Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Categorie: nieuws & actualiteit

I can’t breathe (6)

  

BlackLivesMatter is de jongste weken uitgegroeid tot de antiracistische slogan bij uitstek. De drie woorden betekenen letterlijk: zwarte levens doen ertoe, ze tellen mee, ze zijn belangrijk. Dat spreekt natuurlijk vanzelf. Niemand twijfelt er anno 2020 nog aan dat black lives matter. Het gaat dus op het eerste gezicht om een onschuldige slogan. Er wordt echt niet veel gevraagd, gewoon een beetje respect voor de zwarte medemens, meer niet. Maar als je begint na te denken over deze slogan, dan blijkt onder het wollige uiterlijk van BlackLivesMatter een wolf schuil te gaan. Juist de vanzelfsprekendheid van de drie woorden geeft ze een heel andere betekenis. Ze suggereert dat er nog altijd mensen zijn die vinden dat een zwart leven er niet toe doet. Gelet op de heftigheid en verontwaardiging waarmee de slogan geskandeerd wordt, zijn deze racisten zelfs zo talrijk dat ze een bedreiging vormen voor de zwarte mens. En dat maakt van BlackLivesMatter een zware beschuldiging.

Iedereen weet aan wie die beschuldiging gericht is: niet aan de Aziaten, niet aan de Indianen, zelfs niet aan de Arabieren, de spreekwoordelijke handelaars in zwarte slaven. Nee, het zijn de blanken die ervan beschuldigd worden racisten te zijn die geen waarde hechten aan een zwart leven. Dat was ook de betekenis die gegeven werd aan de dood van George Floyd: hij was het zoveelste zwarte slachtoffer van blank racisme. Het beeld van een zwarte man die in koelen bloede gewurgd wordt door een blanke man is in feite de inhoud van de BlackLivesMatter-slogan: de zwarte bevolking wordt zodanig gediscrimineerd en onderdrukt dat ze langzaam stikt. Of het nu onderwijs is, economie, justitie, gezondheidszorg of wat dan ook, nergens telt de zwarte mens mee, nergens doet zijn leven ertoe. Het wordt niet met zoveel woorden gezegd, maar het klinkt uit de woede en de wanhoop waarmee BlackLivesMatter wordt geschreeuwd: de blanken proberen de zwarten uit te roeien.

De BlackLivesMatter-beweging rechtvaardigt de gewelddadigheid van haar protesten door ze voor te stellen als een vorm van zelfverdediging: de zwarte bevolking vecht voor haar leven en dan kun je geen redelijkheid verwachten. BlackLivesMatter zou dan ook vertaald kunnen worden als: Stop de Uitroeiing van de Zwarten. De blanken worden er met andere woorden van beschuldigd nazi’s te zijn die een tweede holocaust voorbereiden. Dat is de werkelijke betekenis van BlackLivesMatter, de betekenis die zich verbergt onder de schaapsvacht van Show me some Respect. Door de slogan in zijn concrete context te zien – en niet als een in de lucht zwevende abstractie – verandert de vanzelfsprekende mededeling in de zwaarst mogelijke beschuldiging: de blanken proberen het zwarte ras uit te roeien. Het is precies dezelfde beschuldiging die we ook horen uit de mond van moslims: blanken maken moslims het leven onmogelijk. Daarom zijn moslims verplicht een nietsontziende overlevingsstrijd te voeren: de jihad. 

BlackLivesMatter is niet alleen de zwaarst mogelijke beschuldiging, het is tevens de grootst mogelijke leugen. Verre van de zwarten te willen uitroeien, zijn het in Amerika juist de blanken die vaak het slachtoffer zijn van zwart geweld. Hetzelfde geldt voor de relatie tussen blanken en moslims. Hoeveel blanke aanslagen worden er op moslims gepleegd? Hun aantal verzinkt in het niets vergeleken bij het aantal moslimaanslagen op blanken. Bovendien gaat het meestal om represailles voor het niet aflatende moslimgeweld. Men kan zich zelfs de vraag stellen of het politiegeweld in Amerika geen vorm van zelfverdediging is, want politieagenten zijn er vaak het mikpunt van (vooral zwart) geweld. In Europa zien we hetzelfde: dagelijks belanden politieagenten in het ziekenhuis omdat ze worden aangevallen door moslims. Geen wonder dat de houding van de politie verhardt en dat er brutaliteit optreedt. Met racisme heeft dat niets te maken, met de agressie van de zogenaamde slachtoffers des te meer. 

BlackLivesMatter keert de zaken dus gewoon om: daders worden voorgesteld als slachtoffers, slachtoffers als daders. Deze schijnbaar antiracistische slogan is in werkelijkheid de meest racistische slogan die men kan bedenken: een welbepaald ras – het blanke – wordt ervan beschuldigd een ander ras – de people of color – te willen uitroeien, niet om hen te beroven van hun materiële of geestelijke rijkdom, maar uit puur en onversneden racisme, uit blinde rassenhaat. Die rassenhaat, zo wordt steeds weer betoogd, is zo diep geworteld in het blanke ras dat de blanken er zich niet bewust van zijn. Racisme is voor hen zo vanzelfsprekend als ademen. Het kenmerkt al hun gewoonten, al hun gebruiken, al hun instellingen. De blanke beschaving – daar kan volgens antiracisten niet genoeg op gewezen worden – is in wezen racistisch. Racisme is haar fundament, het is wat deze beschaving zo machtig heeft gemaakt: het onderdrukken en uitroeien van andere rassen.

BlackLivesMatter is een zo groteske leugen dat niemand kan geloven dat mensen zoiets zouden beweren als het niet waar was. En dus begint men te zoeken naar voorbeelden van dit blanke racisme. Uiteraard vindt men die, want racisme is van alle tijden en alle volkeren, en ofschoon het uitgerekend in het blanke ras duidelijk op de terugweg is, blijven er overal nog resten over. Gaat men het begrip racisme dan ook nog eens uitbreiden tot ver voorbij de oorspronkelijke betekenis en verkettert men de meest onschuldige zaken, dan wordt de indruk gewekt dat de leugen inderdaad waar is. Zo hebben de nazi’s het ook met de joden gedaan: kleine verschillen en karaktertrekken werden zodanig uitvergroot dat de Duitsers uiteindelijk gingen geloven dat het waar was wat Hitler zei: de joden probeerden het Duitse volk te vernietigen. En dat gaf de Duitsers natuurlijk het recht om zich met alle mogelijke middelen te verdedigen tegen die kwaadaardige joden. 

Hitler wist het al: hoe groter de leugen, des te gemakkelijker wordt hij geloofd. Want niemand kan geloven dat mensen zo kwaadaardig kunnen zijn dat ze dergelijke leugens verspreiden. Juist dat ongeloof stelde hem in staat bijna een heel volk uit te roeien. Om dezelfde reden geloven mensen vandaag de groteske leugen van BlackLivesMatter: omdat ze niet kunnen geloven dat mensen zo kwaadaardig kunnen zijn. Ze verspreiden die leugen verder, omdat ze het als hun morele plicht zien (wat zij als) de waarheid (beschouwen) te verdedigen. Het is dus hun eigen goede inborst die hen ertoe brengt de kwaadaardigste beschuldigingen te uiten. Dat is het perverse effect van de BlackLivesMatter-leugen: hij keert niet alleen de waarheid in zijn tegendeel, hij verandert ook goedheid in kwaadaardigheid. Mensen worden leugenaars omdat ze de waarheid liefhebben, ze worden kwaadaardig omdat ze goed zijn. Dat is de tragedie van de antiracisten: bezield met de beste bedoelingen en de hoogste morele normen, plaveien ze de weg naar de hel.

Een leugen als BlackLivesMatter kan zich als een lopend vuurtje verspreiden, niet omdat mensen kwaadaardig zijn, maar juist omdat ze goedaardig zijn. Vooral de blanke mens is vandaag zo idealistisch, zo bevlogen, zo spiritueel dat hij alles wat negatief en laag bij de gronds is verafschuwt. Zelfs gewone kritische opmerkingen betitelt hij als hate speech en hij maakt ze strafbaar. Alles wat maar enigszins kwetsend of onaangenaam zou kunnen zijn, wil hij verbieden. Hij wil met andere woorden het kwaad uitroeien. Wat hij echter niet weet is dat het kwaad twee tegengestelde kanten heeft. Hij beseft niet dat al zijn (luciferische) positiviteit van hem geen goed mens maakt, wel integendeel, ze roept juist het (ahrimaans) negatieve op. Want beide horen samen, beide maken deel uit van het kwaad. Hoe positiever een mens wordt, des te sterker wordt ook het negatieve in hem, en omgekeerd. Wanneer beide polen ten slotte een bepaalde graad van intensiteit bereiken, ontstaat er een Steigerung.

Dat is wat we vandaag meemaken: de Steigerung van het kwaad. Lucifer en Ahriman hebben elkaars werkzaamheid zodanig geïntensiveerd dat uit de spanning tussen beide een nieuw soort kwaad geboren is, een kwaad dat zowel extreem positief als extreem negatief is. Beide tegenpolen vallen samen en dat maakt het nieuwe kwaad zo verwarrend dat we er geen verhaal tegen hebben. Degenen die het bestrijden – in de vorm van racisme, terrorisme, fascisme, Global Warming, coronavirus of wat dan ook – zijn buitengewoon positieve mensen, die zichzelf vervuld weten van liefde. Ze willen een betere wereld en een betere mensheid maken. Maar tegelijk zijn het buitengewoon negatieve mensen die vervuld zijn van haat, die anderen onophoudelijk beschuldigen, die drastische maatregelen eisen en het uitstekend vinden dat de overheid de onwillige mensheid opsluit ‘in haar kot’. Wat deze wereldverbeteraars zo gevaarlijk maakt is dat hun negativiteit niet te onderscheiden is van hun positiviteit. 

Het nieuwe kwaad kan niet bestreden worden zoals het oude: door evenwicht te scheppen tussen de tegenpolen, door het gulden midden te zoeken tussen Lucifer en Ahriman. Want dat midden is verdwenen, de tegenpolen zijn samengevallen. Wie het kwaad bestrijdt zonder onderscheid te maken tussen zijn twee gezichten, wordt er als het ware door opgeslokt en verandert zonder het te beseffen in een bestrijder van het goede. Wie bijvoorbeeld ten strijde trekt tegen het rechtse (ahrimaanse) gevaar kiest automatisch partij voor (luciferisch) links, want een centrum is er niet meer. Omdat links samenvalt met rechts kiest hij partij voor beide kwaden en keert zich tegen het goede. Zolang niet wordt ingezien dat links en rechts kanten van dezelfde medaille zijn, betekent het kwaad bestrijden niets anders dan het goede bestrijden. Al die activisten die als paddestoelen uit de grond schieten, al die fanatieke wereldverbeteraars die schreeuwend door de straten trekken: ze zijn de stoottroepen van het nieuwe, geallieerde kwaad. 

Wie vandaag de draak wil bevechten, wie een echte Michaëliet wil zijn, moet in de allereerste plaats het kwaad leren onderscheiden. Hij moet onderscheid leren maken tussen de wolf en de schaapsvacht, tussen Ahriman en de luciferische idealen waarin hij zich hult. Het kwaad heeft een nieuw gezicht gekregen, een heel verleidelijk, onschuldig gezicht. Want Lucifer is niet langer de wilde fanaticus, die godsdienstoorlogen ontketent omdat God aan zijn kant staat. Nee, hij legt nu op een rustige, schijnbaar redelijke, ja zelfs wetenschappelijke manier uit waarom hij het gelijk aan zijn kant heeft. Hij heeft zich met andere woorden een ‘ahrimaanse stijl’ aangemeten. De tegenmachten spreken vandaag als door één mond: Lucifer levert de – christelijke – inhoud en Ahriman de – antichristelijke – vorm. Wie deze twee niet van elkaar onderscheidt, kan onmogelijk weerstand bieden aan de newspeak van het Nieuwe Kwaad. Daar ligt dan ook de echte michaëlische strijd: in het ontwikkelen van een nieuw onderscheidingsvermogen, een nieuw zintuig voor het kwaad. 

Dat zintuig is tegelijk ook een zintuig voor het goede, want door Lucifer en Ahriman uit elkaar te halen, maken we ook Christus weer zichtbaar. Met ons gewone morele zintuig kunnen we Hem niet meer waarnemen: Hij is als het ware opgeslokt door de wolf. Om het christelijke midden weer te kunnen waarnemen, moeten we het kwaad transparant maken, we moeten erdoorheen leren kijken. Dat is de Parsifalweg die naar Christus leidt: dwars doorheen de draak. We ontwikkelen pas een (nieuw) zintuig voor Christus als we onze ogen openen voor het (nieuwe) kwaad. Het een gaat niet zonder het ander. We moeten ‘het zwaard omgorden’ zoals de bijbel zegt, en dat is niet het oude, materiële zwaard, maar het geestelijke Michaëlszwaard van ons scherp onderscheidende denken. Blijven we het oude, gedachtenloze zwaard gebruiken, zoals de hedendaagse activisten dat doen, dan keert het zich tegen ons, dan wordt het tot een werktuig van de tegenmachten en zullen we erdoor vergaan.

Dit Michaëlszwaard moeten we zelf smeden, met behulp van ons denken, ons voelen en – vooral – ons willen. Want er is moed nodig om tegen de ‘wilde horden’ in te gaan. Iedereen juicht hen toe: de media, de overheid, het bedrijfsleven, de sportwereld, het onderwijs, ouders, grootouders, kinderen. Allemaal roepen ze enthousiast BlackLivesMatter en andere vergelijkbare slogans. Wie weigert mee te doen, betaalt een zware prijs. Wat zal er bijvoorbeeld gebeuren met de zeldzame sportlui die weigeren te knielen en de vuist in de lucht te steken voor aanvang van een wedstrijd? Hoe zullen zij door hun ploegmaats bekeken en behandeld worden? Welke maatregelen zal het bestuur van hun club tegen hen nemen, bang als het is dat sponsors zullen afhaken? Hun carrière kan in een oogwenk voorbij zijn, enkel en alleen omdat ze de moed hadden niet in te stemmen met de oproep tot geweld die BlackLivesMatter in wezen is. En dat geldt niet alleen voor sportlui, het geldt voor iedereen.

De draak bevechten is een gevaarlijke onderneming. Ze maakt alleen kans op slagen als we een nieuw bewustzijn ontwikkelen, een bewustzijn dat zich niet laat meeslepen door holle slogans en massa-bewegingen, maar dat er denkend doorheen kijkt en de wolf leert zien die zich in al die wolligheid verbergt. BlackLivesMatter is een voorbeeld van een onschuldig lijkende slogan die door eenvoudig, logisch te denken stap voor stap ontmaskerd kan worden. Dat vergt tijd en uithoudingsvermogen want er moet lang gehamerd worden om een michaëlszwaard te smeden dat scherp genoeg is om Lucifer en Ahriman te scheiden. Iedereen die wel eens een zeis heeft ‘gehamerd’ weet dat het geen kwestie van kracht is. Het is een kunst – net als het gebruik van de zeis – en kunst vereist de inzet van alle menselijke vermogens. Het michaëlszwaard wordt gesmeed door ons Ik, dat zich met dat zwaard verdedigt tegen het geallieerde kwaad dat het menselijke Ik probeert voor te stellen als de bron van alle kwaad. 

