Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Het levende denken (2)

  

 

Volgens Rudolf Steiner zal het denken weer tot leven komen in drie fasen: de imaginatie, de inspiratie en de intuïtie. ‘De trappen van het hoger bewustzijn’ noemt hij ze. Levend denken is met andere woorden het stapsgewijs opklimmen tot bewustzijn van de geest. In onze tijd staan we nog helemaal onderaan deze trap. Wie kan immers zeggen dat hij de geestelijke wereld in beelden voor zich ziet, dat hij de stemmen hoort van geestelijke wezens of dat hij in harmonie met hen leeft! Tot nog toe kennen we slechts één mens die erin geslaagd is een volkomen levend denken te ontwikkelen, en dat is Rudolf Steiner. Onnodig te zeggen dat niemand zelfs maar in zijn buurt komt. Van alle antroposofen die ik heb ontmoet waren er maar één of twee waarvan ik dacht: die mensen weten, zien en kunnen meer dan anderen. Zelf voel ik na 35 jaar antroposofie nog altijd vooral de onmacht om mij te ontworstelen aan de aardse zwaarte en de stairway to heaven te beklimmen.

Denken tot leven wekken gaat ontzettend langzaam. Het is dan ook iets waar we de hele tweede helft van de mensheidsontwikkeling mee bezig zullen zijn. In het verleden zijn we langzaam ingeslapen voor de geest, in de toekomst zullen we er langzaam wakker voor worden. Pas als eenieders denken helemaal levend is geworden zal die ontwikkeling afgelopen zijn. We hebben dus nog de tijd, we staan pas aan het begin. Toch wees Rudolf Steiner voortdurend op de dringende noodzaak om wakker te worden, en vandaag is het de actualiteit die ons daar dagelijks aan herinnert. Hoe valt die dringendheid te rijmen met de zeeën van tijd die nog voor ons liggen? De sleutel tot dat raadsel geeft Rudolf Steiner ons in zijn karmavoordrachten, wanneer hij het heeft over het proces van inslapen en ontwaken. Hij wijst er en passant op dat dit proces tot het moeilijkste behoort dat geesteswetenschappelijk onderzocht kan worden. Het gaat dus om iets heel fundamenteels. 

Wanneer we ’s avonds in slaap vallen, verlaat ons Ik ons lichaam en vertrekt naar de geestelijke wereld. ’s Morgens keert het terug en dringt ons lichaam binnen via onze tenen en vingertoppen. Dat gaat heel geleidelijk. Een fatsoenlijk mens, aldus Rudolf Steiner, wordt uiterlijk om 7 uur wakker – en blijft ook wakker – maar een half uur later is zijn Ik nog niet verder gekomen dan zijn enkels. Zo beschrijft hij het letterlijk. Ons Ik heeft de hele dag nodig om ons fysieke lichaam weer in bezit te nemen. Wanneer het dat lichaam ’s avonds helemaal vult, begint het het alweer te verlaten (via het hoofd) en vallen we in slaap. Ons geestelijk wezen is dus voortdurend in beweging, niet alleen overdag maar ook ’s nachts. Dan doorlopen we al onze voorbije levens in omgekeerde volgorde en we worden pas wakker wanneer we bij het allereerste aangekomen zijn. Dat gebeurt zelfs, voegt Rudolf Steiner er monkelend aan toe, wanneer we tijdens een voordracht even indommelen. 

Maar als ons Ik ’s morgens nog maar in onze tenen zit, hoe kunnen we ons dan al klaarwakker voelen? Het antwoord op die vraag luidt: omdat er in de geestelijke wereld andere wetten heersen dan op aarde. In de fysieke wereld kan iets maar op één plek zijn, in de geestelijke wereld is een geest overal. Zodra ons Ik in onze tenen kruipt, is het werkzaam en voelbaar in ons hele lichaam. Dezelfde alomtegenwoordigheid doet zich ook voor na het inslapen, bij het beleven van onze voorbije levens. Die spelen zich niet af in de tijd, anders zouden we ze nooit allemaal kunnen doorlopen tijdens een hazenslaapje. Waarschijnlijk treden ze op als een soort tableaux vivant zoals we dat ook na onze dood te zien krijgen. En daarin kunnen we ons vrij bewegen, want er is geen ruimte of tijd in de geestelijke wereld. Omdat ons denken aan de aarde gebonden is, kunnen we ons dat moeilijk voorstellen, maar het verklaart wel waarom ons bewustzijn ’s morgens meteen overal is, ook al zit ons Ik pas in onze grote teen. 

Hetzelfde geldt voor ons hoger bewustzijn: hoe weinig we er ook van realiseren, de werking ervan laat zich voelen in onze hele lichaam. Om te beginnen is dat ons astrale lichaam, waar ons denk- en gevoelsleven zich afspeelt. Dat ondergaat onmiskenbare veranderingen, ook al worden ze pas geleidelijk merkbaar. Die veranderingen beïnvloeden op hun beurt ons etherische lichaam en ons fysieke lichaam, al valt daar weinig of niets van te merken. Vooral met het fysieke lichaam maken we deel uit van de aarde, die ons gemeenschappelijke lichaam is, het mensheidslichaam. Wat het levende denken aan ons eigen lichaam doet, doet het dus aan de hele wereld. Dat geldt uiteraard ook voor het dode denken. Zelfs zonder dat we het in daden omzetten, werkt het verstarrend, verhardend en ziekmakend op onze medemensen, op de samenleving, op de natuur, op het klimaat. Al houden we op de natuur geweld aan te doen, gezond kan ze pas weer worden als ook ons denken tot leven komt. 

En dat dient stapsgewijs te gebeuren. Eerst moet het imaginatieve denken ontwikkeld worden, daarna het inspiratieve denken en ten slotte het intuïtieve denken. Deze stappen komen overeen met denken, voelen en willen. Aangezien ze zich in onze (geestelijke) zieleruimte afspelen, zijn ze er altijd alledrie tegelijk. Zoals je niet kunt denken zonder ook te voelen en te willen (en omgekeerd), zo bestaat er ook geen imaginatief denken zonder inspiratief en intuïtief denken: ze horen samen, ze vormen één geheel. Maar de menselijke ziel is ook gebonden aan de aarde, ze is in tijd en ruimte geplaatst, en dat betekent dat denken, voelen en willen niet alleen duidelijk onderscheiden kunnen worden (ruimte) maar ook dat ze zich in een welbepaalde volgorde ontwikkelen (tijd). Keren we deze volgorde om en vermengen de drie gebieden zich, dan ontstaat er chaos. Hetzelfde geldt voor de imaginatie, de inspiratie en de intuïtie: we moeten ze duidelijk van elkaar onderscheiden en we moeten ze één voor één ontwikkelen.

Doen we dat niet, dan struikelen we over onze eigen voeten en komen geen stap verder. Dat is wat momenteel gebeurt. We maken steeds minder onderscheid tussen denken, voelen en willen. Wat we een gevoel noemen, is maar al te vaak een oordeel, en wat we een gedachte noemen is vaak niet meer dan een mening, dat wil zeggen een gevoel dat onder woorden is gebracht. Dat gevoel wordt dan weer in hoge mate bepaald door de idealen die we koesteren, door datgene wat we willen. Denken we maar aan het begrip ‘racisme’ dat steevast gepaard gaat met hevige emoties die zelden in de werkelijkheid wortelen maar des te meer in het ideaal van Alle Menschen werden Brüder. Denken, voelen en willen vormen in toenemende mate een kluwen dat chaos veroorzaakt. Niet het grote broederschapsideaal is daar verantwoordelijk voor, maar het feit dat we het ideaal niet onderscheiden van de voorstellingen die we ervan maken, noch van de gevoelens die het in ons opwekt. 

Denken, voelen en willen ontwikkelen zich ook in de tijd. Als kind ontplooien we eerst onze wil, daarna ons gevoel en ten slotte ons denken. Wordt die natuurlijke volgorde omgekeerd doordat we al in de kleuterklas leren denken nog voor onze wil en ons gevoel ontwikkeld zijn, dan ontstaan de ontwikkelingsstoornissen die vandaag zoveel problemen veroorzaken. Ook ons hoger bewustzijn dient in de juiste volgorde ontwikkeld te worden, en dat des te meer naarmate het de geest benadert, want die doet imaginatie, inspiratie en intuïtie ineenvloeien. Eigenlijk zijn niet wij het die de geest benaderen, het is de geest die ons benadert en die ons denken weer tot leven wekt. Rudolf Steiner voorspelde dat we op natuurlijke wijze weer helderziend zouden worden, dat wil zeggen zonder dat we er iets voor hoeven te doen. Op dezelfde manier zullen we ook helderhorend en helderwillend worden. Dat hangt niet van onszelf af, het is de wil van de geest. Maar het is wel de bedoeling dat we er onze wil van maken.

We leven op het Keerpunt der Tijden, de hele mensheidsontwikkeling keert zich om. Het geleidelijk inslapen voor de geest verandert nu in een geleidelijk ontwaken voor de geest. Dat is – net als het gewone inslapen en ontwaken – een kosmische beweging, een beweging van de wereldgeest. Wij kunnen daar als mens niks aan doen. Of we het nu willen of niet, we zullen ontwaken voor de geest en ons denken zal opnieuw tot leven komen. Maar of dat ontwaken ons tot heil zal strekken dan wel ons tot waanzin drijven, dat hangt wel van onszelf af. Tot aan het Keerpunt der Tijden werden we geleid door de geestelijke wereld. Die heeft zich nu teruggetrokken en we staan op eigen benen. Deze pasverworven vrijheid brengt echter grote gevaren met zich mee, want de tegenmachten zien hun kans schoon, niet om de ontwikkeling van ons hoger bewustzijn te verhinderen (want dat kan niemand), maar om ze in de war te sturen, om ze tegen zichzelf te keren en er een lager, dierlijk bewustzijn van te maken. 

Dat doen ze paradoxaal genoeg door de ontwikkeling van ons hoger bewustzijn te stimuleren en te versnellen. Lucifer maakt ons denken dromeriger en gevoelsmatiger, zodat het meer geest kan opnemen. Hij breekt de harde, starre vormen van ons dode denken af, maakt het weker, doet grenzen en onderscheidingen vervagen. Ahriman van zijn kant perst de tijd als het ware samen. Hij verleidt er ons toe de hele toekomstige ontwikkeling nu reeds te willen realiseren. Dat komt erop neer dat de geest – waarvoor Lucifer ruimte schept – gematerialiseerd wordt, opgesloten in de harde, starre vormen van het dode denken. Die bezwijken vervolgens onder dit ‘geestelijk geweld’, vallen in stukken uiteen en gaan tot ontbinding over. Als de mens zijn verstand niet wil verliezen, als hij niet overspoeld wil worden door dwingende imaginaties en stemmen die hem tot slaaf maken van de tegenmachten, als hij wil verhinderen dat ze zijn Ik uitdrijven en diens plaats innemen, dan moet hij op de rem gaan staan, dan moet hij zijn denken vertragen.

De gevolgen van dit versnelde, bezeten denken vallen in onze tijd duidelijk waar te nemen. Rudolf Steiner waarschuwde er reeds voor. De gevaren van helderhorendheid (inspiratie) zijn nog veel groter dan die van helderziendheid (imaginatie), en het behoort tot de akeligste dingen die hij gezegd heeft dat er steeds meer mensen zouden verschijnen die geen mensen meer zijn, die geen Ik bezitten maar louter instrument van de tegenmachten zijn. Wie de Social Justice Warriors aan het werk ziet, kan zich niet van de indruk ontdoen dat hij het had over dit soort agressieve, voor geen rede vatbare en door angst gedreven wezens. Hoe dan ook, het is huiveringwekkend om te zien hoe steeds meer mensen tekenen van bezetenheid vertonen, hoe ze niet helder meer kunnen denken, hoe hun gevoelsleven overspoeld wordt door dierlijke driften. Het is alsof ze innerlijk aan het desintegreren zijn. Het gaat dan ook steeds meer om wat Bernard Lievegoed ‘de redding van de ziel’ noemde.

Op de achtergrond van dit aardse drama staat een kosmisch drama. Toen Christus op aarde kwam, bleef Michaël achter op de zon om daar de kosmische intelligentie te beheren, de scheppende kracht van het Woord. Dit moeilijk te vatten begrip kan misschien nog het best omschreven worden als ‘de harmonie der sferen’. In ieder geval, toen Christus op aarde zijn leven had geofferd, bracht Michaël ook een offer in de hemel: hij deed afstand van de kosmische intelligentie en gaf ze in handen van de mensheid. Hij liet ze, zoals Rudolf Steiner het beschrijft, langzaam neerdruppelen op aarde, als een langzaam sterker wordende regenbui. De kosmische intelligentie schoot wortel in de hersenen van de mens, die voor het eerst in zijn bestaan zelf begon na te denken. Aanvankelijk waren slechts enkelingen daartoe in staat, maar geleidelijk werden het er meer en meer, en vandaag beschouwen we het als vanzelfsprekend dat iedereen voor zichzelf kan denken. 

Lang niet alle engelen gingen akkoord met het besluit van Michaël, er ontstond zelfs onenigheid in de hemel. Als we zien wat er vandaag op aarde gebeurt, kunnen we dat maar al te goed begrijpen. De kosmische intelligentie is bijna helemaal in handen van de tegenmachten gevallen en dat heeft hen een enorme macht gegeven die zelfs doorwerkt tot in de geestelijke wereld. Michaël, die net als Christus zijn lot verbonden heeft met dat van de mens, wacht nu tot deze hem de intelligentie weer ter hand stelt zodat hij de ontwikkeling ervan in goede banen kan leiden. Hij kan de mens maar helpen als deze hem tegemoet komt en zelf het initiatief neemt. Dat betekent dat het lot van de aarde – en tot op zekere hoogte ook van de geestelijke wereld – in onze handen ligt. Daarom hamerde Rudolf Steiner er steeds weer op dat we wakker moeten worden, want hoe weinig Michaël ook kan doordringen in ons denken, zijn werking wordt gevoeld in heel de wereld, ook de geestelijke.

Ons denken weer ter beschikking van Michaël stellen, betekent de ontwikkeling ervan vertragen, ze onttrekken aan de vergeestelijking van Lucifer en de versnelling van Ahriman. Een denken dat de kracht niet bezit om die (geestelijke) snelheid te volgen, struikelt voortdurend over zijn eigen voeten, komt geen stap vooruit en zakt ten slotte uitgeput in elkaar. Het slaagt er niet in zich een duidelijk beeld te vormen van de geest die zich in ons bewustzijn kenbaar wil maken en in plaats daarvan treden vage imaginaties op die veel dwingender zijn dan de heldere begrippen van ons dode denken. Pas wanneer we deze onbewuste ‘visioenen’ doordringen met abstracte gedachten nemen ze een duidelijke vorm aan en kunnen we een vrije relatie aangaan met de geest die er zich in uitdrukt. Tegelijk krijgen die gedachten een innerlijke samenhang die ze nu niet meer hebben. Het tot leven wekken van het denken impliceert dus een wederzijdse toenadering van mens en geest, van dood denken en levend denken.   

Advertenties

De lege kamer

  

De verkiezingen zijn voorbij en met grimmig genoegen lees ik in de kranten de reacties en beschouwingen. Ik geniet van de verontwaardiging, de ontzetting, de woede en de afschuw over weer een ‘zwarte zondag’, over de zoveelste ‘ruk naar rechts’, over het alsmaar groeiende populisme – om niet te zeggen fascisme – in Vlaanderen. Ik geniet ervan als van de boksmatch voor de wereldtitel zwaargewichten tussen Anthony Joshua en Andy Ruiz: een grote, rijzige Adonis met een gespierd, afgetraind lichaam tegen een kleine, zwaarlijvige deplorable met z’n bleke vel vol tattoos. Het was alsof het beschaafde, ontwikkelde en artistieke Links en het lelijke, ordinaire en plompe Rechts hier samen in de ring stonden. Iedereen ging ervan uit dat de grote, gespierde Joshua korte metten zou maken met dat kleine, vette varken. Iedereen, behalve enkele kenners die zeiden: Joshua gaat neer. En ze kregen gelijk. De gedoodverfde favoriet ging liefst vier keer tegen de vlakte voor de scheidsrechter er een eind aan maakte.

Hoogmoed komt voor de val. Joshua had zijn tegenstander zwaar onderschat. De verleiding was dan ook groot. Eén blik op Ruiz en je vroeg je af: wat komt die papzak in een boksring doen? Maar wierp je ook een blik op zijn palmares dan volstond dat ruimschoots om je van gedacht te doen veranderen. Joshua, glimlachend en vol van zichzelf, vond dat blijkbaar niet nodig. Toen hij de eerste keer neerging, stond het ongeloof op zijn gezicht te lezen: wat gebeurt hier, dit kan toch helemaal niet? Ruiz van zijn kant kraaide geen victorie, hij bleef rustig en wachtte zijn tijd af. En die kwam: nog drie keer sloeg hij blaaskaak Joshua neer, tot de scheidsrechter hem uit zijn lijden verloste. Na de wedstrijd bleek de nieuwe wereldkampioen – die er volgens de altijd vermakelijke Tyson Fury uitzag alsof hij alle Snickers van Californië had opgegeten – een vriendelijke en bescheiden jongen te zijn die alle grote woorden schuwde en zichzelf niet op de borst sloeg. Een verademing in dat wereldje vol opgefokte alfa-mannetjes. 

De titelkamp bij de zwaargewichten was een politieke metafoor. Wat Rechts had doen winnen in Vlaanderen (maar ongetwijfeld niet alleen daar) was de hoogmoed van Links, dat vol minachting neerkeek op de white trash van het andere kamp. De stemmers op het extreemrechtse Vlaams Belang waren in hoofdzaak gewone mensen – mannen met bierbuiken, vrouwen die naar Thuis kijken – en daar mag intellectueel Links graag de draak mee steken. Maar dit keer brak het hen zuur op, want de Vlaamse deplorables, die ze voortdurend te kakken zetten en die daar niks kunnen tegen doen omdat ze geen toegang hebben tot de media, haalden hun gram in het stemhokje. De uitslag was één grote uitgestoken middenvinger naar de mooie, beschaafde, welstellende en o zo zelfgenoegzame intellectuelen en culturo’s die er plezier in scheppen die lompe stieren van rechts te sarren door voor hun achterlijke neus heen en weer te zwaaien met holebi’s, transgenders, moslims, loonklooffeministen en andere rode vlaggen. 

