Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Categorie: sport & spel

Coniunctio oppositorum (1)

  

Het is nu al hét beeld van deze Olympische Spelen, schreef Bart Eeckhout in De Morgen. Hij had het over twee beachvolleybalsters aan het net: de ene in een minuscule bikini, de andere van top tot teen bedekt. Inderdaad een veelzeggend beeld. Maar wat het precies zegt, daarover lopen de meningen uiteen. Volgens de een is het een aanval op onze Westerse waarden, volgens de ander is het juist een uitdrukking van die waarden, want een voorbeeld van diversiteit. Op zich heeft de zaak natuurlijk weinig om het lijf (sic) – waarom geen petanque als olympische discipline? – maar ze heeft grote symbolische waarde, want … de islam heeft zijn entree gemaakt op de Olympische Spelen! De Egyptische meisjes waren trouwens niet alleen. Ook in de Amerikaanse delegatie liep er een moslima-met-hoofddoek rond en er werd druk uitgeoefend om haar (en niet de legendarische Michael Phelps) de Amerikaanse vlag te laten dragen tijdens de openingsceremonie. Dat zou pas een statement zijn geweest! 

Louter materieel gezien is er niks aan de hand: wat maakt het nu uit of een vrouwelijke atlete een bikinibroekje draagt of een legging? Naaktheid is al lang geen reglementaire plicht meer op de Olympische Spelen. Dus als iemand ook nog een hoofddoek wil dragen: waarom niet? Maar daar gaat het natuurlijk niet om. Het gaat om de symbolische betekenis van die hoofddoek, om de geestelijke dimensie van de hele zaak. En die is belangrijk genoeg om er eens grondig over na te denken. We maken nu in de sport mee wat daarbuiten al tientallen jaren aan de gang is: de opmars van de islam. Er hoeft niet aan getwijfeld te worden: op de volgende Spelen zullen er méér dan twee hoofddoeken te zien zijn. In de gewone wereld valt de opmars van de islam niet meer te stuiten, in de sportwereld wel. Het is nog niet te laat om maatregelen te nemen en de sharia-outfit in de sport te verbieden. De vraag is echter: moeten we dat wel doen? En vooral: waaróm zouden we dat doen? 

Laten we eens naar die foto kijken. Wat klopt hier niet? Twee ploegen spelen tegen elkaar in een totaal andere outfit. Dat gebeurt nergens. Iedere sporttak heeft zijn eigen kleding: judoka’s gaan heel anders gekleed dan zwemmers, en zwemmers kleden zich heel anders dan schermers. Er zijn weliswaar kleine variaties mogelijk, zoals voetballers die schoenen in verschillende kleuren dragen, maar verder heerst er overal uniformiteit in de sport. Dat maakt deel uit van het spel. Stel je voor dat twee voetbalploegen tegen elkaar spelen en dat de ene ploeg in zwembroek zou aantreden, of gekleed in maatpak en das. Dat zou niet alleen belachelijk zijn, het zou ook het wezen van de sport aantasten. Sport is namelijk een bezigheid waarbij mensen zich vrijwillig onderwerpen aan een set van regels. Zonder die regels is er doodeenvoudig geen sport. Misschien strekt de letter van die regels zich niet uit tot de kleding, maar de geest doet dat zeker wel. Daarom spreekt het vanzelf dat sporters gelijk gekleed zijn. 

Het tennistornooi van Wimbledon – een begrip in de sportwereld – legt de deelnemers een strikte dresscode op: iedereen moet in het wit gekleed zijn. Het resultaat is esthetisch, rustgevend en sportief. Men kan zich bijvoorbeeld heel goed voorstellen dat iemand die in fluorescerend geel gekleed is, de tegenstander van de wijs brengt. Wie sportief is, doet zoiets niet. Het is dan ook een teken van afnemende sportiviteit dat een dresscode uitdrukkelijk moet opgelegd worden. Maar het loont wel. De uniformiteit geeft Wimbledon iets ritueels, iets sacraal. Het tilt de strijd – die tenslotte een uiting van egoïsme is – op een hoger niveau. Het maakt van iets dierlijks iets menselijks. Sportiviteit – het vrijwillig naleven van regels – is daarom een uitdrukking van beschaving. Men kan erover discussiëren of de reguliere outfit van beachvolleybalsters wel zo’n hoog beschavingsgehalte heeft, maar het ostentatief niet willen naleven van de geldende regels, zoals die moslima’s deden, wijst op een gebrek aan sportiviteit en beschaving.

De vraag is nu: bestaat er slechts één beschaving of bestaan er meerdere? Anders gezegd: bestaat er een set van beschavingsregels die voor iedereen geldt of zijn er meerdere mogelijk? In de sportwereld zijn de zaken duidelijk: de regels van een sport gelden overal en voor iedereen. Wie voetbal wil spelen, moet zich, waar ook ter wereld, aan dezelfde regels houden. Doet hij dat niet, dan kan hij niet meer meespelen, dan wordt hij uitgesloten. Maar er zijn natuurlijk meerdere sporten, ieder met hun eigen regels. Dat geldt ook voor culturen. De Westerse cultuur bijvoorbeeld heeft heel andere regels dan de islamitische cultuur. Dat vormt geen probleem zolang beide zorgvuldig van elkaar gescheiden blijven. De problemen ontstaan pas wanneer ze zich gaan vermengen. Het is dan alsof voetballers en volleyballers op hetzelfde veld staan. De enen mogen de bal niet met de hand aanraken, de anderen mogen hem niet met de voet aanraken. Het resultaat is onvermijdelijk: chaos. Sport ontaardt dan in een straatgevecht zonder regels. 

