andere vorm van dromen.
Met dat verstand word je wakker in de ene wereld (de materiële) maar je slaapt in in de andere (de geestelijke).
Ik werd wakker in beide werelden tegelijk: zowel in mijn hoofd als mijn hart.

20131018-171727.jpg

Ik begon voor het eerst echt bewust te denken.
Ik kreeg voor het eerst ook echt interesse voor de concrete wereld waarin ik leefde.
Tot dan las ik geen kranten, luisterde ik niet naar de radio, keek ik niet naar tv.
Dat begon ik nu, aarzelend, wel te doen.
Ik kwam op aarde.
Maar tegelijk werd die aarde, langzaam, transparant voor de wereld van de geest.
Ik moest me daar ontzettend voor inspannen – dromen is een stuk gemakkelijker dan wakker zijn – maar ik werd gedreven door mijn liefde voor het kunstwerk dat de ommekeer bewerkstelligd had.
Nog nooit had ik zoiets gezien.
Ik had me niet eens kunnen voorstellen dat zoiets bestond of zelfs maar mogelijk was.
Het was een wonder, een godsgeschenk.

Zonder dit kunstwerk zou ik de ommekeer naar de toekomst nooit hebben kunnen maken.
Zonder dit kunstwerk zou ik nooit zijn beginnen schrijven.
Zonder dit kunstwerk zou ik het nooit 21 jaar hebben volgehouden.

Het was dan ook een zeer pijnlijk moment om afscheid te nemen van dat schrijven.
Het was het afscheid van de geest van dit kunstwerk, want ofschoon ik de eerste jaren alleen maar over dit ene concrete kunstwerk schreef en nadacht, verruimde dat schrijven en nadenken zich geleidelijk tot andere gelijkaardige kunstwerken en ten slotte tot de hele wereld.
Zoals ik de geest van de oude kunst herkend had in dit nieuwe kunstwerk, zo begon ik diezelfde geest te herkennen in de hele hedendaagse werkelijkheid.
Stap voor stap begon ik de wereld als een kunstwerk te zien.
Het was alsof de geest van de oude kunst zijn lichaam had verlaten, een nieuwe, moderne gedaante had aangenomen en zich vervolgens uitbreidde over de hele wereld.
En ik spande mij tot het uiterste in om hem niet uit het oog te verliezen.

Deze geest is mij sindsdien heiliger dan wat ook.
Dat is de reden waarom ik (voorlopig) zwijg over de kunstzinnige gedaante waarin ik hem 21 jaar geleden heb gezien en herkend.
Er is namelijk geen enkel begrip voor.
Integendeel, die gedaante wekt de grootste weerstanden, vooral dan van ‘spirituele’ mensen.
Ze ontsteken in woede en verontwaardiging als ik hen probeer te vertellen over de geest van dit kunstwerk.
Ze willen niet eens luisteren.
Ze beschouwen me als een handlanger van de draak.

Zelf staan ze in bewondering voor pispotten en kakmachines, dat wil zeggen voor de officiële kunst van onze tijd.
Daar denken ze over na, tenminste dat denken ze.
Daar voelen ze liefde voor, tenminste dat denken ze.
Die kunst nemen ze tot voorbeeld.
En dat laatste is, vrees ik, geen gedachte maar realiteit.

De geest van het kunstwerk waarover ik spreek – en zwijg – inspireert me dus tot een radicale oppositie, niet alleen met de officiële kunst (en kunstwetenschap) van mijn tijd, maar ook met de officiële geesteswetenschap of antroposofie, en eigenlijk met de gehele spirituele wereld van mijn tijd.

Dat is de reden waarom ik zeer terughoudend ben geworden.
Ik bevind me in een situatie van één tegen allen.
Als ik mijn mond opendoe over het kunstwerk dat ik boven alle andere bewonder en liefheb, dan breekt de hel los.
Althans voor mij.
Want meer nog dan de kritiek, de afkeer en de verontwaardiging, ervaar ik de onverschilligheid, desinteresse en minachting voor dit kunstwerk als uiterst pijnlijk.
Ik kan het nauwelijks verdragen dat iets wat ik zo buitengewoon mooi, wijs en zelfs heilig vind, zo met de voeten getreden wordt.
Andersom kan ik ook nauwelijks verdragen dat iets wat ik zo buitengewoon afstotend, misleidend en ontheiligend vind als de hedendaagse kunst, zo verheven wordt.
Ik vind deze perversie, deze omwisseling van goed en kwaad verschrikkelijk.
En dus heb ik geen andere keuze dan ertegen te vechten.

