Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Categorie: nieuws & actualiteit

De Verlosser van Tsjernobyl

  

(door Jens Mühling)

Toen het gebeurde heette Vader Nikolaj nog niet Vader Nikolaj. De zone heette nog niet de zone. Tsjernobyl heette Tsjernobyl, maar daarmee werd een stad bedoeld, geen catastrofe. God heette God, maar men noemde hem liever niet bij zijn naam.

Kernenergiecentrales doen aan splijting, daarvoor zijn ze er. Deze ene echter, in wiens schaduw vader Nikolaj leefde, en die Tschernobylskaja Atomnaja Elektrostanzija ‘Lenin’ werd genoemd, deze ene spleet alles: levenswegen, families, namen. En ook de tijd. Pas daarna wist men dat er ook een daarvóór was geweest.

Vader Nikolaj heette toen het gebeurde Nikolaj Jakuschin. Hij werkte in een coöperatie van landbouwmachines, hij was ingenieur. Een ingenieur weet hoe een kerncentrale functioneert. Heeft de kerncentrale een ziel? Hoe kan hij nu een ziel hebben, vroeg vader Nikolaj zich af, hij is immers zonder ziel gebouwd? Met zijn vlakke hand sloeg Vader Nikolaj op het stuur van zijn Opel, bouwjaar ’94. De Opel was oud, maar hij hield het nog steeds uit. Waarom? Omdat hij in Duitsland is gebouwd. Omdat hij met een ziel is gebouwd. ‘Wij’, zegt Vader Nikolaj, op de schoorstenen wijzend en op de elektriciteitsmasten en op de prikkeldraadpalen en op alle andere resten van de sovjet-tijd, ‘wij hebben 70 jaar lang gebouwd en gebouwd en gebouwd. Maar wij hebben dat zonder ziel gedaan.’

Tsjernobyl, voorjaar 2011. De sneeuw bedekt nog steeds de Noord-Oekraïensche laagvlakte, maar weldra zal hij smelten. Dan zullen de voetstappen weer verdwijnen en de bandensporen, die het stadje Tsjernobyl ingaan en er weer uit gaan. Maar dat zijn er niet veel. Vijfentwintig jaar geleden stak men een passer in een landkaart en trok men een cirkel. Al cirkelend sneed deze 4300 vierkante kilometer wereld van de rest van de wereld af. Drie concentrische cirkels met prikkeldraad omgeven het Niemandsland: de 30-kilometer-zone, de 10-kilometer-zone en de zone van de centrale. In het midden staat een sarcofaag. Hier ligt onder duizenden tonnen beton en staal begraven: blok 4, ontploft op 26 april 1986. Oorzaak van het ongeluk: menselijk falen.

De geigerteller geeft de zone een andere vorm. Minder geordend. Soms piept hij hysterisch, soms zoemt hij zachtjes, een patroon is er niet in te ontdekken. Er zijn dichtbij in de onmiddellijke omgeving van de reactor stille plekken, en er zijn andere veel verder weg liggende plekken, waar de teller ineens verschrikkelijk schril begint te gillen. De meest raadselachtige plek ligt een paar kilometer ten zuiden van de reactor aan het riviertje de Pripjat, tussen de eerste en de tweede ring van prikkeldraad, in de stad die de reactor zijn naam gaf. De stad Tsjernobyl zou van weinig betekenis zijn als de kerk er niet was geweest. Veertig meter hoog reikt de Kerk van de heilige Ilja naar de Oekraïensche winterhemel. Betreed men de kerk, dan verstomt de geigerteller. ‘Het is Gods huis’, zegt vader Nikolaj, ‘de straling dringt hier niet binnen’.

En dat is één van de vele wonderen.

De Jakoeschins waren een priesterfamilie. Nikolaj’s overgrootvader was in dienst van de Kerk van de heilige Ilja, Nikolaj’s grootvader eveneens. Tot de bolsjewieken kwamen. Zij hamerden op de kerkdeur en zeiden: ‘Houd op met bidden, vadertje, de mens heeft geen ziel.’ ‘Ja zeker wel’, zei Nikolaj’s grootvader, ‘de mens heeft een ziel, en die is onsterfelijk’. Toen sloten de bolsjewieken grootvader op in de gevangenis. Toen hij eindelijk vrijkwam was hij heel oud. Dat was zijn geluk. Hij stierf net vroeg genoeg om de zuiveringen door Stalin niet meer mee te hoeven maken. Er is nauwelijks een priester geweest die de terreur van de dertiger jaren heeft overleefd. 

De zoon van deze grootvader, Nikolaj’s vader, werd geen priester. De tijden waren er niet naar. Desondanks werd Nikolaj Januschkin wel gedoopt, heimelijk, thuis. Alle russisch-orthodoxen deden dat, want wie zijn kinderen in de kerk liet dopen, kon zijn baan verliezen. Toen Nikolaj werd geboren, kort voor het einde van de oorlog, was het godshuis gesloten, de plaatselijke kolchose gebruikte haar als graansilo. Zo leerde Nikolaj de kerk van zijn voorvaderen kennen: tot onder de koepel was zij met graan gevuld. Op het plafond verbleekte een bedrukte Christusfiguur, zijn handen meer afwerend dan zegenend naar de korenkorrels uitgestrekt.

Het stadje Tsjernobyl, in het Oekraïens Tsjornobyl genoemd, is oud, oeroud voor hedendaagse begrippen, ook al ziet men het haar niet aan. Er is geen enkel bouwwerk uit de tijd van haar grondvesting overgebleven, eerst werd het stadje door de Mongolen verwoest, later kwamen de Litouwers, de Polen, de Duitsers en tenslotte de Bolsjewieken. Tegenwoordig staan er naast de vierkante bouwwerken uit de Sovjet-tijd nog maar een paar houten huizen, waarvan er geen een ouder is dan tweehonderd jaar. Maar Tsornobyl werd in dezelfde tijd als Kiev gesticht en toen de grootvorst van Kiev zijn onderdanen liet dopen in het jaar 988, behoorden de mensen uit Tsjernobyl tot de eerste christenen van de slavische wereld. 

Wie dit verleden nog kon beleven in de toekomstroes van de Sovjet-Unie, die was niet verbaasd dat nu hier, in Tsjernobyl, duizend jaar na die slavendoop, de tijd aan haar einde kwam, zoals dat was voorzegd in de Apocalyps, het boek der Openbaring: ‘En de derde engel blies op zijn bazuin; en er viel een grote ster uit de hemel, die brandde als een fakkel. En hij viel op het derde deel van de waterstromen en op de waterbronnen. En de naam van de ster was Alsem. En het derde deel van de wateren werd tot alsem, en veel mensen stierven door de wateren omdat ze bitter waren geworden.’ Dit schreef Johannes in zijn Apocalyps hoofdstuk 8 vers 10 en 11. Alsem heet in het Oekraïens: Tschornobyl.

Het was een grauwe ochtend, de laatste ochtend vóór de Goede Week. Nikolaj Jakuschin was op weg naar de markt, hij wilde vis kopen voor de vastenmaaltijd. Toen zag hij uit Kiev grote kolonnes van auto’s in de richting van de kerncentrale rijden, met daarin soldaten, brandweermannen, doctoren en allemaal hadden ze gasmaskers op. De mensen ter plaatse stelden allemaal vragen, maar die werden door niemand beantwoord. Een oefening, dacht Nikolaj Jakuschin, het moet een oefening zijn. Uit de kerncentrale waaide een rookwolk omhoog. 

Op Paasmaandag, negen dagen na het ongeluk, werd Tsjernobyl geëvacueerd. Binnen een dag werd de stad tot weeskind. ‘Het is maar tijdelijk’, zei men tegen de mensen, maar dat geloofde niemand. De oudjes moesten met geweld in de bussen worden gehesen. ‘Waar is die straling dan’, vroegen zij, ‘waar hebben jullie het over, we zien niets!’ Soldaten deden de huizen op slot. Ze verzegelden de kerken. Een stilte spreidde zich uit over Tsjernobyl.

Christus strekte zijn bleke armen uit over het verlaten schip van de kerk. Tussen de planken van de vloer zochten de muizen naar resten van het graan. De wind droeg zaden door de gebroken vensters, onkruid overwoekerde het altaar. Op een dag kwamen er plunderaars. Op zoek naar oud metaal trokken zij door de zone en braken de verlaten huizen open. Zij knoopten een stalen kabel aan de vergrendelde kerkdeur en spanden die achter een tractor. De kabel brak. Het geknapte eind vloog door de lucht, zocht een doel en vond een zondaar. Eén van de plunderaars werd getroffen midden in het gezicht, hij zakte in elkaar, de anderen vluchtten weg. Iedereen in de zone kent het verhaal van de wraak van God.

Nikolaj Jakuschin was met zijn familie geëvacueerd naar Kiev. Af en toe keerde hij terug naar zijn geboorteplaats, dan stond hij voor de kerk en weende. De metalen koepel van de klokkentoren raakte los en wapperde in de wind. De wanden brokkelden af. Wilde zwijnen hadden het kerkhof omgewoeld, de grafkruisen staken scheef omhoog uit de omgewoelde aarde. Op een dag hield Nikolaj het niet meer uit. Hij ging voor de residentie van de bisschop van Kiev staan en wilde niet meer weggaan van die plek totdat de kerkoversten hem hadden aangehoord. ‘De kerk van mijn voorvaderen raakt in verval’, zei hij, ‘die kerk heeft een priester nodig.’ De oversten overlegden samen. Na een maand riepen ze Nikolaj weer bij zich. ‘We hebben gezocht’, zeiden zij, ‘maar wij hebben niemand gevonden. Niemand wil daarheen. Verplaats je zelf in de situatie van die priesters, jij zou je toch ook niet die zone in laten sturen?’ Zo kwam het dat Nikolaj Jakuschin vader Nikolaj werd.

Tien jaar is dat nu geleden. Een tijdlang overlapte zijn oude leven het nieuwe leven. Een ingenieur weet, hoe je een huis herstelt, ook als het een godshuis is. Vader Nikolaj bouwde een steiger. Hij deed een touw om zijn middel en voordat hij het kerkdak op klom maakte hij een kruisteken. De koepel richtte hij zelf weer op. Hij poetste de wanden schoon, zette er nieuwe ramen in, hij haalde het onkruid weg en beschilderde opnieuw de handen van het verbleekte Christusbeeld. Toen alles klaar was zette Vader Nikolaj een grote ikoon voor de achterwand van het altaar. Die ikoon kwam uit Kiev. Een van de opruimers, die na het ongeval door de smeltende centrale waren gekropen, had die laten schilderen. Op een nacht had de man een droom gehad, waarin hem de Verlosser was verschenen. De Verlosser wandelde op de wolken, de wolken zweefden boven de kerncentrale, een ster die alsem heette viel uit de hemel, en in haar licht verzamelden zich de doden en de overlevenden uit de zone. 

De man liet zijn droombeeld schilderen. De voorstelling werd een beetje onorthodox. In de ikonen-schilderingen komen geen gewone mensen voor, en al helemaal geen mensen met gasmaskers. De ikoon van ‘de verlossers van Tsjernobyl’ kreeg desondanks toch de zegen van de kerk, de metropoliet van Kiev wijdde de ikoon hoogstpersoonlijk in. Terwijl hij nog zijn gebeden sprak gebeurde het eerste wonder: een duif vloog dicht langs de beeltenis, bijna streken zijn vleugels langs de verlossers. Toen men het beeld enige tijd later met wijwater besprenkelde, werd de ikoon omgeven door een regenboog, die als een heiligen-aura om hem heen welfde.

Zo ging het verder, wonder na wonder, vader Nikolaj heeft tientallen getuigenissen verzameld. Draagt men de ikoon door de verregende stad, dan klaart de hemel op. Plaatst men haar in een kerk, dan vormt zich om de koepel heen een regenboog. Een verlamde, die vanaf zijn kindertijd zijn arm niet kon gebruiken, bad dagenlang geknield voor de beeltenis, tot hij zijn vingers kon bewegen. Vader Nikolaj is met de ikoon door de halve Oekraïne getrokken, van de Zwarte Zee, langs de Dnjepr, tot aan Tsjernobyl. Diezelfde weg had eens de slaven-apostel Andreas afgelegd. De ikoon bewerkstelligde overal wonderen. Ze hielp de mensen en uit dankbaarheid daarvoor hielpen de mensen vader Nikolaj. Met de roebels die men hem onderweg in zijn buidel wierp, renoveerde hij thuis zijn kerk. 

Toen de kerk gereed was, kwamen de mensen. Eerst kwamen ze uit nieuwsgierigheid, zei vader Nikolaj, niet omdat ze geloofden. Oude mensen waren het die kwamen, die terug waren gekeerd in de zone, om weer in de verlaten dorpen te wonen. Het waren mensen die niet aan straling geloofden of te oud waren om nog bang te zijn voor de dood. Ook kwamen er wachters, die men aan de zonegrens had neergezet. En er kwamen werkers van de centrale, die de wacht hielden bij de verwoeste centrale. Zij vroegen allemaal: ‘Vadertje wat doe je daar?’ ‘Ik bouw een huis’, antwoordde vader Nikolaj, ‘een huis voor God, opdat God naar Tsjernobyl terug kan keren.’ 

En Hij keerde terug.

‘Wie zich in de zone bevindt’, zegt vader Nikolaj, ‘die bevindt zich aan de rand van de dood. Hij heeft angst. Hij denkt na over het sterven, over het Daarna, over de Eeuwigheid. Zo komt God in zijn leven. Als de mensen de zone betreden, kan men van buiten aan hen zien, hoe het er van binnen bij hen toegaat.’ De mensen, die vader Nikolaj in de kerk bezochten, begonnen al gauw vragen te stellen. ‘Wat zal er met ons gebeuren, vadertje? Waarom is dit allemaal gebeurd? Worden wij door God gestraft? Zal hij ons vergeven? En als wij sterven, is het waar, dat onze zielen voortleven?’

‘In de zone’, zegt vader Nikolaj, ‘is momenteel geen enkele ongelovige’. Veel mensen beweren, dat het leven buiten de zone gevaarlijker is dan hier, binnen in haar. Vele mensen die weggetrokken zijn lijden aan ziektes waarvoor de wetenschappers geen namen hebben. ‘Stress’, zeggen de wetenschappers dan, ‘door emigratie veroorzaakte stress, tsjernobyl-stress.’ Veel mensen zijn gestorven aan deze stress, aan hartproblemen, longproblemen, bloedproblemen, hoofdproblemen. ‘Wij daarentegen’, zegt vader Nikolaj, ‘wij hier in de zone hebben een goede gezondheid. God de Almachtige zij geprezen. De oude mensen in de verlaten dorpen sterven, maar zij sterven door ouderdomszwakheid, niet aan ziektes.’ Daarbij drinken ze zelfs het water. Het water uit het riviertje dat langs de centrale stroomt. ‘Wij zegenen het water’, zegt vader Nikolaj, ‘en dan drinken we het’. Hij maakt een kruisteken over de besneeuwde band van ijs van het riviertje Pripjat, ‘In de naam van de Vader’, fluistert hij, ‘en de Zoon en de Heilige Geest. Amen.’

‘Je moet geloven’, zegt vader Nikolaj. ‘met wie gelooft, kan niets gebeuren’.

Vandaag, op de dag van de Opstanding, zal vader Nikolaj de russisch-orthodoxe paasliturgie zingen. Christus is opgestaan uit de dood. Hij heeft de dood overwonnen en de mensen in het graf weer leven gegeven. De hele nacht, tot aan het ochtendgloren zal vader Nikolaj voor de ikoon staan en roepen: ‘Christus is opgestaan!’ En een klein, maar hoorbaar koor zal antwoorden: ‘Ja, hij is waarlijk opgestaan!’ Twee dagen later, op 26 april om 1 uur 23, zal vader Nikolaj de treurklok luiden op het kerkhof. Dat doet hij elk jaar. 25 klokslagen zullen door de zone schallen, één voor elk jaar dat verlopen is. De wetenschappers zeggen dat het 20.000 jaar duurt, voor de mensen mogen terugkeren in de zone. Als de klokken weer verstommen, zullen dat er nog maar 19.975 zijn …

(Bron: http://www.alertgroepen.nl)

Corona (5)

  

Science is the belief in the ignorance of experts. (Richard Feynman)

Tijdens de eerste wereldoorlog, toen miljoenen mensen stierven op het slagveld, werd er in Dornach getimmerd, gebeeldhouwd en geschilderd aan het Goetheanum. Ook tijdens de daaropvolgende katastrofe, toen nog veel meer mensen stierven aan de Spaanse griep, bleef Rudolf Steiner voordrachten geven over de wereld van de geest. Juist in deze tijden, zei hij, is het van belang dat we ons blijven concentreren op het antroposofische werk. Zowel de wereldoorlog als de epidemie waren volgens hem karmische gevolgen van het 19de eeuwse materialisme en zolang dat niet overwonnen werd, zouden de katastrofes elkaar blijven opvolgen. Daaraan moest ik denken tijdens het werken aan mijn beschouwingen over het ontwikkelen van een oog voor kunst. Hoe futiel lijkt het niet om je daarmee bezig te houden in tijden van corona-crisis! Maar kijk, tot mijn eigen verbazing stel ik vast dat mijn conclusies nauw aansluiten bij de huidige situatie waarin we ons blindelings overleveren aan ‘experts’ die de hele wereld op zijn kop zetten.   