De Olympische Spelen als geheel zijn uitdrukking van het Westerse streven naar één enkele universele beschaving: iedereen mag meedoen, op voorwaarde dat hij de regels volgt. Hetzelfde streven naar universaliteit herkennen we in de mensenrechten, de spelregels voor het menselijke bestaan: ze zijn opgesteld voor iedereen. Het Westen gaat er dus vanuit dat er slechts één beschaving bestaat: de hare. Helaas denkt de moslimwereld er net zo over: er bestaat slechts één beschaving, de islamitische. De sharia – de moslimversie van de mensenrechten – geldt niet enkel voor moslims, ze geldt voor iedereen. Juist dit gedeelde streven naar universaliteit maakt een botsing – de clash of civilisations – onvermijdelijk. Die botsing is momenteel in volle gang en ze manifesteert zich nu ook in de sport, in dat symbool van (Westerse) universaliteit bij uitstek: de Olympische Spelen. Daarom is de foto met de twee beachvolleybalsters inderdaad hét beeld van deze Spelen: het is een metafoor van de botsing der beschavingen .

We mogen dan wel lachen met die volledig verpakte Egyptische meisjes en vinden dat ze zich belachelijk maken, maar ze maken ook ons, Westerlingen, belachelijk. En het ergste is dat we het niet eens beseffen. Materialistisch als we zijn, hebben we geen oog voor de symbolische, figuurlijke of geestelijke betekenis van een beeld. We denken: laat die meisjes toch hun hoofddoek dragen! Waarom zo’n drukte maken over een stukje textiel! We gaan zelfs prat op onze ruimdenkendheid en verdraagzaamheid, terwijl het in wezen blindheid is, blindheid voor de geestelijke dimensie der dingen. En de geestelijke dimensie van de islamitische hoofddoek is een oorlogsverklaring aan het Westen. De hoofddoek zegt: jullie hebben jullie regels en wij hebben de onze, en we gaan onze regels aan jullie opleggen, stap voor stap, zonder dat jullie het merken! En zo gaat het inderdaad: langzaam en geleidelijk vervangen de moslims onze regels door hun regels, onze universele beschaving door hun universele beschaving. 

Ze maken ons belachelijk omdat blijkt dat ons streven naar universaliteit en eenheid slechts schijn is. We doen alsof niets zo belangrijk is als de mensenrechten, maar tegelijk accepteren we steeds vaker sharia-regels, ook al druisen die in tegen de mensenrechten. Als op de Olympische Spelen enkele moslima’s verschijnen in sharia-outfit, zeggen we daar niets van. Integendeel, we ontvangen ze met open armen, trots op onszelf. Want we streven naar gelijkheid, naar diversiteit, naar multiculturaliteit. We streven naar een wereld waarin Westerlingen en moslims broederlijk naast elkaar in vrede leven. Op materieel gebied is zoiets wel mogelijk, maar op geestelijk gebied niet, want beide streven het tegenovergestelde na. Westerlingen streven in essentie vrijheid na, moslims onderwerping. En je kunt niet tegelijk vrij én onderworpen zijn. Toch is dat wat het Westen nastreeft door twee tegengestelde idealen te koesteren: de eenheid en de diversiteit. Juist deze tegenstrijdigheid maakt het Westen tot een prooi voor de islam.

De islam kent dit dubbele streven niet. Hij streeft wel naar universaliteit en eenheid, maar beslist niet naar gelijkheid en diversiteit. De iconische foto met de twee beachvolleybalsters is misschien wel een beeld van het Westerse ideaal, maar zeker niet van het islamitische. In een islamitische beschaving zou er geen halfnaakte volleybalster zijn, er zouden alleen twee volledig bedekte speelsters zijn. En daarin ligt de kracht van de islam: in zijn eenduidigheid. Zijn regels zijn niet tegenstrijdig zoals die van het Westen. Zolang het Westen de tegenstrijdigheid van zijn idealen – eenheid en verscheidenheid – niet oplost, vermag het niets tegen de islam. En uit alles blijkt dat het Westen niet in staat is zijn eigen contradicties onder ogen te zien, laat staan ze te overwinnen. Daarin ligt zijn zwakheid: het streeft met vuur zowel de eenheid als de diversiteit na, maar het derde vuur ontbreekt: het vuur van het bewustzijn van die tegenstrijdigheid.

Wat het Westen niet beseft, is dat het een coniunctio oppositorum nastreeft, een vereniging der tegendelen. Het beeld van die twee volleybalspeelsters op de Olympische Spelen zou er nooit gekomen zijn als het Westen het niet gewild had. Als de Duitse meisjes beslist hadden om helemaal zonder kleren te spelen (zoals de oude Grieken) dan zou niemand getwijfeld hebben: dit willen we niet! Maar als moslima’s beslissen om helemaal gesluierd te spelen, zijn de inrichters het – blijkbaar – roerend eens: dit willen we wel! Zeker, er is een beetje gemor in de (sociale) media, maar lang zal dat niet duren en het zal ook geen effect hebben op de toekomst: er zullen steeds meer hijabs opduiken op de Olympische Spelen – want het Westen wil dat. Maar ook de islam  wil dat, althans voorlopig, tot het z’n wil kan doordrukken. De onverwachte conclusie is dus dat zowel het Westen als de islam hetzelfde nastreven en dat we dus te maken hebben met een wereldwijd gemeenschappelijk streven, een mensheidsstreven.

