Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Vakantielectuur (7)

  

Ieder kunstwerk is een zelfportret. Soms in letterlijke, maar altijd in figuurlijke zin. Soms weerspiegelt de inhoud van een kunstwerk het fysieke uiterlijk van de kunstenaar, maar altijd weerspiegelt de vorm ervan de ziel van de kunstenaar. De eerste – materiële – weerspiegeling is onbetrouwbaar want bewust. De tweede – geestelijke – weerspiegeling is waarheidsgetrouw want onbewust. De aandacht van de kunstenaar is tijdens het scheppen geheel en al op zijn onderwerp gericht, dat wil zeggen op de inhoud van zijn werk. De vorm ‘vergeet’ hij, zoals hij ook zichzelf vergeet wanneer hij bezig is. Dit ontbreken van zelfbewustzijn is voorwaarde voor het scheppen van kunst. Vandaar de uitdrukking bête comme un peintre. Kunstenaars zijn ‘dom’ omdat ze niet helemaal wakker zijn. Het zijn dromers en uit hun dromen ontstaat de kunst. Ontwaken zij uit de droom dan kunnen zij niet meer scheppen. Daarom mijdt de kunstenaar instinctief alle ideeën, alle begrippen, alle wetenschap.

Niet echter de moderne, hedendaagse kunstenaar. Die wil juist wakker worden, hij wil nadenken, hij wil wetenschapper worden. Het resultaat zien we in een boek als ‘De Bekeerlinge’. Het is een troebele mengvorm van kunst en wetenschap. Beide tegenpolen heffen elkaar op en er ontstaat een soort ‘niets’. Heel wat hedendaagse kunstwerken stellen letterlijk niets voor. Om er iets te kunnen van maken is de kunstliefhebber aangewezen op de uitleg van de kunstenaar of de kunstkenner. Maar die stelt evenmin iets voor. Over niets kan men nu eenmaal niets zeggen, en de uitleg is dan ook meestal onbegrijpelijke postmoderne onzin. Zowel kunst (het werk) als wetenschap (de uitleg) verliezen hun ziel wanneer ze vermengd worden. Wat overblijft is een lege vorm die ‘gekraakt’ wordt door demonen. Dat is ook het geval met ‘De Bekeerlinge’. Stefan Hertmans schrijft (als kunstenaar) een roman waarbij hij (als wetenschapper) voortdurend tekst en uitleg verschaft. Als gevolg daarvan sluipen allerlei onfrisse elementen het boek binnen.    

Hier is dus een kunstenaar aan het werk die zijn eigen kunst vernietigt. Voortdurend onderbreekt hij zijn roman met toelichtingen en reflecties die de lezer beletten in het verhaal op te gaan. Het is alsof de schrijver bang is dat de lezer helemaal in zijn boek zal verdwijnen, terwijl dat toch de bedoeling is van literatuur. Je schrijft romans opdat lezers die in hun verbeelding tot leven zouden wekken, niet opdat wetenschappers ze zouden kunnen analyseren. Maar dat lijkt juist wel de bedoeling te zijn van Stefan Hertmans. Door zelf als wetenschapper in zijn boek op te treden, nodigt hij de lezer uit om na te denken over ‘De Bekeerlinge’, om het boek te bestuderen en er de diepere betekenis van te achterhalen. Die diepere betekenis is natuurlijk de politiek-correcte inhoud, de boodschap die de schrijver wil verkondigen en die hij ook naast zijn romans verkondigt, zoals in de Brief aan Europa die hij onlangs schreef en waarin hij verklaart dat er in Europa twee soorten mensen leven: goede mensen en slechte mensen.

Wat bezielt een ogenschijnlijk beschaafd en ontwikkeld man als Stefan Hertmans om zo’n infantiele en kwaadaardige boodschap de wereld in te sturen? Door kunst en wetenschap met elkaar te vermengen en in zichzelf een leegte te creëren waar demonen hun intrek kunnen nemen, heeft hij zichzelf tot spreekbuis gemaakt van kwaadaardige geesten die mensen tegen elkaar opzetten in de hoop dat ze elkaar vernietigen. Waarom doet zo’n man dat? Als hij ook maar een beetje kritisch stond tegenover zichzelf en zijn werk zou hij zichzelf niet zo verlagen. Nu is het alsof iemand anders zijn pen vasthoudt. Waarom laat hij dat gebeuren? Waarom verzet hij zich daar niet tegen? De voor de hand liggende verklaring is natuurlijk dat het hem roem en eer oplevert. Zo werd hij genomineerd voor de prestigieuze Bookerprijs, iets wat hem internationaal ‘in de markt zet’, zoals hij het zelf uitdrukt. En in een interview verklaarde hij dat jaar 40.000 kilometer gereden te hebben om lezingen te geven. 

Stefan Hertmans is een ambitieus en eerzuchtig man, iemand die carrière wil maken in de letteren. Dat is onmogelijk voor wie zich niet onderwerpt aan de politieke correctheid. De intellectuele wereld is uiterst streng voor ketters, terwijl ze de gehoorzamen rijkelijk beloont. In materialistische tijden als de onze weegt dat zwaar door. De literaire wereld staat dan ook als één man achter de politiek correcte geest en verkondigt zijn boodschap in alle talen. Rudolf Steiner voorspelde het al: Ahriman zal schrijven. Deze kwaadaardige geest is inderdaad de mede-auteur van ‘De Bekeerlinge’, hij inspireerde Stefan Hertmans toen hij dit boek schreef. Voelt zo’n man dat dan niet? Ondervindt hij niet dat iemand zijn pen in een bepaalde richting stuurt en hem dingen doet schrijven die hij niet wil schrijven? Het antwoord is: neen. De scheppende kunstenaar is niet echt wakker. Hij geeft zich over aan de droombeelden die in hem opwellen en probeert ze in een kunstzinnige vorm te gieten. Maar juist van die vorm is hij zich niet bewust.

Pas wanneer zijn werk klaar is, ontwaakt hij uit de droom en kan hij de vorm zien die hij gecreëerd heeft. De schrijver wordt dan lezer. Maar hij is absoluut geen kritische lezer, want als hij zijn eigen boek leest komen de herinneringen aan het schrijven weer boven, de dromen en verzuchtingen, de pijn en de moeite. Hij kan dat alles onmogelijk los zien van het boek en dus kan hij dat boek nooit lezen zoals een gewone lezer dat kan. Als kunstenaar staat hij tegenover zijn eigen werk als een moeder tegenover haar kind: hij kan er zich nooit helemaal van losmaken, hij kan er nooit objectief tegenover gaan staan. Anders gezegd: de kunstenaar kan ten opzichte van zijn eigen werk nooit wetenschapper worden. Als schepper blijft hij altijd verbonden met zijn schepping. Veel schrijvers lezen hun boeken niet meer wanneer ze verschenen zijn. Dat is veel te confronterend. Zoveel afstandelijkheid ten opzichte van zichzelf kunnen ze niet verdragen. De schok zou hen wakker maken en hun scheppingsdrang verlammen, misschien zelfs voorgoed. 

De afwezigheid van kritiek is voor de kunstenaar een absolute voorwaarde om te kunnen scheppen. Daarom weet hij ook niet wie hem inspireert. Hij wil het zelfs niet weten, want het zou het einde kunnen betekenen van zijn kunstenaarschap. Wat zou er gebeuren als Stefan Hertmans besefte wat hij geschreven heeft, en wie het geschreven heeft? Zou hij zich ooit nog durven overgeven aan de inspiratie, aan de droom? Zou hij ooit nog een boek durven schrijven? Zou hij nog onder de mensen durven komen die hij bedrogen heeft? Het enige wat hij nog zou kunnen doen, is een boek schrijven over zijn ontmoeting met Ahriman en de gevolgen daarvan. Maar dat zou van hem een paria maken. Hij zou zonder pardon uit de literaire en intellectuele wereld gegooid worden, want Ahriman wil onder geen beding ontmaskerd worden. Zijn rol in de schrijvende wereld mag niet aan het licht komen. Het enige boek dat Stefan Hertmans nog kon schrijven, zou een punt zetten achter zijn literaire carrière. 

Zeker in onze tijd is het voor een kunstenaar zelfmoord om de waarheid over zichzelf onder ogen te zien. Als Stefan Hertmans schrijver wil blijven, dan moet hij de ogen sluiten voor die waarheid. Hij zit met andere woorden in de val, hij kan niet meer terug. Hij heeft zijn ziel aan de duivel verkocht en is nu diens eigendom. Alleen door zijn kunstenaarschap op te offeren, kan Stefan Hertmans zich bevrijden van die ‘bezetenheid’ en opnieuw een vrij man worden. Maar dat is het grootste offer dat je van een kunstenaar kunt vragen. Het is een beetje als God die aan Abraham vraagt om zijn zoon op te offeren. Dat doe je vandaag niet meer. Je kunt van een kunstenaar niet vragen dat hij zijn kunst opgeeft. Dat zou zelfmoord zijn, niet alleen voor de kunstenaar maar ook voor de vraagsteller, want zonder kunstenaar geen kunstliefhebber, zonder schrijver geen lezer. Nee, men kan van de kunstenaar niet vragen dat hij wetenschapper wordt en zijn eigen waarheid onder ogen ziet. 

In de vorm van zijn werk is de kunstenaar drager van de waarheid omtrent de geestelijke dimensie van de werkelijkheid. In een andere vorm is die waarheid niet meer voorhanden, want in de religies is ze gestorven, ze bestaat daar alleen nog in de vorm van dode begrippen en beelden die de moderne mens niet meer aanspreken, laat staan tot een geloof inspireren dat bergen verzet. Dat levende geloof treffen we alleen nog aan in de kunst. Daar vinden we nog mensen die geloven in de kunst en bereid zijn er alles voor op te offeren, ook al kunnen ze niet één bewijs of reden voor hun geloof aanvoeren. Kunst is dan ook geestelijk van aard, het kan niet tot materie herleid en dan gemeten worden. Als we van kunstenaars vragen om het ultieme offer te brengen en hun kunst op te geven, dan verliezen we ons laatste contact met de levende waarheid, de waarheid omtrent de materiële én geestelijke dimensie van de werkelijkheid. Zonder kunst vallen we in het totale materialisme, en dat is collectieve zelfmoord.

‘De Bekeerlinge’ plaatst de wakkere lezer voor een dilemma. Als hij de schrijver confronteert met de waarheid omtrent zichzelf en zijn kunst, dan ‘doodt’ hij hem. De kunstenaar in Stefan Hertmans zou de confrontatie met de waarheid niet overleven. De vraag is zelfs of de mens Stefan Hertmans deze confrontatie zou overleven, want voor een kunstenaar is het leven zonder kunst ondraaglijk. De kunstenaar is een gewonde ziel, die de kunst nodig heeft om te genezen. Hij is een Prometheus wiens lever iedere dag opgevreten wordt en ’s nachts weer aangroeit. Zonder de ‘nachtelijke’ krachten van de kunst redt hij het niet. Maar zonder die krachten redt ook de dag-mens het niet, de waarheidszoeker, de vraagsteller, de wetenschapper. Als hij Stefan Hertmans voor het blok zet dan verliest hij iemand die de geestelijke dimensie van de hedendaagse werkelijkheid zichtbaar kan maken, iemand die hem een levendig en toegankelijk beeld kan tonen van de drempeloverschrijding. 

