Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Categorie: Vlaams

Ite missa est

  

De streek waar ik nu woon, de Vlaamse Ardennen, ligt bezaaid met dorpjes. Om de vijf kilometer steekt een kerktoren boven de bomen uit. Groot zijn ze niet, die kerkjes, maar ze vormen wel een duidelijk herkenningspunt in het landschap. Het uiterlijke landschap dan, want voor ons innerlijke landschap betekenen ze niets meer. Ze zijn dan ook allemaal gesloten. Af en toe gaat de deur nog eens open, als de pastoor passeert om een mis op te dragen. Dat is dan niet de pastoor van het dorp, maar een ‘vliegende’ pastoor die in het weekend van hot naar her rijdt om in zoveel mogelijk kerken een eucharistieviering te houden. Feestelijk is anders. Ik heb nog de tijd meegemaakt dat er op zondag in iedere parochie meerdere misvieringen waren. Keuze genoeg. Later kwam daar ook nog de zaterdagavond bij. Maar dat was al een veeg teken.

Tijdens mijn leven is de ooit zo machtige katholieke kerk geruisloos ingestort. Mijn ouders gingen nog als vanzelfsprekend iedere zondag naar de mis. Even vanzelfsprekend ging ik (vanaf mijn 14de) niet meer, en mijn kinderen weten niet eens wat een mis is. Ze weten niks meer van het christendom, zoals de meeste jonge mensen. Dat betekent evenwel niet dat het christendom verdwenen is, wel integendeel. Het is langs de voordeur buitengeschopt, maar langs de achterdeur weer binnengekomen. De jongere generaties zijn even vanzelfsprekend politiek-correct als de oudere generaties christelijk waren, en politieke correctheid is niets anders dan onbewust, instinctief christendom. De idealen die de moderne mens in vuur en vlam zetten, zijn christelijke idealen. Alleen, hij weet het niet. En dat is de vloek van onze tijd.

Eigenlijk vieren we vandaag voortdurend Hemelvaart, maar dan in omgekeerde zin: we zijn blij dat Christus verdwenen is. Weg met religie! roepen we. Maar we bedoelen: weg met Christus! Want andere religies, de islam op kop, behandelen we met veel égards. De moderne mens is een christen-tegen-Christus geworden, en dat kan niet goed aflopen. Door gebrek aan bewustzijn is de wederkomst van Christus een zelfvernietigende impuls geworden, die de mens langzaam maar zeker ten gronde richt. Wat we meemaken is een omkering van het oerbeeld van Hemelvaart. In plaats dat we vooruitgaan naar Pinksteren keren we terug naar Golgotha en slaan in naam van de menselijkheid het wezen van alle menselijkheid aan het kruis. Meer dan ooit geldt het Christuswoord: heer, vergeef het hen, want ze weten niet wat ze doen!

Advertenties

Ja en neen

  

Wallonië is dezer dagen in het (wereld)nieuws omdat het NEEN gezegd heeft tegen het vrijhandelsverdrag tussen Europa en Canada, het zogenaamde CETA-akkoord. Wat dat akkoord precies inhoudt, weet ik niet. Hoe zou dat ook kunnen, het telt 1600 bladzijden! Ik begrijp ook niet waarom Wallonië dat akkoord tegenhoudt en evenmin hoe dat mogelijk is. Nog minder begrijp ik waarom dat nu goed of slecht is. Maar wat ik wel begrijp, is dat bovenstaande kartoen van Erwin Vanmol al lachend een diepe waarheid vertelt over België. 

België is namelijk een land waarvan het ene gedeelte, het Franstalige, heel goed NEEN kan zeggen, iets wat het andere gedeelte, het Nederlandstalige, helemaal niet kan. Dat Vlaamse gedeelte kan alleen maar JA zeggen, JA tegen de Walen, JA tegen de koning, JA tegen Europa, JA tegen Amerika, JA tegen de moslims, JA tegen pillen en spuiten, JA tegen Jan, Piet, Joris en Korneel, JA tegen alles en iedereen. Eén grote uitzondering: er is één JA dat Vlamingen nauwelijks uit hun mond krijgen, en dat is JA tegen zichzelf, JA tegen Vlaanderen. Als ze in de spiegel kijken, slaken ze een NEEN van afschuw en ontzetting. Bij de Walen is het net omgekeerd. Ze zeggen voortdurend NEEN, vooral dan tegen de Vlamingen. Maar wanneer ze in de spiegel kijken, wordt dat een volmondig en trots JA. 

De moraal van dit verhaal is kinderlijk eenvoudig: de Walen kunnen wat de Vlamingen niet kunnen, en omgekeerd. Dat zou een goed huwelijk kunnen opleveren, maar er ontbreekt iets aan, iets essentieels: zelfbewustzijn, echt zelfbewustzijn. En dat betekent: zichzelf kennen in relatie tot de ander, tot de tegenpool. Het betekent: de polariteit kennen waartoe men behoort. Niemand kent zichzelf die niet ook zijn tegenpool kent en ermee kan leven. Waar het de Belgen aan ontbreekt, is zelfkennis, in de bewustzijnszielebetekenis van het woord. En ze staan er nochtans dichtbij, want ze wonen samen met hun tegenpool in hetzelfde land. Wie kan dát zeggen, behalve de joden en de palestijnen? 

Daarom is het zo tragisch dat die zelfkennis er niet komt, dat de Vlamingen de waarde van het NEEN niet leren kennen, en de Walen de waarde van het JA negeren. Dat CETA-akkoord zal daar wel niks aan veranderen, maar je weet nooit. Laten we dus maar eens JA zeggen tegen het NEEN van de Walen. Misschien zeggen zij dan ooit eens NEEN tegen ons JA. Zou dát niet mooi zijn?

