Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Ite missa est

  

De streek waar ik nu woon, de Vlaamse Ardennen, ligt bezaaid met dorpjes. Om de vijf kilometer steekt een kerktoren boven de bomen uit. Groot zijn ze niet, die kerkjes, maar ze vormen wel een duidelijk herkenningspunt in het landschap. Het uiterlijke landschap dan, want voor ons innerlijke landschap betekenen ze niets meer. Ze zijn dan ook allemaal gesloten. Af en toe gaat de deur nog eens open, als de pastoor passeert om een mis op te dragen. Dat is dan niet de pastoor van het dorp, maar een ‘vliegende’ pastoor die in het weekend van hot naar her rijdt om in zoveel mogelijk kerken een eucharistieviering te houden. Feestelijk is anders. Ik heb nog de tijd meegemaakt dat er op zondag in iedere parochie meerdere misvieringen waren. Keuze genoeg. Later kwam daar ook nog de zaterdagavond bij. Maar dat was al een veeg teken.

Tijdens mijn leven is de ooit zo machtige katholieke kerk geruisloos ingestort. Mijn ouders gingen nog als vanzelfsprekend iedere zondag naar de mis. Even vanzelfsprekend ging ik (vanaf mijn 14de) niet meer, en mijn kinderen weten niet eens wat een mis is. Ze weten niks meer van het christendom, zoals de meeste jonge mensen. Dat betekent evenwel niet dat het christendom verdwenen is, wel integendeel. Het is langs de voordeur buitengeschopt, maar langs de achterdeur weer binnengekomen. De jongere generaties zijn even vanzelfsprekend politiek-correct als de oudere generaties christelijk waren, en politieke correctheid is niets anders dan onbewust, instinctief christendom. De idealen die de moderne mens in vuur en vlam zetten, zijn christelijke idealen. Alleen, hij weet het niet. En dat is de vloek van onze tijd.

Eigenlijk vieren we vandaag voortdurend Hemelvaart, maar dan in omgekeerde zin: we zijn blij dat Christus verdwenen is. Weg met religie! roepen we. Maar we bedoelen: weg met Christus! Want andere religies, de islam op kop, behandelen we met veel égards. De moderne mens is een christen-tegen-Christus geworden, en dat kan niet goed aflopen. Door gebrek aan bewustzijn is de wederkomst van Christus een zelfvernietigende impuls geworden, die de mens langzaam maar zeker ten gronde richt. Wat we meemaken is een omkering van het oerbeeld van Hemelvaart. In plaats dat we vooruitgaan naar Pinksteren keren we terug naar Golgotha en slaan in naam van de menselijkheid het wezen van alle menselijkheid aan het kruis. Meer dan ooit geldt het Christuswoord: heer, vergeef het hen, want ze weten niet wat ze doen!

Advertenties

Hemelvaart (3)

  

Hemelvaart volgt 40 dagen na Pasen. Die tijdspanne is enerzijds een concrete tijdsaanduiding van wat zich 2000 jaar geleden (op fysiek vlak) in Palestina heeft afgespeeld. Anderzijds heeft ze ook een oerbeeldkarakter: ze verwijst naar een geestelijke kwaliteit die zich uitdrukt in een bepaald ritme. Zo staat het getal 40 voor een cyclus die afgelopen is, een ontwikkeling die doorgemaakt is, een cirkel die rond is. Tenminste, dat las ik ergens toen ik aan het 40ste nummer van Het Vijgeblad was toegekomen. Dat was meer dan een abstract gegeven, het was ook – en vooral – iets wat ik ‘aan den lijve’ ondervond. Na 4 jaar had ik het gevoel dat ik mezelf begon te herhalen. Bovendien maakte mijn rug me pijnlijk duidelijk dat het geen goed idee was om voort te doen. Het was genoeg geweest. En dus zette ik er een punt achter.