Omdat woorden wekken maar voorbeelden trekken, heb ik besloten een Ruizke te doen. Mijn tegenstander in de ring is professor Ignaas Devisch, docent filosofie en ethiek aan de universiteit van Gent, en net als Joshua un beau garçon. Om de haverklap verschijnt hij op televisie, hij schrijft aan de lopende band artikels voor de krant, en hij is ook nog eens lang en slank. Zelf weeg ik meer dan 100 kilo, dus het plaatje klopt, al heb ik wel geen tattoos. Onze schriftelijke boksmatch gaat over een krantenartikel met de stoere titel ‘Denk maar niet dat ik zal zwijgen’. Ignaas Devisch slaat zich daarin luid op de borst om iedereen te tonen hoe moedig hij wel is en hoe hij desnoods in zijn eentje stand zal houden tegen de gewetenloze vijand. Wel, ik ben van plan deze wereldkampioen knock out te slaan in de tweede ronde en aan te tonen dat hij niet alleen een lafbek is, maar ook een domkop die het niet verdient les te geven aan een universiteit. Zo doen boksers dat: eerst verkopen ze trash talk en daarna slaan ze erop. 

Eerste ronde. Ignaas Devisch begint met een hot item: Dominiek Steppe, een pas verkozen Kamerlid voor Vlaams Belang, heeft in een interview verklaard het homohuwelijk een brug te ver te vinden. Dat vindt professor Devisch absoluut niet kunnen en hij is dan ook blij dat ze door haar partij het zwijgen werd opgelegd. Ik zal haar niet missen, voegt hij eraan toe. Hoezo, missen? Hij lijkt ervan uit te gaan dat Vlaams Belang dezelfde taktiek toepast als politiek-correct links: één verkeerd woord en het is afgelopen met je. Dat vindt de professor duidelijk een toe te juichen praktijk: alle rotte appels moeten eruit, zonder pardon. Maar aan het eind van zijn artikel schrijft hij: ‘Ik zal niet zwijgen over het belang van vrije meningsuiting, inclusief voor extreemrechtse politici. Dus leden van Vlaams Belang: doe jullie werk als volksvertegenwoordiger of partijlid, geef jullie visie over cultuur, spreek jullie uit voor of tegen holebi’s.’ Jawel, het staat er letterlijk, zwart op wit. Wie het niet gelooft, kan het nalezen in De Standaard van 7 juni, pagina 35.

De match is pas begonnen of de professor gaat al neer. Ik heb hem niet eens geraakt, hij is over zijn eigen voeten gestruikeld. Iedereen heeft recht op vrije meningsuiting, toetert hij, maar als Dominiek Steppe haar mening uit, vindt hij het niet meer dan normaal dat ze het zwijgen wordt opgelegd. Hij spoort Vlaams Belangers aan om zich uit te spreken voor of tegen holebi’s, maar bij het eerste kritische woord over het homohuwelijk worden ze aan de schandpaal genageld. Het lijkt wel een valstrik, een muizenval. Zou de professor die academische taktiek ook toepassen in zijn ‘auditoria die open staan voor iedereen’ en waar hij ‘met zoveel mogelijk mensen in debat wil gaan’? Hij zou alvast niet de enige zijn. Ik heb mijn oudste dochter ooit eens geholpen met een paper waarin ze haar mening moest geven over hedendaagse kunst. Ik waarschuwde haar: daar kunnen ze niet tegen! Ze wuifde het weg, haar docent was een faire kerel die nooit iemand fleste. Maar wie had er aan het eind van het jaar een buis aan haar been? Jawel. 

Ik heb eigenlijk al geen zin meer om verder te boksen. Er valt geen eer te behalen aan zo’n tegenstander. Maar wie in de ring stapt, moet doorgaan, en dus wil ik deze misleider zo vlug mogelijk KO slaan. Ignaas Devisch is een van de velen die aanvallen wat ze beweren te verdedigen door te zeggen ‘dat er natuurlijk grenzen zijn aan de vrije meningsuiting’. Merkwaardig genoeg vallen die grenzen meestal samen met de grens tussen links en rechts. Dat is ook hier weer het geval. De mening van Dominiek Steppe is rechts en aangezien de vrijheid van meningsuiting alleen geldt voor correcte – en dus linkse – meningen, mag, ja moet haar het zwijgen worden opgelegd. Ignaas Devisch liegt dus wanneer hij zegt op te komen voor eenieders vrije meningsuiting. Het is natuurlijk mogelijk dat hij het niet opzettelijk doet en dat hij niet weet dat hij zichzelf tegenspreekt. In dat geval is hij geen leugenaar maar een domkop. Ik weet niet wat erger is.

Door zich nadrukkelijk op te werpen als verdediger van de vrije meningsuiting – ook van extreemrechtse politici – en het tegelijk volkomen vanzelfsprekend te vinden dat Dominiek Steppe de mond wordt gesnoerd, doet Ignaas Devisch uitschijnen dat haar mening geen mening is die vrij geuit mag worden maar een schanddaad die streng gestraft moet worden. Waarom? Dat zegt de professor er niet bij. Waarschijnlijk gaat hij ervan uit dat in een beschaafde samenleving alle mensen gelijke rechten hebben en dat homo’s derhalve net zo goed als hetero’s moeten kunnen trouwen en kinderen krijgen. Wat het eerste betreft heeft hij natuurlijk gelijk, maar het tweede is een al te voorbarige conclusie. Want als mannen met mannen mogen trouwen, waarom zouden meisjes dan niet met hun vader mogen trouwen? En als twee mannen recht hebben op kinderen, waarom zou een alleenstaande man daar dan geen aanspraak op mogen maken? Er zijn genoeg alleenstaande moeders die geen man willen.

Het huwelijk is een instelling die in het leven werd geroepen om moeder en kind te beschermen, om te voorkomen dat de moeder alleen moet opdraaien voor de opvoeding van het kind, en om dat kind zowel een vader als een moeder te geven. Het is met andere woorden een poging om de fysieke ongelijkheid tussen man en vrouw te compenseren, om evenwicht te scheppen waar er geen is. Wellicht was het op grond van dit harmoniserende en natuur-overstijgende karakter dat Goethe het huwelijk het begin en het hoogtepunt van alle beschaving noemde, en dat de kerk het heilig verklaarde. Het holebi-huwelijk verandert de wezen van het huwelijk en – als Goethe gelijk heeft – ook de beschaving. Het minste wat men daarvan kan zeggen, is dat het een debat waard is. Maar daar is Ignaas Devisch het helemaal niet mee eens. Dominiek Steppe heeft niet het recht het holebi-huwelijk in vraag te stellen. Blijkbaar is dat huwelijk een instituut dat boven alle twijfel verheven is. 

Dat slaat natuurlijk nergens op. Er is geen enkele reden waarom het hetero-huwelijk wel en het holebi-huwelijk niet in vraag zou mogen worden gesteld. Maar daar gaat de bel. De eerste ronde is voorbij en ik heb ze ruim gewonnen op de punten. Niemand kan naast de aperte tegenspraak kijken tussen het begin en het einde van het artikel. Wat mij betreft heeft de professor al zijn gezicht verloren, nu de rest nog. De tweede ronde is trickyer, want nu gaat het om Schild en Vrienden, het clubje – ook wel extreemrechtse conservatieve Vlaams-nationalistische jongerenbeweging genoemd – rond Dries Van Langenhove, alweer een beau garçon. Zijn kompanen hebben een collega van Ignaas Devisch bestookt met e-mails omdat hij een website had opgezet die de vuile was van Schild en Vrienden buiten hing. Dergelijke intimidatie vindt de professor ranzig, ontoelaatbaar, schandelijk, intolerabel. Hij gaat nu helemaal over de rooie: ‘blijf godverdomme met jullie poten af van de integriteit van iedereen in dit land!’ 

Nu moet ik een beetje opletten, want een tegenstander die zo wild tekeer gaat, kan gevaarlijk worden. Wat Dries Van Langenhove en co gedaan hebben, is inderdaad niet proper. Mensen bestoken met haatmails en zelfs doodsbedreigingen is smerig, laag bij de gronds. Volkomen akkoord dat Ignaas Devisch dit afkeurt. Maar waar was hij toen Joke Schauvlieghe zodanig bestookt werd met haatmails en bedreigingen dat ze helemaal van de kaart was en ontslag nam als minister van Landbouw? Heeft de professor dat toen ook in heftige bewoordingen veroordeeld? Ik kan me daar niks van herinneren. En waar was hij toen Dylan Vandersnickt, een jonge N-VA medewerker die een gore grap op twitter had geplaatst, zo hevig onder vuur werd genomen dat hij zelfmoord pleegde? Kwam Ignaas Devisch toen ook op televisie vertellen dat dit absoluut niet kon, dat het een schanddaad was, dat ze godverdomme met hun poten van deze jongen hadden moeten afblijven? 

De vraag stellen is ze beantwoorden. Links bezondigt zich al tientallen jaren aan dit soort praktijken, en op veel grotere schaal, maar daar wordt niet tegen geprotesteerd. Hoe zou het ook kunnen! Het gebeurt in de media, en de geviseerden kunnen er zich niet verdedigen want ze hebben geen toegang tot die media. Ook persoonlijke e-mails en doodsbedreigingen worden niet geschuwd, daar kunnen talloze rechtse politici van meepraten. Ze zwijgen echter, want alleen linksen hebben recht op verontwaardiging. Ik keur het gedrag van Schild en Vrienden niet goed, zeker niet, maar godlievehemel, waar hebben ze hun mosterd vandaan gehaald! Het verbaast mij dat het nog zolang geduurd heeft. Hoelang worden rechtse mensen niet al gedemoniseerd, belasterd, uitgescholden, het spreken belet en bedreigd door linkse activisten? Zo is Schild en Vrienden trouwens ontstaan: als security voor Theo Francken, wiens lezingen voortdurend verstoord werden door schreeuwende Social Justice Warriors

Wie ziet hoe deze verontwaardigden tekeer gaan aan Amerikaanse universiteiten begrijpt dat beveiliging geen overbodige luxe is voor rechtse sprekers. En dat zijn helemaal geen bloeddorstige fascisten die aan het begin van hun lezingen de Hitlergroet brengen, maar mensen die bijvoorbeeld tegen abortus zijn, of tegen het homohuwelijk, of tegen aparte rechten voor transgenders. Het zijn gewoon andersdenkenden, mensen met een niet-linkse, niet politiek-correcte mening. En om die reden worden ze nu al decennia lang gedemoniseerd, uitgescholden, geïntimideerd, bedreigd en opgejaagd door links. Het is zo erg dat velen hun mond niet meer durven opendoen uit angst hun job, hun reputatie en zelfs hun leven te verliezen. Nooit heb ik Ignaas Devisch daarover één woord van kritiek horen uiten, maar gebeurt het voor één keer in de omgekeerde richting, dan staat hij trillend van woede recht en roept dat hij zich niet het zwijgen zal laten opleggen.

Wat een farce! Het is alsof een goed getraind leger dat al jarenlang een machteloos volk terroriseert opeens een groepje kwajongens ziet naderen dat met stenen begint te gooien. Op slag barst de verontwaardiging los bij de zwaarbewapende soldaten: wat een schanddaad, wat een ranzig, racistisch gedrag! En uit de rangen van het woedende leger maakt zich een slanke krijger los die moedig naar voor stapt, de haren achteruit werpt en manhaftig roept: denk maar niet dat ik zal zwijgen, stelletje lafbekken en huilebalken! Het is om in de grond te zinken van schaamte. Maar schaamte is nu net wat figuren als Ignaas Devisch niet kennen. Deze praalhans – die helemaal in het wit gekleed zijn heldendaad nog eens mocht overdoen op tv – doet me denken aan de verzen: ze zijn als graven met Pasen, witgekalkt maar vol bederf. Ik durf dat witgekalkte graf al geen mep meer geven, stel je voor dat ik er een barst in sla en al die vuiligheid over me heen krijg! Laat ik maar besluiten met een citaat van Koen Meulenaere. Iemand op zoek naar een lege bovenkamer? Ignaas verhuurt er al jaren één.

  
 

Het levende denken (1)

  

Een lezer vraagt me: hoe zie ik dat, levend denken cultiveren? Hij had me net zo goed kunnen vragen: hoe word je antroposoof? Want de core business van de antroposofie is het denken weer tot leven brengen. Die formulering kan op twee manieren begrepen worden: het denken levend maken en het denken nader tot het leven te brengen. Ze betekenen allebei hetzelfde. Dood denken is denken dat zich (te) ver van het leven verwijderd heeft. Levend denken cultiveren betekent dus de kloof tussen het dode denken en de levende werkelijkheid verkleinen. Dat is geen geringe opgave, want die kloof is ontzettend groot geworden. In de kranten kunnen we iedere dag lezen hoe er gedachten ontwikkeld worden die niets meer met de werkelijkheid te maken hebben, ja die de werkelijkheid gewoon omkeren. Dat is dan ook de volgende fase in het sterfproces van het denken: het denken wordt kwaadaardig, het vergrijpt zich aan de werkelijkheid. Het gaat niet alleen dood, het wordt ook dodelijk.

Een stervend denken is een denken dat zich losmaakt van de levende werkelijkheid en overgeleverd wordt aan de zwaarte van de materie en de wetten die daar heersen. Dat betekent dat het denken mechanisch wordt, het verliest zijn beweeglijkheid en wordt stram. Ten slotte valt het helemaal stil en gaat tot ontbinding over. Het is soms pijnlijk om te lezen of te horen hoe onsamenhangend het moderne denken geworden is, hoe het niet meer bij machte is een logische gedachtengang te volgen. Het rijgt gedachten aan elkaar zonder enig verband, gedachten die elkaar tegenspreken. Mensen zeggen in de ene zin dat iets wit is en in de volgende zin dat het zwart is, alsof het de normaalste zaak van de wereld is. Ze lijken niet meer te weten wat ze denken, het is alsof ze niet meer zelf denken. En dat is ook het geval. Een denken dat sterft, maakt zich niet alleen los van de werkelijkheid maar ook van de denker, wiens plaats wordt ingenomen door krachten die het lijk systematisch afbreken. 

Een denken dat tot ontbinding overgaat, begint te stinken. De kranten – waar men dat dode denken aan het werk ziet – hebben het voortdurend over de riolen van het internet, over de bruine onderstroom van de samenleving, over de bagger in de sociale media. In feite hebben ze het over zichzelf, over hun eigen stinkende denken dat ze overal op projecteren. Het resultaat is haatzaaierij, oorlogspropaganda. Ontbindend denken werkt polariserend, zaait wantrouwen, zet mensen tegen elkaar op, verdeelt de wereld in links en rechts die elkaar naar het leven staan. En de mens realiseert zich dat niet, want zijn denken is in handen van de tegenmachten gevallen. Zij zijn het die de stank verspreiden en van het denken één grote, uniforme brij maken. Stront is overal hetzelfde, er is niks persoonlijks of menselijks meer aan. Het dode, tot ontbinding overgegane denken bestaat enkel nog uit de afvalstoffen van het levende denken, uit lege, abstracte gedachten die ieder verband verloren hebben, zowel met de werkelijkheid als met elkaar. 

Hedendaagse kunst giet dit dode, ontbindende denken in beelden. Daarom bestaat het – letterlijk en figuurlijk – uit rommel, afval, uitwerpselen. Het allereerste hedendaagse kunstwerk was een pispot, Marcel Duchamp vatte er op visionaire wijze de hele 20ste eeuwse kunst mee samen. In die kunst schuilt een diepe tragiek, want ze is waar: ze toont ons de realiteit van het ontbindende denken. Maar zo zien we het natuurlijk niet, want ons denken (dat ons denken niet meer is) keert de werkelijkheid om. We menen beelden van levend denken te zien en staan daar vol bewondering voor, maar ons zien is omgekeerde blindheid, onze bewondering omgekeerde angst. Wie deze beelden van het dode denken benadert met een levend denken – en dus ziet wat er werkelijk te zien is – deinst verschrikt achteruit voor de (geestelijke) stank die de tegenmachten verspreiden, maar ook voor hun dodelijke agressie. Want als hij durft te zeggen wat hij ziet, wordt hij aan alle kanten onder vuur genomen.  

Na de beelden komen de woorden. De stank en de agressie van het in staat van ontbinding verkerende denken manifesteert zich in toenemende mate ook buiten de kunstwereld. In de politieke correctheid zien we duidelijk hoe het denken zich tegen zichzelf keert: met onsamenhangende, tegenstrijdige, maar geraffineerde en intimiderende redeneringen wordt het denken verboden. Aan de Amerikaanse universiteiten wordt dat pijnlijk zichtbaar. De wetenschap wordt er stap voor stap het zwijgen opgelegd. Onderzoekers wier bevindingen niet stroken met de politiek correcte dogma’s worden ontslagen of krijgen geen geld meer. Professoren wordt het lesgeven onmogelijk gemaakt door schreeuwende studenten, die hen soms zelfs van de campus wegjagen. Tot nog toe zijn er geen doden gevallen, maar de protesterende studenten schuwen het geweld niet. Regelmatig moet de politie massaal uitrukken als het denken weer eens door wilde horden wordt aangevallen.  

Waar we vandaag getuige van zijn, is niets minder dan de terechtstelling van het denken. Die wordt uitgevoerd door het denken zelf, of beter gezegd, door de tegenmachten die het in hun greep hebben gekregen en het tegen zichzelf richten. Het hele wetenschappelijke apparaat wordt langzaam losgemaakt van de waarheid en verbonden met de leugen. Dat heeft verregaande gevolgen. Eén voorbeeld: op gezag van deze wetenschap wordt steeds meer aangedrongen op verplicht vaccineren. In Amerika is iedere 18-jarige reeds 75 keer ingeënt. De vaccins – die allesbehalve onschuldig zijn – worden steeds meer gecombineerd tot een cocktail die de mens van bij zijn geboorte moet beschermen tegen alle mogelijke ziekten. In werkelijkheid gebeurt het omgekeerde: hij wordt weerloos tegen deze ziekten omdat zijn immuunlichaam systematisch verzwakt. Wat we hier zien opdoemen is het medicijn dat Rudolf Steiner voorspeld heeft en dat de mens helemaal zou afsluiten voor de geest. 

Via de hedendaagse kunst dringt het dode denken door in de gevoelswereld en legt dat lam. Via de hedendaagse wetenschap dringt het door tot in de wil van de mens: het wordt hem fysiek onmogelijk gemaakt om nog zelf te denken. Het is een ontredderende ervaring om te discussiëren met mensen en vast te stellen dat ze vol goede wil zijn maar niet meer kunnen denken. Het is alsof ze door een denkberoerte getroffen zijn: ze maken innerlijk allerlei denkbewegingen maar hun lichaam luistert niet meer, het is ontoegankelijk geworden voor hun geest en diens goede wil. Zelf zijn ze zich daar niet van bewust, want ze nemen hun denken niet meer waar. Dat is namelijk wat de hersenen doen: ze maken het denken zichtbaar, ze zijn een spiegel waarin het denken zichzelf kan waarnemen en bewust worden van zichzelf. Maar die spiegel wordt kapot geslagen door het bombardement van chemicaliën waaraan de hedendaagse mens blootstaat.

