Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Categorie: Vlaams

Ernest Claes, een heer uit Zichem (2)

  

Ernest Claes stond bij het grote publiek bekend als een goedmoedig monkelende opa. Maar onder dat vriendelijke uiterlijk leefde een hartstochtelijke, gekwelde ziel die heen en weer geslingerd werd tussen de uitersten. Claes hield zielsveel van zijn dorp en zijn mensen, maar hij was zich scherp bewust van hun armoede en bekrompenheid. In De Witte beschrijft hij de avonturen van een sympathieke deugniet, een soort kinderversie van Pallieter, en ontelbare lezers (en kijkers) hebben plezier beleefd aan de grappen en grollen van Lewie Vanderheyden. Maar ze vergeten al te gemakkelijk hoe wrang sommige passages zijn. Claes beschrijft zijn eigen kinderjaren en hij doet dat zoals iedereen dat zou doen: met de klemtoon op hoe-goed-het-toch-was. Maar hij verhult niet dat die kinderjaren allesbehalve onbekommerd waren. Ze waren een voortdurend gevecht van een kind vol dromen tegen de harde realiteit van de volwassen wereld. Zoals de levenslust van ‘de Witte’ steeds weer de bovenhand haalde, zo haalt ook ons dromerig genieten als lezer steeds weer de bovenhand: we vergeten alle kwalijke kanten, we denken er niet aan hoe tragisch dit boek is.

‘En dat was het einde van mijn heerlijke deugniet!’ Met die zin besluit Ernest Claes het boek dat hem beroemd zal maken. De woorden klinken opgewekt en vertederd, maar ze betekenen niettemin een soort doodsvonnis. De Witte vond het vreselijk opgesloten te zitten in een duf en stinkend schoollokaal terwijl buiten de zon scheen. Op de ene vrije namiddag in de week is hij als een uitgelaten veulen dat zijn geluk niet op kan en door Gods natuur dartelt. We genieten als lezer van de vele kleine overwinningen die hij behaalt op de grote-mensenwereld die hem aan banden wilde leggen. Maar we vergeten hoe duur de jongen ze moest bekopen, hoeveel slaag hij kreeg, hoe vaak hij zonder eten naar bed moest, hoe ongelukkig en onbegrepen hij zich voelde, hoeveel angsten hij moest doorstaan. We vergeten dat we de avonturen van de Witte zien door de bril van iemand die naar zijn eigen kindertijd kijkt en alles in een gouden licht ziet. We vergeten dat de Witte uiteindelijk het onderspit delft: hij is nog een kind als hij terechtkomt op een muf kantoor en pennelikker wordt.  

Dit vermogen om ons terug te voeren naar de zonovergoten kindertijd – niet alleen van de Witte maar ook van Vlaanderen – is de kracht en tegelijk de zwakte van Ernest Claes. Hij kruipt zo diep in de huid van de Witte en zijn wereld dat hij als schrijver onzichtbaar wordt. Maar dat wil niet zeggen dat hij er niet meer is, wel integendeel. Ernest Claes is heel erg aanwezig in zijn boeken, soms wat al te nadrukkelijk zelfs. Hij krijgt dan iets van een schrijvende dorpspastoor: moraliserend, paternalistisch en katholiek. Het probleem van Claes is dat hij er niet in slaagt de tegenpolen met elkaar te verzoenen: ofwel verdwijnt hij in zijn onderwerp, ofwel blijft hij erbuiten staan. Die twee polen liggen bij hem dan ook ver uit elkaar. De manier waarop hij bijvoorbeeld in de huid van Floere het Fluwijn – een marter – kruipt, is tamelijk uniek. Hier is iemand aan het woord die heel dicht bij de natuur staat en er zich heel diep kan in inleven. Dit – in wezen kinderlijke – vermogen om zich zelfs in de kleinste wezens en dingen in te leven, is typisch Vlaams. Met name in de schilderkunst heeft het Vlaanderen wereldberoemd gemaakt.  

Henri De Braekeleer is een (laatste) treffend voorbeeld van dit vermogen om zelfs de stenen tot leven te wekken. Tegelijk belichaamt hij ook de tragiek die met dit vermogen verbonden is: de volwassen keerzijde ervan wordt over het hoofd gezien, het bewustzijn dat zo diep in de materie onderduikt wordt als het ware onzichtbaar. De Braekeleer werd – en wordt nog altijd – in hoge mate miskend. Hij wordt beschouwd als iemand die niet mee is met zijn tijd, terwijl hij In werkelijkheid zijn tijd ver vooruit was. Dezelfde tragiek herkennen we ook bij Ernest Claes. Als kind luisterde hij naar de stropers die ’s avonds bij het haardvuur hun verhalen vertelden over de wereld van de nacht, verhalen die hij diep in zijn ziel opnam. Deze primitieve, ongeletterde mensen die aan de rand van de maatschappij leefden, waren nog ontvankelijk voor de wereld van de natuurwezens wier aanwezigheid ze nachts voelden en die hen de stuipen op het lijf joeg. Via hen drong de kleine Claes met zijn kinderlijke, ontvankelijke bewustzijn in die donkere, geestelijke wereld door. 

‘Ze zeggen dat stadsmensen veel banger zijn van het donker en van de nacht dan buitenmensen. Maar ’t is juist het tegenovergestelde. Een mens die in de stad of het dorp woont kent de grote vervaarlijkheid van het donker niet. Hij heeft de nacht nooit in zijn volle naaktheid beleefd, wanneer er niets anders is dan nacht, zonder mensen of huizen, zonder licht of geluid, zonder iets, de nacht zonder meer. Maar degenen die woonden langs de zandbanen van de Kempen, altijd alleen met zichzelf, zwijgende mensen omdat ze met niemand konden spreken, die kenden de holle eenzaamheid en de wilde verschrikking van de nachten.’ De verhalen van-de-nacht zou hij later nooit in enig boek terugvinden. ‘Achter de levenloze dingen en de nuchtere gezichten der mensen heb ik onbewust en ongewild ‘het andere’ gezien, het onbegrijpelijke, het bange dat ieder wezen in zich draagt.’ Meer dan wie ook kende Ernest Claes het verschil tussen stadsmensen en ‘buitenmensen’, tussen de wereld van de dag en die van de nacht. 

