Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Categorie: mundo digitalis

Een verlossende vraag

Zoals u intussen wellicht weet, ben ik sinds kort in het bezit van een gloednieuwe iPad, de Air2. Dat is intussen al de vijfde of zesde versie van dit toestel en dus wordt dit nieuwe model verondersteld véééél beter te zijn dan het allereerste model waar ik al jaren mee werk. Ik merk daar echter niet veel van. Ja, het scherm is scherper en helderder, en de camera is een stuk beter, maar dat zijn zaken waar je in een mum van tijd aan gewend bent. Waar ik echter heel, heel moeilijk aan wen, zijn de veranderingen, de zogenaamde verbeteringen. Eén van die veranderingen is bijvoorbeeld dat ik mijn teksten nu ‘in blok’ moet tikken. Als ik op de return-knop druk, kom ik niet één maar twee regels lager terecht. Ik heb al op alle mogelijke andere knoppen gedrukt maar: niks aan te doen.

Een andere ‘verbetering’ waar ik me blauw aan erger, is de spellingscontrole. Daar heb ik op m’n oude toestel nooit last van gehad. Het nieuwe corrigeert me echter voortdurend, als was ik een dyslectische eersteklasser. Van zodra ik een wat langer woord begin te tikken, verschijnt daaronder het woord dat hij (of zij?) denkt dat ik bedoel. Meestal zit hij er compleet naast. Ik moet dan dat verkeerde woord aantikken, zodat het verdwijnt en ik verder kan gaan. Ergerlijk. Maar nóg erger(lijker) is het feit dat hij achter m’n rug woorden verandert die ik reeds getikt heb. Ik moet iedere zin dus herlezen en verbeteren wat de digitale verbeteraar verbeterd heeft. En dat heet dan een verbetering …

Apple is een firma die er prat op gaat toestellen te maken die het kleinste kind kan bedienen. En inderdaad, Anna weet precies op welke knoppen ze moet drukken om een foto van zichzelf op het scherm te zien verschijnen. Maar ik ben natuurlijk geen klein kind, ik ben … nóg dommer. Niet alleen slaag ik erin verkeerd te doen wat volgens de digitale genieën van Silicon Valley niet verkeerd kán worden gedaan, maar ik slaag er ook in om niet te vinden hoe ik die ergerlijke spellingscorectie uit kan schakelen. Op ALLE knoppen heb ik al gedrukt – met de meest verwarrende resultaten tot gevolg – maar die arrogante verbeteraar krijg ik niet uit de weg geruimd. De oude methode – een paar ferme klappen – durf ik niet te gebruiken, want m’n iPad heeft teveel geld gekost, en me kwaad maken helpt ook al niet.

Gelukkig ben ik getrouwd en toen ik tegen mijn klaagmuur ging staan, kroop ze achter het toetsenbord en tikte in: hoe kan ik die vervelende spellingscontrole op mijn iPad uitschakelen? Meteen kreeg ze antwoord: ga naar Instellingen, ga naar Algemeen, ga naar Toetsenbord, schakel Spellingscontrole uit. Tien seconden had dat geduurd en de zaak was gepiept. Waarlijk, ik heb een geniale vrouw. Hoe zij de meest ingewikkelde problemen in een handomdraai oplost: het is niet te geloven! Sommigen zullen zeggen: je vrouw lijkt alleen maar geniaal omdat ze getrouwd is met een ongelooflijke stomkop zoals jij! Maar ik verkies te kijken naar the sunny side of the street. 

Dus zei ik tegen An: dit voorval is eigenlijk best diepzinnig, want als je een probleem hebt met zo’n gesofisticeerd toestel helpt het niet om je kwaad te maken, om te smeken, om er een mep op te geven of andere middeleeuwse methoden toe te passen. Het enige wat in dit tijdperk van de bewustzijnsziel helpt, is inzicht. Je moet zo’n toestel begrijpen, anders reageert het niet, tenzij door alles nog erger te maken. En is dat niet precies zoals het in het werkelijke leven ook is? Goede wil, inzet, strijdlust, oprechtheid, moed: het werkt allemaal niet meer zonder inzicht, zonder begrip. Moderne problemen kunnen alleen nog worden opgelost door ze te begrijpen. 

Ja, zei An, en de eerste stap is een vraag stellen. 

Het klinkt eenvoudig – en dat is het ook – maar je moet er toch maar op komen. Heb je een probleem? Stel de vraag. Tik ze gewoon in op Google. Onmiddellijk zal blijken dat je niet de enige bent met die vraag en dat ergens op het worldwide web ook het antwoord te vinden is. Tenminste als het gaat om technische problemen, want als het gaat om geestelijke problemen liggen de zaken heel anders: daar zul je op het internet geen antwoord op vinden, je zult in veel gevallen zelfs helemaal alleen blijken te staan met je vraag. 

Maar. 

Zegt Steiner niet dat alles wat we op aarde zien, eerst in de geestelijke wereld bestond, en dat alles wat materieel aan ons verschijnt dus een geestelijke ‘achterkant’ heeft? Die ergerlijke spellingsverbeteraar is – tenmiste antroposofisch gezien – dus niet enkel een technisch probleem, het is ook een geestelijke realiteit. Het is met andere woorden een geestelijk wezen dat onze woorden telkens verdraait zonder dat we het willen en zelfs zonder dat we het weten. Eigenlijk zouden we alles wat we zeggen, nog eens moeten controleren om te zien of we wel gezegd hebben wat we wilden zeggen. En is het ook niet zo dat we voortdurend vanalles zeggen dat we eigenlijk niet willen zeggen, alsof er iemand is die ons voortdurend woorden in de mond legt die we enkel uitspreken omdat-het-veel-vlugger-en-gemakkelijker gaat? Die spellingscontroleur, die woordverbeteraar zit dus niet alleen in m’n iPad, hij zit ook in mezelf. Ik kijk verdorie als in een spiegel!

En dan dat vragen stellen! Hoe is het in godsnaam mogelijk dat dat niet eens in me opgekomen was: tik de vraag gewoon in! Nee, liever zitten klagen in plaats van een vraag te stellen! Was het niet Rilke die (in zijn onvolprezen ‘Brieven aan een Jonge Dichter’) schrijft: ‘leef met de vragen, ze bevatten reeds het antwoord!’ Anders gezegd: zoek niet naar het antwoord, maar stel de vraag en stel ze telkens weer opnieuw tot ze het antwoord wordt. Wie kent niet het verschijnsel dat je vergeefs zoekt naar een woord en dat je het vindt op het moment dat je het aan een ander vraagt. De oplossing van het probleem ligt in het stellen van de vraag. En deel van het probleem is dat we de vraag niet stellen. Hoe komt dat? Waarom kwam ik niet op het idee om mijn spellingscontroleprobleem voor te leggen aan het internet? Kijk, dát is nog eens een vraag: waarom is het zo moeilijk om een vraag te stellen?