Stefan Hertmans heeft zijn ziel aan de duivel verkocht. Hij is een ‘bezetene’, iemand die eigendom is van een kwaadaardige geest. Dat klinkt dramatischer dan het is, want kunstenaars zijn altijd ‘bezetenen’ geweest, hun dienstbaarheid aan de inspirerende geest was altijd totaal en is dat nog altijd. Alleen zijn ze nu vrij om de geest te kiezen waardoor ze geïnspireerd willen worden, een vrijheid die ze vroeger niet hadden. Het was altijd dezelfde geest die de oude kunst inspireerde. Dat lees je af aan haar inhoud maar ook – en vooral – aan haar vorm. Vandaag zijn er echter twee totaal verschillende geesten die kunstenaars inspireren, zoals er ook twee totaal verschillende kunsten bestaan: de klassieke en de hedendaagse. Die twee inspirerende geesten sluiten elkaar uit en dwingen de kunstenaar om te kiezen. Dat doet hij dan ook: hij kiest massaal voor de nieuwe geest, de hedendaagse geest, de politiek correcte geest. Maar een bewuste keuze is dat niet en kan het ook niet zijn.

De kunstenaar kent de geest niet die hem inspireert en wil hem ook niet kennen, want dan kan hij er zich niet meer volledig aan overgeven. Kennis impliceert immers afstand. Als gevolg van die overgave raakt hij onvermijdelijk in de greep van Ahriman. Hij kan er zich niet tegen verzetten, want dan houdt hij op kunstenaar te zijn. Dat is de reden waarom de gehele kunstwereld vandaag in de greep van Ahriman zit. Uitzonderingen zijn er niet, ook al heeft het daar soms de schijn van. Om door die schijn heen te kijken volstaat het om te zoeken naar kunstenaars die zich in woord en beeld verzetten tegen de hedendaagse geest, tegen de politieke correctheid. Die zijn er eenvoudig niet meer. Door zich te verzetten hebben ze artistieke zelfmoord gepleegd en kwijnen nu weg buiten de kunstwereld, gebroodroofd en onteerd, in absolute anonimiteit. Dat is het drama dat zich nu al 100 jaar voor onze ogen afspeelt: de hellevaart van de kunst, haar steeds dieper wegzinken in de onderwereld. 

Advertenties

Flaubert

  

Die bekommernis om uiterlijke schoonheid die u mij verwijt, is voor mij een methode. Wanneer ik een lelijke assonantie of een herhaling in een van mijn zinnen ontdek, ben ik er zeker van dat ik fout zit. Door steeds maar te blijven zoeken vind ik de juiste uitdrukking, de enig juiste en tegelijk de welluidendste. Als de idee er is, ontbreekt het woord nooit. Er is geen schone gedachte zonder schone vorm, en omgekeerd.

Net zomin als je van een natuurkundig lichaam de hoedanigheden die het samenstellen, kleur, uitgebreidheid en vastheid, kunt isoleren zonder het tot een holle abstractie terug te brengen, zonder het in één woord te vernietigen, kun je de vorm van de idee scheiden, want de Idee bestaat alleen bij gratie van de vorm. Probeer je eens een idee voor te stellen die geen vorm heeft. Zoiets is onmogelijk. Net zomin als een vorm die geen idee uitdrukt.

Waar de vorm ontbreekt is de idee afwezig. De een zoeken betekent de ander zoeken. Ze zijn even onafscheidelijk als kleur en substantie, en daarom is kunst de waarheid zelf. 

Vakantielectuur (6)

  

Reeds in de inhoud van ‘De Bekeerlinge’ wordt de drempeloverschrijding zichtbaar. Het boek gaat over twee mensen die ieder op hun manier in een totaal andere wereld terechtkomen. De ene is Hamoutal, een middeleeuws meisje van christelijken huize dat zich bekeert tot de joodse godsdienst. Ze onderneemt een lange tocht van het Noorden naar het Zuiden, ze verlaat de stad om in een dorp te gaan wonen. De andere drempeloverschrijder is Stefan Hertmans zelf, een schrijver die in zekere zin ook een bekeerling is, want hij steekt zijn afschuw voor het christendom en zijn bewondering voor het jodendom niet onder stoelen of banken. Net als zijn hoofdpersonage verruilt hij het grijze, stedelijke Vlaanderen voor de kleurrijke, dorpse Provence, en al schrijvend komt hij eveneens in een andere wereld terecht. Beide verhalen spiegelen elkaar, beide verhalen brengen een drempeloverschrijding in beeld. Die van Hamoutal loopt slecht af, die van Hertmans wordt een doorslaand succes. 

Maar niet alleen in de inhoud wordt het drempelkarakter van ‘De Bekeerlinge’ zichtbaar, ook in de vorm manifesteert het zich. Het meest opvallende kenmerk van die vorm zijn de twee parallelle verhalen, het fictief-middeleeuwse en het reëel-hedendaagse. Ze lopen niet mooi naast elkaar zoals twee evenwijdigen, maar kruisen elkaar voortdurend en wel op zo’n manier dat de lezer heel alert moet zijn om niet op het verkeerde been te worden gezet. Een voorbeeld. David en Hamoutal bereiken op hun vlucht Clermont Ferrand. Eén zin later arriveert ook Stefan Hertmans in Clermont Ferrand, alsof hij de twee geliefden op de hielen zit. Hij bezoekt een middeleeuwse kerk en ziet daar Hamoutal zitten. Als hij weer buitenkomt, loopt ze vlak voor hem, in zwarte legging, witte sneakers en blauw shirt. Ze gaat een huis binnen waarvan de voordeur geopend wordt door David. Beiden hebben nog een lange weg voor de boeg, aldus de schrijver, en hij gaat de nacht doorbrengen in een nabijgelegen kasteel.

Hamoutal in legging, sneakers en shirt? Een middeleeuws koppel dat in het moderne Clermont Ferrand woont? Verleden en heden lopen in ‘De Bekeerlinge’ door elkaar alsof de schrijver geen onderscheid meer weet te maken tussen fictie en werkelijkheid. De lezer raakt in de war: in welk verhaal zit hij nu eigenlijk, het middeleeuwse of het hedendaagse? Zonder waarschuwing stapt Stefan Hertmans van het ene verhaal in het andere, en de lezer wordt verondersteld hem bij al die kleine grensoverschrijdingen gezwind te volgen. Ik kan me voorstellen dat heel wat lezers dat hinkelspel origineel vinden. Ik kan me ook voorstellen dat literaire critici er diepgravende beschouwingen aan wijden. En nog beter kan ik me voorstellen dat deze techniek in goede aarde valt omdat hij de politiek-correcte boodschap ondersteunt. Maar mij irriteerden die onaangekondigde ‘drempeloverschrijdingen’, ze brachten me telkens uit evenwicht en vergalden mijn leesplezier. 

Omdat ik een en ander wilde controleren begon ik het boek opnieuw te lezen, dit keer trager en aandachtiger. Het viel me nu nog meer op hoe vaak Stefan Hertmans van het ene verhaal in het andere stapt. Bij de eerste lectuur had ik blijkbaar heel wat van die overgangen gemist, maar nu was ik een stuk wakkerder. Ik struikelde niet langer over de talloze kleine ‘drempeltjes’ waarmee dit boek bezaaid is. Ik begreep wat de bedoeling van de schrijver was en ik volgde hem daarin. Maar ik betaalde er wel een prijs voor: ik zat niet meer in het verhaal, daarvoor was ik me te bewust geworden van de schrijver en zijn techniek (en van mezelf en mijn aandacht voor die techniek). Ik bleef als het ware buiten het boek staan. Maar ik bleef ook buiten de werkelijkheid staan, want ik was verdiept in het lezen van een boek. Ik bevond me ergens tussen fictie en werkelijkheid, in een ‘tussenwereld’ waarin ook de schrijver zich bevond toen hij het boek schreef, een wereld waarin de grenzen vervaagden en niets meer duidelijk onderscheiden werd.  

In die tussenwereld zou ik langzaam ingedommeld zijn als de eerste lezing mijn kritische zin niet had gewekt (zowel door de leugenachtige inhoud als de irritante vorm van het boek). Leugen en waarheid, fictie en werkelijkheid zouden in mijn bewustzijn één grote brij zijn geworden waarin mijn onderscheidingsvermogen was opgelost. Dat zou me vatbaar gemaakt hebben voor de bewondering die dit boek ten deel viel. Ik had moeilijk weerstand kunnen bieden aan het collectieve gejuich. Nu kon ik dat wel, want ik had mijn gevoel van onbehagen niet genegeerd, ik had de leugen over de kruistochten niet geslikt. En juist doordat ik niet toestond dat mijn kritische zin zich oploste in de algemene euforie, verdiepte hij zich tot een groeiend inzicht. Het begon mij te dagen dat Stefan Hertmans in ‘De Bekeerlinge’ een getrouw beeld ophangt van onze tijd, een tijd waarin groteske leugens ongemerkt ons indommelende bewustzijn binnendringen, een tijd waarin de mensheid over de drempel gaat.

Die drempeloverschrijding is in de eerste plaats een onbewuste drempeloverschrijding. De moderne mens weet niet dat hij over de drempel gaat en dat zijn gedrag dat weerspiegelt. Ook Stefan Hertmans weet niet dat de moderne drempeloverschrijding zichtbaar wordt in zijn schrijfgedrag, dat wil zeggen in de vorm van zijn boek. Kunstenaars spiegelen de geestelijke dimensie van de werkelijkheid in de kunstzinnige vorm van hun werk – de ‘vorm van de idee’ – omdat ze er zich niet bewust van zijn, omdat hun (onbetrouwbare) zelfbewustzijn er zich niet mee moeit. In die onbewuste vorm spreken ze de waarheid, want die vorm is eigenlijk lichaamstaal en lichaamstaal liegt niet. Net als ieder mens weet Stefan Hertmans niet wat zijn lichaam vertelt over hemzelf. Net als iedere kunstenaar is hij zich niet bewust van de geestelijke waarheid die in de vorm van zijn werk opgesloten ligt. Die waarheid kent alleen de lezer, als hij ze tenminste wil kennen en zijn aandacht richt op de vorm van het boek.

Wat hij dan in ‘De Bekeerlinge’ ziet, is een schrijver die zich met veel verbeeldingskracht verdiept in het leven van een middeleeuws meisje. Hij doet dat met zoveel overgave en inlevingsvermogen dat hij dat meisje bijna wordt, erin verdwijnt en zichzelf vergeet. Maar dan keert hij opeens weer terug naar de huidige tijd, alsof hij zichzelf te binnen schiet en weer Stefan Hertmans wordt, de schrijver die opzoekingswerk verricht voor zijn nieuwe boek. Maar als kunstenaar vindt hij het hedendaagse leven veel te saai en te bloedeloos, en dus duikt hij weer onder in de kleurrijke middeleeuwse wereld en kruipt in de huid van Hamoutal. Die wordt hem echter ook weer te eng en hij vlucht opnieuw de drempel over. Op die manier pendelt hij voortdurend tussen twee werelden, niet in staat in een van beide te blijven. Wat hier zichtbaar wordt is de moderne mens die, zonder het zelf te beseffen, wil ontsnappen aan de materiële wereld, over de drempel van de geestelijke wereld stapt, maar bevangen wordt door ‘drempelvrees’.   

De kleurrijke Middeleeuwen met hun intense geloof in het ‘hogere’, zijn een beeld van de geestelijke wereld waarin de mens terechtkomt wanneer hij over de drempel stapt. Stefan Hertmans wordt onweerstaanbaar aangetroken door die wereld, maar als hij hem leert kennen, deinst hij verschrikt terug. De dramatische intensiteit van de geest – gespiegeld door de kruistochten – brengt hem van slag. Als het in de geestelijke wereld al even erg is als in de materiële wereld, waar moet hij dan nog heen? En dus vlucht hij in een ‘tussenwereld’, in een rusteloos heen en weer pendelen tussen geest en materie, tussen middeleeuwen en heden, tussen fictie en werkelijkheid, tussen waarheid en leugen. En hoe sneller hij pendelt, des te moeilijker wordt het om beide werelden uit elkaar te houden: ze vloeien in elkaar tot een troebel en verwarrend geheel dat hem gevangen houdt. Dat is wat we in (de vorm van) ‘De Bekeerlinge’ zien gebeuren, dat is ook wat in de ziel van de moderne mens gebeurt. 