Vandaag herhaalt die geschiedenis zich. Het is precies 4 jaar geleden dat ik begon met Vijgen na Pasen en opnieuw speelt mijn rug me hevig parten. Het gevoel mezelf te herhalen is er dit keer niet, wel het inzicht dat ik in de grond altijd over hetzelfde schrijf en dat het ook niet anders kan. Ieder mens heeft zijn specifieke taak in het leven en de mijne lijkt te zijn erachter te komen wat ik wil. Volgens Rudolf Steiner heeft een mens alles wat hem overkomt, zelf gewild. Je karma bestuderen, is dus proberen je eigen wil te doorgronden. Het is zoeken naar je eigen Ik, en daarmee ook naar Christus, het grote mensheids-Ik en tevens ‘heer van het karma’. Dat kan wel kloppen met het feit dat ik als oude ziel een ‘Christuszoeker’ ben. Mijn zoektocht is nog lang niet ten einde, maar er is wel opnieuw een cyclus afgelopen. 

Ook de Lichtbaken-conferentie in Antwerpen was het eind van een cyclus: ze voerde me terug naar mijn jeugd, toen ik karikaturen begon te tekenen. Ook dat was een zoektocht naar het Ik: het Ik van andere mensen (dat ik in m’n tekeningen zichtbaar wilde maken), het eigen Ik (dat ik in het tekenen – en eigenlijk alleen daar – beleefde), en ten slotte het mensheids-Ik Christus (wiens aangezicht de grootste gemene deler was van al individuele gezichten). Daar was ik me nooit bewust van geweest, maar nu begon die driegeleding me opeens te dagen. Aan het eind van mijn leven zag ik onverwachts het begin weer opduiken. Het was wel nog niet helemaal het eind en ook niet helemaal het begin, maar er was toch onmiskenbaar een cirkel rond. De conferentie sloot een cyclus af met de bewustwording ervan. 

Er werden nog meer cyclussen afgesloten. Zoals een 7-jaarscyclus. Ik word dit jaar 63 en begin dus aan mijn 10de zevenjaarsperiode. Die leeftijd is, naar verluidt, het begin van de voorbereiding op de dood. Ik begrijp dat als een terugblikken op het leven, want dat is toch waar een mens na de dood mee bezig is: het herbeleven en doorgronden van zijn voorbije leven? Zelf ben ik daar al veel vroeger mee begonnen – een autist leeft sowieso een beetje als een dode – dus zoveel verschil zal het niet maken. Maar toch is er iets veranderd. Brugge was een laatste poging om iets nieuws te beginnen in mijn leven. Dat zit er nu niet meer in, dat voel ik duidelijk. De mislukking van mijn marktloopbaan was een eindpunt, het afsluiten van een levenscyclus. Het ‘scheppende’ deel van mijn leven is voorbij, nu begint het (terug)kijken en oordelen.

Uiteraard was dat kijken en oordelen er voordien al. Een kunstenaar neemt tijdens het scheppen regelmatig afstand van zijn werk, maar nooit zoveel dat hij er los van komt. Dat laatste gebeurt pas wanneer het klaar is: dan wordt de navelstreng doorgeknipt. Uiterlijk is dat een kleine stap, maar innerlijk verandert er heel veel. De kunstenaar wordt nu toeschouwer en begint fouten en gebreken te zien die hij voordien niet zag. Hij ontwaakt uit de droom en dat komt soms hard aan. Ieder mens is de schepper van zijn eigen leven en als hij aan zijn 10de zevenjaarsperiode begint, moet hij de omslag naar het toeschouwerschap maken. In mijn geval werd dat nog eens extra beklemtoond doordat ik met pensioen ging. Uiterlijk veranderde er niets – ik was al lang ‘gepensioneerd’ – maar innerlijk was het toch duidelijk voelbaar.

Voor de meeste mensen is met pensioen gaan wél een grote verandering. Dat was het voor mij ook toen ik 30 jaar geleden besloot mijn leven ‘aan de kunst te wijden’. Ik kwam in een parallel universum terecht: ik hoorde er niet meer bij. De volgende vijf jaar vulde ik – zoals zoveel gepensioneerden – met een frenetieke activiteit die op hard werken leek maar in werkelijkheid ‘compenserend gedrag’ was. Pas toen ik begon te schrijven, kwam ik een beetje tot rust, want ik deed wat een gepensioneerde hoort te doen: reflecteren, beginnen met het ‘herkauwen’ van mijn leven. Daar was ik nog veel te jong voor en ik bleef dan ook pendelen tussen scheppen en oordelen. Maar nu ik 63 word en officieel met pensioen ben, heb ik het gevoel dat er genoeg afstand is ontstaan om werkelijk reflecteren mogelijk te maken.