En dat alles gebeurt op gezag van de wetenschap. Geen wonder dat uitgerekend studenten en jonge intellectuelen zich keren tegen het oude, nog waarheidsgetrouwe wetenschappelijke denken: hun denkapparaat is ontregeld, hun geest is niet meer in staat erin door te dringen en het te gebruiken, ze zijn hulpeloos overgeleverd aan de tegenmachten. Het is huiveringwekkend om de bezetenheid, maar ook de angst, te lezen in de ogen van deze jongeren, het kruim van de intelligentsia, de toekomstige leiders van de mensheid. Rudolf Steiner voorspelde dat het intellect kwaadaardig zou worden en dat is wat we vandaag overal zien gebeuren. Het dodelijke, rottende denken verspreidt zich als een infectie, een virus dat kinderen van jongs af wordt ingespoten, zowel geestelijk als lichamelijk. Niemand ontsnapt eraan, en wie zich verzet – omdat hij ziet wat het met kinderen doet – wordt verketterd, als een misdadiger te kijk gesteld, uit zijn ouderrechten gezet.  

Het cultiveren van het levende denken is een poging om de ziel van de mens te redden, en dat vergt een strijd op leven en dood tegen een verpletterende overmacht die zich op alle gebieden manifesteert, geestelijk, fysiek en sociaal. Op fysiek gebied wordt het immuniteitssysteem aangevallen, op sociaal gebied het vertrouwen, op geestelijk gebied de moraliteit. Deze overmacht keert alles in zijn tegendeel: het immuniteitssysteem begint zichzelf aan te vallen, het vertrouwen wordt wantrouwen, de moraliteit wordt immoraliteit. De ontketende tegenmachten vinden hun aangrijpingspunt in het dode denken van de mens: dat is hun bruggenhoofd, van daaruit lanceren ze hun geallieerde aanval op de ziel van de mens. Zolang die mens zijn denken niet herovert, zolang dat denken dood en dodelijk blijft, zullen al zijn pogingen om zich te verzetten tegen de ontmenselijking schipbreuk lijden. Want in alles wat de mens doet, is zijn denken werkzaam. Hij is een animal rationale

Schakelt men het denken van de mens uit, dan schakelt men ook zijn menselijkheid uit, dan wordt hij een dier. Geen dier echter dat geleid wordt door een geniaal instinct, maar een dier dat geleid wordt door wilde, chaotische en egoïstische driften. Deze dierlijke mens staat veel lager dan het dier, hij is een monster zoals we het in de dierenwereld nergens tegenkomen. De voorbije wereldoorlogen hebben dat ten overvloede geïllustreerd. De beestachtigheid van het mensdier kent geen grenzen. De redding van de ziel – de redding van de menselijkheid van de mens – begint bij het denken. Dat dode denken moet weer omgekeerd worden, het moet in zijn oorspronkelijke – levende en levenwekkende – staat worden hersteld. Het verleden – vanaf de schepping tot vandaag – was één langgerekt sterven van het levende denken. Het culmineerde in de vrije mens die nu de keuze heeft dat sterven voort te zetten of om te keren. Die keuze is de zin en het doel van het hele mensheidsverleden.

We beleven momenteel het Keerpunt der Tijden: de hele wereld wordt ‘omgekeerd’. Maar het dode denken beweegt niet mee, het blijft star in dezelfde richting verder gaan, het gaat steeds meer tot ontbinding over. Om de keuze te maken waarvoor we staan, hebben we maar een bepaalde tijdsspanne, de tijd van het dode denken zeg maar. Het is immers dat dode denken dat een vrije keuze mogelijk maakt. Begint het tot ontbinding over te gaan, dan verliezen we die vrijheid weer, dan raken we in de greep van de tegenmachten. Het komt er dus op aan dat dode denken te gebruiken voor het uiteen begint te vallen en onbruikbaar wordt. We moeten het gebruiken om na te denken over het denken, over de vrijheid die het ons biedt, maar ook over de grote gevaren die het inhoudt. Juist doordat het denken zich steeds meer van ons losmaakt en sterft, zijn we in staat het waar te nemen en erover na te denken. En dat is een voorwaarde om doordrongen te worden van de noodzaak om er ons weer mee te verbinden en het tot leven te wekken. 

Rudolf Steiner bekloeg er zich over dat de moderne mens zo ongelooflijk goed kan denken maar het niet doet. Hij maakt geen gebruik van het schitterende vermogen dat hij van het verleden gekregen heeft. Hij laat het zich ontfutselen door de tegenmachten, als een rijkeluiskind dat het familiefortuin erdoor jaagt. We leven in een tijd van grote beslissingen, aldus Rudolf Steiner, en die kunnen allemaal teruggebracht worden tot de beslissing om te denken, om het dode denken – dat kostbare instrument – ter hand te nemen en weer tot leven te wekken, om het uit handen van de tegenmachten te houden of te trekken. En daarmee ben ik weer terug bij het begin van deze uiteenzetting, want die beslissing werd genomen in het voorgeboortelijk leven, met name in de Michaëlschool en -cultus waarover Rudolf Steiner aan het eind van zijn leven sprak. Daar werd de antroposofie verwekt, daar ontstond de wil om het denken weer tot leven te wekken.

Waar Rudolf Steiner zich dus eigenlijk over bekloeg was dat zo weinig mensen zich bewust werden van die wil, want er hadden veel meer mensen aan deze Michaëlbijeenkomst in de hemel deelgenomen, dan er op aarde tot de antroposofie kwamen. Hier duikt het thema op waar Rudolf Steiner steeds weer op hamerde: we moeten wakker worden. We moeten ons dode (maar bewuste) denken verbinden met onze levende (maar onbewuste) wil. Die twee moeten in elkaar doordringen: de wil moet het denken weer tot leven brengen, het denken moet licht ontsteken in de duistere gebieden van de wil. Dat is wakker worden. Levend denken is denken waarin onze wil werkzaam is. Maar die wil kan pas werkzaam worden als we hem kennen. Veel jonge mensen ontbreekt het aan wilskracht, ze zijn onverschillig, lusteloos, ten prooi aan hun driften. Maar dat komt niet doordat ze niks willen, het komt doordat ze niet weten wat ze willen. Hun denken en hun willen zijn ontkoppeld, ze kunnen elkaar niet meer bereiken.

Wakker worden is daarom nauw verbonden met karmabewustzijn. Als we erachter willen komen wat we willen in dit leven, wat onze levensopgave is, dan moeten we niet in onszelf kijken, want daar treffen we vooral wensen aan. We moeten naar buiten kijken, naar de concrete werkelijkheid van ons leven, want dat is een beeld van onze wil. Voor jonge mensen ligt dat moeilijk omdat ze nog niet veel beeldmateriaal hebben. Daarom moeten ze geholpen worden door oudere mensen die op een heel leven kunnen terugkijken en zich een veel duidelijker beeld kunnen vormen van hun wil. In dit karmaonderzoek overbrugt de mens de kloof tussen denken en willen. Het is dan ook in de eerste plaats een aangelegenheid van het hart. Levend denken is hartelijk denken, het is denken met het hart. Het is ook sociaal denken, denken in gesprek met anderen. Daarom stond in het centrum van Rudolf Steiners karmavoordrachten het gesprek tussen de oude (denkende) zielen en de jonge (willende) zielen. Dat is het hart van de antroposofie. 

Kunst en politiek

  

Eén van de vele reacties op de verkiezingsuitslag van afgelopen zondag was een open brief van Elke Neuville, een ‘tv-maakster en columniste’ waar ik nog nooit van gehoord had. In haar brief richt ze zich tot de 18 procent van de bevolking die voor het Vlaams Belang heeft gestemd en ze doet dat in naam van de 82 procent die dat niet heeft gedaan. Je moet er maar op komen. Na 30 jaar sanitaire verontwaardiging over het Vlaams Belang vraagt een mens zich af hoe ze hetzelfde nog eens op een andere manier gaan zeggen. Sinds de eerste ‘Zwarte Zondag’, toen het Vlaams Blok 1 miljoen stemmen haalde, zijn in de media al ontelbare variaties verschenen op het thema dat ook Elke Neuville weer bespeelt – uiting geven aan de afschuw voor extreem-rechts – en het houdt maar niet op. Je zou bijna bewondering krijgen voor de gedrevenheid en kreativiteit van links Vlaanderen als het gaat om het uitschelden, bespotten, kleineren, schofferen, veroordelen en minachten van rechts Vlaanderen.

Links kan in Vlaanderen dan ook beroep doen op zowat alle kreatief talent. Schrijvers, dichters, kunstenaars, musici, acteurs, filmmakers en andere kreatievelingen: allemaal behoren ze tot het linkse kamp. Zelfs de communistische PVDA, het vroegere Amada, kan bogen op een hele rits Bekende Kunstenaars. In het rechtse kamp daarentegen vind je er niet één. De reden daarvoor is bekend: wie ook maar in de buurt van extreem-rechts komt, kan zijn artistieke carrière wel op zijn buik schrijven. Het overkwam The Strangers, destijds een van de meest populaire zanggroepen in Vlaanderen. Eén optreden voor het (toen nog) Vlaams Blok en het was afgelopen met hun succes. Nergens konden ze nog optreden, niemand durfde hen nog te boeken. En zo vergaat het iedere artistiekeling die het waagt zijn diensten te verlenen aan ‘de vijand’. De buitenwacht let er misschien niet op, maar in de kunstwereld weet iedereen welk lot hem beschoren is als hij zich niet houdt aan deze (ongeschreven) wet.

De open brief van Elke Neuville is dan ook minder gericht aan de 18 procent Vlaams-Belangstemmers dan aan de artistieke gemeenschap waartoe ze behoort en de subsidiërende overheid waarvan ze afhankelijk is. Hen wil ze duidelijk maken hoe flink en hoe recht in de leer ze is. Men mag niet vergeten dat kunstenaars volkomen afhankelijk zijn van de appreciatie van het publiek, en dus van de kunstpausen die deze appreciatie sturen. Kunstpausen hebben vandaag de status van ingewijden en zieners. Het zijn geestelijke leiders die het ware geloof behoeden. Verketterd worden door zo’n paus is het ergste wat een kunstenaar kan overkomen. De deuren van de kunstwereld gaan dicht, niemand waagt het nog met hem om te gaan, het is alsof hij niet meer bestaat. Geen enkele kunstenaar durft dat risico te lopen. Daarom houdt hij zich ver van alles wat rechts is en neemt hij iedere gelegenheid te baat om zijn trouw aan het ware, linkse geloof te bevestigen. 

Zonder deze nauwe alliantie met de kunstwereld zou links Vlaanderen er nooit in geslaagd zijn op zo grote schaal haar groteske boodschap te verspreiden. Vlaanderen bestaat voor de helft uit superieure linkse mensen en voor de andere helft uit inferieure rechtse mensen. Dwars door Vlaanderen loopt een morele scheidslijn, met aan de ene kant liefdevolle, goedwillende idealisten, en aan de andere kant haatdragende racisten en fascisten. Vlamingen zijn ofwel zeer goed ofwel zeer slecht. Daartussenin is er niets, want wie niet links is, is rechts tot extreem-rechts. Niemand zou deze kinderachtige wereldvisie geloven als ze niet op kreatieve, originele en geraffineerde manier aan de man werd gebracht en als dat niet gebeurde met de bezieling en de gedrevenheid van een kunstenaar. Net als deze laatste doet Links wat haar gevoel haar ingeeft. Dat het daardoor voedsel geeft aan Rechts, daar trekt het zich niets van aan. Het heeft immers een roeping, een missie, en daar laat het zich door niets of niemand van afhouden.

Er is iets fundamenteel tegenstrijdigs aan deze alliantie van kunst en politiek. Sinds wanneer zijn kunstenaars politiek geëngageerd? Ze wijden hun leven aan de kunst en daar moet alles voor wijken. Ze hebben de vrijheid lief en laten zich niets voorschrijven. Het zijn individualisten die hun eigen weg gaan, en bereid zijn daar zware offers voor te brengen. Hoe valt dat te rijmen met de dienstbaarheid aan een ideologie die iedereen dwingt politiek correct te zijn, die de vrijheid aan banden legt met een vloedgolf van regels, wetten en verboden? Dit duivelspact tussen kunst en (linkse) ideologie is alleen mogelijk omdat de kunst zelf ideologisch is geworden. Probeerde ze vroeger de zintuiglijke werkelijkheid een ideële vorm te geven (de formulering is van Rudolf Steiner), dan doet ze nu het omgekeerde: ze probeert ideeën in een materiële vorm te gieten. Kunst is met andere woorden in haar tegendeel gekeerd: de vorm primeert niet langer op de inhoud, alles draait nu om de – intellectuele, ideologische – inhoud. 

In de politiek is dan weer het omgekeerde gebeurd: de ideeën die vroeger haar inhoud uitmaakten, zijn vervangen door lege vormen. Verkiezingen zijn niets anders dan theater: spektakelstukken die de bevolking in de ban houden en de indruk wekken dat zij het voor het zeggen heeft. In werkelijkheid doen de politieke partijen wat zij willen. Rechts heeft de voorbije verkiezingen gewonnen, maar het is heel goed mogelijk dat we een linkse regering krijgen. De bevolking heeft daar niet de minste zeggenschap over. Terwijl ze zich blindstaart op het verkiezingsdrama dat voor haar wordt opgevoerd, wordt ze ongemerkt beroofd van haar stem, haar geld en haar vrijheid. Nergens is die omkering zo duidelijk als bij Links. In oorsprong een sociale beweging die opkwam voor de rechten van het gewone volk, is zij vandaag de ideologie van de elite geworden en spant zij zich tot het uiterste in om het gewone volk te onderdrukken en te demoniseren. Maar omdat de vorm – de kleur, de naam, de slogans – dezelfde is gebleven, komt Links daarmee weg.

Deze omkering, hoe radicaal ook, is nog altijd niet doorgedrongen tot het algemene bewustzijn. Nog altijd wordt Links beschouwd als de vertegenwoordiger van de kleine man, van de underdog, van de minderheid. Niemand associeert Links met macht en geweld, ook al waren de totalitaire machthebbers van de 20ste eeuw allemaal links en hebben ze het leven gekost aan 100 miljoen mensen. Maar deze feiten, hoe ontzettend ook, doen er niet toe, want Links verstaat de kunst om haar nieuwe inhoud te verbergen achter verleidelijke vormen. Ook de omkering van de kunst is na 100 jaar nog altijd niet doorgedrongen tot het moderne bewustzijn. Kunstenaars maken al lang geen mooie dingen meer, ze stellen pispotten tentoon of pronken met hun uitwerpselen, en dat weerzinwekkende gedrag verbergen ze achter een rookgordijn van ronkende ideeën. Net als Links is de kunst in haar tegendeel gekeerd, en het feit dat dit niet wordt waargenomen, geeft een idee van de bewustzijnsverdovende kracht die uitgaat van deze dubbele omkering.

Adolf Hitler was de eerste om gebruik te maken van deze kracht. Hij was niet alleen een kunstenaar die politicus werd, hij maakte van de politiek ook een kunst. Zijn meetings waren zorgvuldig geregisseerde en tot de verbeelding sprekende massaspektakels. Zelf trad hij op als een bevlogen acteur die de menigten in vervoering bracht. Hij verzekerde zich daarbij van de medewerking van de zeer begaafde regisseuse Leni Riefenstahl en gebruikte het nieuwe filmmedium om zoveel mogelijk mensen te bereiken. Maar hij deed meer dan dat: hij plaatste de kunst zelf op de politieke agenda. De tentoonstelling Entartete Kunst die hij organiseerde, zindert nog altijd na en droeg sterk bij tot het succes van de hedendaagse kunst. Hitler was een visionair die instinctief begreep hoe cruciaal de verbinding van kunst en politiek was. Het gaf hem een onwaarschijnlijke overtuigingskracht en zelfs de grootste geesten – denken we maar aan Thomas Mann en Martin Heidegger – lieten er zich door misleiden.

Wanneer we denken aan wat Rudolf Steiner zegt over de sociale kunst dan kunnen we begrijpen waarom de Duitsers – het meest ontwikkelde en vooruitstrevende volk van die tijd – zich een rad voor de ogen liet draaien. Het samengaan van kunst en politiek stond (en staat nog altijd) in de sterren geschreven. Het is de volgende, beslissende stap in de ontwikkeling van de mensheid: politiek wordt verheven tot kunst en kunst breidt zich uit tot de hele werkelijkheid. De kloof tussen kunst en maatschappij – die nooit groter was dan in de 19de eeuw – moet (en zal) overbrugd worden. Dit streven leeft in de ziel van de moderne mens, het is zijn grootste ideaal, zijn diepste verlangen: Alle Menschen werden Brüder, alle mensen worden sociale kunstenaars. Aan dat verlangen appelleerde Adolf Hitler, en aan dat verlangen appelleert Links nog altijd. Juist omdat het zo’n groot mensheidsideaal is, wekt de verbinding van kunst en politiek onweerstaanbare zielekrachten, zielekrachten die ten goede of ten kwade kunnen worden gebruikt.

Het verschil tussen goed en kwaad ligt in de mate van bewustzijn waarmee deze krachten worden gewekt en aangewend. In nazi-Duitsland gebeurde dat onbewust en onder dwang, met als gevolg dat de tegenmachten er zich meester over maakten. Adolf Hitler ging niet bewust en weloverwogen te werk, hij wist niet wat hij deed en zijn volgelingen wisten het evenmin. Ze reageerden instinctief, zonder hun (gezonde) verstand te gebruiken. In communistisch Rusland gebeurde hetzelfde en in het China van Mao eveneens. Door middel van beelden en slogans werd overal het diepste verlangen van de mens aangesproken, en daar ging zo’n magische werking vanuit dat het rationele bewustzijn helemaal verlamd werd. Dat bewustzijn was de bloem van de voorbije mensheidsontwikkeling en in plaats van bevrucht te worden door het verlangen naar een betere wereld waar Alle Menschen Brüder zijn, werd het brutaal verkracht en keerde het grootste aller idealen in zijn tegendeel.  