Over duivels, draken en schapen (2)

  

Sport is een ersatz voor religie (Rudolf Steiner)

Kunst is een spiegel van de samenleving, en voetbal is dat ook. Wat op en rond het veld gebeurt, gebeurt ook daarbuiten. De beschamende resultaten van de Belgische ploeg spiegelen de beschamende resultaten van België. Zeker, onze voetballers zijn tot in de kwartfinales van het EK geraakt, dat is een succes. Maar er zat veel meer in. Waren ze geen favoriet? Sprak niet iedereen over de titel, of toch op zijn minst over een finaleplaats? En inderdaad, op basis van het aanwezige talent moest België dit EK winnen. In plaats daarvan werd het een beschamende afgang. Net als voor de Engelsen trouwens, die verloren van … IJsland. Maar zij hadden tenminste een verklaring: ze waren van slag door de Brexit die hun land in twee had gescheurd. Dat konden de Belgen niet ter verontschuldiging aanvoeren. Of toch wel? Spelen ze niet voor een land dat al sinds jaar en dag verscheurd is en waar twee bevolkingsgroepen lijnrecht tegenover elkaar staan? Is dat niet de reden voor hun ondermaats presteren?   

De hartekreet van Vincent Kompany is allang vergeten, maar hij is actueler dan ooit. Voor de wedstrijd tegen Wales – what’s in a name! – leek alles nog koek en ei, maar tijdens de wedstrijd veranderde dat en na de wedstrijd bleek de ploeg al even verdeeld te zijn als de natie. Vlamingen en Walen zijn niet in staat om samen te werken, zelfs niet wanneer ze tegenover een gemeenschappelijke vijand staan. Doorgaans is dat laatste een reden om alle onderlinge vetes te vergeten, maar blijkbaar is de moderne vijand van een ander allooi: hij doet de onderlinge vetes juist hoog oplaaien. En dat is niet alleen in het voetbal zo. Het opduiken van het moslimterrorisme herinnert de Belgen niet aan hun nationale leuze – eendracht maakt macht – maar brengt de verscheurdheid van het land pas echt aan het licht. Nu pas blijkt dat er geen Belgen bestaan, dat Vlamingen en Walen niets gemeen hebben. Maar het gaat (veel) verder dan dat. Ook de Vlamingen onderling beginnen te vechten. Niemand blijkt nog iets gemeen te hebben. 

Dat is wat vandaag op ontstellende wijze aan het licht komt: mensen zijn zo individualistisch geworden dat ze niets meer gemeen hebben. In plaats dat het verschijnen van een gemeenschappelijke vijand zoals de islam Europeanen doet beseffen wat hen verbindt, beginnen onderling ruzie te maken. Zo gebeurde het ook toen de Rode Duivels tegenover de Rode Draken uit Wales stonden. De Draken wisten heel goed wat hen verbond en dat maakte hen sterk. De Duivels daarentegen wisten dat niet en het maakte hen beschamend zwak. En toch is er wel degelijk iets dat hen bindt, want waarom zouden ze anders zo graag voor de nationale ploeg willen spelen? De meesten onder hen zijn rijk en beroemd genoeg: ze hebben de Rode Duivels niet nodig. Ik heb nooit begrepen waarom mensen als Hazard, Courtois, De Bruyne, Witsel, Vertonghen, enzovoort voor de Belgische ploeg willen uitkomen. Voor het geld is het niet, voor de roem is het ook niet. Waarvoor is het dan wel?

Ter vergelijking: een hele reeks topspelers uit de Amerikaanse NBA-competitie heeft afgezegd voor de Olympische Spelen in Rio de Janeiro. Ze hebben er een zwaar seizoen opzitten en met die Spelen komen ze niet aan vakantie toe. Ze willen geen blessures riskeren of vermoeid aan het volgende seizoen beginnen. Nochtans kun je Amerikanen niet verdenken van een gebrek aan pattriotisme. Ze zijn honderd keer vaderlandslievender dan Belgen ooit zullen zijn. En toch heeft niet één Belgische voetballer afgezegd voor het EK. Uit de medische rapporten is gebleken dat ze allemaal zwaar vermoeid waren, dat velen sukkelden met blessures, en dat ze dringend aan rust toe waren. Kevin De Bruyne was slechts een schim van zichzelf, Jan Vertonghen kwetste zich – tijdens de training notabene – aan de voet, ook Hazard sukkelde met een kwetsuur, net als Nicolas Lombaerts. Vrijwel niemand stond echt op scherp, behalve Thibault Courtois. Maar ze wilden er allemaal kost wat kost bij zijn. Waarom?  

Hetzelfde tegenstrijdige gedrag vind je ook bij de voetballiefhebbers. Belgen malen niet om België, en Vlamingen al helemaal niet. Maar als het EK begint, hangt Vlaanderen vol met Belgische vlaggen. Na de nederlaag tegen Wales dacht ik: de schaamte zal die lelijke vodden nu wel snel doen verdwijnen! Maar nee, ze bleven gewoon hangen, en op veel plaatsen hangen ze er nog. Toen Carl Huybrechts op de Nederlandse televisie verklaarde dat heel die Rode-Duivelsmanie één opgeklopte boel was, werd er in Vlaanderen verontwaardigd gereageerd. Ik wreef me de ogen uit. Wat was hier in godsnaam aan de hand? Waar kwam die golf van pattriotisme opeens vandaan? Ik herinnerde me nog het WK van ’86 toen de Belgen de halve finale bereikten. Dát was pas een sensatie! Ook toen leefde het land mee, maar het was een heel ander soort enthousiasme, veel spontaner, veel gemoedelijker, veel speelser. Het succes kwam te onverwachts dan dat het gedirigeerd, georchestreerd en gecommercialiseerd had kunnen worden.

De hele zaak speelde zich af in het middengebied, het gebied van het hart, waar sport en spel ook thuishoren. Het was gewoon zomers amusement. Dit jaar, met het EK hing er een heel andere sfeer. Enerzijds werd de zaak heel rationeel aangepakt. Merchandising, heet dat. Het zorgeloze enthousiasme werd systematisch aangevuurd en opgepookt tot het verbeten en driftmatig werd. Als je al die zwart-geel-rode attributen in de winkels zag liggen en al die Belgische vlaggen aan de gevels hangen, dacht je: ik herken de Belgen niet meer, ik herken vooral de Vlamingen niet meer. Het was alsof er een kuddegeest was ontstaan, een schaapachtigheid-met-tanden. Je kon er maar beter niet tegen in gaan, want de ‘nieuwe’ supporters lieten niet met zich lachen, dat bleek al uit hun beestachtige gedrag in de stadoins. Voetbal was geen spel meer, het was ook geen kunst meer, het was … religie geworden. Het had het middengebied verlaten en was afgedaald in het gebied van de wil, het gebied van de driften en begeerten.