Er is al veel gezegd over die iconische foto van de twee beachvolleybalsters, maar één ding is nog niet boven water gekomen: de vaststelling dat het een beeld is van iets wat we allemaal willen, Westerlingen zowel als moslims. Er leeft in de mensheid vandaag een even hartstochtelijk als onbewust streven naar de vereniging der tegendelen. Tragisch genoeg leidt dat gemeenschappelijke ideaal niet tot vrede en broederlijkheid, maar tot chaos en geweld. Het sleurt ons mee in een zelfvernietigende draaikolk. De vraag is dan ook of dit mensheidsideaal een begoocheling is, dan wel of de oorzaak van de ellende gezocht moet worden in het feit dat we ons niet bewust zijn van dat ideaal. Is het met andere woorden onmogelijk om de tegenpolen – bijvoorbeeld vrijheid en onderwerping – met elkaar te verzoenen, en is de mensheid dus ten prooi aan een vorm van idealistische waanzin, of is het wel mogelijk en weten we alleen niet hoe, omdat we het probleem niet onder ogen zien? That is the question

Over duivels, draken en schapen (2)

  

Sport is een ersatz voor religie (Rudolf Steiner)

Kunst is een spiegel van de samenleving, en voetbal is dat ook. Wat op en rond het veld gebeurt, gebeurt ook daarbuiten. De beschamende resultaten van de Belgische ploeg spiegelen de beschamende resultaten van België. Zeker, onze voetballers zijn tot in de kwartfinales van het EK geraakt, dat is een succes. Maar er zat veel meer in. Waren ze geen favoriet? Sprak niet iedereen over de titel, of toch op zijn minst over een finaleplaats? En inderdaad, op basis van het aanwezige talent moest België dit EK winnen. In plaats daarvan werd het een beschamende afgang. Net als voor de Engelsen trouwens, die verloren van … IJsland. Maar zij hadden tenminste een verklaring: ze waren van slag door de Brexit die hun land in twee had gescheurd. Dat konden de Belgen niet ter verontschuldiging aanvoeren. Of toch wel? Spelen ze niet voor een land dat al sinds jaar en dag verscheurd is en waar twee bevolkingsgroepen lijnrecht tegenover elkaar staan? Is dat niet de reden voor hun ondermaats presteren?   

De hartekreet van Vincent Kompany is allang vergeten, maar hij is actueler dan ooit. Voor de wedstrijd tegen Wales – what’s in a name! – leek alles nog koek en ei, maar tijdens de wedstrijd veranderde dat en na de wedstrijd bleek de ploeg al even verdeeld te zijn als de natie. Vlamingen en Walen zijn niet in staat om samen te werken, zelfs niet wanneer ze tegenover een gemeenschappelijke vijand staan. Doorgaans is dat laatste een reden om alle onderlinge vetes te vergeten, maar blijkbaar is de moderne vijand van een ander allooi: hij doet de onderlinge vetes juist hoog oplaaien. En dat is niet alleen in het voetbal zo. Het opduiken van het moslimterrorisme herinnert de Belgen niet aan hun nationale leuze – eendracht maakt macht – maar brengt de verscheurdheid van het land pas echt aan het licht. Nu pas blijkt dat er geen Belgen bestaan, dat Vlamingen en Walen niets gemeen hebben. Maar het gaat (veel) verder dan dat. Ook de Vlamingen onderling beginnen te vechten. Niemand blijkt nog iets gemeen te hebben. 

Dat is wat vandaag op ontstellende wijze aan het licht komt: mensen zijn zo individualistisch geworden dat ze niets meer gemeen hebben. In plaats dat het verschijnen van een gemeenschappelijke vijand zoals de islam Europeanen doet beseffen wat hen verbindt, beginnen onderling ruzie te maken. Zo gebeurde het ook toen de Rode Duivels tegenover de Rode Draken uit Wales stonden. De Draken wisten heel goed wat hen verbond en dat maakte hen sterk. De Duivels daarentegen wisten dat niet en het maakte hen beschamend zwak. En toch is er wel degelijk iets dat hen bindt, want waarom zouden ze anders zo graag voor de nationale ploeg willen spelen? De meesten onder hen zijn rijk en beroemd genoeg: ze hebben de Rode Duivels niet nodig. Ik heb nooit begrepen waarom mensen als Hazard, Courtois, De Bruyne, Witsel, Vertonghen, enzovoort voor de Belgische ploeg willen uitkomen. Voor het geld is het niet, voor de roem is het ook niet. Waarvoor is het dan wel?

Ter vergelijking: een hele reeks topspelers uit de Amerikaanse NBA-competitie heeft afgezegd voor de Olympische Spelen in Rio de Janeiro. Ze hebben er een zwaar seizoen opzitten en met die Spelen komen ze niet aan vakantie toe. Ze willen geen blessures riskeren of vermoeid aan het volgende seizoen beginnen. Nochtans kun je Amerikanen niet verdenken van een gebrek aan pattriotisme. Ze zijn honderd keer vaderlandslievender dan Belgen ooit zullen zijn. En toch heeft niet één Belgische voetballer afgezegd voor het EK. Uit de medische rapporten is gebleken dat ze allemaal zwaar vermoeid waren, dat velen sukkelden met blessures, en dat ze dringend aan rust toe waren. Kevin De Bruyne was slechts een schim van zichzelf, Jan Vertonghen kwetste zich – tijdens de training notabene – aan de voet, ook Hazard sukkelde met een kwetsuur, net als Nicolas Lombaerts. Vrijwel niemand stond echt op scherp, behalve Thibault Courtois. Maar ze wilden er allemaal kost wat kost bij zijn. Waarom?  