Na de verkiezingen van afgelopen mei klonken opnieuw overal stemmen die waarschuwden voor een herhaling van de jaren ’30 in Duitsland. Niet ten onrechte, want het is nog altijd hetzelfde ideaal dat in zijn tegendeel wordt gekeerd. De manier waarop Rechts vandaag gedemoniseerd wordt door Links, doet verdacht veel denken aan de manier waarop de joden door de nationaalsocialisten tot zondebok werden gemaakt, en het cordon sanitaire waarachter honderdduizenden Vlamingen al 30 jaar opgesloten zitten, is een moderne versie van de concentratiekampen. Maar dat bedoelen die waarschuwende stemmen natuurlijk niet. Nee, ze zien het helemaal omgekeerd. Juist die rechtse Vlamingen vormen het grote gevaar, want ze demoniseren de moslims, de migranten, de homo’s en andere minderheden. Dat die rechtse Vlamingen geen vinger uitsteken naar die minderheden, maar alleen protesteren tegen hun arrogante en zelfs agressieve gedrag, doet er niet toe. Alles wordt omgekeerd.

De wereld is als het ware in beweging gekomen, op ieder gebied gaan de tegenpolen in elkaar over: links wordt rechts en rechts wordt links, politiek wordt kunst en kunst wordt politiek, meerderheid wordt minderheid en minderheid wordt meerderheid, winnaars worden verliezers en verliezers winnaars, zelfs mannen worden vrouwen en vrouwen worden mannen. Alles is in beweging, een buitengewoon complexe en verwarrende combinatie van omkeringen, alsof de wereld binnenstebuiten wordt gekeerd en zich helemaal vernieuwt. Slechts één iets onttrekt zich aan die vernieuwende beweging en dat is ons denken. Dat is nog altijd het oude, materialistische denken van de 19de eeuw. Het is vandaag zelfs onbeweeglijker dan ooit. Tussen onze linker- en rechterhersenhelft is vrijwel geen verkeer meer. Beide benaderingen van de werkelijkheid – de mannelijke en de vrouwelijke zeg maar – zijn verstard tot ideologieën. Ons denken is tot stilstand gekomen. Het werkt niet meer.

Dat wil zeggen: wij werken niet meer. In plaats dat we ons verstand gebruiken, gebruikt het verstand ons. Denken is een automatisme geworden dat zich aan onze wil onttrekt en zijn eigen gang gaat. En dat is natuurlijk de gang van de tegenmachten. Zij bedienen zich van ons denken omdat we het zelf niet doen. Rudolf Steiner bekloeg zich daar al over. We kunnen ongelooflijk goed denken, zei hij, maar we doen het niet. We laten dat bij uitstek menselijke vermogen ongebruikt liggen, met alle gevolgen van dien. Daarom hamerde hij erop dat we ons denken weer in beweging moesten brengen en de verstarring overwinnen die het gedood had. Dit dode denken staat vandaag tegenover een wereld die steeds levendiger, steeds beweeglijker, steeds geestelijker wordt. En met die geest gaan de materialistische ideologieën waarin het denken is uiteengevallen – een linkse en een rechtse – een nietsontziende strijd aan.

Zolang de mens zijn denken niet zelf ter hand neemt, zal hij meegesleurd worden in deze strijd, die in wezen een strijd is tussen Christus en de tegenmachten. En omdat de mens deze strijd niet doorziet, kiest hij, zonder het te beseffen, de kant van de tegenmachten. Zolang de mens brieven schrijft zoals Elke Neuville en zich opsluit in een – linkse of rechtse – ideologie, draagt hij bij tot deze strijd, een strijd die hij nooit kan winnen omdat hij niet op geestelijk vlak wordt gevoerd. De echte, geestelijke strijd bestaat uit het weer in bezit nemen van het denken dat nu in handen is van Lucifer en Ahriman, die het onder elkaar verdelen. Het weer in beweging brengen van dat denken, impliceert een strijd met de tegenmachten die ieder op hun gebied willen blijven en niet verbonden willen worden met het gulden midden, dat wil zeggen met Christus. Hij is de Logos, het wezen van het denken. Hij is ook degene die de wereld in beweging brengt en aan ons de vrije keuze laat of we willen mee bewegen of niet. 

De moord op Julie Van Espen

  

De moord op Julie Van Espen heeft heel wat teweeggebracht in ons land. Men kan zich afvragen waarom. Twee weken eerder werd in een gracht het lijk teruggevonden van een aan handen en voeten gebonden jongetje van 9 jaar. Maar dat veroorzaakte niet dezelfde commotie. Het leidde niet tot een Stille Mars waaraan 15.000 mensen deelnamen, waaronder Anuna De Wever en Kyra Gantois die daarvoor moesten spijbelen op hun eigen klimaatmars. Was de moord op de 23-jarige Julie dan zoveel gruwelijker dan die op de kleine Daniël? Het tegendeel is het geval. Of was het leven van een blond Vlaams meisje misschien meer waard dan dat van een donker Palestijns jongetje? Die vraag werd niet eens gesteld, wat op zich al verbazing wekt. Nee, alles moest wijken voor de moord op Julie Van Espen. Waarom? Wat maakte deze misdaad zo bijzonder dat hij al het andere in de schaduw stelde en zelfs voetbalsupporters ertoe bracht om een minuut stilte in acht te nemen? 

Toen ik het opsporingsbericht op Facebook zag passeren, dacht ik onmiddellijk: dit is mis. Julie Van Espen was niet het soort meisje dat zomaar verdwijnt: een ravissante schoonheid, fris en vrolijk, de ideale schoondochter zeg maar. Had er op de foto een dik, lelijk meisje gestaan, of een marginaal geval met piercings en tatoeages, dan zou ik er waarschijnlijk niet hebben bij stilgestaan, er verschijnen voortdurend opsporingsberichten. Maar dit keer was het anders. Julie Van Espen zag eruit alsof ze alles vertegenwoordigde wat een mens aantrekkelijk maakt: schoonheid, ongereptheid, intelligentie, opgewektheid. Dit was niet zomaar een Antwerps meisje, dit was een beeld van een meisje, een oerbeeld, een zinnebeeld. Zoals ze ons toelachte vanop dat opsporingsbericht stond ze voor alles wat van waarde – en dus weerloos – is in de mens. En zo werd het ook begrepen. Mensen reageerden op deze misdaad alsof ze er zelf het slachtoffer van waren. 

De moord op Julie Van Espen was als de moord op de menselijke ziel. Er schemerde een algemeen geldende, geestelijke werkelijkheid in door die aan de gebeurtenissen een metaforisch karakter gaf. Dat kon je al voelen bij het zien van Julie’s foto, en het werd bevestigd door wat gaandeweg bekend raakte over de moord. Het meisje was op zaterdagavond langs het Albertkanaal naar de stad gefietst om daar te gaan eten bij vriendinnen. Onschuldiger kan het niet. De werkweek is voorbij, de boodschappen zijn gedaan en de wereld ontspant zich. De avond begint, de tijd van de engelen. Het is ook nog eens mei: de wereld op zijn best. De bloemen bloeien en de mooiste bloem fietst langs het water. Men kan zich levendig voorstellen hoe Julie Van Espen zich op dat moment gevoeld moet hebben: het leven lachte haar van alle kanten toe, beter kon het niet zijn. En dan opeens, als een donderslag bij klaarlichte hemel, verandert die lentedroom in een nachtmerrie. 

Vrienden en familieleden slaan dezelfde avond nog alarm. Er wordt meteen gereageerd. De volgende ochtend al hangt de buurt vol met foto’s van het verdwenen meisje, terwijl het opsporingsbericht circuleert in de sociale media. De vriendinnen komen samen, toevallig vlakbij de plaats van de moord, en vinden daar Julie’s bebloede jas. De dag erop verschijnt in de kranten de foto van een nog vrij jonge – en alweer opvallend knappe – man. Men zoekt hem als getuige, zo heet het, maar in werkelijkheid verdenkt men hem van de moord. Later op de dag wordt Steve Bakelmans aangehouden en hij bekent de moord. Op hetzelfde moment vindt men in het Albertkanaal het lijk van Julie Van Espen. Alles gaat verbazingwekkend snel. Het hele drama ontrolt zich in minder dan 48 uur. Voor de politie kan het niet beter verlopen, voor Julie Van Espen niet slechter. Dit ‘droomscenario’ maakt van de moordzaak een bijzonder kernachtig en sprekend beeld. 

Maar het is nog niet volledig. De volgende dag blijkt de dader ‘bekend te zijn bij het gerecht’. Drie jaar geleden viel hij zijn ex-vrouw aan en verkrachtte haar. Daarvoor werd hij veroordeeld tot vier jaar cel, want hij was niet aan zijn proefstuk toe. Maar hij ging in beroep en … verder er gebeurde niets. Bakelmans bleef gewoon op vrije voeten. Het gerecht – dat in ons land de ene blunder na de andere slaat en een kwalijke reputatie heeft – komt in het oog van de storm te staan. Alle ogen kijken in de richting van minister van Justitie Geens, die – uitgerekend op dit moment – uitpakt met de verkiezingsslogan ‘Dankzij Geens wordt seksueel geweld harder aangepakt‘. Ongelukkiger kan het niet, maar Geens verklaart doodleuk niet verantwoordelijk te zijn voor de uitspraken van rechters. De rechters verklaren op hun beurt niet verantwoordelijk te zijn voor het tekort aan manschappen en middelen. Iedereen steekt zijn paraplu op.

Wat dan volgt, tart alle verbeelding. Op het moment dat iedereen de mond vol heeft over het falende gerecht begint men in Gent te graven naar de … Rechtvaardige Rechters. Een jaar geleden had jeugdschrijver Marc De Bel aan ieder die het horen wilde verklaard dat hij wist waar het legendarische paneel van het Lam Gods zich bevond. Het lag, hij was er zeker van, onder de Gentse Kalandeberg. Daarna werd het stil, er gebeurde niets meer en de zaak leek met een sisser af te lopen. Tot men op de derde dag na de moord op Julie Van Espen opeens begint te graven, onaangekondigd, zelfs de stad Gent weet van niks. Zo’n scenario zou geen enkele fictieschrijver durven bedenken, maar het is wel degelijk werkelijkheid. In de krant zien we ex-burgemeester Termont dom staan kijken naar de lege put, alsof hij een graf zonder lijk ziet en er niks van begrijpt. Niemand lijkt zich te realiseren hoe grotesk de coïncidentie is, niemand ziet hoe sprekend het beeld is.

Wie had kunnen geloven dat een meisje als Julie Van Espen zou vermoord worden! Wie had kunnen geloven dat de moordenaar gevat zou worden doordat hij zo dom was zich te laten fotograferen met het fietsmandje van zijn slachtoffer in de hand! Wie had kunnen geloven dat Steve Bakelmans, drie jaar nadat hij voor verkrachting veroordeeld werd, nog altijd op vrije voeten rondliep! Wie had kunnen geloven dat de minister van Justitie zich precies op dat moment op de borst zou slaan omdat hij sexueel misbruik zo streng aanpakte! En wie had ten slotte kunnen geloven dat men, op dezelfde dag dat de volkswoede zich keerde tegen de onrechtvaardige rechters, voor de zoveelste keer zou beginnen zoeken naar de Rechtvaardige Rechters! Zou er ooit een onwaarschijnlijker moordverhaal in de kranten zijn verschenen? Zouden er ooit zoveel toevalligheden kort op elkaar zijn gevolgd? En toch is deze Griekse tragedie werkelijkheid, toch is het allemaal echt gebeurd. 

Het was alsof de karmische dimensie van het bestaan even zichtbaar werd en de gewone werkelijkheid tijdelijk het karakter kreeg van een oerbeeld, een mysteriedrama. Men voelde dat de moord op Julie Van Espen een diepere betekenis had en men reageerde er instinctief op. Twaalf jaar geleden werd in hetzelfde Albertkanaal het lijk gevonden van Annick Van Uytsel. Ze was vermoord door Ronald Janssen, een keurige huisvader en seriemoordenaar. De zaak was nog een stuk akeliger dan de moord op Julie Van Espen, die waarschijnlijk niet besefte wat haar overkwam, zo snel ging het allemaal. Annick Van Uytsel daarentegen werd ontvoerd in het holst van de nacht en opgesloten in een kelder voor ze ten slotte vermoord werd. Het jonge meisje moet tijdens de laatste uren van haar leven duizend angsten hebben uitgestaan. Toch maakte haar zaak lang niet zoveel ophef als die van Julie Van Espen. Er vond geen Stille Mars plaats en de voetbalsupporters hielden niet op met zingen. 

De hele commotie rond de moord op Julie valt alleen te verklaren als een reactie op een helderziende waarneming: men nam de verborgen, geestelijke dimensie van deze tragische geschiedenis waar. Maar daar was men zich uiteraard niet van bewust. Of moeten we zeggen: daar wilde men zich niet bewust van worden? In drie dagen traden zoveel toevalligheden op dat je het met de beste wil van de wereld geen toeval meer kon noemen. Afzonderlijk vielen ze nog wel te verklaren, maar samen, de hele reeks? Nee, de moord op Julie Van Espen was niet alleen een aanslag op een mens, hij was ook een aanslag op het moderne materialisme dat weigert te geloven in ‘hogere’ samenhangen. Bij de beroering over de moord zelf kwam ook nog eens de beroering over de karmische keerzijde ervan. Dit mag nooit meer gebeuren! werd er geroepen. Maar wat mocht nooit meer gebeuren: de moord op een onschuldig meisje of de aanslag op de materialistische levensvisie? 

Wanneer een engel verschijnt, zijn zijn eerste woorden altijd: schrik niet! De geestelijke dimensie jaagt angst aan wanneer ze zichtbaar wordt, ze schokt en ontreddert de mens. Dat was ook dit keer het geval. Maar men zag de engel niet (of wilde hem niet zien) en hij kon de mensen dan ook niet geruststellen en de reden van zijn komst verklaren. Die reden moesten ze zelf bedenken en aangezien ze hem niet op bovenzintuiglijke vlak wilden of konden zoeken, zochten ze hem op fysiek vlak. Ze gingen met andere woorden op zoek naar een schuldige, want zonder schuldige is er geen reden, zonder schuldige heeft het lijden geen zin en wordt het ondraaglijk. Steve Bakelmans woog te licht als schuldige, hij was een ordinaire bruut. Het falende gerecht dan? Maar had dat Bakelmans meteen na zijn veroordeling in de cel gegooid, dan zou hij op het moment van de moord weer op vrije voeten zijn geweest. Nee, de zingeving moest ‘hogerop’ worden gezocht, in de houding tegenover sexueel geweld: die was veel te laks, veel te toegeeflijk. 

De strijd tegen sexueel geweld was dan ook het thema van de Stille Mars, tenminste volgens de (vrouwelijke) organisatoren. Of de 15.000 deelnemers daarvoor op straat waren gekomen, is zeer de vraag, maar veel bezwaren zullen ze wel niet gehad hebben, want wie kan ertegen zijn dat sexueel geweld wordt bestreden! Maar wat houdt die strijd concreet in? Strengere straffen? Alsof verkrachters en moordenaars zich daardoor zullen laten tegenhouden. Psychische begeleiding van verwarde personen? Alsof daar geld voor is. Kinderen beter opvoeden dan? Alsof ouders daar tijd voor hebben, alsof het onderwijs niet bezwijkt onder zijn eigen gewicht! Trouwens, hoe voedt je kinderen op zodat ze later niet sexueel gewelddadig worden? Kan dat wat anders betekenen dan dat jongens nog meer in de hoek worden gezet? Naar verluidt waren de (jonge) mannen opvallend afwezig op de Stille Mars. Zij voelden wel wat er in de lucht hing. Hun sexe lag weer eens onder vuur.

De organisatoren beweerden nochtans dat ze niet wilden stigmatiseren, dat ze mannen niet als schuldigen voor het sexuele geweld wilden aanwijzen. Maar hoe dachten zij dat aan boord te leggen? Door de feministen te weren? Die blijven erop hameren dat in ons land iedere dag 100 vrouwen worden verkracht – één om het kwartier – en dat gebeurt niet door andere vrouwen, of door transgenders, of door buitenaardse wezens. Ze worden zonder uitzondering verkracht door mannen. Daar zijn de feministen zo boos over dat ze de oorlog verklaard hebben aan de man. Mannelijkheid is in hun ogen een vergif voor de samenleving. Met die mening staan ze trouwens niet alleen. De hele lgbt-beweging is één grote oorlogsverklaring aan de man en zijn mannelijkheid. De man-vijandigheid is hier letterlijk vleesgeworden, ze is doorgedrongen tot in de fysieke sfeer. Een Stille Mars die strijd wil voeren tegen sexueel geweld ontsnapt – alle mooie woorden ten spijt – niet aan het stigmatiseren van de man.

We kunnen trouwens net zo goed over vrouw-vijandigheid spreken, want in wezen is het de hele man-vrouw polariteit die onder vuur ligt. Men wil af van het onderscheid tussen de sexen: gedaan met mannen en vrouwen, leve de genderloze eenheidsmens! Deze nieuwe, inclusieve mens is zowel man als vrouw, maar toch vooral dat laatste, want het is de man die zich afscheidt van het (oer)vrouwelijke, die polariseert, die la guerre des sexes doet ontstaan. En daar verzet de neo-vrouwelijke mens zich hevig tegen. Hij/zij verzet zich daardoor ook tegen wat door die ‘mannelijke’ polarisatie mogelijk wordt gemaakt: de individualisering, de Steigerung tussen de tegenpolen, het kind dat geboren wordt. In de Heerlijke Nieuwe Wereld waar de eenheidsmens naar streeft, is geen plaats voor kinderen, moeders of vaders. Daarom was het ook zo ironisch dat de Stille Mars plaatsvond op … Moederdag. Het was een zoveelste veelzeggende ‘toevalligheid’ in deze hele metaforische geschiedenis.

Er is maar één manier om sexueel geweld te bestrijden zonder het nog te doen toenemen, en dat is door la guerre des sexes op geestelijk vlak te voeren, door er een ideeënstrijd van te maken. Helaas gebeurt doorgaans het omgekeerde: de strijd om inzicht ontaardt telkens weer in een fysieke strijd omdat het (mannelijke) rationele denken de (vrouwelijke) zintuiglijke waarneming ‘verkracht’ en blind blijft voor haar diepere, geestelijke dimensie. De zintuiglijke werkelijkheid wordt door het wetenschappelijke denken louter gezien als een (vrouwen)lichaam waaraan genot beleefd kan worden, genot dat met geweld wordt afgedwongen. Wat Steve Bakelmans met Julie Van Espen deed, was een metafoor van het moderne denken dat geen oog heeft voor de schoonheid en geest van de wereld, en die wereld enkel ziet als een genotsmiddel. De reacties op de moord bevestigden dat alleen maar. Ze bleven blind voor de karmische dimensie van de hele geschiedenis en dwongen haar daardoor zich te herhalen. 