Virologen, epidemiologen en bacteriologen buitelen over elkaar en overstelpen ons met hun expertise tot onze oren ervan tuiten. Niet alleen spreken ze elkaar tegen, maar ze veranderen ook geregeld van mening, een beetje zoals wijlen Jan Hoet, die de ene dag zonder verpinken het tegenovergestelde zei van wat hij de dag tevoor nog had beweerd. Het deed niets af aan zijn gezag of geloofwaardigheid, wel integendeel, hij werd op handen gedragen, net als griepcommissaris Marc Van Ranst vandaag. Deze laatste lijkt wel in quarantaine te zitten op de VRT en brengt zijn tijd door met de bevolking te vertellen wat ze moet doen en vooral niet mag doen. Volgens hem zal de toestand nog maanden duren en vallen de drastische maatregelen niet zomaar terug te schroeven. Niet alleen in ons land, maar in heel Europa, ja in de hele wereld zullen mensen nog een hele tijd ‘in hun kot’ moeten blijven en dat terwijl de zon schijnt en iedereen naar buiten wil. 

Zoals dat ook met de klimaatkwestie het geval was, heerst er grote eensgezindheid onder de experts. Tenminste, dat wordt ons voorgehouden. Wie echter een beetje rondkijkt op het internet weet dat die consensus een fabeltje is. Verschillende virologen, en heus niet de eerste de beste, beweren dat de hele corona-pandemie een hoax is, boerenbedrog dus. Ze wijzen er onder meer op dat het dodental niet hoger ligt dan andere jaren. Ieder jaar weer kost de griep het leven aan talloze mensen, meestal bejaarden. Het is een soort jaarlijkse lenteschoonmaak. Wat is er dit jaar dan anders? Vanwaar die wereldwijde paniekreactie? Verleden jaar bijvoorbeeld stierven wereldwijd 650 000 mensen aan de griep. In eigen land waren dat er een kleine drieduizend. Dat waren normale gemiddelden en geen haan kraaide er dan ook naar. Ondanks alle dramatische berichten staan we nog altijd ver van die cijfers af. Maar, waarschuwen de experts, dit is de stilte voor de storm, er zullen mogelijk miljoenen slachtoffers vallen! 

Twintig jaar geleden voorspelden experts dat half Europa vandaag onder water zou staan. Reden genoeg dus om sceptisch te staan tegenover ‘wetenschappelijke’ doemscenario’s. Eén ding is zeker: door luid alarm te slaan over een virus dat tot nog toe vrij onschuldig is gebleken, wordt een virus verspreid dat veel gevaarlijker is: angst. Volgens Rudolf Steiner is angst de beste voedingsbodem voor virussen en bacillen. Hoe angstiger mensen zijn, des te gemakkelijker worden ze geïnfecteerd. Dat zou dus betekenen dat de experts bevorderen wat ze menen te bestrijden. Ze creëren een vicieuze cirkel: hoe meer angst, hoe meer infecties, hoe meer infecties, hoe meer angst. Dat doet opnieuw de vraag rijzen: waarom jagen ze de mensen dit jaar zoveel angst aan en niet verleden jaar of de jaren daarvoor, toen er net zoveel slachtoffers vielen? Wat is het verschil? Is het na de klimaatexperts wellicht de beurt aan de virusexperts om ons de stuipen op het lijf te jagen met hun onheilspellende cijfers, tabellen en grafieken? 

Aan sommige experts, moeten we opnieuw zeggen, want er zijn er ook die beweren dat de remedie erger is dan de kwaal en dat de maatregelen die vandaag getroffen worden (veel) meer ellende veroorzaken dan het virus zelf. Denken we maar aan al die oude mensen die vandaag in eenzaamheid sterven, of aan jonge ouders die samen met hun kinderen opgesloten zitten in hun appartementje, of aan de economische gevolgen die dreigen de hele gezondheidszorg (en nog veel meer) in het gedrang te brengen. Maar, zeggen de experts, dat is de prijs die we moeten betalen om nog groter verschrikkingen te voorkomen! Dan hebben ze in Azië toch betere experts, want daar slagen verschillende landen erin het aantal slachtoffers tot een minimum te beperken zonder dat ze daarvoor een lockdown nodig hebben. Jamaar, roepen de Europese experts, we kunnen de cijfers van die communistische landen niet zomaar geloven! Alsof kapitalistische cijfers wel betrouwbaar zijn en Marc Van Ranst geen communist is …

Wie bepaalt welke experts het voor het zeggen hebben? Net als in de klimaatkwestie wordt ook nu weer een hele groep deskundigen monddood gemaakt. Alleen de angstverspreiders mogen hun mening verkondigen. Dat ligt geheel in de lijn van wat de media nu al decennia lang doen: angst en tweedracht zaaien, afwijkende meningen doodzwijgen of belachelijk maken. Daar plukken we nu de vruchten van: de angst sleurt iedereen mee. Landen die een eigen aanpak voorstaan, worden gedwongen hun standpunt te herzien. Overal moeten individuele reacties wijken voor de grote, collectieve angstreactie. Krijgswetten worden afgekondigd, alsof het oorlog is. In Amerika kan gelijk wie opgesloten worden als hij ervan verdacht wordt virusdrager te zijn. Wie bij ons op voedingswaren hoest riskeert vijf jaar cel. In Indië dreigt men overtreders van het uitgaansverbod gewoon neer te schieten. Enzovoort, enzovoort. En dat alles wordt mogelijk gemaakt door experts die onafgebroken angst zaaien. 

Marc Van Ranst vertelt op televisie dat het nog wel het hele jaar zal duren voor de situatie weer normaal is. Hij vertelt ook dat het virus terug zal keren. Dat betekent dat we volgend jaar weer hetzelfde zullen meemaken en dat de angst dus permanent zal worden. Tenzij er een vaccin wordt gevonden (Marc Van Ranst werkt nauw samen met Johnson & Johnson). Maar vaccins verzwakken het immuunsysteem, ze maken de mens kwetsbaarder en de virussen derhalve gevaarlijker. Het beste voorbeeld zijn de mazelen, een onschuldige kinderziekte die (onder meer) door massale vaccinatie vandaag levensbedreigend is geworden. De roep om een universeel vaccin zal na de corona-epidemie dan ook luider klinken dan ooit. Wellicht wordt dat het geneesmiddel dat Rudolf Steiner voorspelde en dat de mens van bij zijn geboorte zou afsnijden van de geest. De vicieuze cirkel zal dan helemaal rond zijn, want juist dit afgesneden-zijn van de geest is de grondoorzaak van de huidige crisis. 

De mensheid wordt langzaam maar zeker opgesloten in een gevangenis die ze zelf bewaakt. Men moet het maar eens wagen de nieuwe regels in vraag te stellen: onmiddellijk wordt men er door zijn medemensen van verdacht een gewetenloze egoïst te zijn, een gevaar voor de anderen, een corona-terrorist. Angst maakt mensen volgzaam op een agressieve manier: ze beginnen elkaar te controleren, ze dwingen elkaar in de pas te lopen. Het politiek-correcte bewind waaronder we al zolang leven, is een angstbewind. Het heeft het pad geëffend voor de huidige angstepidemie en die effent op haar beurt het pad voor nog meer angst, nog meer eenheidsdenken, nog meer controle. Tenzij we van de gelegenheid gebruik maken om die vicieuze cirkel te doorbreken. Maar dan komen we een nog diepere angst tegen: de angst voor de geest. Daar vinden de corona-angst, de politiek-correcte angst en de vele andere moderne angsten hun oorsprong. Nergens is de moderne mens zo bang voor als voor de geest.

Die angst kunnen we goed waarnemen in de kunst. Gevaar voor virale besmetting bestaat hier niet, want onze relatie met kunst is zuiver geestelijk: we kijken of luisteren ernaar, meer niet. Toch heerst in de kunstwereld precies hetzelfde angstklimaat als elders, met dat verschil dat het hier al zo gewoon is geworden dat we niet eens meer beseffen hoe bang we zijn, bang om zelf te kijken, bang om zelf te voelen, bang om zelf te denken. We durven niet meer oordelen over kunst omdat we geloven dat alleen experts kunnen bepalen wat kunst is en wat niet. Dat blinde geloof bepaalt heel onze omgang met kunst. Experts bepalen wat we te zien krijgen en hoe we erop moeten reageren. Zij hebben de rol van ons Ik overgenomen, een Ik dat verlamd is van angst voor de geest en zelfs niet meer durft te protesteren als het de grootste rotzooi te slikken krijgt. We leven in een angstcultuur en we beseffen het niet. Integendeel, we zijn er trots op en reageren agressief tegen al wie onze angst niet deelt.

Maar hoe kunnen we nu bang zijn voor iets waar we niet meer in geloven? Heeft ons materialisme ons niet juist bevrijd van vele irrationele angsten? Niemand is vandaag nog bang voor spoken, demonen en andere kwelgeesten. Althans niet bewust. Want onbewust gaan we allemaal over de drempel en nemen we weer geestelijke wezens waar. De angst die ze ons aanjagen projecteren we op de fysieke wereld, op onze medemensen of op virussen waarmee we de strijd aanbinden. Maar die strijd dient alleen om onze angst voor de geest te verdoven. In die zin zouden we de huidige angst-pandemie kunnen zien als het gevolg van een collectieve opstoot van onbewuste helderziendheid. Zonder het te beseffen ‘zien’ we een geest die ons de stuipen op het lijf jaagt. En wie kan dat anders zijn dan Ahriman, die op het punt staat zijn gezicht te tonen? Het corona-virus is dan ook een wake up call. We moeten onze ogen openen voor de geest die ons zoveel angst aanjaagt, anders komen we in een spiraal van geweld terecht.

Maar hoe doen we dat? Hoe ontwikkelen we een oog voor Ahriman, voor de geestelijke dimensie van de corona-epidemie? Het antwoord luidt: op dezelfde manier als we een oog voor kunst ontwikkelen. Want in de kunst slaan we geen acht op de materie, we vragen ons niet af welke verf, welke olie of welke pigmenten de schilder gebruikt heeft (tenzij we een expert zijn). We richten onze aandacht enkel op het beeld dat door deze materialen zichtbaar wordt. Daar ligt het wezen van het kunstwerk en het heeft geen zin om het elders te zoeken, bijvoorbeeld aan de achterkant van het schilderij, want daar is niets te zien. Ook de gedachten en bedoelingen van de kunstenaar kunnen we niet zien, dus daar houden we evenmin rekening mee. We kijken enkel en alleen naar het kunstwerk, naar het – in wezen geestelijke – beeld dat aan ons verschijnt. Tenminste, zo deden we dat vroeger, want sinds de hedendaagse kunst op het toneel verscheen, kijken we niet meer naar beelden, we luisteren enkel nog naar de woorden van (materialistische) experts.

De ooit zo vanzelfsprekende fenomenologische benadering van kunst – waarbij we ons enkel baseren op wat we waarnemen – is vervangen door een blind geloof in experts die ons, op grond van hun vermeende helderziendheid, vertellen wat we moeten zien, wat we moeten denken en wat we moeten voelen. Trekken we hun alwetendheid in twijfel en proberen we ons zelf een oordeel te vormen, dan is verontwaardiging ons deel: wie denken we wel dat we zijn! De kunstexperts dwingen hun gezag af door middel van angst en niemand durft tegen hen in te gaan. Die geestelijke lafheid is inmiddels een tweede natuur geworden zodat niemand in de kunstwereld zich nog realiseert hoe bang hij wel is. Immers, wie niet durft te verroeren, voelt niet dat hij verlamd is van angst. Hij verkeert in de mening dat er niks aan de hand is, en de gedachte dat er angst heerst in de kunst komt hem bespottelijk voor. De kunst is in zijn ogen juist een wereld waar iedereen zich bevrijd heeft van de angst, een wereld die moedig voorop loopt, een avant garde

We staan vandaag voor de keuze: ofwel geven we toe aan de angst en kiezen we voor een wereld vol geweld – medisch geweld, politiek geweld, sociaal geweld, militair geweld – ofwel overwinnen we die angst en openen we onze ogen voor de geest. Dat laatste doen we door de wereld fenomenologisch te benaderen, dat wil zeggen op dezelfde manier waarop we dat in de kunst doen. Maar daar komen we opnieuw voor de keuze te staan: laten we ons intimideren door de hedendaagse kunst en haar leger van experts of kiezen we voor de klassieke kunst en haar fenomenologische benadering van de werkelijkheid? Pas wanneer we dat laatste doen, ondervinden we hoe groot onze (geestelijke) angst is. Want ofschoon we volkomen vrij zijn, waagt niemand het om deze keuze te maken. We zijn als de dood voor de reactie van de experts en hun volgelingen, voor hun woede en verontwaardiging, voor hun spot en hun minachting. We zijn verlamd van angst voor de geest die door hen spreekt. 

Na de War on Drugs, de War on Terror en de War on CO2, is vandaag de War on Virus uitgebroken. Het zal de laatste niet zijn. We zitten gevangen in een spiraal van geweld waar geen eind zal aan komen tenzij we ons bewust worden van de bron van al dat geweld: onze angst voor de geest. Die angst voelen we pas wanneer we geestelijk in beweging komen, wanneer we zelf beginnen kijken, zelf beginnen voelen, zelf beginnen denken. Door ons blinde geloof in te ruilen voor vertrouwen in onszelf krijgen we de ware – ahrimaanse – aard van de experts te zien. Want zij dulden geen tegenspraak, zij dulden geen twijfel aan hun (geestelijke) gezag. Het zijn dus geen wetenschappers en het zijn evenmin kunstenaars, het zijn magiërs die de wetenschap en de kunst gebruiken om ons steeds dieper in slaap te brengen zodat ze met ons kunnen doen wat wij met de dieren doen. Het enige wat we tegen die verdierlijking kunnen doen, is wakker worden, geestelijk in beweging komen, zelf aan kunst en wetenschap doen.      

De lege kamer

  

De verkiezingen zijn voorbij en met grimmig genoegen lees ik in de kranten de reacties en beschouwingen. Ik geniet van de verontwaardiging, de ontzetting, de woede en de afschuw over weer een ‘zwarte zondag’, over de zoveelste ‘ruk naar rechts’, over het alsmaar groeiende populisme – om niet te zeggen fascisme – in Vlaanderen. Ik geniet ervan als van de boksmatch voor de wereldtitel zwaargewichten tussen Anthony Joshua en Andy Ruiz: een grote, rijzige Adonis met een gespierd, afgetraind lichaam tegen een kleine, zwaarlijvige deplorable met z’n bleke vel vol tattoos. Het was alsof het beschaafde, ontwikkelde en artistieke Links en het lelijke, ordinaire en plompe Rechts hier samen in de ring stonden. Iedereen ging ervan uit dat de grote, gespierde Joshua korte metten zou maken met dat kleine, vette varken. Iedereen, behalve enkele kenners die zeiden: Joshua gaat neer. En ze kregen gelijk. De gedoodverfde favoriet ging liefst vier keer tegen de vlakte voor de scheidsrechter er een eind aan maakte.

Hoogmoed komt voor de val. Joshua had zijn tegenstander zwaar onderschat. De verleiding was dan ook groot. Eén blik op Ruiz en je vroeg je af: wat komt die papzak in een boksring doen? Maar wierp je ook een blik op zijn palmares dan volstond dat ruimschoots om je van gedacht te doen veranderen. Joshua, glimlachend en vol van zichzelf, vond dat blijkbaar niet nodig. Toen hij de eerste keer neerging, stond het ongeloof op zijn gezicht te lezen: wat gebeurt hier, dit kan toch helemaal niet? Ruiz van zijn kant kraaide geen victorie, hij bleef rustig en wachtte zijn tijd af. En die kwam: nog drie keer sloeg hij blaaskaak Joshua neer, tot de scheidsrechter hem uit zijn lijden verloste. Na de wedstrijd bleek de nieuwe wereldkampioen – die er volgens de altijd vermakelijke Tyson Fury uitzag alsof hij alle Snickers van Californië had opgegeten – een vriendelijke en bescheiden jongen te zijn die alle grote woorden schuwde en zichzelf niet op de borst sloeg. Een verademing in dat wereldje vol opgefokte alfa-mannetjes. 

De titelkamp bij de zwaargewichten was een politieke metafoor. Wat Rechts had doen winnen in Vlaanderen (maar ongetwijfeld niet alleen daar) was de hoogmoed van Links, dat vol minachting neerkeek op de white trash van het andere kamp. De stemmers op het extreemrechtse Vlaams Belang waren in hoofdzaak gewone mensen – mannen met bierbuiken, vrouwen die naar Thuis kijken – en daar mag intellectueel Links graag de draak mee steken. Maar dit keer brak het hen zuur op, want de Vlaamse deplorables, die ze voortdurend te kakken zetten en die daar niks kunnen tegen doen omdat ze geen toegang hebben tot de media, haalden hun gram in het stemhokje. De uitslag was één grote uitgestoken middenvinger naar de mooie, beschaafde, welstellende en o zo zelfgenoegzame intellectuelen en culturo’s die er plezier in scheppen die lompe stieren van rechts te sarren door voor hun achterlijke neus heen en weer te zwaaien met holebi’s, transgenders, moslims, loonklooffeministen en andere rode vlaggen. 