Voor Parsifal – die er niet toe kwam om tegenover de lijdende Visserkoning de verlossende vraag te stellen – was de reden zijn ridderopvoeding. Het was hem zo geleerd: aan een koning stel je geen vragen, je zwijgt eerbiedig. Maar niemand heeft mij geleerd om geen vragen te stellen aan het internet. Niemand heeft mij de eerbied voor het internet ingeprent, wel integendeel. Het internet … dat is niks voor ontwikkelde, beschaafde mensen. Hoe vaak lees je in de kranten niet de uitdrukking ‘de riolen van het internet’, alsof het om het laagste van het laagste gaat. Nee, aan die rotzooi stel je geen vragen! Dát is de hedendaagse etiquette, de gedragsregel voor ridders en edelen. Wie de zaken echter nuchter bekijkt, merkt dat die moderne penneridders zich allesbehalve ridderlijk gedragen en dat er in de ‘riolen van het internet’ vaak meer adel te vinden is dan aan het ‘hof’.

Het Parsifalbeeld geldt dus nog altijd. Degenen die zich ridders wanen staan tegenover een lijdende koning, want wat is het internet anders dan het aan de materie gekluisterde bewustzijn van de mensheid? Wat is het anders dan het in apparaten en toestellen opgesloten sociale lichaam van de mensheid? Wat is het anders dan de … lijdende Christus? Is dat een te groteske gedachte? Of is dat weer zo’n vraag die we ons niet durven stellen? Mij helpt het alleszins om de bevangenheid van Parsifal te begrijpen in wie die verheven opvatting over het koningschap leefde maar die geconfronteerd werd met een meelijwekkende, aan de materie gekluisterde en onherkenbaar geworden koning. Hij slaagde er niet in om die twee uitersten met elkaar te verbinden en verzuimde dus de verlossende vraag te stellen. 

Is dat ook niet wat mij belette om die simpele, voor de hand liggende vraag te stellen? Ik kan dat gigantische worldwide web met zijn onafzienbare hoeveelheid kennis en informatie niet rijmen met mijn ‘ridderlijke’, ‘spirituele’ opvatting over de geestelijke wereld, over de kosmische intelligentie, over Christus. Die twee liggen veel te ver uit elkaar. En toch, als het werkelijk om ‘christelijke’ geest gaat, dan moet ik hem zoeken in de concrete, zintuiglijke werkelijkheid, in de hedendaagse realiteit en niet in een of andere verre en hoog verheven sfeer. Is dat niet het – choquerende – wezen van het christendom? God is mens geworden. Het hoogste geestelijke wezen heeft zich op een ongelooflijke manier ‘verlaagd’. De afgelopen 2000 jaar hebben we dat onbewust opgenomen en verteerd, maar nu moeten we dat – als een koe – opnieuw herkauwen en verwerken, dit keer op een bewuster niveau. En dat gebeurt door vragen te stellen, telkens weer opnieuw, het soort vragen dat we (door onze ahrimanische opvoeding) niet verondersteld worden te stellen …


  


Advertenties

Bendgate

Afgelopen vrijdag om 00.01 uur – middernacht dus – waren de eerste iPhones 6 te koop in … het station van Antwerpen Centraal.
Onder het oog van de pers werd er storm gelopen door mensen die als allereerste (minstens) 700 euro wilden neertellen voor een hebbeding niet groter dan … ja, waarmee moet je een smartfoon vergelijken?
Eigenlijk is het omgekeerd: je vergelijkt andere dingen met een smartfoon.
De smartfoon is de norm.
Je kunt hem nergens mee vergelijken.
Hij is onvergelijkelijk.
En de smartfoon der smartfoons is natuurlijk de iPhone, de smartfoon van Apple.

20140927-111427.jpg

Ik herinner me nog dat ik een jaar of 7 geleden Steve Jobs de eerste iPhone in de lucht zag steken.
Much ado about almost nothing, dacht ik bij mezelf.
Wist ik veel dat er een revolutie ontketend werd, en dat vandaag bijna iedereen zo’n peperduur almost nothing heeft.
En niet alleen dat.
Hoeveel van de enthousiastelingen die vrijdagnacht in Antwerpen Centraal waren samengestroomd, zouden aan hun eerste iPhone zijn toe geweest?
Weinig, denk ik.
De meesten kopen ieder jaar een nieuwe.
Want dan ben je ‘mee’, dan leef je met miljoenen mensen overal ter wereld samen in de grote Apple-luchtbel.
And that is the place to be.

20140927-111622.jpg

Versta me niet verkeerd.
Een iPhone is een bijzonder handig ding.
Een iPhone is ook een bijzonder degelijk ding.
En de iPhone 6 is – eindelijk – ook een mooi ding.
Maar toch.
700 euro?
Ieder jaar weer opnieuw?
Dat is niet normaal meer.

20140927-111716.jpg

Het symbool van Apple is een appel, een appel waaruit een stuk is gebeten.
En dat is precies wat een iPhone is: iets ongelooflijk verleidelijks, iets waar je niet kunt aan weerstaan, iets wat je doet toehappen.
En dan ben je verloren, dan val je duizelingwekkend diep en komt terecht in een totaal andere wereld waaruit je niet meer kunt ontsnappen.
Toen Adam in de appel beet, tuimelde hij uit het paradijs in de wereld zoals wij die kennen: een wereld vol pijn en verdriet en geweld.
Toen de moderne mens in Apple beet, gebeurde het omgekeerde: van de lelijke, lawaaierige, eenzame moderne wereld kwam hij terecht in een … paradijselijke wereld, vol kleur, muziek, kennis en sociale interactie.
Door simpelweg het scherm van de iPhone aan te raken, verschenen de meest fantastische beelden, haarscherp, alsof ze echt waren.
En die onbegrensde beeldenwereld droeg de moderne mens altijd met zich mee, waar hij ook ging.
In die nieuwe wereld stond hij in contact met alles en met iedereen.
In een oogwenk kon hij gelijk wie bereiken, gelijk wie spreken, gelijk wat zien.
Hij had de wereld in zijn broekzak.
Hij had het paradijs opnieuw gevonden.