In die verwarrende tussenwereld kom je ook als lezer terecht. Reeds op de eerste bladzijden raak je gedesoriënteerd en vraag je je af: waar ben ik eigenlijk, wat gebeurt hier, wat is er aan de hand? Die verwarring leidt uiteindelijk tot de vraag: ligt het aan mij of ligt het aan de schrijver? Ben ik nu zo’n slechte lezer dat ik dit boek niet snap, of is Hertmans zo’n slechte schrijver dat hij het niet duidelijk kan maken? Aan het succes van het boek valt af te lezen welke keuze de meeste lezers gemaakt hebben. Maar door de schuld bij zichzelf te leggen en de ogen te sluiten voor de – vormelijke én inhoudelijke – tekortkomingen van de schrijver, blijven ze ook blind voor de diepere waarheid van ‘De Bekeerlinge’. Want Stefan Hertmans schetst niet alleen een beeld van de mens met drempelvrees, de mens die als het ware op de drempel blijft staan, hij toont ook de gevolgen van die stilstand: de drempeloverschrijdende mens raakt in verwarring, begint aan zichzelf te twijfelen en verliest langzaam maar zeker zijn verstand. 

Aan het eind van het boek wordt Hamoutal krankzinnig en sterft in ellendige omstandigheden terwijl de wereld rondom haar in grote beroering is. Maar opnieuw is het niet alleen de inhoud maar ook de vorm van ‘De Bekeerlinge’ waarin deze krankzinnigheid zichtbaar wordt. Wat Hamoutal overkomt is een metafoor van wat ook de schrijver overkomt (en de lezer, en de moderne mens in het algemeen). Wie het boek begint te lezen, raakt algauw het noorden kwijt. Legt hij daarvoor de schuld bij zichzelf, dan leest hij dapper voort en laat zich betoveren door de verbeeldingskracht van de schrijver. Doet hij dat niet en blijft hij wakker, dan stelt hij vast hoe Stefan Hertmans gaandeweg de trappers verliest. Er sluipen leugens in het boek, de geweldscènes zijn al te bloederig, het tragische einde van Hamoutal is als een opera: alle registers worden opengetrokken. En dan, na al dat drama, schakelt de schrijver doodleuk over naar een nauwgezet verslag van zijn bronnenonderzoek.

De poëtische schrijver verandert opeens in een nuchtere wetenschapper. En het gaat niet om een nabeschouwing, de transformatie maakt deel uit van de roman. Zo eindigt het voortdurende pendelen tussen twee werelden: terwijl Hamoutals lijk op een eenzame plek ligt te vergaan, vertelt de schrijver over document T-S 12.532 en document T-S 16.100. Alsof er niets gebeurd is, alsof het hele drama niet heeft plaatsgevonden, alsof de schrijver zich totaal niet bewust is van zijn metamorfose. Stefan Hertmans lijkt uiteen te vallen in twee personen die van elkaar niet afweten: de gevoelige kunstenaar en de kille wetenschapper. Nochtans lijkt het hem juist voor de wind te gaan: hij heeft net een wetenschappelijke ontdekking gedaan en ook in de literaire wereld staat hij op het punt roem te verwerven. Maar is dat niet het beeld van de moderne mens? Uiterlijk lijkt hij alles onder controle te hebben, maar innerlijk valt hij uit elkaar. Er heerst chaos in zijn ziel en hij is zich niet bewust van de diepe kloof die haar in twee splijt. 

Stefan Hertmans is het prototype van de geslaagde kunstenaar. Hij heeft alles wat hij zich maar kan dromen: een mooi huis in de Vlaamse Ardennen, een buitenverblijf in het Franse Zuiden, succes als schrijver, aanzien als intellectueel. En hij ziet er nog goed uit ook. Maar dit godenkind schrijft wel een boek dat het verhaal vertelt van iemand die over de drempel gaat en kranzinnig wordt. Op het eerste gezicht gaat het over een middeleeuws meisje, maar omdat de vorm van het boek precies hetzelfde verhaal vertelt, gaat het ook over Stefan Hertmans zelf. Hij beschrijft in zijn boek dus haarfijn hoe het er in zijn eigen gespleten ziel aan toe gaat, hoe ze wanhopig probeert zichzelf te helen door voortdurend heen en weer te pendelen over de kloof die haar in twee deelt. Maar het leidt er alleen maar toe dat die ziel helemaal uit elkaar valt en hij dus in zekere zin krankzinnig wordt. Het is de Strange case of dr. Jekyll and mr. Hyde, met dat verschil dat Stefan Hertmans er zich totaal niet bewust van is.  

Vakantielectuur (5)

  

Kunst weerspiegelt de wereld waarin we leven, letterlijk maar vooral figuurlijk. Vandaag staat die wereld in het teken van de drempeloverschrijding: de mensheid maakt opnieuw contact met de geestelijke wereld waarvan ze zich eerst met veel moeite heeft losgemaakt om haar vrijheid te veroveren. Die vrijheid staat nu op het spel. Gaat de moderne mens over de drempel mét of zonder behoud van zijn vrijheid? Dat is de vraag. Hij moet kiezen tussen twee manieren om over de drempel te gaan, en juist die twee manieren worden zichtbaar in de kunst. Het duidelijkst gebeurt dat in de beeldende kunst. Daar wordt de moderne mens geconfronteerd met twee totaal verschillende kunsten – een oude en een nieuwe – die staan voor de twee manieren waarop hij vandaag over de drempel kan gaan. Hij ondervindt er ook hoe moeilijk de keuze is: er wordt ontzettend grote druk op hem uitgeoefend opdat hij niet zou kiezen, opdat hij geen onderscheid zou maken tussen beide mogelijkheden.

Niet kiezen betekent onbewust kiezen voor de nieuwe kunst, die zich nadrukkelijk als ‘drempeloverschrijdend’ presenteert en iedere kritiek afdoet als conservatief, dom en bekrompen. Deze kunst trekt een scherpe grens door de kunstwereld en verdeelt hem in (vooruitstrevende) kunstliefhebbers en (achterlijke) cultuurbarbaren. Ze scheidt de geesten en laat er geen twijfel over bestaan welke de goede en welke de slechte zijn. Wie voor de nieuwe kunst kiest, maakt de goede keuze, wie dat niet doet, valt uit de boot en maakt niet langer deel uit van het beschaafde deel van de mensheid. Zo expliciet wordt het natuurlijk niet gezegd, want dat zou de kritische kunstliefhebber wantrouwig maken. Nee, de scheiding wordt ontkend, het onderscheid tussen oud en nieuw uitgewist, de keuze weggemoffeld. De kunstliefhebber wordt in de waan gebracht dat hij juist niet moet kiezen, dat hij oud én nieuw moet omarmen, dat hij inclusief, verbindend, verdraagzaam, niet-polariserend, ruimdenkend, enzovoort moet zijn. 

Je moet het de tegenmachten nageven: ze gaan uiterst geraffineerd te werk, ze weten wat ze doen. Ze moeten over een diep inzicht in de drempeloverschrijding beschikken, anders zouden ze de moderne mens niet zo verregaand kunnen manipuleren. Want hun misleidingspogingen zijn een doorslaand succes. Niemand maakt nog onderscheid tussen de oude en de nieuwe kunst, niemand spreekt nog over de diepe kloof die de kunstwereld in twee splijt. Niemand maakt een keuze, niemand oordeelt. Men gaat blindelings over de drempel zonder te beseffen dat men daardoor (onbewust) de scheiding der geesten doorvoert waar men zich (bewust) tegen verzet. Men doet met andere woorden precies het tegenovergestelde van wat men denkt en beweert te doen. In de stellige overtuiging aan de goede kant te staan, laten kunstliefhebbers zich leiden als makke schapen en maken geen enkel onderscheid meer, zelfs niet het meest voor de hand liggende. Ze verkwanselen vrolijk hun vrijheid. 

Het is pijnlijk en beschamend om het meest ontwikkelde deel van de mensheid – de intellectuelen, de kunstliefhebbers – zo massaal in de val te zien lopen. Bovendien lopen steeds meer mensen deze keurtroepen blindelings achterna en willen niets liever dan ook tot de ‘hogere’ wereld van deze ingewijden te behoren. Iedereen lijkt in de ban te zijn van de drempeloverschrijding en de scheiding der geesten. Iedereen is als bezeten door de drang om aan ‘de goede kant’ te staan en beseft niet dat hij juist daardoor aan de ‘verkeerde kant’ terechtkomt. Bij alle bewondering die men kan hebben voor het raffinement en het inzicht van de tegenmachten, is het toch vreselijk om te zien hoe ze de ontwikkeling van de mens stopzetten en hem dwingen rechtsomkeer te maken. Daarom is het zaak het hoofd koel te houden en van de gelegenheid gebruik te maken om hun manier van werken te doorgronden en hen aldus het ‘goud’ van hun inzicht in de drempeloverschrijding te ontfutselen. 

Dat wil ik eens proberen aan de hand van ‘De Bekeerlinge’, het jongste boek van Stefan Hertmans, een alom gerespecteerd schrijver en intellectueel die niemand ervan zou durven verdenken gemene zaak te maken met de tegenmachten. Zijn boek ziet er op het eerste gezicht bewonderenswaardig uit, zowel in artistiek opzicht (een meesterwerk, een cruciaal boek, de bevestiging van een gigatalent) als in moreel opzicht (maatschappij-kritisch, sociaal bewogen, solidair met vluchtelingen en vervolgden). Het wordt dan ook de hemel in geprezen. Het heeft zijn eerste literaire prijs al binnen en er zullen ongetwijfeld nog volgen. Het internet staat vol met lofzangen. Ze zijn niet alleen lyrisch, maar ook unaniem. Een kritisch woord is vrijwel niet te vinden. Zoveel enthousiaste bewondering maakt ‘De Bekeerlinge’ los dat de kritische lezer wel twee keer zal nadenken voor hij het waagt dit feestje te verstoren. En toch. Zo fraai is het allemaal niet wat Stefan Hertmans in dit boek doet. 

Laat ik beginnen met de inhoud. Die bestaat uit twee verhalen. Het ene speelt zich af in de middeleeuwen, en is gebaseerd op ware feiten. Als een archeoloog heeft Stefan Hertmans het verleden gereconstrueerd aan de hand van schaarse overblijfselen. Dat heeft hij met veel verbeeldingskracht en in levingsvermogen gedaan, maar in het andere verhaal, waarin hij het relaas doet van zijn ‘wetenschappelijk onderzoek’, wijst hij nadrukkelijk op het objectieve karakter van zijn boek. Ik keek er dan ook van op toen ik merkte dat hij de middeleeuwse wereld verdeelt in beschaafde moslims en joden enerzijds en barbaarse christenen anderzijds. Alsof deze laatsten geen kathedralen bouwden, alsof hun kloosters niets voorstelden vergeleken bij de synagogen en de moskeeën. Natuurlijk maakten joden en moslims deel uit van oude, eerbiedwaardige beschavingen en was het christelijke Europa nog jong en wild, maar Stefan Hertmans maakt er een bij momenten groteske karikatuur van. 

Helemaal uit de bocht gaat hij wanneer hij de kruisvaarders voorstelt als een opportunistische troep plunderaars die een spoor van dood en vernieling trekken door de moslimwereld en er zo de oorzaak van zijn dat het islamitische begrip jihad (dat oorspronkelijk ‘innerlijke strijd’ betekende) nu ook de betekenis krijgt van ‘heilige oorlog’. Alsof het Spaanse Al Andalus niet bestond, alsof moslims niet al zowat driekwart van de christelijke wereld – met het zwaard – veroverd hadden en nog eeuwen zouden proberen ook het resterende deel in hun macht te krijgen. Hun heilige oorlog bestond al veel langer en was helemaal niet het gevolg van de kruistochten. Het was net andersom: de kruistochten waren een reactie op de moslimagressie waaronder de christenen al zolang te lijden hadden en die nog zou duren tot in de 18de eeuw. Als christelijk Europa zich niet met hand en tand verzet had tegen deze agressie, dan zou het onder de voet zijn gelopen en zouden we vandaag allemaal moslims zijn. 