Tegelijk begint het mij ook te dagen dat de moderne mensheid als geheel de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt. Een scheppende cyclus is afgelopen en de tijd is gekomen om te reflecteren. Maar dat keerpunt wordt genegeerd. Men doet alsof er niks aan de hand is en het leven gewoon doorgaat. Het gevolg is dat scheppen verandert in vernietigen. Wat in de geest moet gebeuren – reflecteren is een vorm van vernietigen (van levenskrachten) – gebeurt in de materie. Dat zien we zowel in de kunst als in de werkelijkheid: er vindt een explosie van geweld plaats, geweld dat wordt toegejuicht als was het het ontstaan van een nieuwe wereld. Maar die nieuwe wereld kan er nooit komen als de mens niet tot bezinning komt over de voorbije 2000 jaar, als hij daarover niet gaat reflecteren en zich een beeld vormt van wat er in dat ‘voorbije leven’ is gebeurd. 

Wat ik vandaag (en eigenlijk al m’n hele leven) in het klein meemaak, maakt de mensheid ook in het groot mee: de omslag van scheppen naar reflecteren. Daarom spreekt Rudolf Steiner ook over het Keerpunt der Tijden, een uitdrukking die hij zowel gebruikt voor de gebeurtenissen in Palestina 2000 jaar geleden, als voor onze tijd. Wat destijds op fysiek gebied gebeurde, moet nu op etherisch gebied gebeuren: het sterven van de levenskrachten en het verrijzen van het inzicht. Het eerste keerpunt vond in de materie plaats, het tweede dient in de geest plaats te vinden, in het bewustzijn van de mens. Daar is het dat we Christus moeten navolgen en ‘sterven’: we moeten erkennen dat er na die 2000 jaar scheppend werk voorlopig niks nieuws meer zal komen. Een werk (of cyclus) is af en moet nu beoordeeld worden. 

Pas als we ontwaken uit onze scheppingsroes (die meer en meer een vernietigingsroes wordt), zal de nodige afstand ontstaan om te reflecteren over die voorbije beschavingscyclus, om er de essentie uit te puren en mee te nemen naar een volgende cyclus. We moeten leren ‘met pensioen’ te gaan in plaats van onszelf blindelings in een frenetieke activiteit te storten. Hoe beschamend is het niet dat we in een wereld die volgestouwd is met machines die het werk van de mens overnemen, alsmaar harder en langer moeten werken! We raken op ons 30ste al ‘opgebrand’ maar de pensioengerechtigde leeftijd blijft opschuiven. Die vorm van krankzinnigheid is het gevolg van het onvermogen om ‘het keerpunt’ onder ogen te zien, om te erkennen dat er een tijdperk voorbij is, een cyclus afgelopen.  

Het grote weerspiegelt het kleine, het algemene het persoonlijke. Dat maakt het des te boeiender om aandachtig te kijken naar wat ik momenteel meemaak bij deze ommekeer in mijn leven. De opvallendste omslag was de verhuizing van Destelbergen naar Scheldewindeke. Na 21 jaar autolawaai woon ik nu in de stilte van het platteland. Zowel die stilte als dat platteland zijn zeer relatief, maar het verschil met vroeger is toch groot. Het is hetzelfde verschil als tussen het scheppen (op aarde) en het reflecteren (na de dood). Is het moderne leven niet één lange autorit: druk, snel, stresserend en lawaaierig? En heerst na de dood niet de rust en de stilte van ‘de buiten’? Hier in Scheldewindeke heb ik mezelf ‘begraven’. Ik kom mijn huis niet meer uit en onderhoud alleen nog via deze blog contact met de wereld.  