Omdat woorden wekken maar voorbeelden trekken, heb ik besloten een Ruizke te doen. Mijn tegenstander in de ring is professor Ignaas Devisch, docent filosofie en ethiek aan de universiteit van Gent, en net als Joshua un beau garçon. Om de haverklap verschijnt hij op televisie, hij schrijft aan de lopende band artikels voor de krant, en hij is ook nog eens lang en slank. Zelf weeg ik meer dan 100 kilo, dus het plaatje klopt, al heb ik wel geen tattoos. Onze schriftelijke boksmatch gaat over een krantenartikel met de stoere titel ‘Denk maar niet dat ik zal zwijgen’. Ignaas Devisch slaat zich daarin luid op de borst om iedereen te tonen hoe moedig hij wel is en hoe hij desnoods in zijn eentje stand zal houden tegen de gewetenloze vijand. Wel, ik ben van plan deze wereldkampioen knock out te slaan in de tweede ronde en aan te tonen dat hij niet alleen een lafbek is, maar ook een domkop die het niet verdient les te geven aan een universiteit. Zo doen boksers dat: eerst verkopen ze trash talk en daarna slaan ze erop. 

Eerste ronde. Ignaas Devisch begint met een hot item: Dominiek Steppe, een pas verkozen Kamerlid voor Vlaams Belang, heeft in een interview verklaard het homohuwelijk een brug te ver te vinden. Dat vindt professor Devisch absoluut niet kunnen en hij is dan ook blij dat ze door haar partij het zwijgen werd opgelegd. Ik zal haar niet missen, voegt hij eraan toe. Hoezo, missen? Hij lijkt ervan uit te gaan dat Vlaams Belang dezelfde taktiek toepast als politiek-correct links: één verkeerd woord en het is afgelopen met je. Dat vindt de professor duidelijk een toe te juichen praktijk: alle rotte appels moeten eruit, zonder pardon. Maar aan het eind van zijn artikel schrijft hij: ‘Ik zal niet zwijgen over het belang van vrije meningsuiting, inclusief voor extreemrechtse politici. Dus leden van Vlaams Belang: doe jullie werk als volksvertegenwoordiger of partijlid, geef jullie visie over cultuur, spreek jullie uit voor of tegen holebi’s.’ Jawel, het staat er letterlijk, zwart op wit. Wie het niet gelooft, kan het nalezen in De Standaard van 7 juni, pagina 35.

De match is pas begonnen of de professor gaat al neer. Ik heb hem niet eens geraakt, hij is over zijn eigen voeten gestruikeld. Iedereen heeft recht op vrije meningsuiting, toetert hij, maar als Dominiek Steppe haar mening uit, vindt hij het niet meer dan normaal dat ze het zwijgen wordt opgelegd. Hij spoort Vlaams Belangers aan om zich uit te spreken voor of tegen holebi’s, maar bij het eerste kritische woord over het homohuwelijk worden ze aan de schandpaal genageld. Het lijkt wel een valstrik, een muizenval. Zou de professor die academische taktiek ook toepassen in zijn ‘auditoria die open staan voor iedereen’ en waar hij ‘met zoveel mogelijk mensen in debat wil gaan’? Hij zou alvast niet de enige zijn. Ik heb mijn oudste dochter ooit eens geholpen met een paper waarin ze haar mening moest geven over hedendaagse kunst. Ik waarschuwde haar: daar kunnen ze niet tegen! Ze wuifde het weg, haar docent was een faire kerel die nooit iemand fleste. Maar wie had er aan het eind van het jaar een buis aan haar been? Jawel. 

Ik heb eigenlijk al geen zin meer om verder te boksen. Er valt geen eer te behalen aan zo’n tegenstander. Maar wie in de ring stapt, moet doorgaan, en dus wil ik deze misleider zo vlug mogelijk KO slaan. Ignaas Devisch is een van de velen die aanvallen wat ze beweren te verdedigen door te zeggen ‘dat er natuurlijk grenzen zijn aan de vrije meningsuiting’. Merkwaardig genoeg vallen die grenzen meestal samen met de grens tussen links en rechts. Dat is ook hier weer het geval. De mening van Dominiek Steppe is rechts en aangezien de vrijheid van meningsuiting alleen geldt voor correcte – en dus linkse – meningen, mag, ja moet haar het zwijgen worden opgelegd. Ignaas Devisch liegt dus wanneer hij zegt op te komen voor eenieders vrije meningsuiting. Het is natuurlijk mogelijk dat hij het niet opzettelijk doet en dat hij niet weet dat hij zichzelf tegenspreekt. In dat geval is hij geen leugenaar maar een domkop. Ik weet niet wat erger is.

Door zich nadrukkelijk op te werpen als verdediger van de vrije meningsuiting – ook van extreemrechtse politici – en het tegelijk volkomen vanzelfsprekend te vinden dat Dominiek Steppe de mond wordt gesnoerd, doet Ignaas Devisch uitschijnen dat haar mening geen mening is die vrij geuit mag worden maar een schanddaad die streng gestraft moet worden. Waarom? Dat zegt de professor er niet bij. Waarschijnlijk gaat hij ervan uit dat in een beschaafde samenleving alle mensen gelijke rechten hebben en dat homo’s derhalve net zo goed als hetero’s moeten kunnen trouwen en kinderen krijgen. Wat het eerste betreft heeft hij natuurlijk gelijk, maar het tweede is een al te voorbarige conclusie. Want als mannen met mannen mogen trouwen, waarom zouden meisjes dan niet met hun vader mogen trouwen? En als twee mannen recht hebben op kinderen, waarom zou een alleenstaande man daar dan geen aanspraak op mogen maken? Er zijn genoeg alleenstaande moeders die geen man willen.

Het huwelijk is een instelling die in het leven werd geroepen om moeder en kind te beschermen, om te voorkomen dat de moeder alleen moet opdraaien voor de opvoeding van het kind, en om dat kind zowel een vader als een moeder te geven. Het is met andere woorden een poging om de fysieke ongelijkheid tussen man en vrouw te compenseren, om evenwicht te scheppen waar er geen is. Wellicht was het op grond van dit harmoniserende en natuur-overstijgende karakter dat Goethe het huwelijk het begin en het hoogtepunt van alle beschaving noemde, en dat de kerk het heilig verklaarde. Het holebi-huwelijk verandert de wezen van het huwelijk en – als Goethe gelijk heeft – ook de beschaving. Het minste wat men daarvan kan zeggen, is dat het een debat waard is. Maar daar is Ignaas Devisch het helemaal niet mee eens. Dominiek Steppe heeft niet het recht het holebi-huwelijk in vraag te stellen. Blijkbaar is dat huwelijk een instituut dat boven alle twijfel verheven is. 

Dat slaat natuurlijk nergens op. Er is geen enkele reden waarom het hetero-huwelijk wel en het holebi-huwelijk niet in vraag zou mogen worden gesteld. Maar daar gaat de bel. De eerste ronde is voorbij en ik heb ze ruim gewonnen op de punten. Niemand kan naast de aperte tegenspraak kijken tussen het begin en het einde van het artikel. Wat mij betreft heeft de professor al zijn gezicht verloren, nu de rest nog. De tweede ronde is trickyer, want nu gaat het om Schild en Vrienden, het clubje – ook wel extreemrechtse conservatieve Vlaams-nationalistische jongerenbeweging genoemd – rond Dries Van Langenhove, alweer een beau garçon. Zijn kompanen hebben een collega van Ignaas Devisch bestookt met e-mails omdat hij een website had opgezet die de vuile was van Schild en Vrienden buiten hing. Dergelijke intimidatie vindt de professor ranzig, ontoelaatbaar, schandelijk, intolerabel. Hij gaat nu helemaal over de rooie: ‘blijf godverdomme met jullie poten af van de integriteit van iedereen in dit land!’ 

Nu moet ik een beetje opletten, want een tegenstander die zo wild tekeer gaat, kan gevaarlijk worden. Wat Dries Van Langenhove en co gedaan hebben, is inderdaad niet proper. Mensen bestoken met haatmails en zelfs doodsbedreigingen is smerig, laag bij de gronds. Volkomen akkoord dat Ignaas Devisch dit afkeurt. Maar waar was hij toen Joke Schauvlieghe zodanig bestookt werd met haatmails en bedreigingen dat ze helemaal van de kaart was en ontslag nam als minister van Landbouw? Heeft de professor dat toen ook in heftige bewoordingen veroordeeld? Ik kan me daar niks van herinneren. En waar was hij toen Dylan Vandersnickt, een jonge N-VA medewerker die een gore grap op twitter had geplaatst, zo hevig onder vuur werd genomen dat hij zelfmoord pleegde? Kwam Ignaas Devisch toen ook op televisie vertellen dat dit absoluut niet kon, dat het een schanddaad was, dat ze godverdomme met hun poten van deze jongen hadden moeten afblijven? 

De vraag stellen is ze beantwoorden. Links bezondigt zich al tientallen jaren aan dit soort praktijken, en op veel grotere schaal, maar daar wordt niet tegen geprotesteerd. Hoe zou het ook kunnen! Het gebeurt in de media, en de geviseerden kunnen er zich niet verdedigen want ze hebben geen toegang tot die media. Ook persoonlijke e-mails en doodsbedreigingen worden niet geschuwd, daar kunnen talloze rechtse politici van meepraten. Ze zwijgen echter, want alleen linksen hebben recht op verontwaardiging. Ik keur het gedrag van Schild en Vrienden niet goed, zeker niet, maar godlievehemel, waar hebben ze hun mosterd vandaan gehaald! Het verbaast mij dat het nog zolang geduurd heeft. Hoelang worden rechtse mensen niet al gedemoniseerd, belasterd, uitgescholden, het spreken belet en bedreigd door linkse activisten? Zo is Schild en Vrienden trouwens ontstaan: als security voor Theo Francken, wiens lezingen voortdurend verstoord werden door schreeuwende Social Justice Warriors

Wie ziet hoe deze verontwaardigden tekeer gaan aan Amerikaanse universiteiten begrijpt dat beveiliging geen overbodige luxe is voor rechtse sprekers. En dat zijn helemaal geen bloeddorstige fascisten die aan het begin van hun lezingen de Hitlergroet brengen, maar mensen die bijvoorbeeld tegen abortus zijn, of tegen het homohuwelijk, of tegen aparte rechten voor transgenders. Het zijn gewoon andersdenkenden, mensen met een niet-linkse, niet politiek-correcte mening. En om die reden worden ze nu al decennia lang gedemoniseerd, uitgescholden, geïntimideerd, bedreigd en opgejaagd door links. Het is zo erg dat velen hun mond niet meer durven opendoen uit angst hun job, hun reputatie en zelfs hun leven te verliezen. Nooit heb ik Ignaas Devisch daarover één woord van kritiek horen uiten, maar gebeurt het voor één keer in de omgekeerde richting, dan staat hij trillend van woede recht en roept dat hij zich niet het zwijgen zal laten opleggen.

Wat een farce! Het is alsof een goed getraind leger dat al jarenlang een machteloos volk terroriseert opeens een groepje kwajongens ziet naderen dat met stenen begint te gooien. Op slag barst de verontwaardiging los bij de zwaarbewapende soldaten: wat een schanddaad, wat een ranzig, racistisch gedrag! En uit de rangen van het woedende leger maakt zich een slanke krijger los die moedig naar voor stapt, de haren achteruit werpt en manhaftig roept: denk maar niet dat ik zal zwijgen, stelletje lafbekken en huilebalken! Het is om in de grond te zinken van schaamte. Maar schaamte is nu net wat figuren als Ignaas Devisch niet kennen. Deze praalhans – die helemaal in het wit gekleed zijn heldendaad nog eens mocht overdoen op tv – doet me denken aan de verzen: ze zijn als graven met Pasen, witgekalkt maar vol bederf. Ik durf dat witgekalkte graf al geen mep meer geven, stel je voor dat ik er een barst in sla en al die vuiligheid over me heen krijg! Laat ik maar besluiten met een citaat van Koen Meulenaere. Iemand op zoek naar een lege bovenkamer? Ignaas verhuurt er al jaren één.

  
 

Kunst en politiek

  

Eén van de vele reacties op de verkiezingsuitslag van afgelopen zondag was een open brief van Elke Neuville, een ‘tv-maakster en columniste’ waar ik nog nooit van gehoord had. In haar brief richt ze zich tot de 18 procent van de bevolking die voor het Vlaams Belang heeft gestemd en ze doet dat in naam van de 82 procent die dat niet heeft gedaan. Je moet er maar op komen. Na 30 jaar sanitaire verontwaardiging over het Vlaams Belang vraagt een mens zich af hoe ze hetzelfde nog eens op een andere manier gaan zeggen. Sinds de eerste ‘Zwarte Zondag’, toen het Vlaams Blok 1 miljoen stemmen haalde, zijn in de media al ontelbare variaties verschenen op het thema dat ook Elke Neuville weer bespeelt – uiting geven aan de afschuw voor extreem-rechts – en het houdt maar niet op. Je zou bijna bewondering krijgen voor de gedrevenheid en kreativiteit van links Vlaanderen als het gaat om het uitschelden, bespotten, kleineren, schofferen, veroordelen en minachten van rechts Vlaanderen.

Links kan in Vlaanderen dan ook beroep doen op zowat alle kreatief talent. Schrijvers, dichters, kunstenaars, musici, acteurs, filmmakers en andere kreatievelingen: allemaal behoren ze tot het linkse kamp. Zelfs de communistische PVDA, het vroegere Amada, kan bogen op een hele rits Bekende Kunstenaars. In het rechtse kamp daarentegen vind je er niet één. De reden daarvoor is bekend: wie ook maar in de buurt van extreem-rechts komt, kan zijn artistieke carrière wel op zijn buik schrijven. Het overkwam The Strangers, destijds een van de meest populaire zanggroepen in Vlaanderen. Eén optreden voor het (toen nog) Vlaams Blok en het was afgelopen met hun succes. Nergens konden ze nog optreden, niemand durfde hen nog te boeken. En zo vergaat het iedere artistiekeling die het waagt zijn diensten te verlenen aan ‘de vijand’. De buitenwacht let er misschien niet op, maar in de kunstwereld weet iedereen welk lot hem beschoren is als hij zich niet houdt aan deze (ongeschreven) wet.

De open brief van Elke Neuville is dan ook minder gericht aan de 18 procent Vlaams-Belangstemmers dan aan de artistieke gemeenschap waartoe ze behoort en de subsidiërende overheid waarvan ze afhankelijk is. Hen wil ze duidelijk maken hoe flink en hoe recht in de leer ze is. Men mag niet vergeten dat kunstenaars volkomen afhankelijk zijn van de appreciatie van het publiek, en dus van de kunstpausen die deze appreciatie sturen. Kunstpausen hebben vandaag de status van ingewijden en zieners. Het zijn geestelijke leiders die het ware geloof behoeden. Verketterd worden door zo’n paus is het ergste wat een kunstenaar kan overkomen. De deuren van de kunstwereld gaan dicht, niemand waagt het nog met hem om te gaan, het is alsof hij niet meer bestaat. Geen enkele kunstenaar durft dat risico te lopen. Daarom houdt hij zich ver van alles wat rechts is en neemt hij iedere gelegenheid te baat om zijn trouw aan het ware, linkse geloof te bevestigen. 

Zonder deze nauwe alliantie met de kunstwereld zou links Vlaanderen er nooit in geslaagd zijn op zo grote schaal haar groteske boodschap te verspreiden. Vlaanderen bestaat voor de helft uit superieure linkse mensen en voor de andere helft uit inferieure rechtse mensen. Dwars door Vlaanderen loopt een morele scheidslijn, met aan de ene kant liefdevolle, goedwillende idealisten, en aan de andere kant haatdragende racisten en fascisten. Vlamingen zijn ofwel zeer goed ofwel zeer slecht. Daartussenin is er niets, want wie niet links is, is rechts tot extreem-rechts. Niemand zou deze kinderachtige wereldvisie geloven als ze niet op kreatieve, originele en geraffineerde manier aan de man werd gebracht en als dat niet gebeurde met de bezieling en de gedrevenheid van een kunstenaar. Net als deze laatste doet Links wat haar gevoel haar ingeeft. Dat het daardoor voedsel geeft aan Rechts, daar trekt het zich niets van aan. Het heeft immers een roeping, een missie, en daar laat het zich door niets of niemand van afhouden.