Hetzelfde tegenstrijdige gedrag vind je ook bij de voetballiefhebbers. Belgen malen niet om België, en Vlamingen al helemaal niet. Maar als het EK begint, hangt Vlaanderen vol met Belgische vlaggen. Na de nederlaag tegen Wales dacht ik: de schaamte zal die lelijke vodden nu wel snel doen verdwijnen! Maar nee, ze bleven gewoon hangen, en op veel plaatsen hangen ze er nog. Toen Carl Huybrechts op de Nederlandse televisie verklaarde dat heel die Rode-Duivelsmanie één opgeklopte boel was, werd er in Vlaanderen verontwaardigd gereageerd. Ik wreef me de ogen uit. Wat was hier in godsnaam aan de hand? Waar kwam die golf van pattriotisme opeens vandaan? Ik herinnerde me nog het WK van ’86 toen de Belgen de halve finale bereikten. Dát was pas een sensatie! Ook toen leefde het land mee, maar het was een heel ander soort enthousiasme, veel spontaner, veel gemoedelijker, veel speelser. Het succes kwam te onverwachts dan dat het gedirigeerd, georchestreerd en gecommercialiseerd had kunnen worden.

De hele zaak speelde zich af in het middengebied, het gebied van het hart, waar sport en spel ook thuishoren. Het was gewoon zomers amusement. Dit jaar, met het EK hing er een heel andere sfeer. Enerzijds werd de zaak heel rationeel aangepakt. Merchandising, heet dat. Het zorgeloze enthousiasme werd systematisch aangevuurd en opgepookt tot het verbeten en driftmatig werd. Als je al die zwart-geel-rode attributen in de winkels zag liggen en al die Belgische vlaggen aan de gevels hangen, dacht je: ik herken de Belgen niet meer, ik herken vooral de Vlamingen niet meer. Het was alsof er een kuddegeest was ontstaan, een schaapachtigheid-met-tanden. Je kon er maar beter niet tegen in gaan, want de ‘nieuwe’ supporters lieten niet met zich lachen, dat bleek al uit hun beestachtige gedrag in de stadoins. Voetbal was geen spel meer, het was ook geen kunst meer, het was … religie geworden. Het had het middengebied verlaten en was afgedaald in het gebied van de wil, het gebied van de driften en begeerten.

Heel die opgeklopte voetbalgekte, heel dat beschamende vlaggenvertoon is in wezen uitdrukking van het wanhopige verlangen van de moderne mens naar iets wat hem met de anderen verbindt. In die voetbalhysterie beleeft hij iets wat hij in hoge mate mist: gemeenschappelijkheid, broederlijkheid, verbondenheid. In dat gezamenlijke enthousiasme voor de nationale ploeg vallen de grenzen van het individualisme even weg, voelen we ons bevrijd, en beleven we iets dat we anders nooit meer beleven. Maar die beleving is natuurlijk schijn. Mensen die geestdriftig juichen voor een verzameling multimiljonairs die in Bentley’s, Ferrari’s en Porches naar de training komen? Vlamingen die massaal Belgische vlaggen uithangen? Voetballers die onder het Belgische motto ‘eendracht maakt macht’ ruzie maken op het veld, in de kleedkamer, in de media? Schapen die in wolven veranderen en omgekeerd? Hier klopt iets niet. Dit is niet de manier waarop de moderne mens gemeenschap moet beleven.

Maar hoe moet het dan wel? Guy Thijs, de monkelende man met zijn sigaar en zijn whiskey, wijst ons de richting. Hij pleegde overleg, hij luisterde naar de commentatoren zoals hij ongetwijfeld ook naar zijn spelers luisterde. Het resultaat was dat de media hem steunden en dat de spelers zich dubbel plooiden. Precies het tegenovergestelde van wat we op het EK gezien hebben: de media veroordeelden Wilmots en de spelers toonden nauwelijks enige inzet. Maar Wilmots trok zich van zijn critici dan ook niks aan en hij luisterde evenmin naar de mening van zijn spelers. Hij gedroeg zich met andere woorden als een goede, oude leider wiens woord wet is. Guy Thijs daarentegen gedroeg zich als een nieuwe leider, als een go-between tussen de spelers en de commentatoren, tussen de kunstenaars en de critici. Hij speelde de rol van het hart, dat de betrekkingen tussen de tegenpolen coördineert, en hij deed dat op een schijnbaar moeiteloze, onnadrukkelijke, manier. Guy Thijs was gewoon een redelijk man. 

Het probleem is niet dat de moderne mens niets meer gemeen heeft. Het probleem is dat hij dat hij niet meer weet wat hij gemeen heeft. En wat hij gemeen heeft, is redelijkheid. De wereld hoeft niet meer verdeeld te worden in leiders en volgelingen, in herders en schapen. Niemand is vandaag nog in staat om een echte leider te zijn. Het falen van Marc Wilmots is daar een bewijs van: zijn optreden leidde uiteindelijk tot ruzie en een beschamende afgang. Maar niemand is ook nog in staat om een echte volgeling te zijn. Daar is Thibault Courtois een voorbeeld van: hij pikt het niet dat er niet naar hem geluisterd wordt, dat zijn inzichten en ervaring niet gebruikt worden. Ook de andere spelers pikken dat niet. Ze spreken het misschien niet uit, maar hun lichaamstaal is des te duidelijker. Je schuift de redelijkheid niet meer straffeloos aan de kant. Dat wreekt zich. Het leidt tot beschaming en vernedering. Het leidt tot Rode Duivels die zich als schapen gedragen zodra er een Rode Draak verschijnt. 