I can’t breathe (5)

  

Na de dood van George Floyd kwamen overal in Amerika – zwarte zowel als blanke – mensen op straat om te protesteren tegen het gewelddadige optreden van de politie. Als slogan gebruikten ze de laatste woorden van het slachtoffer: I can’t breathe. Al snel werden de protesten gewelddadig en veranderden in rellen, brandstichtingen en plunderingen. Ook de slogan veranderde, het werd BlackLivesMatter en de woede richtte zich niet langer alleen tegen politiegeweld maar tegen racisme in het algemeen. Pas toen president Trump dreigde om het Amerikaanse leger in te schakelen, kwam er een eind aan het oproer, of beter gezegd: het veranderde van richting en viseerde nu … standbeelden. Overal werden beelden van echte of vermeende racisten en slavendrijvers beklad, beschadigd of zelfs neergehaald. De beeldenstorm sloeg over naar Europa en nam in eigen land de vorm aan van het vandaliseren van standbeelden van Leopold II, de kolonisator van Kongo.

De dood van George Floyd werd onmiddellijk in verband gebracht met het racisme van de blanke Amerikanen, hoewel daar geen concrete aanwijzingen voor bestonden. In eigen land wordt de dood van ‘miljoenen’ Kongolezen onder het koloniale bewind van Leopold II in verband wordt gebracht met het racisme van de Belgen. Maar wie racisme zegt in België, denkt automatisch aan de Vlamingen. In Franstalig België zijn immers geen rechtse of extreemrechtse partijen die openlijk ‘racistische’ overtuigingen aanhangen, terwijl ze in Vlaanderen de helft van de bevolking vertegenwoordigen. België bestaat uit rechtse, racistische Vlamingen en linkse, antiracistische Franstaligen: dat is zo’n beetje het beeld dat in Franstalig België leeft, en dat ook in Vlaanderen gretig wordt overgenomen door antiracisten en dekolonisators. Het wordt niet met zoveel woorden gezegd, maar het zijn in de eerste plaats de Vlamingen die zich moeten verantwoorden voor de ‘genocide’ van Leopold II.

Het zou interessant zijn om eens na te gaan of er in de Franstalig-Belgische media ook zoveel jonge, boze, zwarte intellectuelen aan het woord komen en of ze even ongeremd hun gal (mogen) spuwen op de Franstalige Belgen. Dat is weinig waarschijnlijk, want als het gaat om het erkennen van de eigen fouten staan de Franstaligen – in tegenstelling tot de Vlamingen – niet op de eerste rij. Hoe dan ook, in de Vlaamse pers draait de culpabiliseringsindustrie op volle toeren en wordt er onophoudelijk gehamerd op het racisme van de Vlamingen. Zoals een jonge Kongolees onlangs in de krant verklaarde: alle luxe en rijkdom die we hier genieten, alle kansen die ons geboden worden, wegen niet op tegen het racisme waarmee we dagelijks geconfronteerd worden. Vlamingen zijn een dankbaar mikpunt voor de zwarte woede, want ze verzetten zich niet, ze buigen het hoofd en slikken alle beschuldigingen. Dat kun je nu eenmaal verwachten van een volk dat al eeuwenlang wordt … gekoloniseerd.

De ironie wil inderdaad dat in ons land momenteel twee groepen tegenover elkaar staan die allebei nazaten zijn van mensen die op hetzelfde moment door dezelfde dwingeland – Leopold II, koning der Belgen – gekoloniseerd, vernederd en uitgebuit werden. De Vlaamse bevolking leefde aan het eind van de 19de eeuw in mensonwaardige omstandigheden. Mensen stierven aan de lopende band. ‘De Vlaamse ziekte’ was een uitdrukking die in heel Europa bekend was. Ze betekende: kreperen van honger en ellende. Daarom noemt men de Vlamingen wel eens ‘de negers van Europa’. In hartje Europa speelden zich dus vergelijkbare taferelen af als in hartje Afrika: twee volkeren – het ene blank, het andere zwart – werden op eenzelfde schandalige manier behandeld. Het is een dubbelbeeld waarover nooit gesproken wordt. Tegen de behandeling van het Kongolese volk werd en wordt luidop geprotesteerd, maar over de behandeling van het Vlaamse volk wordt nog altijd met geen woord gerept.

Sinds de dood van George Floyd duiken in de media overal jonge Kongolezen op die de Belgen – en dus vooral de Vlamingen – dringend aanmanen in het reine te komen met hun koloniale verleden. Het is een typisch voorbeeld van een verwarrende ahrimaanse omkering. In abstracto hebben deze zwarte intellectuelen overschot van gelijk: de Belgen en de Vlamingen moeten inderdaad leren hun (onderlinge) koloniale verleden onder ogen te zien en ophouden het debat daarover uit de weg te gaan. Maar in concreto vergissen de jonge zwarten zich zoals alleen jongeren dat kunnen: ze richten hun verwijten uitgerekend aan het volk dat – net als het hunne – slachtoffer was (en nog altijd is) van het Belgische kolonialisme. Ze willen een volk ‘dekoloniseren’ dat al eeuwenlang gekoloniseerd wordt en ook vandaag nog behandeld wordt als quantité negligeable. Enkele jaren geleden bestempelde een Franstalige Belgische minister de Vlamingen nog als ‘ongedierte’. Je kan net zo goed proberen de joden te denazificeren.

Deze zwarte intellectuelen beseffen niet dat Ahriman hen dingen laat zeggen waarvoor ze zich diep zouden schamen als ze er zich bewust van waren. Maar dat is juist het probleem: ze zijn niet woke, ze lijden aan de slaapziekte, net als hun blanke collega’s. Want de Vlaamse intellectuelen doen precies hetzelfde: ze beschuldigen een volk dat met de kolonisering van Kongo niets te maken had, behalve dan dat het missionarissen uitzond die in Kongo scholen bouwden en de bevolking leerden lezen en schrijven. Deze idealistische Vlamingen legden dus de basis voor de ontwikkeling van de zwarte intellectuelen die ons vandaag de huid vol komen schelden. Het doet onwillekeurig denken aan de paters en zusters die bij de ‘bevrijding’ van Kongo werden verkracht en vermoord door de kinderen die ze zelf hadden opgevoed. En nu komen de nakomelingen van die kinderen ons verwijten dat we moordenaars en verkrachters zijn. Het zou lachwekkend zijn als het niet zo beschamend was. 

Het dubbelbeeld van twee volkeren – een blank en een zwart – die allebei gekoloniseerd werden door België bestaat nog altijd. Vlaanderen, dat 100 jaar geleden enkel nog bestond uit een verzameling armoedige dorpen waar ongeletterden in primitieve omstandigheden probeerden te overleven (de rest van het land was volkomen verfranst) is vandaag een welvarend volk geworden dat er op eigen houtje voor zorgt dat het hele Belgische koninkrijk kan blijven bestaan. Maar dit rijke Vlaanderen wordt nog altijd onderdrukt, uitgebuit en vernederd alsof er niks veranderd is. Ook Kongo bestond honderd jaar geleden uit een verzameling primitieve stammen die in armoedige hutten woonden en voortdurend met elkaar vochten. Dankzij de kolonisatie werden ze een beschaafd en welstellend volk, maar ook zij worden vandaag nog altijd uitgebuit en gekoloniseerd, dit keer niet door Leopold II maar door hun eigen corrupte politici. En door de Chinezen natuurlijk (die heel wat racistischer zijn dan de blanken).

Daar hoor je de jonge Kongolese intellectuelen echter nooit over klagen. Ze richten hun pijlen liever op de Vlamingen: dat is zoveel gemakkelijker en zoveel veiliger en het brengt ook zoveel meer op. Want dankzij hun dekoloniserende ideologie kunnen zwarte academici hier vlot aan werk raken, boeken publiceren, in de media verschijnen, hoogleraar worden en zelfs politicus, allemaal zaken die in Kongo, dat intussen het armste land van de wereld is geworden, op zijn minst problematisch zijn. Bovendien hebben ze een concreet doel: geld. Ze willen herstelbetalingen afdwingen, nog méér herstelbetalingen, want België heeft in de loop der jaren al vele miljarden euro’s betaald aan Kongo, euro’s die hoofdzakelijk uit Vlaamse zakken kwamen en waarvan het zeer de vraag is of ze het Kongolese volk ooit bereikt hebben. De Rutazibwa’s, Nsayi’s en Etambala’s die ons onze koloniale geschiedenis ‘door de strot willen duwen’ zoals ze zelf zeggen, zijn geen haar beter dan de corrupte politici die Kongo weer tot de bedelstaf hebben gebracht.

Nog onverkwikkelijker is de waarheid dat hun jonge Vlaamse collega’s precies hetzelfde doen. In plaats dat ze hun volk helpen een eind te maken aan de reeds eeuwenlange kolonisatie door Franstalig België, doen ze net het tegenovergestelde: ze collaboreren met de kolonisator. Ze vervoegen het Franstalige scheldkoor en stemmen in met zijn grootste succesnummer: het beschuldigen van de Vlamingen van … collaboratie. Wee degene die tegen dit beschuldigingskoor durft in te gaan! Hij wordt terstond afgebeeld met nazi-uniform en Hitlersnor. Het is altijd weer hetzelfde beeld dat opduikt: de dief die roept ‘houdt de dief!’ nadat hij zijn slag heeft geslagen. De kolonisator beschuldigt de gekoloniseerde van kolonisatie, de collaborateur scheldt de gedupeerde uit voor collaborateur, de schuldige geeft de schuld aan de onschuldige: het zijn allemaal variaties op het thema dat zowel door de Kongolese als de Vlaamse intellectuelen bespeeld wordt: beschuldigen om niet beschuldigd te worden. 

Dat zwarte intellectuelen de Vlamingen komen beschuldigen van kolonialisme en racisme is een daad van agressie die met veel vertoon van geleerdheid en verontwaardiging gecamoufleerd wordt. Maar dat soort dingen zijn van alle tijden. De Europeanen deden net hetzelfde toen ze Afrika koloniseerden: onder de vlag van de beschaving der volkeren vielen ze gewoon een ander land binnen. De geschiedenis staat bol van daden van agressie. Meestal zijn ze echter gericht tegen andere landen, andere volkeren, andere rassen. Wat de agressie van de Vlaamse intellectuelen uniek maakt, is dat ze gericht is tegen het eigen volk. Er bestaat waarschijnlijk geen tweede voorbeeld van een intellectuele klasse die zich zo massaal en zo openlijk tegen haar eigen volk keert, ja die dat volk zonder meer haat. De Vlaamse intellectuelen die de media bevolken lijken – net als hun gekleurde collega’s – maar één levensmissie te hebben: het beschuldigen, kleineren en verdacht maken van het Vlaamse volk. 

Ze zullen dan ook nooit een woord van protest laten horen tegen de kolonialistische aanmatiging van de zwarte intellectuelen. Ze zullen nooit een vinger uitsteken om de rechten van de Vlamingen te verdedigen, of zelfs maar die van waarheid. Mensen als David Van Reybrouck zijn enthousiast over de recente spijtbetuigingen van koning Filip, ze noemen het een historische gebeurtenis hoewel ze heel goed weten dat die spijtbetuigingen een opstap zijn naar excuses en herstelbetalingen die zullen moeten worden opgehoest door de Vlamingen. De negertjes van Europa moeten maar een beetje harder werken, denkt Van Reybrouck waarschijnlijk. En zo denkt ook koning Filip, die daarmee in de voetsporen van zijn grootvader treedt. Zo blijft de geschiedenis zich herhalen, zo blijft het kolonialisme zich voortplanten. Nog altijd – en zelfs meer dan ooit – zijn er mensen die zichzelf zo superieur wanen dat ze het recht menen te hebben anderen – die ze als inferieur beschouwen – te beschuldigen, te onderdrukken en uit te buiten.

Er is met andere woorden niks veranderd, behalve dat de moderne kolonisators degenen die ze willen koloniseren ervan beschuldigen … kolonisators te zijn. Dat hebben de klassieke kolonisators nooit gedaan, het kwam geen moment in hen op de arme, ongeletterde Kongolezen kolonisators te noemen en hen ervan te beschuldigen zichzelf superieur te wanen aan de blanken. Dat zou wat al te belachelijk zijn geweest. Toch is dat precies wat de moderne kolonisators doen: ze keren de zaken helemaal om. En die omkering is hun wapen: ze koloniseren mensen door hen ervan te beschuldigen kolonisators te zijn en zichzelf voor te stellen als hun slachtoffers. Dat is een zo perfide leugen dat niemand weet hoe hij er zich tegen moet verweren. Ieder protest wordt immers gecounterd met de – verontwaardigde – uitroep: nu hebben de kolonisators ook nog eens het lef ons ervan te beschuldigen … kolonisators te zijn! Op die manier ontstaat er een spiegelpaleis waar iedereen tegen iedereen op botst en niemand nog de uitgang vindt.

De Rutazibwa’s, Nsayi’s en Etambala’s herkennen zichzelf in de Vlamingen. Ze herkennen een volk dat – net als het hunne – gekoloniseerd werd en nog altijd wordt. Die onbewuste herkenning is de motor van hun hele dekoloniseringsstreven. Ze willen een eind maken aan een dubbel onrecht dat maar blijft voortduren. Het is dus een nobel streven dat hen drijft en dat beide volkeren tot bondgenoten maakt in de strijd tegen kolonisering. Maar doordat de herkenning niet doordringt tot hun bewustzijn, keert dit bondgenootschap om tot vijandschap. Mensen die eenzelfde lot delen en elkaar dus zouden moeten begrijpen en steunen, worden tegen elkaar opgezet en gaan in toenemende mate zelf belichamen wat ze (menen te) bestrijden: de koloniale mentaliteit. Het is onmogelijk om in Vlaanderen te leven en je niet bewust te worden van het Franstalige kolonialisme dat de Vlamingen in de tang houdt. Maar de Kongolese intellectuelen onderdrukken die bewustwording omdat ze anders hun macht en hun privileges verliezen.

Dit onderdrukken van de bewustwording is ook het probleem van de Vlaamse intellectuelen. Het is het probleem van de moderne intellectuelen tout court. De geestelijke arbeid – waaraan zij zich ongestoord kunnen wijden dankzij de handenarbeid van de bevolking – opent hen de ogen voor de onderdrukking van die bevolking, een onderdrukking waaraan ze zelf meewerken. Ze worden met andere woorden geconfronteerd met hun eigen ‘kolonialisme’, hun eigen machtsstreven. En dat plaatst hen voor een morele keuze: ofwel diepen zij dit inzicht verder uit en worden ze zich bewust van de machtsrelatie tussen de bevolking en haar intellectuelen, ofwel onderdrukken ze die bewustwording en blijven daardoor ook de bevolking onderdrukken. Welke keuze ze maken, toont de beeldenstorm die nu aan de gang is. Het beeld van Derek Chauvin die George Floyd langzaam verstikt, is een spiegel waarin de intellectuele klasse zichzelf (onbewust) herkent. Daarom slaat ze nu alle spiegels stuk. Het is le trahison des clercs in actie: de weigering van de intellectuelen om in de spiegel te kijken.