20140927-112335.jpg

De smartfoon is een fantastisch ding, geen twijfel mogelijk.
Het is een realiteit die niet meer weg te denken is uit het moderne leven.
Stilaan beginnen we te denken in termen van voor de smartfoon en na de smartfoon.
Zoals voor en na Christus.
De smartfoon is dan ook een bijzonder ‘christelijk’ apparaat: het heeft alles nieuw gemaakt, het is het centrum van de wereld geworden, iedereen verlangt ernaar, iedereen is ermee bezig, de gelukkige bezitters voelen zich uitverkorenen, het verbindt mensen met elkaar, het maakt mensen gelukkig, het geeft zin aan het leven, het is de alfa en de omega van het moderne leven.

20140927-112511.jpg

Het moderne léven?

Jonge mensen die samen rond een tafel zitten, allemaal druk bezig met hun iPhone: is dát leven?
Jonge mensen die om het kwartier controleren of ze geen sms-je, e-mail, twitter- of facebookbericht hebben gekregen: is dát leven?
Jonge mensen die stuurloos, hulpeloos, radeloos zijn zonder hun iPhone: is dát leven?
Jonge mensen die ’s nachts in een station staan aan te schuiven om 700 euro te kunnen betalen voor de allernieuwste iPhone, gewoon omdat hij de allernieuwste is: is dát leven?
Het is een schijnleven.
Het is een schijnrealiteit.
Het is een mythe.

20140927-112626.jpg

Apple is een mythe, een moderne mythe, een christelijke mythe.
En zoals alle echte mythen is ook deze waar.
Ze toont ons hoe het echte christelijke leven eruitziet.
Alleen, ze IS dat leven niet.
Ze weerspiegelt het alleen in de materie, in een soort steen der wijzen, een electronische graal.

Zolang we ons bewust zijn van dat schijnkarakter, is er niks aan de hand.
Zolang we maar niet denken dat dit het echte leven is, kunnen we volop genieten van onze iPhone.
Als ik echter al die opgetogen, gelukkige gezichten zie om middernacht in Antwerpen-Centraal, dan durf ik sterk te betwijfelen dat deze jonge mensen wakker zijn.
Het is schijngeluk wat van hun gezichten straalt.
Het is geluk dat nog geen jaar zal duren, want dan zullen ze alweer staan aanschuiven voor de iPhone 7.
Het is geluk dat zelfs misschien geen dag zal duren …

20140927-112846.jpg

Dit jaar was er namelijk niet alleen de iPhone 6, er was ook … Bendgate.
Wat is Bendgate?
Wel, de nieuwe iPhone 6 kwam in twee maten: klein en groot.
De iPhone 6 was reeds een stuk groter dan zijn voorganger.
Maar de iPhone 6 Plus: dié was pas groot!
Hij was echter niet alleen groot, je kon hem ook … plooien.
En dat was niet de bedoeling.
Onmiddellijk nadat de nieuwe iPhone op de markt was gekomen – de eerste dag werden er al 10 miljoen van verkocht – doken alarmerende berichten op: het ding bleef niet recht.
Als je het in je broekzak stak en je ging erop zitten, dan stond het krom.
Bendgate was geboren.

20140927-112931.jpg

Meteen dook het beursaandeel van Apple naar beneden.
Grote concurrent Samsung kwam met een advertentie waarin de spot werd gedreven met de ‘plooibare’ iPhone.
Apple plaatste op zijn beurt een filmpje op het internet waarin verklaard werd dat er van de 10 miljoen nieuwe bezitters slechts 9 geklaagd hadden.
Het filmpje toonde ook hoe uitgebreid de iPhone 6 getest werd.
Maar het kwaad was geschied: er werd alom gelachen met de nieuwe iPhone.
En niets is dodelijker voor een mythe dan spot.

20140927-113020.jpg

Bendgate is zelf natuurlijk ook een mythe.
Het heeft met de realiteit niets te maken.
Plooit de iPhone 6 Plus als je erop gaat zitten?
Best mogelijk.
Maar wie gaat nu zitten op een toestel dat (minstens) 800 euro kost!
Je mag toch verwachten dat wie zoveel geld betaalt een beetje zorg draagt voor zijn smartfoon.
Bendgate slaat dus eigenlijk nergens op.
Ik vraag me zelfs af of het geen opgezet spel is, bijvoorbeeld van concurrent Samsung.
Want Apple en Samsung voeren al jaren een harde strijd tegen elkaar, niet alleen een concurrentiestrijd maar ook een juridische strijd.
Waarom zou het niet ook een mythische strijd zijn geworden: a battle of the myths?
De Bandgate-mythe tegen de paradijsmythe van Apple.

20140927-113147.jpg

Ook déze mythische strijd of strijdmythe is waar.
De nieuwe christelijke wereld zal moeten bevochten worden op de antichristelijke tegenmachten, die de spot zullen drijven met hun ‘vijand’.
Maar Bendgate IS natuurlijk deze strijd niet, het weerspiegelt alleen deze strijd.
En die gespiegelde strijd heeft iets buitengewoon menselijks.
Het is namelijk een … humoristische strijd.
Op de sociale media, dat wil zeggen in de schijnwereld van de smartfoon, wordt dezer dagen duchtig de draak gestoken met de Apple-mythe.
Het begrip Bendgate alleen al is kostelijk.
Much ado about almost nothing.
En men wéét het.

20140927-113243.jpg

Er is dus nog hoop.
Bendgate is een voorbeeld van hoe er in een schijnwereld, een door en door mythische wereld, toch een besef leeft van dat schijnkarakter.
Het is nog geen wakker bewustzijn, het is nog geen ontwaken voor de echte realiteit.
Maar het is een begin.
En het is onweerstaanbaar grappig.
Het is zonder meer … geestig.

20140927-113419.jpg

20140927-113438.jpg

20140927-113512.jpg

20140927-113533.jpg

20140927-113546.jpg

20140927-113557.jpg

20140927-113609.jpg

20140927-113628.jpg

20140927-113637.jpg

Een Pad in de korf

Fnac start haar Back to School campagne met het beeld van een lessenaartje en een stoel.
Ik had u dat beeld graag willen tonen, maar om de een of andere reden wil de foto niet op mijn blog verschijnen.
Hoe zou je zelf zijn!
Het werkblad van de lessenaar is namelijk een … iPad.
Jawel!
Moderne coole kindertjes worden verondersteld op een iPad te leren, en die iPad kunnen ze kopen bij Fnac.
Je kunt daar ook het boek ‘Digitale Dimensie’ kopen, maar daar wordt geen reclame voor gemaakt, en zeker niet op manshoge affiches zoals voor de school-iPad.
Aan boeken valt immers veel minder te verdienen.
Geen enkel kind zaagt zijn ouders de oren van het hoofd om … een boek.
Om iPads daarentegen…
En iPods, en iPhones!