De strijd met de draak moet gestreden worden.

20131018-172355.jpg

En aan welke kant ik ook sta – die van de draak of die van Michaël – doet er niet zoveel toe. Het is namelijk een bewustzijnsstrijd en die levert altijd méér bewustzijn op.
Er moet echter wel een zeker evenwicht zijn, anders is er geen echte strijd.
Dat vind ik dan ook het meest verontrustende: in de wereld van de kunst is er geen strijd meer.
Niemand verzet zich nog tegen de almacht van de hedendaagse kunst.
Niemand durft daar zijn stem tegen te verheffen.
Het is dan ook een bijzonder ongelijke strijd.
Ik mag dan wel zeker van mijn zaak zijn, de anderen zijn dat ook, en ze zijn met veel meer.

Daarom wil ik de strijd niet onvoorbereid aangaan.
Alles wat ik op deze blog doe, is louter voorbereiding.
Alles wat ik dat afgelopen 21 jaar gedacht en geschreven heb, was louter voorbereiding.
Ik verzamel mijn wapens.
De draak bevecht je namelijk niet met de blote hand.
Dat is een naïeve onderschatting van de vijand.

Ik oefen mij op deze blog dus met zwaard en weegschaal.
De weegschaal is de kunst, de gulden middenweg.
Zij is de inhoud van mijn denken.
Het zwaard is de wetenschap, de rede.
Zij is de vorm van mijn denken.
Die twee probeer ik tot een eenheid te smeden, tot één enkel wapen.
En dat wapen is een wakker, scherp onderscheidend hart.
Daarmee wil ik de draak te lijf gaan.

Maar ik wil niet zelf het initiatief nemen.
Men moet de draak niet uitdagen.
Ik wacht dus af, en verzorg mijn wapenuitrusting.
Zo doen soldaten dat in afwachting van de aanval: ze halen hun geweer uit elkaar, maken het schoon, oliën het, en zetten het dan weer in elkaar.
Met mijn verstand dring ik steeds weer binnen in mijn hart, ik haal het uit elkaar, maak het schoon, spuit er wat olie in en zet het dan weer in elkaar.
Tot voor kort kon ik het nog wel uit elkaar halen.
Maar ik kreeg het niet weer in elkaar.
En met een geweer in stukken ben je nog minder dan met een verroest geweer.

Sinds ik blog, lijkt het beter te lukken.
Toch merk ik dat de zaken weer beginnen te blokkeren in deze tweede helft van oktober.
Het evenwicht tussen hoofd en hart, tussen vorm en inhoud raakt weer zoek en ik moet me hevig inspannen om het weer te vinden.
Is dat de draak van november die nadert?
Ik weet het niet.
Ik probeer zoveel mogelijk ‘to go with the flow’, maar voor een mannelijk verstand is dat niet eenvoudig. Hoe dieper het doordringt in het vrouwelijke hart, des te meer begint dat te bewegen, des te ‘vloeiender’ wordt het.
Dan is het zaak om tijdig terug te trekken en jezelf niet in chaos te verliezen.
Niet gemakkelijk!

Maar met de hulp van Michaël and a little help from my friends moet het lukken.
Het moét lukken, zo simpel is dat.

En voor degenen die het arrogant van me vinden dat ik me in het kamp van Michaël situeer: hoe waarschijnlijk is het dat de draak het moet stellen met eenzame amateurs zoals ik, die van de ene mislukking in de andere tuimelen, terwijl Michaël wereldwijd triomfeert, met in zijn gevolg alle rijken, machtigen en verstandigen der aarde?
Want dát is momenteel de situatie in de wereld van de kunst.

En zoals iedereen weet, is de kunst een spiegel van de werkelijkheid.

Vijgen na Pasen

20130719-095533.jpg

Gisteravond nog een wandelingetje rond de vijver gemaakt met vrouwlief.
Een geschikt moment om een beetje te keuvelen over Anna en de zee, over digitale dementie, over Ahriman (the bad guy of antroposophy), over morele technieken,over koffiebonen, over Bruno Skerath, en over … vijgen na pasen.

De figuurlijke betekenis van ‘vijgen na pasen’ is: iets dat te laat komt, iets dat geen zin meer heeft.