Intellectuele prostitutie

  

“There is no such a thing in America as an independent press, unless it is out in country towns. You are all slaves. You know it, and I know it. There is not one of you who dares to express an honest opinion. If you expressed it, you would know beforehand that it would never appear in print. I am paid $150 for keeping honest opinions out of the paper I am connected with. Others of you are paid similar salaries for doing similar things. If I should allow honest opinions to be printed in one issue of my paper, I would be like Othello before twenty-four hours: my occupation would be gone. The man who would be so foolish as to write honest opinions would be out on the street hunting for another job. The business of a New York journalist is to distort the truth, to lie outright, to pervert, to villify, to fawn at the feet of Mammon, and to sell his country and his race for his daily bread, or for what is about the same — his salary. You know this, and I know it; and what foolery to be toasting an “Independent Press”! We are the tools and vassals of rich men behind the scenes. We are jumping-jacks. They pull the string and we dance. Our time, our talents, our lives, our possibilities, are all the property of other men. We are intellectual prostitutes.”

(John Swinton, chief editorial writer of The New York Times, 1883)

I can’t breathe (4)

  

Vlaanderen heeft een lelijk racistisch gezicht, aldus de Albanees-Belgische filosoof en schrijver Bleri Leshi. Ik heb, voegt hij eraan toe, Vlaanderen gehaat met elke cel van mijn lichaam, en daar schaam ik me niet voor want ik had er alle reden toe. Gevraagd naar die redenen geeft de succesrijke auteur er twee: hij werd ooit eens de toegang geweigerd tot een danstent en tijdens een van zijn lezingen zei een toehoorder dat hij maar weer naar zijn eigen land moest gaan als het hier dan zo slecht was. Leshi, die Vredesambassadeur is van Pax Christi en Vlaanderen afreist om te spreken over liefde en solidariteit, komt blijkbaar steeds weer terug op dat grote, centrale probleem: het racistische Vlaanderen waarin hij leeft. Daarin verschilt hij niet van al die andere, glimlachende en liefde uitstralende immigranten die hun mening verkondigen in kranten, in tijdschriften, op televisie, in boeken, op scholen, aan universiteiten, kortom overal waar het hen belieft. Allemaal hebben ze de mond vol over het racistische Vlaanderen.

Ze kunnen en willen er niet over zwijgen. Het is alsof ze één grote missie hebben in het leven: de Vlamingen ervan overtuigen dat ze racisten zijn. Alsof ze naar hier gekomen zijn om dit achterlijke volk tot inzicht en beschaving te brengen. Ze gedragen zich met andere woorden als missionarissen die de arme witjes het ware geloof komen verkondigen. En die onwetende witte Vlamingen buigen het hoofd en zeggen: ja, bwana Leshi, vertel ons meer over de goede God, vertel ons over onze zonden en zeg ons hoe we onze ziel kunnen zuiveren zodat God ons weer in zijn armen sluit! Dat laten de Leshi’s, de Rutazibwa’s, de Nozizwe’s, de Nsayi’s en andere (de)kolonisators zich geen twee keer zeggen: al predikend trekken ze door het land in een poging zoveel mogelijk zieltjes te winnen voor hun antiracistische God. Geen van deze rondtrekkende boetepredikers beseft dat hij of zij het evangelie van de haat uitdraagt, en ook hun Vlaamse toehoorders beseffen niet dat ze naar de stem van Ahriman luisteren.

De missionerende en koloniserende people of color, die zich gedragen alsof ze tot een superieur volk en een superieure beschaving behoren, wekken natuurlijk de woede en de verontwaardiging van de Vlaming die hen met open armen ontvangen heeft, die hen opgenomen heeft in zijn samenleving, die hen alle kansen heeft gegeven die ook zijn eigen kinderen krijgen, die hen zelfs volop de gelegenheid geeft hun gal te spuwen op hun gastheren. Dergelijk gedrag doet zijn bloed koken, maar dat toont hij niet, want dan wordt hij ook nog eens uitgescholden door zijn eigen intellectuelen, door degenen die hij – door hard te werken – de gelegenheid heeft gegeven te studeren en een beter leven op te bouwen dan hijzelf heeft gehad. Ook die Vlaamse intellectuelen spreken met de stem van Ahriman en beschuldigen, verachten, intimideren en vernederen de gewone Vlaming aan één stuk door. Zoiets kan niet zonder gevolgen blijven: diep in de ziel van de Vlaming groeit de haat.

Het is onmogelijk om geen afkeer te voelen voor kolonisators die ons komen verwijten dat we kolonisators zijn. Het is onmogelijk om geen hekel te krijgen aan intellectuelen die Vlamingen continu afschilderen als een achterlijk, bekrompen, weerzinwekkend volk dat je alleen maar kunt haten. Het is onmogelijk om niet racistisch te worden als je uitgescholden wordt voor racist wanneer je een kleurling vraagt waar hij vandaan komt, wanneer je waarderend zegt dat hij goed Nederlands spreekt, wanneer je hem uitlegt dat Zwarte Piet een onschuldige traditie is waar zijn kinderen veel plezier aan beleven. Hoe braaf, volgzaam en verdraagzaam de Vlaming ook is, hij kan niet beletten dat hij langzaam wordt waar hij continu van beschuldigd wordt: een racist, iemand die een hekel heeft aan zwarte missionarissen die hier het evangelie van de wraak komen verkondigen en daar enthousiast bij geholpen worden door zijn eigen intellectuelen, ja zelfs door zijn eigen kinderen.

Op die manier creëert Ahriman een vicieuze cirkel van rassenhaat die er oorspronkelijk niet was maar die nu is uitgegroeid tot een reëel probleem. Dit nieuwe probleem wordt uiteraard hevig bestreden, met als gevolg dat de wederzijdse haat exponentieel toeneemt en de samenleving verdeelt in twee partijen – de boetepredikers en de zondaars, de antiracisten en de racisten, de superieuren en de inferieuren, de goeden en de slechten – die elkaars bloed wel kunnen drinken. Je hoeft echt niet helderziend te zijn om te beseffen dat dit verkeerd zal aflopen, dat de bom vroeg of laat zal barsten en dat de samenleving dan overspoeld zal worden met opgeklopte en opgekropte haat. Dat is precies wat Ahriman wil: dat mensen elkaar zodanig gaan haten dat ze elkaar de oorlog verklaren en proberen de ander te vernietigen. Maar dat is niet zijn uiteindelijke doel. Hij wil dat ze daarna ‘nooit meer oorlog’ zeggen en bereid zijn alles, maar dan ook alles te accepteren wat een herhaling van die oorlog onmogelijk moet maken. 

Ahriman wil dat we ons met huid en haar aan hem onderwerpen, dat we zijn slaven worden en ons eigen Ik uitwissen. Dat beeld verschijnt reeds in Amerika, waar blanken in een soort openbare boetedienst op de knieën gaan zitten voor zwarten, hen om vergiffenis vragen voor hun zonden, en vervolgens hun voeten wassen. Paus Franciscus heeft hen dat trouwens voorgedaan, aldus een christelijk oerbeeld perverterend tot een ahrimaans ritueel. Ahriman wil ons dwingen hetzelfde te doen als Christus, hij wil dat we zijn dienstknecht worden, dat we voor hem neerknielen, zijn voeten wassen en zeggen: niet mijn wil maar uw wil geschiede. En daarvoor gebruikt hij people of color die niet beter weten of dit is de enige manier waarop ze een beter leven kunnen krijgen: door de rollen om te keren, door de blanken op de knieën te dwingen en te koloniseren. Wat ze niet beseffen, is dat er op die manier niets zal veranderen en dat zij zelf het grootste slachtoffer zullen worden van deze ahrimaanse omkering.

De door Ahriman gecreëerde vicieuze cirkel van haat kan niet doorbroken worden met liefde, want liefde is juist wat de zwarte boetepredikers en de blanke antiracisten drijft: ze willen de mensheid redden en de wereld beter maken. Hun liefde is de motor van hun haat: die twee werken samen en hebben een duivelspact gesloten. Het enige wat hun vicieuze cirkel kan doorbreken, is inzicht in zijn werking en ontstaan. We moeten Ahriman leren kennen, zodat we zijn wapens tegen hem kunnen gebruiken. Die wapens zijn in de eerste plaats kenniswapens: Ahriman kent de mens door en door. Daarom is hij ook in staat hem te misleiden en hem ondanks al zijn intelligentie op te sluiten in een magische cirkel. Ahriman leren kennen, is de mens leren kennen. Onze tijd is daar bijzonder geschikt voor, want door te incarneren wordt Ahriman zichtbaar. Hij kan zichzelf niet meer verbergen en verschijnt overal in beeld. Het enige wat we moeten doen is die beelden leren lezen, zonder te luisteren naar de boodschap die erop wordt geplakt.

Om beelden te kunnen lezen is er inlevingsvermogen nodig, dat de beelden zelf laat spreken in plaats van hen allerlei woorden in de mond te leggen. Dat inlevingsvermogen is iets heel anders dan de sentimentele empathie die vandaag alom gepropageerd wordt en waarvan de uitkomst reeds bij voorbaat vaststaat. We worden gedwongen ons in te leven in het lijden van onze zwarte medemens om op die manier tot de conclusie te komen dat we inderdaad racisten zijn. Dergelijke opgelegde empathie is natuurlijk een voorwendsel. Het is een voorbeeld van hoe Ahriman ons inlevingsvermogen manipuleert en misbruikt. Als we hem willen ontmaskeren en ontsnappen uit zijn duivelskring, dan moeten wij ons weer meester maken van ons inlevingsvermogen. We moeten het als het ware uit zijn handen rukken en zuiveren van alle a priori’s waarmee hij het vergiftigd heeft. Laten we dat eens proberen met het beeld van de angry black people dat hij ons voortdurend voorhoudt.  

Laten we ons eens inleven in de boze zwarte medemens. Laten we eens proberen erachter te komen waarom hij zo boos is, in plaats van zelf ook boos te worden en meegesleurd te worden in een vicieuze cirkel van boosheid. Laten we onze oren sluiten voor alles wat Ahriman ons influistert en enkel kijken naar het beeld dat hij ons voorhoudt. Wat bezielt die jonge, welvarende zwarte intellectuelen? Waarom kunnnen zij niet zorgeloos genieten van alle white privileges die ze hier krijgen en waar bovenop ook nog eens het black privilege komt blanken ongestraft te kunnen beschuldigen? Waarom maakt al die luxe hen niet gelukkig? Het antwoord laat niet lang op zich wachten: omdat hun zwarte brothers and sisters in Afrika niet kunnen meegenieten, omdat hun ouders, grootouders, ooms en tantes ginder in omstandigheden leven die beschamend zijn vergeleken met het leven dat ze hier leiden. Met andere woorden, ze zijn zo ontevreden, zo gefrustreerd, zo boos omdat ze zich schuldig voelen. 

Aan die kwelling zouden ze gemakkelijk een eind kunnen maken door terug te keren naar Afrika en te proberen het leven daar te verbeteren met de kennis en de kunde die ze hier opgedaan hebben. Maar dat doen ze niet, want ze kunnen de luxe, de privileges en de macht die ze hier genieten niet opgeven. Diep van binnen weten ze dat en het maakt hun schuldgevoel zo groot dat ze bezwijken voor de verleiding hun schuldlast af te wentelen op de rug van hun gastheren. Hebben die immers Afrika niet gekoloniseerd, hebben zij het zwarte continent niet leeggeroofd, zijn ze niet rijk geworden op de kap van de zwarte bevolking, hebben ze hun voorouders niet schandalig behandeld? De schuld van de blanken is onnoemelijk veel groter dan hun eigen schuld, vinden ze, ja ze is er zelfs de oorzaak van. De blanken hebben schuld aan het schuldgevoel van de zwarten en dus is het niet meer dan normaal dat de people of color hun schuldlast plaatsen waar die thuishoort en dat is niet op hun eigen schouders maar op die van de blanken. 

De jonge zwarte intellectuelen denken nu verlost te zijn van hun schuldgevoel, maar in werkelijkheid wordt het nog sterker, want ze maken nu schaamteloos misbruik van de verdraagzaamheid van de blanken. Ze weten heel goed dat deze mensen niet verantwoordelijk kunnen worden gesteld voor de fouten van hun voorouders. Ze kunnen zelfs niet verweten worden te profiteren van die fouten, want de winsten die in Kongo gemaakt werden, gingen zeker niet naar de Vlamingen. Om hun misbruik te rechtvaardigen, nemen de zwarte intellectuelen het – blanke – concept van le bon sauvage over, de nobele wilde wiens zuivere ziel door de blanke beschaving werd gecorrumpeerd. Als er vandaag in Kongo massaal vrouwen worden verkracht, dan is dat volgens hen de schuld van de blanken, want echte, ongerepte Afrikanen zouden zoiets nooit doen. Als zwarten vandaag bekend staan om hun gewelddadigheid en corruptie dan is dat omdat de blanken de zuivere Afrikaanse ziel vergiftigd hebben.

Natuurlijk weten zwarten beter dan wie ook dat die ongerepte Afrikaanse ziel een romantische fictie is. Voor de blanken naar Afrika kwamen, werden er ook al vrouwen verkracht, heersten er stammentwisten en werden zwarten door zwarten als slaven verhandeld. Het geweld dat vandaag in Afrika heerst, is niet de schuld van de blanken, maar de zwarte intellectuelen verkiezen om de leugen in stand te houden. Die leugen is inmiddels zo groot geworden dat ze niet meer terug kunnen – ze zouden dan helemaal bezwijken onder de schuldgevoelens – en daarom gebruiken ze de intellectuele vermogens die ze hier ontwikkeld hebben niet om de zwarten te helpen maar om de blanken onder druk te zetten en te intimideren. Wat ze de blanken verwijten doen ze dus zelf, en hoe meer energie ze daarin steken, des te schuldiger worden ze. Op die manier raken blank en zwart gevangen in een vicieuze cirkel van schuldgevoel die inmiddels zo sterk is geworden dat ze er niet meer kunnen uit ontsnappen.

Boze zwarte intellectuelen doen niets om hun familie, hun volk of hun ras te helpen. In plaats daarvan werken ze samen met boze blanke intellectuelen om een winstgevende schuldindustrie op poten te zetten die de Europese beschaving zwaar onder druk zet. Niet alleen eisen ze van de blanke bevolking constant verontschuldigingen, ze eigenen zich in toenemende mate ook het recht toe geweld te gebruiken en de volgende stap zal ongetwijfeld zijn om de blanken tot herstelbetalingen te dwingen. Waar dat kan toe leiden hebben we vorige eeuw in Duitsland gezien. Zwarte en blanke intellectuelen werken onophoudelijk aan het slopen van de beschaving waar ze alles aan te danken hebben. Dat slopingswerk wordt nu zichtbaar: na het neerhalen van racistische en kolonialistische standbeelden is het de beurt aan het verwijderen van foute films en foute boeken. De volgende stap zal wellicht de zuivering van onze musea zijn, want men weet wel waar de Grote Schoonmaak begint, maar niet waar hij eindigt. 

Het is niet alleen de kunst die eraan moet geloven, ook de wetenschap wordt gezuiverd. Nadat de klassieke kunst reeds eerder vervangen werd door een geheel nieuwe ‘eigentijdse’ kunst, is het nu de beurt aan de klassieke wetenschap: zij moet het veld ruimen voor een nieuwe wetenschap met vakken als genderstudies, queerstudies, feministische wiskunde, epistemologisch antiracisme, dekolonisatie, enzovoort. In plaats dat de oude kunst en wetenschap zich met elkaar verbinden zoals dat in de antroposofie gebeurt, zijn het de nieuwe kunst en de nieuwe wetenschap die zich met elkaar vermengen tot de haatdragende religie van het antiracisme, een religie die zich voedt met schuldgevoel. Wat zich vandaag voor onze ogen afspeelt en wat onophoudelijk in onze oren wordt geschreeuwd is omgekeerde antroposofie. De jeugdige, idealistische krachten die de geestelijke impuls van de antroposofie in de wereld hadden moeten uitdragen, worden omgekeerd tot vernietigingskrachten. Net als 100 jaar geleden. 