Ja, de kortste weg naar de portemonnee van de ouders loopt via de kinderen.
Daar hoeven ze bij Fnac geen boeken voor te lezen.

is te koop bij Fnac, maar zelf lezen is er blijkbaar niet bij.
Het zou trouwens geen verschil maken.
Aan een iPad verdien je véél meer dan aan een boek.
En de kinderen?
Die moeten het geld juist uit de zakken van hun ouders kloppen, dummie!

Alweer verkeerd

20130804-095748.jpg

Mijn eerste wapenfeit na een weekje zee was het beantwoorden en daarna zoekmaken van een reactie op ‘vijgen na pasen’.
De zeelucht is blijkbaar niet bevorderlijk voor mijn digitale intelligentie.
Clara Fischman had geschreven dat ze, kruideniersvrouw zijnde, in november altijd malse vijgen uit Turkije kreeg, maar dat ze na pasen altijd droger en harder waren. Vaak hadden ze ook een suikerbad gekregen zodat ze zeker zoet waren.
Of dat ook een uitleg was voor ‘vijgen na pasen’?

Daarop had ik geantwoord:

Ha die Clara,

Ik weet niks af van de groeiwijze van vijgen en heb dus geen idee waarom ze na Pasen droger en harder worden. Misschien zit Christus er wel voor iets tussen, want hij vervloekte de vijgenboom vlak voor Pasen.
Metaforisch gezien kan het echter wel kloppen.
De vijgenboom is van oudsher het symbool van natuurlijke helderziendheid. Zie onder meer Boeddha, die de verlichting bereikte onder een vijgenboom. Maar sinds Christus kan en mag de natuurlijke, aangeboren helderziendheid geen rol meer spelen in de menselijke samenleving. Ze moest vervangen worden door de Logos, door het heldere denken.
Vandaar die ‘vervloeking’ en de daarop volgende ‘verdorring’.
Maar vandaag is het eerste – rationele – stadium van de ontwikkeling van de Logos afgelopen en dient er een tweede fase in te gaan. De moderne mens moet weer helderziend worden, dat wil zeggen: hij moet zijn heldere denken uitbreiden van de materiële wereld tot de geestelijke wereld.
Er moeten, metaforisch gesproken, dus weer vijgen aan de vijgenboom groeien. Maar het mogen niet meer de oude, instinctieve ‘vijgen’ zijn, het moeten nieuwe, bewust gevormde inzichten zijn.
Je kunt ‘vijgen na pasen’ dan ook op twee manieren interpreteren.
Als het gaat om oude, instinctieve vijgen, dan zijn ze passé. Ze zijn niet meer van deze tijd, de tijd na Christus, de tijd na het grote Pasen in de mensheidsontwikkeling.
Als het echter gaat om nieuwe vijgen, dan spreekt het vanzelf dat ze aanvankelijk veel harder en droger zullen zijn dan de oude vijgen. Ze moeten immers geboren worden uit het vrije, bewuste denken, en dat is momenteel zeer hard en droog, dat wil zeggen zeer abstract en bloedeloos. Het wordt doorgaans gedrenkt in een suikerbad van sentimentaliteit om het nog enigszins verteerbaar te maken, maar een beetje kruidenier laat zich daardoor niet bedotten. De echte vijgen na pasen komen niet uit Turkije …

Waarna ik alweer iets verkeerds deed.

Digitale dementie (2)

20130726-110338.jpg

Ladies and gentlemen, fasten your seatbelts!

Bij uitgeverij Atlas Contact verscheen dit jaar het boek ‘Digitale Dementie’ van Manfred Spitzer, een professor doctor die volgens de achterflap een van Duitslands belangrijkste geheugenonderzoekers is. De man studeerde medicijnen, psychologie en filosofie. Hij doceerde aan Harvard University en is momenteel directeur van een psychiatrische universiteitskliniek.

Zijn boek kan als volgt worden samengevat:

‘Wie wil dat zijn kinderen dom, dik, asociaal, afgestompt, gewelddadig, verslaafd, depressief en voortijdig dement worden, moet ze een computer kopen.’

Deze kernachtige boodschap onderbouwt de professor tot vervelens toe met studies, onderzoeken en experimenten. En ze zeggen allemaal hetzelfde: computers (laptops, tablets, smartphones) zijn slecht voor kinderen. En hoe jonger de kinderen, des te slechter. Voordelen zijn er niet. Daar is de wetenschap het al lang roerend over eens.

Maar, zult u vragen, als het wetenschappelijk vaststaat dat computers slecht zijn voor de mentale, gevoels- en wilsmatige ontwikkeling van de mens, hoe komt het dan dat het gebruik van digitale media voor de scholen zo massaal gepromoot wordt?

Manfred Spitzer geeft drie redenen.

De eerste (en belangrijkste) is: geld.
De producenten van digitale media verdienen gigantisch veel geld. Er bestaat geen koopwaar uit die prijsklasse die zo’n kort leven beschoren is (een drietal jaar) en die dus voortdurend moet vervangen worden. Met al dat geld betalen de bedrijven reclamecampagnes en bedrieglijke onderzoeken.

De tweede reden zijn de media.
Zij gaan zichzelf niet in de voet schieten door anti-reclame te maken voor digitale media. En dus wordt er niet of nauwelijks ruchtbaarheid gegeven aan wat de wetenschap zegt over de gevolgen van computergebruik.
Het moet gezegd: ik heb ‘Digitale Dementie’ nergens vermeld zien staan in de kranten. Ik lees ze wel niet systematisch, dus ik kan het gemist hebben, maar het verschijnen van een boek als dit zou groot nieuws moeten zijn. Het zou alle mogelijke aandacht moeten krijgen omdat het hier gaat om een kapitaal probleem van volksgezondheid. De kwalijke gevolgen van vroegtijdig en frequent computergebruik voor de lichamelijke en geestelijke gezondheid van de bevolking zijn gewoon niet te becijferen.

De derde reden zijn de politici.
Ze willen de media niet tegen zich in het harnas jagen, en dus zwijgen ze over de kwalijke invloed van de digitale media. Meer zelfs, ze juichen het gebruik ervan toe en verklaren onomwonden dat er geen gevaren zijn, hoewel ze zeer goed weten dat die er wél zijn.
Maar ja, zegt Manfred Spitzer, kinderen gaan niet stemmen en dus trekken de politici zich niks van hen aan. Ze behandelen kinderen als vee, niet als mensen die met respect dienen behandeld te worden.
Zelfs mensvriendelijke ngo’s als Amnesty International en Greenpeace houden hun mond.
Ik zie, zegt Manfred Spitzner, geen enkele maatschappelijk relevante instelling die ons attent maakt op de negatieve gevolgen van digitale media voor onze gezondheid.