Heel die opgeklopte voetbalgekte, heel dat beschamende vlaggenvertoon is in wezen uitdrukking van het wanhopige verlangen van de moderne mens naar iets wat hem met de anderen verbindt. In die voetbalhysterie beleeft hij iets wat hij in hoge mate mist: gemeenschappelijkheid, broederlijkheid, verbondenheid. In dat gezamenlijke enthousiasme voor de nationale ploeg vallen de grenzen van het individualisme even weg, voelen we ons bevrijd, en beleven we iets dat we anders nooit meer beleven. Maar die beleving is natuurlijk schijn. Mensen die geestdriftig juichen voor een verzameling multimiljonairs die in Bentley’s, Ferrari’s en Porches naar de training komen? Vlamingen die massaal Belgische vlaggen uithangen? Voetballers die onder het Belgische motto ‘eendracht maakt macht’ ruzie maken op het veld, in de kleedkamer, in de media? Schapen die in wolven veranderen en omgekeerd? Hier klopt iets niet. Dit is niet de manier waarop de moderne mens gemeenschap moet beleven.

Maar hoe moet het dan wel? Guy Thijs, de monkelende man met zijn sigaar en zijn whiskey, wijst ons de richting. Hij pleegde overleg, hij luisterde naar de commentatoren zoals hij ongetwijfeld ook naar zijn spelers luisterde. Het resultaat was dat de media hem steunden en dat de spelers zich dubbel plooiden. Precies het tegenovergestelde van wat we op het EK gezien hebben: de media veroordeelden Wilmots en de spelers toonden nauwelijks enige inzet. Maar Wilmots trok zich van zijn critici dan ook niks aan en hij luisterde evenmin naar de mening van zijn spelers. Hij gedroeg zich met andere woorden als een goede, oude leider wiens woord wet is. Guy Thijs daarentegen gedroeg zich als een nieuwe leider, als een go-between tussen de spelers en de commentatoren, tussen de kunstenaars en de critici. Hij speelde de rol van het hart, dat de betrekkingen tussen de tegenpolen coördineert, en hij deed dat op een schijnbaar moeiteloze, onnadrukkelijke, manier. Guy Thijs was gewoon een redelijk man. 

Het probleem is niet dat de moderne mens niets meer gemeen heeft. Het probleem is dat hij dat hij niet meer weet wat hij gemeen heeft. En wat hij gemeen heeft, is redelijkheid. De wereld hoeft niet meer verdeeld te worden in leiders en volgelingen, in herders en schapen. Niemand is vandaag nog in staat om een echte leider te zijn. Het falen van Marc Wilmots is daar een bewijs van: zijn optreden leidde uiteindelijk tot ruzie en een beschamende afgang. Maar niemand is ook nog in staat om een echte volgeling te zijn. Daar is Thibault Courtois een voorbeeld van: hij pikt het niet dat er niet naar hem geluisterd wordt, dat zijn inzichten en ervaring niet gebruikt worden. Ook de andere spelers pikken dat niet. Ze spreken het misschien niet uit, maar hun lichaamstaal is des te duidelijker. Je schuift de redelijkheid niet meer straffeloos aan de kant. Dat wreekt zich. Het leidt tot beschaming en vernedering. Het leidt tot Rode Duivels die zich als schapen gedragen zodra er een Rode Draak verschijnt. 

Over duivels, draken en schapen (1)

  

Na de uitschakeling van België op het EK voetbal, stonden de kranten dagen lang vol commentaren. Voor mij niet gelaten. Voetbalcommentaren zijn een vorm van kunstkritiek. Tenslotte is voetbal een spel, en ieder spel dat op hoog niveau gespeeld wordt, heeft de ambitie om een kunst te worden. De helft van het plezier dat je als kijker aan voetbal beleeft, ligt in het becommentariëren en bekritiseren van de wedstrijd. Daarin verschilt voetbal niet van gelijk welke andere kunst: kritiek hoort erbij. Kunst wordt allang niet meer sprakeloos en in blinde verering beleefd. In de loop der eeuwen heeft de kunst zich losgemaakt van de religie en is ze zich tot de zelfstandig oordelende, kritische kijker gaan richten. Die kijker beleeft maar half zoveel vreugde aan kunst als hij niet kritisch mag oordelen. Zijn oordeel maakt steeds meer deel uit van het kunstwerk. Scheppen en oordelen groeien naar elkaar toe. Kunstenaar en criticus kunnen niet langer zonder elkaar. Voetballer en commentator evenmin. 

Guy Thijs, de meest succesvolle trainer van de nationale ploeg ooit – hij loodste België in 1986 tot in de halve finales van het WK – had dat begrepen. Hij raadpleegde altijd journalisten en voetbalcommentatoren en hield rekening met hun raadgevingen. Op die manier sloeg hij twee vliegen in één slag: de media konden hem niet afbranden als het slecht ging én hij haalde resultaten waarbij die van de huidige Rode Duivels verbleken. Marc Wilmots daarentegen heeft het niet begrepen: hij doet zijn eigen ding en trekt zich van niemand wat aan. Omdat hij beschikt over een zeer getalenteerde ploeg, is hij daar tot nog toe mee weg gekomen. Maar nu is de koppige Waal dan toch met zijn hoofd tegen een muur van – hoe ironisch kan de geschiedenis zijn! – Walen gelopen – of hoe moet je de inwoners van Wales anders noemen? Als voetballer werd Wilmots das Kampfschwein genoemd. Het doet niet meteen veel kunstzinnigheid vermoeden. Guy Thijs daarentegen, met zijn sigaar en zijn glas whiskey …

Wilmots werd deskundig afgemaakt in de kranten. Terecht waarschijnlijk. Ik heb de match tegen Wales toevallig gezien en het was … beschamend. Dat ze verloren tegen een land dat niet eens een land is, was al erg genoeg. Maar de manier waaróp ze verloren, dát was pas een afgang! De Rode Duivels – Lila Schapen was een toepasselijker naam geweest – deden zelfs geen moeite om te winnen. Het leek wel of ze tegen hun zin op het veld stonden. Toen de rust aanbrak verlieten Alderweireld en Nainggolan – een prachtige naam en een belachelijke kop – ruziënd het veld en tijdens de tweede helft sprak het gezicht van Kevin De Bruyne, die een paar keer in close in beeld kwam, boekdelen. Het verschil met de fris van de lever voetballende Rode Draken kon niet groter zijn. Maar het ergste moest nog komen. Enkele dagen na de wedstrijd verscheen in de krant een interview met kapitein Eden Hazard, de duurst betaalde onder de duur betaalden, en wat bleek? Hij was zich van geen kwaad bewust. 