I can’t breathe (3)

  

Eén van de meest verbluffende fenomenen van de jongste jaren zijn jonge zwarte vrouwen die uitvoerig hun beklag doen over het racisme in ons land. Meestal zijn het intellectuelen die aan de universiteit studeren, onderzoek doen of zelfs doceren en dus behoren tot het geprivilegieerde deel van de bevolking, om maar eens een van hun geliefde termen te gebruiken. Er zitten ook wel eens jonge mannen tussen, maar allemaal hebben ze één ding gemeen: ze doen het goed, ze maken carrière en hun stem wordt gehoord, wat lang niet van alle jonge mensen kan gezegd worden, ook niet van de blanke. Toch klagen deze welvarende jongeren steen en been over het blanke racisme. Wordt hen gevraagd wat het precies is waaronder ze te lijden hebben, dan blijken dat zaken te zijn als Zwarte Piet, standbeelden van Leopold II, een lelijke blik hier en een scheldwoord daar. Blijkt dan ook nog eens dat sommigen onder hen ontsnapt zijn aan de volkerenmoord in Ruanda, dan rijst onvermijdelijk de vraag: wat is hier aan de hand? 

Deze – vaak piepjonge – mensen kunnen hun mening natuurlijk alleen maar verkondigen omdat ze daar een forum voor krijgen. Er gaat geen week voorbij of we zien ze lief en onschuldig lachend in de media verschijnen om vervolgens de grofste beschuldigingen te uiten aan het adres van de Vlamingen en op hoge toon te eisen dat daar eindelijk eens iets aan gedaan wordt. Telkens weer vindt men nieuwe jongens en meisjes met onuitsprekelijke namen die de Vlaamse bevolking komen bolwassen. Komt er een zeldzame keer eens een zwarte volwassene aan het woord die een en ander relativeert of zelfs ontkent, dan wordt hij of zij de huid vol gescholden. De media – die zelf in toenemende mate bevolkt lijken te worden door jonge, pas afgestudeerde mensen – rollen de rode loper uit voor deze young angry black people. Waarom doen ze dat? Waarom maken ze van de media een soort Vlaamse versie van Radio Mille Collines en wakkeren ze onophoudelijk de rassenhaat aan?

Hun antwoord zal ongetwijfeld zijn dat zij die rassenhaat juist aanklagen, dat het hun journalistieke plicht is om te berichten over wat er in de samenleving gebeurt. Daar kan men twee vragen bij stellen: ten eerste, zijn Vlamingen werkelijk zo’n verstokte racisten? En ten tweede: los je dat probleem op door hen aan één stuk door uit te schelden? Want daar komen al die zwarte opiniestukken tenslotte op neer: het zijn mooi verpakte en met dure woorden als intersectionaliteit, dekolonisatie en white privilege gelardeerde scheldpartijen. De argumenten zijn flinterdun en de voorbeelden soms lachwekkend. Een genocideslachtoffer dat verklaart onnoemelijk te lijden als op 6 december Zwarte Piet door de straten loopt en snoep uitdeelt aan kinderen? Met dit soort groteske uitspraken ontkennen de jonge zwarte intellectuelen wat ze beweren. In een racistische samenleving zouden ze dergelijke uitspraken nooit kunnen doen. 

Het vermoeden rijst dat deze jeugdige aanklagers – zwart of blank – niet spreken met eigen stem, maar fungeren als spreekbuis voor anderen. Verleden jaar zagen we ze met tienduizenden door de straten lopen schreeuwend om drastische maatregelen voor het klimaat. Werd hen gevraagd waar het allemaal om ging, dan bleken de meesten dat niet te weten. Ze liepen gewoon mee, omdat de anderen dat ook deden, omdat ze een dag niet naar school hoefden. Merkwaardig genoeg vonden die scholen dat goed, in veel gevallen moedigden ze de leerlingen zelfs aan en organiseerden zelf de ‘uitstap’. De overheid, die anders streng optreedt bij schoolverzuim, gaf geen kik, zoals ze ook geen kik gaf toen de BlackLivesMatter-betogers massaal hun voeten veegden aan de lockdownmaatregelen. Niemand van die schreeuwende jonge mensen vroeg zich af hoe het komt dat hun idool Greta Thunberg steevast ontvangen wordt door de groten der aarde, en ook vandaag vragen ze zich niet af waarom de overheid hen straffeloos laat betogen, winkels vernielen en standbeelden neerhalen.

Het komt in deze jonge mensen niet op dat ze wel eens gebruikt zouden kunnen worden door degenen waartegen ze zo te keer gaan. Ze lijken niet te begrijpen dat de overheid niets liever heeft dan dat er massaal geschreeuwd wordt om drastische maatregelen, drastische maatregelen die niet helpen tegen de opwarming van de aarde, of tegen racisme, of tegen corona, of tegen drugs, of tegen terrorisme of tegen gelijk wat waar de overheid oorlog tegen voert, maar die deze overheid wel steeds meer macht geven. Hoe groot die macht intussen is geworden, hebben we tijdens de corona-crisis gezien. Het gaat hier natuurlijk niet om de dorpsburgemeesters of om de Vlaamse overheid. Het gaat ook niet om de federale overheid en zelfs niet om de Europese overheid. Het gaat om een ‘wereldoverheid’ die in staat is de hele mensheid op te sluiten, om de verborgen deep state die is doorgedrongen in alle overheden ter wereld, die ook is doorgedrongen in de hoofden van jonge mensen en hun hersenen dagelijks spoelt.

Het is een angstaanjagende gedachte dat deze gehersenspoelde jeugd over enkele generaties het gros van de mensheid zal uitmaken, een mensheid die klakkeloos alles zegt en doet wat Ahriman – de onzichtbare wereldheerser, het brein achter de deep state – haar influistert. En dat is altijd hetzelfde: bestrijdt mij, roei mij uit, want ik bedreig jullie leven en steel jullie toekomst! Die boodschap fluistert Ahriman in hun oren en ogen door middel van imaginaties: de klimaat-imaginatie, de corona-imaginatie, de racisme-imaginatie, de terreur-imaginatie, enzovoort. Telkens gaat het om een onzichtbare vijand die de mensheid bedreigt en waartegen ten strijde moet worden getrokken. Deze imaginaties oefenen zo’n onweerstaanbare invloed uit op de jonge mens omdat ze variaties zijn op die ene, grote imaginatie die volgens Rudolf Steiner in de ziel van ieder mens leeft: de Michaël-imaginatie, het beeld van de strijd met de draak. Dat beeld houdt Ahriman de jeugd onophoudelijk voor en het heeft zo’n geweldige invloed omdat het waar is.

Het beeld van Michaël die de draak bestrijdt, is de centrale imaginatie van onze tijd. Zij toont ons de grote opgave van de huidige en toekomstige mensheid: de confrontatie met het kwaad. De moderne jeugd reageert impulsief op dit grote ideaal: ze trekt enthousiast ten strijde. Zoals de jeugd in 1914 zingend naar het front vertrok, toegejuicht door ouders, grootouders, leerkrachten en overheden, zo trekt ze ook vandaag weer door de straten, strijdlustig op weg naar de hel, aangemoedigd door ontelbare volwassenen. Het is tragisch om te zien hoe de geschiedenis zich herhaalt en hoe honderd jaar na datum opnieuw een generatie haar ongeluk tegemoet loopt. Tegenhouden kunnen we ze niet, want dan keren ze zich tegen ons en worden we zelf beschouwd als de vijand. Het enige wat we kunnen doen, is onze ogen open houden en proberen de misleidingstechnieken van Ahriman te doorzien in de hoop dat Michaël ermee aan de slag kan, want hij kan pas optreden als wij hem dat mogelijk maken.  

We zullen nog lange tijd strijd moeten leveren met Ahriman en het is onze morele plicht tegenover de komende generaties om geestelijke munitie te verzamelen. Een belangrijke rol daarbij speelt het inzicht dat Ahriman – wat de grond van de zaak betreft – gelijk heeft. Wat hij (vooral) de jeugd influistert, is zonder meer waar: we moeten de strijd met hem aanbinden, hij vormt een grote en reële bedreiging. Die waarheid verandert echter in een leugen wanneer het gaat over de manier van strijden, over de strategie en de gebruikte wapens. Hier speelt Ahriman ten volle de kaart van het materialisme uit en verleidt hij ons de strijd louter en alleen op fysiek vlak te voeren: tegen virussen, tegen CO2, tegen drugs, tegen terroristen, tegen mensen, tegen iedereen behalve tegen hemzelf. Zijn leugens zijn zo overtuigend omdat ze niet ingaan tegen de waarheid, maar de waarheid gewoon omkeren. Ahriman ontkent de Michaëlimaginatie niet, wel integendeel, hij verwisselt alleen de strijdende partijen.

Hij brengt de idealistische jeugd ertoe Michaël te bevechten in plaats van hemzelf. Antiracisten, activisten en andere wereldverbeteraars: allemaal zijn ze ervan overtuigd het kwaad te bevechten, maar in werkelijkheid is hun strijd gericht tegen de christelijke grondslagen van de Europese beschaving. Het is beslist geen toeval dat ze de christenvervolgers bij uitstek – de moslims – als bondgenoten beschouwen. Hun recente (stand)beeldenstorm ligt in het verlengde van de islamitische beeldenstorm die overal ter wereld aan de gang is en die door de media zorgvuldig wordt doodgezwegen. Het racisme van de afgebeelden is slechts een voorwendsel, de storm is in wezen gericht tegen de beelden zelf en waar ze voor staan: de door het christendom gelegitimeerde beeldvorming. Ahriman haat beelden, want hij weet dat hij alleen door middel van kunstzinnige beelden ontmaskerd kan worden. Daarom doet hij er ook alles aan om beelden ‘om te keren’ en kunst te vernietigen.   

Als we deze omkeringstechniek doorzien, doorzien we ook Ahriman. Hij is de geest die alles omkeert. Maar die ahrimaanse omkering is buitengewoon moeilijk te doorgronden, omdat ze ingrijpt in het scheppingsproces en dat houdt eveneens een omkering in. Nemen we bijvoorbeeld het oerbeeld van de schepping: de geboorte van de mens. De 9 maanden durende innige verbinding tussen moeder en ongeboren kind wordt opeens omgekeerd in haar tegendeel: de moeder stoot het kind af. Liefde, zou je kunnen zeggen, verandert in haat. Maar wanneer de haat zijn scheidende werk heeft gedaan, verbindt de moeder zich weer met het kind en is de liefde groter dan ooit. Liefde en haat, lijden en vreugde, dood en leven liggen hier heel dicht bij elkaar en wanneer we het geboorteproces vertalen in abstracte begrippen kan het heel gemakkelijk verkeerd – en zelfs omgekeerd – begrepen worden. Dat is precies wat Ahriman doet: abstraheren en omkeren, zonder dat we het merken.

In ons abstracte cijferdenken is er geen verschil tussen één plus twee en twee plus één. Het levert in beide gevallen drie op. Wanneer we de geboorte vertalen in cijfers krijgt het kind twee ouders, de ouders krijgen één kind, en in beide gevallen ontstaat precies dezelfde drieëenheid: het gezin. Toch gaat het om twee zeer verschillende zaken. In het eerste geval gaat het om een geestelijk wezen dat mens wordt, in het tweede geval gaat het om twee mensen die een geschenk uit de hemel ontvangen. Twee tegengestelde processen die één gebeuren vormen. Verwissel je die processen, dan verandert er in abstracto niets, maar in concreto ontstaat er een chaos die het scheppen omkeert tot vernietigen. We kennen die vernietigende chaos maar al te goed uit de hedendaagse kunst. Want ook de kunst wordt geboren, net als de nieuwe mens en de nieuwe wereld: ze worden niet gemaakt. Het is dat geboorte- of scheppingsproces waarin Ahriman ingrijpt, en dat hij in zijn tegendeel omkeert. 

Om Ahriman te ontmaskeren, moeten we ons een beeld vormen van het scheppingsproces, want daar is hij werkzaam en injecteert hij zijn leugens. De voorbije eeuw is hij met zijn cijferdenken doorgedrongen in het fysieke geboorteproces, hij is ook doorgedrongen in de kunst, en vandaag dringt hij door in de schepping van de nieuwe mens en de nieuwe wereld. In alledrie deze gevallen zien we hetzelfde gebeuren: Ahriman gaat niet tegen het scheppingsproces in, wel integendeel, hij stimuleert het krachtig. Door zijn toedoen worden vandaag meer mensen geboren dan ooit tevoren, maar tegelijk worden er ook steeds meer geaborteerd. In de kunst is vandaag Jeder Mensch ein Künstler, maar zijn scheppen is niet meer te onderscheiden van vernietigen. En meer dan wat ook stimuleert Ahriman de geboorte van een nieuwe wereld waarin alle mensen gelijk zijn, want hij weet: hoe vroeger die wereld geboren wordt, des te minder kans op overleven heeft hij. 

De jonge zwarte (en blanke) intellectuelen ijveren voor een betere wereld, een wereld zonder racisme, zonder ongelijkheid, zonder discriminatie. Die wereld is volop aan het ontstaan, de geboorte is ingezet, het keerpunt bereikt. Maar het gaat hen allemaal niet vlug genoeg, zij willen dat hele pijnlijke en moeizame geboorteproces zo snel mogelijk achter de rug hebben. Eigenlijk willen ze het helemaal niet doormaken. Ze gedragen zich als een kind dat weigert mee te werken en zelfs denkt: hoe meer pijn mijn moeder heeft, des te vlugger kan ik van de vrijheid genieten. En dus schelden ze onophoudelijk op de blanke wereld, die de moeder is van de nieuwe world of color, die de vrije samenleving in haar schoot heeft laten groeien en nu gekweld wordt door de weeën van de geboorte. Uiteraard heeft ook het kind het moeilijk, het raakt in het nauw en heeft het gevoel te stikken. Maar de vijandschap die het zijn moeder, op influistering van Ahriman, toedraagt is niet van aard om de geboorte te versnellen, wel integendeel, ze blokkeert de hele zaak en brengt moeder en kind in gevaar.

Ahriman blokkeert het geboorteproces en maakt er een vernietigingsproces van door het te versnellen. Het onuitroeibare communisme – in Duitsland werd nog maar pas een standbeeld (sic) van Lenin onthuld – is daar het beste voorbeeld van: grote mensheidsidealen die pas in de verre toekomst gerealiseerd kunnen worden, dringen zich met geweld aan de hedendaagse werkelijkheid op. De angry young people van onze tijd sturen aan op een Culturele Revolutie naar Chinees model. Scholieren en studenten roepen – met de steun van de overheid en de grote bedrijven – hun leraren en hun hele culturele verleden op het matje alsof het Laatste Oordeel is aangebroken en de schuldige moet worden aangewezen, veroordeeld en gestraft. Het voorbeeld van China herinnert er ons aan dat ze het niet zullen laten bij opiniestukken in de kranten. Daar maken ze trouwens geen geheim van: steeds luider roepen ze dat de tijd van praten voorbij is en dat er gehandeld moet worden. Hun haast is een vorm van ahrimaanse bezetenheid waartegen we ons moeten vaccineren, anders raken we vroeg of laat zelf besmet, voor zover dat nog niet het geval is.