Het verbod op het denken

    

 
Honderd jaar geleden voorspelde Rudolf Steiner dat er aan het begin van de 21ste eeuw – nu dus – een verbod op het denken zou komen. Een verbod op het denken? Hoe kun je denken nu verbieden! Die Gedanken sind toch frei! Niemand kan een mens beletten te denken wat hij wil, om de eenvoudige reden dat niemand kan zien wat een ander denkt. Gedachten zijn vrij omdat ze onzichtbaar zijn, omdat ze geestelijk zijn. Hetzelfde kan natuurlijk niet worden gezegd van de woorden waarmee die gedachten worden uitgedrukt. Woorden zijn wel degelijk zichtbaar of hoorbaar en kunnen daarom, in tegenstelling tot de gedachten zelf, heel goed verboden worden. Dat is dan ook wat vandaag gebeurt: het uitspreken of neerschrijven van bepaalde gedachten wordt verboden. Je mag ze denken zoveel je wil, als je ze maar niet in een zintuiglijk waarneembare vorm giet, want dan gaan de poppen aan het dansen. Het is dus niet het denken maar het spreken dat aan banden wordt gelegd.

Had Rudolf Steiner het dan niet beter kunnen hebben over een spreekverbod in plaats van een denkverbod? Het is toch niet omdat je niet meer kunt zeggen wat je wilt, dat je niet meer kunt denken wat je wilt. Maar is dat wel zo? Kun je denken en spreken los zien van elkaar? Zelf kan ik alvast niet nadenken zonder te schrijven of te spreken. Ik moet mijn gedachten in een zichtbare of hoorbare vorm gieten om ermee aan de slag te kunnen. Doe ik dat niet, dan gaan ze hun eigen gang. Mijn hoofd wordt dan een volière vol gedachten die als kwetterende vogels rondfladderen. Met denken heeft dat gefladder niets te maken. Het hebben van gedachten is niet hetzelfde als daadwerkelijk denken. Er hebben altijd veel gedachten rondgefladderd in mijn hoofd, maar met (bewust) denken ben ik pas begonnen toen ik ook begon te schrijven. En dat gebeurde niet op school. Daar leerde ik wel de techniek van het schrijven, maar ik zag geen enkele reden om die techniek ook te gebruiken als middel om te denken. 

Waarom zou ik me op school ingespannen hebben om te denken? Alles draaide er om het hebben van gedachten, niet om het denken zelf. Je leerde de verplichte gedachten uit je hoofd, strooide er bloemsuikergewijs een paar eigen gedachten overheen en klaar was kees. Meer werd er niet van je verwacht en het kwam niet in me op om méér te doen dan wat strikt noodzakelijk was. In het onderwijs ging het niet om het denken, het ging zelfs niet om de gedachten, het ging louter en alleen om de punten. Die had je nodig om later aan een job te geraken en geld te verdienen. Het hebben van gedachten was direct gelieerd aan het hebben van geld, het was met andere woorden een materiële aangelegenheid. Met de geestelijke activiteit van het denken had het niets te maken, integendeel zelfs. Denken hield risico’s in, het kon je op verkeerde gedachten brengen en je punten (en later geld) kosten. Daar kon je dus maar beter niet aan beginnen. Nee, als de school me iets leerde, dan was het om vooral niet te denken. 

Dat ik toch heb leren denken, dank ik aan de kunst. Het begon al aan de academie waar ik al tekenend meetkundig moest leren denken. Ik kan niet zeggen dat ik het graag deed, want het was vervelend werk: meten, meten en nog eens meten. Ik moest dan ook voortdurend vechten tegen innerlijke verleiders die me aanspoorden om dat saaie meetwerk niet zo nauw te nemen of het zelfs helemaal over te slaan en meteen onder te duiken in de – zoveel opwinderder – scheppingsroes. Denken had met andere woorden een morele kwaliteit die de zaak aanzienlijk bemoeilijkte maar wel veel betere tekeningen opleverde. En daar ging het om. De vreugde die ik aan die tekeningen beleefde was mijn motivatie om te denken – echt te denken, want met het hebben van gedachten had tekenen niets te maken. Denken was hier louter activiteit, een activiteit die niet werd uitgedrukt in gedachten, maar in lijnen en vormen. Tekeningen waren zichtbaar gemaakt denken, maar beslist géén zichtbaar gemaakte gedachten. 

Door te tekenen verbond ik mijn denken niet alleen met de zintuiglijke werkelijkheid, maar ook met mezelf. Dat kostte me veel moeite want die verbinding was me niet gegeven. De verbinding met de zintuiglijke werkelijkheid, die was me wel gegeven en ik was er niet echt blij mee. Ik ervaarde de werkelijkheid als dwingend. De wereld was een plek waar ik verplicht was vanalles te doen: opstaan, aankleden, eten, naar school gaan, enzovoort, het hield niet op. Daarom trok ik me vaak terug in de ‘volière’ van mijn hoofd. De gedachten die daar rondfladderden waren me eveneens gegeven, een leeg hoofd bestond niet. Maar aangezien niemand in dat hoofd kon kijken, had ik er privacy. Ik kon er doen wat ik wilde, ik kon er helemaal mezelf zijn. Of beter: ik hoefde er niet iemand anders te zijn, ik hoefde geen maatschappelijke rol spelen. Maar hoe graag ik ook in mijn volière vertoefde, ik kon er niet blijven, het was er te nauw, te eenzaam, te vervelend. Er gebeurde nooit iets.

Mijn hoofd was mijn toevluchtsoord, mijn vrijplaats. Ik kon er behaaglijk wegdromen, zwemmend in een wereld van gedachten en voorstellingen, als een kind in de baarmoeder. Denken was opnieuw ongeboren worden, terugkeren naar het paradijs. Maar een echt paradijs was het natuurlijk niet, het had geen substantie, geen leven. Het was een schijnparadijs, een schimmenwereld. En dus moest ik telkens weer terug naar de echte wereld, de levende zintuiglijke werkelijkheid met al zijn wetten, plichten en noodzakelijkheden. Echt vrij was ik er dus niet, want ik was gedwongen voortdurend heen en weer te pendelen tussen de (ideële) wereld van mijn hoofd en de (zintuiglijke) wereld van mijn lichaam. In geen van beide kon ik lang blijven, in geen van beide voelde ik mij echt thuis. En een gulden middenweg vond ik niet, want beide tegenpolen sloten elkaar uit. Om in mijn hoofd te kunnen verblijven, moest ik mij afsluiten van de buitenwereld, en in die buitenwereld kon ik niks aanvangen met mijn fladderende gedachten. 

Eén uitzondering: de kunst. Als ik tekende verbond ik mij zowel met mijn gedachten (ik moest echt denken, logisch en gestructureerd) als met de zintuiglijke werkelijkheid (die ik niet alleen aandachtig bekeek, maar waar ik ook handelend – want tekenend – optrad). Denken was hier tevens handelen, zowel in mijn hoofd (waar niemand me kon zien) als in de buitenwereld (waar iedereen kon zien wat ik tekende). Dat denkende handelen kostte me, zoals gezegd, heel wat moeite want van nature was ik uitgesproken passief, zowel in het denken als in het handelen. Het actief verbinden van beide werelden resulteerde echter in een diepe voldoening waar ik nooit genoeg kon van krijgen. Als ik tekende was ik eindelijk mezelf, ik was eindelijk vrij. Dat was de paradox van de kunst: door me te onderwerpen aan de wetten van zowel de zintuiglijke werkelijkheid (die natuurgetrouw moest weergegeven worden) als het denken (er moest nauwkeurig gemeten en gerekend worden) werd ik vrij, werd ik mezelf.  

Tekenen overbrugde de kloof tussen denken en doen, tussen mijn innerlijke wereld en de buitenwereld. Maar nu werd ik geconfronteerd met een nieuwe kloof: die tussen kunst en werkelijkheid. Die werkelijkheid werd in toenemende mate beheerst door de school. Kon ik eerst nog volop buiten spelen, dan was daar steeds minder tijd voor. Ik moest huiswerk maken en me inspannen om te leren (wat voordien spelenderwijs gebeurd was). Die inspanningen speelden zich helemaal af op het gebied van het denken, een concrete verbinding met de zintuiglijke werkelijkheid was er niet. Vooral in de lessen wiskunde werd dat wereldvreemde denken helemaal abstract. Het was hetzelfde soort denken dat ik gebruikte om te tekenen, maar hier stond het volkomen los van de zintuiglijke werkelijkheid en daardoor werd het voor mij onverteerbaar. Kon ik in de gewone, dagelijkse werkelijkheid mezelf al niet zijn, dan kon ik dat in de wereld van de wiskunde nog veel minder. 

Juist dat onverteerbare abstracte denken beheerste niet alleen het onderwijs, het beheerste de hele wereld. Overal werd gerekend en gemeten, overal werd in formules gedacht en nergens werd ook maar één moment rekening gehouden met schoonheid. Alleen aan de academie gebeurde dat. Daar kon ik ’s zondags even ademhalen en beleven wat het betekent vrij te zijn, hoe het voelt jezelf te kunnen en te mogen zijn. Maar de academie was slechts een kleine oase van vrijheid in een onmetelijke woestijn van plichten. De tegenstelling tussen beide werelden werd steeds groter en uiteindelijk werd ik gedwongen om te kiezen: school of academie. Ik stond voor de drempel van de volwassenheid en moest mijn plaats veroveren in de wereld. Daar had je een diploma voor nodig, met een tekenpotlood kon je er niks aanvangen. Na jarenlang gevochten te hebben tegen het dode, abstracte denken, was ik uitgeput. Ik had de kracht niet meer om me te verzetten en gaf me over. Ik ging naar de universiteit.

Daar gebruikte ik mijn denken niet om aandachtig en liefdevol door te dringen in de zintuiglijke werkelijkheid (zoals ik al tekenend deed), maar om die werkelijkheid zonder enig respect te manipuleren en te bedriegen. Het was voor mij de enige manier om punten te halen, want mijn weerzin voor de abstracte leerstof was veel te groot dan dat ik ze op een legale manier had kunnen of willen verstouwen. Met het kunstzinnige, individuele, morele denken (dat ik aan de academie geleerd had) kon ik aan de universiteit niks aanvangen. Wetenschappers waren minder geïnteresseerd in de zintuiglijke werkelijkheid dan in hun eigen denkpatronen. Ze bestudeerden de werkelijkheid vooral om haar te onderwerpen, om macht over haar uit te oefenen. Deze liefdeloze en immorele machtsdrang was eigen aan de moderne wetenschap en ik nam ze over, ik gebruikte ze tegen haarzelf. Dat was niet eens zo moeilijk, want de wetenschappers waren zich van geen kwaad bewust. 

Ik was dat des te meer, want ik kon hun wetenschappelijke geest vergelijken met de kunstzinnige geest. Deze laatste verloochende ik nu. Was ik in de kunst onvermoeibaar de strijd aangegaan met de ‘verleiders’, dan gaf ik ze nu gemakzuchtig het roer in handen. En dat loonde. Ik kreeg mijn punten, ik haalde mijn diploma en ik vond werk. Ik werd een keurig lid van de maatschappij. Maar dat succesverhaal had een keerzijde: ik had een ontzettende hekel gekregen aan mezelf, aan de universiteit, aan die hele leugenachtige, immorele wereld. Ik verachtte mezelf omdat ik al die jaren niet de moed en de kracht had gevonden om me te verzetten tegen de geest waaraan ik mijn ziel had verkocht. Ik verachtte de professoren die zich door mij hadden laten bedriegen, ik verachtte de hele universiteit die dit mogelijk maakte. Die haat en die minachting maakten van de werkelijkheid waarin ik leefde één grote schijnvertoning, een kwalijke grap. Ze vernietigden ook het laatste greintje zelfgevoel dat ik nog had. Ik hield als het ware op te bestaan. 

Mijn leven werd één langgerekt innerlijk sterven. Toen er ten slotte niets meer van me overbleef dan een lege huls, deed ik wat ik destijds niet had kunnen of durven doen: ik koos voor de kunst. Ik deed dat heel bewust, zonder me iets aan te trekken van de gevolgen. Niets kon immers erger zijn dan het schijnbestaan dat ik leidde, dit levende dood-zijn. Ik nam de draad weer op waar ik hem had laten liggen: aan de academie. Maar die bleek onherkenbaar veranderd. De immorele leugengeest die overal heerste, was nu ook doorgedrongen in de kunst. Met ontzetting zag ik hoe hij mijn toevluchtsoord verwoestte, hoe hij alles vernietigde wat mij vroeger zoveel vreugde en voldoening had geschonken. Een zeldzame uitzondering niet te na gesproken, deed iedereen wat ik aan de universiteit gedaan had: leraars en leerlingen verkochten hun ziel, ze gaven zich over aan de ‘nieuwe’ geest die nu de sleutels van de kunstwereld in handen had. Net als ik misten ze de kracht en de moed om zich te verzetten. Net als ik beseften ze niet waar hun volgzaamheid op uit zou draaien. 

De kunst waar ik voor gekozen had, bleek er niet meer te zijn. Ze was uit haar eigen huis verdreven door de geest van de (materialistische) wetenschap die haar plaats had ingenomen. Geen haar op mijn hoofd dacht eraan mij te onderwerpen aan haar brutale en gewelddadige vervanger. Een ezel stoot zich geen twee keer aan dezelfde steen. Maar waar moest ik nu heen? Ik zag geen andere mogelijkheid dan mij – opnieuw – terugtrekken in mijn volière, tussen mijn gedachten. Daar probeerde ik mij een beeld te vormen van de kunst zoals ik ze had leren kennen. Ik probeerde erachter te komen wat er gebeurde wanneer ik tekende (de kunst als denken) en ik probeerde erachter te komen wat er in de kunstwereld aan de hand was (de kunst als waarneming). Ik had de kunst meegemaakt als een zonnig, levend wezen maar ik had ook meegemaakt hoe ze helemaal verduisterd werd. Om die akelige zonsverduistering te kunnen verdragen, moest ik ze begrijpen. Dat werd mijn nieuwe levensdoel.

Ik probeerde met mijn dode denken door te dringen in het levende wezen van de kunst, zoals ik al tekenend doordrong in de zintuiglijke werkelijkheid. Ik probeerde met andere woorden in gedachten een portret te maken van de kunst. Op die manier kwam ik tot de conclusie dat haar wezen hetzelfde was als het wezen van het denken – niet van het dode, abstracte denken uiteraard, maar van het levende, scheppende denken dat liefdevol doordringt in de zintuiglijke werkelijkheid, dat er zich helemaal mee verbindt en het transformeert tot een kunstwerk. Dat wezen was de Logos, het was Christus zelf. En ik begreep dat het verbod op het denken in wezen een verbod op Christus was. Hijzelf kan natuurlijk niet verboden worden, maar men kan wel beletten dat hij begrepen wordt, dat de mens zich een (denk)beeld van hem vormt. De antichristelijke geest die het denken verbiedt, kan ons de wederkomst van Christus doen verslapen, en dat is volgens Rudolf Steiner het ergste wat ons kan overkomen. 

Por una Cabeza

  

Onlangs wilde mijn vrouw nog eens kijken naar Schindler’s List, de inmiddels al meer dan een kwarteeuw oude film van Steven Spielberg over de holocaust. Omdat ik een avondje gezellig filmkijken nooit afsla, ging ik meteen op zoek naar de dvd. Het klinkt natuurlijk ongepast om de woorden ‘gezellig’ en ‘holocaust’ in één zin te gebruiken, maar voor Schindler’s List gaan ze wel degelijk samen. De film heeft een moraliserende ondertoon waartegen het hart zich verzet door onverschillig te blijven voor de gruwelijke beelden. Ik herinner me nog hoe het bioscooppubliek destijds na afloop van de film vrolijk babbelend opstond, niet in het minst onder de indruk van wat het gezien had. En ja, Schindler’s List is weliswaar voortreffelijk gemaakt, maar het hart laat hij onberoerd. Eén uitzondering: de muziek. Het hoofdthema is bijzonder mooi: er spreekt een eindeloze weemoed uit, het verlangen naar een verloren gegane wereld. Zeer joods dus en zeer aangrijpend, in tegenstelling tot de filmbeelden. 

Toch was het dit keer niet de filmmuziek van John Williams die me trof, maar de muziek die in het begin van de film gespeeld wordt door het orkestje van de nachtclub die Oscar Schindler bezoekt en waar hij wil aanpappen met nazi’s in de hoop geld uit de oorlog te kunnen slaan. Deze (amusements)muziek was het die me recht naar het hart ging. Hij was het enige wat bleef hangen van de hele film, niet de terechtstellingen, niet de lijkverbrandingen, niet de redding van de joden. Omdat ik op de dvd-doos geen vermelding vond van die mij onbekende – en toch vertrouwd klinkende – muziek, bekeek ik de aftiteling opnieuw. De enige titel die in aanmerking kwam, was Por una Cabeza, een liedje van ene Carlos Gardel. En inderdaad, toen ik het op youtube opzocht, bleek het de bewuste muziek te zijn: een tango uit 1935. Ik had hem trouwens al eens gehoord in een andere film, Scent of a Woman, waar Al Pacino een blinde kolonel speelt die deze tango danst vlak voor hij zichzelf van het leven wil benemen. 

Sommige filmmakers weten hun muziek uitstekend te kiezen. Dat valt niet meteen op omdat in een film de beelden onze aandacht opeisen en de muziek naar de achtergrond verdwijnt. Maar vaak is deze – slechts halfbewust waargenomen – muziek heel bepalend voor de sfeer van de film en voor de manier waarop we de beelden interpreteren. De tango in Schindler’s List en Scent of a Woman is veel te kort om zo’n impact te hebben, maar hij doet iets anders: hij drukt de essentie van de film uit, en dat is in beide gevallen de strijd tussen leven en dood. De Argentijnse tango staat bekend om zijn ingehouden passie. Het is typische Scorpio-muziek, want hij combineert twee tegengestelde eigenschappen: grote hartstocht en grote zelfbeheersing. Of nog: vrouwelijke levenskracht en mannelijke doodskracht. In Por una Cabeza, dat tussen haakjes ‘op een hoofdlengte na’ betekent – het gaat over paardenraces – vallen die twee tegenpolen heel duidelijk te onderscheiden.

De tango van Carlos Gardel begint gezellig badinerend, als een opgewekt tafelgesprek tussen twee geliefden. Maar dan laaien de hartstochten opeens hoog op en wordt de liefde louter passie en lijden: de violen schrijnen, de accordeons klagen en de piano slaat spijkers met koppen. De muziek krijgt nu een grote intensiteit en expressieve kracht. Zoveel spanning valt niet lang uit te houden en de storm bedaart even vlug als hij opgestoken was. De gekwelde zenuwen ontspannen en de schrille klanken maken weer plaats voor de zoete lyriek van het eerste deel. Dit keer is doorheen het gezellige keuvelen echter de ingehouden passie hoorbaar, de dreigende vulkaan die zich onder het vriendelijke oppervlak verbergt. Het is de voortdurende afwisseling tussen deze twee tegenpolen die Por una Cabeza zo opwindend en meeslepend maakt: er wordt met vuur gespeeld. De levenskrachten gaan de confrontatie met de doodskrachten aan en worden erdoor getransformeerd tot kunst. 

