De boom

Ik ben Lieven Debrouwere en nee, ik maak geen films. Lieven De Brauwer is iemand anders. Hij woont weliswaar in de buurt, heeft ook wortels in het verre Gullegem en is onwaarschijnlijk sympathiek, maar verder houdt de gelijkenis op.
Ik ben geboren in Lier, op 5 november 1954, uit Westvlaamse migranten. Mijn vader was militair, mijn moeder huisvrouw, vandaar het tegelijk militante en huiselijke karakter van dit blog. Na een kort oponthoud in Brugge trok ons gezin (ik had inmiddels een zus als gezelschap) naar Mechelen waar het zich na drie pogingen – verhuizen was onze regel wel – definitief vestigde in de Voetbalstraat, in een huis waarvan de rolluiken geschilderd waren in de rood-gele kleuren van de Malinwa.
Ik verdeelde mijn jeugd tussen de straat, Racing Mechelen (destijds het Miami Heat van het Belgische basket, met in zijn rangen de legendarische Lee Clark, de LeBron James van de Winketkaai), het Scheppersinstituut (onder de hoede van de Broeders van Liefde) en de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten (een spin-off van de aloude Antwerpse academie). Mijn fysieke activiteiten beperkten zich tot het maken van eindeloze fietstochten en het gooien van een bal naar (en soms in) een korf. Mijn geestelijke activiteiten speelden zich af op een veel kleiner gebied. School en academie lagen aan weerszijden van dezelfde straat. Nog een straatbreedte verder stond de imposante Sint Romboutstoren die deed wat torens doen: boven alles uittorenen. Religie, kunst en wetenschap lagen op één lijn van niet eens honderd meter lang. Een metafoor, zo zou later blijken.
De schoolbanken veranderden langzaam maar zeker in pijnbanken. Zonder de ezels van de academie zou ik ze wellicht niet overleefd hebben. Hoe duisterder mijn schoolse weken werden, des te lichter werden de zondagse uren die ik on the sunny side of the street doorbracht. Het geloof dat ik in de kerk verloor, vond ik weer in de kunst. Het zou een steun en toeverlaat worden voor het leven.
Na een dramatisch laatste humaniora-jaar, trok ik naar Leuven op aanraden van mensen die het goed met me voor dachten te hebben en achteraf nog gelijk bleken te hebben ook. Maar zo voelde het toendertijd niet aan. Ik koos voor het minste kwaad: Germaanse. Wetenschappelijk zeveren, daar kwam het op neer. Ik zeverde vijf jaar lang de pannen van het dak en haalde zo mijn diploma. Gelukkig deed ik in die dagen ook zinnige dingen: ik studeerde astrologie, werd macrobioot en leerde mijn vrouw kennen.
Nadat ik eerst twee jaar in Antwerpen had gewoond (ik was smoorverliefd op de koekestad), trouwden An en ik in Zwevegem. An heet officieel eigenlijk Ann, want het gemeentebestuur accepteerde in de jaren ’50 van de vorige eeuw zo’n volksvreemde naam als An niet.
We gingen in Melle wonen, want An had werk gevonden in de toen nog piepjonge Gentse Steinerschool. Zelf was ik tot mijn stomme verbazing ambtenaar geworden bij de Vaste Commissie voor Taaltoezicht in Brussel, alwaar ik zes jaar lang volstrekt zinloos werk verrichte. Toen werd ik aan de deur gezet en verwisselde mijn status van tewerkgestelde werkloze voor die van echte werkloze.
Ik was intussen vader geworden van Helena en mijn vrouw was als vanzelfsprekend gestopt met werken om te kunnen moederen. Het werd financieel dus een beetje krap. Ik schoof iedere dag aan voor een stempel en gleed langzaam weg in een depressie waaruit ik me pas drie jaar later – ik was toen 33 – bevrijdde, en wel door mijn pogingen te staken om te doen wat anderen van mij verwachtten. Voor het eerst in mijn leven nam ik zelf het initiatief: ik besloot om weer te gaan tekenen, ongeacht de gevolgen.