I can’t breathe (2)

  

Het geval George Floyd is een schoolvoorbeeld van de rol die imaginaties spelen in onze moderne samenleving. De massale protesten die de afgelopen weken overal in de Westerse wereld plaatsvonden, werden niet veroorzaakt door de dood van de man. Ze werden veroorzaakt door het beeld van de racistische blanke die zijn zwarte medemens tot verstikkens toe onderdrukt, een innerlijk beeld dat op de werkelijkheid werd geprojecteerd. Zonder die projectie zou de dood van George Floyd onopgemerkt zijn voorbijgegaan. Er vallen voortdurend doden bij arrestaties in Amerika, blanken zowel als zwarten. Geen haan die ernaar kraait, behalve wanneer het beeld van de racistische blanke ‘getriggerd’ wordt. Toen kort na George Floyd opnieuw een zwarte man stierf onder de handen van de politie gebeurde dat niet. Er volgde geen nieuwe storm van woede want de racisme-imaginatie werd niet geactiveerd. De beelden van deze tweede arrestatie waren dan ook lang niet zo sprekend als in het eerste geval.

De (uiterlijke) beelden van de dood van George Floyd hadden een uitgesproken metaforisch karakter. Men herkende er meteen het (innerlijke) beeld in van de blanke die de zwarte onderdrukt, en het was die herkenning die zo’n heftige reactie veroorzaakte, zoals altijd wanneer beelden die diep in onze ziel leven herkend worden in de aardse werkelijkheid. Mensen die verliefd worden bijvoorbeeld, hebben vaak het gevoel de ander te herkennen, hoewel ze hem of haar nog nooit ontmoet hebben. De reden is dat zij de geliefde kennen uit een vorig leven en zijn of haar beeld als een onbewuste herinnering in zich dragen. Als die herinnering dan wakker wordt, ontstaan er krachten die bergen kunnen verzetten. Dat gebeurt ook wanneer iemand iets ziet dat hem herinnert aan wat hij zich voor zijn geboorte voorgenomen heeft. Zo’n ‘herkennende’ waarneming is vaak levensbepalend. En dat geldt ook voor beelden die niet uit een vorig leven stammen maar in dit leven tot stand zijn gekomen. 

  
Of imaginaties nu herinneringen zijn aan de voorgeboortelijke wereld of beelden die op aarde zijn ontstaan, in beide gevallen wortelen ze in de geest en dat is de reden waarom ze zo’n onstuitbare krachten ontketenen. Als we die krachten in goede banen willen leiden dan moeten we ons bewust worden van de imaginaties, anders riskeren we de slaaf te worden van ons verleden of onze toekomst door Ahriman te laten bepalen. Dat geldt heel in het bijzonder voor de imaginatie waarin de blanke zijn gekleurde medemens ongenadig onderdrukt. Hoe machtig deze imaginatie wel is, konden we zien tijdens de protesten naar aanleiding van de dood van George Floyd. Opeens waren de strenge lockdown-maatregelen als gevolg van die andere imaginatie – een dodelijk virus dat de mensheid bedreigt – van geen tel meer. Zoals de burgemeester van Amsterdam zei: deze betoging is te belangrijk om ze te verbieden. De hiërachie was duidelijk: niets is belangrijker dan de strijd tegen racisme.

We kunnen ons niet permitteren deze machtige racisme-imaginatie onbewust in onze ziel te laten woekeren zonder ons de vraag te stellen: is de strijd tegen het blanke racisme een goede strijd of is Ahriman hier aan het werk? Met ons gewone denken – ons cijferdenken – vinden we geen antwoord op deze vraag. Natuurlijk hebben blanken in het verleden zwarten tot slaaf gemaakt en uitgebuit, en natuurlijk schieten blanke politieagenten vandaag zwarten dood in Amerika. Daar kan niet aan getwijfeld worden, er bestaan harde cijfers over. Maar er bestaan ook harde cijfers over het omgekeerde: er worden ook blanken doodgeschoten door zwarte politiemensen en in het verleden hebben kleurlingen ook blanken tot slaaf gemaakt. Het is weinig bekend en er wordt zedig over gezwegen, maar het beroemde Amerikaanse marinierscorps werd opgericht om een eind te maken aan het maken en verhandelen van blanke slaven. Nee, het zijn heus niet (alleen) blanken die het patent hadden op slavernij.  

Die bedenkelijke eer komt de Arabieren toe. Zij waren de slavenhandelaars bij uitstek en stonden bekend om hun wreedheid. De afgehakte handen die vandaag aan Leopold II worden toegeschreven, waren een islamitische praktijk en niet het werk van blanke kolonisten. Deze laatsten hebben juist de strijd aangebonden met de Arabieren en ervoor gezorgd dat de slavernij in Kongo werd afgeschaft. Dat zijn feiten en zij kunnen niet ontkend worden. Evenmin kan ontkend worden dat er vandaag in Amerika heel wat meer blanken door zwarten worden vermoord dan omgekeerd. Over al die zaken bestaan harde cijfers, en ze zijn duidelijk: er is geweld en discriminatie in beide richtingen. Maar die nuchtere cijfers kunnen niet opboksen tegen de blinde emoties die opgewekt worden door de racisme-imaginatie. Antiracisten halen vandaag zowel standbeelden van slavendrijvers als van afschaffers van de slavernij neer. Met cijfers kunnen deze beeldenstormers al lang niet meer tot rede worden gebracht.

Laten we het dus eens over een andere boeg gooien en kijken naar de beelden waarmee alles begonnen is: de blanke Derek Chauvin die met zijn knie in de nek van George Floyd zit tot hij in coma raakt en sterft. Dankzij de veiligheidscamera’s hebben we de hele zaak goed kunnen zien. Aanvankelijk is er niks aan de hand. George Floyd zit met een vriend in een auto langs de kant van de straat. Even later arriveert er een politiewagen. Twee agenten stappen uit en begeven zich op hun gemak naar de geparkeerde auto. Er wordt wat gepalaverd door het venster en George Floyd stapt uit. Even later zien we hem tegen een muur op de grond zakken, terwijl een politieagent tegen hem staat te praten. Van enig geweld is geen sprake, wel integendeel, alles verloopt rustig, een beetje landerig zelfs. Later zullen we vernemen dat Floyd stoned was en waarschijnlijk een beetje slap werd in de benen. Een banaal geval dus, waarmee de Amerikaanse politie dagelijks te maken krijgt. We kunnen de agent bijna horen zeggen: en George, is ’t weer zover?

Maar dan arriveert er een tweede politiewagen. Je vraagt je af waarom. George Floyd doet niet moeilijk, hij kan nauwelijks op zijn benen staan. Zijn er werkelijk vier politieagenten nodig om dit af te handelen? Maar het kan niet op, er arriveert nog een derde politiewagen, en daar stappen Derek Chauvin en zijn Aziatische collega uit. Wat komen zij daar doen? Dat valt nergens uit op te maken. Maar even later zien we George Floyd naast de auto op de grond liggen, met de knie van Derek Chauvin in zijn nek. Floyd spartelt niet tegen, hij ligt daar gewoon, geboeid met de handen op de rug. Ook Chauvin zit daar gewoon, met zijn knie in de nek van de ander, terwijl hij een beetje rondkijkt, de zonnebril boven op het hoofd geschoven. Niemand beweegt, het lijkt wel een tableau vivant, een standbeeld bijna. Twee of drie collega’s van Chauvin hebben rond hem plaatsgevat alsof ze de wacht optrekken en ervoor zorgen dat hij ongestoord zijn werk kan doen. Maar welk werk mag dat wel zijn?

Bijna volle negen minuten zit de (relatief tengere) blanke agent met zijn knie in de nek van de (grote, imposante) zwarte man. Intussen zijn er mensen blijven staan die van alles roepen, die foto’s nemen met hun smartfoons, die proberen Derek Chauvin te doen ophouden met zijn wurggreep. Maar hij reageert niet, hij zegt niets, hij maakt geen gebaren, hij doet niks om zich te verbergen voor de camera’s. Het is alsof hij op zijn manier al even stoned en weg-van-de-wereld is als zijn slachtoffer, want er is geen enkele zichtbare reden waarom hij daar zolang moet blijven zitten. Derek Chauvin gedraagt zich als een automaat die plots stilvalt en hetzelfde geldt voor zijn collega’s, want er is er niet één die zegt: nu is het wel genoeg, straks ga je die kerel nog wurgen! Alle deelnemers aan de arrestatie – ze zijn met zeven – zijn als bevangen door een soort verstarring, een betovering die pas doorbroken wordt als duidelijk wordt dat George Floyd niet meer ademt. 

Een eenvoudige beschrijving van deze camerabeelden roept al het beeld op van de kille Ahriman, de geest van de verstarring, van de bewustzijnsverdoving, van het automatische gedrag. Het hele tafereel doet denken aan de beroemde uitspraak van Hannah Arendt over de banaliteit van het kwaad. Het is inderdaad ontzettend banaal wat hier gebeurt: er is geen geweld, geen agressie, geen emotie, geen geroep en gescheld, niets. En toch wordt een man in koelen bloede gewurgd terwijl hij smeekt om zijn leven en steeds weer herhaalt I can’t breathe. Waarschijnlijk is het juist de kilheid en banaliteit van de hele scène die zoveel woede heeft gewekt. Toen twee weken later opnieuw een zwarte man werd gedood door een blanke politieagent, volgde er helemaal geen woedeuitbarsting. Maar er was dan ook geen kilheid of banaliteit, wel integendeel. Het slachtoffer verzette zich hevig, rukte het stroomstootpistool uit de handen van de politieagent en richtte het op hem, waarna hij zelf werd neergeschoten. 

De kille achteloosheid waarmee de blanke Derek Chauvin de zwarte George Floyd langzaam wurgt, lijkt een sprekend voorbeeld te zijn van het racisme waarvan blanken steeds meer worden beticht: een onbewust racisme, een automatisch racisme, ja zelfs een erfelijk of genetisch racisme. Uit niets blijkt immers dat Derek Chauvin een racist is in de ‘klassieke’ betekenis van het woord: een white supremacist die zich als blanke ver verheven voelt boven de zwarten en zich daarom gerechtigd voelt hen zijn wil op te leggen, desnoods met geweld. Dergelijk ‘luciferisch’ racisme blijkt niet uit het gedrag van Derek Chauvin op het moment van de arrestatie, het blijkt niet uit zijn huwelijk met een uitheemse vrouw, het blijkt niet uit zijn niet-blanke collega’s, het blijkt niet uit de mentaliteit van het politiecorps van Minneapolis dat geleid wordt door een zwarte politiechef, en het blijkt niet uit het beleid van de blanke burgemeester die bekend staat voor zijn progressiviteit en antiracisme. Het blijkt nergens uit.

Maar, beweren de antiracisten, dat is nu juist wat dat andere, ‘ahrimaanse’ racisme zo gevaarlijk maakt: het verbergt zich in gewoonten, automatismen en reflexen, het verbergt zich instellingen en instituties, het verbergt zich in de hele blanke beschaving, ja het maakt deel uit van het DNA van het blanke ras. En dát racisme hebben we aan het werk gezien bij de arrestatie van George Floyd: niemand was zich van enig kwaad bewust, alles verliep volgens het boekje, er werd een zwarte man gewurgd alsof het de normaalste zaak van de wereld was. Het is dit ‘onzichtbare’ racisme dat antiracisten zo wanhopig maakt, want de blanken weigeren te geloven dat het bestaat, ze kunnen of willen het niet onder ogen zien. Het is zo nauw verweven met hun ziel en hun hele beschaving dat ze er zich even weinig bewust van zijn als een vis zich bewust is van het water waarin hij rondzwemt. Onder die blanke blindheid lijden de people of color zonder dat ze er iets tegen kunnen doen. Behalve geweld gebruiken, want dat is de enige taal die de blanke nog verstaat. 

Dat was dan ook wat ze deden toen ze zagen hoe Derek Chauvin in cold blood een eind maakte aan het leven van George Floyd. De kille Ahriman riep de hete Lucifer op en die stak Amerika in brand, zoals de kranten schreven. Het resulteerde in beelden die op hun manier al even onthutsend waren als de beelden van Floyds fatale arrestatie: betogers staken auto’s en gebouwen in brand, ze plunderden winkels en sloegen winkeliers halfdood, ze gedroegen zich als wilden. Maar één ding hadden ze gemeen met de politieagenten waartegen ze tekeer gingen: ze schaamden zich niet, ze deden geen moeite om hun gezicht te verbergen. Net als Derek Chauvin voelden ze zich volkomen gerechtigd om te doen wat ze deden. En die gerechtiging was niet individueel. Zowel de politie als de plunderaars wisten zich gesteund door overtuigingen die inmiddels vanzelfsprekend zijn geworden, die niet langer in vraag worden gesteld, die krachtige, dwingende imaginaties zijn. 

De Amerikaanse politie wordt geleid door een overheid die vindt dat ze het recht heeft om geweld te gebruiken tegen de bevolking. De plunderaars weten zich dan weer gesteund door antiracisten die vinden dat de (zwarte) bevolking het recht heeft om geweld te gebruiken tegen de (blanke) overheid. Dat recht meent trouwens ook de blanke bevolking te hebben, vandaar het wijdverbreide wapenbezit in Amerika: de burger wil zich kunnen verdedigen tegen eenieder die hem bedreigt, ook als dat de overheid is. Dit wapenbezit (en de ermee gepaard gaande gewelddadigheid) zijn uitdrukking van de vrijheidsdrang van de Amerikanen, een vrijheidsdrang die botst met een overheid die zich steeds meer macht toeëigent. Het zijn in feite twee wereldbeelden die hier in botsing komen: het autokratische werelbeeld van de meester en zijn knecht (of de koning en zijn volk) en het democratische wereldbeeld van een vrije samenleving op voet van gelijkheid.

Onze tijd is getuige van de geboorte van de vrije mens, de mens die gedreven wordt door een nieuwe imaginatie. Die geboorte veroorzaakt de grootst mogelijke spanningen, het grootst mogelijke lijden. Dat lijden is onvermijdelijk, maar zoals dat ook met een fysieke geboorte het geval is, kan het aanzienlijk verzacht worden wanneer men weet wat er gebeurt. Inzicht in de twee grote imaginaties die vandaag tegenover elkaar staan, maakt hun overgang minder pijnlijk en minder gevaarlijk. Wanneer ze echter onbewust hun gang gaan, wordt de pijn ondraaglijk en verliest de mens zijn zinnen. De zwarte George Floyd schreeuwde I can’t breathe en de blanke Derek Chauvin kreeg de schuld. Maar zijn knie was de knie van de overheid en die verstikt de hele bevolking, niet alleen de zwarte. De racisme-imaginatie is een beeld dat op de werkelijkheid wordt geprojecteerd om een veel groter probleem niet te moeten zien: de vrije mens die belet wordt geboren te worden, die langzaam stikt en niet kan ademen.   