In het doodarme, achterlijke Vlaanderen van de 19de eeuw leefden er mensen met een kinderlijk, dromerig bewustzijn dat nog niet was aangetast door de moderne beschaving. Ze waren nog in staat natuurwezens te zien en vertelden ’s avonds, in besloten kring (waar ze zich veilig voelden voor het kritische verstand) over een wereld waarvan men in ‘de stad’ allang geen vermoeden meer had. Toen Ernest Claes ging studeren en tijdens de vakantie tegen hen zei ‘dat het allemaal bijgeloof was’, keek Wannes Raps (een van de stropers die hij zou vereeuwigen) hem peinzend aan en zei: ‘Ge zult nog veel moeten leren, menneke.’ De blik in zijn ogen moet die zijn geweest van iemand die weet omdat hij gezien heeft. Claes zou later inzien dat Wannes Raps gelijk had. ‘Toen het leven mij wijzer en bescheidener had gemaakt, heb ik geleerd hoe arm iemand is die niet meer gelooft aan de oude geesten van zijn land.’ Het zijn woorden waar we vandaag de schouders voor ophalen, maar die profetischer zijn dan we durven vermoeden.
 
Ernest Claes moet één van de laatsten zijn geweest die nog contact heeft gehad met deze oeroude wereld van de nacht. Tegelijk was hij in Vlaanderen één van de eersten die zich helemaal losmaakte uit die wereld en in de stad ging wonen. Geen enkele Vlaamse schrijver heeft de tegenstelling tussen stad en dorp zo diep beleefd als Ernest Claes. Geen enkele schrijver kende in die mate zowel de wereld van de nacht als de wereld van de dag. Enerzijds luisterde hij naar de oude, mystieke ziel van Vlaanderen, anderzijds was hij actief in de politiek. Hij pendelde uiterlijk – maar vooral innerlijk – tussen Zichem en Brussel, tussen het arme, achterlijke dorp en de hoofdstad van België en Europa. Groter tegenstelling is nauwelijks denkbaar en Ernest Claes slaagde er dan ook niet in om die diepe kloof te overbruggen. Hij wist het heel goed te verbergen, maar onder zijn vriendelijke uiterlijk was hij een gekweld man. En juist dat maakt hem zo modern, juist die gespletenheid maakt hem tot een spiegel voor de moderne Vlaming. 

Advertenties

Kukeleku

  

De dag dat Wallonië niet langer kan rekenen op de solidariteit van Vlaanderen, moet het zijn overheidsuitgaven met een kwart terugdringen. Een autonoom Wallonië zou aankijken tegen een even groot begrotingstekort als Griekenland in 2009.

(Jules Gazon, Waals econoom)

Zijt daarmee getrouwd!

  
Yves Leterme vergeleek de Franstalige pers in België ooit met Radio Milles Collines dat destijds opriep tot de volkerenmoord in Ruanda. Die uitspraak veroorzaakte natuurlijk een explosie van verontwaardiging in Franstalig België. (De weinige) Vlamingen die Brusselse en Waalse kranten lezen, beweerden nochtans dat Leterme niet eens zoveel overdreef. Veel is er sinds die tijd niet veranderd, dat bleek onlangs in de krant Vers l’Avenir. Daar verscheen de volgende titel: ‘La Flandre, un dangereux pervers narcissique!’ (Vlaanderen, een gevaarlijke narcistische pervert!). De ondertitel luidde: ‘Dépourvu d’empathie, froid, dénigrant, insatisfait, moqueur, isolant sa proie.’ (Verstoken van empathie, kil, geringschattend, onvoldaan, spottend, zijn prooi isolerend). In het artikel viel onder meer te lezen: ‘Vu d’ici, la Flandre (qu’on connaît finalement de moins en moins) apparaîtrait de plus en plus comme une sorte de Corée du Nord où tout le monde sourit, tout le monde marche au pas et où les pontes de la N-VA à la tribune regardent fièrement défiler les troupes.’ (Van hieruit gezien lijkt Vlaanderen (dat wij ten slotte van langsom minder kennen) meer en meer een soort Noord-Korea te worden, waar iedereen glimlacht, iedereen in de pas loopt, en waar de grote bonzen van de N-VA vanaf de tribune hun troepen trots zien defileren.)

P.S. WordPress blijkt ‘verstoken van empathie’ in het Frans niet te willen/kunnen publiceren. Wat niet onbegrijpelijk is. Het maakt er dépourvu d’empathie van. Wat veelzeggend is.

Ernest Claes, een heer uit Zichem (1)

  
Ten tijde van Maria-Theresia zond het gemeentebestuur van Zichem een verzoekschrift naar de Generale Staten van Brabant: ‘Wij, Heeren van Sichem, vragen aan U lieden van Brussel de toelating om eene markt te mogen oprichten.’ Het antwoord luidde: ‘Als gij sijt Heeren en wij lieden, dan sal de merkt van Sichem nooit geschieden.’

Op 24 maart jongstleden verscheen bij uitgeverij Houtekiet de biografie van Ernest Claes. Een ongelukkiger datum had men moeilijk kunnen kiezen want twee dagen tevoren hadden terroristen in Brussel een bloedbad aangericht. Er werd in de media dan ook nauwelijks aandacht besteed aan het boek. Maar zou dat zonder aanslagen anders zijn geweest? Vijftien jaar eerder was de biografie van Felix Timmermans verschenen en ook daar had geen haan naar gekraaid. Schrijvers zoals Claes en Timmermans – men kan er ook Stijn Streuvels aan toevoegen – zijn vandaag zo goed als vergeten. Ik ben er zeker van dat mijn kinderen nog nooit iets van hen gelezen hebben. Ik vraag me zelfs af of ze weten wie Claes, Streuvels en Timmermans zijn. Je kunt het hen niet kwalijk nemen, ze zijn opgegroeid in een wereld van iPods, iPads en iPhones. Boeren op klompen passen daar niet bij. In een recente peiling van het Davidsfonds situeerde meer dan de helft van de deelnemers Ernest Claes één tot vier eeuwen te vroeg. Sommigen dachten dus dat hij een tijdgenoot van Rubens was. 