Er is iets fundamenteel tegenstrijdigs aan deze alliantie van kunst en politiek. Sinds wanneer zijn kunstenaars politiek geëngageerd? Ze wijden hun leven aan de kunst en daar moet alles voor wijken. Ze hebben de vrijheid lief en laten zich niets voorschrijven. Het zijn individualisten die hun eigen weg gaan, en bereid zijn daar zware offers voor te brengen. Hoe valt dat te rijmen met de dienstbaarheid aan een ideologie die iedereen dwingt politiek correct te zijn, die de vrijheid aan banden legt met een vloedgolf van regels, wetten en verboden? Dit duivelspact tussen kunst en (linkse) ideologie is alleen mogelijk omdat de kunst zelf ideologisch is geworden. Probeerde ze vroeger de zintuiglijke werkelijkheid een ideële vorm te geven (de formulering is van Rudolf Steiner), dan doet ze nu het omgekeerde: ze probeert ideeën in een materiële vorm te gieten. Kunst is met andere woorden in haar tegendeel gekeerd: de vorm primeert niet langer op de inhoud, alles draait nu om de – intellectuele, ideologische – inhoud. 

In de politiek is dan weer het omgekeerde gebeurd: de ideeën die vroeger haar inhoud uitmaakten, zijn vervangen door lege vormen. Verkiezingen zijn niets anders dan theater: spektakelstukken die de bevolking in de ban houden en de indruk wekken dat zij het voor het zeggen heeft. In werkelijkheid doen de politieke partijen wat zij willen. Rechts heeft de voorbije verkiezingen gewonnen, maar het is heel goed mogelijk dat we een linkse regering krijgen. De bevolking heeft daar niet de minste zeggenschap over. Terwijl ze zich blindstaart op het verkiezingsdrama dat voor haar wordt opgevoerd, wordt ze ongemerkt beroofd van haar stem, haar geld en haar vrijheid. Nergens is die omkering zo duidelijk als bij Links. In oorsprong een sociale beweging die opkwam voor de rechten van het gewone volk, is zij vandaag de ideologie van de elite geworden en spant zij zich tot het uiterste in om het gewone volk te onderdrukken en te demoniseren. Maar omdat de vorm – de kleur, de naam, de slogans – dezelfde is gebleven, komt Links daarmee weg.

Deze omkering, hoe radicaal ook, is nog altijd niet doorgedrongen tot het algemene bewustzijn. Nog altijd wordt Links beschouwd als de vertegenwoordiger van de kleine man, van de underdog, van de minderheid. Niemand associeert Links met macht en geweld, ook al waren de totalitaire machthebbers van de 20ste eeuw allemaal links en hebben ze het leven gekost aan 100 miljoen mensen. Maar deze feiten, hoe ontzettend ook, doen er niet toe, want Links verstaat de kunst om haar nieuwe inhoud te verbergen achter verleidelijke vormen. Ook de omkering van de kunst is na 100 jaar nog altijd niet doorgedrongen tot het moderne bewustzijn. Kunstenaars maken al lang geen mooie dingen meer, ze stellen pispotten tentoon of pronken met hun uitwerpselen, en dat weerzinwekkende gedrag verbergen ze achter een rookgordijn van ronkende ideeën. Net als Links is de kunst in haar tegendeel gekeerd, en het feit dat dit niet wordt waargenomen, geeft een idee van de bewustzijnsverdovende kracht die uitgaat van deze dubbele omkering.

Adolf Hitler was de eerste om gebruik te maken van deze kracht. Hij was niet alleen een kunstenaar die politicus werd, hij maakte van de politiek ook een kunst. Zijn meetings waren zorgvuldig geregisseerde en tot de verbeelding sprekende massaspektakels. Zelf trad hij op als een bevlogen acteur die de menigten in vervoering bracht. Hij verzekerde zich daarbij van de medewerking van de zeer begaafde regisseuse Leni Riefenstahl en gebruikte het nieuwe filmmedium om zoveel mogelijk mensen te bereiken. Maar hij deed meer dan dat: hij plaatste de kunst zelf op de politieke agenda. De tentoonstelling Entartete Kunst die hij organiseerde, zindert nog altijd na en droeg sterk bij tot het succes van de hedendaagse kunst. Hitler was een visionair die instinctief begreep hoe cruciaal de verbinding van kunst en politiek was. Het gaf hem een onwaarschijnlijke overtuigingskracht en zelfs de grootste geesten – denken we maar aan Thomas Mann en Martin Heidegger – lieten er zich door misleiden.

Wanneer we denken aan wat Rudolf Steiner zegt over de sociale kunst dan kunnen we begrijpen waarom de Duitsers – het meest ontwikkelde en vooruitstrevende volk van die tijd – zich een rad voor de ogen liet draaien. Het samengaan van kunst en politiek stond (en staat nog altijd) in de sterren geschreven. Het is de volgende, beslissende stap in de ontwikkeling van de mensheid: politiek wordt verheven tot kunst en kunst breidt zich uit tot de hele werkelijkheid. De kloof tussen kunst en maatschappij – die nooit groter was dan in de 19de eeuw – moet (en zal) overbrugd worden. Dit streven leeft in de ziel van de moderne mens, het is zijn grootste ideaal, zijn diepste verlangen: Alle Menschen werden Brüder, alle mensen worden sociale kunstenaars. Aan dat verlangen appelleerde Adolf Hitler, en aan dat verlangen appelleert Links nog altijd. Juist omdat het zo’n groot mensheidsideaal is, wekt de verbinding van kunst en politiek onweerstaanbare zielekrachten, zielekrachten die ten goede of ten kwade kunnen worden gebruikt.

Het verschil tussen goed en kwaad ligt in de mate van bewustzijn waarmee deze krachten worden gewekt en aangewend. In nazi-Duitsland gebeurde dat onbewust en onder dwang, met als gevolg dat de tegenmachten er zich meester over maakten. Adolf Hitler ging niet bewust en weloverwogen te werk, hij wist niet wat hij deed en zijn volgelingen wisten het evenmin. Ze reageerden instinctief, zonder hun (gezonde) verstand te gebruiken. In communistisch Rusland gebeurde hetzelfde en in het China van Mao eveneens. Door middel van beelden en slogans werd overal het diepste verlangen van de mens aangesproken, en daar ging zo’n magische werking vanuit dat het rationele bewustzijn helemaal verlamd werd. Dat bewustzijn was de bloem van de voorbije mensheidsontwikkeling en in plaats van bevrucht te worden door het verlangen naar een betere wereld waar Alle Menschen Brüder zijn, werd het brutaal verkracht en keerde het grootste aller idealen in zijn tegendeel.  

Na de verkiezingen van afgelopen mei klonken opnieuw overal stemmen die waarschuwden voor een herhaling van de jaren ’30 in Duitsland. Niet ten onrechte, want het is nog altijd hetzelfde ideaal dat in zijn tegendeel wordt gekeerd. De manier waarop Rechts vandaag gedemoniseerd wordt door Links, doet verdacht veel denken aan de manier waarop de joden door de nationaalsocialisten tot zondebok werden gemaakt, en het cordon sanitaire waarachter honderdduizenden Vlamingen al 30 jaar opgesloten zitten, is een moderne versie van de concentratiekampen. Maar dat bedoelen die waarschuwende stemmen natuurlijk niet. Nee, ze zien het helemaal omgekeerd. Juist die rechtse Vlamingen vormen het grote gevaar, want ze demoniseren de moslims, de migranten, de homo’s en andere minderheden. Dat die rechtse Vlamingen geen vinger uitsteken naar die minderheden, maar alleen protesteren tegen hun arrogante en zelfs agressieve gedrag, doet er niet toe. Alles wordt omgekeerd.

De wereld is als het ware in beweging gekomen, op ieder gebied gaan de tegenpolen in elkaar over: links wordt rechts en rechts wordt links, politiek wordt kunst en kunst wordt politiek, meerderheid wordt minderheid en minderheid wordt meerderheid, winnaars worden verliezers en verliezers winnaars, zelfs mannen worden vrouwen en vrouwen worden mannen. Alles is in beweging, een buitengewoon complexe en verwarrende combinatie van omkeringen, alsof de wereld binnenstebuiten wordt gekeerd en zich helemaal vernieuwt. Slechts één iets onttrekt zich aan die vernieuwende beweging en dat is ons denken. Dat is nog altijd het oude, materialistische denken van de 19de eeuw. Het is vandaag zelfs onbeweeglijker dan ooit. Tussen onze linker- en rechterhersenhelft is vrijwel geen verkeer meer. Beide benaderingen van de werkelijkheid – de mannelijke en de vrouwelijke zeg maar – zijn verstard tot ideologieën. Ons denken is tot stilstand gekomen. Het werkt niet meer.

Dat wil zeggen: wij werken niet meer. In plaats dat we ons verstand gebruiken, gebruikt het verstand ons. Denken is een automatisme geworden dat zich aan onze wil onttrekt en zijn eigen gang gaat. En dat is natuurlijk de gang van de tegenmachten. Zij bedienen zich van ons denken omdat we het zelf niet doen. Rudolf Steiner bekloeg zich daar al over. We kunnen ongelooflijk goed denken, zei hij, maar we doen het niet. We laten dat bij uitstek menselijke vermogen ongebruikt liggen, met alle gevolgen van dien. Daarom hamerde hij erop dat we ons denken weer in beweging moesten brengen en de verstarring overwinnen die het gedood had. Dit dode denken staat vandaag tegenover een wereld die steeds levendiger, steeds beweeglijker, steeds geestelijker wordt. En met die geest gaan de materialistische ideologieën waarin het denken is uiteengevallen – een linkse en een rechtse – een nietsontziende strijd aan.

Zolang de mens zijn denken niet zelf ter hand neemt, zal hij meegesleurd worden in deze strijd, die in wezen een strijd is tussen Christus en de tegenmachten. En omdat de mens deze strijd niet doorziet, kiest hij, zonder het te beseffen, de kant van de tegenmachten. Zolang de mens brieven schrijft zoals Elke Neuville en zich opsluit in een – linkse of rechtse – ideologie, draagt hij bij tot deze strijd, een strijd die hij nooit kan winnen omdat hij niet op geestelijk vlak wordt gevoerd. De echte, geestelijke strijd bestaat uit het weer in bezit nemen van het denken dat nu in handen is van Lucifer en Ahriman, die het onder elkaar verdelen. Het weer in beweging brengen van dat denken, impliceert een strijd met de tegenmachten die ieder op hun gebied willen blijven en niet verbonden willen worden met het gulden midden, dat wil zeggen met Christus. Hij is de Logos, het wezen van het denken. Hij is ook degene die de wereld in beweging brengt en aan ons de vrije keuze laat of we willen mee bewegen of niet. 

De moord op Julie Van Espen

  

De moord op Julie Van Espen heeft heel wat teweeggebracht in ons land. Men kan zich afvragen waarom. Twee weken eerder werd in een gracht het lijk teruggevonden van een aan handen en voeten gebonden jongetje van 9 jaar. Maar dat veroorzaakte niet dezelfde commotie. Het leidde niet tot een Stille Mars waaraan 15.000 mensen deelnamen, waaronder Anuna De Wever en Kyra Gantois die daarvoor moesten spijbelen op hun eigen klimaatmars. Was de moord op de 23-jarige Julie dan zoveel gruwelijker dan die op de kleine Daniël? Het tegendeel is het geval. Of was het leven van een blond Vlaams meisje misschien meer waard dan dat van een donker Palestijns jongetje? Die vraag werd niet eens gesteld, wat op zich al verbazing wekt. Nee, alles moest wijken voor de moord op Julie Van Espen. Waarom? Wat maakte deze misdaad zo bijzonder dat hij al het andere in de schaduw stelde en zelfs voetbalsupporters ertoe bracht om een minuut stilte in acht te nemen? 

Toen ik het opsporingsbericht op Facebook zag passeren, dacht ik onmiddellijk: dit is mis. Julie Van Espen was niet het soort meisje dat zomaar verdwijnt: een ravissante schoonheid, fris en vrolijk, de ideale schoondochter zeg maar. Had er op de foto een dik, lelijk meisje gestaan, of een marginaal geval met piercings en tatoeages, dan zou ik er waarschijnlijk niet hebben bij stilgestaan, er verschijnen voortdurend opsporingsberichten. Maar dit keer was het anders. Julie Van Espen zag eruit alsof ze alles vertegenwoordigde wat een mens aantrekkelijk maakt: schoonheid, ongereptheid, intelligentie, opgewektheid. Dit was niet zomaar een Antwerps meisje, dit was een beeld van een meisje, een oerbeeld, een zinnebeeld. Zoals ze ons toelachte vanop dat opsporingsbericht stond ze voor alles wat van waarde – en dus weerloos – is in de mens. En zo werd het ook begrepen. Mensen reageerden op deze misdaad alsof ze er zelf het slachtoffer van waren. 

De moord op Julie Van Espen was als de moord op de menselijke ziel. Er schemerde een algemeen geldende, geestelijke werkelijkheid in door die aan de gebeurtenissen een metaforisch karakter gaf. Dat kon je al voelen bij het zien van Julie’s foto, en het werd bevestigd door wat gaandeweg bekend raakte over de moord. Het meisje was op zaterdagavond langs het Albertkanaal naar de stad gefietst om daar te gaan eten bij vriendinnen. Onschuldiger kan het niet. De werkweek is voorbij, de boodschappen zijn gedaan en de wereld ontspant zich. De avond begint, de tijd van de engelen. Het is ook nog eens mei: de wereld op zijn best. De bloemen bloeien en de mooiste bloem fietst langs het water. Men kan zich levendig voorstellen hoe Julie Van Espen zich op dat moment gevoeld moet hebben: het leven lachte haar van alle kanten toe, beter kon het niet zijn. En dan opeens, als een donderslag bij klaarlichte hemel, verandert die lentedroom in een nachtmerrie. 

Vrienden en familieleden slaan dezelfde avond nog alarm. Er wordt meteen gereageerd. De volgende ochtend al hangt de buurt vol met foto’s van het verdwenen meisje, terwijl het opsporingsbericht circuleert in de sociale media. De vriendinnen komen samen, toevallig vlakbij de plaats van de moord, en vinden daar Julie’s bebloede jas. De dag erop verschijnt in de kranten de foto van een nog vrij jonge – en alweer opvallend knappe – man. Men zoekt hem als getuige, zo heet het, maar in werkelijkheid verdenkt men hem van de moord. Later op de dag wordt Steve Bakelmans aangehouden en hij bekent de moord. Op hetzelfde moment vindt men in het Albertkanaal het lijk van Julie Van Espen. Alles gaat verbazingwekkend snel. Het hele drama ontrolt zich in minder dan 48 uur. Voor de politie kan het niet beter verlopen, voor Julie Van Espen niet slechter. Dit ‘droomscenario’ maakt van de moordzaak een bijzonder kernachtig en sprekend beeld. 

Maar het is nog niet volledig. De volgende dag blijkt de dader ‘bekend te zijn bij het gerecht’. Drie jaar geleden viel hij zijn ex-vrouw aan en verkrachtte haar. Daarvoor werd hij veroordeeld tot vier jaar cel, want hij was niet aan zijn proefstuk toe. Maar hij ging in beroep en … verder er gebeurde niets. Bakelmans bleef gewoon op vrije voeten. Het gerecht – dat in ons land de ene blunder na de andere slaat en een kwalijke reputatie heeft – komt in het oog van de storm te staan. Alle ogen kijken in de richting van minister van Justitie Geens, die – uitgerekend op dit moment – uitpakt met de verkiezingsslogan ‘Dankzij Geens wordt seksueel geweld harder aangepakt‘. Ongelukkiger kan het niet, maar Geens verklaart doodleuk niet verantwoordelijk te zijn voor de uitspraken van rechters. De rechters verklaren op hun beurt niet verantwoordelijk te zijn voor het tekort aan manschappen en middelen. Iedereen steekt zijn paraplu op.

Wat dan volgt, tart alle verbeelding. Op het moment dat iedereen de mond vol heeft over het falende gerecht begint men in Gent te graven naar de … Rechtvaardige Rechters. Een jaar geleden had jeugdschrijver Marc De Bel aan ieder die het horen wilde verklaard dat hij wist waar het legendarische paneel van het Lam Gods zich bevond. Het lag, hij was er zeker van, onder de Gentse Kalandeberg. Daarna werd het stil, er gebeurde niets meer en de zaak leek met een sisser af te lopen. Tot men op de derde dag na de moord op Julie Van Espen opeens begint te graven, onaangekondigd, zelfs de stad Gent weet van niks. Zo’n scenario zou geen enkele fictieschrijver durven bedenken, maar het is wel degelijk werkelijkheid. In de krant zien we ex-burgemeester Termont dom staan kijken naar de lege put, alsof hij een graf zonder lijk ziet en er niks van begrijpt. Niemand lijkt zich te realiseren hoe grotesk de coïncidentie is, niemand ziet hoe sprekend het beeld is.