I can’t breathe (1)

  

Ahriman laat er geen gras over groeien. De corona-crisis is nog maar net bezworen of er breekt alweer een nieuwe crisis uit. Dit keer niet in China maar aan de andere kant van de wereld, in Amerika. Daar sterft een zwarte man door toedoen van een blanke politieagent en overal in het land ontstaan er zware rellen die vervolgens ook navolging vinden in Europa. Op het eerste gezicht hebben die twee crisissen niets met elkaar te maken en is het voorbarig om ze allebei aan Ahriman toe te schrijven. Maar dat verandert wanneer we in beelden gaan denken. Dat is trouwens wat Ahriman zelf ook doet: met zijn dode, abstracte ideeën dringt hij door in onze waarneming en doet daar beelden ontstaan, imaginaties die ons gevoel en onze wil krachtig aanspreken. Op die manier drukt hij zijn stempel op alles wat vandaag gebeurt. Dat stempel – Ahrimans handtekening zeg maar – herkennen we wanneer we op onze beurt in beelden gaan denken, wanneer we onze gedachten en inzichten verdichten tot imaginaties. 

Dat is geen eenvoudige zaak. Het is zelfs een gevaarlijke zaak, want we begeven ons op een terrein waar ook Ahriman actief is en het ligt voor de hand dat hij er alles zal aan doen om ons te beletten hem te ontmaskeren. Juist daarom is het belangrijk dat we ons een voorstelling van hem maken, een ideëel portret dat we ons voor ogen kunnen houden. Want als Ahrimans imaginaties zich vermengen met de onze, komen we op een hellend vlak terecht en raken we ongemerkt in zijn greep. Na de imaginatie volgt immers de inspiratie: de beelden beginnen te spreken, en voor hun stemmen kunnen we ons al niet meer afsluiten. Als we vervolgens het stadium van de intuïtie bereiken, zijn we helemaal verloren. We worden dan één met Ahriman, in de overtuiging dat we de wereld redden van het kwaad. Daarom zegt Rudolf Steiner ook dat antroposofie een gevaarlijke zaak is. Het denken tot leven brengen – de imaginatie is daarin de eerste stap – impliceert een hevige strijd met Ahriman en vergt grote wakkerheid.

Het geval George Floyd is wat dat betreft een schoolvoorbeeld. Het toont ons hoe moeilijk (in meer dan één betekenis), maar ook hoe belangrijk het is zelf imaginaties te vormen en ze scherp te onderscheiden van die van Ahriman. We hebben allemaal de beelden gezien van de blanke Derek Chauvin met zijn knie in de nek van de zwarte George Floyd. Doordat we die beelden automatisch associëren met racisme, worden ze een zinnebeeld: we zien niet langer één blanke die in koelen bloede een zwarte verstikt, we zien het hele blanke ras dat het hele zwarte ras onderdrukt en discrimineert. Het eerste beeld is een zintuiglijke waarneming en daar reageren we in regel op door ons af te vragen welk begrip we ermee moeten verbinden. In dit geval: ongeluk of doodslag, racisme of overdreven geweld. Het tweede beeld daarentegen is een imaginatie, een waarneming waarmee het begrip racisme reeds verbonden is en waarop we onmiddellijk reageren, instinctief, zonder na te denken. 

De rellen die uitbraken na de dood van George Floyd geven een idee van de enorme kracht die uitgaat van zo’n imaginatie. Het gaat dan ook niet om een zintuiglijk beeld dat we voor ons zien en afstandelijk bekijken, maar om een bovenzintuiglijk beeld dat in onszelf leeft en waar we sterk mee verbonden zijn. Waarnemingsbeelden situeren zich op het niveau van ons fysieke lichaam: we zijn er ons bewust van en ze laten ons vrij. Imaginaties ontstaan in ons etherische lichaam, ons gewoontelichaam: we zijn er ons slechts deels van bewust en ze hebben iets dwingends. Gewoonten zijn moeilijk af te leren, vooral wanneer ze oud en diepgeworteld zijn. De imaginatie van het blanke ras dat het zwarte onderdrukt, leeft al geruime tijd in ons en wordt steeds sterker. Als dit denkbeeld juist is, dan gaat het om een goede gewoonte en is er geen reden om het te veranderen. Maar als het niet juist is, als het niet met de werkelijkheid overeenkomt, dan hebben we ons een slechte gewoonte eigen gemaakt waar we moeilijk vanaf zullen raken. 

In het geval van George Floyd braken de protesten uit zodra de beelden van de fatale arrestatie bekend werden. Ze groeiden al vlug uit tot gewelddadige rellen, plundering, doodslag en – verrassend genoeg – een heuse beeldenstorm. Ruimte voor onderzoek of reflectie was er niet, het stond meteen vast: dit ging om racisme. Dat was ook de teneur van zowat alle commentaren in de mainstream media: George Floyd was het zoveelste slachtoffer van het onuitroeibare blanke racisme. Daar kon volgens de experts geen twijfel over bestaan. De vanzelfsprekendheid waarmee ze de racisme-imaginatie poneerden kwam niet uit de lucht vallen. Al tientallen jaren lang verschijnen in de officiële media met de regelmaat van een klok opiniestukken waarin het racisme van de blanke bevolking wordt aangeklaagd. Onophoudelijk wordt er op die spijker geklopt. Inmiddels is men reeds een stap verder gegaan: niet alleen het racisme wordt aangeklaagd maar in toenemende mate ook de blanke onwil om dat racisme te erkennen.

In feite zijn de media het stadium van de imaginatieve beeldvorming reeds voorbij. De vraag is niet langer of het beeld van de blanke racist juist is, de vraag is waarom de blanke niet wil luisteren naar de luid klinkende stem van dit beeld. Waarom wil hij de waarheid niet onder ogen zien? De experts – journalisten, academici, ervaringsdeskundigen – hebben met andere woorden het stadium van de inspiratie bereikt, en dat betekent dat er geen discussie meer mogelijk is. De waarheid staat vast: de blanke is racistisch en onderdrukt zijn gekleurde medemens. Wie deze imaginatie nog ontkent, ontkent het licht van de zon, hij sluit de ogen voor wat iedereen kan zien. Zo’n ontkenner is niet langer voor rede vatbaar en plaatst zichzelf buiten de gemeenschap. Daarom verkondigen steeds meer zwarte mensen – merkwaardig genoeg vooral vrouwen, en vaak zeer jonge – dat ze niet langer met blanken over racisme willen spreken. Het heeft toch geen zin. Hun boodschap is: genoeg gepraat, er moet gehandeld worden.

People of color – dat zien we zowel in Amerika als in Europa – voelen zich steeds meer gerechtigd geweld te gebruiken tegen de kwaadwillende blanke die hen langzaam verstikt. Ze zien het als een vorm van wettige zelfverdediging. Dat argument horen we ook bij moslims: ze moeten wel geweld gebruiken anders worden ze doodgedrukt door de ongelovige blanke. Wat dat laatste betreft hebben ze trouwens gelijk: de blanke is inderdaad een ongelovige, en het is zijn ongeloof dat zo verstikkend is. Niet alleen gelooft hij niet meer in God, hij gelooft ook zijn eigen ogen niet meer. Hij baseert zich steeds minder op de zintuiglijke waarneming en steeds meer op het abstracte denken. Dat dode denken vormt vervolgens imaginaties die voor werkelijker dan de werkelijkheid worden gehouden en alles ‘verstikken’. Bovendien zijn die imaginaties nog besmettelijk ook, want ze worden gretig overgenomen door de people of color. Ook hier weer hebben deze laatsten gelijk: de blanke koloniseert hen met zijn imaginaties. Nog altijd.

De vraag is niet of dit geestelijke koloniseren gerechtvaardigd is, want dat is nu eenmaal hoe beschavingen ontstaan: mensen bevruchten elkaar met ideeën, met beelden, met imaginaties. Ook de blanke, Europese beschaving is ontstaan door kolonisatie: enerzijds door de Romeinen met hun abstracte denken, en anderzijds door gekleurde mensen uit het Midden-Oosten met christelijke beelden die, naar ze beweerden, uit de zintuiglijke werkelijkheid afkomstig waren. Moeten wij deze kolonisators nu met de vinger wijzen omdat ze ons gemaakt hebben tot wat we zijn? Of moeten we hen juist dankbaar zijn, ondanks het geweld dat ze gebruikten? De echte vraag gaat niet over het koloniseren op zich, ze gaat over de waarde van de koloniserende ideeën en imaginaties. Zijn ze beter dan de (denk)beelden van de gekoloniseerde? Maken ze zijn leven beter en menselijker? Zijn ze met andere woorden gebaseerd op de waarheid (die voor ieder mens geldt) of op leugens (die onderdrukking veroorzaken)?

Geen enkele Europeaan zal betreuren 2000 jaar geleden gekoloniseerd te zijn door Romeinen en Palestijnen, want uit die – deels gewelddadige, deels vreedzame – kolonisering is een beschaving ontstaan die zijn weerga niet kent. De reden waarom momenteel zoveel people of color naar Europa emigreren is simpelweg dat het leven nergens beter is, dat mensen nergens meer mens kunnen zijn dan juist hier. Dat neemt niet weg dat in dat bewonderens- en benijdenswaardige Europa ideeën en imaginaties leven die in de vorige eeuw een storm van geweld hebben ontketend die niet te rijmen valt met de Europese idealen van vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid. Deze anti-Europese ideeën en imaginaties zijn weliswaar ontstaan in Europa en worden er ook door gevoed, maar ze zijn een koekoeksjong dat, sinds het uit zijn ei is gekropen, de oorspronkelijke beelden één voor één uit het Europese nest kiepert. En dat is iets wat niet enkel (blanke) Europeanen moeten betreuren, het gaat de hele wereld aan.

Het geweld dat de wereld nu al meer dan 100 jaar teistert, wordt niet veroorzaakt wordt door de Europese idealen (die inmiddels wereldidealen zijn geworden). Vrijheid van meningsuiting, gelijkheid van alle mensen, afschaffing van de slavernij: het zijn verwezenlijkingen waar ieder mens op aarde, ongeacht zijn ras of kleur, achter kan staan. Tenzij ze natuurlijk als ‘wit’ beschouwd worden en het resultaat van ‘eurocentrisch denken’. Maar dan kan men zich ook niet op die idealen en mensenrechten beroepen om racisme en discriminatie aan te klagen. Wat achter de hele racismekwestie schuilgaat, is de vraag naar waarheid. Bestaat er een waarheid die voor iedereen geldt, tot welk ras hij ook behoort? Of zijn er alleen maar Europese waarheden, blanke waarheden, zwarte waarheden, gekleurde waarheden? In het laatste geval is de strijd tegen het racisme gewoon een strijd om de macht: wiens waarheid wint? In het eerste geval dient de waarheid onderscheiden worden van de leugens van het koekoeksjong.

Ahriman zet de waarheidsvraag op scherp door ons denken te infiltreren met zijn leugens, door imaginaties te doen ontstaan die gebaseerd zijn op dode ideeën, ideeën die het contact met de levende werkelijkheid verloren hebben en een eigen onderaards leven zijn gaan leiden. Ongewild wijst Ahriman er ons op dat waarheid een werkwoord is en dat we haar niet kunnen vinden als we ons niet inspannen, als we ons denken niet (zelf) tot leven brengen door imaginaties te vormen, door onze dode ideeën weer met de zintuiglijke werkelijkheid te verbinden zodat ze verhinderd worden hun eigen gang te gaan (en zelfs door computers overgenomen te worden). Het abstraheren of ‘doden’ van ideeën is een cruciale stap in het verwerven van onze vrijheid. Het is een vermogen dat we aan Lucifer te danken hebben, maar waar Ahriman zich nu meester van maakt om er zijn imaginaties mee te vormen die het materialisme diep in ons gemoed en onze wil prenten en ons ongemerkt tot slaaf maken. 

Dit ahrimaniseren van onze ziel kunnen we alleen tegengaan door zelf – bewust en vrijwillig – imaginaties te vormen in plaats van ze onbewust in onze ziel te laten opstijgen als tegenbeeld van ons dode cijferdenken. Want imaginaties vormen we hoe dan ook, ons denken komt sowieso tot leven, dat valt niet tegen te houden. Het probleem is dat we er ons niet bewust van zijn, dat het allemaal instinctief verloopt en dat we bijgevolg niets doen om evenwicht te scheppen tussen ons cijferdenken en ons imaginatieve denken. Van die onbewustheid en passiviteit maakt Ahriman gebruik om ons denken in de door hem gewenste richting sturen, en dat is niet de richting van een bewuste samenwerking tussen beide tegengestelde vormen van denken, maar die van toenemende polarisatie en strijd. Deze strijd maakt zowel het (bewuste) dode als het (onbewuste) levende denken steeds sterker en wanneer de uitersten zich ten slotte met elkaar vermengen, wanneer les extrêmes se touchent, ontstaat er chaos in onze ziel. Op die manier drijft Ahriman ons langzaam maar zeker tot waanzin.

Deze overgang van dood naar levend denken maakt deel uit van het Keerpunt der Tijden. Het is de uitvergroting van een natuurlijk proces dat zich in ieder mensenleven voltrekt. Als kind leven we in beelden, daarom tekenen we ook allemaal. Het vormen van beelden is de mens aangeboren, het is zijn moedertaal, een vermogen dat hij meebrengt uit de geestelijke wereld. Op aarde moet hij echter afstand nemen van deze beelden, hij moet de geestelijke wereld ‘doden’ en in abstracte begrippen leren denken, anders kan hij niet overleven. Maar wanneer hij deze overlevingsstrijd gewonnen heeft en oud wordt, begint hij weer in beelden te leven, herinneringsbeelden die zich langzaam verdichten tot imaginaties, tot wijsheid. De oude mens wordt weer kind, zijn oorspronkelijke beeldvormende vermogen krijgt weer adem en langzaam glijdt hij de geestelijke wereld in. Vandaag is ieder modern mens oud geworden, hij heeft het abstracte denken helemaal ontwikkeld en begint nu als vanzelf weer in beelden te leven.

We worden, zoals Rudolf Steiner zei, op een natuurlijke wijze weer helderziend. Dat klinkt mooi, maar het houdt grote gevaren in, want als we deze overgang naar het imaginatieve denken niet zelf ter hand nemen, dan maakt Ahriman er zich meester van. Op dit keerpunt heeft hij lang zitten wachten en nu slaat hij toe. We beleven het moment van de waarheid, want als de leugen verschijnt, verschijnt ook de waarheid. De incarnatie van Ahriman valt samen met de wederkomst van Christus en plaatst ons voor de keuze: door wie zullen we ons leven en onze toekomst laten bepalen? Om überhaupt te kunnen kiezen moeten we Ahriman en Christus eerst leren onderscheiden, anders kiezen we automatisch voor Ahriman, de wolf in een schaapsvacht. De grote vraag van onze tijd is dan ook: wat is waarheid en wat is leugen? Met cijferdenken alleen komen we daar niet achter, want Ahriman heeft al lang de stap naar de imaginatie gezet. We kunnen hem alleen ontmaskeren – lees: van Christus onderscheiden – wanneer we net als hij in beelden leren denken.  