De brave man heeft het duidelijk heel moeilijk met deze ‘trahison des clercs’ en hij moet zijn uiterste best doen om niet cynisch te worden:

“Stel je voor: ze lijden allemaal aan digitale dementie en niemand heeft wat door!’ Alleen een cynicus zal denken dat het ook niet anders kán, want het hoort immers bij het beeld van dementie dat je kritiekloos wordt, dat je niet meer goed kunt nadenken en dat je niet goed meer snapt wat er in je omgeving gebeurt. En omdat we allemaal al digitaal dement zijn, merkt niemand wat en wordt er ook niet geprotesteerd.
Maar tegen die cynicus zeg ik: de situatie is weliswaar ernstig, maar als de zaak al hopeloos was, had ik dit boek niet geschreven.”

Manfred Spitzer blijft positief, maar echt overtuigend is zijn goede moed niet.

‘Omdat dit mijn tweede mediakritische boek is, weet ik nu al wat ermee zal gebeuren, we leren immers van onze ervaringen.’
Hij vertelt hoe hij na zijn eerste boek overstelpt werd met leugens, verdachtmakingen en scheldpartijen, die er uiteindelijk toe leidden dat er niks gebeurde.
En na zijn tweede boek zal het niet anders zijn.

Een paar bladzijden later beschrijft hij de kwalijke invloed van de digitale media als volgt:

‘Een vicieuze cirkel van controleverlies, voortschrijdend mentaal en lichamelijk verval, het afzakken op de sociale ladder, vereenzaming, stress en depressie begint, die onze kwaliteit van leven beperkt en zorgt dat we jaren eerder overlijden.’

Ten slotte stelt hij de vraag: wat kunnen we doen?

En hij besluit zijn alarmerende boek met … een lijstje van praktische tips:

Eet gezond!
Beweeg dagelijks een half uur.
Probeer minder te piekeren.
Maak haalbare plannen.
Help anderen.
Geld maakt niet gelukkig.
Luister af en toe eens naar muziek.
Zing!
Glimlach!
Wees actief.
Houd het leven eenvoudig.

En last but not least: mijd digitale media!

Het is allemaal goedbedoeld,
en het is ongetwijfeld waar,
maar … het klinkt zo futiel.

De boodschap die Manfred Spitzer niet wil meegeven,
geeft hij tussen de regels door toch mee.
En die boodschap luidt dat we gevangen zitten in een vicieuze cirkel.

Steeds meer kinderen maken op steeds jongere leeftijd gebruik van digitale media.
Spitzer geeft het voorbeeld van Duitsland, waar om 10 uur ’s avonds nog 800.000 kleuters voor tv zitten. Zelfs om middernacht zijn het er nog altijd 50.000.
In Amerika is het nog erger.
Daar staat de tv altijd aan: 24 uur per dag, van wieg tot graf.
Als die kleuters vervolgens naar school gaan (vaak nadat ze ’s morgens al een portie tv achter de kiezen hebben) wordt hen daar een laptop voor de neus geschoven, niet zelden gratis ter beschikking gesteld door de bedrijven of de overheid. Binnen de kortste keren zijn de kinderen verslaafd aan hun computer, een verslaving waar ze waarschijnlijk hun leven lang niet meer vanaf zullen raken. Tenzij ze terecht kunnen in gespecialiseerde ziekenhuizen voor computerverslaafde kinderen.

De gevolgen van deze verslaving zijn zonder meer desastreus voor de ontwikkeling van de hersenen.
De menselijke hersenen ontwikkelen zich namelijk zeer langzaam, in tegenstelling tot de hersenen van dieren. En de grondslagen voor die – in feite levenslange – ontwikkeling worden in de vroege jeugd gelegd.
Worden die grondslagen aangetast – zoals het geval is met vroegtijdig computergebruik – dan is de mens in feite voor de rest van zijn leven mentaal gehandicapt.

Dat is wat Manfred Spitzer bedoelt met ‘digitale dementie’.
Reeds van in de wieg (sommige baby’s kunnen niet meer slapen zonder hulp van tv of computer) worden de hersenen aangetast. Ze worden onvoldoende gevormd of ze verschrompelen zelfs, waardoor al heel vroeg de basis voor dementie wordt gelegd.
De titel van zijn boek is dus niet figuurlijk bedoeld.
Spitzer bedoelt het letterlijk.
Zowat zijn hele boek gaat over de hersenen, de hersenen die alles aansturen.
En juist die hersenen zijn het grote slachtoffer van de digitale media.
Dat is al honderd keer bewezen.
Iedere wetenschapper weet dat.
Iedere politicus weet dat (of zou het moeten weten).
Maar er gebeurt niets.

Manfred Spitzer schrijft zijn boek en hij weet wat er zal gebeuren: niets.
Hij is met andere woorden machteloos, ondanks zijn autoriteit, ondanks het feit dat hij een wetenschappelijk tv-programma presenteert.
Hoe machteloos moet de gewone man dan wel niet zijn!
En juist die machteloosheid veroorzaakt, meer dan wat ook, stress.
En die stress veroorzaakt op zijn beurt hersenschade.
Stress vernietigt hersencellen.

Spitzer vertelt over een experiment met ratten.
Een rat zit in een kooi en krijgt via de bodem af en toe een electrische schok.
De rat kan die pijnlijke schok vermijden door een knop aan te raken als er een lampje gaat branden. Hij moet dan wel snel reageren, want er zit niet veel tijd tussen het oplichtende lampje en de electrische schok.
Naast de rat, in een aangrenzende kooi, zit er nog een andere rat.
Als de eerste rat een schok krijgt, krijgt de tweede er ook een.
Maar de tweede rat heeft geen lampje en geen knop.
Hij kan niks doen om de schok te vermijden.

De vraag is nu: welke van de twee ratten staat onder stress?
Het antwoord ligt voor de hand: rat nr 1.
Want die moet er voortdurend op bedacht zijn dat het lampje gaat branden en dan moet hij zich reppen naar het knopje.
Hij is dus nooit op zijn gemak.
Rat 2 daarentegen hoeft niks te doen, hij kan toch niks aan de situatie veranderen.
Hij is machteloos en moet er zich wel bij neerleggen.

Kijk, dit is het mooie van de wetenschap: zij vertelt ons dingen die we nog niet wisten.
Het is namelijk niet rat 1 maar rat 2 die onder stress staat!
Na onderzoek bleek rat 2, die alles over zich liet gaan, alle bekende stressverschijnselen te vertonen: hoge bloeddruk, maagzweren, groeistoornissen, impotentie, infectieziekten, kankergezwellen en last but not least afgestorven hersencellen.
Rat 1 daarentegen, die voortdurend alert moest zijn, bleek helemaal géén stress te vertonen!
En de reden was: hij was niet machteloos, hij kon iets veranderen aan zijn situatie!