Ernest Claes een tijdgenoot van Rubens? De man is nog geen 50 jaar geleden gestorven! Een jaar na zijn dood zond de Vlaamse televisie Wij, heren van Zichem uit, een nieuw feuilleton, gebaseerd op zijn werk. Het werd een overweldigend succes. Op het hoogtepunt keken bijna 4 miljoen Vlamingen naar de avonturen van pastoor Munte en boer Coene. Ik was 15 in die tijd, een puber die het katholicisme de rug had toegekeerd, die de grote Russische schrijvers verslond, die op de radio naar de hitparade luisterde en die rondliep met lang haar. Maar Wij, heren van Zichem wilde ik voor geen geld ter wereld missen. Later ging ik in Leuven Germaanse studeren en moest daar het Verzameld Werk van Stijn Streuvels lezen. Ik kreeg er les van Albert Westerlinck, die Claes, Timmermans en Steuvels nog persoonlijk gekend had. Het kon gisteren geweest zijn, zo duidelijk staat me die tijd nog voor de geest. En toch kan ik me niet voorstellen dat ze vandaag in Leuven nog Claes, Timmermans of Streuvels lezen. Waarschijnlijk bestuderen ze er nu het oeuvre van Claus, Hemmerechts en Lanoye. 

Vijftig jaar geleden was Ernest Claes nog de populairste auteur van Vlaanderen, de schrijver van het meest gelezen Vlaamse boek (De Witte), de geestelijke vader van de succesrijkste tv-serie. Iedereen kende Ernest Claes, hij was een begrip, een monument. Vandaag weten alleen de ouderen nog wie hij was en je mag al van geluk spreken als je in de bibliotheek nog een boek van hem aantreft. Binnenkort zal het zijn alsof hij nooit bestaan heeft. Was Ernest Claes dan een literaire eendagsvlieg? Was De Witte – dat meer dan 125 keer werd herdrukt – zo’n boek als De Da Vinci Code, dat gisteren nog the talk of the town was, maar waar vandaag niemand nog over spreekt? Het zijn pijnlijke vragen, want ze gelden niet alleen voor Ernest Claes, ze gelden ook voor Felix Timmermans, Stijn Streuvels, Guido Gezelle, Cyriel Buysse, Karel Van de Woestijne, Gerard Walschap, enzovoort. Ze gelden voor een hele generatie Vlaamse schrijvers waarvan de afgelopen 15 jaar de biografieën zijn verschenen. Zijn die biografieën een laatste eresaluut aan een vergeten generatie, of is er meer aan de hand?

Ernest Claes vertelt in De Witte hoe hij gestraft wordt op school en in het rommelkot vliegt waar hij Hendrik Conscience ontdekt, ‘de man die zijn volk leerde lezen’. Conscience stierf kort voordat Claes werd geboren en ‘de Witte’ leefde dus in de tijd ‘toen de Vlamingen leerden lezen’. Claes’ eigen moeder kon lezen noch schrijven, en zijn vader, een arme boer, las haar ’s avonds voor uit de boeken van Conscience, want andere Vlaamse boeken waren er nauwelijks. Vlaanderen was in de 19de eeuw volkomen verfranst. Alleen het gewone, ongeletterde volk sprak nog Vlaams, dat wil zeggen het dialect van zijn streek. West-Vlamingen begrepen geen woord van wat Limburgers zeiden en Limburgers vonden Antwerpenaars volstrekt onverstaanbaar. Vanuit dat zeer particularistische dialect probeerden Claes, Timmermans en Streuvels een brug te slaan naar een meer algemeen Nederlands. Ze schreven voor een volk dat nog volop leerde lezen. De ‘ongekuiste’ versies van hun boeken zijn vandaag nog moeilijk te begrijpen. Het is één van de redenen waarom Claes en co vandaag niet meer gelezen worden. 

Ik moet een jaar of 12 zijn geweest toen ik De Witte kocht. Het was mijn allereerste ‘echte’ boek. Het was ook het boek dat ik het vaakst zou herlezen. Maar het was geen liefde op het eerste gezicht. Met name de dialectuitdrukkingen stonden me tegen. Dat mag wel vreemd heten want ik sprak zelf dialect: thuis, op straat en zelfs op school. Iedereen deed dat, ABN was een vreemde, lachwekkende taal. Toch stootten de dialectzinnen van Claes – en het was al lang niet meer de oorspronkelijke ‘rauwe’ versie – me tegen de borst. Hoe kwam dat? Voelde ik onbewust hoe nauw dat dialectgebruik verbonden was met het lot van de Vlamingen? In het Zichem van Ernest Claes heerste op sommige plaatsen nog de grauwe armoede waarvoor Vlaanderen in de 19de eeuw bekend stond. Heel Europa kende toen de uitdrukking ‘de Vlaamse ziekte’. Het betekende: kreperen van honger en ellende. In het dorp dat Claes met zoveel liefde beschreef, leefden honderden kinderen die nauwelijks kleren aan het lijf hadden en in de winter blauw zagen van de kou. Ze probeerden te overleven en waren verstoken van iedere vorm van ontwikkeling.

Zo was het Vlaamse volk er aan toe in de 19de eeuw: het leed honger en kou, het kon nauwelijks lezen of schrijven, het vocht om te overleven. In De Witte beschrijft Ernest Claes met veel humor hoe hij stiekem De Leeuw van Vlaanderen leest en daarna met zijn kameraden de Guldensporenslag naspeelt. Het is slechts één van de 14 hoofdstukken in het boek en we staan er als lezer niet bij stil. Maar als we dat wél doen en ons proberen voor te stellen wat er door het hart van de ‘Witte’ moet zijn gegaan, dan krijgt dat koldereske tafereel een heel andere dimensie. Want die schamele boerenjongen, die ‘meer slaag dan eten krijgt’ en opgroeit te midden van materiële en geestelijke armoede, leest in dat boek van Conscience over een heel ander Vlaanderen, een Vlaanderen van ridders en jonkvrouwen, een Vlaanderen dat aan de top van de beschaving staat, dat iedereen jaloers maakt met zijn rijkdom en schoonheid, en dat met zijn kracht en sluwheid de Franse adel in het stof doet bijten. Wat een schok moet die extreme tegenstelling teweeg hebben gebracht in de ziel van de Witte, de ziel van Ernest Claes!