Jammer dat we verloren hebben tegen Wales, vertelde hij, maar we hebben er alles aan gedaan om terug te komen, zelfs na de 3-1. We hebben niet opgegeven en zijn blijven proberen. We zijn allemaal ontgoocheld, maar het leven gaat voort. Elke nederlaag is een ontgoocheling, maar dat maakt deel uit van voetbal. Er zijn ergere dingen in het leven. Wij staan allemaal achter de coach. Hij heeft veel kritiek over zich heen gekregen, maar alle 23 spelers blijven achter hem staan. Aldus Hazard de Voortreffelijke. Wat klopt hier niet? De kleine Belg toont geen enkele schaamte. Hij lijkt totaal niet te beseffen wat een schabouwelijk spektakel de wedstrijd tegen Wales was. Voor jonge kerels die niks anders hoeven te doen dan wat ze het liefst doen en daar vorstelijk voor betaald worden (300.000 euro), was hun gebrek aan inzet ronduit schandalig. Een bende profiteurs zonder een greintje eergevoel! Maar dat leek niet door te dringen tot Hazard. Hij verkocht dezelfde holle praatjes die alle voetballers vertellen wanneer ze geïnterviewd worden. 

Ik herinner me nog altijd een interview met Vincent Kompany, jaren geleden. De ellende met de nationale ploeg, zei hij, is dat alles overschaduwd wordt door communautaire spanningen. Welke woorden hij precies gebruikte, kan ik me niet meer herinneren, maar de boodschap loog er niet om: het slechte huwelijk tussen Vlamingen en Franstaligen verziekte de hele boel. Geen loze praatjes dit keer, maar de hartekreet van iemand die oprecht begaan was met de nationale ploeg. Die hartekreet brak Kompany zuur op. Hij werd meteen tot de orde geroepen, zowel in de kranten als (ongetwijfeld) ook binnenskamers. Het miste zijn effect niet: sindsdien is Vincent Kompany mister Belgium himself: een voorbeeld van vaderlandse eensgezindheid. De manier waarop hij reclame maakt voor België en de N-VA afschildert als de grote vijand is om niet goed van te worden. Wat een nationalistische kwezel! 

Na de uitschakeling tegen Wales was er opnieuw een speler die een hartekreet slaakte: keeper Thibault Courtois. Zijn boodschap was niet minder duidelijk dan die van Kompany destijds: de nederlaag was de schuld van Wilmots. Courtois stond niet alleen met die overtuiging, maar hij was de enige die ze uitsprak. Dit keer was het ‘bekeerling’ Kompany die ingreep. Hij verbood de spelers om kritiek te geven op Wilmots. Zo stond het in de krant: Kompany – die tussen haakjes geen enkele wedstrijd had gespeeld – ‘verbood’ de anderen om hun mond open te doen. En iedereen gehoorzaamde, kapitein Hazard op kop. Maar er was nog iemand die ‘gehoorzaamde’, geen voetballer, maar een commentator. Toen Jan Mulder op Sporza beweerde dat het de Belgische ploeg aan bewustzijn ontbrak, viel er een ongemakkelijke stilte. De sympathieke Hollander had per ongeluk een zere plek aangeraakt en presentator Karl Vannieuwkerke haastte zich om af te sluiten.

De volgende dag verkondigde diezelfde Mulder dat het gedrag van Thibault Courtois onaanvaardbaar was. Eerst verweet hij de Belgen een gebrek aan bewustzijn, nu struikelde hij over uitgerekend die ene Belg die blijk gaf van bewustzijn. Jan Mulder deed met andere woorden een Kompanytje: hij sloeg om als een blad aan een boom. Wat was er gebeurd? Het enige wat ik kan bedenken, is: centen. Jan Mulder heeft een zeer lucratief contract gesloten met Het Laatste Nieuws. Nog nooit heeft hij zoveel geld gevangen voor zijn voetbalcolumns, en rijkdom went snel. Heeft men hem laten verstaan dat hij zijn klep moet houden over België als hij Belgisch geld wil blijven ontvangen? Als dát de reden is, dan reikt de arm van ‘België’ wel heel ver. Maar zou het werkelijk (alleen) om geld gaan? Kompany en Hazard zijn multimiljonair. Wat kan het geld van de Belgische voetbalbond hen schelen! Ze verdienen in één week waar Jan Mulder een heel jaar moet voor schrijven. En toch gehoorzamen ook zij zonder verpinken. 

Wat maakt deze mensen zo slaafs en volgzaam? Vaderlandsliefde? Maar Hazard staat zich tijdens de Brabanconne te vervelen en Jan Mulder is een Hollander. Domheid dan? Voetballers zijn niet meteen het soort mensen bij wie je een wakker en kritisch bewustzijn verwacht. Vaak kunnen en kennen ze niks anders dan tegen een bal stampen. Jan Mulder is de uitzondering die de regel bevestigt. En toch vertoont hij datzelfde schaapachtige gedrag als het om ‘België’ gaat. Schaapachtig is trouwens niet echt het juiste woord. Wat Mulder over Courtois zei, was verre van onschuldig. De enige die zijn mond durfde opendoen, tackelen? De enige die genoeg eer- en schaamtegevoel had om zich kwaad te maken, de mond snoeren? Dat doen schapen niet, dat is wolvengedrag. Mulder gedroeg zich als een schaap met tanden. En zo deed ook Vincent Kompany, de rustige, minzame ‘patron’ van de nationale ploeg. Toen Courtois na de wanvertoning tegen Wales lucht gaf aan zijn frustratie, liet hij zijn tanden zien.   