Stefan Hertmans keert de waarheid dus zonder meer om, en de nadruk die hij legt op zijn ‘wetenschappelijke’ werkwijze maakt van deze omkering een regelrechte leugen. Het is bovendien een kwaadaardige leugen, want de oude moslimagressie laait vandaag weer op: over de hele wereld worden aanslagen gepleegd, christenen vervolgd en kerken vernield. Overal waar ze komen dringen moslims hun levenswijze en wetten op, om nog maar te zwijgen over het antisemitisme dat ze verspreiden. Stefan Hertmans draagt ertoe bij dit moslimgeweld te verontschuldigen door het in zijn boek voor te stellen als het wanhopige verzet van mensen die al sinds het ontstaan van de islam het slachtoffer zijn van barbaarse christenen. Met dat soort leugens werden in het verleden genocides ontketend en een mens vraagt zich af waarom een beschaafd, onderlegd en kunstzinnig man als Stefan Hertmans zich leent tot dergelijke oorlogspropaganda, want daar komt het uiteindelijk op neer.

Waarom stelt Stefan Hertmans zijn kunst ten dienste van haat, geweld en fanatisme? Waarom gebruikt deze vreedzame man zijn literaire talent om – geraffineerde – oorlogstaal te spreken? Die vragen zijn des te belangrijker omdat Stefan Hertmans geen uitzondering is, wel integendeel. Zowat de gehele artistieke wereld – zeker hier in Vlaanderen – is politiek-correct. Schrijvers, kunstenaars, critici, kunstliefhebbers: allemaal bewijzen ze lippendienst aan de leugenmachine die dag en nacht draait, allemaal steunen ze ‘de enige, echte waarheid’ die geen tegenspraak duldt en de leugen neerslaat. Waarom doen ze dat? Waarom verlagen kunstenaars zich tot zo’n slaafs, onderdanig gedrag? De reden valt niet ver te zoeken: omdat ze er anders niet meer bijhoren, omdat de toegang tot de kunstwereld hen dan wordt ontzegd. En dat is een vreselijke straf, want zonder kunstwereld kunnen kunstenaars niet overleven. Ze zijn dus politiek-correct omdat hun bestaan als kunstenaar ervan afhangt, ze onderwerpen zich om te overleven.

Dat laatste hebben kunstenaars altijd moeten doen, maar ze slaagden er steeds weer in om hun kunst te vrijwaren: ze onderwierpen zich wel uiterlijk, maar niet innerlijk. Vandaag lukt hen dat niet meer. Ze zien zich verplicht hun laatste troef uit te spelen: de kunst zelf. Terwijl ze hun onafhankelijkheid, tegendraadsheid en authenticiteit van de daken schreeuwen, onderwerpen ze zich innerlijk. Ze verkopen hun ziel aan de duivel. Dat leidt tot de paradox dat ze, om kunstenaar te kunnen blijven, hun kunst … vernietigen. Want een onderworpen kunst is geen kunst. Een kunst die dienstbaar gemaakt wordt aan het verkondigen van ideeën, houdt op een kunst te zijn. Als die ideeën ook nog eens grove leugens blijken te zijn, verandert de kunst in haar tegendeel: ze wordt een anti-kunst. Dat doet de vraag rijzen: weten kunstenaars dat? Offeren ze hun kunst bewust en vrijwillig op? Het antwoord ligt voor de hand: geen enkele kunstenaar keert zich willens en wetens tegen zijn kunst. Integendeel, hij heeft er juist alles voor over, tot zelfs zijn leven.

In de kunstwereld heerst vandaag een tragische onbewustheid, het soort onbewustheid waarvan je zegt: vergeef het hen, want ze weten niet wat ze doen! Hedendaagse kunstenaars weten inderdaad niet meer wat ze doen. Ze zouden ontzet zijn als ze het wisten, want de blinde vlek in hun bewustzijn is er de oorzaak van dat ze de kunstwereld in een slagveld hebben herschapen. Honderd jaar reeds voeren ze oorlog tegen de kunst, in naam van de kunst. Zolang ze zich niet bewust worden van die zelfvernietigende oorlog, zal hij blijven voortduren. Uiteindelijk zal hij de menselijke beschaving aan de rand van het graf brengen. De grote vraag luidt dan ook: wat heeft deze ‘blinde vlek’ veroorzaakt? Wat heeft kunstenaars zover gebracht dat ze zich zonder het te beseffen tegen hun kunst keerden? Wat heeft hen het bewustzijn doen verliezen? Het antwoord luidt: de drempeloverschrijding. Daar moet de oorzaak van hun zelfvernietigende onderdanigheid worden gezocht.

Wie over de drempel gaat, laat zijn zelfbewustzijn achter, hij geeft zich over aan de geest en keert ‘verfrist’ of ‘geheeld’ weer terug. Tenminste als alles goed gaat. En dat is in onze tijd zeker niet het geval, want de moderne kunstenaar gaat (net als iedereen) onbewust over de drempel. ‘Onbewust’ betekent hier: zonder het bewust en vrijwillig achterlaten van het zelfbewustzijn, zoals we dat doen bij het inslapen. Iedere avond geven we ons over aan de onbewustheid van de nacht, bij vol bewustzijn, zonder de minste angst of terughouding. Wanneer we echter onbewust over de drempel gaan, laten we ons zelfbewustzijn niet los, we nemen we het mee de geestelijke wereld in. En daar gaat het fout: ons zelfbewustzijn kan (de rijkdom van) die wereld niet verteren, het wordt erdoor verdoofd, zoals wanneer we teveel gegeten hebben en slaperig worden. Met dat verdoofde bewustzijn keren we dan terug in de materiële wereld, zonder te beseffen dat we half slapen. Integendeel, we voelen ons wakkerder dan ooit. 

Op die manier ontstaat het – verbijsterende – verschijnsel van de politiek-correcte mens die meent eindelijk het licht gezien te hebben, die vol enthousiasme en zelfvertrouwen is, maar die niet wakker meer is. Hij maakt geen onderscheid meer tussen geest en materie, beide werelden vermengen zich in zijn slaperige bewustzijn en veroorzaken de chaos die we met de dag zien toenemen. De politiek-correcte mens heeft de zin voor aardse verhoudingen verloren, maar hij heeft evenmin een beeld van de geestelijke verhoudingen. Hij leeft in een ‘schimmenrijk’, een soort tussenwereld waar alles door elkaar loopt en iedereen in een roes verkeert. Het is deze schimmige tussenwereld die gestalte krijgt in de kunst. Want kunstenaars zijn zich weliswaar niet bewust van de drempeloverschrijding zoals ze vandaag plaatsvindt, maar ze brengen hem, ondanks zichzelf, toch in beeld. Ze hebben altijd de geestelijke dimensies van de werkelijkheid zichtbaar gemaakt in hun werk en dat doen ze nog. 

Vakantielectuur (4)

  

De mensheid gaat over de drempel, en diep van binnen weet ze dat. De hedendaagse angst voor racisme is daar een teken van. Die angst wordt gerechtvaardigd door te wijzen op racistisch gedrag en heroplevend nazisme. Maar beide zijn marginale verschijnselen die geen noemenswaardig gevaar opleveren. Toch wordt racisme beschouwd als de grootste bedreiging voor de wereldvrede en brengt het talloze mensen buiten zichzelf van verontwaardiging. De oorzaak van hun irrationele gedrag moet dan ook niet op materieel maar op geestelijk vlak worden gezocht. Wie over de drempel gaat, wordt een ander mens. Aangezien dat vandaag onbewust gebeurt, kan het ten goede of ten kwade uitdraaien. Het gevolg is een scheiding der geesten die zo ingrijpend is dat ze uiteindelijk zal leiden tot een scheiding van twee menselijke ‘rassen’: degenen die hun ontwikkeling voortzetten en degenen die afglijden naar een dierlijke staat. De kloof tussen beide zal steeds groter worden tot ze ten slotte niet langer overbrugbaar is. 

Dat is een huiveringwekkend vooruitzicht, en de hysterische reacties op alles wat mensen van elkaar scheidt (ras, geslacht, grenzen, religie, enzovoort) wijzen erop dat dit ‘drempelweten’ in de mens leeft. Het dringt echter niet door tot zijn bewustzijn, want dat accepteert geen geestelijke oorzaken. Als gevolg daarvan wordt de toekomstige ‘rassenscheiding’ geprojecteerd op het huidige rassenonderscheid en worden de onschuldigste verschillen tussen mensen opgeblazen tot misdaden tegen de mensheid. Paradoxaal genoeg veroorzaakt dat nu reeds de gevreesde scheiding: de mensheid wordt verdeeld in inferieure racisten en superieure antiracisten. Maar zou het beter zijn als het ‘drempelweten’ werkelijk doordrong tot het moderne bewustzijn en de mensheid besefte wat haar te wachten staat? Zou iedereen dan niet alles in het werk stellen om ‘aan de goede kant’ te staan en zich te distantiëren van het verdierlijkende, inferieure deel van de mensheid? Zou met andere woorden niet precies hetzelfde gebeuren als nu?

Dit onbewuste ‘drempelweten’ omtrent de toekomstige scheiding der mensheid leeft ook bij schrijvers en kunstenaars. Ook zij doen er alles aan om ‘aan de goede kant’ te staan, en dit onbewuste streven heeft ook in de kunstwereld een diepe kloof geslagen. Het heeft niet alleen twee totaal verschillende kunsten in het leven geroepen – een ‘hogere’ en een ‘lagere’ – het heeft ook het publiek verdeeld in twee kampen. Naast kunstliefhebbers bestaan er nu ook kunsthaters: mensen die een diepe afkeer voelen voor de nieuwe, hogere kunst en aldus verraden dat ze tot het oude, achterop rakende deel van de mensheid behoren. Deze scheiding der geesten is een novum. Nooit voordien is er sprake geweest van mensen die kunst haatten. De man in de straat voelde altijd een vanzelfsprekende bewondering en zelfs eerbied voor de kunst. Die was dan ook nauw verbonden met de religie. Pas na het verbreken van deze verbinding is de gewone man zich tegen de kunst beginnen keren.

In de kunstwereld zien we dus precies hetzelfde gebeuren als daarbuiten: het ‘drempelweten’ roert zich in kunstenaars en kunstliefhebbers, ze worden gegrepen door het apocalyptische beeld van de scheiding van kaf en koren, maar dat dringt niet tot hun bewustzijn door. Uit angst om bij het kaf terecht te komen, stellen ze alles in het werk om zich te onderscheiden van het achterblijvende, tot barbaarsheid vervallende deel van de mensheid en veroorzaken op die manier precies datgene wat ze willen vermijden. Want een mens verhoogt zich niet door anderen te verlagen, door hen voor te stellen als racisten of cultuurbarbaren. Daardoor creëert hij juist de uitzichtloze strijd die de hele mensheid naar beneden haalt: de strijd tussen de superieure culturelen en de inferieure barbaren. Aangezien die strijd aangevuurd wordt door het schrikbeeld dat het drempelweten in het onderbewuste van de mens heeft geplant, ligt de enige remedie tegen deze zelfvernietigende strijd in de bewustwording van dit drempelweten. 