Wie had kunnen geloven dat een meisje als Julie Van Espen zou vermoord worden! Wie had kunnen geloven dat de moordenaar gevat zou worden doordat hij zo dom was zich te laten fotograferen met het fietsmandje van zijn slachtoffer in de hand! Wie had kunnen geloven dat Steve Bakelmans, drie jaar nadat hij voor verkrachting veroordeeld werd, nog altijd op vrije voeten rondliep! Wie had kunnen geloven dat de minister van Justitie zich precies op dat moment op de borst zou slaan omdat hij sexueel misbruik zo streng aanpakte! En wie had ten slotte kunnen geloven dat men, op dezelfde dag dat de volkswoede zich keerde tegen de onrechtvaardige rechters, voor de zoveelste keer zou beginnen zoeken naar de Rechtvaardige Rechters! Zou er ooit een onwaarschijnlijker moordverhaal in de kranten zijn verschenen? Zouden er ooit zoveel toevalligheden kort op elkaar zijn gevolgd? En toch is deze Griekse tragedie werkelijkheid, toch is het allemaal echt gebeurd. 

Het was alsof de karmische dimensie van het bestaan even zichtbaar werd en de gewone werkelijkheid tijdelijk het karakter kreeg van een oerbeeld, een mysteriedrama. Men voelde dat de moord op Julie Van Espen een diepere betekenis had en men reageerde er instinctief op. Twaalf jaar geleden werd in hetzelfde Albertkanaal het lijk gevonden van Annick Van Uytsel. Ze was vermoord door Ronald Janssen, een keurige huisvader en seriemoordenaar. De zaak was nog een stuk akeliger dan de moord op Julie Van Espen, die waarschijnlijk niet besefte wat haar overkwam, zo snel ging het allemaal. Annick Van Uytsel daarentegen werd ontvoerd in het holst van de nacht en opgesloten in een kelder voor ze ten slotte vermoord werd. Het jonge meisje moet tijdens de laatste uren van haar leven duizend angsten hebben uitgestaan. Toch maakte haar zaak lang niet zoveel ophef als die van Julie Van Espen. Er vond geen Stille Mars plaats en de voetbalsupporters hielden niet op met zingen. 

De hele commotie rond de moord op Julie valt alleen te verklaren als een reactie op een helderziende waarneming: men nam de verborgen, geestelijke dimensie van deze tragische geschiedenis waar. Maar daar was men zich uiteraard niet van bewust. Of moeten we zeggen: daar wilde men zich niet bewust van worden? In drie dagen traden zoveel toevalligheden op dat je het met de beste wil van de wereld geen toeval meer kon noemen. Afzonderlijk vielen ze nog wel te verklaren, maar samen, de hele reeks? Nee, de moord op Julie Van Espen was niet alleen een aanslag op een mens, hij was ook een aanslag op het moderne materialisme dat weigert te geloven in ‘hogere’ samenhangen. Bij de beroering over de moord zelf kwam ook nog eens de beroering over de karmische keerzijde ervan. Dit mag nooit meer gebeuren! werd er geroepen. Maar wat mocht nooit meer gebeuren: de moord op een onschuldig meisje of de aanslag op de materialistische levensvisie? 

Wanneer een engel verschijnt, zijn zijn eerste woorden altijd: schrik niet! De geestelijke dimensie jaagt angst aan wanneer ze zichtbaar wordt, ze schokt en ontreddert de mens. Dat was ook dit keer het geval. Maar men zag de engel niet (of wilde hem niet zien) en hij kon de mensen dan ook niet geruststellen en de reden van zijn komst verklaren. Die reden moesten ze zelf bedenken en aangezien ze hem niet op bovenzintuiglijke vlak wilden of konden zoeken, zochten ze hem op fysiek vlak. Ze gingen met andere woorden op zoek naar een schuldige, want zonder schuldige is er geen reden, zonder schuldige heeft het lijden geen zin en wordt het ondraaglijk. Steve Bakelmans woog te licht als schuldige, hij was een ordinaire bruut. Het falende gerecht dan? Maar had dat Bakelmans meteen na zijn veroordeling in de cel gegooid, dan zou hij op het moment van de moord weer op vrije voeten zijn geweest. Nee, de zingeving moest ‘hogerop’ worden gezocht, in de houding tegenover sexueel geweld: die was veel te laks, veel te toegeeflijk. 

De strijd tegen sexueel geweld was dan ook het thema van de Stille Mars, tenminste volgens de (vrouwelijke) organisatoren. Of de 15.000 deelnemers daarvoor op straat waren gekomen, is zeer de vraag, maar veel bezwaren zullen ze wel niet gehad hebben, want wie kan ertegen zijn dat sexueel geweld wordt bestreden! Maar wat houdt die strijd concreet in? Strengere straffen? Alsof verkrachters en moordenaars zich daardoor zullen laten tegenhouden. Psychische begeleiding van verwarde personen? Alsof daar geld voor is. Kinderen beter opvoeden dan? Alsof ouders daar tijd voor hebben, alsof het onderwijs niet bezwijkt onder zijn eigen gewicht! Trouwens, hoe voedt je kinderen op zodat ze later niet sexueel gewelddadig worden? Kan dat wat anders betekenen dan dat jongens nog meer in de hoek worden gezet? Naar verluidt waren de (jonge) mannen opvallend afwezig op de Stille Mars. Zij voelden wel wat er in de lucht hing. Hun sexe lag weer eens onder vuur.

De organisatoren beweerden nochtans dat ze niet wilden stigmatiseren, dat ze mannen niet als schuldigen voor het sexuele geweld wilden aanwijzen. Maar hoe dachten zij dat aan boord te leggen? Door de feministen te weren? Die blijven erop hameren dat in ons land iedere dag 100 vrouwen worden verkracht – één om het kwartier – en dat gebeurt niet door andere vrouwen, of door transgenders, of door buitenaardse wezens. Ze worden zonder uitzondering verkracht door mannen. Daar zijn de feministen zo boos over dat ze de oorlog verklaard hebben aan de man. Mannelijkheid is in hun ogen een vergif voor de samenleving. Met die mening staan ze trouwens niet alleen. De hele lgbt-beweging is één grote oorlogsverklaring aan de man en zijn mannelijkheid. De man-vijandigheid is hier letterlijk vleesgeworden, ze is doorgedrongen tot in de fysieke sfeer. Een Stille Mars die strijd wil voeren tegen sexueel geweld ontsnapt – alle mooie woorden ten spijt – niet aan het stigmatiseren van de man.

We kunnen trouwens net zo goed over vrouw-vijandigheid spreken, want in wezen is het de hele man-vrouw polariteit die onder vuur ligt. Men wil af van het onderscheid tussen de sexen: gedaan met mannen en vrouwen, leve de genderloze eenheidsmens! Deze nieuwe, inclusieve mens is zowel man als vrouw, maar toch vooral dat laatste, want het is de man die zich afscheidt van het (oer)vrouwelijke, die polariseert, die la guerre des sexes doet ontstaan. En daar verzet de neo-vrouwelijke mens zich hevig tegen. Hij/zij verzet zich daardoor ook tegen wat door die ‘mannelijke’ polarisatie mogelijk wordt gemaakt: de individualisering, de Steigerung tussen de tegenpolen, het kind dat geboren wordt. In de Heerlijke Nieuwe Wereld waar de eenheidsmens naar streeft, is geen plaats voor kinderen, moeders of vaders. Daarom was het ook zo ironisch dat de Stille Mars plaatsvond op … Moederdag. Het was een zoveelste veelzeggende ‘toevalligheid’ in deze hele metaforische geschiedenis.

Er is maar één manier om sexueel geweld te bestrijden zonder het nog te doen toenemen, en dat is door la guerre des sexes op geestelijk vlak te voeren, door er een ideeënstrijd van te maken. Helaas gebeurt doorgaans het omgekeerde: de strijd om inzicht ontaardt telkens weer in een fysieke strijd omdat het (mannelijke) rationele denken de (vrouwelijke) zintuiglijke waarneming ‘verkracht’ en blind blijft voor haar diepere, geestelijke dimensie. De zintuiglijke werkelijkheid wordt door het wetenschappelijke denken louter gezien als een (vrouwen)lichaam waaraan genot beleefd kan worden, genot dat met geweld wordt afgedwongen. Wat Steve Bakelmans met Julie Van Espen deed, was een metafoor van het moderne denken dat geen oog heeft voor de schoonheid en geest van de wereld, en die wereld enkel ziet als een genotsmiddel. De reacties op de moord bevestigden dat alleen maar. Ze bleven blind voor de karmische dimensie van de hele geschiedenis en dwongen haar daardoor zich te herhalen. 

De geest van de piramide

  

Misschien was het toeval, maar enkele weken voor er brand uitbrak in de Parijse Notre Dame, verscheen in de Franse hoofdstad een al even onheilspellend beeld. Op het binnenplein van het Louvre werd door street artist JR (met de hulp van honderden vrijwilligers) een gigantische trompe l’oeil gecreëerd waardoor het leek alsof de glazen piramide die al jarenlang in het midden van het museumplein prijkt, slechts het topje was van een enorme piramide die uit de diepten van de aarde oprees. Vanaf de begane grond was van het ‘kunstwerk’ niks te merken, behalve dan dat het hele plein bedekt was met enorm uitvergrote – en daardoor onherkenbaar geworden – foto’s. Om daaraan te verhelpen had men grote beeldschermen opgesteld waarop de zaak vanuit de lucht te zien was. Op die manier kregen de bezoekers alsnog de sensatie boven een reusachtige krater te lopen waaruit de top van een nog reusachtiger piramide stak. Het was eens wat anders dan altijd weer die Mona Lisa

Eén ding is zeker: de realisatie van dit ‘kunstwerk’ moet stukken van mensen gekost hebben. Maar daar werden in de media geen vragen over gesteld, zoals dat nochtans wel het geval was met de restauratiekosten van de Notre Dame. Die liggen weliswaar nog veel hoger, maar daar staat dan weer tegenover dat ze iets opleveren dat de eeuwen kan trotseren, terwijl van het artwork op het binnenplein van het Louvre al na een paar dagen niks meer overbleef. De museumbezoekers en toeristen hadden de foto’s toen al kapot gelopen, wat trouwens de bedoeling was. ‘Vergankelijk als het leven zelf’, noemde de kunstenaar zijn creatie en plakte er (sic) nog wat dure woorden op. Het resultaat was een hoop afval, want het Louvre-plein lag bezaaid met flarden verscheurd en vertrappeld papier, die door de wind bovendien nog over de hele stad werden geblazen. De Parijse stadsdiensten zullen er hun handen vol aan hebben gehad. Maar daar hoorde je de media niet over klagen. Hedendaagse kunst mag wat kosten.

De papieren trompe l’oeil kaderde in de viering van het 30-jarig bestaan van de glazen piramide op het binnenplein van het Louvre. Die piramide past daar als een tang op een varken, en dat was ongetwijfeld de bedoeling. Het kan geen toeval zijn dat deze abstracte constructie van glas en metaal de grootst mogelijke tegenstelling vormt met de omringende gebouwen. Men wilde die ‘oude troep’ wat opfleuren en bij de tijd brengen, zoals dat vandaag overal gebeurt, tot zelfs in het landelijke Scheldewindeke toe. Daar worden in een decor van velden, bomen en boerderijen steeds meer witte bunkers neergepoot alsof men de plaatselijke bevolking wil toeschreeuwen: hé, Vlaamse Primitieven, wakker worden, we leven in de 21ste eeuw! Een mens vraagt zich af wat de bouwers en bewoners van deze white cubes bezielt om zich zo extreem af te zetten tegen hun omgeving. Ze lijken wel missionarissen van een nieuw, militant geloof: het geloof in de rechte lijn, het witte vlak en de kale ruimte. 

Wat deze zeloten bezielt kan niet het enthousiasme zijn over hun eigen geloof, want dat heeft geen inhoud, het is louter vorm, lege, abstracte vorm. De ontelbare kubussen, balken en cilinders waarmee het moderne landschap bezaaid is, zijn als woekerend onkruid, met dat verschil dat in onkruid levenskrachten actief zijn, terwijl in moderne architectuur louter doodskrachten aan het werk zijn. Die doodskrachten bedekken de aarde met een dikke korst die haar afsluit voor de geest. Gebouwen als de Notre Dame of het Louvre zijn doorlaatbaar voor de geest. Ze roepen die geest wakker, dat voel je als je ernaar kijkt. Glazen piramiden en witte kubussen daarentegen weerkaatsen de geest en sluiten hem op in de dode wereld van de hersenen. En wat die hersenen bezielt, is niet vreugde over de schoonheid van de mens en zijn scheppingen, maar haat tegen die wereld, haat vooral tegen de christelijke geest die de menselijke beschaving de afgelopen 2000 jaar heeft geïnspireerd. 

Het is deze ziedende haat die de brand van de Notre Dame zoniet aangestoken dan toch mogelijk heeft gemaakt. Is het toeval dat uitgerekend in Frankrijk – lange tijd het hart van christelijk Europa – kerken op grote schaal worden gevandaliseerd? De Notre Dame was zwaar verwaarloosd en niet beschermd tegen brand, en met de andere kathedralen zal het wel niet beter gesteld zijn. Het was trouwens niet de eerste keer dat in Frankrijk een kathedraal in vlammen opging, zelfs Chartres moest er ooit aan geloven. Maar met de Notre Dame is nog iets anders aan de hand. De oorspronkelijke kathedraal was in de 19de eeuw zo bouwvallig geworden dat men overwoog ze af te breken. Uiteindelijk werd gekozen voor restauratie onder leiding van de beroemde architect Viollet-Le-Duc die onder meer ook Carcassonne, Vezelay en Mont Sint-Michel onder handen heeft genomen. Violet-Le-Duc deed echter meer dan restaureren, hij herschiep de gebouwen vanuit een historisch ideaalbeeld. De Notre Dame is daar een geslaagd voorbeeld van.

De Parijse kathedraal is al lang niet meer het oorspronkelijke middeleeuwse gebouw. Het is een 19de eeuwse make over. Maar dat viel niemand op omdat Violet-Le-Duc een diep respect had voor de oorspronkelijke geest van de gebouwen die hij restaureerde en probeerde zich helemaal in te leven in die geest. Hij stond daarmee niet alleen: in de 19de eeuw bloeide de neo-gotiek, die tal van indrukwekkende gebouwen heeft opgetrokken. In Frankrijk werden ze echter vrijwel allemaal weer afgebroken, omdat het heroplevende respect voor de middeleeuwse – en dus diep-christelijke – geest niet werd geduld door de nieuwe geest die in de 20ste eeuw opkwam. Deze ‘hedendaagse’ geest streefde met zijn abstracte bouwstijl de grootst mogelijke tegenstelling na met de oude christelijk-Europese geest. In de loop van honderd jaar heeft hij die bouwstijl uitgepuurd tot de hedendaagse white cube, met zijn smetteloos witte interieur, zijn smetteloos witte meubels, zijn smetteloos witte bewoners … 

In al die smetteloze witheid staat of hangt doorgaans hedendaagse kunst die eruitziet alsof iemand wild te keer is gegaan. De harde confrontatie die de hedendaagse architectuur naar buiten toe zoekt met haar omgeving, vinden we ook binnenin: kille abstractie tegenover dierlijke wildheid. Extreme polarisatie is het wezen van de nieuwe geest en hij vormt daarmee de grootst mogelijke tegenstelling met de oude Europese geest die overal het midden zocht. De hedendaagse kunst en architectuur belichamen de grondeloze haat die deze geest koestert jegens het Europese midden, dat hij op alle mogelijke manieren probeert te vernietigen. Die extreme haat gaat gepaard met een extreme sluwheid, want de hedendaagse geest keert de zaken gewoon om: hij toont zich hevig verontwaardigd over het … polariseren en hij doet dat in naam van louter christelijke idealen als naastenliefde, verdraagzaamheid, gelijkheid en solidariteit. Hij verkondigt precies het tegenovergestelde van wat hij doet.  

Deze Antichrist doet zich met andere woorden voor als Christus zelf, en beschuldigt hem ervan een antichristelijke bedrieger te zijn. Groter leugen is niet denkbaar en juist daarom is de hedendaagse geest zo overtuigend: niemand houdt zo’n schaamteloze omkering voor mogelijk. Ze is zo onwaarschijnlijk dat men ze doodeenvoudig niet gelooft en ze beschouwt als gezichtsbedrog, als een … trompe l’oeil. Dit kan niet waar zijn, denkt men, en dus neemt men het ook niet waar. Men gelooft letterlijk zijn eigen ogen niet meer. Duur klinkende woorden brengen de mens in de waan dat de Europese geest niet in zijn tegendeel is gekeerd maar als vanouds onze cultuur inspireert en enkel een meer eigentijdse vorm heeft aangenomen. De werkelijke geest achter deze vorm blijft onzichtbaar, want men bekijkt die nieuwe vormen niet eens. Men plakt er gewoon een beeld over dat men geconstrueerd heeft aan de hand van de ronkende, abstracte begrippen waar de hedendaagse geest het patent op heeft.

De schilderijen, beelden en gebouwen waaruit de kunst al duizenden jaren bestaat, werden in de 20ste eeuw vervangen door pispotten, kakmachines en kubussen. Niemand gelooft in ernst dat deze rommel kunst is. Dat is een absurde gedachte. Komen we die rommel toch tegen in een museum, dan schakelen we gewoon onze zintuigen uit en dwingen onszelf om een innerlijk beeld te vormen dat we op die rommel projecteren. Op die manier kunnen we doen alsof er niets aan de hand is en rustig op beide oren slapen. Hoe meer hedendaagse vormen we zien, des te dieper brengen we onszelf in slaap. Zo doen we het trouwens ook buiten de kunst. Kan iemand geloven dat het hoogontwikkelde Europa vandaag veroverd wordt door islamitische armoedzaaiers? Nee, dat is een belachelijke gedachte. En dus sluiten we de ogen voor het agressieve en gewelddadige gedrag van de islam en plakken er het beeld op van een vredelievende religie waarvan niets te vrezen valt en die prima samengaat met de Europese geest.