Corona (14)

  

Cijfers, daar draait het in deze coronacrisis om. Cijfers, cijfers, en nog eens cijfers. Van ’s morgens tot ’s avonds worden we ermee om de oren geslagen: zoveel doden, zoveel besmettingen, zoveel ziekenhuisbedden, zoveel tests, zoveel mondmaskers, zoveel afstand, zoveel boetes – er komt gewoon geen eind aan. Het is ook allemaal begonnen met cijfers, de cijfers van een expert die op zijn computer zag dat er miljoenen doden zouden vallen en meteen de overheid alarmeerde. Die nam vervolgens drastische maatregelen, die inmiddels voorzichtig worden afgebouwd, maar als de cijfers weer de hoogte ingaan – iets wat door de meeste experts wordt voorspeld – dan begint het liedje opnieuw en worden de teugels weer aangehaald. Ons leven wordt momenteel bepaald door cijfers, cijfers van experten die de hele dag voor de computer zitten (als ze al niet zelf op het beeldscherm verschijnen). Het lijkt wel of er een wereldwijde staatsgreep is gepleegd door mensen die alleen nog in cijfers kunnen denken.  

De wereld wordt geregeerd door cijfers. Er wordt geteld dat het een lieve lust is, of beter gezegd, er wordt geteld zonder enige lust, want het zijn computers die tellen, gevoelloze machines. We zijn zozeer in cijfers gaan denken dat ons denken nu wordt overgenomen door rekenmachines. We worden onderworpen door een denken dat niet menselijk meer is, maar dat we wel zelf hebben grootgebracht. Het is een koekoeksjong dat we nog altijd voeden, ook al gooit het onze eigen jongen één voor één uit het nest. De coronamaatregelen – die zich aan het menselijke niets gelegen laten liggen – zijn een spiegel waarin we ons eigen, monsterachtig groot geworden, cijferdenken aan het werk zien. Het is geenszins een vreemde die ons aankijkt in die spiegel, maar we herkennen hem niet. Tot voor kort maakte hij nog deel uit van onze eigen ziel, maar daar heeft hij zich uit losgemaakt. Hij is als het ware geboren en staat nu tegenover ons als een nietsontziende dwingeland.

Als antroposoof kennen we allemaal de naam van deze dictatoriale geest. We weten dat het Ahriman is die vandaag in de wereldspiegel verschijnt. We zijn de – bevoorrechte en beklagenswaardige – getuigen van de incarnatie van de Geest der Duisternis, zoals voorspeld door Rudolf Steiner. Op het internet circuleert een filmpje waarin we regeringsleiders van over de hele wereld precies dezelfde formule horen gebruiken: diagnosis, vaccines and treatment. Wie fluistert hen deze woorden in? Wie doet hen als met één stem spreken? Daar komen we waarschijnlijk nooit achter. Ahriman schuwt de openbaarheid, hij werkt achter de schermen. Het is hem om macht te doen, niet om aanzien. De speurtocht naar ‘de schuldige’ heeft dan ook weinig zin, tenzij we hem helemaal ten einde gaan en bij onszelf uitkomen. Want uiteindelijk zijn wij het die Ahriman zijn macht geven, die zijn machtsstreven voeden als de cellen van één groot mensheidslichaam waarvan hij het brein is, een brein dat zich nu tegen het lichaam heeft gekeerd.

Ahriman wil de mensheid onderwerpen en onder controle krijgen omdat hij er afhankelijk van is. Hij wil zijn eigen bestaan zeker stellen, want zijn lot is verbonden met dat van de mens. Zijn grootste angst is dat we hem niet meer nodig zouden hebben, daarom maakt hij zich onmisbaar. Zijn machines en computers zijn de beste slaven die we ons kunnen voorstellen, ze doen zonder morren alles wat we van hen vragen. Maar juist door hun extreme dienstbaarheid worden zij ongemerkt onze meesters. Jonge mensen kunnen niet meer zonder hun smartfoon, ze zijn eraan verslaafd en vertonen afkickverschijnselen als zij hem 10 minuten moeten missen. Maar ook de volwassen wereld kan niet meer zonder computers. In nog geen 50 jaar zijn we allemaal computer-junkies geworden, Ahrimanverslaafden. Aangezien Ahriman zelf de slaaf par excellence is, betekent onze verslaving dat we Ahriman worden, dat we ons zodanig met hem vereenzelvigen dat hij in onze ziel de plaats van ons Ik inneemt.  

Om ons te behoeden voor die bezetenheid, voor die dehumanisering, moeten we ons Ik versterken. En dat doen we door te kijken, door te onderscheiden. Want ons Ik is als een oog: het neemt de geest waar in de materie, en hoe meer moeite het daarvoor moet doen, des te helderder wordt het. In die zin is Ahriman een helper: hij maakt de materie steeds ondoorzichtiger zodat ons Ik zich steeds meer moet inspannen. Maar de helper wordt een vijand wanneer ons Ik de materie niet meer kan doordringen en verduisterd wordt. Het valt dan in onmacht en we weten niet meer wie we zijn. Dat punt hebben we nu bereikt. We ‘zien’ alleen nog atomen, cellen en deeltjes, en in die louter materiële wereld van onzichtbaar kleine dingen is geen plaats meer voor het menselijk Ik. Dat wordt pijnlijk duidelijk nu die wereld-van-het-kleine zich tegen ons keert. We hebben het coronavirus zelf tot een vijand gemaakt door naar Ahriman te luisteren, door hem toe te staan ons Ik te verduisteren en ons gezichtsveld steeds kleiner te maken.

Kijken is een scheppende activiteit, het is het (onbewuste) verbinden van waarneming en denken. Dat denken is langzaam steeds abstracter geworden tot het een cijferdenken werd. Op zich is dat niet erg, integendeel, volgens Rudolf Steiner is wiskundig denken de beste voedingsbodem voor helderziendheid. Het probleem is dat dit cijferdenken zich heeft losgemaakt van de waarneming, het is een eigen leven gaan leiden, een ahrimaans leven. Het is als het ware geboren en tiranniseert nu zijn moeder die dat kwaadaardig geworden denken – dat koekoeksjong – liefheeft als haar eigen kind en er zich helemaal ten dienste van stelt. De rollen zijn met andere woorden omgekeerd: het denken dat zich altijd onderwierp aan de waarneming, onderwerpt nu zelf de waarneming. Het bepaalt wat we zien. We zien steeds meer wat we denken te zien, niet wat er werkelijk is. We zien wat Ahriman wil dat we zien. En dat zien heeft scheppende kracht: de wereld (en ook de mens) wordt zoals we hem zien.

De corona-werkelijkheid is een werkelijkheid die we – zonder het te beseffen – zelf geschapen hebben. De lockdown, waar we niks kunnen aan doen, is een veruitwendiging van wat zich diep in ons bewustzijn afspeelt, en waar we wel iets kunnen aan doen. We leven in een wereld die steeds gewelddadiger, dwingender, onmenselijker en doodser wordt, een wereld die ons tot slaven maakt en ons opsluit in een kooi. Maar we scheppen die wereld zelf, iedere minuut van de dag, door de manier waarop we ernaar kijken. Hij is een spiegel van onze eigen ziel en van de omkering die daar – ongemerkt – heeft plaatsgevonden: de onderwerping van de waarneming door het (dode) denken, van de meester door de slaaf. Die omkering is een wereldhistorisch feit, want in het denken zijn we vrij en met die vrijheid doordringen we nu de waarneming, en daarmee ook de werkelijkheid. Dat wil zeggen, Ahriman doet dat in onze plaats. Hij heeft onze vrijheid gekaapt. Wij doen uit vrije wil wat hij wil.

We kunnen en mogen deze Grote Omkering niet ongedaan maken, want ze was het doel van de hele voorbije mensheidsgeschiedenis. Alles wat wij – en de wereld – tot nog toe hebben doorgemaakt, was gericht op het bereiken van dit keerpunt: de geboorte van de vrije mens, het begin van de bevrijding van de wereld. De wetenschapper wordt kunstenaar: dat is wat zich op het Keerpunt der Tijden in de ziel van de mens afspeelt. Het weten wordt een scheppende, wereldverbeterende kracht. Dat gebeurde voor het eerst op exemplarische wijze in de persoon van Rudolf Steiner, wiens alomvattende weten een scheppende impuls werd op ieder gebied. In hem zagen we de nieuwe, vrije mens geboren worden, de schepper van een nieuwe wereld. Maar tegelijk zagen we ook een ander soort mens geboren worden: de bezeten vernietiger van de oude wereld. Ahriman maakte zich op grote schaal meester van de scheppende krachten van de nieuwe mens en keerde ze om tot vernietigende krachten.

Doordat ons denken steeds abstracter wordt en we ons steeds verder van de werkelijkheid verwijderen, wordt onze waarneming van die werkelijkheid alsmaar zwakker en onduidelijker. Er vallen hiaten in die we instinctief opvullen met gedachten. Aanvankelijk zien we nog het verschil tussen waarneming en gedachten, zoals we ook in films aanvankelijk nog het verschil zagen tussen de gewone (uit de werkelijkheid afkomstige) beelden en de digitaal geconstrueerde (uit een computer afkomstige) beelden. Maar algauw kunnen we die twee niet meer van elkaar onderscheiden. De zintuiglijk waargenomen en de ideëel geconstrueerde werkelijkheid versmelten tot één geheel dat we als objectieve werkelijkheid beschouwen, dat we onvoorwaardelijk geloven en waarnaar we ook handelen. Op die manier dringt Ahriman ongemerkt tot onze wil door en stuurt die in de door hem gewenste richting. Hij nestelt zich bij wijze van spreken in ons oog, en wat in ons oog zit zien we niet, ook al is het zo groot als een balk. 

Door deze manipulering van de waarneming wordt de werking van Ahriman magisch. Hij hypnotiseert de mens en laat hem dingen doen die hij nooit zou doen als hij bij zinnen was. We herkennen deze magische, hypnotiserende werking in de filmkunst: filmbeelden boeien ons, letterlijk en figuurlijk, ze zijn verslavend. Maar het verschil met de beelden die Ahriman ons voor ogen tovert door onze waarneming te infiltreren, is dat we ons tijdens een film bewust blijven van het fictieve karakter van de beelden die we zien. De tijd dat we in paniek de bioscoop uitvluchtten als we op het scherm een trein zagen afkomen, is lang voorbij. We hebben geleerd fictie en werkelijkheid te onderscheiden. Althans in de filmkunst. In het geval van de beelden die Ahriman in ons bewustzijn creëert en die we vervolgens op de werkelijkheid projecteren, hebben we dat nog niet geleerd. We zitten nog in het stadium dat we in paniek raken wanneer er een virus als een trein op ons komt afstormen. 

Wat de hele wereld vandaag doodsbang maakt, is niet het coronavirus zelf, want dat kunnen we niet zien. Wat we zien is een beeld van het virus, het gestyleerde en inmiddels alom bekende beeld van een bol vol uitsteeksels, als een bom uit een stripverhaal van Suske en Wiske. Het is een bijzonder suggestief beeld: als we het virus aanraken ontploft het en zijn we er geweest. Bovendien gaat het vergezeld van de intimiderende cijfers en angstaanjagende voorspellingen van de experts die ons vertellen dat deze onzichtbare vijand miljoenen doden zal maken als we hem niet meteen de oorlog verklaren. Samen zijn beeld en woord zo overtuigend dat we overal het coronavirus menen waar te nemen, zoals Greta Thunberg CO2 kan zien. Het is deze – door Ahriman opgewekte – ‘helderziende’ waarneming die ons in paniek op de vlucht doet slaan. Maar omdat de wereld geen bioscoop is die we kunnen verlaten, vluchtten we ‘in ons kot’ terwijl de overheid ten strijde trekt.

Dat is het beeld dat verschijnt wanneer we het hoofd koel houden en aandachtig kijken naar wat er gebeurt. En we herkennen dat beeld, want het verschijnt telkens weer opnieuw. Toen er op 9/11 een aanslag werd gepleegd op de twin towers sloeg de schrik ons om het hart en werden er drastische maatregelen genomen: de War on Terror begon. Net als in het geval van het coronavirus was het niet de aanslag zelf die tot deze verwoestende oorlog leidde, het waren de beelden van de aanslag. Europa heeft sindsdien heel wat aanslagen gekend, maar geen ervan ontketende een oorlog, om de eenvoudige reden dat er geen beelden waren (of dat ze niet werden getoond). Zonder de beroemde beelden van 9/11, die zowat ieder mens op aarde (vele malen) heeft gezien, had Amerika nooit het Midden-Oosten in brand kunnen steken. Idem voor de Climate War: die brak pas los toen de cijfers van de experten versterking kregen van de filmbeelden uit Al Gore’s An Inconvenient Truth

Hetzelfde gebeurde met het coronavirus. Pas toen de alarmerende cijfers van de experten de hulp kregen van dramatische beelden – beelden van het virus dat een cel binnendrong, beelden van zieken die op de spoeddienst lagen te stikken, beelden van wanhopige artsen en verpleegsters, beelden van lange rijen lijkkisten, beelden van uitgestorven straten en steden – kwam het tot een lockdown. In het bewustzijn van de mensheid rezen nu apocalyptische beelden die hem de stuipen op het lijf joegen en hem luidkeels deden roepen om een overheid die drastische maatregelen nam. Net als na 9/11. Net als na Al Gores film. Dit telkens opnieuw terugkerende beeld – ook na de dood van George Floyd verscheen het weer – is het werk van Ahriman, het is zijn stempel, zijn gezicht. Aan dit beeld kunnen we hem herkennen en het is die herkenning die hem ontwapent. Maar we moeten dat beeld wel zelf maken, we moeten alle puzzelstukjes samenvoegen tot een levend, herkenbaar, sprekend geheel.

Ahriman speelt hoog spel. Door te incarneren en zijn ‘gezicht’ te laten zien, jaagt hij de mensheid de stuipen op het lijf en verleidt haar tot oorlogen waarin ze zichzelf vernietigt. Maar tegelijk laat hij zich kennen door mensen die aandachtig kijken naar wat er gebeurt en zelf doen wat Ahriman anders in hun plaats doet: waarnemingen verbinden met gedachten. Ahriman moet bestreden worden met zijn eigen wapens, we moeten ze hem gewoon uit handen nemen, of beter gezegd: we moeten ophouden ze hem in handen te geven. Want wij zijn het zelf die – uit gemakzucht – ons denken en ons waarnemen aan hem overlaten. Door niet langer zelf te denken en zelf te kijken, geven we de knecht de kans om onze meester te worden. We moeten dus doen wat Ahriman doet, we moeten hem tot voorbeeld nemen, hoe paradoxaal het ook klinkt. We moeten doen wat Rudolf Steiner 100 jaar geleden deed toen hij Ahriman dwong om voor hem te poseren en een portret van hem boetseerde. 

Corona (12)

  

Schoonheid zal de wereld redden, schreef Dostojevski 150 jaar geleden. Op een onverwachte manier zijn die woorden vandaag heel actueel geworden. Meer dan ooit staan we voor de keuze tussen schoonheid en lelijkheid. We moeten beslissen of we het leven willen dat zich momenteel aandient, een leven waarin wetenschappers ons doen en laten bepalen, een leven in voortdurende angst voor virussen en andere onzichtbare vijanden, een leven achter slot en grendel, een leven met iedere dag weer nieuwe wetten, voorschriften en verboden, een leven met mondmaskers, contactonderzoeken en social distancing, een leven met mensen die elkaar wantrouwen en aangeven bij de politie, een leven met vaccinaties die ons steeds afhankelijker maken van medicatie, een leven waaruit langzaam maar zeker alles verdwijnt wat het mooi en de moeite waard maakt. Als we niks doen, dan is dit lelijke leven – waar we de jongste maanden al hebben kunnen van proeven – wat ons te wachten staat. 