Maar juist die bewustwording plaatst de mens voor een schijnbaar onoplosbaar dilemma. Wie zich bewust wordt van de drempeloverschrijding realiseert zich namelijk hoe cruciaal ze is. De moderne mens bevindt zich in dezelfde situatie als een pasgeboren kind. Met ontzettend veel moeite en pijn heeft hij zich losgemaakt van de geestelijke wereld – zijn moederlichaam – en is ‘op aarde’ gekomen. Hij is een zelfstandig wezen geworden, een vrij mens. Maar daarvoor heeft hij een zware prijs betaald: hij is weerloos geworden als een pasgeboren kind. Zonder zijn ‘moeder’ is hij een vogel voor de kat. Als hij er niet in slaagt zich weer te verbinden met de geestelijke wereld, dan kan hij zijn vrijheid niet overleven. De moderne mens begint dat steeds sterker aan te voelen naarmate zijn stuurloosheid toeneemt. Langzaam maar zeker dringt het besef van de drempel in zijn bewustzijn door en realiseert hij zich in welk gevaar hij verkeert. Zijn drang om over de drempel te gaan wordt steeds groter en onbedwingbaarder.

Maar hetzelfde bewustzijn dat hem zo dringend aanmaant om over de drempel te gaan, weerhoudt hem ook van die drempeloverschrijding. Niemand raakt immers over de drempel als hij zijn zelfbewustzijn niet opgeeft. Dat is een absolute voorwaarde om in de geestelijke wereld te kunnen komen, of het nu bij het inslapen is, het sterven, of het overschrijden van de drempel – drie variaties op hetzelfde thema. Telkens moet er afscheid worden genomen van het gewone, dagelijkse zelfbewustzijn. En juist dat valt de moderne mens heel zwaar. Niet alleen lijdt hij in toenemende mate aan slapeloosheid, ook zijn sterven wordt eindeloos lang gerekt, en voor de drempeloverschrijding deinst hij verschrikt terug. Hij zit zo vast in zijn lichaam dat hij er niet meer uit raakt, zijn zelfbewustzijn is zo groot geworden dat hij het niet meer opzij kan zetten. Als een onverbiddelijke wachter aan de drempel staat dit lichaamsbewustzijn, dit bewustzijn van zijn aardse zelf, de zo noodzakelijke drempeloverschrijding in de weg.

Deze ‘wachter aan de drempel’ is echter niet zomaar een spelbreker. Hij is van levensbelang, want hij verhindert de mens zijn vrijheid en zelfstandigheid kwijt te spelen door roekeloos over de drempel te gaan. Dat is namelijk het grote gevaar dat hem momenteel bedreigt. Zijn drang om te overleven dwingt hem over de drempel te gaan en zijn zelfbewustzijn aan de kant te schuiven. In feite bevindt hij zich in een vergelijkbare situatie als de concentratiekampbewoner na de bevrijding. Uitgehongerd werpt hij zich op het voedsel dat hem van alle kanten aangeboden wordt. Maar hij is zo zwak geworden dat hij het niet kan verteren en hij bezwijkt onder datgene wat hem moest redden. Wat vele jaren van ontbering en ellende niet gekund hebben, wordt door enkele dagen van overvloed bereikt. Hetzelfde overkomt de moderne mens: na eeuwen van materialisme gaat hij over de drempel en komt weer in contact met de geest. Zijn geestelijke honger is echter zo groot dat hij ‘zwelgt’ in de geest en eronder bezwijkt. 

Dankzij de geestelijke ‘uithongering’ van het materialisme heeft de mens zijn vrijheid veroverd en is hij een zelfstandig Ik geworden. Hij is met andere woorden ‘geboren’ en net als een pasgeboren kind kan hij maar aan één ding denken: drinken. De natuur heeft het zo geregeld dat een kind weer in slaap valt wanneer het genoeg gedronken heeft: het keert weer terug naar de (geestelijke) wereld waar het vandaan kwam. Slechts heel geleidelijk wordt het wakker voor zijn nieuwe, aardse wereld. Op geestelijk vlak bezit de ‘pasgeboren’ mens dat instinct echter niet meer. Hij is immers vrij geworden. Hij moet nu zelf beslissen hoeveel hij ‘drinkt’ en wanneer hij ‘in slaap valt’. Aangezien hij zich echter niet bewust is van het geestelijk voedsel dat nu opnieuw voorhanden is, blijft hij drinken om die bodemloze put in zijn ziel te vullen. Zijn zelfbewustzijn kan al die ‘geestelijke drank’ niet verteren en bezwijkt: hij raakt zijn zwaar bevochten vrijheid kwijt. Dat is het gevaar waarvoor de wachter aan de drempel hem wil behoeden.

Het onvermogen van de moderne mens om zichzelf te vergeten, zijn zelfbewustzijn aan de kant te schuiven en over de drempel te gaan, is een ‘reddend’ onvermogen. Het belet de mens zijn Ik in te ruilen voor geestelijk voedsel á volonté en aldus zijn ziel aan de duivel te verkopen. Want het zijn de tegenmachten die de moderne mens overladen met geestelijk voedsel (dat zij in een materialistische ‘verpakking’ steken zodat de moderne mens geen argwaan krijgt). Achter de grote idealen die hem momenteel in vuur en vlam zetten – vrijheid, gelijkheid, solidariteit, naastenliefde, verdraagzaamheid, progressiviteit, diversiteit, enzovoort – gaan geestelijke wezens schuil waardoor hij ‘geknecht’ wordt omdat hij er zo mateloos in zwelgt. Op zich zijn deze wezens goed, maar ze worden een kwaad als hij er geen afstand kan van houden en zich blindelings in hun armen werpt. En dat is waar de tegenmachten de moderne mens toe aanzetten: ze willen dat hij ongecontroleerd en onbeheerst over de drempel gaat. 

Het dilemma waarmee de moderne mens geconfronteerd wordt, ziet er dus als volgt uit. Als hij er niet in slaagt over de drempel te gaan en zich weer verbinden met de geestelijke wereld, dan gaat hij ten gronde. Hij valt dan ten prooi aan aardse krachten die een hapklare brok in hem zien en zonder scrupules gebruik maken van zijn kinderlijke weerloosheid. Gaat hij echter over de drempel zoals hij dat nu doet en zwelgt hij onbewust in de geest, dan betekent dat eveneens zijn ondergang. Hij wordt dan tot slaaf van de tegenmachten die hem africhten als een dier. De oplossing ligt voor de hand: de mens moet voorzichtig, stap voor stap over de drempel gaan. Hij moet met mondjesmaat geestelijke voedsel tot zich nemen zodat hij het kan leren verteren. Anders gezegd, hij moet de gulden middenweg vinden tussen de geest die hem over de drempel wil trekken en de materie die hem daarvan wil terughouden. Het probleem is echter dat deze krachten allebei zo sterk zijn geworden dat het niet meer mogelijk is ze in evenwicht te houden. 

De tijd van het gulden midden is voorbij. Wat sinds oeroude tijden als het grootste goed werd beschouwd, wordt vandaag als het grootste kwaad ervaren. De moderne mens heeft een onoverwinnelijke afkeer ontwikkeld voor het gulden midden, denken we maar aan de haatrelatie tussen links en rechts. Het is een (zoveelste) teken dat de mens diep van binnen weet heeft van de scheiding der geesten en beseft dat er moet gekozen worden. Dat doet hij dan ook met een ongelooflijke hartstocht: hij kiest partij op alle mogelijke gebieden. Maar hij kiest niet bewust, hij beseft niet waartussen hij kiest. Deed hij dat wel dan zou het grote dilemma hem voor ogen staan en zou hij beseffen hoe ontzettend moeilijk, ja zelfs onmogelijk, die keuze is. Want wat hij ook kiest, het loopt verkeerd af. De onmacht waarmee (de bewustwording van) dit dilemma hem vervult, zal hem echter vroeg of laat doen beseffen dat er nog een derde mogelijkheid is, dat hij niet moet kiezen tussen wel of niet over de drempel gaan, want dat is een valse keuze.

De moderne mens heeft helemaal niet de keuze om al dan niet over de drempel te gaan. De drempeloverschrijding is een feit: de mens gaat over de drempel, of hij dat nu wil of niet. Hij komt in contact met een overvloed aan geestelijk voedsel, of hij dat nu weet of niet. En eten doet hij, hoe dan ook. Maar hoeveel en hoe snel hij eet, dat kan hij zelf bepalen. Zijn vrijheid ligt in de manier waarop hij over de drempel gaat: beheerst of onbeheerst. Daaruit bestaat ook de keuze die hij moet maken en die zal bepalen of hij uiteindelijk bij het kaf of het koren terechtkomt: hij moet kiezen tussen de goede en de slechte manier om over de drempel te gaan. Maar om te kunnen kiezen moet hij beide manieren eerst kennen. Eigenlijk is er geen onderscheid tussen kiezen en kennen. Een mens kan niet kiezen als hij beide keuzemogelijkheden niet kent. Hij gokt dan alleen maar, zijn keuze is willekeurig. Een vrije keuze is het pas wanneer er ook bewustzijn is, wanneer er duidelijk onderscheid gemaakt wordt.

En dat onderscheid kunnen we leren in de kunst. Zij toont ons de juiste manier om over de drempel te gaan want zij komt voort uit de oude mysteriën, zij is de openbaarmaking van de drempeloverschrijding die daar plaatsvond. Maar sinds de Grote Drempeloverschrijding begon, toont zij ons ook de verkeerde manier en maakt zij ons duidelijk hoe moeilijk de keuze is. Zij confronteert ons op een relatief veilige manier met de tegenmachten die proberen het onderscheid tussen beide ‘manieren’ te verdoezelen en een vrije keuze onmogelijk te maken. In de beeldende kunsten is de confrontatie brutaal en choquerend, want het gaat hier om de meest materiële en dus ‘harde’ onder de kunsten. In de veel ‘geestelijker’ literatuur verloopt de confrontatie geraffineerder en onopgemerkter, maar ook hier kan men hetzelfde onderscheid maken. En dat wil ik eens proberen aan de hand van twee boeken: ‘De Bekeerlinge’ van Stefan Hertmans en een Maigretroman van Georges Simenon. 

Vakantielectuur (3)

  

Een tijdje geleden trof ik op de keukentafel ‘De Bekeerlinge’ aan, het jongste boek van Stefan Hertmans. An had het cadeau gekregen bij een of andere gelegenheid en aangezien ze geen aanstalten maakte om het te lezen, besloot ik het eens in te kijken. Op de achterflap las ik dat het om ‘een meesterwerk’ ging, een ‘cruciaal boek’, ‘de bevestiging van een gigatalent’. Kijk eens aan, dacht ik, nog maar eens een meesterwerk! Als je achterflappen mag geloven, verschijnt er iedere week wel ergens een meesterwerk. Niet te geloven hoeveel genieën er tegenwoordig rondlopen! Jammer genoeg blijken ze meestal saaie en vervelende boeken te schrijven waar ik niet doorheen raak en die me de zin ontnemen ooit nog een moderne roman te lezen. Dat was deze keer gelukkig niet het geval. Tot mijn verbazing las ik ‘De Bekeerlinge’ helemaal uit. Stefan Hertmans kan dus schrijven, daar valt niet op af te dingen. Maar een meesterwerk? Een cruciaal boek? De bevestiging van een gigatalent? Kom, kom, kom. 

Waarover gaat het? Een christenmeisje uit de 11de eeuw wordt verliefd op een joodse jongen, loopt weg van huis, bekeert zich, moet vluchten voor de christenen en eindigt ten slotte half krankzinnig in een afgelegen dorp in de Provence. In dat dorp heeft de schrijver toevallig een buitenverblijf en hij komt zijn onderwerp op het spoor, niet door een oud manuscript dat hij op zolder ontdekt, maar door een buurman die hem een tijdschriftartikel over de streek bezorgt. Het recept dat hij vervolgens gebruikt, is bekend: twee verhalen worden door elkaar gevlochten. Het ene speelt zich af in de Middeleeuwen, het andere in onze tijd. De lezer volgt het meisje Hamoutal op haar tocht dwars door Europa, en tegelijk volgt hij ook Stefan Hertmans die research doet voor zijn boek en zijn hoofdpersonage achterna reist, zij het dan met de auto. Het duurt niet lang voor de lezer de boodschap van het boek doorheeft: de geschiedenis herhaalt zich – zoals Hamoutal destijds werd opgejaagd, zo worden ook vandaag weer vluchtelingen opgejaagd. 