Was ditzelfde mechanisme niet ook werkzaam in het Duitsland van na de eerste wereldoorlog? Wie kon geloven dat het land van Goethe en Schiller ingepalmd zou worden door een bende achterlijke barbaren, geleid door een man met een belachelijk snorretje? Wie kon geloven dat beschaafde mensen in staat waren tot de gruwelen van Auschwitz? Niemand kon dat, ook de Duitsers niet, en dus weigerden ze te geloven wat ze zagen. Op basis van de propaganda waarmee ze dagelijks bestookt werden, vormden ze zich een innerlijk beeld van het nazisme dat ze op de realiteit plakten. Achteraf konden ze dan ook zeggen: wir haben es nicht gewusst. Want om iets te weten moet je het eerst kunnen geloven, en dat konden de Duitsers toen evenmin als wij vandaag kunnen geloven dat de islam in Europa een nieuw duizendjarig rijk aan het installeren is. Dit ongeloof, en de daaruit voortvloeiende blindheid, heeft Europa zwaar moeten betalen en die geschiedenis dreigt zich vandaag te herhalen. 

In deze zelfgeïnflecteerde blindheid werkt een geest die ingrijpt in de manier waarop wij de werkelijkheid vormgeven. En dat begint reeds in onze waarneming. Wat wij zien, is geen gegeven, het is een schepping waaraan we – zonder ons daar bewust van te zijn – meewerken. Van die onbewustheid maakt de antichristelijke geest gebruik om ons een andere werkelijkheid voor te spiegelen, een werkelijkheid waar alles op zijn kop staat, waar waarheid leugen is en leugen waarheid. Die ‘omgekeerde’ werkelijkheid heeft George Orwell beschreven in1984. Het is een wereld waarin de alziende Big Brother zich voordoet als de verlosser van de mensheid en aan de top staat van een ‘piramidale’ wereld. Tegen deze (onder)wereld is maar één kruid gewassen: bewustwording van de manier waarop wij de werkelijkheid scheppen waarin we leven. We moeten met ons verstand doordringen in de wereld van de scheppingskrachten. Alleen op die manier kunnen we ons beschermen tegen de enorme suggestieve, zinsbegoochelende kracht van de Antichrist.

De wereld van de scheppende krachten is voor ons verstand echter als een oerwoud waar we slechts met de grootste moeite onze weg kunnen vinden. Dit motief vinden we terug in het sprookje van de Schone Slaapster, waar de koningszoon zich een weg moet banen door de doornhaag waarachter de prinses – beeld van de scheppende krachten – ligt te slapen. Het wakker kussen van de scheppingskrachten is de grote michaëlische opgave van onze tijd. Want de eigenlijke scheppende geest is Christus, hij is degene waarvan we ons bewust moeten worden. In zekere zin helpt de Antichrist ons daarbij, want door de plaats van Christus in te nemen de wereld op zijn kop te zetten, dwingt hij ons tot een keuze. We staan vandaag middenin de strijd tussen twee machtige geesten waartussen geen compromis mogelijk is. We moeten kiezen: openen we de ogen voor Christus of laten we ze sluiten door diens tegenpool? Dringen we door tot de waarheid of laten we ons inspinnen in een wereldwijd web van leugens en gezichtsbedrog?

De mens is blijkbaar reeds zo blind geworden dat de Antichrist overmoedig wordt en geen moeite meer doet om zich te verbergen. Op het binnenplein van het Louvre toonde hij – even – zijn ware gezicht: dat van een reusachtige piramide die uit de onderwereld oprijst. Hij maakte ook geen geheim van zijn bedoelingen. Als we goed kijken naar zijn trompe l’oeil zien we rechts vooraan de schamele resten van een Griekse tempel: slechts drie zuilen staan nog overeind. De piramide-geest zal steeds hoger oprijzen en het Louvre, de Notre Dame en de hele christelijk-Europese beschaving herleiden tot puin. Temidden van die ruïnes zal de essentie zichtbaar worden: de christelijke drieëenheid, de menselijke driegeleding. Maar ze zal verbleken bij de macht en de glans van de antichristelijke piramide die hoog boven haar op zal rijzen. Daarmee is ook de keuze gegeven waarvoor de moderne mens staat: kiest hij voor de indrukwekkende trompe l’oeil van de Antichrist of kiest hij voor de christelijke resten aan de rand van de afgrond?  

De brand van de Notre Dame

  

Op maandagavond, de tweede dag van de Goede Week, brak brand uit in de Parijse Notre Dame. Algauw stond de kathedraal in lichterlaaie en verhief zich een grote rookwolk boven la ville lumière. Ik zal wel niet de enige zijn geweest die meteen dacht aan een aanslag. Het is een publiek geheim dat in Frankrijk geen enkele kerk nog veilig is. Gemiddeld worden er twee per dag gevandaliseerd, in brand gestoken of onteerd. Iedereen weet wie daar verantwoordelijk voor is, maar er wordt zedig over gezwegen. Ook nu weer ontkenden de autoriteiten onmiddellijk dat er kwaad opzet in het spel was, al moest het onderzoek nog beginnen. Er waren restauratiewerkzaamheden aan de gang in de kathedraal en daar moest de oorzaak van de brand gezocht worden. Wat er ook van zij – aanslag of restauratie – de brandende Notre Dame in het centrum van Parijs was een omineus beeld dat onwillekeurig deed denken aan de brandende twin towers in het centrum van New York, bijna 20 jaar geleden. 

Bij antroposofen riep het nog een andere herinnering op: de brand van het Goetheanum, bijna 100 jaar geleden. Net als de Notre Dame was de antroposofische tempel niet opgetrokken door een gespecialiseerde bouwfirma maar door vrijwilligers. Talloze mensen hadden hart en ziel in dit gebouw gelegd en de brand was dan ook een enorme klap. De toenmalige antroposofische vereniging overleefde hem niet. Nochtans had ze, terwijl de vernietigende krachten van de eerste wereldoorlog Europa teisterden, een unieke scheppende prestatie geleverd. Helaas ontbrak er iets aan: bewustzijn. Rudolf Steiner wees daarop toen hij zei dat de brand weliswaar van buitenaf was aangestoken, maar dat de werkelijke oorzaak bij de antroposofen zelf lag. Ze waren te veel met zichzelf bezig geweest en daardoor hadden ze het gebouw geestelijk onbeschermd gelaten. De vlammen die het Goetheanum verteerden, waren een uiterlijk beeld van het luciferische vuur dat binnen de vereniging woedde.

Wrijvingen, afgunst, ijdelheid, fanatisme en andere egoïstische driften hadden tot gevolg dat het Goetheanum een geestelijke omhulling ontbeerde. Persoonlijke aangelegenheden eisten zoveel aandacht op dat er onvoldoende overbleef voor de tempel. Het was deze geestelijke verwaarlozing die het Goetheanum fataal werd. Iets dergelijks kan men ook zeggen van de Notre Dame in Parijs, en bij uitbreiding van alle Franse kerken en zelfs van het hele Europese culturele erfgoed. In plaats van zorg te dragen voor het kostbare geschenk dat het aan de mensheid heeft geschonken, laat Europa zich – als het ware in navolging van de antroposofische vereniging – meesleuren in onderlinge ruzies en wederzijdse beschuldigingen. Het gedraagt zich als een kunstenaar die een meesterwerk heeft geschapen maar zich dat niet realiseert. In plaats van trots te zijn op wat hij tot stand heeft gebracht, schaamt de Europese mens zich diep en probeert wanhopig goed te maken wat hij denkt verkeerd te hebben gedaan. 

Het was verrassend om te zien hoeveel jonge Fransen diep getroffen waren door de brand van de Notre Dame – alsof de schok in hen een hoger zintuig had wakker gemaakt en ze iets gewaar werden van de geestelijke dimensie van het drama. Minder verrassend waren de cynische reacties op deze bewogenheid. Als mensen na een moslimaanslag kaarsjes branden, bloemen leggen en liedjes zingen, noemen de media dat ‘sereen’. Doen ze hetzelfde als een kathedraal brandt, dan noemen ze het ‘sentimenteel’. Ze steken er de draak mee, vragen zich af of het geld voor de restauratie niet veel beter aan een goed doel kan worden geschonken, of publiceren lijstjes met alle – in hun ogen – belachelijke reacties op de brand. Op Facebook verkondigde een linkse activist zelfs triomfantelijk dat hij al sinds 1789 voorstander is van het platbranden van kerken. Nee, het is al lang geen geheim meer welke diepe haat moderne intellectuelen koesteren voor alles wat christelijk is. 

Deze haatdragende intellectuelen zijn per definitie materialistisch. Zonder het met zoveel woorden te durven zeggen, zijn ze ervan overtuigd dat een mens leeft van brood alleen. De gedachte dat een kunstwerk als de Notre Dame geestelijk voedsel is voor miljoenen, en dat geestelijk voedsel voor de mens even noodzakelijk is als fysiek voedsel, vinden ze bespottelijk. Daarom willen ze die ‘oude troep’ liefst van al vervangen door hedendaagse kunst, waar het dode intellect de plaats van de levende geest heeft ingenomen. De Franse president Macron zag zijn kans schoon. De Notre Dame, verklaarde hij, zou binnen vijf jaar worden heropgebouwd, mooier dan ooit. De boodschap was duidelijk: niet alleen zouden de moderne Fransen de klus veel vlugger klaren dan de middeleeuwers, ze zouden het ook veel beter doen. Prompt werd een architectuurwedstrijd uitgeschreven en de eerste kandidaat was Wim Delvoye die zijn genie ten dienste stelde van de wederopbouw. Of hoe een ongeluk nooit alleen komt. 

Na de luciferische ramp, de ahrimaanse ramp. Het volstaat niet dat de kathedraal zwaar beschadigd werd, ze moet ook nog eens belachelijk worden gemaakt. Dat is de nieuwe trend. Historische gebouwen worden niet zomaar gerestaureerd, ze krijgen een hedendaagse make-over. Brak men ze vroeger af om er nieuwe voor in de plaats te zetten, dan combineert men nu beide: het oude gebouw verdwijnt niet, maar wordt innig verstrengeld met een hedendaagse constructie. De intellectuele klasse wordt daar lyrisch van: ze noemt het een prachtige symbiose van heden en verleden, een toonbeeld van vreedzame coëxistentie. In werkelijkheid is het natuurlijk het tegenovergestelde, want het Europese verleden is door en door christelijk, terwijl het Europese heden – althans dat van de machthebbers en intelligentsia – door en door antichristelijk is. De verbinding van beide tegenpolen leidt onherroepelijk tot een – letterlijke en figuurlijke – kleinering van het verleden. 

Alles van waarde is weerloos. Als Europa de michaëlische krachten niet vindt om haar christelijke beschaving te beschermen, dan zal deze ‘tempel’ in vlammen opgaan of – erger nog – geïncorporeerd worden in een ahrimaanse constructie. Luciferische en ahrimaanse krachten zullen samenwerken om de christelijke beschaving te verminken en te vernederen, en van Europa één groot cultureel Golgotha te maken. Alleen michaëlische bewustzijnskrachten kunnen dat voorkomen, en dat zijn oordeelskrachten, onderscheidingskrachten. Ze zitten reeds vervat in het bijbelse scheppingsverhaal. ‘Op de zesde dag keek God naar zijn schepping en Hij zag dat het goed was‘. Met deze bedrieglijk eenvoudige woorden wordt iets heel essentieels aangeduid: een schepping moet beoordeeld worden, zonder oordeel is ze niet af. Europa heeft de afgelopen 2000 jaar een christelijke beschaving geschapen, maar die beschaving is niet af zolang we niet ‘zien dat het goed is’. 

Wat we nodig hebben, zei Rudolf Steiner, is niet Christus maar bewustzijn van Christus. De scheppende heilsdaad is gesteld, Christus heeft zich verbonden met de aarde en daaruit is een christelijke beschaving ontstaan. Maar verre van te zien dat het goed is, kijken we met groeiende afschuw naar ons christelijke verleden. In die afschuw werkt Ahriman en het is op hem dat het michaëlische inzicht moet worden veroverd dat de Europese beschaving een goede schepping is. Uiterlijk gezien wordt dit kunstwerk vandaag het meest bedreigd door de islam. Die probeert het christendom al eeuwenlang te vernietigen en dat lijkt nu eindelijk te zullen lukken, maar alleen doordat de luciferische draak van binnenuit ahrimaanse hulp krijgt. Het is inderdaad opvallend hoe de Europese machthebbers en intellectuelen de islam de hand boven het hoofd houden. Rudolf Steiner voorspelde dan ook dat het intellect kwaadaardig zou worden. Het gevaar komt dus van twee kanten: van buitenaf en (vooral) van binnenuit. 

Een stuitend voorbeeld van dat laatste is de paus van Rome, die de wereld rondreist om overal moslims – letterlijk en figuurlijk – de voeten te kussen. Als geen ander illustreert deze jezuïet in welke mate Europa ontbeert wat in wezen zelfkennis is: bewustzijn van het eigen christelijke wezen. Dat gebrek aan michaëlisch zelfbewustzijn zet de poorten open voor de tegenmachten, die zich als bloedzuigers vastzetten op het christelijke erfgoed en er iets weerzinwekkends van maken. Christus wordt als het ware voor de tweede keer aan het kruis geslagen, geen fysiek kruis dit keer, maar een etherisch kruis, een bewustzijnskruis. Het vraagt moed en inzicht om deze nieuwe kruisiging onder ogen te zien en niet mee te juichen met de farizeëers van onze tijd. Destijds werden deze michaëlische kwaliteiten belichaamd door Maria en Johannes, die aan de voet van het kruis stonden als een beeld van de vrouwelijke en mannelijke eigenschappen die moeten samenwerken om op de zesde dag te kunnen zien dat het – ondanks alles – goed is.

Deze Goede Vrijdag beleeft iedere kunstenaar wanneer een kunstwerk zijn voltooiing nadert. De mannelijke oordeelskrachten beginnen de vrouwelijke scheppingskrachten dan te verlammen en de kunstenaar wordt langzaam maar zeker toeschouwer bij zijn eigen werk. Wanneer hij die grens overschrijdt, moet hij het werk neerleggen. Het scheppen is dan afgelopen en het oordelen begint. Die overgang is als een geboorte en een sterven tegelijk: de kunstenaar moet zijn werk loslaten, want als hij er verder blijft aan werken dan begint hij het – zonder het te beseffen – weer te vernietigen. Hij verkeert dan in de overtuiging dat hij zijn fouten herstelt en zijn werk steeds beter maakt, maar in werkelijkheid doet hij het omgekeerde: hij maakt het steeds slechter. Het dringt niet tot hem door dat bij het overschrijden van de grenzen van het kunstwerk de scheppende levenskrachten veranderen in vernietigende doodskrachten.

Ik heb dat ooit eens op exemplarische wijze ondervonden tijdens mijn academietijd. Ik had een geslaagde modeltekening gemaakt, maar vond dat met name het hoofd beter kon. Waren portretten niet mijn specialiteit? Welaan dan. Dus veegde ik het hoofd uit en begon opnieuw. Het resultaat was echter niet beter maar slechter dan de eerste keer. Die fout moest uiteraard hersteld worden, maar dat lukte ook dit keer niet. Steeds wanhopiger probeerde ik mijn tekening te redden, maar het het ging van kwaad naar erger. Het uiteindelijke resultaat was een menselijke figuur met de kop van een monster (want ik had het papier kapot getekend). Intussen sloeg de leraar mijn ‘verbeterende slopingswerk’ stilzwijgend gade en maakte van iedere fase een karikatuur. Dat leverde een metamorfose-in-acht-stappen op van mens tot monster, waar de hele klas zich vrolijk over maakte. Ik ben nooit meer vergeten hoe belangrijk het is om te weten wanneer je moet stoppen. 

Ieder (menselijk) scheppingsproces begint met het ontbranden van een innerlijk vuur: de geest wordt vaardig maar hij doet dat in luciferische gedaante. Die uitslaande brand moet met behulp van het verstand bedwongen worden. Dat leidt tot een gevecht in regel tussen levenskrachten en doodskrachten, tussen scheppingsroes en realiteitszin. Aan het eind dooft het luciferische vuur uit en overwint Ahriman. Dat is het moment waarop de kunstenaar het scheppende werk moet neerleggen, ook al is hij er niet tevreden over. Het accepteren van de grenzen van een werk is een oefening in gelatenheid, een erkennen van de onmacht om het oorspronkelijke visioen in een concreet beeld te vatten. Met name in onze tijd is dat een heel, heel moeilijke oefening, want enerzijds worden die ‘geestelijke visioenen’ (de helderziende waarnemingen die ten grondslag liggen aan ieder kunstwerk) steeds grootser, en anderzijds wordt de (door het materialisme veroorzaakte) honger naar de scheppingsroes steeds kwellender. 