Kevin De Bruyne deed het anders. Toen men hem vroeg of Thibaut Courtois gelijk had met zijn uitval tegen Marc Wilmots, antwoordde hij: misschien wel, misschien niet – als je tegen de trainer ingaat, ontstaan er in de ploeg twee kampen en waar sta je dan? Het waren cryptische, voorzichtige woorden van iemand die al lang genoeg op professioneel niveau speelt om het klappen van de zweep te kennen. Welke kampen bedoelde hij? Degenen die pal achter Wilmots bleven staan, waren Hazard, Witsel en Kompany: drie Franstaligen. Degene die Wilmots de volle laag gaf, was een Vlaming. Toeval? Het doet alleszins denken aan de hartekreet van Kompany, toen hij nog even jong was als Courtois en zei wat er op zijn hart lag: het is de communautaire kwestie die de boel verziekt. Zolang alles goed gaat en er wedstrijden worden gewonnen, merk je er niks van. Maar zodra het tegengaat (door kwetsuren, vermoeidheid, verlies of wat dan ook) komt de aloude tegenstelling aan de oppervlakte. 

(wordt vervolgd)

Dit is Belgisch

  

Geen nationale ploeg zonder natie

  

Jan Mulder
heeft wel degelijk de vinger op de zere plek gelegd: het gaat bij dat kwakkelige Rode Duivels-fenomeen niet over talent, fysieke conditie, tactiek, zelfs niet over de coach, maar over ‘bewustzijn’. Een filosofisch begrip waar bibliotheken vol over geschreven zijn, maar dat ik hier interpreteer als ‘collectieve identiteit’, of in dit geval het ontbreken ervan. Ondanks alle driekleurige toestanden in de tribunes en de marketingmachine die de Belgische Voetbalbond in de rode cijfers jaagt: de Rode-Duivelsploeg is en blijft een losse verzameling rijkelijk betaalde clubspelers, eenzame voetbalmiljonairs die vooral zichzelf vertegenwoordigen en via dat EK hun marktwaarde nog hopen op te krikken. En dat is wel degelijk een politiek gegeven. Want wat doe je, als je in een nationale voetbalploeg zonder natie speelt? Tijdens de training voor een cruciale match even het vliegtuig nemen om met een club te gaan onderhandelen. Met de zegen van de coach. Sportief Europa keek ernaar en verbaasde zich.

Sport en patriottisme, of waarin een klein land zichzelf kan overtreffen. Uitgerekend de kleinere landen (Wales, Kroatië, Noord-Ierland, en vooral het schitterende IJsland) hebben op dit voetbal-EK getoond dat ook internationaal spelende profs zich kunnen gedragen als een solide formatie die voor de nationale eer gaat. Niet zo de Belgen: het misverstand op het veld tussen de ééntalig francofone Eden Hazard en het Vlaamse trekpaard De Bruyne is misschien wel symbolisch voor een versplinterd land zonder ziel, enkel nog protocollair in functie. Nu ja, protocollair: de Brabançonne kent sowieso niemand, ook aan details merkt men dat de Belgische vedetten even goed voor Burkina Fasso hadden kunnen uitkomen.

De realiteit is bitter. Geen natie, geen natiegevoel, geen thuisgevoel: we zijn vreemden in eigen land en gedragen ons dan ook inciviek, als belasting-ontduikende en dronken op de weg rijdende niet-burgers. Ook dat is een aspect van mankerende verbondenheid. Het gaat om zoveel meer dan chauvinisme, het gaat om de (on)mogelijkheid om gemeenschappelijke waarden te beleven. Dat is van oudsher een Belgisch deficit, het werd ook een Vlaams deficit. Bekijk de hopeloze discussie rond het onverdoofd slachten, de kortsluiting tussen wat wij als een grondwaarde aanvoelen, de druk van de moslimcultuur om die ethische consensus rond dierenwelzijn te doorbreken, en het falen van de rechtstaat om op haar strepen te staan.

Als de Rode-Duivelshype een aanleiding vormde voor sommigen om een België-gevoel uit de lucht te plukken, dan is het Rijselse fiasco een ideale gelegenheid om weer met twee voeten op de grond te gaan staan, en te constateren dat dit ons thuisland niet is. Stikjaloers ben ik toch wel op die IJslanders, met een totale populatie van een middelgrote stad, die voetbalreuzen opzij zetten uit pure ploeggeest en collectieve verbetenheid. Daar zit dus een natiegevoel achter, zeker weten, dat bijvoorbeeld ook de bankencrisis van 2008 op een eigen manier oploste door de schulden niét op de bevolking af te wentelen en de bankiers gewoon achter de tralies te zetten. Vergelijk dat met Fortis, Dexia, Optima, en ontdek de verschillen.

(Johan Sanctorum)

Vlexit

  

Koleirige koleuren

  

Onderstaande tekst is van de hand van Jean-Pierre Rondas. Ik ben zo vrij geweest er een beetje in te snoeien onder het motto ‘less is more’. Jean-Pierre zal me dat hopelijk niet ten kwade duiden, want we delen onze bewondering voor de schrijver van Pallieter, dat oer-Vlaamse boek waarvan Rilke zei: ‘Lees het. Je zal lachen, maar ook diep geraakt worden.’ Bestaat er een mooier en bondiger typering van de Vlaamse ziel?

Honderd jaar geleden verscheen Pallieter, de Vlaamse roman die het beeld van de Vlaming in het buitenland in hoge mate heeft bepaald. Vandaag verschijnt het boek opnieuw. In het nawoord kant Kevin Absillis zich tegen de ‘folkloristische’ beeldvorming van Timmermans. Hij probeert de Vlaamse 19de-eeuwse en 20ste-eeuwse literatuur te duiden als het slagveld van een moderniseringsstrijd. Pallieter werd ondanks zijn Europese succes niet opgenomen in de Vlaamse literaire canon van 2015 waarin vijftig literatoren van de middeleeuwen tot nu figureren. De afwijzing en ridiculisering van Timmermans dateert echter niet van na de Tweede Wereldoorlog. De kritiek begon al onmiddellijk na de publicatie van Pallieter tijdens de Eerste Wereldoorlog. Van wie kwam die kritiek? Wel, van ongeveer iedereen.