‘En toen het boek uit was bleef de Witte een lange poos dromend naar de blauwe lucht staren, terwijl hij languit op zijn rug in ’t koren lag. En er kwam zo’n onzeggelijke droevigheid in hem, zoals hij nooit gekend had. Hij wist zich opeens zo grenzeloos ongelukkig in ’t leven staan, zonder te weten waarom. Het was precies of er iets overheerlijks langs hem was voorbijgegaan, dat nu weg was, voorgoed weg en verdwenen … En hij dacht er opeens aan wat een medelijden hij had gehad met Adam en Eva toen hij de eerste keer las van dat wegjagen uit het Aards Paradijs.’ Wat Ernest Claes hier beschrijft, is niets minder dan het ontwaken van de oude Vlaamse ziel in het hart van een arme boerenjongen. Die ziel realiseert zich met een schok hoe diep ze gevallen is. Ze kijkt met ongeloof naar de vernederende omstandigheden waarin ze moet leven en herinnert zich tegelijk haar ‘hoge’ afkomst. Hieraan ontbrandt de vurige wil om weer uit de assen te verrijzen. Het sjofele, ziekelijke kind dat Ernest Claes is, zal zich dan ook opwerken tot een heer van stand, die in Brussel woont en verkeert in de hoogste kringen. 

Dat wonder voltrekt zich niet alleen in het leven van Ernest Claes, het voltrekt zich in het hele Vlaamse volk. In korte tijd ontwikkelt Vlaanderen zich van een van de armste gebieden in Europa tot een van de welvarendste. Van die wonderbaarlijke verrijzenis getuigen Stijn Streuvels, Felix Timmermans en Ernest Claes: eenvoudige volksmensen die zich op eigen kracht ontwikkelen tot ‘letterkundigen’. Vooral Ernest Claes zal zich ver verwijderen van het dorp waar hij geboren is en een echte stadsmens worden, een keurige heer. Toch keert hij in gedachten steeds weer terug naar het Zichem van zijn kinderjaren. Tot het eind van zijn leven zal hij uit die bron blijven putten. Reeds als student begint hij te schrijven aan De Witte en eigenlijk zal hij dat z’n hele leven blijven doen. Zijn werk bestaat uit louter variaties op hetzelfde dorpse thema. Alleen de oorlog kan dat doorbreken, maar ook dan blijft Claes dezelfde toonaard aanhouden, die enerzijds naar het kwajongensachtige (van het dorp) neigt en dan weer naar het paternalistische (van de stad), maar die nooit zonder spanning is.  

Kreunt, Vlaanderen, kreunt!

  

Enkele dagen geleden kreeg ik per e-mail een reclamafolder van Gerstaecker, een grote verzendhandel in kunstenaarsbenodigdheden. Ik heb daar in het verleden wel eens een bestelling geplaatst en sinds kort heeft dit Duitse bedrijf ook een Belgisch filiaal. Als ik nu iets bij hen wil kopen, hoef ik dat niet meer via hun Nederlandse tak te doen. Maar ik wíl niets meer bij hen kopen sinds ze me hun reclamefolder in het Frans toestuurden. Toen ik hen daarop wees, stuurden ze me prompt een Nederlandstalige versie, evenwel nog altijd met als hoofding ‘Le Géant des Beaux-Arts’. Ter vergelijking: in Nederland adverteert Gerstaecker met de slogan ‘Alles voor Kunst’, in Engeland met ‘Great Art’. Toen ik daar een vraag over stelde, antwoordde ene Bettina Meermans vanuit Antwerpen dat ze ‘mijn opmerking over een niet-bestaande versie van Le Géant des Beaux Arts niet begreep’. Ik heb haar vriendelijk uitgelegd dat ik op mijn beurt niet begreep waarom een Duitse firma zich in België een Franse naam aanmeet en niet eens de moeite doet om een (reeds bestaande) Nederlandstalige versie te gebruiken. Dacht Gerstaecker op die manier werkelijk de Vlaamse markt te veroveren? Het was meteen het einde van onze kleine conversatie, want ik kreeg geen antwoord meer. 

Gerstaecker is geen uitzondering. Ik krijg wel meer Franstalige reclamefolders. Ik word zelfs in het Frans opgebeld. Allemaal ‘vergissingen’? Ik betwijfel het. Hoe kan het een vergissing zijn als een Duitse internationale firma in Nederland in het Nederlands adverteert en in België in het Frans? Weten ze daar in Duitsland niet beter? Denken ze werkelijk dat België eentalig Frans is? Heeft men ze nooit verteld dat de meerderheid van de bevolking er Nederlands spreekt? Maak dat de ganzen wijs! Dus hoe komt het dat Gerstaecker zijn commerciële zetel in Antwerpen heeft en zich toch in het Frans presenteert? Eén reden is alvast dat Vlamingen alles over hun kant laten gaan. Hoeveel mensen zouden geprotesteerd hebben tegen die ‘Géant des Beaux-Arts’? De reactie van de Antwerpse Bettina sprak boekdelen: ze begreep niet wat het probleem was. Dat onbegrip ontmoet ik ook in mijn (weliswaar beperkte) familie- en kennissenkring: ze begrijpen niet waarom ik van dat soort zaken een probleem maak. Ach, die Vlaamse kwestie, wat een ouwe koek! Daar houdt een modern mens zich toch niet meer mee bezig! Mijn eigen kinderen vinden me enggeestig. De Vlamingen hebben lang genoeg op kosten van de Franstaligen geleefd, zeggen ze, moeten ze nu echt in de hand gaan bijten die hen gevoed heeft? 