Stefan Hertmans brengt deze boodschap niet alleen over door het twee-verhalenprocédé maar ook door de manier waarop hij de wereld van joden en moslims tegenover die van de christenen plaatst. Door de eersten wordt Hamoutal met liefde opgevangen en verzorgd, door de laatsten wordt ze ongenadig achtervolgd. De joodse en islamitische wereld wordt in poëtische en positieve termen beschreven, de christelijke wereld in ruwe en negatieve bewoordingen. De tegenstelling is zo groot dat het bij momenten karikaturaal wordt. Moslims en joden zijn zowat synoniem met beschaving, menselijkheid en verfijning, christenen met barbaarsheid en primitiviteit. Als deze laatsten in ‘De Bekeerlinge’ op het toneel verschijnen, spat het bloed in het rond. Met name die bloederige passages doen de lezer het voorhoofd fronsen. Ze contrasteren zo fel met de dichterlijke, peinzende atmosfeer die Stefan Hertmans weet op te roepen dat duidelijk is dat de schrijver zich eens goed heeft laten gaan. Zijn afkeer voor het christendom is blijkbaar sterker dan hemzelf.

Het doet me denken aan wat mijn leraar ooit zei over een collega: ‘hij heeft onmiskenbaar talent, maar de vraag is wat hij ermee doet!’ Stefan Hertmans kan schrijven, dat staat buiten kijf, maar hij stelt zijn talent ten dienste van een boodschap. Daarom is ‘De Bekeerlinge’ geen goed boek. Het is, om de terminologie van Rudolf Steiner te gebruiken, geen poging om de zintuiglijke werkelijkheid in de vorm van de idee te gieten, het is een poging om een idee in een zintuiglijk kleedje te steken. Dat is op zich al onkunstzinnig, maar de idee (of de boodschap) die Stefan Hertmans aanschouwelijk wil maken, is ook nog eens zo onpersoonlijk, zo dubieus en zo politiek-correct dat zijn dienstbaarheid een vorm van slaafsheid wordt. Hij laat zich ‘knechten’ door de boodschap die hij wil brengen. En die onderdanigheid wordt goed beloond: ‘De Bekeerlinge’ wordt een meesterwerk genoemd, het boek is al in de prijzen gevallen, en de auteur wordt door sommigen zelfs al voorgedragen voor de Nobelprijs.

Je zou voor minder door de knieën gaan. Moderne schrijvers en kunstenaars doen dat dan ook in groten getale. Allemaal verkondigen ze dezelfde politiek-correcte boodschap, allemaal zijn ze zo slaafs en onderdanig dat je je schaamt in hun plaats, en allemaal zijn ze zich van geen kwaad bewust. Maar dat laatste klopt toch niet helemaal. In de kunst kun je niet liegen, je kunt je niet verbergen, de waarheid komt hoe dan ook aan het licht. Kunstenaars weten dat. Wie hun kunst als kunst benadert en dus niet alleen oog heeft voor de inhoud maar ook – en vooral – voor de vorm, kan niet om de tuin geleid worden. In dat opzicht is ‘De Bekeerlinge’ een voorbeeld van wat er gebeurt als een schrijver dat toch probeert, als hij zijn talent gebruikt om de lezer een boodschap in de maag te splitsen. Aan dat (zelf)bedrog wijdt Stefan Hertmans zijn beste krachten, maar de vorm van zijn boek verraadt hem. En aangezien hij die vorm zelf geschapen heeft, is het alsof hij stiekem hoopt dat de lezer hem zal ontmaskeren.

Het meest opvallende vormkenmerk van ‘De Bekeerlinge’ is het twee-in-één verhaal. We zijn getuige van het dramatische leven van Hamoutal, maar tegelijk zien we Stefan Hertmans koffie drinken voor het venster van zijn buitenverblijf, en mijmeren over wat zich daar duizend jaar geleden (misschien) heeft afgespeeld. Hij presenteert zichzelf dus als een welgestelde burgerman die, als het hem thuis even teveel wordt, kan wegvluchten naar het Zuiden van Frankrijk. Dit keer doet hij dat omdat hij een boek wil schrijven en daartoe volgt hij per auto de weg die Hamoutal te voet aflegde. Het naast elkaar plaatsen van deze twee vluchtroutes heeft iets potsierlijks: de harde overlevingstocht van het middeleeuwse meisje en de comfortabele autorit van de moderne schrijver. We volgen de auteur op zijn tocht langs de autostrades van Frankrijk, terwijl hij af en toe stopt op een plek waar vroeger een joodse synagoge stond en nu een Aldi. Een enkele keer bezoekt hij ook een archeologische site of een bibliotheek, maar spannender dan dat wordt het niet.

Het raamverhaal is zo banaal en vervelend dat je je gaat afvragen waarom Stefan Hertmans het überhaupt in zijn boek heeft opgenomen. Niet alleen draagt het niets bij tot het andere verhaal, maar het doet er zelfs afbreuk aan. Toen ik het boek voor het eerst las, duurde het zowat 20 bladzijden voor ik begreep waarover het ging. De manier waarop de schrijver beide verhalen met elkaar vermengt, is niet alleen verwarrend maar ook ergerlijk. Hij vertelt het verhaal van Hamoutal op boeiende wijze, maar telkens weer opnieuw verbreekt hij de betovering om de lezer lastig te vallen met zijn eigen besognes. Het is als een film die zoveel gebruik maakt van flash-backs dat de kijker algauw niet meer weet waar hij het heeft. ‘De Bekeerlinge’ zou een beter boek zijn geweest als dat tweede verhaal, het verhaal van de schrijver, gewoon was weggelaten. Maar dan zou het natuurlijk wel een stuk dunner zijn geworden en de link tussen heden en verleden zou minder dik in de verf staan. 

Heeft Stefan Hertmans werkelijk (de kwaliteit van) zijn boek opgeofferd om zijn politiek-correcte boodschap beter te doen overkomen en daar dan de beloning voor op te strijken? Het is in ieder geval een feit dat hij als schrijver pas echt bij het grote publiek is doorgebroken toen hij de Zeitgeist nadrukkelijk eer begon te bewijzen, eerst met ‘Oorlog en Terpentijn’ dat – toevallig – samenviel met de herdenkingen van de eerste wereldoorlog, en nu met ‘De Bekeerlinge’ dat – al even toevallig – samenvalt met de migrantenproblematiek. Hij is trouwens niet de enige die dat doet. Moderne schrijvers en kunstenaars zijn opvallend gevoelig geworden voor wat er van hen verwacht wordt en voor wat hen roem en eer (en een buitenverblijf in Frankrijk) oplevert. Daar zijn ze natuurlijk altijd gevoelig voor geweest – de ‘gewetenloosheid’ van de kunstenaar is bekend – maar dat ze zich zo onderdanig gedragen, uitgerekend op het moment dat ze onafhankelijker zijn dan ooit, geeft toch te denken. 

Nee, ik kan niet geloven dat Stefan Hertmans een platte opportunist is die zijn kunst opoffert voor roem, eer en geldgewin. Hoe krachtig deze motieven ook zijn, ze verklaren toch niet de vernedering die hij en tal van andere kunstenaars vandaag zo bereidwillig ondergaan. Met name de – alle verbeelding tartende – taferelen die zich in de wereld van de beeldende kunst afspelen, vertellen mij dat het iets heel anders is dat er hen toe brengt zichzelf en hun kunst zo naar beneden te halen. En dat ‘iets’ is volgens mij de drempeloverschrijding. In onze tijd gaat de mensheid over de drempel en kunstenaars vormen daar geen uitzondering op. Ze zijn echter wel een speciaal geval, want de drempeloverschrijding is hen vertrouwd. Kunst is altijd een ‘drempeloverschrijdend’ middel geweest. Dat besef is in de loop der eeuwen verdwenen, maar vandaag keert het terug. Het dringt echter niet door tot het bewustzijn van de kunstenaar, het wordt alleen zichtbaar in zijn werk, met name dan in de vorm ervan. 

Zo stil

  

28 augustus, Goethes verjaardag. Het is het volop zomer. Ik snoei de frambozenstruiken in de tuin. Af en toe houd ik op en luister. Maïsbladeren ritselen. Insecten zoemen. In de verte klinkt het truweel van een metselaar. Verder is alles stil. Niets beweegt. Waar is iedereen? Het is alsof mens en dier de adem inhouden om de betovering niet te verbreken. Geen kind dat roept, geen koe die loeit, geen hond die blaft. Niets. Alleen die wonderlijke stilte van Maagd. Het is bekend dat Goethe – notoir vrouwengek en breker van talloze harten – tot zijn 40ste maagd is gebleven, letterlijk dan. In zijn tijd, bijna 300 jaar geleden, zal dat wel iets minder moeilijk zijn geweest dan vandaag, maar toch. Waarom doet iemand dat, en dan nog zo’n levensgenieter als Goethe? Het is geen kwestie die me bezighoudt, maar nu ik, zoals ieder jaar, weer betoverd word door de diepe stilte en vrede van de laat-zomerse Maagd, vraag ik me onwillekeurig af of het één niks met het ander te maken heeft. Bezitten mensen van het formaat van Goethe niet bij uitstek de kwaliteiten van hun sterreteken?

Er gebeurt niet veel meer in de tuin. Wat moest groeien is gegroeid. De appelen, de peren en de pruimen zijn nu aan het rijpen. Ook de laatste tomaten lopen rood aan. Ze hebben de laatste weken weinig zon en veel water gekregen. Daardoor zijn ze te snel te dik geworden en smaken ze nergens naar. Maagd is het seizoen van het rijpen, van het langzaam zacht en zoet worden. Zou het dat zijn wat Goethe de eerste helft van zijn leven gedaan heeft: langzaam rijpen, zacht en zoet worden? Want de vruchten die hij voortbracht zijn nog altijd vol smaak. Ze blijven hun mysterie behouden, zoals deze maand van de Maagd. Het is warm, maar de zon heeft haar scherpte verloren. Ze bijt niet meer. Dat maakt deze overgang naar de herfst, deze aanloop naar Michaël zo aangenaam. Het is een soort stilhouden, een vrede sluiten tussen buiten en binnen. Ja, de natuur krijgt nu een innerlijk karakter, ze wordt langzaam zacht en zoet. Tot ze dan, rijp geworden als de appelen en de peren, met een bons op de grond valt. Dan begint er weer een ander seizoen. 

Villa Hellebosch

  

Villa Hellebosch is de plaats (in het Pajottenland) waar tijdens de zomer twee bekende Vlamingen elkaar bij het aperitief ontmoeten en dan samen de avond doorbrengen. Hun gesprekken worden gefilmd en verwerkt tot een tv-programma en een uitgebreid artikel in de bijlage van De Standaard. Het is al een oud recept. Vroeger werd een villa in Italië gebruikt, maar dat werd waarschijnlijk te duur en het was ook een beetje ver. Bekende Vlamingen ontzien zich geen autorit naar Brussel om op tv te komen, maar Italië? Dat is toch wel een heel eind voor één avond (en een nacht). Maar goed. Deze week waren Vlaams minister-president Geert Bourgeois en actrice-regisseuse-schrijfster Hilde Van Mieghem uitgenodigd in Villa Hellebosch. Hun gesprek werd aangekondigd als een ontmoeting tussen West-Vlaamse nuchterheid en Antwerpse passie, tussen ratio en emotie, tussen rechts en links. Kwestie van de kijker een beetje warm te maken: misschien kwam er wel ruzie van. Dat was niet het geval, het gesprek verliep naar verluidt heel vriendschappelijk. Maar er gebeurde wel iets anders: Hilde Van Mieghem kwam te laat, en geen klein beetje. Ze arriveerde zomaar eventjes vijf uur later dan afgesproken was. Ik heb me van dag vergist, verklaarde ze nederig en ze vond het heel lief dat Geert Bourgeois zolang had gewacht. Ze had zelfs een fles whisky meegebracht als verzoeningsgeschenk. 