In die twintigste eeuw werd Felix Timmermans door de kerk gecensureerd om zijn heidendom, door het modernisme uitgespuwd om zijn folklore, door de volksverbonden nationalisten wegens zijn literaire suikerbakkerij, door het linkse Vlaanderen wegens zijn volksverbonden nationalisme, en door de postmodernen om dit alles tezamen. Zowel Anton van Duinkerken als Gerard Walschap signaleerden dat het mode was om meedogenloos af te geven op de schrijver van Pallieter. August Vermeylen formuleerde dit modernistische onbehagen als volgt: ‘de conventie van dat eeuwig ‘koleurige’, aldoor brassende en slampampende Vlaanderen, dat in den treure folkloristische Vlaanderen, dat kermis-Vlaanderen voor de literaire uitvoer, dat theater-Vlaanderen vol bestendig pittoreske Vlamingen!’

In de jaren dertig vallen de Vlaams-nationalistische, ‘volksverbonden’ critici Felix Timmermans nog veel scherper aan dan hun linkse, modernistische tegenstanders. Maar in laatste instantie doen ze dat om dezelfde redenen en vanuit hetzelfde onbehagen. Voor Wies Moens maakt Timmermans geen heimatkunst (zoals hij zou moeten doen), maar slechts provincialistische, prentjesachtige kunst. De achterliggende gedachte is dat je met zoiets geen Vlaamse strijd kunt voeren. Zelfs Timmermans’ vriend Ernest van der Hallen is van oordeel dat we ‘ons uit onze folkloristische verhalenliteratuur moeten losworstelen en dringend, dringend contact nemen met de grote problemen die op dit ogenblik van beslissende invloed zijn op de toekomst van Europa …’ Ook vandaag nog worden zulke alinea’s vaak opgemerkt in literaire bijlagen.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog, in de periode toen de Hamburgse Rembrandtprijs aan Timmermans ‘als een doodskus’ werd uitgereikt, bleek de Duitse Propaganda-Abteilung perfect op de hoogte van de Vlaams-nationalistische gevoelens aangaande Timmermans. De Duitse industrieel Töpfer, het brein achter de prijs, vond Timmermans wel een typische Vlaming maar geen Vlaams-nationalist. Daarenboven wist hij dat de Vlaams-nationalisten Timmermans twee jaar voordien voor de prijs hadden afgewezen omdat hij voor hen te weinig strijdlustig was. De Propaganda-Abteilung zelf was erachter gekomen dat de uitreiking van de prijs in Vlaams-nationale kringen sterk werd aangevochten. Men verweet er Timmermans dat hij een belachelijke karikatuur maakte van de Vlaming. Diezelfde Abteilung was ervan op de hoogte dat dit in wezen het oordeel van Cyriel Verschaeve was. Of waarin Vermeylen en Verschaeve het eens waren…

In een nummer van Muziek en Woord schreef collega Bert Govaerts dat Timmermans niet paste in de nazi-esthetiek, en dat het niet de nazipartij was die Timmermans kwam opvrijen, maar de nazistaat. De staat gaf hem de prijs, de partij noemde hem in haar tijdschrift Neue Literatur een ‘suikerbakker’. Des te meer wekt het verbazing dat Hedwig Speliers de schrijver van Pallieter associeert met de volksverbonden kunst van het interbellum, die met alle wortels vastzat aan het fascistische denken van de Vlaams-nationalistische katholieken – waarbij hij de namen opsomt van uitgerekend die mensen (Moens, Van der Hallen, Vercnocke) die Timmermans het folkloristische en speelgoedwinkel-volkse hebben verweten …

L.P. Boon verwijt het ‘folkloristische’ duo Timmermans en Claes dat ze boeken schrijven die de mensen in slaap wiegen (terwijl ze hen juist wakker zouden moeten maken). Albert Westerlinck sprak dat in de jaren zeventig nog tegen. Hij zag vooral het volstrekt antiburgerlijke karakter van Timmermans’ werk, zijn agressieve ironie tegen de burgerij, en zijn sarcastische kijk op mens en maatschappij, drie eigenschappen waarmee noch de modernistische, noch de volksverbonden, noch de linkse Timmermanskritiek iets wist aan te vangen. Maar naast het alomtegenwoordige verwijt van folklorisme valt in de jaren tachtig en negentig het verdict: ‘idealisme’. Dat verwijt vat grosso modo alle voorgaande bezwaren samen: Timmermans heeft geen noemenswaardige visie op de maatschappij, maar beperkt zich tot het opnemen, door een idealiserende lens heen, van taferelen uit het leven in de heimat. Zijn idealisme is ook nog eens pathetisch, steriel, kwezelachtig, maar vooral naïef. Naïef idealisme stelt geen problemen, noch inhoudelijke, noch vormelijke. Het kijkt alleen terug.

Timmermans blijft een soort literatuurschandaal. De rekening is nog altijd niet vereffend. Dat hij meer gedrukt, verkocht en gelezen werd dan veel hedendaagse auteurs, maakt van hem een steen des aanstoots. Timmermans ontsnapt aan een literatuurgeschiedenis die zichzelf ziet als de beschrijving van een opeenvolging van vernieuwingen in een processie van literaire vooruitgang. Hij is een anomalie waarop de modernistische categorieën in hun theologische, fascistische of postmoderne vormen geen vat krijgen. Daarom is het afwijzingsfront ook zo rijk geschakeerd, in koleirige koleuren van extreem links tot extreem rechts.