Ik ben als het ware van de aardbodem verdwenen, maar tegelijk ben ik er meer mee verbonden dan ooit. Want ik ben nu tuinier. Mijn hele leven heb ik me beziggehouden met ‘geestelijke’ zaken, maar nu wroet ik in de grond, plant sla en aardappelen, prei en selder, tomaten en aardbeien. Zowat iedere dag van de afgelopen lente heb ik buiten in de zon doorgebracht. Mijn rug en knieën protesteren daar hevig tegen, maar mijn ziel ziet een langgekoesterde wens in vervulling gaan. Ofschoon ik met volle overtuiging voor de kunst heb gekozen en daar nooit één moment spijt van heb gehad, heb ik het werken in een tuin altijd als een gemis ervaren. Ik had me dan ook al voorgenomen om in een volgend leven tuinier te worden. En zie, ik krijg daar al een voorproefje van!

Eindelijk ben ik verlost van het autolawaai dat me 21 jaar gekweld heeft. Ik voel me bevrijd uit een onderwereld vol razende demonen. Dat is natuurlijk een dichterlijke overdrijving, maar Scheldewindeke is in menig opzicht toch een hemel vergeleken bij Destelbergen: de rust, de stilte, het groen, de zuivere lucht, het degelijke huis, de grote tuin, en last but not least: de zon. De afgelopen jaren zat ik rond deze tijd van het jaar te kleumen naast de brandende kachel terwijl buiten de auto’s voorbijraasden. Nu leef ik al maanden in het licht van de zon en de stilte van de natuur. Ik heb een figuurlijke Hemelvaart beleefd: ik ben teruggekeerd naar de Vader, naar de wereld van de eeuwige zomer, maar tegelijk heb ik me verbonden met de aarde, met haar leven, haar ritmen en seizoenen. 

Aanvankelijk verzuchtte ik: waren we hier maar vroeger komen wonen, alles zou dan heel anders zijn geweest! Dat laatste is zeker waar, maar zou ik het ook werkelijk gewild hebben? Als autist heb ik het leven op aarde altijd ervaren als een verblijf in de onderwereld (met gelukkig af en toe een paar vrije dagen). Maar in die ‘onderwereld’ heb ik wel veel geleerd: ik heb er leren tekenen en schrijven, en ik heb er de antroposofie leren kennen. Dat zou allemaal niet gebeurd zijn als ik van jongs af in Scheldewindeke had gewoond en in de tuin had kunnen werken. De natuur zou me dan (zoals ik dat nu ondervind) volledig in beslag hebben genomen. Ze laat weinig ruimte voor ‘geestelijke’ dingen. De geest moet veroverd worden op de natuur en dat houdt een doodsproces in, een doodsproces dat ik heb gewild, dat lijdt geen twijfel. 

Mijn bestaan op aarde was één lange leerschool, want werken heb ik nauwelijks gedaan. Leven ook niet. Ik heb (of ben) hoofdzakelijk ‘gestorven’. Dat geldt overigens niet alleen voor mij. Vroeger leefde de mens veel dichter bij de natuur en haar eeuwig terugkerende ritmen en seizoenen. Hij werd er nagenoeg volledig door in beslag genomen en tijd voor bewustwording was er nauwelijks. Dat is vandaag heel anders: de mens is vervreemd van de natuur, hij is veel bewuster maar ook veel ‘doder’ geworden. Een uitzondering ben ik dus niet, hoogstens een karikatuur. We zijn vandaag allemaal meer dood dan levend, en in die zin lijken we op de leerlingen 2000 jaar geleden. Ze hadden het sterven van Christus zo intens meebeleefd dat ze zelf nauwelijks nog leefden. Hun ziel was helemaal omgeploegd en daar zaaide de Verrezene zijn woorden in. 