Kan iedereen overkomen natuurlijk. Maar la Mieghem had nog maar net in een interview verklaard dat ze – geheel in tegenstelling tot haar nogal ‘wilde’ reputatie – heel stipt was en steeds op tijd verscheen bij afspraken. Misschien had ze er wel aan toegevoegd dat ze dat ook van anderen verwachtte. Zo is het in ieder geval bij mezelf: ik ben altijd stipt op tijd en ik haat het als anderen hun afspraken niet nakomen of een half uur later opdagen alsof er niets aan de hand is. Het was dus een pijnlijk moment voor Hilde Van Mieghem. Hoe ze ermee omging weet ik niet, maar misschien was het een geluk bij een ongeluk en hielp het haar om een beetje in te binden, want op de foto ziet ze eruit alsof ze Bourgeois elk moment kan aanvliegen. In werkelijkheid zal dat ook wel het geval zijn geweest, want zoals al haar collega’s uit de artistieke sector, is ze heel erg links en politiek correct, en vertegenwoordigt Bourgeois alles wat ze verafschuwt: Vlaanderen, de N-VA, extreemrechts (gewoon rechts bestaat niet meer in de ogen van links). Daarom had men die twee ook bij elkaar gebracht: in de hoop dat de vonken eraf zouden vliegen. Maar dat het zo erg zou worden als nu, hadden ze waarschijnlijk toch niet verwacht. Niemand maakt me namelijk wijs dat Van Mieghem ‘per ongeluk’ haar afspraak vergeten was. Iemand die zo stipt is als zij? Nee, volgens mij is haar afschuw voor rechts zo diep dat zelfs haar stipte bewustzijn er niet tegenop kan. 

Ik kan mij vergissen, en ik hoop van harte dat ik dat doe, maar als ik zie hoe de politieke-correctheid de laatste tijd de pan uit swingt, dan denk ik er toch het mijne van. Ik kan me niet van de indruk ontdoen dat deze (door haar omvang) volstrekt irrationeel geworden afkeer van links voor rechts, langzaam maar zeker een onbewuste drift is geworden die zich onttrekt aan de bewuste controle. Zo verscheen onlangs in de krant een artikel van Maarten Boudry waarin hij beweerde dat de wreedheid van IS groter of gevaarlijker was dan die van de nazi’s. Ik kan er niet over oordelen of hij gelijk had of niet, maar ik ken Boudry als een meer dan gemiddeld intelligent iemand en een meer dan gemiddeld moedig intellectueel. Op Facebook kon ik echter toevallig volgen hoe ‘verbijsterd’ de artistieke wereld reageerde op dat artikel. Ze waren het er roerend over eens: hoe is het in godsnaam mogelijk dat dit anno 2017 nog gebeurt! Ik kreeg sterk de indruk dat je niet moest proberen hen tegen te spreken, want dan zouden ze de rangen sluiten en doen alsof je een of ander vies insect was. Eigenlijk twijfelde ik er niet aan: al die gedeelde verontwaardiging was niets anders dan groepsvorming, het afbakenen van het eigen terrein. En dat allemaal omdat iemand geprobeerd had rustig en weloverwogen na te denken over een netelig probleem. Waarschijnlijk waren ze zich niet eens bewust van het buitensporige van hun reacties: het was sterker dan henzelf.

Het is dit sterker-dan-jezelf dat me in toenemende mate verontrust, of beter gezegd: het gebrek aan bewustzijn ervan. Ik weet heel goed wat het is om aanvechtingen te hebben waar je telkens weer het onderspit tegen delft. Maar ik ben me daar heel goed van bewust en ik blijf er de strijd mee aangaan. Het moment dat ik niet meer weet dat ik in de greep zit van een demon die me dingen laat doen waarvan ik me niet bewust ben: ik hoop het nooit mee te maken. Ik herinner me nog hoe diep verontrust ik was toen iemand beweerde dat ik in een artikel een pleidooi voor de vrije liefde had gehouden. Niet dat pleidooi voor de vrije liefde schokte me (er zijn wel erger dingen waar je een pleidooi kunt voor houden) maar het feit dat ik het mij totaal niet herinnerde en me ook niet kon voorstellen dat ik het ooit had gehouden (want ik ben helemaal geen voorstander van vrije liefde). De ander beweerde echter dat hij honderd procent zeker was, ja hij herinnerde het zich maar al te goed. O jee, dacht ik bij mezelf, begin ik nu al dingen te schrijven zonder te beseffen dát ik ze schrijf? Ik liet er geen gras over groeien en zocht het bewuste artikel meteen op. Tot mijn verbazing bleek het niet alleen geen pleidooi voor de vrije liefde te bevatten, het ging zelfs helemaal niet over de liefde.

Dit is gênant, dacht ik bij mezelf, en ik besloot het onderwerp niet meer ter sprake te brengen. Als mij zoiets overkwam, zou ik in de grond zakken van schaamte, maar mijn ‘aanklager’ bleek daar geen last van te hebben. Omdat hij mijn ongeloof had gezien, was hij het gewraakte artikel zelf ook eens gaan opzoeken. Ik heb me blijkbaar vergist, zei hij, en dat was dat. Misschien is het minder erg om anderen valselijk te beschuldigen dan om zelf valselijk beschuldigd te worden. Misschien kun je dan denken: hij heeft het niet gedaan, maar hij had het kunnen doen! Beter één keer teveel beschuldigen dan het kwaad zijn gang laten gaan! Zou dat zijn hoe politiek-correct links denkt? Ze kijken alleszins niet op een beschuldiging meer of minder. Maar erger dan beschuldigd te worden, is het soort onbewuste minachting waarvan Hilde Van Mieghem blijk gaf door vijf uur te laat op haar afspraak te verschijnen. Daar kun je haar namelijk nooit van beschuldigen, want dan beschuldig je jezelf. Dat is wat ik hier riskeer door te beweren dat ze onbewust opzettelijk te laat is gekomen. Wat een slecht mens moet ik niet zijn om haar daarvan te verdenken! Zou het? Wie is er begonnen met al dat beschuldigen? Wie sluit mensen op achter een cordon sanitaire? Wie spreekt niet meer met andersdenkenden? Wie beweert heel stipt te zijn en komt vervolgens vijf uur te laat op een afspraak? Ik alleszins niet. 

Vakantielectuur (2)

  

Wie spreekt over Donna Leon en Venetië, denkt onvermijdelijk ook aan Georges Simenon en Parijs. Commissaire Maigret is de voorganger (en wellicht ook het voorbeeld) van commissario Brunetti. Ik ken alleszins geen andere politieromans waarin een stad zo’n prominente rol speelt. Bij Simenon is dat nog meer het geval dan bij Donna Leon. Maigret bezit het vermogen helemaal op te gaan in zijn omgeving: hij wordt Parijs, hij is Parijs. Brunetti is een stuk afstandelijker. Hij woont in Venetië, hij houdt van Venetië, hij is opgegroeid in Venetië, maar hij is zich daar goed van bewust. Maigret niet. Hij blijft nooit staan kijken naar een gebouw of een bezienswaardigheid. Hij spreekt nooit over Parijs als de stad waar hij van houdt. Maar dat maakt zijn liefde juist sterker voelbaar: ze is niet vermengd met zelfbewustzijn, zoals bij Brunetti. Het is Maigrets onbewuste en onzelfzuchtige liefde die Parijs meer tot leven brengt dan Brunetti’s afstandelijker en zelfbewuster liefde dat doet met Venetië. 

Natuurlijk is de liefde van Maigret die van Simenon, zoals het zelfbewustzijn van Brunetti dat van Donna Leon is. De Amerikaanse vertoont weliswaar geen spoor van het snobisme waarmee Pieter Aspe en Jef Geeraerts de aandacht op zichzelf vestigen, maar dat neemt niet weg dat ook zij in haar boeken aanwezig is. Zij bezit niet het vermogen om er helemaal in te verdwijnen zoals Simenon dat kan. Bij Donna Leon denk je wel eens: dit is knap geschreven. Je wordt je dan bewust van de schrijver en van de weeromstuit ook van jezelf. Bij Simenon is het taalgebruik echter zo eenvoudig dat iedere gedachte aan schrijver, lezer of literatuur verdwijnt. En is dat niet de grootste literaire prestatie: de lezer doen vergeten dat hij aan het lezen is? Wie Maigret leest, waant zich in Parijs. In werkelijkheid bevindt hij zich in het hoofd van Simenon, maar daar is hij zich niet van bewust, want Simenon verstaat als geen ander de kunst om onzichtbaar te worden in zijn werk. 

Onzichtbaar betekent evenwel niet afwezig. Door zijn terughouding is Simenon juist heel sterk aanwezig in zijn boeken. Het woordgebruik, de zinswendingen, de opbouw, de dramatiek, de sfeerschepping, al die zaken waarvan de lezer zich nauwelijks bewust is en die de vorm van het boek uitmaken: daar is Simenon in aanwezig. Hij is er zelfs meer in aanwezig dan wanneer hij over zichzelf zou schrijven. Wat een schrijver (over zichzelf) schrijft, hoeft immers niet waar te zijn. Hoe hij daarentegen schrijft (over om het even wat), kan nooit een leugen zijn, want hij is er zich niet van bewust. Een schrijver weet niet hoe hij schrijft: dat is zijn sterkte en zijn zwakte. Hij kan scheppen, maar hij kan zichzelf daarbij niet waarnemen, want dat zou zijn scheppingskracht verlammen. Dus offert hij zijn zelfbewustzijn op om te kunnen schrijven, en hij moet het van anderen terugkrijgen om weer ‘heel’ te worden. Door te schrijven slaat de schrijver een wonde in zijn ziel, die door de lezer moet genezen worden. 

Die genezing vindt plaats wanneer de lezer hetzelfde doet als de schrijver en zijn zelfbewustzijn aan de kant zet, helemaal verdwijnt in het boek en zichzelf vergeet. Hij kan dan de schrijver ontmoeten in zijn eigen wereld en door die ontmoeting worden beiden genezen. Want ook de lezer is ‘gewond’. Zijn zelfbewustzijn heeft een kloof geslagen tussen hemzelf en de wereld, en voor die ‘wonde’ zoekt hij genezing in de kunst. Maar daar vindt hij die steeds minder, want hedendaagse schrijvers bezitten niet meer het vermogen om, zoals Simenon, helemaal onzichtbaar te worden in hun boeken. Ze zijn er steeds nadrukkelijker in aanwezig, niet alleen in de inhoud maar ook – en vooral – in de vorm. De lezer die zich bewust wordt van die vorm, wordt zich ook bewust van zichzelf en kan zich niet meer verliezen in het boek. Lezer en schrijver zijn vandaag geen van beiden nog echt in staat hun zelfbewustzijn opzij te zetten en de ander te ontmoeten. Als gevolg daarvan heeft de literatuur haar genezende kracht verloren. 