  

(Felix Timmermans door Isidoor Opsomer)

Ernest Claes, een heer uit Zichem (3)

  

De moderne Vlaming leest Ernest Claes niet meer omdat hij in diens boeken over simpele dorpsmensen niets meer van zichzelf herkent. Tenminste, dat denkt hij. In werkelijkheid herkent hij er zich wél in, en dat is juist de reden waarom Ernest Claes ‘vergeten’ wordt: hij houdt de Vlaming een spiegel voor waarin deze niet meer wil kijken. Vijftig jaar geleden was dat nog wel het geval. De Witte werd toen nog volop gelezen en Wij, heren van Zichem was een enorm succes. De Vlaming was toen – blijkbaar – nog niet echt wakker en daardoor kon hij zichzelf nog herkennen in de wereld van Ernest Claes. Maar intussen heeft de moderniteit hem ingehaald en wat hij vandaag in de spiegel ziet, doet hem terugdeinzen. Zo verscheen er in Humo een bespreking van Claes’ biografie onder de titel: ‘de zwarte van Zichem’. Bedoeld werd: de collaborateur, de Duitsgezinde. Het artikel was vergezeld van een foto waarop een lachende Claes de hand schudt van een SS-officier. De Witte of de Zwarte, dat is volgens Humo the question

Het is voor veel mensen nog altijd de vraag, niet alleen ten aanzien van Ernest Claes, niet alleen ten aanzien van zijn generatie (waarvan er velen na de oorlog in opspraak zijn gekomen), maar ten aanzien van het Vlaamse volk tout court: is de Vlaming een kinderlijke dromer, een ‘manneke van plezier’, of is hij een collaborateur, een landverrader, een neonazi, een rechtse extremist? De vraag is actueler dan ooit nu België – weer eens – verscheurd wordt door communautaire twisten, dat wil zeggen door problemen veroorzaakt door het samenleven van twee zeer anders geaarde volkeren: de Nederlandstalige Vlamingen en de Franstalige Walen. De Vlamingen zijn een stuk ‘rechtser’, want individualistischer, dan de Walen, die uitgesproken ‘links’ zijn en als één blok optreden tegen het verscheurde Vlaanderen. Juist omdat de Vlaming zo verscheurd is, juist omdat hij zo sterk lijkt op Ernest Claes, kan hij geen vuist maken tegen het veel zwakkere, maar wel eensgezinde Wallonië. 

Het probleem van Vlaanderen is niet Wallonië, het is zijn eigen gespletenheid, zijn eigen verscheurdheid. Het steedse, intellectuele Vlaanderen kijkt met onverholen afschuw naar het dorpse, volkse Vlaanderen, het Vlaanderen-van-onder-de-kerktoren, het Vlaanderen van Ernest Claes. Bezield door die afschuw wil het heiliger zijn dan de paus, dat wil zeggen: linkser, progressiever, hedendaagser en internationaler dan wie ook. Dit politiek-correcte Vlaanderen beschouwt zichzelf als bijzonder volwassen en alert, maar zijn minachtende, arrogante houding tegenover alles wat Vlaams en volks is, getuigt allesbehalve van wakkerheid en volwassenheid. Het is de houding van een puber, pendelend tussen grootheidswaanzin en zelfhaat. Deze puberale houding is niet eigen aan de Vlaming alleen: het is de houding van iedere postmoderne intellectueel. Typisch Vlaams is alleen het extreme : niet toevallig kent Vlaanderen een van de hoogste zelfmoordcijfers ter wereld. 

Het hedendaagse Vlaanderen dreigt inderdaad zichzelf te vernietigen. Brussel bijvoorbeeld was ooit een door en door Vlaamse stad, omgeven door gemeenten met de prachtigste Vlaamse namen. Vandaag is het een compleet verfranste stad die zich steeds verder uitbreidt en dat ook nog eens op kosten van Vlaanderen doet. Het is een koekoeksjong dat zou sterven als Vlaanderen het niet langer voedde, maar Vlaanderen blijft dat onverminderd doen. Het bewerkt daardoor zijn eigen ondergang zoals pubers dat doen die de leiding van volwassenen moeten ontberen. Vlaanderen is een volk zonder bovenlaag: het heeft geen ‘volwassenen’, geen intellectuelen, geen kunstenaars die hun volk leiden, die het de weg tonen, die het voorlichten. Het heeft alleen intellectuelen die zich tegen hun eigen volk keren, die het verketteren, die het verafschuwen. Vlaanderen is een ‘hoofd’ dat zich wil losmaken van zijn eigen ‘lichaam’, een ‘witte’ die zich wil losscheuren van de ‘zwarte’. 

Maar de Vlaming is niet zwart of wit, hij is geen collaborateur of een politiek-correcte, hij is het allebei, zoals ieder modern mens dat is. Juist omdat hij in zo korte tijd gemoderniseerd is – in pakweg 50 jaar heeft hij een achterstand van eeuwen overbrugd – is die dubbelheid bij hem groter dan gemiddeld. De Vlaming van vandaag is een modern mens omringd door technologie, maar gisteren was hij nog een boerenjongen die op blote voeten de koeien hoedde. Vandaag leeft hij in welstand, maar honderd jaar geleden was hij nog arm als Job. Het succes van De Witte en de populariteit een tv-serie als Wij, heren van Zichem toont aan dat die arme boerenjongen nog altijd heel levendig in zijn ziel aanwezig is. Daarom is de Vlaming zo’n harde werker: hij bevindt zich nog altijd in ‘overlevingsmodus’, hij vecht nog altijd tegen de armoede, ook al is hij rijk. En tegen die werkdrift vecht dan weer zijn hoofd, want het krijgt geen tijd om na te denken. Lichaam en hoofd vechten allebei om te overleven en daardoor vernietigen ze elkaar. 

Dat is wat de moderne Vlaming doet terugdeinzen wanneer hij in de spiegel van Ernest Claes kijkt: dat innerlijke gevecht. Als kind heeft Claes een diepe relatie met de wereld van de nacht, de wereld van de geesten. Het maakt van hem een overtuigd katholiek, op de kinderlijk devote manier die we ook kennen van Felix Timmermans. Wanneer hij daarna gaat studeren en ten slotte in Brussel gaat wonen, komt hij in het andere uiterste terecht: de wereld van de dag, de wereld van de politiek. Zijn drukke nieuwe leven staat volkomen haaks op het dromerige dorpsleven in Zichem en hij moet zich tot het uiterste inspannen om die twee met elkaar te verbinden. Uiterlijk gezien slaagt hij daarin, want hij handhaaft zich in de grote stad zonder het kleine Zichem los te laten en hij wordt een gevierd schrijver. Wie echter goed kijkt, ziet dat hij nooit door ‘de stad’ aanvaard werd. Hij werd als schrijver niet voor vol aanzien en op zijn talloze vieringen was nooit een ‘hoogwaardigheidsbekleder’ aanwezig. 