Over duivels, draken en schapen (1)

  

Na de uitschakeling van België op het EK voetbal, stonden de kranten dagen lang vol commentaren. Voor mij niet gelaten. Voetbalcommentaren zijn een vorm van kunstkritiek. Tenslotte is voetbal een spel, en ieder spel dat op hoog niveau gespeeld wordt, heeft de ambitie om een kunst te worden. De helft van het plezier dat je als kijker aan voetbal beleeft, ligt in het becommentariëren en bekritiseren van de wedstrijd. Daarin verschilt voetbal niet van gelijk welke andere kunst: kritiek hoort erbij. Kunst wordt allang niet meer sprakeloos en in blinde verering beleefd. In de loop der eeuwen heeft de kunst zich losgemaakt van de religie en is ze zich tot de zelfstandig oordelende, kritische kijker gaan richten. Die kijker beleeft maar half zoveel vreugde aan kunst als hij niet kritisch mag oordelen. Zijn oordeel maakt steeds meer deel uit van het kunstwerk. Scheppen en oordelen groeien naar elkaar toe. Kunstenaar en criticus kunnen niet langer zonder elkaar. Voetballer en commentator evenmin. 

Guy Thijs, de meest succesvolle trainer van de nationale ploeg ooit – hij loodste België in 1986 tot in de halve finales van het WK – had dat begrepen. Hij raadpleegde altijd journalisten en voetbalcommentatoren en hield rekening met hun raadgevingen. Op die manier sloeg hij twee vliegen in één slag: de media konden hem niet afbranden als het slecht ging én hij haalde resultaten waarbij die van de huidige Rode Duivels verbleken. Marc Wilmots daarentegen heeft het niet begrepen: hij doet zijn eigen ding en trekt zich van niemand wat aan. Omdat hij beschikt over een zeer getalenteerde ploeg, is hij daar tot nog toe mee weg gekomen. Maar nu is de koppige Waal dan toch met zijn hoofd tegen een muur van – hoe ironisch kan de geschiedenis zijn! – Walen gelopen – of hoe moet je de inwoners van Wales anders noemen? Als voetballer werd Wilmots das Kampfschwein genoemd. Het doet niet meteen veel kunstzinnigheid vermoeden. Guy Thijs daarentegen, met zijn sigaar en zijn glas whiskey …

Wilmots werd deskundig afgemaakt in de kranten. Terecht waarschijnlijk. Ik heb de match tegen Wales toevallig gezien en het was … beschamend. Dat ze verloren tegen een land dat niet eens een land is, was al erg genoeg. Maar de manier waaróp ze verloren, dát was pas een afgang! De Rode Duivels – Lila Schapen was een toepasselijker naam geweest – deden zelfs geen moeite om te winnen. Het leek wel of ze tegen hun zin op het veld stonden. Toen de rust aanbrak verlieten Alderweireld en Nainggolan – een prachtige naam en een belachelijke kop – ruziënd het veld en tijdens de tweede helft sprak het gezicht van Kevin De Bruyne, die een paar keer in close in beeld kwam, boekdelen. Het verschil met de fris van de lever voetballende Rode Draken kon niet groter zijn. Maar het ergste moest nog komen. Enkele dagen na de wedstrijd verscheen in de krant een interview met kapitein Eden Hazard, de duurst betaalde onder de duur betaalden, en wat bleek? Hij was zich van geen kwaad bewust. 

Jammer dat we verloren hebben tegen Wales, vertelde hij, maar we hebben er alles aan gedaan om terug te komen, zelfs na de 3-1. We hebben niet opgegeven en zijn blijven proberen. We zijn allemaal ontgoocheld, maar het leven gaat voort. Elke nederlaag is een ontgoocheling, maar dat maakt deel uit van voetbal. Er zijn ergere dingen in het leven. Wij staan allemaal achter de coach. Hij heeft veel kritiek over zich heen gekregen, maar alle 23 spelers blijven achter hem staan. Aldus Hazard de Voortreffelijke. Wat klopt hier niet? De kleine Belg toont geen enkele schaamte. Hij lijkt totaal niet te beseffen wat een schabouwelijk spektakel de wedstrijd tegen Wales was. Voor jonge kerels die niks anders hoeven te doen dan wat ze het liefst doen en daar vorstelijk voor betaald worden (300.000 euro), was hun gebrek aan inzet ronduit schandalig. Een bende profiteurs zonder een greintje eergevoel! Maar dat leek niet door te dringen tot Hazard. Hij verkocht dezelfde holle praatjes die alle voetballers vertellen wanneer ze geïnterviewd worden. 

Ik herinner me nog altijd een interview met Vincent Kompany, jaren geleden. De ellende met de nationale ploeg, zei hij, is dat alles overschaduwd wordt door communautaire spanningen. Welke woorden hij precies gebruikte, kan ik me niet meer herinneren, maar de boodschap loog er niet om: het slechte huwelijk tussen Vlamingen en Franstaligen verziekte de hele boel. Geen loze praatjes dit keer, maar de hartekreet van iemand die oprecht begaan was met de nationale ploeg. Die hartekreet brak Kompany zuur op. Hij werd meteen tot de orde geroepen, zowel in de kranten als (ongetwijfeld) ook binnenskamers. Het miste zijn effect niet: sindsdien is Vincent Kompany mister Belgium himself: een voorbeeld van vaderlandse eensgezindheid. De manier waarop hij reclame maakt voor België en de N-VA afschildert als de grote vijand is om niet goed van te worden. Wat een nationalistische kwezel! 