Onlangs zag ik in de krant een vakantieverhaal staan van een Vlaamse schrijver. Het speelde zich af aan de kust en daarom wilde ik het wel eens lezen. Het begon echter met de mededeling van de schrijver dat dit het laatste verhaal was dat hij in de hij-vorm zou schrijven. Daarna zou hij definitief overschakelen op de ik-vorm, want ‘dat verdiende hij’. Verder heb ik niet meer gelezen. Wat kon het mij schelen wat de schrijver verdiende en waarom! Ik wilde lezen over zon, zee en vakantie, ik wilde me even aan het strand wanen, niet in een appartementje waar een schrijver zat te schrijven over het schrijven. Ik hou van kunst, niet van de kunstenaar. Hoe onzichtbaarder hij is, des te liever is het mij. Daarom hou ik van Simenon: niemand is zo onzichtbaar als hij in zijn werk. 

Wie een Maigretroman leest, stapt in een andere wereld. Hij waant zich in Parijs en is de bevoorrechte getuige van een moordonderzoek. Hij volgt dat onderzoek op de voet en ziet hoe talloze nietszeggende puzzelstukjes langzaam samenvallen tot één betekenisvol geheel: de dader wordt gevonden, de misdaad opgelost. Dat alles wekt in hem een soort catharsis, een loutering, een genezing. Veel stelt het misschien niet voor, maar het lezen is wel een drempeloverschrijding-in-het-klein. Wat de lezer meemaakt die zichzelf verliest in een boek en er als herboren weer uit opduikt, verschilt niet wezenlijk van wat iemand meemaakte als hij in de tempel werd ingewijd, of wat hij meemaakt wanneer hij sterft of gewoon in slaap valt. Het zijn allemaal variaties op hetzelfde thema. En de literaire ‘inwijding’ van de Maigret-lezer wordt mogelijk gemaakt doordat Simenon zijn zelfbewustzijn opoffert en helemaal verdwijnt in zijn boek. Op die manier geeft hij de lezer alle ruimte om hetzelfde te doen en eveneens ‘over de drempel’ te stappen. 

Schrijvers als Simenon behoren echter tot het verleden. Hedendaagse schrijvers zijn lang niet zo opofferingsgezind meer. Ze zijn niet meer in die mate bereid – of in staat – hun zelfbewustzijn on hold te zetten. Steeds vaker treden ze op het voorplan in hun boeken, niet alleen in de inhoud maar ook in de vorm. Door een opvallende, originele, gewild-kunstzinnige manier van schrijven vestigen ze de aandacht op zichzelf, maken de lezer daardoor ook bewust van zichzelf en beletten hem om ‘over de drempel’ te gaan. Zo sloeg ik kort geleden de nieuwe roman van een (andere) Vlaamse schrijver open. Ik moest de openingszin drie keer lezen voor ik hem begreep en dan nog was ik niet zeker dat ik de betekenis snapte. Vroeger zou ik gedacht hebben: o jee, deze schrijver gaat mijn petje te boven! Nu dacht ik: o jee, deze schrijver kan het niet! Maar net zo goed werd mijn aandacht afgeleid naar de schrijver en dus ook naar mezelf. Daarmee was de kans op een genezende ontmoeting verkeken. 

Maar ook de hedendaagse lezer is niet meer bereid – of in staat – zijn zelfbewustzijn opzij te schuiven en over de drempel van een boek te stappen. Zo las ik ooit een boek van de Japanse schrijver Mishima. De allereerste zin deed me meteen in een andere wereld terechtkomen, een wereld die ik bijna kon zien, voelen en ruiken. De ‘drempeloverschrijding’ was zo plots en zo sterk dat ik ervan schrok. Hoe deed Mishima dat? Ik las de zin opnieuw, maar kon er niks bijzonders aan ontdekken. Het was een heel gewone zin en toch bezat hij een magische kracht die me telkens weer over de drempel trok. Daar deinsde ik voor terug. Ik wilde niet zomaar uit mezelf gerukt worden en mijn zelfbewustzijn verliezen zonder te weten hoe dat kwam. Voor de moderne, zelfbewuste mens is het een schokkende, ontredderende ervaring om over de drempel te gaan in de kunst. De zeldzame keren dat het mij overkwam, kan ik mij nog levendig herinneren. Het zijn ervaringen die zich diep in het geheugen prenten. 

In het verleden moeten dergelijke ervaringen veel talrijker zijn geweest. De mens was nog lang niet zo verhard en kon nog veel gemakkelijker uit zijn lichaam worden gerukt. Van kunstwerken ging een veel grotere kracht uit, die zelfs tot in het fysieke genezend werkte. De Griekse tragediën bijvoorbeeld veroorzaakten bij het publiek een catharsis, een zuivering van de ziel. Ze waren dan ook een openbaarmaking van de mysteriën, die uitverkorenen (onder leiding van ingewijden) over de drempel leidden, waarna ze ‘geheeld’ terugkeerden. De kunst heeft deze inwijdingskracht in de loop der eeuwen langzaam verloren, maar tegelijk is ze voor steeds meer mensen beschikbaar geworden. De democratisering van de kunst was tegelijk een democratisering van de inwijdingsmysteriën. Ze was ook een keerpunt. De kunst verloor niet alleen haar genezende karakter, ze werd een ziekmakende factor. Ze wijdt de moderne mens nog altijd in, maar niet meer in helende, gezondmakende mysteriën. 

Met name in de beeldende kunsten zien we het mysteriekarakter van de kunst weer opleven. Hedendaagse kunstenaars zijn (of gedragen zich als) ingewijden die een select publiek van uitverkorenen over de drempel van een hogere wereld leiden door middel van een kunst waar het gewone volk niks van begrijpt. Het is echter geen geestelijke bovenwereld waarin ze de kunstliefhebber inwijden, maar een onderwereld waaruit hij niet genezen maar ziek terugkeert. Met name het zelfbewustzijn dat hij bij de drempel moest achterlaten, wordt aangetast. In de mysterietempels werd het ‘zelf’ van de inwijdeling bewaakt door de hogepriester die de hele inwijdingsproces superviseerde. In de kunst werd het bewaakt door de normen waaraan iedere kunstenaar moest voldoen. Maar die artistieke normen zijn afgeschaft. De kunstenaar mag doen wat hij wil, en daardoor staat hij – net als de kunstliefhebber – bloot aan tal van gevaren, waarvan het grootste wel het verlies van zelfbewustzijn is.

Dat klinkt nogal tegenstrijdig, want treft men in de kunst niet juist veel zelfbewuste mensen aan? De vraag is natuurlijk van welk ‘zelf’ ze zich bewust zijn: hun hogere of hun lagere zelf? Wanneer we een roman lezen, een Maigret bijvoorbeeld, dan vergeten we onszelf. We wanen ons in Parijs, in een wereld waar we louter toeschouwer kunnen zijn en waar ons lagere zelf zich niet hoeft te weren tegen andere lagere zelven. Het kan even vrijaf nemen van de struggle for life en met vakantie gaan naar een betere wereld. Parijs is niet alleen een tot de verbeelding sprekende stad, de problemen die er zijn, worden ook altijd opgelost. Dat weten we vooraf: misdaadromans en thrillers eindigen altijd met een bevrijdende ontknoping. Uiteraard bestaat die ‘betere wereld’ alleen in de verbeelding van de schrijver, maar dat vergeten we, omdat Simenon onzichtbaar blijft in zijn werk. Hij is er echter wel in aanwezig, met name in de vorm ervan, de ‘vorm van de idee’ zoals Rudolf Steiner het noemt.

Die ‘idee’ is het zelf van Simenon, maar dan een beter zelf, een lager zelf dat een hogere, ideële vorm heeft aangenomen. Het is deze hogere vorm die we ook als lezer aannemen wanneer we over de drempel van het boek gaan en ons eigen lagere zelf bij de drempel achterlaten. Die drempeloverschrijding maakt ons bijzonder kwetsbaar want we nemen de vorm aan van een ander mens, we worden even een ander mens en beleven de wereld zoals hij die beleeft. Het gevaar dat ons bedreigt, is dat we ons niet meer kunnen losmaken van die ander, dat we onszelf niet meer terugvinden. Dat gevaar herkennen we in een banaal voorbeeld: het gebeurt wel eens dat we met een liedje in ons hoofd zitten dat we het niet meer kwijtraken. We zijn er als het ware van bezeten. Na een tijdje verdwijnt het wel weer, maar het is een (kleine) afspiegeling van het (grote) gevaar dat de inwijdeling bedreigde wanneer hij over de drempel ging: in de greep te raken van de geesten die hij aan gene zijde ontmoette.

Het is dus niet zonder reden dat de moderne mens niet langer bereid is zijn zelfbewustzijn op te geven en over de drempel te stappen. Hij voelt instinctief dat er gevaar dreigt: het gevaar ‘geknecht’ te worden door een idee of geest, het gevaar erdoor bezeten te raken. Daarom deinst hij terug voor de drempel en klampt zich vast aan zijn zelfbewustzijn. Maar dat werkt averechts, zoals we in de literatuur zien. Hedendaagse schrijvers willen hun zelfbewustzijn niet opgeven en onzichtbaar worden in hun werk. Door de inhoud van dat werk (ze schrijven over zichzelf) of door de vorm ervan (ze willen origineel, authentiek en kunstzinnig zijn) vragen ze om aandacht van de lezer. Ze willen dat hij denkt: wow, wat een originele, authentieke en kunstzinnige schrijver! Maar tegelijk denkt die lezer ook: wow, hoe origineel, authentiek en kunstzinnig ben ik zelf niet om dit op te merken en te appreciëren! Hij bewondert de schrijver omdat hij dan ongemerkt – onder het mom van liefde voor de kunst – zichzelf kan bewonderen. 

En zo zien we dat de moderne mens applaudisseert voor alles wat hem als kunst wordt voorgeschoteld. De kunstenaar geeft hem immers een alibi om ongeremd voor zichzelf te kunnen applaudisseren. Het resultaat is een kunstwereld waar de kunst er niet meer toe doet, waar ze gedegradeerd is tot een zelfbevredigingsmiddel. Ze geneest mensen niet meer door ze – even – te bevrijden van hun lager zelf en ze te laten proeven van een hoger zelf. Ze doet net het omgekeerde: ze sluit de mens op in zijn lager zelf, in de overtuiging dat hij het hoger zelf van de ander bewondert. Met andere woorden, de kunstliefhebber die terugdeinst voor de drempel en zijn zelfbewustzijn wil behouden, gaat toch over de drempel, maar dit keer van de onderwereld. Hij verliest toch zijn zelfbewustzijn, want hij merkt niet dat hij de gevangene wordt van een collectief lager zelf dat hem stap voor stap reduceert tot een (weliswaar zeer intelligent) dier dat precies doet wat zijn baasje van hem verwacht. 

De mensheid gaat vandaag over de drempel van de geestelijke wereld en dat plaatst haar voor een dilemma. Ofwel gaat ze onbewust over die drempel en dreigt ze ‘geknecht’ te worden door de geest of de idee, zoals Rudolf Steiner het uitdrukt. Eén blik op de actualiteit leert ons hoe groot dat gevaar is. Ofwel behoudt ze haar zelfbewustzijn en verzet ze zich tegen de drempeloverschrijding. Maar ook dan wordt ze geknecht, dat kunnen we waarnemen in de kunst. De oplossing van dit dilemma ligt in het ontwikkelen van een nieuw zelfbewustzijn, een bewustzijn dat de mens niet verhindert over de drempel te gaan, en dat hem niet opsluit in zijn lager zelf. Het ontwikkelen van dit hogere zelfbewustzijn – dit bewustzijn van zijn hoger zelf – kan de mens oefenen in de kunst. En eigenlijk doet hij dat voortdurend, want art is everywhere tegenwoordig. Zonder het te weten gaat de moderne mens hier voortdurend over de drempel, ten goede en ten kwade. Daar moet, of beter gezegd: daar kan hij zich bewust van worden. Want anders dan in de werkelijkheid is hij hier vrij. 

Vragen