De vicieuze cirkel waarin we gevangen zitten, ziet er dus als volgt uit:

Onze omgang met digitale media veroorzaakt dementie.
We weten dat.
Iedereen met een beetje gezond verstand weet dat het niet gezond is om zoveel voor de computer te zitten.
Dat is nu ook door de wetenschap aangetoond met harde bewijzen.
We weten dus met zekerheid dat we de omgang – zeker van kinderen – met digitale media drastisch moeten terugschroeven, anders worden we met zijn allen langzaam dement.
En toch kunnen we het niet.
De overmacht van de digitale media is te groot.
We staan machteloos.
En juist die machteloosheid veroorzaakt op zijn beurt dementie.
Ze veroorzaakt de stress die hersencellen doet afsterven.

We worden dus dement door voor de computer te zitten,
en we worden dement door ons daartegen te verzetten.

We zitten met andere woorden als ratten in de val.

Manfred Spitzer vecht moedig tegen de digitale draak.
Maar hij kan zijn machteloosheid niet verbergen.
Hij weet dat het een uitzichtloze strijd is.
Wie zijn boek leest, begrijpt dat hij niet kan zwijgen.
Het is zijn morele plicht, als wetenschapper en ouder, om te waarschuwen voor het gevaar van digitale dementie.
Maar juist door te waarschuwen bevordert hij de dementie, want na de lectuur van zijn boek voelt een mens zich machtelozer dan ooit.
En dus gestresseerder.
Wat hem alweer een paar tienduizenden hersencellen kost.

Ik heb verleden week in een opwelling gezegd: koop dit boek, lees dit boek!
Het is een boek dat iedereen moet lezen.
Dat vind ik nog altijd.
Maar nu ik het helemaal gelezen heb, ondervind ik aan de lijve het vreselijke dilemma van Manfred Spitzer:

Het is immoreel om hierover te zwijgen,
maar door erover te spreken, bevorder je datgene waarvoor je waarschuwt.

Anders gezegd: de lectuur van ‘Digitale Dementie’ veroorzaakt dementie!

Wat nu gedaan?

Dit los je niet op met een lijstje ‘praktische tips’.

Zou dat wellicht de reden zijn waarom niemand iets doet?
Mensen voelen dat Manfred Spitzer hen als ratten in de val lokt en dan zegt:
Het is erg, ik weet het, maar we moeten positief blijven!
En dan komt hij af met zijn praktische tips.
Doekjes voor het bloeden.

De waarheid is dat Spitzer het probleem heel scherp stelt, maar er geen oplossing voor heeft.

Is dit niet hetzelfde dilemma waarvoor je staat als je verneemt dat je man, of je vrouw, of zelfs je kind (dementie begint steeds vroeger) Alzheimer heeft?
Wat moet je dan doen: moet je het hem/haar vertellen of niet?
Wat is het ergste: dement worden en het niet beseffen of dement worden en het wél beseffen?
Dat is een vreselijk dilemma.
Maak je het lijden niet nog (veel) erger door iemand te vertellen dat hij dement wordt?
Is het niet beter om dat te verzwijgen en de zieke langzaam in vergetelheid te laten wegzinken?

In feite is de grote vraag: weet een dementerende wat er met hem aan de hand is of weet hij dat niet?
Kan hij op de een of andere manier tegenover zijn falende hersenen gaan staan of verdwijnt dat vermogen samen met die hersenen?

Dementie confronteert ons met de vraag naar het menselijk bewustzijn:
valt dat bewustzijn samen met onze hersenen of niet?
Is het een louter materieel fenomeen of is het wellicht meer?

En hier bereiken we de kern van de onmacht, de motor van de vicieuze cirkel.
Als we inderdaad ons brein ZIJN, dan is er geen uitweg uit de impasse.
We zullen dan met zijn allen verder dementeren.
En we zullen er niets kunnen aan doen, want we zullen het niet beseffen.
Een boek als dat van Manfred Spitzer is dan als een laatste stuiptrekking van onze hersenen.
Het doet ons beseffen dat we dement worden, maar door de schok raken we zoveel hersencellen kwijt, dat we meteen weer vergeten zijn dat we aan het dementeren zijn.
We wíllen er ons ook niet bewust van worden, want dan wordt alles nog erger.
We wíllen met andere woorden dementeren,
om verlost te worden van dat ondraaglijke lijden,
om niet bewust te moeten aftakelen,
om niet machteloos het einde te zien naderen.

Manfred Spitzer ergert zich blauw wanneer het ministerie van Volksgezondheid hem zegt:
‘Onze wereld is zoals hij is, daar kunnen we niets aan doen.’
Maar in feite trekt het ministerie Spitzers eigen woorden logisch door.

Al in het begin van zijn boek, op pagina 49, schrijft hij:

‘Dankzij uw mentale activiteit verandert uw brein voortdurend. Daarom hébt u niet een brein, zoals u een hart en twee nieren hebt. Nee, u bént uw brein!
Wat u bent, dat is niet het lijfelijk omhulsel dat u in de spiegel ziet, maar uw leven, uw ervaringen. En die zetelen in de hersenen.’

In feite zegt het ministerie wat Spitzer zelf niet durft te zeggen, namelijk:
Als wij onze hersenen ZIJN, wie zou dan iets aan hun dementie kunnen veranderen?
Er IS buiten die dementerende hersenen gewoon niemand!
Er is geen eigenaar.
Dat zegt Manfred Spitzer zelf.
Dat is de – materialistische – grondslag van zijn hele denken.

En daar zit natuurlijk de knoop.
Als wij geen hersenen HEBBEN, maar hersenen ZIJN, dan is de toestand hopeloos.
Dan kunnen we alleen maar verder dementeren.
Tot we nergens meer van weten.

Manfred Spitzer is intelligent genoeg – of moet ik zeggen: nog niet dement genoeg? – om dat te voelen.
Hij is een gekweld man.
Hij voelt dat er iets niet klopt.
Iemand als Dick Swaab voelt dat niet meer.
Aan zijn vergenoegde glimlach kun je aflezen dat hij al ‘over de grens’ is.
Al verging de wereld, hij zou nog blijven glimlachen.
De glimlach van de idiot savant.

Manfred Spitzer is geen idioot. Nog niet.
Hij heeft nog een hart.
Hij lijdt onder de hele situatie.
Maar hij slaagt er niet in om zich te bevrijden van de materialistische waan dat mensen hun hersenen ZIJN.