Ernest Claes bleef innerlijk verscheurd tussen dorp en stad, tussen dag en nacht, tussen droom en werkelijkheid. De oorlog zou dat aan het licht brengen. In 14-18 trekt hij partij voor de Vlaamse soldaten, die het gros van het Belgisch leger vormen en door het Franstalige officierscorps als vee behandeld worden. Dit Vlaamse activisme maakt hem verdacht bij de Belgische overheid en in de tweede wereldoorlog barst die zweer. Een deel van de Vlaamse beweging zoekt toenadering tot de Duitsers. Ze wil via de bezettingsmacht de Vlaamse eisen – onder meer een Vlaamse universiteit – ingewilligd krijgen. Ernest Claes aarzelt. Hoewel hij zeer Vlaamsgezind is, is hij ook zeer vaderlandslievend. Hij wil geen landsverrader worden, maar hij voelt zich sterk aangetrokken tot de Duitse geest en die liefde is wederkerig: zijn boeken hebben in Duitsland veel succes (net als die van Timmermans trouwens). Hij wil het Duitse publiek niet van zich vervreemden door alle bruggen met de bezetter op te blazen. 

Na de oorlog ondergaat hij hetzelfde lot als Felix Timmermans: de contacten met de Duitse uitgeverijen tijdens de oorlog worden hem zeer kwalijk genomen. Zijn huis wordt geplunderd, hij vliegt in de gevangenis en verliest zijn burgerrechten. Timmermans zal die vernedering niet overleven: zijn hart begeeft het. Claes is een stuk taaier en hij verweert zich hardnekkig. Maar juist nu wordt duidelijk hoe tegenstrijdig en gespleten hij wel is. Tijdens de oorlog heeft hij een paar keer openlijk getuigd van zijn sympathie voor Hitler, want tijdens zijn (zaken)reizen door Duitsland had hij vastgesteld hoe keurig alles daar nu was. Had hij beter moeten weten? Achteraf is dat gemakkelijk gezegd. Maar na de oorlog wist hij heel goed hoe de kaarten lagen. Hij had aan den lijve ondervonden hoe genadeloos de Belgische overheid optrad tegen Vlaamsgezinden. En dan was hij er nog relatief goed vanaf gekomen. Toch houdt hij zich niet gedeisd. Hoewel het zwaard van Damocles boven zijn hoofd hangt, publiceert in ‘verdachte’ tijdschriften.

Men zou dat als heldhaftigheid kunnen opvatten: ondanks de repressie komt hij op voor de Vlaamse zaak. Maar dat is het niet. Wie in de biografie van Bert Govaerts – die veel aandacht besteedt aan het politieke leven van die tijd – leest hoe Claes zich gedraagt, ontkomt niet aan de indruk dat hij zich de ernst van de zaak niet realiseerde, ja dat hij ze zich niet wilde realiseren. Zijn onbegrijpelijke gedrag is uitdrukking van de strijd tussen de zwei Seelen in seiner Brust. Enerzijds lijkt hij niet te kunnen geloven dat het echt is wat hem overkomt: het is als een kwade droom waaruit hij straks wel zal ontwaken. Anderzijds laat hij niets onverlet om zijn zaak te behartigen, hij laat zich zelfs in het Frans verdedigen omdat hij hoopt dan meer kans te maken. Ernest Claes is zowel een kinderlijke dromer als een berekenende volwassene, maar ze helpen elkaar niet, integendeel, ze lopen elkaar voor de voeten. De gulden middenweg tussen beide vindt hij niet, en daarin is hij een modern mens, een moderne Vlaming vooral.

Er is echter één groot verschil tussen Ernest Claes en degenen die vol afkeer in zijn spiegel kijken en hem een ‘zwarte’ noemen, of een Blut-und-bodemschrijver: Claes was zich bewust van zijn gespletenheid. Hoe kon het ook anders! Hij werd er zijn hele leven mee geconfronteerd. Reeds als kind zag hij de schrijnende armoede en achterlijkheid in zijn dorp. Op het college in Herentals zag hij de perverse praktijken waarmee men de leerlingen probeerde te ‘ontvlaamsen’. In Leuven moest hij Germaanse talen in het Frans studeren. Tijdens de oorlog ondervond hij hoe Vlaamse soldaten behandeld werden door Franstalige officieren. Na de oorlog ondervond hij hoe Vlaamsgezinden behandeld werden door de repressie. Hij was heel blij toen hij een gevierd schrijver werd, maar het zal hem zeker niet ontgaan zijn dat België daar weigerde aan deel te nemen. En zijn enige kleinkind, waar hij zo dol op was, werd opgevoed in het Frans en begreep geen woord van wat hij zei …

Zijn hele leven lang heeft Ernest Claes geleden onder de gespletenheid van zijn land, van zijn volk, van zijn eigen ziel. Als kunstenaar probeerde hij de tegenpolen met elkaar te verbinden, maar juist daardoor beleefde hij de onmacht intenser dan wie ook. Niemand wortelde zo diep in beide werelden als hij, niemand kende zo goed de ‘wereld van de nacht waarover in de boeken niet wordt gesproken’, niemand kende even goed de tegenovergestelde wereld: die van de politiek. Als het erop aankwam, koos Ernest Claes voor de wereld van de nacht, van de aarde, van het dorp. Hij vluchtte erin weg als de grond hem te heet onder de voeten werd. Maar hij was er zich van bewust, hij kende zijn onvermogen, hij worstelde ermee. En daarin verschilt hij van degenen die op hem neerkijken: zij zijn zich niet bewust van hun onvermogen, ze beseffen niet dat ze wegvluchten – in het dorp of in de stad, in het kind of in de volwassene, in de droom of in de werkelijkheid – en dat ze zichzelf niet onder ogen durven zien. 

Understatement

  

Dat Brussel en Wallonië zonder Vlaamse steun zouden terugvallen tot het niveau van Griekenland (zoals hier onlangs beweerd) blijkt een fameus understatement te zijn.