Eigenlijk weet ik niks af van tango, ik moet me behelpen met de youtube-filmpjes op het internet. Wat me daarin opvalt, is het grote contrast tussen man en vrouw. De man is meestal gekleed in een soort gangsterkostuum: brede schouders, smalle heupen, brede broekspijpen. De vrouw is halfnaakt en draagt naaldhakken. De tango accentueert de verschillen tussen man en vrouw tot in het karikaturale. Dit polariseren is typisch mannelijk. Het maakt deel uit van de macho-cultuur die in Argentinië heerst en tot uiting komt in de ‘nationale dans’. De man leidt, beheerst en koel. De vrouw hangt smachtend aan zijn zijde. Soms leunt ze letterlijk tegen hem aan alsof ze niet op eigen benen kan staan. Het is dan ook een wonder dat ze overeind kan blijven op die hoge naaldhakken. Het kan aan mij liggen, maar de tango is in mijn ogen niet echt flatterend voor de vrouw, zoals ze met achteruitgestoken achterste de soepel bewegende man als een schaduw volgt. Mooi om zien is het echter wel.

De relatie tussen beide dansers doet me onwillekeurig denken aan het ‘doden’ van de scheppende levenskrachten waar ik het onlangs over had. De vrouw wordt in de tango gezien als een verleidelijk, gevaarlijk wezen dat onder de duim moet worden gehouden, anders loopt het uit de hand. De Argentijnse tango is dan ook ontstaan uit de vermenging van Westerse en Europese tradities, dat wil zeggen uit de ‘onderdrukking’ van een levenskrachtige, ‘wilde’ cultuur door een ‘beschaafde’, aan doodskrachten onderhevige cultuur. Die bevruchting resulteerde in de geboorte van de dans die in de 20ste eeuw de wereld zou veroveren en bij uitstek ‘de verticale expressie van een horizontaal verlangen’ is, zoals George Bernard Shaw het uitdrukte. In Europa stuitte de tango op hevig verzet van de kerk, maar bewees zijn levenskracht door uitgerekend in het zeer katholieke Polen populair te worden. Het klopt dus historisch dat in de Krakause nachtclub die Oscar Schindler bezoekt Por una Cabeza gespeeld wordt.

De grote populariteit van de tango is waarschijnlijk mede te danken aan het feit dat hij het sterk polariserende Scorpio-karakter van onze tijd weerspiegelt. Met name Por una Cabeza doet dat. Zijn opgewekt kabbelende inleiding laat niets vermoeden van de explosie van hartstocht die daarna volgt. Ook tijdens de levendige Belle Epoque kon men zich niet voorstellen dat ze zou omslaan in een ongeziene uitbarsting van vernietigend geweld. Na de tweede wereldoorlog volgde dan weer een onbekommerde periode van vrede en vandaag rommelt de vulkaan opnieuw. Oorlog en vrede wisselen elkaar af als de strofen van Por una Cabeza, alsof de wereld meegesleurd wordt in een dance macabre, een heftige, passionele tango met de koele, berekenende doodskrachten van Ahriman en de verhitte, driftige levenskrachten van Lucifer als danspartners. Geen wonder dat de tango de wereld veroverd heeft: hij drukt de ziel van onze tijd uit.

Toevallig zag ik onlangs een filmpje over taï chi, en het viel me op hoe sterk de bewegingen van deze Oosterse discipline lijken op die van de tango. Hoewel in het extreem gestileerde taï chi niets te merken valt van de passie en de erotiek die zo kenmerkend zijn voor de tango, is de verwantschap onmiskenbaar. Taï chi was oorspronkelijk dan ook een gevechtstechniek en om te vechten moet je niet alleen met twee zijn, je hebt er ook passie en hartstocht voor nodig. Ook de tango kan gezien worden als een – tot dans gestileerd – gevecht tussen man en vrouw (wat overigens ook gezegd kan worden van het liefdesspel). Hoe dan ook, het oosterse taï chi en de westerse tango weerspiegelen elkaar, ze vertolken dezelfde oerbewegingen. Dat geldt ook voor de Midden-Europese wals die, hoewel heel anders van karakter dan zowel de tango als taï chi, duidelijk dezelfde wortels heeft. Dat merk je wel wanneer je de wals vergelijkt met bijvoorbeeld de Iers-Keltische dans. 

De Weense wals wordt doorgaans geassocieerd met de aristocratie en haar paleizen. Het is een beschaafde, harmonische dans waarin alles vloeiend en ritmisch verloopt. Heel anders is de melancholische tango, vol passie en pijn, met schrille, klagende klanken. Hier bevinden we ons niet bij de upper class, maar in de onderwereld. Dat komt ook tot uitdrukking in de vorm van de dans. Bij de wals is die onderaan vrij gesloten, maar bovenaan opent hij zich bij momenten als een bloemkelk die het licht van de zon wil ontvangen. Bij de tango is het net omgekeerd: de hoofden blijven heel dicht bij elkaar, terwijl de benen soms heel ver uit elkaar glijden, alsof de dansers onderaan gespleten worden door duistere krachten die van beneden komen. Bij taï chi krijgen we weer een heel ander verhaal en het is niet overdreven te stellen dat de Europese wals het (gulden of koninklijke) midden houdt tussen Oost en West, tussen de aardse passie van de tango en de hemelse wijsheid van taï chi. 

Het maakt deel uit van het polariserende Scorpio-karakter van onze tijd dat het Europese midden – vertegenwoordigd door de Weense wals – naar de achtergrond is verdwenen en dat de uitersten – vertegenwoordigd door tango en taï chi – naar voor zijn gekomen. Dat wordt nergens duidelijker dan op politiek gebied waar de wereld verdeeld is in links en rechts, en waar Europa zijn leidende positie verloren heeft aan Amerika en China. Maar ook op cultureel gebied heeft Europa, met zijn klassieke kunst, het moeten afleggen tegen de internationale hedendaagse kunst, die kille abstractie paart aan barbaarse wildheid. Toch is dat niet het hele verhaal, want naast deze extreme polarisering valt ook de tegenovergestelde beweging waar te nemen, zij het heel subtiel. Een tango als Por una Cabeza bijvoorbeeld is niet alleen gecomponeerd door een uitgeweken Europeaan die zich baseerde op een thema van Mozart, maar door zijn opvallend polaire structuur is hij ook verwant aan het – tegelijk scheidende en verbindende – Europese midden. 

Por una Cabeza was oorspronkelijk filmmuziek, ook dat is veelbetekenend. De klassieke kunst werd in de 20ste eeuw als het ware in twee gespleten: ze viel uiteen in de elitaire (en extreem gepolariseerde) hedendaagse kunst en in de populaire (en veel evenwichtiger) filmkunst. Uitgerekend in die filmkunst werd het toenaderingsgebaar van Por una Cabeza beantwoord door een toenaderingsgebaar uit de andere richting. In een Sovjetfilm van 1955 duikt namelijk een wals op die – net als de tango van Carlos Gardel – in het laatste decennium van de 20ste eeuw beroemd zal worden dankzij een Hollywoodfilm. Het is de zogenaamde ‘tweede wals’ van Sjostakovitsj, die Stanley Kubrick gebruikte in Eyes Wide Shut, de film die hij draaide vlak voor hij stierf. Deze tot dan onbekende wals werd op hetzelfde moment een hit in Europa door toedoen van André Rieu, de man van de populaire massa-concerten. Wat deze ‘tweede wals’ zo meeslepend maakt is het feit dat hij de zoete klanken van de wals vermengt met de schrijnende klanken van de tango.

Deze zoetzure vermenging van Europese harmonie en polaire dissonantie gaat recht naar het hart en maakt van zowel Sjostakovitsj’ tweede wals als Gardels Por una Cabeza muziek waar je kunt blijven naar luisteren. Ze drukt dan ook uit wat er in het gekwelde hart van de moderne mens leeft en dat is ontzettend veel. Wie de moed opbrengt om naar dat hart te luisteren, merkt hoe onder het gebulder van de intellectualistische en moralistische ‘kanonnen’ van onze tijd subtiele draden worden geweven tussen het Oosten, het Westen en Europa. Terwijl overal tegenpolen de wereld verscheuren, wordt er, vrijwel onopgemerkt, een nieuw midden geboren, een midden dat niet langer alle disharmonie weert zoals in de oude Weense wals, maar die disharmonie incorporeert zoals in Sjostakovitsj’ ‘tweede’ wals. Dit ‘driegelede’ midden – het nieuwe Europa zou je kunnen zeggen – grijpt als het ware de hand die in Por una Cabeza vanuit het Westen verlangend wordt uitgestoken. 

Terwijl Ahriman zijn verstikkende world wide web weeft, wordt er ook nog een ander web geweven, een bijzonder kunstzinnig web van tere draden die onzichtbaar blijven omdat niemand er durft naar te kijken. Schindler’s List is daar een mooi voorbeeld van. De moderne intellectueel kijkt doorgaans vol minachting neer op de Hollywoodfilm. Hij vindt het pure commercie en populistisch amusement, de naam kunst onwaardig. Voor Schindler’s List maakt hij een uitzondering – om voor de hand liggende redenen – maar hij benadert deze film zoals hij alle kunst benadert: intellectueel en moraliserend. Hij luistert niet naar wat zijn hart hem vertelt, en dat is in dit geval de harde waarheid dat de Amerikaan Steven Spielberg (what’s in a name) de holocaust gebruikt om Europa, en dan vooral Midden-Europa, een bestraffende vinger voor te houden. Het was dan ook een Midden- Europeaan, de Hongaarse schrijver en holocaust-overlever Imre Kertesz, die dit misbruik aanklaagde. 

Maar het hart brengt hier niet alleen een harde waarheid aan het licht, het vestigt ook de aandacht op een diepere, aangrijpender waarheid. Door zijn keuze voor Por una Cabreza laat Steven Spielberg tegelijk ook een heel ander geluid horen. In deze tango – die precies vertolkt wat er in de nachtclubscène gebeurt – beluisteren we niet het polariserende moraliseren, dat wil zeggen het strenge afwijzen van de doodskrachten, maar net het tegenovergestelde: het opnemen en transformeren van deze vernietigende krachten. Dat is ook wat Oskar Schindler doet: door samen te werken met de nazi’s redt hij niet alleen honderden joden het leven, maar tilt hij ook zichzelf op een hoger niveau. Hij is in zekere zin de verpersoonlijking van het nieuwe Europa, het nieuwe wereldmidden dat als een Goetheaanse Steigerung geboren wordt uit de grootst mogelijke spanning tussen de tegenpolen, tussen levenskrachten en doodskrachten.

Deze nieuwe mens-van-het-midden is in wezen een manicheëer, iemand die het kwaad niet verontwaardigd veroordeelt zoals de moderne farizeëers, maar die het verlost door het lief te hebben. Deze manicheïsche weg is de weg van de toekomst en hij wordt gevolgd door individuen die als eenzame sterren oplichten in de doordringende duisternis van onze tijd. Wie de ogen sluit voor deze duisternis, ziet ook de sterren niet en blijft onwetend over de wonderlijke verbanden tussen deze sterren, de onzichtbare draden die geweven worden door een indrukwekkend wereldwezen dat al het kwaad van de wereld opneemt in zijn hart en het transformeert tot een hoger goed. De beelden en klanken die daaruit ontstaan spreken van hart tot hart, maar doen dat uiterst bescheiden, zoals de kleine tango in Schindler’s List. Ze wachten tot ze gezien worden door ons hoofd, anders kunnen ze geen nieuwe draden weven, anders kunnen ze niet dansen. It takes two to tango

De geest van de piramide

  

Misschien was het toeval, maar enkele weken voor er brand uitbrak in de Parijse Notre Dame, verscheen in de Franse hoofdstad een al even onheilspellend beeld. Op het binnenplein van het Louvre werd door street artist JR (met de hulp van honderden vrijwilligers) een gigantische trompe l’oeil gecreëerd waardoor het leek alsof de glazen piramide die al jarenlang in het midden van het museumplein prijkt, slechts het topje was van een enorme piramide die uit de diepten van de aarde oprees. Vanaf de begane grond was van het ‘kunstwerk’ niks te merken, behalve dan dat het hele plein bedekt was met enorm uitvergrote – en daardoor onherkenbaar geworden – foto’s. Om daaraan te verhelpen had men grote beeldschermen opgesteld waarop de zaak vanuit de lucht te zien was. Op die manier kregen de bezoekers alsnog de sensatie boven een reusachtige krater te lopen waaruit de top van een nog reusachtiger piramide stak. Het was eens wat anders dan altijd weer die Mona Lisa

Eén ding is zeker: de realisatie van dit ‘kunstwerk’ moet stukken van mensen gekost hebben. Maar daar werden in de media geen vragen over gesteld, zoals dat nochtans wel het geval was met de restauratiekosten van de Notre Dame. Die liggen weliswaar nog veel hoger, maar daar staat dan weer tegenover dat ze iets opleveren dat de eeuwen kan trotseren, terwijl van het artwork op het binnenplein van het Louvre al na een paar dagen niks meer overbleef. De museumbezoekers en toeristen hadden de foto’s toen al kapot gelopen, wat trouwens de bedoeling was. ‘Vergankelijk als het leven zelf’, noemde de kunstenaar zijn creatie en plakte er (sic) nog wat dure woorden op. Het resultaat was een hoop afval, want het Louvre-plein lag bezaaid met flarden verscheurd en vertrappeld papier, die door de wind bovendien nog over de hele stad werden geblazen. De Parijse stadsdiensten zullen er hun handen vol aan hebben gehad. Maar daar hoorde je de media niet over klagen. Hedendaagse kunst mag wat kosten.

De papieren trompe l’oeil kaderde in de viering van het 30-jarig bestaan van de glazen piramide op het binnenplein van het Louvre. Die piramide past daar als een tang op een varken, en dat was ongetwijfeld de bedoeling. Het kan geen toeval zijn dat deze abstracte constructie van glas en metaal de grootst mogelijke tegenstelling vormt met de omringende gebouwen. Men wilde die ‘oude troep’ wat opfleuren en bij de tijd brengen, zoals dat vandaag overal gebeurt, tot zelfs in het landelijke Scheldewindeke toe. Daar worden in een decor van velden, bomen en boerderijen steeds meer witte bunkers neergepoot alsof men de plaatselijke bevolking wil toeschreeuwen: hé, Vlaamse Primitieven, wakker worden, we leven in de 21ste eeuw! Een mens vraagt zich af wat de bouwers en bewoners van deze white cubes bezielt om zich zo extreem af te zetten tegen hun omgeving. Ze lijken wel missionarissen van een nieuw, militant geloof: het geloof in de rechte lijn, het witte vlak en de kale ruimte. 

Wat deze zeloten bezielt kan niet het enthousiasme zijn over hun eigen geloof, want dat heeft geen inhoud, het is louter vorm, lege, abstracte vorm. De ontelbare kubussen, balken en cilinders waarmee het moderne landschap bezaaid is, zijn als woekerend onkruid, met dat verschil dat in onkruid levenskrachten actief zijn, terwijl in moderne architectuur louter doodskrachten aan het werk zijn. Die doodskrachten bedekken de aarde met een dikke korst die haar afsluit voor de geest. Gebouwen als de Notre Dame of het Louvre zijn doorlaatbaar voor de geest. Ze roepen die geest wakker, dat voel je als je ernaar kijkt. Glazen piramiden en witte kubussen daarentegen weerkaatsen de geest en sluiten hem op in de dode wereld van de hersenen. En wat die hersenen bezielt, is niet vreugde over de schoonheid van de mens en zijn scheppingen, maar haat tegen die wereld, haat vooral tegen de christelijke geest die de menselijke beschaving de afgelopen 2000 jaar heeft geïnspireerd. 

Het is deze ziedende haat die de brand van de Notre Dame zoniet aangestoken dan toch mogelijk heeft gemaakt. Is het toeval dat uitgerekend in Frankrijk – lange tijd het hart van christelijk Europa – kerken op grote schaal worden gevandaliseerd? De Notre Dame was zwaar verwaarloosd en niet beschermd tegen brand, en met de andere kathedralen zal het wel niet beter gesteld zijn. Het was trouwens niet de eerste keer dat in Frankrijk een kathedraal in vlammen opging, zelfs Chartres moest er ooit aan geloven. Maar met de Notre Dame is nog iets anders aan de hand. De oorspronkelijke kathedraal was in de 19de eeuw zo bouwvallig geworden dat men overwoog ze af te breken. Uiteindelijk werd gekozen voor restauratie onder leiding van de beroemde architect Viollet-Le-Duc die onder meer ook Carcassonne, Vezelay en Mont Sint-Michel onder handen heeft genomen. Violet-Le-Duc deed echter meer dan restaureren, hij herschiep de gebouwen vanuit een historisch ideaalbeeld. De Notre Dame is daar een geslaagd voorbeeld van.

De Parijse kathedraal is al lang niet meer het oorspronkelijke middeleeuwse gebouw. Het is een 19de eeuwse make over. Maar dat viel niemand op omdat Violet-Le-Duc een diep respect had voor de oorspronkelijke geest van de gebouwen die hij restaureerde en probeerde zich helemaal in te leven in die geest. Hij stond daarmee niet alleen: in de 19de eeuw bloeide de neo-gotiek, die tal van indrukwekkende gebouwen heeft opgetrokken. In Frankrijk werden ze echter vrijwel allemaal weer afgebroken, omdat het heroplevende respect voor de middeleeuwse – en dus diep-christelijke – geest niet werd geduld door de nieuwe geest die in de 20ste eeuw opkwam. Deze ‘hedendaagse’ geest streefde met zijn abstracte bouwstijl de grootst mogelijke tegenstelling na met de oude christelijk-Europese geest. In de loop van honderd jaar heeft hij die bouwstijl uitgepuurd tot de hedendaagse white cube, met zijn smetteloos witte interieur, zijn smetteloos witte meubels, zijn smetteloos witte bewoners … 

In al die smetteloze witheid staat of hangt doorgaans hedendaagse kunst die eruitziet alsof iemand wild te keer is gegaan. De harde confrontatie die de hedendaagse architectuur naar buiten toe zoekt met haar omgeving, vinden we ook binnenin: kille abstractie tegenover dierlijke wildheid. Extreme polarisatie is het wezen van de nieuwe geest en hij vormt daarmee de grootst mogelijke tegenstelling met de oude Europese geest die overal het midden zocht. De hedendaagse kunst en architectuur belichamen de grondeloze haat die deze geest koestert jegens het Europese midden, dat hij op alle mogelijke manieren probeert te vernietigen. Die extreme haat gaat gepaard met een extreme sluwheid, want de hedendaagse geest keert de zaken gewoon om: hij toont zich hevig verontwaardigd over het … polariseren en hij doet dat in naam van louter christelijke idealen als naastenliefde, verdraagzaamheid, gelijkheid en solidariteit. Hij verkondigt precies het tegenovergestelde van wat hij doet.  