Een variant is: mosterd na de maaltijd.

Komt mijn blog te laat?

In zekere zin wel.
Ik had daar 20 jaar geleden moeten mee beginnen.
Maar bestonden er toen al blogs?
Ik had niet eens een computer!
Bovendien had ik toen niet gekunnen wat ik nu kan.
In ieder geval: beter te laat dan nooit.

Heeft mijn blog geen zin meer?

Ik wil de wereld als een kunstwerk zien.
De meeste mensen hebben geen idee waarover ik het heb,
laat staan dat ze er de zin van inzien.
De hedendaagse kunst heeft in zekere zin het gras van voor mijn voeten weggemaaid.
Ze heeft het vermogen om kunst te zien vrijwel vernietigd.
Ze heeft de onwrikbare mening doen postvatten dat kunstenaars ideeën in beeld brengen en dat de kijker achter die ideeën moet zien te komen.
Alsof kunst een kruiswoordraadsel was.
Alsof kunst iets is om over na te denken.
Iets voor intellectuelen.

En dat is ze niet.

Kunst spreekt de taal van het hart.
Die taal moet je eerst verstaan vóór je over kunst kunt beginnen nadenken.
Doe je dat niet, dan denk je eigenlijk nergens over na.
Dan wordt je denken volkomen willekeurig.
Zinloos.
In die zin is mijn blog zinloos.
Want ik vermoed dat de meeste mensen niet echt ernstig nemen wat ik schrijf.
Ze zijn opgevoed met hedendaagse kunst,
en die heeft hen geleerd hun hart het zwijgen op te leggen.
En dus kennen ze de taal van de kunst niet meer.
Ze geloven zelfs niet dat die taal bestaat.
Dus geloven ze ook niet dat wat ik schrijf ergens over gaat.
Bewust of onbewust zien ze het als Spielerei.

In die zin zijn mijn Vijgen na Pasen inderdaad vijgen na pasen.

Maar de uitdrukking heeft ook nog een letterlijke betekenis.

In de katholieke vastentijd mochten de mensen allerlei zaken niet eten, vooral lekkere dingen.
Ze moesten zich immers voorbereiden op de lijdensweek,
Ze moesten zich oefenen in lijden.
Maar ze moesten ook weer niet overdrijven.
Want ze waren Christus niet.
En dus waren er uitzonderingen op de vastenregel,
Kleine momenten van genot om het lijden te verzachten,
om het draaglijk te maken.
En één van die uitzonderingen waren vijgen.

Vijgen vóór Pasen waren een door de kerk toegestane lekkernij.
Een soort symbolische Simon van Cyrene die het kruis van Christus hielp dragen,
zodat God het kon volhouden tot op Golgotha, de Schedelplaats.

Vijgen nà Pasen hadden geen zin meer, want iedereen mocht weer alles eten.
Het lijden was voorbij, er mocht weer volop genoten worden.

Maar,

dat wil natuurlijk niet zeggen dat vijgen na pasen niet lekker meer waren.
Ze waren nog altijd even lekker als daarvoor.
Maar ze waren niet langer exclusief.
Het genot dat ze verschaften werd niet langer geïntensiveerd door het vasten.
Het stond niet langer in scherpe tegenstelling tot de strenge ascese.
Het was … gewoon geworden.

En dat is ook wat ik op het oog heb met mijn Vijgen na Pasen.
Ik wil iets buitengewoons gewoon maken.
Ik wil iets exclusiefs democratiseren.
Iedereen een sjakos van Delvaux zeg maar.

Zowel kunst als antroposofie zijn iets buitengewoon exclusiefs.
Voorbehouden aan een elite, een happy few.

Het grote publiek interesseert zich helemaal niet voor kunst, en zeker niet voor hedendaagse kunst.
Dat is iets voor intellectuelen en rijken.
Antroposofie: idem.
Wie weet in ons land wat antroposofie betekent?
Geen kat.
Het is een aangelegenheid van een klein groepje ‘uitverkorenen’.
Stelt overigens niet voor hoor, die uitverkorenen.
En dat kan ook niet anders.
Want ‘uitverkoren-zijn’ is niet meer van deze tijd.
Het is iets van vóór Pasen.