Dat doet hij ook vandaag weer. Aan het eind van de 19de eeuw werd Christus opnieuw gekruisigd, dit keer door het materialisme. Daarna verrees hij weer en kwam terug om de mensheid te onderrichten. Rudolf Steiner was de eerste om zijn ‘woorden’ te horen en te vertalen in moderne begrippen. Sindsdien is het onze opgave om Steiners voorbeeld te volgen en te ‘luisteren’ naar de wedergekomen Christus. Alleen dan kan er een Pinksteren komen en kan de Heilige Geest ons bewustzijn verlichten zodat we zien wat we willen en begrijpen waarvoor we op aarde zijn gekomen. Dit weten-wat-we-willen zal ons vrij maken, want vrijheid betekent niet dat we doen wat we willen maar dat we weten wat we doen. Om dat weten te verwerven, moeten we ons inspannen. We moeten zelf Pinksteren tot stand brengen.

We moeten leren luisteren naar de woorden van de wedergekomen Christus, dat wil zeggen naar zijn Heilige Geest. Maar eerst moeten we zijn beelden leren zien: de eeuwige beelden die hij ons in de natuur voorhoudt en de tijdelijke beelden die hij ons in de menselijke wereld toont. Imaginatie komt voor inspiratie. Die volgorde is belangrijk, want we zien vandaag wat er gebeurt wanneer de eerste stap wordt overgeslagen. De politiek-correcte mens meent de stem van Christus te horen, maar is blind voor zijn beelden. Dat maakt hem tot een (geestelijke) terrorist die denkt dat hij een heilige is. Ahriman doet hem een essentiële stap overslaan en dat leidt tot een omgekeerd Pinksteren: in plaats dat het bewustzijn van de mens verlicht wordt door de Geest, wordt het verduisterd door het Beest. 

Hemelvaart (2)

  

De aanzet tot mijn beschouwingen over Hemelvaart was een ‘natuurobservatie’: op Hemelvaartsdag nam ik de specifiek zomerse kwaliteit waar die niet beter te typeren valt dan met het woordje ‘eeuwigheid’. In de zomer bereikt de zon haar hoogste punt en lijkt daar stil te houden. Ook beneden houdt alle beweging op: een loden hitte drukt op de wereld, de bladeren hangen roerloos aan de bomen, de straten liggen er verlaten bij, en de mensen zouden liefst van al helemaal niks meer doen. Over de aarde verbreidt zich een sfeer van tijdloosheid. Er treedt een andere dimensie in, een dimensie waar niets verandert, waar alles eeuwige herhaling is. Hoewel ik een uitgesproken herfstmens ben, heb ik de sterkste herinneringen aan die zinderende zomerdagen waarop de eeuwigheid zo dichtbij komt dat ze alle gedachten uit je hoofd verjaagt, alle verlangens uit je hart, en dat je alleen nog kunt zijn

Ik was verrast die ‘eeuwigheidskwaliteit’ waar te nemen op Hemelvaartsdag, dat wil zeggen in volle lente. We hadden al heel wat mooie dagen achter de rug – warme dagen, stralende dagen, betoverende dagen – maar het waren lentedagen, géén zomerdagen. Er was geen sprake van tijdloosheid of roerloosheid, wel integendeel. De zon was nog volop aan het klimmen en de natuur klom mee. Met niet aflatende inspanning verhief ze zich boven het aardoppervlak, één en al doelgerichtheid. Wie jong is, gaat helemaal op in de lente, hij is in zijn element en merkt haar niet op. Maar wie ouder wordt, neemt afstand en gaat bewuster kijken naarde lente. Althans, zo vergaat het mij. Ieder jaar valt het me meer op hoe hard de natuur moet werken om te … bevallen. Want zo heb ik de lente onbewust altijd beleefd en zo beleef ik haar steeds bewuster: als een zware bevalling.

Een bevalling is een volkomen natuurlijk proces dat vanzelf verloopt. Tegelijk is het een ongewoon dramatisch gebeuren dat inspanning en pijn kost. Het is dus geenszins tegennatuurlijk dat het christendom uitgerekend in de lente het kruis opricht, want de kruisdood van Christus was een bevalling, zijn verrijzenis een geboorte. Pas op Golgotha komt Christus werkelijk ter wereld. De drie jaren van zijn leven waren een zwangerschap die begon bij de doop in de Jordaan, toen een stem uit de hemel zei: Heden heb ik u verwekt. Christus werd dus niet met kerstmis geboren, hij werd zelfs niet ‘geconcipieerd’. Hij was toen nog de kosmische zaadcel die moeder Aarde binnendrong. En dat is meer dan beeldspraak, want er bestaat een diepe wezensverwantschap tussen de kosmisch-geestelijke menswording van Christus en de natuurlijk-aardse geboorte. Het christendom is veel ‘natuurlijker’ dan men denkt. 