Op pagina 51 schrijft hij:

‘Het woord dementie is afgeleid van het Latijnse ‘de’ (ont-) en ‘mens’ (geest). Letterlijk vertaald betekent dit dus: ontgeesting.’

Maar geen moment komt het bij hem op dat geest werkelijk geest betekent, dat wil zeggen: iets totaal anders dan die anderhalve kilo dode materie die de hersenen zijn.

Hij is een overtuigd wetenschapper, maar hij staat er geen moment bij stil dat de wetenschap nog nooit – zelfs niet bij benadering – heeft kunnen aantonen of begrijpen hoe uit iets doods (materie) iets levends zou kunnen ontstaan, laat staan iets levends dat ook nog eens begiftigd is met bewustzijn.

Manfred Spitzer denkt precies hetzelfde wat Eben Alexander – die andere hersenspecialist – ook dacht voor zijn bijna-doodervaring.
En daar ligt het verschil tussen beide.
Daar ligt ook (het begin van) de oplossing, het grote keerpunt:
in de dood van de hersenen.
Pas als de hersenen het helemaal laten afweten en blijkt dat er nog leven en bewustzijn is BUITEN de hersenen,
pas dan zullen mensen rechtsomkeer maken,
pas dan zullen ze afstand nemen van die verschrompelende hersenen
en het daarop geënte materialistische denken.

Het is natuurlijk een paardenmiddel: wachten tot iedereen hersendood is en dan kijken wie het overleeft (en een blik heeft geworpen op ‘de andere kant’).
Het is onze eer als mens te na als we het zover laten komen.

Want we kunnen ook ‘sterven’ zonder dood te gaan.
Ik heb daar verslag over gedaan in ‘Home, sweet home’.
Ik ben toen een vrije keuze gemaakt,
en dat was een doodservaring.
Uiteraard niet in fysieke zin, maar wel gevoelsmatig.

Een vrije keuze maken betekent niet: zomaar willekeurig iets kiezen.
Want dan schakel je je bewustzijn uit.
Een vrije keuze maken betekent: bewust weten waarom je iets kiest.
Zonder dat bewustzijn is er geen echte vrijheid.
Maar juist dat bewustzijn van de onmogelijke keuze – in dit geval tussen spreken en zwijgen, tussen bewust dementeren en onbewust dementeren – is een doodservaring.
Je beleeft dan de totale onmacht van het hersendenken.
En als je dan niet wegvlucht in bewusteloosheid,
maar die onmacht bewust doorleeft, met alle zielekwellingen die erbij horen,
dan gaat in die duisternis een lichtje branden.
Dan ontstaat er een bewustzijn dat zich verheft boven dat hersendenken,
een bewustzijn dat in beelden leeft,
een bewustzijn dat rechtsomkeer maakt.

Want we zijn aan een grens gekomen.
Voorbij die grens begint de weg naar de dood,
de langzame dementering, de stelselmatige aftakeling van het menszijn.
En hoe verder we op die weg gaan, des te moeilijker wordt het om nog terug te keren.
Want we zullen steeds minder beseffen dat we bergaf gaan,
integendeel,
we zullen er steeds meer van overtuigd raken dat we op weg zijn naar de top.
Hoe dommer we worden, des te verstandiger zullen we onszelf vinden.
Hoe meer we dementeren, des te meer zullen we de gezonden van geest beschouwen als … dementerenden.
De vicieuze cirkel die Manfred Spitzer schetst, zal almaar groter worden en apocalyptische vormen aannemen.

Daarom is het zaak om nu te beslissen, nu we nog over genoeg hersencellen beschikken.
We moeten kiezen tussen de steile weg omhoog en de brede boulevard omlaag.
Tussen vrijheid en dementie,
Tussen de bewuste doodservaring op de ‘schedelplaats’,
en de onbewuste aftakeling in een instelling voor dementerenden.
en de brede boulevard van de langzame dementering.
En die keuze kunnen we alleen maken wanneer we beide opties duidelijk naast elkaar zien staan.

Wanneer we Manfred Spitzers boek kritisch lezen en doordenken, lijkt het alsof we geen keuze hebben.
Zijn lijstje met ‘praktische tips’ is geen echt alternatief.
Het kan de vicieuze cirkel niet stopzetten, integendeel.
Wat we nodig hebben, is een wetenschap van de geest,
een wetenschap die de mogelijkheid van de vrijheid onderzoekt, even grondig als Spitzer de hersenen onderzoekt.
Pas als die twee wetenschappen – een materialistische wetenschap en een geesteswetenschap – naast elkaar staan, kunnen we een echte keuze maken.

En dan zullen we nooit kiezen voor het onvermijdelijk tot dementie leidende materialisme.
We zullen dan met hart en ziel kiezen voor een levenwekkende geesteswetenschap.
En we zullen dat doen in het volle besef dat het materialisme nodig was,
om vrij te kunnen kiezen,
om bij volle bewustzijn te kunnen kiezen voor de geest.

En dan zullen we Manfred Spitzer niet zien als een tragische figuur die zijn eigen boodschap om zeep helpt, maar als een moedige strijder voor de waarheid, een waarheid die hij net niet kan bereiken omdat hij nog te veel vastzit aan zijn hersenen.

20130726-110534.jpg

Bijten in de Apple

Ik heb in mijn leven al heel wat tijd in boekhandels gesleten.
Het is nog altijd één van de geneugten in mijn leven.
Ik spring dan op mijn fiets en rijd langs de Schelde naar Gent, in blijde verwachting van alles wat ik te zien zal krijgen.
Ik neus dan op goed geluk tussen de nieuwste uitgaven.
Ik neem ze vast, blader erin, ruik er eventueel eens aan (sommige boeken stinken!), lees enkele zinnen, kijk eens naar de foto op de achterflap, monster de afwerking, en leg het dan meestal terug.
Wie weinig geld heeft, moet kieskeurig zijn.
Anders zou ik waarschijnlijk elke week met vijf boeken thuiskomen.
Minstens.
Mijn huis zou nooit groot genoeg zijn om ze allemaal te kunnen bevatten.
Nochtans ben ik geen bibliofiel.
Ik ben niet gehecht aan boeken.
Toen we naar Destelbergen verhuisden, heb ik er een paar honderd weggegooid.
Hup, de container in!
Dat luchtte op.
Later heb ik daar wel eens spijt van gehad, maar nooit lang.
Ach, boeken genoeg!

Nu is er echter een probleem opgedoken.
Ik kan niet meer gaan rondneuzen in de nieuwste antroposofische boeken.
Er zijn gewoonweg geen boekhandels meer waar je ze kunt vinden.
Toch niet in Gent.
In Brugge ook niet.
En in Antwerpen sluit de enige antroposofische boekhandel van het land – De Kleine Prins – zijn deuren.
Elders zal het wel niet beter zijn.