Maar kunnen we wel iets doen? Kunnen we ook kiezen voor een ander leven, een mooi leven, een kunstzinnig leven? Behoort dat nog tot de mogelijkheden? Dagelijks schrijven de kranten hoe dodelijk het coronavirus wel is en de WHO waarschuwt dat het misschien wel nooit meer weggaat. Met andere woorden: de kans is reëel dat het lelijke leven zoals we het nu meemaken, permanent wordt. Dat is een huiveringwekkend vooruitzicht. Na twee maanden lockdown zitten veel mensen reeds op hun tandvlees, ze worden halfgek. En dan rekenen we nog niet met de economische gevolgen van het stilleggen van de maatschappij: al die bedrijven die op de fles gaan, al die mensen die in de schulden terechtkomen. Als dit het nieuwe leven wordt, zal er ook een nieuwe mens moeten verschijnen, een mens die al die lelijkheid kan uithouden. En dat zal ofwel een betere ofwel een slechtere mens zijn, afhankelijk van de keuze die we maken. We beslissen vandaag over wat voor soort mens we willen zijn. 

Maar om überhaupt te kunnen kiezen, moeten we een duidelijk beeld hebben van de keuzemogelijkheden. We kunnen niet kiezen voor iets waarvan we ons geen voorstelling kunnen maken. Van het lelijke leven kunnen we dat inmiddels heel goed: het is angstwekkend concreet geworden. Maar wat moeten we ons voorstellen bij het mooie leven? Dat wordt meer en meer een utopische wensdroom, een herinnering aan lang vervlogen tijden, een abstract denkbeeld zonder enige realiteit. Zo het al een beetje concreet wordt, grijpen we terug naar oude zonden, naar communistische of fascistische modellen, naar een wereld geleid door een ‘sterke man’. En dan zijn we weer terug bij af. Nee, als we willen ontsnappen aan het lelijke leven, hebben we een duidelijke en concrete voorstelling nodig van het mooie leven, anders zullen we nooit de moed en de overtuiging opbrengen om ons te verzetten tegen het deprimerende en mensonwaardige leven dat ons momenteel wordt opgedrongen door wetenschappelijke experts. 

Het toeval wil dat we op hetzelfde moment dat we een voorsmaakje krijgen van het lelijke leven ook een overtuigend beeld krijgen van het mooie leven. Want de quarantaine of lockdown valt samen met de lente, een lente waarin de bloemen uitbundiger lijken te bloeien dan ooit, als om onze aandacht te trekken, als om de tegenstelling in de verf te zetten en ons te wijzen op de keuze die we moeten maken. De lente is inderdaad alles wat het lelijke leven niet is: zij is het seizoen van de nieuwe hoop, van het geloof in het leven, van de vreugde, de schoonheid de scheppingskracht. Zadelt de lockdown ons op met angst, dan doet de lente die angst verdwijnen en vervult ons met frisse moed. Er kan geen twijfel over bestaan: de lente is het beeld bij uitstek van het mooie leven. En dat betekent dat beide keuzemogelijkheden ons momenteel klaar en duidelijk voor ogen staan, als het ware wachtend op onze beslissing. De coronacrisis is een vrijheidsmoment, misschien wel het vrijheidsmoment.

Ofschoon we een beeld van het mooie leven hebben, kunnen we er niet voor kiezen, want we begrijpen het niet. De lente spreekt, net als de kunst, tot ons hart en niet tot ons hoofd zoals de wetenschap. Daarom kunnen we er ons geen voorstelling van maken. Het is met de lente als met de liefde: ze verbergt haar gezicht. Als we verliefden vragen hun geliefde te beschrijven, staan ze met de mond vol tanden. Ze kunnen zich het gelaat van de ander met de beste wil niet voor de geest halen. De reden is dat ze dwars door het uiterlijk van de ander heen kijken en diens (geestelijke) wezen waarnemen. Verliefdheid is een vorm van helderziendheid, ze gaat gepaard met blindheid voor de fysieke, materiële wereld. Zoals de liefde maakt ook de lente ons blind, zij wekt in ons vreugde en liefde voor het leven, ze maakt ons een beetje dronken en licht in het hoofd, en daardoor kunnen we ons haar gelaat niet voor de geest halen. De lente onttrekt zich aan het voorstellingsvermogen van ons hoofd.

Maar dat voorstellingsvermogen is nu juist wat we nodig hebben om voor het mooie leven te kunnen kiezen. We moeten ons een nauwkeurig beeld vormen van de lente. We moeten als het ware haar portret leren tekenen, want alleen op die manier worden we niet verblind door haar wezen en kunnen we het bewust leren kennen. Bij het lelijke leven doen we dat vanzelf, het spreekt een duidelijke taal, de taal van pijn en lijden. Het maakt ons wakker en ons dwingt een beeld te vormen van de lelijkheid zodat we er iets kunnen aan doen. Het is die lelijkheid waardoor we aan wetenschap zijn gaan doen, we danken er ons beeldvormende vermogen aan. De schoonheid daarentegen zet ons niet aan tot beeldvorming en actie, integendeel, ze doet ons dromen, ze brengt ons in een staat van verrukking die ons onnuttig maakt voor het praktische leven, waar lelijkheid, lijden en pijn dienen bestreden te worden. De schoonheid kan niet strijden, ze heeft geen wapens. Ze kan zich ook niet verdedigen, bijvoorbeeld tegen de wetenschap. 

De wetenschap sluit de lente op en zij is ook de enige die de lente weer kan ‘ontsluiten’. Zij moet haar sluier oplichten zodat we haar gezicht kunnen zien en haar woorden verstaan. Maar dat doet de wetenschap niet door zichzelf uit de weg te ruimen zoals ze dat vandaag – vreemd genoeg – doet. Ze gedraagt zich als een chauffeur die verblind wordt door de zon, zijn tegenwoordigheid van geest verliest en wild aan het stuur begint te draaien. Ze houdt met andere woorden op wetenschap te zijn. Die ‘zelfopheffing’ is al een hele tijd aan de gang en – meer nog dan de klimaatkwestie – toont de coronacrisis wat er gebeurt als de wetenschap haar beeldvormende vermogen opgeeft: de machtswellust komt tevoorschijn. Een wetenschap die zichzelf uit de weg ruimt, maakt niet de baan vrij voor de lente en het mooie leven, ze vernietigt het mooie leven, ze effent het pad voor de lelijkheid en maakt zichzelf tot een werktuig van Ahriman, de machthebber bij uitstek.

We hebben de wetenschap nodig om ons een beeld te kunnen vormen van de lente, zodat ze ons tot voorbeeld kan dienen voor het mooie leven. We moeten met andere woorden een innerlijk beeld vormen van een uiterlijk beeld. Dat laatste krijgen we kado: het wordt ieder jaar weer lente. Het eerste daarentegen moeten we stap voor stap opbouwen. Achter beide beelden – het natuurlijke en het wetenschappelijke – staat de wereld van de geest: hij is het die de beelden schept, zowel buiten ons (de lente) als in ons (de voorstelling van de lente). Wat werkzaam wordt als we proberen ons een denkbeeld te vormen van de lente, is dezelfde geest die de lente voortbrengt. We begrijpen de lente dus door ze na te bootsen, door hetzelfde te doen als de geest die in haar werkzaam is, namelijk beelden vormen. Dat geldt trouwens niet alleen voor de lente – we leren de hele wereld kennen door hem na te bootsen – maar in de lente is dat beeldvormende, scheppende, kunstzinnige vermogen van de geest het sterkst.

Tenminste in de natuur, want in onszelf is het dan juist het zwakst. In de lente worden we verblind door het scheppende genie dat aan het werk is en we kunnen er alleen maar in stomme verbazing naar kijken, als een kind dat vol ontzag toekijkt hoe een kunstenaar een beeld schept. De scheppingskracht van de lente vervult ons met zoveel vreugde en verrukking dat het laatste waar we aan denken is om het ook eens te proberen. Het komt niet in ons op om een voorstelling van haar te maken. Haar (natuur)beelden zijn zo vol glans en leven, dat onze (denk)beelden wel droog stro lijken. Als de lente komt laten we alle terughouding varen, we gooien alle afstandelijkheid overboord en werpen ons verliefd in haar armen. Anders gezegd, we verliezen ons hoofd. In de lente willen we alleen maar één worden met de natuur, genieten van het leven. Tijdens de (lelijke) winter hadden we alle tijd om na te denken, maar nu de schoonheid terugkeert vegen we al die muizenissen in een hoek en vullen onze ziel weer met licht en leven. 

Dit jaar is het echter anders. De wetenschap verspert ons de weg tot de schoonheid van de lente, als een strenge vader verbiedt zij ons de geliefde te ontmoeten. Net nu het leven op zijn mooist is, wordt het lelijker dan ooit. De hele mensheid lijdt vandaag aan liefdesverdriet: wanhopig verlangt ze naar het mooie leven, dat zo vlakbij is en toch zo ver. Het grote gevaar dat haar bedreigt, is dat haar hart breekt, dat ze erbij gaat zitten en zegt: wat kan het mij nog schelen, ze doen maar, het leven heeft voor mij geen enkele zin meer! Hoeveel jonge mensen worstelen vandaag niet met dat gevoel van wanhoop, nu hun toekomstdromen steeds onbereikbaarder worden? Was de moderne mens al verslaafd aan drugs en anti-depressiva, dan zal het nu nog erger worden. Hij dreigt deze lente niet alleen zijn hoofd te verliezen, maar ook zijn hart. Hij loopt het gevaar herleid te worden tot een lethargisch, depressief en willoos wezen door een wetenschap die de schoonheid verboden heeft. 

We staan vandaag voor de keuze waarvoor ook de verliefde mens staat die zijn geliefde niet mag zien. Wat zullen we doen: ons hart volgen of het ouderlijke gezag gehoorzamen? Verliefdheid is een enorme kracht, maar de wetenschap is dat ook: zij beschikt vandaag over het grootste gezag dat ooit bestaan heeft op aarde. Voor het eerst in de geschiedenis der mensheid staan deze twee grote krachten als gelijken tegenover elkaar: de levenskrachten van de liefde en de doodskrachten van de wetenschap. Het is de grootste krachtmeting ooit en de uitkomst ervan zal onze toekomst bepalen. Als de wetenschap wint, zal het hart van de mens gebroken worden, hij zal een machteloos wezen worden dat meegesleurd wordt door lagere driften, zijn eigen driften of die van de machthebbers, dat komt op hetzelfde neer. Wint daarentegen de liefde en trotseert ze het ouderlijk gezag, dan zal … hetzelfde gebeuren. De levenskrachten zullen het rationele denken vernietigen en van de mens (weer) een dier maken. 

Overal klinkt vandaag de stem van het gekwelde mensenhart: het wil de lokroep van de liefde beantwoorden en zich in de armen van de lente werpen, het wil een heerlijke nieuwe wereld scheppen en de oude, verstarde wereld achter zich laten. Maar hoe moet die nieuwe wereld eruitzien? Daar heeft de mens geen voorstelling van, althans geen nieuwe. Het zijn oude linkse of rechtse idealen die weer uit de kast worden gehaald, idealen die in de voorbije eeuw zoveel ellende veroorzaakt hebben. Er dreigt dus opnieuw groot gevaar, een gevaar dat alleen bezworen kan worden als we nieuwe voorstellingen maken van het mooie leven, als we een nieuwe wetenschap in het leven roepen, een wetenschap van de lente. Want de oude voorstellingen – linkse zowel als rechtse – zijn allebei gebaseerd op de moderne, materialistische wetenschap. Ze gaan niet uit van de liefde voor het mooie leven, ze gaan uit van de haat tegen het lelijke leven. Ze zijn het product van angst en macht, en eindigen logischerwijze in geweld en onderwerping. 

Wanneer we vandaag kiezen voor het mooie leven, doen we dat blindelings, gedreven door onze groeiende afschuw voor het lelijke leven. Mensen pleiten hartstochtelijk voor liefde, verdraagzaamheid en menselijkheid, maar ze worden gedreven door blinde haat die hen ertoe brengt anderen onophoudelijk te beschuldigden, te verketteren en te achtervolgen. Wat ze vooral haten is de haat zelf, dat wil zeggen, ze haten in de eerste plaats zichzelf. Op grond van die onbewuste zelfhaat (gecamoufleerd door sentimentele liefdesverklaringen) kan nooit een ‘heerlijke nieuwe wereld’ worden gebouwd. Een voorstelling van het mooie leven moet zowel de liefde als de haat omvatten, ze kan nooit ontstaan uit de overwinning van één van beide tegenpolen. We hebben de haat nodig om voor de liefde te kunnen kiezen, want zonder haat kunnen we ons geen voorstelling maken van het mooie leven, zonder haat kunnen we geen afstand nemen van wat we liefhebben, zonder haat kunnen we ons nooit het gelaat van de lente voor de geest halen. 

Each man kills the thing he loves, schreef Oscar Wilde na zijn lockdown in de gevangenis van Reading. Hij componeerde zijn beroemde ballade na het bijwonen van de terechtstelling van een man die zijn vrouw had vermoord. De schok deed hem doordringen tot een diepe waarheid: we moeten de liefde vermoorden om haar te leren kennen en bewust voor haar te kiezen. Vandaag zijn we er getuige van hoe de schoonheid vermoord wordt door de wetenschap, en de reden daarvoor is dat we het zelf niet doen. We komen er niet toe to kill the thing we love, we maken ons geen voorstelling van de schoonheid, van de lente, van het leven. Hoe lelijker dat leven wordt, des te meer verlangen we naar het mooie leven, des te meer dromen we ervan. We zitten in ons kot te treuren terwijl zich voor onze ogen de prachtigste lente in jaren afspeelt. Maar we durven niet kijken, we durven de lente niet vermoorden. Alsof ze niet ieder jaar vermoord wordt, alsof ze niet ieder jaar weer uit de dood verrijst. 

Corona (11)

  

 

Rudolf Steiner vertelde ooit volgende anekdote. ‘In een dorp arriveert een vreemdeling, een kennis van de burgemeester. Hij komt te paard het dorp binnengereden en dat doet de dorpelingen op straat komen om getuige te zijn van die niet alledaagse verschijning. De vreemdeling stalt zijn paard bij de burgemeester en brengt er het hele weekend door. Als hij ’s maandags weer wil afreizen, vraagt hij om zijn paard. Verwonderd zegt de burgemeester: maar je hebt geen paard, je bent te voet gekomen! Alle protesten van de vreemdeling worden weggewuifd: er is helemaal geen paard geweest. Weet je wat, zegt de burgemeester, laten we het de dorpelingen vragen, ze moeten je zeker het dorp hebben zien binnenkomen. Hij laat iedereen verzamelen en vraagt hen of ze de vreemdeling te voet hebben zien komen. Ja, zeggen ze allemaal. Zweren jullie dat deze man te voet is gekomen? Ja, antwoorden ze opnieuw allemaal. Zie je wel, zegt de burgemeester, waarop de man geen andere keuze heeft dan het dorp te voet, en zonder paard, te verlaten. Na een tijdje rijdt de burgemeester hem achterna om hem zijn paard te brengen. Verbaasd vraagt de man: waarom deze hele komedie? Antwoordt de burgemeester: om je mijn dorpelingen voor te stellen!

Deze anekdote, aldus Rudolf Steiner, is warer dan waar, want ze speelt zich voortdurend onder ons af. Het hele menselijke leven is erop gericht degenen die zweren geen paard gezien te hebben steeds talrijker te maken.