In de lagere school heb ik nog het vak ‘Vaderlandse geschiedenis’ gekregen. Dat werd zeker niet in flamingantische zin gegeven. Ons vaderland was België, daar kon geen twijfel over bestaan. De Vlaamse Leeuw hebben we nooit leren zingen, de Brabanconne wel. Later zou de geschiedenisleraar zich smalend uitlaten over de Guldensporenslag van 1302, toen de Vlamingen de voltallige Franse adel in de pan hakten. Een straatgevecht, noemde hij dat, volkomen ten onrechte opgeklopt tot een historisch feit. Zo spraken Vlaamse intellectuelen 45 jaar geleden reeds over de Vlaamse geschiedenis. Vandaag hebben ze die geschiedenis blijkbaar helemaal omgekeerd, want waar zouden mijn kinderen anders hun groteske ideeën over de Franstalige liefdadigheid gehaald hebben? Ze doen overigens verdacht veel denken aan die andere groteske ideeën: de politiek correcte ideeën over de islamitische ‘liefdadigheid’ en de stuitende ondankbaarheid van het Westen. Tja, met zo’n mentaliteit kan het geen verwondering baren dat Gerstaecker zich in het Frans tot de Vlamingen richt. Waarschijnlijk denken de Duitsers: Vlamingen zijn masochisten, die vinden het lekker als ze vernederd worden! Dus waarom zouden we ze in het Nederlands aanspreken als het ook in het Frans kan!

Vlaanderen en België

  

Waarom laat iedere Vlaamse voorman de Vlaamse Beweging in de steek als hij op Belgisch niveau actief wordt? Ja, dat is de vraag, nietwaar. Dat was ze in 1977 toen het Egmontpact werd gesloten onder impuls van Hugo Schiltz en Wilfried Martens, en dat is ze vandaag opnieuw. Gaat de N-VA nu een voor die partij tragische periode tegemoet, zoals het Egmontpact dat was voor de Volksunie? Volgens de recent gepubliceerde opiniepeiling van Het Laatste Nieuws die de aanhang van de N-VA laat dalen van ruim 32% bij de verkiezingen van 2014 naar iets meer dan 24%, ziet het er daar wel naar uit. Het volstaat dat het populariteitscijfer van de N-VA tussen nu en de volgende verkiezingen nog zal blijven dalen om een toestand te creëren zoals die van december 1978. Bij de verkiezingen van die datum verloor de Volksunie het grootste percentage kiezers dat na de Bevrijding ooit een partij had verloren. Dit was, als men de zaken vanop afstand beschouwt, het begin van het einde van de Volksunie.

Sinds de jongste verkiezingen en de regeringsdeelneming van een triomferend N-VA hangt dit perspectief in de lucht. Het incasseringsvermogen van de flamingant gaat zeer ver – zelfs de repressie heeft hij overleefd – maar er zijn grenzen. De vraag van de komende periode zal zijn of dat incasseringsvermogen nu bereikt werd, dan wel of er nog meer rek in zit. Dat is onvoorspelbaar en hangt van veel factoren af, maar het zou zeer onvoorzichtig zijn van de N-VA als ze er geen rekening mee hield. De N-VA heeft na de vorige verkiezingen een gok gewaagd die haar bestaansrecht op de helling zou kunnen zetten. Zij mocht in de Belgische regering komen op voorwaarde dat ze ophield Vlaamse eisen te stellen van welke aard ook. Men hoorde geen enkele N-VA’er de Vlaamse zaak bepleiten, behalve voor de façade in interviews en vlugschriften die aan de Franstaligen uitgelegd werden als propaganda.

Ik vrees dat de N-VA zich op een pad heeft gewaagd waarvan geen weg terug is. Als zij terugkomt op haar bereidheid om de Vlaamse zaak on hold te zetten dan verliest ze alles: de voordelen van de macht én de geloofwaardigheid. Het is te verwachten dat zij van nu af aan van toegeving naar toegeving zal rennen. Intussen zit het Vlaams Belang te wachten tot de vruchten vanzelf in haar schoot vallen. De partij wint ook als ze niets doet, ze wint vooral als ze niets doet. Want door te hervallen in de populistische retoriek die haar reeds de vorige desastreuze verkiezingsuitslag heeft opgeleverd, riskeert zij tussen het succes van vandaag – volgens Het Laatste Nieuws zou de partij 14% van de stemmen halen en de derde partij van Vlaanderen worden – en de verkiezingen van morgen, veel van haar nieuwe aanhang opnieuw te verliezen. De modale geradicaliseerde Vlaming slikt niet noodzakelijk de kreten waarmee VB nu uitpakt, zoals ‘Islamterreur: terugslaan’ of ‘Staat van Oorlog’. Dit is goed voor politieke kleuters. Wie spreekt na 32 doden nu van oorlog? De tienduizenden slachtoffers van het bombardement op Dresden keren zich om in hun graf dat ze niet gekregen hebben.

Het Vlaams Belang heeft, zoals het Vlaams Blok voordien, altijd geflirt met de overdrijving die ongeloofwaardig maakt. Dat is de reden waarom de partij sérieux mist, en wat meer is: waarom velen in het kieshokje nog altijd aarzelen om, ondanks hun onvrede met het beleid van de N-VA, voor het Vlaams Belang te stemmen. Het is niet het cordon sanitaire dat de partij tot onmacht veroordeelt, maar wel de aarzeling van zovele Vlaamsgezinden om zich te compromitteren met een politiek taalgebruik dat niet tot het Vlaamse erfgoed behoort, en dat de Vlaamse zachtmoedigheid tart. Velen hebben de neiging te zeggen: dat van het Vlaams Belang, is mijn Vlaanderen niet. Daar staat tegenover dat Karel Dillen wel gelijk had toen hij zei enkel aan een Belgische regering te zullen deelnemen als het de laatste zou zijn. Had Bart De Wever deze houding van Dillen maar tot de zijne gemaakt, in plaats van Schiltz achterna te hollen, de electorale dieperik in.