Na de uitschakeling tegen Wales was er opnieuw een speler die een hartekreet slaakte: keeper Thibault Courtois. Zijn boodschap was niet minder duidelijk dan die van Kompany destijds: de nederlaag was de schuld van Wilmots. Courtois stond niet alleen met die overtuiging, maar hij was de enige die ze uitsprak. Dit keer was het ‘bekeerling’ Kompany die ingreep. Hij verbood de spelers om kritiek te geven op Wilmots. Zo stond het in de krant: Kompany – die tussen haakjes geen enkele wedstrijd had gespeeld – ‘verbood’ de anderen om hun mond open te doen. En iedereen gehoorzaamde, kapitein Hazard op kop. Maar er was nog iemand die ‘gehoorzaamde’, geen voetballer, maar een commentator. Toen Jan Mulder op Sporza beweerde dat het de Belgische ploeg aan bewustzijn ontbrak, viel er een ongemakkelijke stilte. De sympathieke Hollander had per ongeluk een zere plek aangeraakt en presentator Karl Vannieuwkerke haastte zich om af te sluiten.

De volgende dag verkondigde diezelfde Mulder dat het gedrag van Thibault Courtois onaanvaardbaar was. Eerst verweet hij de Belgen een gebrek aan bewustzijn, nu struikelde hij over uitgerekend die ene Belg die blijk gaf van bewustzijn. Jan Mulder deed met andere woorden een Kompanytje: hij sloeg om als een blad aan een boom. Wat was er gebeurd? Het enige wat ik kan bedenken, is: centen. Jan Mulder heeft een zeer lucratief contract gesloten met Het Laatste Nieuws. Nog nooit heeft hij zoveel geld gevangen voor zijn voetbalcolumns, en rijkdom went snel. Heeft men hem laten verstaan dat hij zijn klep moet houden over België als hij Belgisch geld wil blijven ontvangen? Als dát de reden is, dan reikt de arm van ‘België’ wel heel ver. Maar zou het werkelijk (alleen) om geld gaan? Kompany en Hazard zijn multimiljonair. Wat kan het geld van de Belgische voetbalbond hen schelen! Ze verdienen in één week waar Jan Mulder een heel jaar moet voor schrijven. En toch gehoorzamen ook zij zonder verpinken. 

Wat maakt deze mensen zo slaafs en volgzaam? Vaderlandsliefde? Maar Hazard staat zich tijdens de Brabanconne te vervelen en Jan Mulder is een Hollander. Domheid dan? Voetballers zijn niet meteen het soort mensen bij wie je een wakker en kritisch bewustzijn verwacht. Vaak kunnen en kennen ze niks anders dan tegen een bal stampen. Jan Mulder is de uitzondering die de regel bevestigt. En toch vertoont hij datzelfde schaapachtige gedrag als het om ‘België’ gaat. Schaapachtig is trouwens niet echt het juiste woord. Wat Mulder over Courtois zei, was verre van onschuldig. De enige die zijn mond durfde opendoen, tackelen? De enige die genoeg eer- en schaamtegevoel had om zich kwaad te maken, de mond snoeren? Dat doen schapen niet, dat is wolvengedrag. Mulder gedroeg zich als een schaap met tanden. En zo deed ook Vincent Kompany, de rustige, minzame ‘patron’ van de nationale ploeg. Toen Courtois na de wanvertoning tegen Wales lucht gaf aan zijn frustratie, liet hij zijn tanden zien.   

Kevin De Bruyne deed het anders. Toen men hem vroeg of Thibaut Courtois gelijk had met zijn uitval tegen Marc Wilmots, antwoordde hij: misschien wel, misschien niet – als je tegen de trainer ingaat, ontstaan er in de ploeg twee kampen en waar sta je dan? Het waren cryptische, voorzichtige woorden van iemand die al lang genoeg op professioneel niveau speelt om het klappen van de zweep te kennen. Welke kampen bedoelde hij? Degenen die pal achter Wilmots bleven staan, waren Hazard, Witsel en Kompany: drie Franstaligen. Degene die Wilmots de volle laag gaf, was een Vlaming. Toeval? Het doet alleszins denken aan de hartekreet van Kompany, toen hij nog even jong was als Courtois en zei wat er op zijn hart lag: het is de communautaire kwestie die de boel verziekt. Zolang alles goed gaat en er wedstrijden worden gewonnen, merk je er niks van. Maar zodra het tegengaat (door kwetsuren, vermoeidheid, verlies of wat dan ook) komt de aloude tegenstelling aan de oppervlakte. 

(wordt vervolgd)

Geen nationale ploeg zonder natie

  

Jan Mulder
heeft wel degelijk de vinger op de zere plek gelegd: het gaat bij dat kwakkelige Rode Duivels-fenomeen niet over talent, fysieke conditie, tactiek, zelfs niet over de coach, maar over ‘bewustzijn’. Een filosofisch begrip waar bibliotheken vol over geschreven zijn, maar dat ik hier interpreteer als ‘collectieve identiteit’, of in dit geval het ontbreken ervan. Ondanks alle driekleurige toestanden in de tribunes en de marketingmachine die de Belgische Voetbalbond in de rode cijfers jaagt: de Rode-Duivelsploeg is en blijft een losse verzameling rijkelijk betaalde clubspelers, eenzame voetbalmiljonairs die vooral zichzelf vertegenwoordigen en via dat EK hun marktwaarde nog hopen op te krikken. En dat is wel degelijk een politiek gegeven. Want wat doe je, als je in een nationale voetbalploeg zonder natie speelt? Tijdens de training voor een cruciale match even het vliegtuig nemen om met een club te gaan onderhandelen. Met de zegen van de coach. Sportief Europa keek ernaar en verbaasde zich.