Deze Antichrist doet zich met andere woorden voor als Christus zelf, en beschuldigt hem ervan een antichristelijke bedrieger te zijn. Groter leugen is niet denkbaar en juist daarom is de hedendaagse geest zo overtuigend: niemand houdt zo’n schaamteloze omkering voor mogelijk. Ze is zo onwaarschijnlijk dat men ze doodeenvoudig niet gelooft en ze beschouwt als gezichtsbedrog, als een … trompe l’oeil. Dit kan niet waar zijn, denkt men, en dus neemt men het ook niet waar. Men gelooft letterlijk zijn eigen ogen niet meer. Duur klinkende woorden brengen de mens in de waan dat de Europese geest niet in zijn tegendeel is gekeerd maar als vanouds onze cultuur inspireert en enkel een meer eigentijdse vorm heeft aangenomen. De werkelijke geest achter deze vorm blijft onzichtbaar, want men bekijkt die nieuwe vormen niet eens. Men plakt er gewoon een beeld over dat men geconstrueerd heeft aan de hand van de ronkende, abstracte begrippen waar de hedendaagse geest het patent op heeft.

De schilderijen, beelden en gebouwen waaruit de kunst al duizenden jaren bestaat, werden in de 20ste eeuw vervangen door pispotten, kakmachines en kubussen. Niemand gelooft in ernst dat deze rommel kunst is. Dat is een absurde gedachte. Komen we die rommel toch tegen in een museum, dan schakelen we gewoon onze zintuigen uit en dwingen onszelf om een innerlijk beeld te vormen dat we op die rommel projecteren. Op die manier kunnen we doen alsof er niets aan de hand is en rustig op beide oren slapen. Hoe meer hedendaagse vormen we zien, des te dieper brengen we onszelf in slaap. Zo doen we het trouwens ook buiten de kunst. Kan iemand geloven dat het hoogontwikkelde Europa vandaag veroverd wordt door islamitische armoedzaaiers? Nee, dat is een belachelijke gedachte. En dus sluiten we de ogen voor het agressieve en gewelddadige gedrag van de islam en plakken er het beeld op van een vredelievende religie waarvan niets te vrezen valt en die prima samengaat met de Europese geest.

Was ditzelfde mechanisme niet ook werkzaam in het Duitsland van na de eerste wereldoorlog? Wie kon geloven dat het land van Goethe en Schiller ingepalmd zou worden door een bende achterlijke barbaren, geleid door een man met een belachelijk snorretje? Wie kon geloven dat beschaafde mensen in staat waren tot de gruwelen van Auschwitz? Niemand kon dat, ook de Duitsers niet, en dus weigerden ze te geloven wat ze zagen. Op basis van de propaganda waarmee ze dagelijks bestookt werden, vormden ze zich een innerlijk beeld van het nazisme dat ze op de realiteit plakten. Achteraf konden ze dan ook zeggen: wir haben es nicht gewusst. Want om iets te weten moet je het eerst kunnen geloven, en dat konden de Duitsers toen evenmin als wij vandaag kunnen geloven dat de islam in Europa een nieuw duizendjarig rijk aan het installeren is. Dit ongeloof, en de daaruit voortvloeiende blindheid, heeft Europa zwaar moeten betalen en die geschiedenis dreigt zich vandaag te herhalen. 

In deze zelfgeïnflecteerde blindheid werkt een geest die ingrijpt in de manier waarop wij de werkelijkheid vormgeven. En dat begint reeds in onze waarneming. Wat wij zien, is geen gegeven, het is een schepping waaraan we – zonder ons daar bewust van te zijn – meewerken. Van die onbewustheid maakt de antichristelijke geest gebruik om ons een andere werkelijkheid voor te spiegelen, een werkelijkheid waar alles op zijn kop staat, waar waarheid leugen is en leugen waarheid. Die ‘omgekeerde’ werkelijkheid heeft George Orwell beschreven in1984. Het is een wereld waarin de alziende Big Brother zich voordoet als de verlosser van de mensheid en aan de top staat van een ‘piramidale’ wereld. Tegen deze (onder)wereld is maar één kruid gewassen: bewustwording van de manier waarop wij de werkelijkheid scheppen waarin we leven. We moeten met ons verstand doordringen in de wereld van de scheppingskrachten. Alleen op die manier kunnen we ons beschermen tegen de enorme suggestieve, zinsbegoochelende kracht van de Antichrist.

De wereld van de scheppende krachten is voor ons verstand echter als een oerwoud waar we slechts met de grootste moeite onze weg kunnen vinden. Dit motief vinden we terug in het sprookje van de Schone Slaapster, waar de koningszoon zich een weg moet banen door de doornhaag waarachter de prinses – beeld van de scheppende krachten – ligt te slapen. Het wakker kussen van de scheppingskrachten is de grote michaëlische opgave van onze tijd. Want de eigenlijke scheppende geest is Christus, hij is degene waarvan we ons bewust moeten worden. In zekere zin helpt de Antichrist ons daarbij, want door de plaats van Christus in te nemen de wereld op zijn kop te zetten, dwingt hij ons tot een keuze. We staan vandaag middenin de strijd tussen twee machtige geesten waartussen geen compromis mogelijk is. We moeten kiezen: openen we de ogen voor Christus of laten we ze sluiten door diens tegenpool? Dringen we door tot de waarheid of laten we ons inspinnen in een wereldwijd web van leugens en gezichtsbedrog?

De mens is blijkbaar reeds zo blind geworden dat de Antichrist overmoedig wordt en geen moeite meer doet om zich te verbergen. Op het binnenplein van het Louvre toonde hij – even – zijn ware gezicht: dat van een reusachtige piramide die uit de onderwereld oprijst. Hij maakte ook geen geheim van zijn bedoelingen. Als we goed kijken naar zijn trompe l’oeil zien we rechts vooraan de schamele resten van een Griekse tempel: slechts drie zuilen staan nog overeind. De piramide-geest zal steeds hoger oprijzen en het Louvre, de Notre Dame en de hele christelijk-Europese beschaving herleiden tot puin. Temidden van die ruïnes zal de essentie zichtbaar worden: de christelijke drieëenheid, de menselijke driegeleding. Maar ze zal verbleken bij de macht en de glans van de antichristelijke piramide die hoog boven haar op zal rijzen. Daarmee is ook de keuze gegeven waarvoor de moderne mens staat: kiest hij voor de indrukwekkende trompe l’oeil van de Antichrist of kiest hij voor de christelijke resten aan de rand van de afgrond?  

De brand van de Notre Dame

  

Op maandagavond, de tweede dag van de Goede Week, brak brand uit in de Parijse Notre Dame. Algauw stond de kathedraal in lichterlaaie en verhief zich een grote rookwolk boven la ville lumière. Ik zal wel niet de enige zijn geweest die meteen dacht aan een aanslag. Het is een publiek geheim dat in Frankrijk geen enkele kerk nog veilig is. Gemiddeld worden er twee per dag gevandaliseerd, in brand gestoken of onteerd. Iedereen weet wie daar verantwoordelijk voor is, maar er wordt zedig over gezwegen. Ook nu weer ontkenden de autoriteiten onmiddellijk dat er kwaad opzet in het spel was, al moest het onderzoek nog beginnen. Er waren restauratiewerkzaamheden aan de gang in de kathedraal en daar moest de oorzaak van de brand gezocht worden. Wat er ook van zij – aanslag of restauratie – de brandende Notre Dame in het centrum van Parijs was een omineus beeld dat onwillekeurig deed denken aan de brandende twin towers in het centrum van New York, bijna 20 jaar geleden. 

Bij antroposofen riep het nog een andere herinnering op: de brand van het Goetheanum, bijna 100 jaar geleden. Net als de Notre Dame was de antroposofische tempel niet opgetrokken door een gespecialiseerde bouwfirma maar door vrijwilligers. Talloze mensen hadden hart en ziel in dit gebouw gelegd en de brand was dan ook een enorme klap. De toenmalige antroposofische vereniging overleefde hem niet. Nochtans had ze, terwijl de vernietigende krachten van de eerste wereldoorlog Europa teisterden, een unieke scheppende prestatie geleverd. Helaas ontbrak er iets aan: bewustzijn. Rudolf Steiner wees daarop toen hij zei dat de brand weliswaar van buitenaf was aangestoken, maar dat de werkelijke oorzaak bij de antroposofen zelf lag. Ze waren te veel met zichzelf bezig geweest en daardoor hadden ze het gebouw geestelijk onbeschermd gelaten. De vlammen die het Goetheanum verteerden, waren een uiterlijk beeld van het luciferische vuur dat binnen de vereniging woedde.

Wrijvingen, afgunst, ijdelheid, fanatisme en andere egoïstische driften hadden tot gevolg dat het Goetheanum een geestelijke omhulling ontbeerde. Persoonlijke aangelegenheden eisten zoveel aandacht op dat er onvoldoende overbleef voor de tempel. Het was deze geestelijke verwaarlozing die het Goetheanum fataal werd. Iets dergelijks kan men ook zeggen van de Notre Dame in Parijs, en bij uitbreiding van alle Franse kerken en zelfs van het hele Europese culturele erfgoed. In plaats van zorg te dragen voor het kostbare geschenk dat het aan de mensheid heeft geschonken, laat Europa zich – als het ware in navolging van de antroposofische vereniging – meesleuren in onderlinge ruzies en wederzijdse beschuldigingen. Het gedraagt zich als een kunstenaar die een meesterwerk heeft geschapen maar zich dat niet realiseert. In plaats van trots te zijn op wat hij tot stand heeft gebracht, schaamt de Europese mens zich diep en probeert wanhopig goed te maken wat hij denkt verkeerd te hebben gedaan. 

Het was verrassend om te zien hoeveel jonge Fransen diep getroffen waren door de brand van de Notre Dame – alsof de schok in hen een hoger zintuig had wakker gemaakt en ze iets gewaar werden van de geestelijke dimensie van het drama. Minder verrassend waren de cynische reacties op deze bewogenheid. Als mensen na een moslimaanslag kaarsjes branden, bloemen leggen en liedjes zingen, noemen de media dat ‘sereen’. Doen ze hetzelfde als een kathedraal brandt, dan noemen ze het ‘sentimenteel’. Ze steken er de draak mee, vragen zich af of het geld voor de restauratie niet veel beter aan een goed doel kan worden geschonken, of publiceren lijstjes met alle – in hun ogen – belachelijke reacties op de brand. Op Facebook verkondigde een linkse activist zelfs triomfantelijk dat hij al sinds 1789 voorstander is van het platbranden van kerken. Nee, het is al lang geen geheim meer welke diepe haat moderne intellectuelen koesteren voor alles wat christelijk is. 

Deze haatdragende intellectuelen zijn per definitie materialistisch. Zonder het met zoveel woorden te durven zeggen, zijn ze ervan overtuigd dat een mens leeft van brood alleen. De gedachte dat een kunstwerk als de Notre Dame geestelijk voedsel is voor miljoenen, en dat geestelijk voedsel voor de mens even noodzakelijk is als fysiek voedsel, vinden ze bespottelijk. Daarom willen ze die ‘oude troep’ liefst van al vervangen door hedendaagse kunst, waar het dode intellect de plaats van de levende geest heeft ingenomen. De Franse president Macron zag zijn kans schoon. De Notre Dame, verklaarde hij, zou binnen vijf jaar worden heropgebouwd, mooier dan ooit. De boodschap was duidelijk: niet alleen zouden de moderne Fransen de klus veel vlugger klaren dan de middeleeuwers, ze zouden het ook veel beter doen. Prompt werd een architectuurwedstrijd uitgeschreven en de eerste kandidaat was Wim Delvoye die zijn genie ten dienste stelde van de wederopbouw. Of hoe een ongeluk nooit alleen komt. 

Na de luciferische ramp, de ahrimaanse ramp. Het volstaat niet dat de kathedraal zwaar beschadigd werd, ze moet ook nog eens belachelijk worden gemaakt. Dat is de nieuwe trend. Historische gebouwen worden niet zomaar gerestaureerd, ze krijgen een hedendaagse make-over. Brak men ze vroeger af om er nieuwe voor in de plaats te zetten, dan combineert men nu beide: het oude gebouw verdwijnt niet, maar wordt innig verstrengeld met een hedendaagse constructie. De intellectuele klasse wordt daar lyrisch van: ze noemt het een prachtige symbiose van heden en verleden, een toonbeeld van vreedzame coëxistentie. In werkelijkheid is het natuurlijk het tegenovergestelde, want het Europese verleden is door en door christelijk, terwijl het Europese heden – althans dat van de machthebbers en intelligentsia – door en door antichristelijk is. De verbinding van beide tegenpolen leidt onherroepelijk tot een – letterlijke en figuurlijke – kleinering van het verleden. 

Alles van waarde is weerloos. Als Europa de michaëlische krachten niet vindt om haar christelijke beschaving te beschermen, dan zal deze ‘tempel’ in vlammen opgaan of – erger nog – geïncorporeerd worden in een ahrimaanse constructie. Luciferische en ahrimaanse krachten zullen samenwerken om de christelijke beschaving te verminken en te vernederen, en van Europa één groot cultureel Golgotha te maken. Alleen michaëlische bewustzijnskrachten kunnen dat voorkomen, en dat zijn oordeelskrachten, onderscheidingskrachten. Ze zitten reeds vervat in het bijbelse scheppingsverhaal. ‘Op de zesde dag keek God naar zijn schepping en Hij zag dat het goed was‘. Met deze bedrieglijk eenvoudige woorden wordt iets heel essentieels aangeduid: een schepping moet beoordeeld worden, zonder oordeel is ze niet af. Europa heeft de afgelopen 2000 jaar een christelijke beschaving geschapen, maar die beschaving is niet af zolang we niet ‘zien dat het goed is’. 

Wat we nodig hebben, zei Rudolf Steiner, is niet Christus maar bewustzijn van Christus. De scheppende heilsdaad is gesteld, Christus heeft zich verbonden met de aarde en daaruit is een christelijke beschaving ontstaan. Maar verre van te zien dat het goed is, kijken we met groeiende afschuw naar ons christelijke verleden. In die afschuw werkt Ahriman en het is op hem dat het michaëlische inzicht moet worden veroverd dat de Europese beschaving een goede schepping is. Uiterlijk gezien wordt dit kunstwerk vandaag het meest bedreigd door de islam. Die probeert het christendom al eeuwenlang te vernietigen en dat lijkt nu eindelijk te zullen lukken, maar alleen doordat de luciferische draak van binnenuit ahrimaanse hulp krijgt. Het is inderdaad opvallend hoe de Europese machthebbers en intellectuelen de islam de hand boven het hoofd houden. Rudolf Steiner voorspelde dan ook dat het intellect kwaadaardig zou worden. Het gevaar komt dus van twee kanten: van buitenaf en (vooral) van binnenuit. 

Een stuitend voorbeeld van dat laatste is de paus van Rome, die de wereld rondreist om overal moslims – letterlijk en figuurlijk – de voeten te kussen. Als geen ander illustreert deze jezuïet in welke mate Europa ontbeert wat in wezen zelfkennis is: bewustzijn van het eigen christelijke wezen. Dat gebrek aan michaëlisch zelfbewustzijn zet de poorten open voor de tegenmachten, die zich als bloedzuigers vastzetten op het christelijke erfgoed en er iets weerzinwekkends van maken. Christus wordt als het ware voor de tweede keer aan het kruis geslagen, geen fysiek kruis dit keer, maar een etherisch kruis, een bewustzijnskruis. Het vraagt moed en inzicht om deze nieuwe kruisiging onder ogen te zien en niet mee te juichen met de farizeëers van onze tijd. Destijds werden deze michaëlische kwaliteiten belichaamd door Maria en Johannes, die aan de voet van het kruis stonden als een beeld van de vrouwelijke en mannelijke eigenschappen die moeten samenwerken om op de zesde dag te kunnen zien dat het – ondanks alles – goed is.

Deze Goede Vrijdag beleeft iedere kunstenaar wanneer een kunstwerk zijn voltooiing nadert. De mannelijke oordeelskrachten beginnen de vrouwelijke scheppingskrachten dan te verlammen en de kunstenaar wordt langzaam maar zeker toeschouwer bij zijn eigen werk. Wanneer hij die grens overschrijdt, moet hij het werk neerleggen. Het scheppen is dan afgelopen en het oordelen begint. Die overgang is als een geboorte en een sterven tegelijk: de kunstenaar moet zijn werk loslaten, want als hij er verder blijft aan werken dan begint hij het – zonder het te beseffen – weer te vernietigen. Hij verkeert dan in de overtuiging dat hij zijn fouten herstelt en zijn werk steeds beter maakt, maar in werkelijkheid doet hij het omgekeerde: hij maakt het steeds slechter. Het dringt niet tot hem door dat bij het overschrijden van de grenzen van het kunstwerk de scheppende levenskrachten veranderen in vernietigende doodskrachten.

Ik heb dat ooit eens op exemplarische wijze ondervonden tijdens mijn academietijd. Ik had een geslaagde modeltekening gemaakt, maar vond dat met name het hoofd beter kon. Waren portretten niet mijn specialiteit? Welaan dan. Dus veegde ik het hoofd uit en begon opnieuw. Het resultaat was echter niet beter maar slechter dan de eerste keer. Die fout moest uiteraard hersteld worden, maar dat lukte ook dit keer niet. Steeds wanhopiger probeerde ik mijn tekening te redden, maar het het ging van kwaad naar erger. Het uiteindelijke resultaat was een menselijke figuur met de kop van een monster (want ik had het papier kapot getekend). Intussen sloeg de leraar mijn ‘verbeterende slopingswerk’ stilzwijgend gade en maakte van iedere fase een karikatuur. Dat leverde een metamorfose-in-acht-stappen op van mens tot monster, waar de hele klas zich vrolijk over maakte. Ik ben nooit meer vergeten hoe belangrijk het is om te weten wanneer je moet stoppen. 