(Mark Grammens)

Denkend aan Brussel

  

Ik kan me vergissen, maar ik denk het niet. Dat oude gebouw dat u daar links vooraan op de foto ziet, geklemd tussen louter staal, glas en beton, is de Vaste Commissie voor Taaltoezicht, waar ik in een ver verleden nog zes jaar van mijn leven heb gesleten. In de verte ziet u de triomfboog van het Jubelpark. Waarom daar zo triomfantelijk gejubeld werd, heb ik nooit geweten. Het interesseerde me ook niet. Ik had een hekel aan Brussel. Waarom? Kijkt u maar eens goed naar die foto, en weet dat aan het eind van die Wetstraat, waar ze (in dat langwerpige donkere gat) onder het Jubelpark duikt, de wereld van de Europese instellingen begint, een wereld van nog véél meer glas, staal en beton. Voor die wereld heeft de hele Leopoldswijk moeten wijken (sic), een wijk die eruitzag als het gebouw van de Vaste Commissie voor Taaltoezicht. Daar kon je nog iets opsnuiven van het oude Brussel, en dát Brussel was … zalig. Ik heb ook nog oude Brusselaars gekend en dat zijn de meest goedhartige Vlamingen die je je maar kunt voorstellen. Want ja, Brussel was oorspronkelijk een Vlaamse stad, gelegen in het hart van Brabant, het mooiste deel van Vlaanderen. En van dat zo rijke en warme hart blijft niets meer over dan een woestenij van glas, staal en beton. 

Nergens is Vlaanderen zo grondig vernietigd als in Brussel, dat nu een stad is waar heel de wereld thuis is, behalve de Vlaming. Hij is uit zijn eigen hoofdstad gejaagd, hij wordt er uitgescholden voor sale flamand. Hij moet het niet wagen om Nederlands te spreken in Bruxelles want dergelijke arrogantie wordt niet geduld. Maar hij mag er wél voor werken, hij mag er wél voor betalen. Zonder Vlaamse steun zou Brussel pas echt een hellhole worden. Niet toevallig is de situatie het ergst in Molenbeek, waar Vlamingenhater Moureaux zolang de plak heeft gezwaaid. Voor hem waren moslims een wapen waarmee hij Vlamingen uit Brussel kon wegjagen. De aanslagen die nu plaats hebben gevonden, onder meer op 100 meter van de Vaste Commissie voor Taaltoezicht (waar op de foto die politiewagen dwars op de weg staat), kunnen niet los worden gezien van de ‘aanslagen’ die op Vlaanderen zijn gepleegd. Waarom zijn onze veiligheidsdiensten zo’n ramp? Omdat ze lam worden gelegd door de eeuwige strijd die Vlamingen moeten leveren tegen het Franstalige imperialisme. 

Ik had op de Vaste Commissie een goeie vriendin, een rasechte Waalse, waarmee ik heel goed kon opschieten. Maar wij waren vrienden omdat ik Frans sprak, want van haar moest ik niet verwachten dat ze Nederlands leerde spreken. Het was een beeld van België: Vlamingen en Franstaligen kunnen prima met elkaar opschieten, zolang de Vlamingen maar toegeven, zolang zij maar erkennen dat België Franstalig is, zolang ze zich gedragen als dhimmi’s. En zo heb ik mij in Brussel altijd gevoeld, als een dhimmi, een tweederangsburger, iemand die geduld werd. Dat oude gebouw van de Commissie voor Taaltoezicht, hierboven op de foto, is eigenlijk een beeld van wat er in Brussel nog overschiet van Vlaanderen, het ooit zo trotse en rijke Vlaanderen. Dat kan ik nooit vergeten als ik aan Brussel denk. En zelfs dát wordt me kwalijk genomen …

Faite en Belgique (2)

  

Mocht u het nog niet weten: Les Diables Rouges gaan volgend jaar – zeer in tegenstelling tot De Oranje Duivels uit het Noorden – naar het EK voetbal in Frankrijk. L’Equipe Belge staat zelfs op 1 in de ranking van de UEFA. Of de FIFA. Of whatever. Dat is natuurlijk une nouvelle fantastique voor alle oprechte compatriotes. De Belgische ploeg la meilleure du monde! Wie had dat ooit kunnen dromen! De voetbalbond vond meteen een nationale voetbalslogan uit – Tous en France – en Laurette Onkelinkx – u weet wel, la grande dame die de Vlamingen ooit en public ‘ongedierte’ noemde – vond dat zulks applaus verdiende op alle banken du parlement Belge. Uiteraard ging tout le monde politique daar graag op in en gaf les héros een daverend applaus. Behalve natuurlijk les boches du N-VA. Die weigerden mee te doen, les crapules! De Vlaamse eer werd echter gered door moustache Siegfried Bracke die enthousiast les mains op elkaar zette.  

Nergens, maar dan ook nergens heb ik één woord van kritiek gehoord op het feit dat de Belgische ploeg vertegenwoordigd wordt door een eentalig Franse slogan. Geen haan die ernaar kraaide (woeha). Was het omgekeerde het geval geweest, dan zou Laurette het schuim op de lippen hebben gestaan en zou het land onbestuurbaar zijn geworden. Ik kan daar maar één conclusie uit trekken: de Vlamingen verdienen niet beter! Als je op dergelijke grove beledigingen niet reageert, als je je laat uitzuigen door mensen die ook nog eens op je kop schijten, als je geen greintje eergevoel meer hebt, dan kun je jezelf beter afschaffen. Het erge is: wat voor Vlaanderen geldt, geldt vandaag voor heel Europa. Wat een beschamende, vernederende ondergang! Al onze ancêtres draaien zich van schaamte in hun graf om. 

Er is nog slechts één hoop: dat de Diables Rouges het volgend jaar nóg slechter doen dan onze noorderburen. O God, mogen zij al hun wedstrijden verliezen met 5 – 0! Daarvoor wil ik met plezier te voet naar Scherpenheuvel gaan en daar alle kaarsen aansteken die ze hebben. Wie gaat mee? 

De Dijver

 

De Dijver (achter de brug) is ouder is dan de stad zelf. Het was oorspronkelijk een cultische plek die misschien wel aan de oorsprong van Brugge ligt. ‘Dijver’ is een Keltisch woord dat ‘heilig water’ betekent. 