Het resultaat is een mens die van geen ophouden weet, die de wereld alsmaar beter wil maken en juist daardoor in de greep van Ahriman raakt. Zijn scheppingsroes is veranderd in een vernietigingsroes, en hij merkt het niet: hij breekt de oude wereld af in de overtuiging dat hij een Heerlijke Nieuwe Wereld opbouwt. Die waan klinkt door in de woorden van president Macron die de verwoeste Notre Dame nóg mooier wil maken. We beluisteren hier – niet toevallig uit de mond van een Fransman – de krankzinnige hoogmoed van onze tijd die denkt dat ze de middeleeuwse kathedralen kan en moet verbeteren. Zoveel hoogmoed leidt onvermijdelijk tot een val. De moderne mens kan niet accepteren dat het scheppen voorbij is, dat de Europese beschaving een grens bereikt heeft, en dat het oordelen nu moet beginnen. Het is trouwens begonnen, maar het is een onbewust vernietigend oordelen, een ahrimaans oordelen, geen bewust scheppend oordelen, geen michaëlisch oordelen. 

De mensheid gaat vandaag over de drempel, maar ze weet het niet. Ze heeft nog niet het zintuig ontwikkeld om die grens waar te nemen en te weten wanneer ze moet stoppen. Ze beleeft dat ‘stoppen’ als een sterven, als het pijnlijke uitdoven van het scheppingsvuur, en klampt zich wanhopig vast aan de oude levensroes. De menselijke beschaving is oud geworden, ze heeft haar grenzen bereikt en is stervende. Of dat sterven de wetten van het lichaam zal volgen (en leiden tot een algehele ontbinding en vernietiging) dan wel die van de geest (en leiden tot een wederopstanding), hangt af van onze moed om stil te houden en dat sterven onder ogen te zien. Brengen we die – michaëlische – moed niet op om aan de voet van het kruis te staan en klampen we ons in plaats daarvan vast aan de illusie dat de beschaving wel zal blijven bestaan, dan worden we tot de vernietigers van die beschaving, dan doen we in vlammen opgaan waar we zozeer aan gehecht zijn. 

Al is de leugen nog zo snel …

  

… de waarheid achterhaalt ze wel. Dat gebeurde dit weekend in Brussel, toen klimaatactivisten gingen betogen in de Wetstraat en een sit in hielden voor het parlement. Die plek is namelijk sinds jaar en dag verboden terrein voor betogers. Dat heb ik vroeger, toen ik wat verderop in die Wetstraat werkte, meer dan eens met eigen ogen kunnen zien. Regelmatig werd die zone hermetisch afgesloten met prikkeldraad, politie in gevechtstenue, pantserwagens en ander zwaar materieel. Hier kwamen geen manifestanten binnen. Nooit. Tot dit weekend. Toen zaten Anuna De Wever en co daar doodgemoedereerd, van geen politie gestoord, te protesteren. Wat klaar en duidelijk bewijst dat zij geen betogers waren en dat ze niet protesteerden. Verre van burgerlijk ongehoorzaam zijn, gedroegen ze zich als mensen die precies doen wat van hen verwacht wordt door degenen waartegen ze denken te manifesteren. En die daarvoor beloond worden met vrije toegang tot plaatsen (en personen) die voor ieder ander ontoegankelijk zijn. 

Christchurch

  

De klimaatjongeren hadden pech. Uitgerekend op de dag dat ze wereldwijd actie voerden, werd in Nieuw-Zeeland een terroristische aanslag gepleegd. Tot overmaat van ramp was het geen aanslag van moslims maar op moslims, en dus trokken de media alle registers open. Dit keer keer geen lone wolf die in z’n eentje handelde, maar een lid van een wereldwijd extreem-rechts netwerk. Dit keer ook geen anonieme, verwarde man die om onbekende redenen aan het moorden sloeg, maar een blanke die met naam, toenaam en bedoeling werd genoemd. Evenmin werden we erop gewezen dat we meer kans maken om het leven te komen in het verkeer dan bij een terroristische aanval. Nee, wat in Christchurch gebeurde, kon net zo goed hier gebeuren, want ook in ons land is de moslimhaat aan een opmars bezig. Dat die moslimhaat niks met racisme te maken heeft maar alles met moslimterreur – de aanslag in Christchurch was een vergeldingsactie – daarover werd met geen woord gerept. 

Toen de (zwarte) acteur Morgan Freeman ooit gevraagd werd wat er gedaan kon worden aan racisme antwoordde hij: Stop talking about it! Het voortdurend hameren op de spijker van het racisme was volgens hem een veel groter probleem dan het racisme zelf. Hij had hetzelfde kunnen zeggen over de dreiging van extreem-rechts of de haat tegen moslims: het gevaar komt niet van neo-nazi’s of islamofoben, het gevaar komt van degenen die onophoudelijk spreken over extreem-rechts en moslimhaat: de linkse politici, de politiek-correcte media. Noch van racisme, noch van extreem-rechts (en al helemaal niet van moslimhaat) ging er nog enig reëel gevaar uit, tot deze lieden er begonnen over te spreken. Na twee wereldoorlogen had Europa zijn lesje wel geleerd, het zou niet opnieuw in die racistische en fascistische val trappen. Maar toen begon men dit uitdovende vuur weer op te poken en luidkeels te waarschuwen voor een heropleving van racisme, fascisme, nazisme, enzovoort.   

Algauw kreeg dit gestook een kwaadaardig karakter, voor zover het dat niet reeds van meet af aan had. De bevolking werd in toenemende mate gedemoniseerd en dat des te meer naarmate er geen reden toe was. Zo werden tijdens de oorlog in ons land meer joden uit handen van de nazi’s gered dan waar ook, maar nog geen vijftig jaar later werd het gebrandmerkt als het meest racistische land van Europa. Uitgerekend de Vlamingen – die brave, makke schapen die zich in eigen land laten reduceren tot tweederangsburgers – werden voorgesteld als een duivels volk waarvoor geen moslim, zwarte, homo of jood veilig was. Steeds driester werd dit omkeringsprincipe toegepast: van een mug werd een olifant gemaakt, van een olifant een mug. Met eindeloos veel – en vaak nieuwe – woorden zette men de zaken op hun kop. ‘Er waart een monster door Europa’, verkondigde Karel De Gucht aan iedereen die het horen wilde, en dat monster was niet de terroristische islam, het was de eigen racistische bevolking.

Inmiddels heeft dit demoniserende discours verbijsterende afmetingen aangenomen. Op de dag dat moslims drie jaar geleden in Brussel twee bloederige aanslagen pleegden, herdachten de media niet de slachtoffers – die overigens geen enkele steun of vergoeding kregen – maar riepen ze op om … de moslims te beschermen. Alle aandacht ging uit naar het extreem-rechtse gevaar terwijl de oorzaak ervan – de moslimterreur – onder het tapijt werd geveegd. Zo grotesk is deze omkering dat het – letterlijk – niet te geloven is. Veel mensen kunnen eenvoudig niet geloven dat andere mensen zo kwaadwillig kunnen zijn, dat ze dag in dag uit dezelfde leugen blijven herhalen, tegen beter weten in. Al die politici, journalisten, professoren en andere intellectuelen waar ze vol ontzag naar opkijken, kunnen toch geen doortrapte leugenaars zijn! En liever dan hun vertrouwen in deze autoriteiten te verliezen, beginnen ze de leugen te geloven. Ja, Vlamingen, Europeanen en blanken zijn racisten. Als al die verstandige mensen het zegt, zal het wel waar zijn zeker?

De omkeringsleugen vertoont ook alsmaar nieuwe scheuten: racisme, fascisme, islamofobie, sexisme, genderfobie, white privilege, kolonialisering, cultural appropriation, klimaatnegationisme, antigypsisme enzovoort. Het zijn de steeds talrijker wordende koppen van een monsterachtige draak. Maar ondanks de wildgroei van alarmerende begrippen, is er van het monster zelf nauwelijks iets te zien. Waar zijn de racisten die gekleurde mensen aanvallen, bedreigen en vermoorden? Waar zijn de neo-nazi’s die de straten onveilig maken? Waar zijn de islamofoben die moslims terroriseren? Waar zijn de fascisten (behalve bij links)? Waar zijn de genderfoben die Bo Van Spilbeeck het leven zo zuur maken dat hij zich niet meer durft te vertonen? Waar zijn de klimaatnegationisten die de media teisteren met hun fake news? Ze bestaan alleen in de verbeelding van de intelligentsia. Slechts een enkele keer wordt die verbeelding werkelijkheid, zoals in Nieuw-Zeeland. 

De Verschrikkelijke Draak waarvoor onophoudelijk wordt gewaarschuwd, bestaat alleen uit beelden, voorstellingen, woorden, tabellen en grafieken afkomstig uit het verbeeldingsrijke brein van would be drakenridders. In de realiteit is er echter geen draak te zien, en daarom wordt het monster steeds meer in de ziel van de (blanke) mens gesitueerd. Er wordt gesproken over structureel racisme, institutioneel racisme, genetisch racisme, kortom racisme waarvan de racist zich niet bewust is. Om dat kracht bij te zetten is het begrip ‘micro-agressie’ in het leven geroepen: microscopisch kleine vormen van racisme die met het blote oog niet waar te nemen zijn, maar die samen één groot en dreigend geheel vormen. Zeggen dat gekleurde mensen er goed uitzien of dat ze vlot Nederlands spreken: het zijn vormen van micro-agressie. Vragen waar iemand vandaan komt: het is een uiting van micro-racisme dat even reëel wordt geacht als de wereld van de kwaadaardige virussen en vleesetende bacterieën. 

Dit verplaatsen van het kwaad van de zichtbare naar de onzichtbare werkelijkheid heeft natuurlijk tot gevolg dat om het even wie van racisme beschuldigd kan worden, ook al is hij zich van geen kwaad bewust, ja vooral dan. Want het feit dat hij zich van geen kwaad bewust is, bewijst dat het micro-racisme ongestoord aan het woekeren is in zijn ziel en op een dag verwoestend tevoorschijn zal komen. Deze theorie van de Onzichtbare Draak is echter een mes dat aan twee kanten snijdt, want ook de uitvinders van deze theorie zijn zich van geen kwaad bewust. Hoe kunnen zij dan onderscheiden worden van de racisten? Hoe kunnen zij voorkomen dat hun theorie tegen henzelf gekeerd wordt en dat zij op hun beurt van micro-racisme beschuldigd worden? Eenvoudig: door anderen onophoudelijk te beschuldigen van racisme. Het uitgangspunt is immers dat iedere blanke een racist is, en van die erfzonde kan hij zich alleen zuiveren door het racisme in zijn medemensen aan te klagen.

Om niet als racist door het leven te gaan, volstaat het niet om geen racistische daden te stellen, het volstaat ook niet om geen racistische uitspraken te doen, en het volstaat zeker niet om te verklaren dat men geen racist is. Die passieve houding wordt beschouwd als een vorm van medeplichtigheid. Iedereen is schuldig tot hij het tegendeel bewijst en dat laatste gebeurt door racisme actief te bestrijden, door er voortdurend over te spreken, door zelfs de kleinste uitingen aan de kaak te stellen en uit te rukken als onkruid dat de kans niet mag krijgen om te groeien. Aangezien vele vormen van racisme microscopisch klein zijn, moet al wie niet verdacht wil worden, tewerk gaan als de kippen: hij moet alles omwoelen op zoek naar de kleinste zaadjes en kiemen. Onvermoeibaar moet hij overal, op ieder gebied, speuren naar mogelijk racisme: in Zwarte Piet, in carnaval, in de kerststal, in kinderboeken, in reclamefoto’s, in kledij, ja zelfs in potloden. Want het kwaad verbergt zich overal. 

Het beeld dat zich op die manier vormt in het brein van de antiracist, is dat van een (Vlaamse, Europese, blanke) samenleving die volkomen in de greep van de draak zit, waar het kwaad tot in de kleinste geledingen is doorgedrongen en daar als een onzichtbare kanker zijn vernietigingswerk verricht. Dit beeld is zo krachtig omdat het – paradoxaal genoeg – waar is. Wat de leidende klasse overal om zich heen ziet, is een onbewuste waarneming van Ahriman, de kwaadaardige geest die zich als een kanker uitzaait in de hele mensheid en tevoorschijn komt als een levensbedreigende ziekte. Maar juist omdat het een ‘astrale’ waarneming is, verschijnt alles omgekeerd. Het kwaad dat (vooral) de intellectuele klasse overal op zich af ziet komen – als extreem-rechts ongedierte dat uit de riolen van de samenleving komt gekropen en de menselijke beschaving onder de voet dreigt te lopen – is in werkelijkheid hun eigen kwaad, het is Ahriman die zich in hun eigen ziel verbergt, en dan vooral in hun intellect. 

Rudolf Steiner waarschuwde ervoor dat het intellect in toenemende mate kwaadaardig zou worden. Hij voorspelde ook dat Ahriman zou schrijven. En dat zien we vandaag gebeuren. We worden overspoeld met perfide teksten waarin intellectuelen steeds weer dezelfde boodschap herhalen: het kwaad komt tevoorschijn uit alle hoeken en kieren van de samenleving en we moeten dat onkruid bestrijden anders zal het alles overwoekeren. Wat Ahrimans geschrijf zo overtuigend maakt, is dat het waar is. Ahriman liegt niet. Hij spreekt de waarheid over zichzelf, maar projecteert die op anderen, bij voorkeur op zijn grote vijanden, de christenen. Wat we nu al tientallen jaren dagelijks in de media lezen, in alle mogelijke variaties, is een zelfportret van Ahriman. Maar zo wordt het natuurlijk niet begrepen, het wordt voorgesteld als het portret van de christelijke mens zoals we die vandaag vinden in de blanke, Europees-Westerse bevolking die nog niet aan drempelwanen lijdt. 

Ahriman schrijft. Dat betekent dat hij tegenover de werkelijkheid gaat staan en er zich een beeld van vormt dat hij vervolgens in woorden giet. Dat beeld is in zijn geval een voorstelling van de wereld als een louter materieel, dood ding waar we niks mee te maken hebben, waar we geen enkele gevoelsmatige binding mee hebben, tenzij een van minachting en afkeer. Die dode, materiële wereld fungeert als een scherm waarop Ahriman zichzelf projecteert als zijnde de Ultieme Waarheid. Hij is degene die van de moderne werkelijkheid één grote bioscoop heeft gemaakt waar we volkomen passief zitten te kijken en alles geloven wat we zien. We denken wakker en alert te zijn, maar dat is uiteraard niet het geval, anders zouden we beseffen in een donkere ruimte naar een muur te zitten kijken, zoals in de grot van Plato. In werkelijkheid slapen we, we dromen en nemen de geprojecteerde beelden van Ahriman voor waar aan. We moeten wel, want wakker worden in dat duistere hol zou ondraaglijk zijn. 

Dat ‘donkere hol’ is in feite onze schedel. Dat is de plaats waar Ahriman ons opgesloten heeft: in ons intellect. Dat geldt natuurlijk in de eerste plaats voor de intellectuelen, voor degenen die alleen met hun hoofd werken. Zij beschouwen zich als de wakkersten onder de wakkeren, maar in feite slapen zij diep. Hun slaap is een vlucht voor de duisternis waarin ze zich bevinden, de duisternis van Ahriman. Zij vluchten in dromen, in Hollywoodfilms, in utopische voorstellingen van hoe de wereld er zou kunnen of moeten uitzien. Anders gezegd, Ahriman jaagt hen in handen van Lucifer. Vandaar al die vurige idealen die zoveel kille intellectuelen er vandaag op nahouden. Nu is er op zich niks tegen die schitterende idealen, en er is ook niks tegen dat intellectuele, emotieloze denken. Wel integendeel. Het zijn geweldige vermogens, die de mens in de loop der tijden ontwikkeld heeft dankzij Lucifer en Ahriman. De tragiek is echter dat hij ze niet gebruikt. Hij geeft ze in handen van de tegenmachten, in handen van de draak. 

Rudolf Steiner wijst erop dat de moderne mens ongelooflijk goed kan denken, maar dat hij het niet doet. Hij slaapt liever. Hij zit liever te dromen in de bioscoop dan dat hij wakker wordt en de werkelijkheid onder ogen ziet. Nochtans is hij meer dan ooit in staat om door te dringen tot de kern van die werkelijkheid. Juist doordat hij tegenover die werkelijkheid kan gaan staan en er objectief en afstandelijk kan naar kijken, bezit hij (voor het eerst) de mogelijkheid zich bewust te worden van zijn Ik, dat, zoals Rudolf Steiner aangeeft, vanuit de omringende wereld op hem afkomt. Maar dan moet hij wel wakker worden en duidelijk onderscheid maken tussen de werkelijkheid en de ahrimaanse projecties die er zo nauw mee vervlochten zijn. Want als hij dat niet doet dan verwart hij zijn (christelijke) Ik met het (racistische, extreem-rechtse) ongedierte dat hij van alle kanten op zich af ziet komen. Dat is de Tragische Omkering die vandaag plaatsvindt: de moderne mens ziet Christus als de draak en de draak als zijn Verlosser. 