Sport en patriottisme, of waarin een klein land zichzelf kan overtreffen. Uitgerekend de kleinere landen (Wales, Kroatië, Noord-Ierland, en vooral het schitterende IJsland) hebben op dit voetbal-EK getoond dat ook internationaal spelende profs zich kunnen gedragen als een solide formatie die voor de nationale eer gaat. Niet zo de Belgen: het misverstand op het veld tussen de ééntalig francofone Eden Hazard en het Vlaamse trekpaard De Bruyne is misschien wel symbolisch voor een versplinterd land zonder ziel, enkel nog protocollair in functie. Nu ja, protocollair: de Brabançonne kent sowieso niemand, ook aan details merkt men dat de Belgische vedetten even goed voor Burkina Fasso hadden kunnen uitkomen.

De realiteit is bitter. Geen natie, geen natiegevoel, geen thuisgevoel: we zijn vreemden in eigen land en gedragen ons dan ook inciviek, als belasting-ontduikende en dronken op de weg rijdende niet-burgers. Ook dat is een aspect van mankerende verbondenheid. Het gaat om zoveel meer dan chauvinisme, het gaat om de (on)mogelijkheid om gemeenschappelijke waarden te beleven. Dat is van oudsher een Belgisch deficit, het werd ook een Vlaams deficit. Bekijk de hopeloze discussie rond het onverdoofd slachten, de kortsluiting tussen wat wij als een grondwaarde aanvoelen, de druk van de moslimcultuur om die ethische consensus rond dierenwelzijn te doorbreken, en het falen van de rechtstaat om op haar strepen te staan.

Als de Rode-Duivelshype een aanleiding vormde voor sommigen om een België-gevoel uit de lucht te plukken, dan is het Rijselse fiasco een ideale gelegenheid om weer met twee voeten op de grond te gaan staan, en te constateren dat dit ons thuisland niet is. Stikjaloers ben ik toch wel op die IJslanders, met een totale populatie van een middelgrote stad, die voetbalreuzen opzij zetten uit pure ploeggeest en collectieve verbetenheid. Daar zit dus een natiegevoel achter, zeker weten, dat bijvoorbeeld ook de bankencrisis van 2008 op een eigen manier oploste door de schulden niét op de bevolking af te wentelen en de bankiers gewoon achter de tralies te zetten. Vergelijk dat met Fortis, Dexia, Optima, en ontdek de verschillen.

(Johan Sanctorum)

Zondag: the clash of the cash

  

Football so white

  
Cleveland viert zijn NBA-titel op een beschaafde, kleurrijke en superdiverse manier. 

Voetbalwijsheid

  

Terwijl ik in de plaatselijke Delhaize tussen de Rode-Duivelsartikelen zocht naar etenswaren, hoorde ik op de radio in het plafond een verhelderend gesprek over … voetbal. Een deskundige gaf zijn mening over de rellen met Engelse en Russische supporters. Ik begrijp niet, zei hij, hoe men dit heeft kunnen laten gebeuren. Gelukkig, antwoordde de interviewster, gedragen onze supporters zich een stuk beter! O maar, reageerde de deskundige onmiddellijk, als wilde hij iedere discriminatie meteen de kop indrukken, bij ons is het ook niet zo fraai, hoor! En hij vertelde dat de sfeer tijdens de wedstrijd België-Italië uitstekend was, tot het doelpunt van de Italianen viel. Daarna, vertelde hij, werd de sfeer onder de Belgische supporters grimmiger. Hoeveel agressie en haat ik toen heb moeten horen, je wilt het niet weten! Ik zag in gedachten de ogen van de interviewster wijd open gaan. Geen van beiden leken ze onderscheid te maken tussen supporters die andere supporters te lijf gaan, en suporters die hun woede verbaal uiten. Dat was voor hen allemaal één pot nat. Tja, op die manier valt natuurlijk te begrijpen dat president Obama hevig verontwaardigd is over Donald Trump, die lelijke dingen zegt over de islam. Lelijke dingen zeggen over de islam en mensen neerschieten in naam van de islam: het is allemaal haat en geweld!  

Golden State Warriors

  

Het is merkwaardig hoe allerlei dingen uit je jeugd terugkeren wanneer je ouder wordt, alsof het leven scharniert om een midden en begin en eind overeenkomen. Eén van die dingen-die-terugkeren is in mijn geval: basket. Ik hield als jongen geweldig veel van deze sport: ik kon er niet genoeg van krijgen om met een bal naar een ring te werpen. Ik heb zelfs nog een tijdlang bij de kadetten van Racing Mechelen gespeeld, vooral omdat ik dan gratis binnenmocht bij de wedstrijden van de eerste ploeg. En die eerste ploeg, dat was in die tijd – de jaren ’60 van de vorige eeuw – niet niks. Racing Mechelen was de absolute top in het Belgisch basket. Zelfs op Europees vlak betekenden ze iets. Ik heb nog oude gloriën als Willy Steveniers, Jef Eygel en John Loridon zien spelen. In de Mechelse sporthal was altijd spektakel te beleven, zowel op het veld als ernaast. Ik genoot er buitengewoon van. 