Ieder (menselijk) scheppingsproces begint met het ontbranden van een innerlijk vuur: de geest wordt vaardig maar hij doet dat in luciferische gedaante. Die uitslaande brand moet met behulp van het verstand bedwongen worden. Dat leidt tot een gevecht in regel tussen levenskrachten en doodskrachten, tussen scheppingsroes en realiteitszin. Aan het eind dooft het luciferische vuur uit en overwint Ahriman. Dat is het moment waarop de kunstenaar het scheppende werk moet neerleggen, ook al is hij er niet tevreden over. Het accepteren van de grenzen van een werk is een oefening in gelatenheid, een erkennen van de onmacht om het oorspronkelijke visioen in een concreet beeld te vatten. Met name in onze tijd is dat een heel, heel moeilijke oefening, want enerzijds worden die ‘geestelijke visioenen’ (de helderziende waarnemingen die ten grondslag liggen aan ieder kunstwerk) steeds grootser, en anderzijds wordt de (door het materialisme veroorzaakte) honger naar de scheppingsroes steeds kwellender. 

Het resultaat is een mens die van geen ophouden weet, die de wereld alsmaar beter wil maken en juist daardoor in de greep van Ahriman raakt. Zijn scheppingsroes is veranderd in een vernietigingsroes, en hij merkt het niet: hij breekt de oude wereld af in de overtuiging dat hij een Heerlijke Nieuwe Wereld opbouwt. Die waan klinkt door in de woorden van president Macron die de verwoeste Notre Dame nóg mooier wil maken. We beluisteren hier – niet toevallig uit de mond van een Fransman – de krankzinnige hoogmoed van onze tijd die denkt dat ze de middeleeuwse kathedralen kan en moet verbeteren. Zoveel hoogmoed leidt onvermijdelijk tot een val. De moderne mens kan niet accepteren dat het scheppen voorbij is, dat de Europese beschaving een grens bereikt heeft, en dat het oordelen nu moet beginnen. Het is trouwens begonnen, maar het is een onbewust vernietigend oordelen, een ahrimaans oordelen, geen bewust scheppend oordelen, geen michaëlisch oordelen. 

De mensheid gaat vandaag over de drempel, maar ze weet het niet. Ze heeft nog niet het zintuig ontwikkeld om die grens waar te nemen en te weten wanneer ze moet stoppen. Ze beleeft dat ‘stoppen’ als een sterven, als het pijnlijke uitdoven van het scheppingsvuur, en klampt zich wanhopig vast aan de oude levensroes. De menselijke beschaving is oud geworden, ze heeft haar grenzen bereikt en is stervende. Of dat sterven de wetten van het lichaam zal volgen (en leiden tot een algehele ontbinding en vernietiging) dan wel die van de geest (en leiden tot een wederopstanding), hangt af van onze moed om stil te houden en dat sterven onder ogen te zien. Brengen we die – michaëlische – moed niet op om aan de voet van het kruis te staan en klampen we ons in plaats daarvan vast aan de illusie dat de beschaving wel zal blijven bestaan, dan worden we tot de vernietigers van die beschaving, dan doen we in vlammen opgaan waar we zozeer aan gehecht zijn. 

De goede dood

  

Met je verstand, zei Rudolf Steiner ooit, kun je veel verder in de geestelijke wereld doordringen dan op gelijk welke andere wijze. Dat ondervond ik zelf – in het klein – toen ik onder deskundige leiding leerde tekenen. Door de zintuiglijke werkelijkheid met mijn verstand te herleiden tot abstracte vormen, drong ik er veel dieper in door dan ik door kinderlijk nabootsen ooit had gekund. De zintuiglijke wereld is natuurlijk de geestelijke wereld niet, maar beide liggen wel in elkaars verlengde. Ze verhouden zich tot elkaar zoals kunstwerk en kunstenaar. Het kunstwerk behoort tot de materiële werkelijkheid, maar het is een schepping en uitdrukking van de geest van de kunstenaar. En die geest – zijn Ik – leren we beter kennen door het kunstwerk dan door de kunstenaar zelf, want veel van wat in deze laatste verborgen blijft, wordt zichtbaar in het kunstwerk. Op voorwaarde dat we doordringen tot bovenzintuiglijke dimensie van dat kunstwerk en daarvoor hebben we ons verstand nodig. 

Het menselijk gelaat is het kunstwerk waarin de geest het duidelijkst tot uiting komt. In de portretten die ik tekende, werden – tot mijn eigen verbazing – soms eigenschappen zichtbaar die ik op geen enkele (bewuste) manier had waargenomen aan mijn model. Door me uitsluitend te concentreren op de uiterlijke vormen van zijn gezicht, was ik doorgedrongen tot zijn geestelijke wezen. In bepaalde gevallen werd ik dat wezen reeds gewaar tijdens het tekenen zelf. Ik stuitte dan bijvoorbeeld op onverwachte weerstanden bij mensen die naar buiten toe heel open en sociaal waren, maar die innerlijk een onzichtbare vesting bleken die ik moest belegeren. Ook het omgekeerde gebeurde. Mensen die heel gesloten en terughoudend waren, legden me innerlijk niets in de weg. Ze gaven me vrij toegang tot hun diepste wezen, ofschoon daar uiterlijk niks van te merken was. Weerstand of medewerking: alles speelde zich af op geestelijk niveau, een niveau dat zij noch ik konden waarnemen – tot ik begon te tekenen. 

Dat niveau had ik nooit kunnen bereiken als ik op kinderlijk nabootsende wijze was blijven tekenen, als ik niet mijn verstand had gebruikt om iemands gezicht te herleiden tot louter abstracte vormen. Hoe is dat mogelijk? Waarom dringen we met ons verstand dieper door in de wereld van de geest dan bijvoorbeeld met ons gevoel? Staat het gevoel niet veel dichter bij de levende geest dan het verstand, dat de geest juist doodt? En toch kunnen we met dat dodelijke verstand dieper in iemands ziel doordringen dan met ons empathische gevoel. Dat ondervond ik bij het tekenen van portretten. Wat ik waarnam door iemands gezicht louter verstandelijk te analyseren en weer op te bouwen als was het een meetkundige constructie, kon ik op geen enkele andere manier waarnemen. Sprekende portretten – waarin het Ik van een mens tot uitdrukking komt – ontstaan dan ook niet doordat de kunstenaar zich zo goed kan inleven in zijn model, maar doordat hij er zo goed afstand kan van nemen. 

Hoe valt die paradox te verklaren? Dat lijkt misschien een vraag voor kunstliefhebbers, maar de manier waarop een kunstenaar de werkelijkheid benadert is vandaag de enige manier waarop we nog kunnen doordringen tot de wereld van de geest. Er bestaan weliswaar ook andere manieren, maar die brengen ons niet zover als de kunstzinnige benadering en ze openen bovendien de deur voor allerlei vormen van misleiding. Niet voor niets baseerde Rudolf Steiner zijn antroposofie op de werkwijze van Goethe, die kunstenaar was in alles wat hij deed. De Goetheaanse fenomenologie vormde de brug tussen de zintuiglijke en de bovenzintuiglijke wereld. En die brug zocht hij, want hij wilde meer dan enkel spreken over de bovenzintuiglijke wereld die hij als helderziende waarnam. Hij wilde die wereld ook ontsluiten voor niet-helderzienden door hem te verbinden met de zintuiglijke wereld, of beter: door aan te tonen dat de zintuiglijke en de bovenzintuiglijke wereld zijden van eenzelfde medaille zijn. 

Mensen zoals Rudolf Steiner, die van nature de geestelijke wereld kunnen waarnemen, zijn uiterst zeldzaam. De moderne mens heeft in de regel zijn oude helderziende vermogens verloren, zelfs in die mate dat hij niet meer gelooft in het bestaan van een geestelijke wereld. Hij doet geen enkele moeite meer om die wereld waar te nemen, overtuigd als hij is dat de zintuiglijke werkelijkheid de enige, echte werkelijkheid is. Slechts één soort mensen heeft nog iets van de oude helderziendheid bewaard en dat zijn de kunstenaars. Ze zijn kunstenaar geworden omdat ze (onbewust) nog iets waarnemen van de bovenzintuiglijke dimensie van de wereld. In hun kunst proberen ze een brug te slaan tussen die bovenzintuiglijke dimensie en de gewone zintuiglijke dimensie. Ze creëren beelden die zowel materieel als geestelijk zijn. Op die manier houden kunstenaars in een steeds materialistischer wordende wereld een plekje vrij voor de geest, ook al is dat een geest die enkel gevoelsmatig waargenomen wordt. 

In die zin is iedere kunstenaar of kunstliefhebber een onbewuste antroposoof. Zonder het te beseffen, gaat hij een scholingsweg die leidt van de zintuiglijke waarneming naar de bovenzintuiglijke waarneming, van materie naar geest. Op die manier blijft hij, alle materialisme ten spijt, verbonden met de wereld van de geest. Maar vandaag dreigt die verbinding verloren te gaan doordat de kunst in toenemende mate vervangen wordt door een schijnkunst die de mens geen toegang meer biedt tot de geestelijke wereld. Het loutere feit dat deze ‘hedendaagse’ kunst erin geslaagd is de plaats van de ‘oude’ kunst in te nemen, toont aan hoe zwak ons zintuig voor de geest geworden is. Het dreigt helemaal in te slapen en ons over te leveren aan een geestloze, kunstloze wereld waarin het niet langer mogelijk is mens te blijven. We realiseren ons niet hoe groot het gevaar voor ontmenselijking en verdierlijking is, nu we langzaam maar zeker ons laatste contact met de geest – de kunst – kwijtraken. 

Paradoxaal genoeg wordt deze ontmenselijking aangevuurd door onze … vergeestelijking. Tijdens de zogenaamde Godenschemering trok de geestelijke wereld zich langzaam terug en verloren we stap voor stap al onze helderziende vermogens. Vandaag is het Duistere Tijdperk afgelopen en dringt de geestelijke wereld opnieuw tot ons door. Als gevolg daarvan worden we op natuurlijke wijze weer helderziend. Maar onze helderziende waarnemingen – die tussen haakjes kunstenaars en wereldverbeteraars van ons maken – vinden geen toegang tot ons materialistische bewustzijn. Ze worden er als het ware door teruggestoten en zien zich verplicht via ons onderbewustzijn een weg te banen naar ons hart. In die onbewuste, slapende wereld zijn ze echter niet meer op hun plaats en ze ontketenen er wilde driften en begeerten. Als we er niet in slagen deze instinctief werkende geest in ons bewustzijn te heffen en te verbinden met onze vrije wil, dan zal hij ons verdierlijken in plaats van vergeestelijken. 

Het is geen toeval dat Rudolf Steiner als één van zijn allereerste basiswerken een esthetica schreef. Hij had ondervonden hoe cruciaal de kunst was voor de toekomstige ontwikkeling van de mens en wees met nadruk op twee diametraal tegengestelde opvattingen over kunst: een Goetheaanse opvatting die de menselijke cultuur zou vergeestelijken en redden, en een materialistische opvatting die de menselijke cultuur ten gronde zou richten. Deze laatste opvatting wordt belichaamd door de hedendaagse kunst, die inderdaad een niet te miskennen beeld ophangt van een beschaving in verval. Toch wordt het dehumaniserende karakter van deze schijnkunst nauwelijks waargenomen, en dat is een veeg teken. Eén van de gevolgen van de verdierlijking is namelijk dat de mens er zich niet van bewust is. Een mens weet wel dat hij mens is, maar een dier weet niet dat het dier is. Het bezit de gave des onderscheids niet en juist die – typisch menselijke – gave is vandaag zienderogen aan het verdwijnen.  

Daarom is het van het grootste belang dat we ons bewust worden van de kunstzinnige benadering van de werkelijkheid en daarbij duidelijk onderscheid maken tussen twee tegengestelde visies op kunst die Rudolf Steiner, niet zonder reden, centraal plaatste in zijn esthetica. Kunst, zei hij, is niet een idee in zintuiglijke vorm (zoals vandaag algemeen wordt aangenomen), het is een zintuiglijke werkelijkheid in ideële vorm. Anders gezegd, kunst is geen geest die materie wordt, maar omgekeerd, materie die geest wordt. Blijven we kunst zien als iets wat de geest ‘materialiseert’, dan zal deze benadering ons steeds dieper in de materie trekken, en dat des te meer naarmate we helderziender worden en de kunst instinctief tot voorbeeld nemen. Het zal dus paradoxaal genoeg onze (onbewuste) honger naar geest en kunst zijn die ons de onderwereld in drijft, die ons verdierlijkt en ontmenselijkt, en ons tegelijk in de waan brengt dat we steeds kunstzinniger en menselijker worden. 

Deze duivelse valstrik kunnen we alleen vermijden door kunst te zien als een zintuiglijke werkelijkheid in de vorm van de idee – als vergeestelijkte materie zeg maar – en niet omgekeerd. Zolang we nog enig gezond gevoel bezitten, doen we dat vanzelf. Niemand kan ons dan wijsmaken dat een pispot net zo goed kunst is als de madonna van Rafaël. Maar als dat gevoel zo zwak wordt dat we geen verschil meer zien tussen kunst en onkunst, dan kan alleen bewust inzicht ons nog helpen. En daarvoor moeten we met ons verstand doordringen in de wereld van de kunst, we moeten de manier waarop zij de wereld benadert in heldere begrippen gieten. Dat is wat Rudolf Steiner gedaan heeft in zijn esthetica en in zijn andere werken over Goethes Weltanschauung. Op dat fundament bouwde hij vervolgens zijn hele antroposofie waarmee hij de moderne mens de weg toonde om op een bewuste en vrijwillige manier – niet instinctief en dwangmatig dus – weer in contact te komen met de geestelijke wereld.

Om die reden is het van cruciaal belang dat we de twee kunstvisies waar Rudolf Steiner op wijst, duidelijk onderscheiden. Want als het fundament waarop we onze brug naar de geestelijke wereld bouwen verkeerd is, als het een omgekeerd fundament is, dan bouwen we geen brug naar de hemel maar naar de hel. We dalen dan steeds dieper in de onderwereld af, terwijl we ervan overtuigd zijn steeds hoger te stijgen. We hoeven maar aan moslimterroristen te denken om te begrijpen hoe reëel dit gevaar is. Deze mensen begaan gruwelijke misdaden, maar ze wanen zichzelf halve heiligen, martelaars voor de goede zaak. Dezelfde mentaliteit vinden we bij de politiek-correcten, de zogenaamde Gutmenschen. Ze richten de menselijke beschaving ten gronde in de overtuiging dat zij haar redden. Deze terreurzaaiers – Oostelijke zowel als Westerse – worden bezield door grootse idealen en gedreven door louter goede wil, maar zij steunen op het verkeerde fundament. 

Met ons verstand doordringen in de kunst, is doordringen in de fundamenten van onze wereldbeschouwing. Dat vergt een strijd met het kwaad, want de tegenmachten weten beter dan wie ook hoe belangrijk de kunst is voor de moderne mens. Ze weten ook dat de mens dat weet (dankzij zijn nieuwe helderziendheid) en dat het dus geen zin heeft hem ervan af te willen brengen. Wat ze echter wel kunnen doen – en wat ze, met doorslaand succes, ook gedaan hebben – is de kunst vervangen door een ‘nieuwe’ kunst, die precies hetzelfde doet als de oude maar dan omgekeerd. Ze hebben de kunstenaar en de kunstliefhebber – die altijd zijn uitgegaan van de zintuiglijke werkelijkheid – laten geloven dat ze in feite uitgaan van de bovenzintuiglijke werkelijkheid. Dat denkbeeld was des te aantrekkelijker omdat het materialisme de mens geestelijk uithongerde en hem tot een gemakkelijke prooi voor deze omkering maakte. De uitgehongerde mens wilde maar al te graag geloven dat hij uitging van de geest.

Rudolf Steiner doorzag deze duivelstruc en stelde hem aan de kaak in zijn esthetica. Maar hij werd niet begrepen. De ‘geestelijke honger’ verdoofde het onderscheidingsvermogen van zijn leerlingen. Honderd jaar nadat Rudolf Steiner de antroposofie officieel verbond met de kunst – en daardoor de afscheuring van de theosofie bewerkstelligde – openden ze de poorten van het Goetheanum voor de hedendaagse kunst. Ze begrepen niet dat deze schijnkunst de visie belichaamde die Rudolf Steiner in zijn esthetica ontmaskerd had en dat ze dus het paard van Troje binnenhaalden. Ze dachten een brug te slaan naar de moderne wereld, maar in werkelijkheid deden ze net het tegenovergestelde en keerden ze terug naar het theosofische stadium. In plaats van uit te gaan van de zintuiglijke werkelijkheid gingen ze uit van de geest. Ze negeerden het dualistische karakter van de materiële wereld en probeerden hem – vergeefs uiteraard – de idee van de driegeleding op te leggen. 

Rudolf Steiner was geen dromer. Hij zag de mogelijkheid onder ogen dat de antroposofie een werktuig van de tegenmachten zou worden en drukte ons daarom op het hart om wakker te blijven. Dat laatste is vandaag niet meer mogelijk zonder de omkering van de kunst te doorzien. Het grote struikelblok daarbij, is de rol die het verstand speelt in het scheppingsproces. Die rol wordt onomwonden verwoord in het beroemde vers van Oscar Wilde: each man kills the thing he loves. Om scheppend werkzaam te kunnen worden, moet de kunstenaar (en moet ieder mens) datgene doden waarvan hij het meeste houdt: de geest. Het is de waarneming van de geest die een mens tot kunstenaar maakt, die in hem de liefde wekt voor de zintuiglijke werkelijkheid, en juist die liefde moet hij ‘doden’ door de zintuiglijke werkelijkheid (met zijn verstand) te herleiden tot dode, abstracte vormen. Dat is het – schokkende – mysterie van de kunst, het mysterie waarvoor de moderne mens instinctief terugdeinst.

James Ensor verafschuwde het academische kunstonderwijs, maar hij was eerlijk genoeg om het een noodzakelijk kwaad te noemen. Hij behoorde tot de generatie kunstenaars die na het aflopen van het Kali Yuga de geest steeds sterker begonnen waar te nemen en het daarom steeds moeilijker kregen die geest – waarnaar ze zozeer hongerden – te ‘doden’. Uiteindelijk konden ze dat niet meer opbrengen en werden ze met waanzin geslagen. Deze waanzin bedreigt vandaag de hele mensheid, want de werking van de geest wordt steeds sterker en grijpt steeds meer mensen aan. Daarom moet het mysterie van de kunst openbaar worden gemaakt. Het moet onttrokken worden aan de kunstscholen waar het in zijn tegendeel wordt gekeerd. We moeten leren begrijpen en beleven dat de geest niet sterft wanneer we hem met ons verstand doden, maar dat hij verrijst, stralender dan ooit. Dat is het pijnlijke maar verlossende geheim van de kunst, het wonder van het vermoorde kind dat lacht en in der eeuwigheid blijft zingen.