Aan de Dijver ligt onder andere hotel De Tuilerieën dat al vele beroemdheden geherbergd heeft. Eén ervan is Jeremy Clarkson. Onder zijn (ingelijste) foto heeft hij geschreven: Great stay! No sunburn at all!

Vloms

‘Beangstigend, ten slotte, is het kneuterige provincialisme van de sociolinguïsten en hun ‘Vlaams’.
Mogen we nog buiten Vláánderen kijken?
We wonen nog steeds in België.
Steeds meer Franstaligen leren Nederlands. Mogen zij niet verwachten dat ze in Vlaanderen dan ook in het Nederlands bejegend worden, en niet in het Vloms van Thuis? Hoe kunnen we van Franstalige landgenoten respect voor het Nederlands vragen als we dat zelf niet opbrengen?
Stel dat je je kinderen thuis laat eten als varkentjes, en ze nette tafelmanieren alleen doet bovenhalen als ze ‘bij mensen’ eten. Dan zullen ze zich de rest van hun leven onzeker en gefnuikt voelen als ze in gezelschap netjes moeten eten. Leer ze dat altijd te doen en het wordt een tweede natuur, en dus spontaan gedrag.’

Aldus Mia Doornaert in De Standaard van 10 november.
Het is bekend dat la Doornaert emotioneel wordt als het gebruik van Vlaamse dialecten ter sprake komt.
Dat is haar goed recht, maar ik moet er altijd om lachen.
Overdreven reacties zoals de hare verraden altijd verwantschap, in dit geval met kneuterige, provincialistische ‘varkens’ die Vloms spreken.
And guess what, we zijn inderdaad familie.
Maar daarmee houdt het ook op.

Toen ik ooit op een familiefeestje de moeder van Mia Doornaert argeloos in het Westvlaams begroette, kreeg ik meteen de wind van voren.
Hoe was het in godsnaam mogelijk dat een licentiaat Germaanse zo’n boerentaaltje sprak!
Het klonk alsof ik de familie te schande had gemaakt.
Het was m’n eerste kennismaking met de ‘betere’ tak van de Doornaert-familie.
Lichtjes verbouwereerd ging ik bij de vertrouwde ‘boerse’ tak zitten, waar ik op gegniffel en schouderklopjes onthaald werd.
Jaja, ze kenden Mia’s moeder wel.

Het klopt niet helemaal dat ik nooit eerder een ‘betere’ Doornaert de hand had gedrukt.
Het feestvarken (sic) van de avond, de heer Marcel Doornaert, jezuïet bij de gratie Gods, kwam af en toe bij ons op bezoek.
Hij liet zich dan voorrijden door een chauffeur, en voor hij deze liet uitstappen, kwam hij informeren of mijn moeder wel genoeg in huis had om de heren te ontvangen, en of ze ook een proper laken op tafel wilde leggen.
Duidelijk een betere Doornaert dus.

Hij vierde zijn 80ste verjaardag in het hoofdkwartier van de jezuïeten in Aalst.
En dat was ook het ‘betere’ werk.
Overal lagen perzische tapijten en stonden kostbare antieke meubelen.
Nee, ze kwamen niets te kort de broeders s.j.
Hun hele gebouw ademde rijkdom.
Zijzelf ademden iets heel anders uit, iets dat in de buurt van kwaadaardigheid kwam.
Nog nooit had ik zoveel gemelijke koppen bij elkaar gezien.
Van feestvreugde of collegialiteit was in de verste verte niks te merken.
Toen de overste – is dat bij de jezuïeten geen generaal? – tijdens de feestrede met een ernstig gezicht vertelde dat pater Doornaert tijdens zijn leven heel veel geleden had en daarom ongetwijfeld nu reeds als een heilige kon beschouwd worden, zag ik overal wenkbrauwen omhooggaan.
Marcel Doornaert veel geleden?
Dat was het eerste dat ze daarvan hoorden.
Ongetwijfeld had hij zwaar geleden onder de smerige tafellakens en het tekort aan sterke drank tijdens de bezoeken aan zijn familie.
Maar verder?
Ik begon te vermoeden dat de (overigens nog relatief jonge) jezuïeten-overste op bedekte wijze de spot dreef met zijn veel oudere collega.
Of waren die jezuïeten werkelijk zo zelfingenomen dat ze ervan overtuigd waren een levende heilige in hun midden te hebben?
Ik kon het moeilijk geloven.

Wat heeft deze kleine familiekroniek nu te maken met wat Mia Doornaert schrijft in De Standaard?
Veel, denk ik.
Op het bewuste familiefeest waren er namelijk drie ‘standen’ bijeen.
De geestelijke stand der jezuïeten, even intelligent als kwaadaardig en rijk.
De hogere stand van de betere Doornaerts met hun keurige ABN.
De lagere stand van de provincialistische Doornaerts met hun kneuterige Westvlaams.
De moeder van Mia Doornaert was tijdens het feest niet weg te slaan van haar zopas heilig verklaarde schoonbroer.
Ze vormden een merkwaardig seculier-religieus duo dat door niemand ernstig werd genomen, niet door de hogere stand, niet door de lagere.
En geen van beiden had dat door.

Wel, ik denk dat Mia Doornaert het ook niet doorheeft.
Ze is al een tijdje barones en mag zich dus verheugen in de waardering van de hogere, en dus Franstalige, standen in België.
Ze staat dan ook altijd klaar om de Belgische belangen te verdedigen.
Een knecht kent zijn meester nietwaar?
Maar zou Mia door die hogere kringen echt ernstig worden genomen?
Of wordt ze gewoon beschouwd als een gewillig werktuig in hun verdeel-en-heers-politiek?
Want als de Franstalige elite haar macht in België wil behouden, moet ze verdeeldheid zaaien onder de Vlamingen.
Of de verdeeldheid die er al is, cultiveren en aanwakkeren.
En die verdeeldheid heeft veel, heel veel te maken met taal.