Maar toen raakte ik zwaar gekwetst – tijdens een volleybalwedstrijd notabene – en het was afgelopen met mijn basketcarrière. Ik ging ook niet meer naar de wedstrijden kijken en het basket verdween uit m’n leven. Veel later ging ik wel nog eens een enkele keer kijken als iemand me uitnodigde, maar wat ik zag viel me zwaar tegen. Het spel was traag en statisch geworden, het draaide allemaal om taktiek en strategie. Het spelelement was verdwenen, het explosieve, het onverwachte. Alles was berekend. Ook de kolkende sfeer in de zaal was er niet meer. In de plaats was er keiharde electronische muziek gekomen. Ik vond het afschuwelijk. Het was duidelijk: de hoogtijdagen van het basket waren voorbij. Er viel geen plezier meer aan te beleven en ik miste het ook niet. Dingen gaan voorbij en keren niet meer terug. Ik was blij dat ik de oude glorietijd nog gekend had.

Maar zie, dit jaar zag ik per ongeluk een youtube-filmpje met basket uit de Amerikaanse NBA-competitie. Ik zag een fantastische ploeg aan het werk – de Golden State Warriors – met een fantastische speler – Stephen Curry. Met spanning volgde ik de play-offs. Sterspeler Curry was gekwetst geraakt en meestal is dat fataal voor een ploeg. Maar tegen alle verwachtingen hebben ze een 3 – 1 achterstand omgezet in 3 – 4 winst én een plaats in de grote finale. Die finale is nu bezig en de eerste twee wedstrijden (van maximaal 7) hebben de Warriors met sprekend gemak en sprankelend basket gewonnen. De derde wedstrijd (een uitwedstrijd) hebben ze echter met zware cijfers verloren, zodat alles nog mogelijk is. De Golden State Warriors verdienen de titel. Ze hebben een fantastisch seizoen achter de rug, waarin ze alle mogelijke records hebben gebroken, zelfs dat van de legendarische Chicago Bulls met Michael Jordan.

Maar er is nog een andere – en belangrijker – reden waarom ze die titel verdienen: ze spelen het mooiste basket dat ik ooit gezien heb. Dat realiseerde ik mij maar ten volle toen ik gisteren keek naar een finalewedstrijd van de Chicago Bulls, twintig jaar geleden. Michael Jordan – die geldt als de beste basketspeler aller tijden – leidde zijn ploeg naar de zoveelste kampioenstitel. De Bulls waren voor Amerika wat Racing Mechelen destijds voor België was: de absolute top. Maar ik trok grote ogen toen ik zag welk soort basket Jordan & co speelden. Er werd gevochten voor iedere bal en de punten werden vaak gescoord na lange en verwarde schermutselingen. Dit was geen spel meer, dit was oorlog, net als in het voetbal! Wat een verschil met wat de Golden State (Warriors noemen ze zichzelf ironisch genoeg) laten zien! Het basket van Curry en co is werkelijk een spel, en bij momenten zelfs een kunst. 

Je zou het zelfs een sociale kunst kunnen noemen, want dreef het oude basket, van bijvoorbeeld de Chicago Bulls, op één of twee grote vedetten die bijgestaan werden door een stoet ‘waterdragers’, dan is het nieuwe basket van (vooral) de Golden State Warriors werkelijk een samenspel. Het individuele kunnen blijft, maar het wordt ingezet voor het geheel en komt daardoor nog meer tot z’n recht. Als je de grote vedetten bezig ziet, dan voel je bewondering en ontzag. Zie je de Warriors (op hun best) bezig, dan voel je pure vreugde, en dat is een gevoel van een hoger niveau. Ik vind het merkwaardig dat ik na 50 jaar opnieuw een ploeg aan het werk zie die overal enthousiasme wekt. Maar ik vind het niet minder merkwaardig dat uit het oude gevechtsbasket van de afgelopen 50 jaar een speels, intelligent en hoogst aantrekkelijk basket als dat van de Golden State Warriors is ontstaan. Ik hoop dat ze kampioen worden, ze zijn het eigenlijk al.     

Voorspellen is een kunst

  

De Golden State Warriors hebben zich geplaatst voor de grote NBA-finale. Ik heb blijkbaar meer verstand van piano dan van basket. 

Finaletijd

  

Vanavond worden de laatste wedstrijden in de play-offs van de Koningin-Elisabethwedstrijd gespeeld en rond middernacht zullen we de winnaar kennen. Veel spanning is er niet meer, want het wordt Lukas Vondracek, de zwetende Tjech, of ik zou mij al heel erg moeten vergissen. Vanavond vindt ook de beslissende wedstrijd plaats in de play-offs van de Amerikaanse basketcompetitie, de NBA. Het gaat tussen Oklahoma City Thunder en de Golden State Warriors. Ook hier is de spanning niet heel groot meer, want de kans dat de Warriors deze wedstrijd winnen acht ik bijzonder klein. Als Thunder wint, gaan ze naar de grote finale tegen de winnaar van de Easter Conference, de Cleveland Cavaliers van LeBron James, en die zullen ze ook wel zonder veel problemen winnen. De Warriors zijn een beetje als AA Gent: verleden jaar zijn ze kampioen geworden en ook dit jaar hebben ze fabelachtig gespeeld, maar ze zitten er door en MVP (Most Valuable Player) Steven Curry is gekwetst geweest en speelt niet op z’n normale peil. Ze spelen vanavond op Oklahoma en daar zie ik ze echt niet winnen, want Thunder is als Club Brugge: ze eindigen heel sterk en walsen momenteel over hun tegenstanders heen, een beetje zoals Sweating Vondracek op de Koningin-Elisabethwedstrijd. Eens zien of het klopt wat ik hier allemaal schrijf.