De slaapwandelende intellectuele klasse denkt de draak te bestrijden, maar in werkelijkheid bestrijdt ze Christus, het kosmische mensheids-Ik. Daarom gaat ze ook een vanzelfsprekende alliantie aan met de islam, de grootste antichristelijke instantie op aarde. Extreem-rechts beschouwt ze als de grote vijand, niet omdat het een reëel gevaar vormt, maar omdat het zich verzet tegen de islam, omdat het dreigt de ‘religie van de vrede’ te ontmaskeren. Dat wil echter niet zeggen dat extreem-rechts – een containerbegrip voor alles wat niet links of politiek-correct is – het christelijke vertegenwoordigt en de mens als een geestelijk Ik-wezen ziet. Rechts zit net zo goed in de greep van het materialisme als links, het is evenmin wakker. Het reageert blind en instinctief op Ahriman, met als gevolg dat het in de greep van Lucifer raakt. De blinde strijd tussen beide tegenmachten veroorzaakt een vicieuze cirkel die de mens langzaam maar zeker de dieperik in trekt. 

Dat kwam op een merkwaardige manier tot uitdrukking in de aanslag in Nieuw-Zeeland. Hij werd gepleegd in een stad die Christchurch heet en dus blijkbaar uitgesproken christelijk van oorsprong is. Het wekt om te beginnen al verbazing om moslims aan te treffen in Nieuw-Zeeland, een eiland midden in de Stille Oceaan. Wat zoeken ze daar? De verbazing wordt nog groter wanneer blijkt dat ze aan weerszijden van de kathedraal in het centrum van Christchurch een moskee gebouwd hebben. Waarom juist daar? Dit is niet het gedrag van een gediscrimineerde minderheid die bescherming zoekt tegen het geweld waaraan ze overal blootstaat. Dit is uitdagend, ahrimaans gedrag dat met het creëren van een Golgothabeeld een luciferische reactie wil uitlokken, een reactie die schijnbaar gericht is tegen de ahrimaanse islam, maar die in werkelijkheid – samen met die islam – gericht is tegen het midden tussen de twee tegenmachten, tegen Christus, tegen de vrije, individuele Ik-mens.  

Drempelwaanzin

  

De mensheid gaat over de drempel van de geestelijke wereld. Het is een zinnetje dat iedere antroposoof kent. Minder bekend is de huiveringwekkende werkelijkheid die achter deze onschuldig klinkende woorden schuilgaat. Want wie onbewust of onvoorbereid over de drempel gaat, verliest zijn verstand, hij wordt met waanzin geslagen, zoals de Romeinse keizers. En dat is precies wat vandaag op grote schaal gebeurt. De moderne mens weet niets af van een drempel, hij gelooft niet eens in een geestelijke wereld, en het gevolg van die onwetendheid is dat hij langzaam maar zeker gek wordt. Het overschrijden van de drempel is een bewustzijnsproces waarbij de mens geleidelijk weer voeling krijgt met de wereld van de geest. Hij begint die wereld – na duizenden jaren van ‘Godenschemering’ – opnieuw waar te nemen. Maar of die drempeloverschrijding zijn redding dan wel zijn vernietiging wordt, hangt af van zijn vermogen om zijn geestelijke waarnemingen te doordringen met gedachten.  

Waarnemen zonder denken levert geen zien op. Denken zonder waarnemen evenmin. Pas wanneer beide met elkaar verbonden worden, ontstaat er een helder zien, en dat geldt zowel voor de materiële als de geestelijke wereld. Een mooi voorbeeld daarvan is het orakel van Delphi, dat een belangrijke rol speelde in het oude Griekenland. Het orakel bestond uit een priesteres (de Pythia) en een priester (de Profeet). De priesteres was in staat waarnemingen te doen in de geestelijke wereld, de priester vertaalde haar waarnemingen in begrijpelijke taal. Hoe dat in zijn werk ging, kunnen we nog zien in primitieve culturen. De sjamaan of tovenaar die de geesten wil raadplegen, gaat in trance. Hij verliest zijn bezinning, gaat tekeer als een bezetene, slaakt luide kreten en maakt wilde gebaren. Hij gedraagt zich met andere woorden als een krankzinnige, maar zijn stamgenoten zijn in staat die ‘waanzin’ te duiden en er kostbare geestelijke informatie uit te puren. 

De moderne mens, die onvoorbereid over de drempel gaat, vertoont eenzelfde soort krankzinnigheid. Zonder het te beseffen gedraagt hij zich als een primitieve sjamaan of een Griekse orakelpriesteres. Hij bevindt zich in een staat van onbewuste geestvervoering. Voor de nuchtere toeschouwer is het alsof hij zijn verstand verliest en hysterisch wordt, maar zelf is hij zich van geen kwaad bewust. Integendeel, hij voelt zich geïnspireerd, bevlogen, verheven boven het aardse gewoel. De gedachte dat er iets niet in orde zou zijn met zijn vervuld-zijn-van-geest is de allerlaatste die in hem opkomt. Wat daarentegen wel in hem opkomt, is woede en verontwaardiging als men probeert hem uit deze ‘geestesslaap’ te halen en weer tot bezinning te brengen. Omdat steeds meer mensen ten prooi vallen aan deze ‘drempelwaanzin’, wordt ze langzaam maar zeker ‘het nieuwe normaal’. Dat is de akelige keerzijde van de drempeloverschrijding: krankzinnigheid wordt de norm waarnaar we ons moeten voegen. 

Er is een Orwelliaanse omkering aan de gang: wie (nog) niet krankzinnig is, wordt in toenemende mate bestempeld als … krankzinnig. Vervuld van geest als ze zich voelen, wanen de ‘drempelkrankzinnigen’ zich moreel superieur. Ze zien ze het als een morele plicht hun inferieure medemensen te helpen en herop te voeden. Wanneer deze ‘achterblijvers’ hun hulp afwijzen, zijn ze verbijsterd. Waarom keren deze mensen zich af van het licht? Waarom laten ze zich niet leiden? Langzaam slaat het onbegrip van de ‘superieuren’ om in woede en verontwaardiging. Ze raken ervan overtuigd dat de ‘inferieuren’ van slechte wil zijn, dat ze de geest moedwillig afwijzen en zich willens en wetens verzetten tegen alles wat goed, waar en mooi is. Ze vormen met andere woorden een bedreiging voor de samenleving, een kwaad dat uitgeroeid moet worden. Zo komen de krankzinnigen ertoe alle normalen te beschouwen als drakenmensen en hen te bestrijden alsof de redding van de wereld ervan afhing. 

Het klinkt als het scenario voor een of andere horrorfilm, maar het is harde werkelijkheid. Neem nu de klimaatbetogingen. Wie de zaak nuchter bekijkt, kan alleen maar het hoofd schudden bij zoveel ‘waanzin’. Scholieren spijbelen om te protesteren tegen het klimaatbeleid, maar verre van daarvoor gestraft te worden, worden ze toegejuicht door ouders, leerkrachten, schooldirecties en zelfs politici. Verschillende scholen verplichten hun leerlingen zelfs te gaan betogen, want als ze niet spijbelen wordt dat als … spijbelen beschouwd. Zelfs kleuterklassen worden opgetrommeld, want jong geleerd is oud gedaan. Greta Thunberg, een kind nog, wordt ontvangen door regeringsleiders die ze er vervolgens van beschuldigt ‘de grootste schurken uit de geschiedenis te zijn’. Als beloning wordt ze genomineerd voor de Nobelprijs voor de Vrede. En heel dit circus wordt enthousiast begroet als een uitdrukking van idealisme, milieubewustzijn, engagement, solidariteit, kortom alles wat goed en nobel is. 

De keerzijde van dit vurige enthousiasme is de kille verkettering van iedereen die weigert mee te applaudisseren voor deze krankzinnige vertoning. Wie het hoofd koel houdt, wordt weggezet als een verzuurd mens die het idealisme van de jeugd in de kiem wil smoren. Niet degenen die kleuters voor hun politieke kar spannen worden beschuldigd van kindermisbruik, maar degenen die daartegen protesteren. Hun protest wordt overigens vakkundig de kop ingedrukt door de media en er gaan zelfs stemmen op om deze ‘klimaatnegationisten’ – ze worden vergeleken met neo-nazi’s – achter slot en grendel op te sluiten. Het maakt deel uit van de drastische maatregelen waar de tienduizenden klimaatjongeren om schreeuwen. Maar daar geven ze zich geen rekenschap van. Net als degenen die hen toejuichen, fungeren ze als spreekbuis voor ‘hogere machten’. Ze bevinden zich in een soort trance die hen belet om helder te denken, maar die hen wel een goed gevoel geeft. Tenminste voor zolang het duurt.

Een ander voorbeeld van ‘drempelkrankzinnigheid’ is het transgenderfenomeen. Sinds kort is het mode geworden om van geslacht te veranderen: mannen laten zich ombouwen tot vrouwen, vrouwen laten zich ombouwen tot mannen. Dat levert groteske beelden op, zoals Conchita Wurst, een zangeres met een baard, of Caitlyn Jenner, een eertijds knappe mannelijke atleet die er nu uitziet als een griezelige vrouw. Het (voorlopige) toppunt van deze krankzinnigheid is het ‘transgendergezin’: de vader, een zwangere vrouw met een baard, de moeder, een man met borsten, het kind, een jongetje dat wordt omgebouwd tot meisje. Opnieuw zien we hoe kinderen bij deze waanzin betrokken worden. Het volstaat niet dat volwassenen tot de overtuiging komen dat ze in het verkeerde lichaam zitten, mensen moeten er van kindsbeen af op gewezen worden dat ze kunnen kiezen in welk lichaam ze door het leven willen gaan. Daartoe worden lespakketten verspreid in de scholen. 

Het transgenderisme toont opnieuw aan dat de drempelkrankzinnigheid niet alleen ligt bij degenen die ernaar handelen en hun lichaam door middel van operaties en hormonenkuren van geslacht doen veranderen, maar ook – en vooral – bij degenen die dit toejuichen. Want ofschoon de transgenderwereld er bij momenten uitziet als een freakshow en de absurditeit er duimendik bovenop ligt, is er vrijwel geen enkel protest te horen tegen deze waanzin. Op het internet vindt men een eindeloze parade van gepruikte, geschminkte, gebotoxede, gepiercete, blauwharige en andere ‘drakenkoppen’, maar men moet lang zoeken voor men een woord van kritiek vindt. De Amerikaanse journalist Ben Shapiro is een van de zeldzame uitzonderingen. Hij waagde het om in een tv-debat het transgenderfenomeen een waan – a delusion – te noemen, met als resultaat dat de transgender die aan het debat deelnam ermee dreigde hem in elkaar te slaan en Shapiro sindsdien nergens meer kan gaan spreken zonder politiebewaking. 

Een andere uitzondering is Jordan Peterson. De Canadese professor spreekt zich weliswaar niet uit tegen het transgenderisme zelf, hij protesteerde alleen tegen een wetsvoorstel dat het strafbaar wilde maken transgenders niet aan te spreken zoals ze aangesproken willen worden. Daarvoor werd hij belaagd door schreeuwende transgenders en dat betekende het begin van zijn beroemdheid maar tegelijk ook het einde van zijn academische carrière. Ondanks zijn protest werd het wetsvoorstel aangenomen. Ook in Engeland bestaat trouwens zo’n wet. Onlangs werd een moeder van drie kleine kinderen er gearresteerd en in de cel gegooid omdat ze in een (internet)discussie geweigerd had een omgebouwde man aan te spreken als vrouw. De overheid doet er inderdaad alles aan om transgenders te steunen en te beschermen (bijvoorbeeld ook door geslachtsoperaties terug te betalen en betaald verlof te verlenen). In een dergelijk klimaat valt het niet te verwonderen dat vrijwel niemand zich in het openbaar durft te verzetten tegen het transgenderfenomeen.

De polariteit van enthousiasme en verkettering die we reeds vaststelden bij de klimaatbetogingen, vinden we ook terug bij het transgenderfenomeen, en wel in de hoogste mate. Toen Boudewijn Van Spilbeeck, een Vlaamse tv-presentator, op een dag als Bo op het scherm verscheen, brak er een waar jubelkoor los. De media struikelden over elkaar om Bo te prijzen en zijn heldenmoed te bezingen. Hij verscheen als zij in diverse praatprogramma’s, er werd een documentaire gewijd aan zijn ‘transitie’ en er verscheen ook een boek. Van de ene dag op de andere werd Van Spilbeeck niet alleen een Bekende Vlaming maar ook een Vlaamse Held, een rolmodel voor de jonge generaties. Transgenders worden inderdaad voorgesteld als ‘nieuwe mensen’, die de moed opbrengen om zichzelf te zijn en heldhaftig ingaan tegen het hokjesdenken en de stereotiepe opvattingen waarin de ‘oude mens’ gevangen zit. 

Dat deze voorstelling van zaken het denken lamlegt, blijkt nergens beter dan in de sportwereld. Steeds vaker ziet men daar mannelijke atleten die zich laten ombouwen tot vrouwen, vervolgens deelnemen aan wedstrijden voor vrouwen en daar alles winnen omdat ze, ondanks hun lange haren en hun lippenstift, nog altijd beschikken over een mannelijke ‘infrastructuur’. Dat is natuurlijk je reinste competitievervalsing, maar het wordt nog erger, want in verschillende landen, waaronder België, is het niet langer nodig een geslachtsoperatie te ondergaan om als iemand van het andere geslacht te kunnen doorgaan. Wettelijk volstaat het dat een man verklaart vrouw te zijn om te kunnen deelnemen aan vrouwencompetities. Of om vrouwentoiletten te bezoeken. Dat levert natuurlijk eindeloze complicaties, discussies en moeilijkheden op, maar dat belet de overheid en de media niet om transgenders te blijven promoten als de avant-garde van de Nieuwe Wereld, als de voorlopers van de Nieuwe Mensheid. 

Deze Nieuwe Mensheid blijkt een verzameling angstige, agressieve en redeloze wezens te zijn. De transgenders zijn bijvoorbeeld prominent aanwezig in de Social Justice beweging, die zich radicaal keert tegen de vrijheid van meningsuiting en geen geweld schuwt om andersdenkenden het zwijgen op te leggen. Toen Ben Shapiro onlangs kwam spreken in Berkeley, een van de meest prestigieuze universiteiten van Amerika, werd de hele campus hermetisch afgesloten met betonblokken. Honderden politieagenten in gevechtsuitrusting bewaakten de gebouwen terwijl drie helikopters continu in de lucht rondcirkelden. De maatregelen waren een gevolg van de vernielingen die de Social Justice Warriors bij een vorige gelegenheid hadden aangericht. Er werden toen zelfs molotov-cocktails gegooid en de schade bedroeg meer dan een half miljoen dollar. Ook dit keer vloeide er bloed, en dat allemaal omdat er iemand kwam spreken die zich verzet tegen (onder meer) transgenderisme en abortus. 

Het is angstaanjagend om de redeloze haat te zien in de ogen van deze ‘drempelkrankzinnigen’, meestal jonge gepriviligieerde mensen die studeren aan de beste universiteiten ter wereld en later tot de intelligentsia van hun land zullen behoren. Ook hier weer die omkering: uitgerekend degenen die de rede zouden moeten vertegenwoordigen, gedragen zich als een horde wilde dieren. Het is dus niet de gewone bevolking die zienderogen haar verstand verliest, maar de elite, de intellectuelen. Zij zijn het die het eerst ‘gegrepen’ worden door de geest en ‘losgerukt’ van de werkelijkheid (waaronder hun eigen lichaam). Hier treffen we de orakelpriesteressen aan die in trance raken en hun bezinning verliezen, zonder hun onbewuste waarnemingen te kunnen verbinden met hun rationele verstand. Dat verstand is zo abstract en levenloos geworden dat het de brug niet kan slaan naar de veel concretere en veel levendiger wereld van de geest die via de instincten hun bewustzijn binnendringt.

De mensheid gaat vandaag over de drempel van de geestelijke wereld. Men zou ook kunnen zeggen: de geestelijke wereld maakt zich weer kenbaar aan de mens. Maar die mens is zo materialistisch geworden dat de geest geen toegang vindt tot zijn bewustzijn en zich dus een weg moet banen via het onderbewustzijn, met allerlei vormen van ‘drempelwaanzin’ tot gevolg. Dat is de huiveringwekkende keerzijde van de toenemende ‘vergeestelijking’ van de moderne mens: hij wordt langzaam maar tot waanzin gedreven. Wie zich verzet tegen het krankzinnige gedrag van deze ‘vergeestelijkten’ wordt zelf beschouwd als een krankzinnige, die genezen of opgesloten dient te worden. De enige manier om aan deze drempelwaanzin te ontsnappen, is door het gedrag van de krankzinnigen te ‘lezen’ zoals de orakelpriesters dat eertijds deden. Want heel die waanzinnig wordende moderne wereld is in wezen één groot orakel: het is een openbaring van de geest die begrepen wil worden.