Ik vroeg en kreeg vrijstelling van stempelcontrole en keerde terug naar de mythische plek waar ik was ingewijd in de kunst: de academie van Mechelen. Vijf jaar lang zou ik er blijven. Ik leerde er niks meer, maar was wel getuige van de tragische ondergang van die ooit zo bloeiende instelling. Zelfs mijn oude, geliefde leraar deelde in de brokken: hij viel ten prooi aan Alzheimer.
Ik naderde de 40. M’n schepen waren verbrand. Ik begon aan een carrière als karikaturist, want dat was zowat het enige waar ik goed in was. Het begon veelbelovend maar meer dan af en toe een mooie zakcent zou ik er nooit mee verdienen.
Gelukkig was An weer beginnen werken. Ze sprokkelde jobs bij elkaar om de eindjes aan elkaar te knopen en de inmiddels drie kindermonden (na Helena waren Jan en Marianne er nog bijgekomen) te voeden.
Intussen was ik ook beginnen schrijven. Iedere maand leverde ik een artikel voor De Mare, het tijdschriftje van de Gentse Steinerschool. Ik schreef zoals ik tekende: ongenadig overdrijvend maar altijd gelijkend. Ik mocht dan wel een overtuigd antroposoof zijn geworden, ik was het op mijn manier en die viel niet bij iedereen in goede aarde. Na 7 jaar werd ik het gezeur moe en begon met een eigen tijdschrift, Het Vijgeblad, dat ik eigenhandig volschreef, illustreerde, uitgaf en naar de post bracht. Iedere maand, vier jaar lang.
Toen ik vaststelde dat ik mezelf begon te herhalen, en mijn rug het bovendien liet afweten, gaf ik er de brui aan. Veertig nummers: het was welletjes geweest.
Ik was inmiddels bijna 50 geworden en we waren verhuisd naar Destelbergen.
Ik stortte me nu op het grote werk. Ik vertaalde een boek en begon er zelf een te schrijven. Maar mijn arm bleek te kort, zoals ze in Antwerpen zeggen. Gefrustreerd gaf ik het op. Ik wilde voortaan alleen nog schilderen. Kleur, dát had ik nodig in mijn leven! Er was één klein probleem: ik moest het nog leren. Ik was een tekenaar, geen schilder.
Het kleine probleem bleek een groot probleem te zijn. De olieverf wilde niet luisteren. Ze deed haar eigen zin. Ik rukte me de resterende haren uit het hoofd. Wat moest ik doen? Hulp zoeken? Ik wist wat moderne schilders aan moderne academies leren. Ik had echter al een opleiding professioneel zeveren achter de rug. No way dat ik het nog eens in kleur zou overdoen! Dus nam ik mezelf als leraar onder de arm. Slecht idee natuurlijk. Vraag nooit hulp aan familie! Het werd een enorme worsteling, maar met de moed der wanhoop zette ik door. Na jaren vechten met mezelf – ik kan dit niet! ik ben te oud! het is te laat! – kreeg ik de opstandige olieverf min of meer in het gareel.
Intussen ontdekte ik in een boek dat ik aan autisme leed. Alweer een probleem opgelost! Althans in theorie. Want in de praktijk veranderde er niks. De wereld bleef met donderend geweld bij me naar binnen stormen en ik kon daar niet veel anders tegen doen dan me zo klein mogelijk maken.
Schilderen hielp. Daar werd ik weer wat groter van, als het lukte tenminste. Maar kleur alleen was toch ook niet alles. Ik kon me niet voorstellen dat ik de rest van m’n leven alleen maar zou schilderen. Wie zou dat trouwens betalen? Mijn arme vrouw die zich krom werkte? Nee, ik kon niet leven zonder de scherpe lijnen van het denken. Ik wilde weer schrijven. Het was bovendien veel goedkoper. En zo ontstond, na een digitale lijdensweg, Vijgen na Pasen. Hoe het verder gaat, dat leest u op deze blog.

20130628-151351.jpg

Ik doe een Picassootje met vrouw en kleinkind