Het apocalyptische Golgotha dat we in de vorige eeuw hebben meegemaakt, is daar een huiveringwekkend bewijs van.
Er bestáán geen uitverkoren volkeren meer, geen oude en geen nieuwe.
Die tijd is definitief voorbij.
De toekomst is aan alle volkeren.
De toekomst is aan het volk dat mensheid heet.
En uitverkoren-zijn is voortaan een individuele vrije keuze.
Ieder mens kiest zichzelf uit.

Kiest hij voor zijn hersenen en ziet hij daarin zijn exclusieve menszijn?
Prima. Niemand die hem tegenhoudt.
Kiest hij voor de kunstenaar-in-zich, voor de vrije scheppende geest?
Ook goed.
De mens is vrij.
Hij wórdt niet meer uitverkoren, hij kiest zichzelf uit.

Vijgen vóór Pasen waren een genot dat de gewone man genadiglijk werd toegestaan door het Grote Gezag, dat handelde in naam van God himself.

20130719-112333.jpg

Vijgen na Pasen zijn een genot dat iedereen vrij kan kiezen tussen alle andere soorten genot.
Er is geen Geestelijk Gezag meer en God is dood. We hebben hem zelf terechtgesteld.
We zijn met andere woorden vrij van God.

Maar dat maakt de zaken er niet eenvoudiger op.
Want nu moeten we zelf kiezen.
En hoe moeten we dat in godsnaam doen?
Er zijn zoveel mogelijkheden.
Er zijn, na de vastentijd van de vorige eeuwen, zóveel genietingen.
Om maar één ding te noemen:
Er zijn waanzinnig veel blogs.
Hoe moet je daartussen kiezen?
Hoe moet je vinden wat goed is voor je?

Daar is volgens mij maar één antwoord op:
Kiezen is een kunst.
En kunst moet je leren.
En dat vraagt tijd.
Ars longa, weet u wel.

Natuurlijk hoeft een mens niet te kiezen voor de kunst.
Hij hoeft niet te kiezen voor het kiezen.
Hij kan bijvoorbeeld kiezen voor zijn … hersenen.
Die laten hem geen keuze.
Vraag het maar aan Dick Swaab: vrije wil bestaat niet.
Hij bedoelt: de moderne mens kan alleen maar kiezen voor zijn hersenen,
op gezag van minzame, glimlachende mensen als de professor.

20130719-114035.jpg

Ja beslist, de moderne mens kan weer kiezen voor pausen,
religieuze pausen, wetenschappelijke pausen, artistieke pausen.

20130719-114218.jpg

Die vrijheid heeft hij en hij grijpt ze ook.
Hij levert zich in volle vrijheid over aan Nieuwe Pausen.
Hij kiest uit vrije wil om niet te kiezen.
Hij geeft vrijwillig zijn vrije wil op.

Die vrijheid heeft hij.
De moderne mens is vrij om al dan niet vrij te zijn.

Die vrijheid had hij vóór Pasen niet.
Nu heeft hij die wel.
Hij kan vijgen eten of niet.
En dat heeft hij aan Pasen te danken.

Dat is het grote mysterie van onze tijd:

Er is een Pasen geweest.

En wij hebben het niet gemerkt.

Christus is opnieuw gestorven en verrezen.
En wij hebben niks gezien.
Wij hebben het Grote Kunstwerk niet gezien.
Nochtans is het geen exclusief kunstwerk dat voorbehouden is aan uitverkorenen.
Het is een kunstwerk dat overal zichtbaar is,
tot in de kleinste dingen van onze tijd.
Maar we zien het niet omdat we het verleerd hebben kunst te zien.
We kunnen de wereld niet als een kunstwerk zien
omdat we ons blindstaren op de Romeinse keizers van onze tijd met hun brood & spelen.

20130719-120710.jpg

Tja, de geschiedenis herhaalt zich.
Er is niet veel veranderd de afgelopen 2000 jaar,

behalve dan dat we kunnen kiezen.

En dat is al heel wat.

Cynisme

“Cynici weigeren zich als eeuwige klagers te laten afschilderen. Ze zijn realisten. Ze weten dat de wereld niet de zonnige fantasie is die de goeroes en de oplichters van het positieve denken ons willen aanpraten… Cynisme is geen persoonlijkheidskenmerk maar een geesteshouding. Cynici willen de waarheid klaar en helder zien.Vragen stellen en twijfelen is geen doel op zich maar een manier om de waarheid achter de leugens te ontdekken.”

(Julian Baggini, filosoof)

20130717-205330.jpg