Geen probleem, vinden mijn kinderen.
Er is toch internet?
Daar vind je véél meer boeken dan in de boekhandel,
en bovendien komen ze ze thuis afleveren.
Je hoeft het huis niet meer uit.
Tja.
Het klinkt allemaal heel rationeel.
Maar ik mis het ritueel.
Ik mis de beelden.
Ik mis de werkelijkheid.
Het fietsen, de uitstap, het keuren van de uitgestalde boekwaren, het bladeren, het tasten, het ruiken, kortom het hele zinnelijk-zintuiglijke aspect.
Hoort dat er allemaal niet bij?

Ik heb er een hekel aan om op een computer teksten te lezen.
Vraag me niet waarom.
Papier is veel rustgevender.
Beeldschermen zijn als het ware ‘geestelijk’:
alles wat erop verschijnt, bestaat uit louter lichtpuntjes.
Het is niet echt.
Echt is zintuiglijk.
Echt is zinnelijk.
Al de rest is zin-loos.
En daar hou ik niet van.
Er is al genoeg zinloosheid in de wereld.

Maar zie: les extrêmes se touchent.

Onlangs ben ik eens modern en rationeel geweest,
omdat het niet anders kon.
Ik heb 2 antroposofische boeken via internet besteld.
Gewoon: tik, tik, tik, tik en dan wachten op de facteur.
Nou ja, gewoon.
Ik heb het aan An gevraagd.
Ik snap namelijk nog altijd niet hoe je op internet iets moet bestellen.
Ik wil het waarschijnlijk niet snappen.
Ik heb er een godsgruwelijke hekel aan.
Ik rijd liever 20 kilometer met de fiets dan dat ik – tik, tik, tik – iets op internet bestel.
Noem me middeleeuws, maar ik kan/wil niet zonder de zin van het zintuiglijke.

Vanmorgen waren de bestelde boeken er opeens.
Ik kon het nauwelijks geloven.
Van tik, tik, tik op een glazen scherm tot 2 papieren boeken in je handen, dat vind ik een grote afstand.
Die kan ik met mijn verstand misschien (misschien) nog overbruggen, maar met mijn ziel niet.
Die begrijpt er niks van.
Maar ze moest wel lachen toen ze dat postpakket openmaakte.
Dat ging namelijk als volgt:

Fase 1

20130723-140422.jpg

Fase 2

20130723-140528.jpg

Fase 3

20130723-140604.jpg

Fase 4

20130723-140647.jpg

Fase 5

20130723-140722.jpg

Geef toe: dat is toch om te lachen?

Zit ik hier heel cool en eigentijds op een iPad te tikken, en ergens in Duitsland moet een arme drommel aan de slag met krantenpapier, inpakpapier, karton, plakband en schaar.
Als u heel goed kijkt op de eerste foto, dan zult u merken dat BELGIEN op een heel smal en ongetwijfeld met de hand uitgeknipt strookje papier staat dat er achteraf is opgeplakt.
Modern?
Eigentijds?
Efficiënt?
Met die supercoole internethandel heeft het ouderwetse ambacht van knippen, plakken en inpakken weer zijn intrede gedaan.
Of: we gaan een stap vooruit en tegelijk doen we er een achteruit.

Ik begin te begrijpen waarom ik zo gehecht ben aan het zintuiglijke, tastbare ritueel van het gaan-kopen-van-boeken-in-de-winkel.
Het is niet alleen zinvoller.
Het is ook menselijker.

Want terwijl al die moderne, efficiënte, coole mensen op hun computer zitten te tikken,
zijn er elders in de wereld honderden, duizenden en misschien wel tienduizenden mensen aan het inpakken,
eerst in krantenpapier,
dan in bruin inpakpapier,
dan in karton,
en ten slotte met schaar en lijmpot.
Of zou dat laatste een apart ambacht zijn?

Ik heb te doen met die arme inpakkers.
Ik vermoed dat ze niet dik betaald worden.
Ik vermoed ook dat hun sociale status niet zo groot is als die van de tik,tik,tik-jongens.

En het ergste van al is dat zij een pars pro toto zijn.

Terwijl wij hier allemachtig modern en cool zitten te wezen met onze computers zijn er aan de andere kant van de wereld miljoenen arme sloebers in de weer met zeer ouderwets en uncool materiaal.
Hoogstwaarschijnlijk doen ze van ’s morgens tot ’s avonds niks anders, en hoogstwaarschijnlijk doen ze het voor een habbekrats.
Dat is de keerzijde van onze coolheid: mensen die zich in het zweet voor ons werken.
Dat is de achterkant van onze rijkdom: slavernij.

En dan vinden ze mij ouderwets met mijn gehechtheid aan de zintuiglijkheid der dingen!

Digitale dementie

Digitale dementie is de titel van een net verschenen boek van de Duitse hersenonderzoeker en psychiater Manfred Spitzer. In dit boek, dat momenteel in Duitsland een bestseller is, wordt op basis van 400 verschillende wetenschappelijke onderzoeken aangetoond dat het gebruik van computers en i-Pads bij kinderen in het onderwijs geen onverdeelde zegen is. Sterker nog, Spitzer beweert dat het IQ van kinderen de laatste jaren als gevolg van digitale media niet meer stijgt maar daalt. Verder dat bij kinderen de nog in ontwikkeling zijnde hersenen, door veelvuldig gebruik van deze digitale schoolmiddelen, beschadigd raken en verschrompelen. Vandaar de huiveringwekkende term digitale dementie.

Recent hersenonderzoek heeft aangetoond dat de hersenen nog uitgroeien tot ongeveer het 26e-27e jaar. Specifieke hersengebieden, die nodig zijn voor planning en morele afwegingen, komen pas het laatste aan bod. Populair is in dat verband de term Puberbrein, waarmee wordt aangeduid dat jonge hersenen anders zouden functioneren dan die van volwassenen.

Spitzer noemt nog andere gevaren. Zo zou deze elektronica voor kinderen eigenlijk een vorm van kindermishandeling zijn. Net als bij het gebruik van alcohol zou ook elektronische apparatuur een duidelijk leesbare sticker en bijsluiter moeten krijgen: “Gevaarlijk voor de kindergezondheid”! Niet alleen het te meten IQ gaat achteruit, maar de digitale media leiden ook tot ernstige aandoeningen als spraak- en leerproblemen, aandachtsstoornissen, stress en depressie, risico op verslaving en slechte schoolprestaties en vandaar de angstaanjagende term digitale dementie.

(Ruud Thelosen)

20130629-140030.jpg