Dat we vandaag in Vlaanderen überhaupt nog Nederlands spreken, is te danken aan de kneuterige, provincialistische Vlamingen die, wegens gebrek aan onderwijs, geen Frans spraken zoals de betere kringen maar een plaatselijk Vlaams dialect.
Aangezien deze lagere standen in de 19de eeuw tot een erbarmelijk niveau waren afgezakt – zou het werkelijk toeval zijn dat barones Doornaert een vergelijking maakt met ‘varkentjes’? – klonk hun Vlaamse dialectversie van het Nederlands ongetwijfeld verre van beschaafd
Ik kom op mijn wandelingen soms wel eens oude autochtonen tegen, en als ik met hen in gesprek raak, moet ik raden naar wat ze willen zeggen, want hun dialect klinkt als het uitstoten van een reeks onsamenhangende oerklanken.
Ik kan me op zo’n moment levendig de minachting en afkeer van de betere kringen inbeelden voor dit soort ‘primitieven’. Ze moeten deze Vlaamse boertjes op dezelfde manier bekeken hebben als de kolonialen destijds de ‘negertjes’ bekeken.
Toen Vlaanderen uit zijn assen verrees en de betere kringen Nederlands gingen spreken, verdween die minachting niet.
Ze zocht andere wegen, en één ervan was een diepe afkeer voor het dialect.
Iedere ontwikkelde Vlaming diende zich daar krachtig van te distantiëren door een over-beschaafd Nederlands te spreken, het soort bekakte Nederlands waarvan bijvoorbeeld Julien Schoenaerts zich bediende.

Vlaamse kinderen, aldus Mia Doornaert, zullen zich hun leven lang onzeker en gefnuikt voelen als ze in beschaafd gezelschap Nederlands moeten spreken, want ze hebben het thuis niet moeten doen en daardoor is het geen tweede natuur kunnen worden.
Dat was inderdaad de filosofie van de ontwikkelde Vlamingen (die geen Frans meer spraken): we moeten onze kinderen verplichten om beschaafd Nederlands te spreken, want op die manier zullen ze het spontaan doen als ze groot zijn.
Diezelfde mentaliteit kwam ik ook tegen in Leuven toen ik daar (zonder enige overtuiging trouwens) Germaanse ging studeren.
De eerste dag al drukte een prof ons op het hart dat we overal en altijd ABN moesten spreken.
Ik dacht bij mezelf: wat denkt die vent wel?
Ik peinsde er niet over om me het castratentaaltje aan te meten dat ik zoveel mensen hoorde spreken en dat doorging voor ‘beschaafd’.
Ik hield te veel van taal dan dat ik ze op zo’n manier de nek zou willen omdraaien.
Je kunt veel zeggen van dialect – bijvoorbeeld dat het niet beschaafd is – maar het leeft tenminste.
En als ik moet kiezen tussen levende en dode taal, dan weet ik het wel.

Mensen als Mia Doornaert denken dat je een dode taal tot leven kunt wekken als je kinderen van jongs af dwingt om ze te spreken.
Ze is er zelf het beste bewijs van dat zoiets niet werkt.
Het soort Nederlands dat ze spreekt, klinkt allesbehalve als een tweede natuur.
Wat daarentegen wel als een tweede natuur klinkt, is haar afkeer voor dialectsprekers, dezelfde afkeer waar ik mee te maken kreeg toen ik haar moeder in het Westvlaams begroette.
Het is geen afkeer voor het dialect zelf – hoe kun je nu afkeer voelen voor je moedertaal? – maar voor degenen die weigeren zich tegen het dialect te keren.
Wie een wig drijft in een taal, drijft ook een wig tussen mensen.

De fout die Mia Doornaert maakt – en veel taalpuristen met haar – is dat ze taal niet als een levend wezen beschouwt.
Het levende Nederlands in Vlaanderen is het dialect.
Je kunt dat spijtig, pijnlijk of beschamend vinden, maar het is niet anders.
Als je die werkelijkheid niet erkent en respecteert, zal ze zich verzetten tegen alle ‘beschavingspogingen’ hoe goedbedoeld die ook zijn.
Ik ben dan ook een groot voorstander van de zogenaamde ‘tussentaal‘, niet als een doel, maar als een overgangsfase.
Wij Vlamingen komen van ver en we hebben nog een hele weg te gaan.
Maar je maakt die weg niet korter door sneller te willen gaan.
Wel integendeel.

An noch ik hebben ooit één woord ABN met onze kinderen gesproken, en toch spreken ze geen van drieën dialect.
Talen die leven evolueren vanzelf.
Maar dat heeft tijd nodig.
Je kunt iets dat leeft niet forceren zonder het te beschadigen.
Daarom ben ik blij met het soort tussentaal dat jonge mensen vandaag spreken en dat zelfs gecultiveerd wordt op tv.
Er spreekt een nieuw soort zelfbewustzijn uit, een zelfbewustzijn waar Vlamingen zo’n nood aan hebben.
Mensen als Mia Doornaert hebben wellicht hun verdiensten, maar door hun krampachtig purisme doen ze die verdiensten weer teniet.

Ja, Mia Doornaert is een voorbeeld van de onzekere en gefnuikte Vlaming die zich verplicht ziet of voelt om in beschaafd gezelschap beschaafder dan beschaafd te spreken en juist daardoor zijn onbeschaafdheid verraadt.
Want beschaafde mensen houden van hun taal, ze willen haar geen geweld aandoen en geven haar de kans om op haar eigen tempo te groeien en niet op het tempo van mensen die zich schamen voor hun afkomst en hun kneuterige, provincialistische familie.
In een interview zei Mia Doornaert ooit dat ze eigenlijk een frivool meisje is.
Wie de barones ooit gezien en gehoord heeft, weet wel beter.
Ze is helemaal geen frivool meisje, ze zou het alleen heel graag willen zijn.
Op dezelfde manier zou ze ook wel willen dat het ABN een tweede natuur voor haar was.
Maar dat is niet zo.
En dat neemt ze anderen kwalijk.
Ze noemt hen zelfs kneuterig en provincialistisch.

Ziedaar het Vlaamse probleem in een notedop.