Als de lente verwant is met de geboorte, dan is de winter verwant met de zwangerschap: er heerst een intense maar onzichtbare activiteit in ‘de schoot der aarde’. De zomer komt dan weer overeen met het eerste samenzijn van moeder en kind. Als vader besef je op dat moment: hier sta ik buiten, dit gaat alleen om moeder en kind. Bij die tweeëenheid kun je alleen maar toeschouwer zijn, de ‘heilige drieëenheid’ van het gezin is dan nog louter schijn. Maar juist als toeschouwer kun je je een beeld vormen van de relatie van moeder en kind. En dat beeld herken je in de zomer: de hoge berg is beklommen, het grote werk volbracht. Hemel en aarde, kind en moeder rusten in elkaar. Hun wensen zijn vervuld, de tijd bestaat niet meer. Maar net als de zomer blijft die ‘eeuwige rust’ niet duren. De herfst komt, het gewone leven eist zijn rechten weer op. Moeder en kind komen van hun berg en dalen af naar de begane grond.

De dramatiek van de pijnlijke scheiding tegenover de vrede van het eeuwige samenzijn: zo verhouden lente en zomer zich tot elkaar. Ze gaan als vanzelfsprekend in elkaar over, maar tegelijk vormen ze een scherpe tegenstelling. Het verbaasde mij die tegenstelling op Hemelvaartsdag overbrugd te zien. Nochtans is dit onverwachte opduiken van de zomer in de lente waarschijnlijk niet zo uitzonderlijk. Ook in de winter zijn er af en toe verrassend zachte dagen dat het net lijkt of het volgende seizoen er al is, en in de lente zal het wel niet anders zijn. Maar doordat het uiterlijke contrast tussen lente en zomer (warm tegenover warmer) veel kleiner is dan tussen lente en winter (warm tegenover koud), vallen die dagen veel minder op. Dit jaar viel Hemelvaart echter wél op. Niet alleen was het die dag onmiskenbaar zomer, het blééf ook zomer. De hele week was het verstikkend warm. Je kon er niet naast kijken. 

Die uitzonderlijke weersomstandigheden zetten me aan het denken. Zou het kunnen, vroeg ik me af, dat in dat samenvallen van lente en zomer iets tot uitdrukking komt van het wezen van Hemelvaart? Tenslotte wordt Christus die dag één met de Vader, dat wil zeggen met de eeuwige geest, de dimensie waar het altijd ‘zomer’ is. Tegelijk verbindt hij zich ook met aarde, waar het op dat moment volop lente is. Betekent dat niet dat de zomerse eeuwigheid van de Vader – via Christus – doordringt in de tijdelijkheid van de lente? Op Hemelvaart overbrugt Christus de (door de zondeval geslagen) kloof tussen hemel en aarde, tussen de geestelijke Vader en Moeder Aarde. Uiterlijk is daar natuurlijk niks van te zien – de aarde blijft precies zoals ze was – maar innerlijk is er wel degelijk iets veranderd: het zaad van een nieuwe wereld is gezaaid, een wereld waar Vader, Zoon en Moeder één zijn. 

Het zou zwaar overdreven zijn te beweren dat ik op Hemelvaartsdag het wezen van Hemelvaart waarnam, dat wil zeggen: Christus die zich verenigt met de Vader en met Moeder natuur. Het was beslist geen helderziende waarneming, en al helemaal niet van dat formaat. Maar een gewone zintuiglijke waarneming was het evenmin. Het was iets daartussenin: een aanvoelen van de fijnere, etherische dimensies van de natuur. Zo’n gevoelswaarneming is natuurlijk altijd subjectief, ze kan op geen enkele manier gemeten of bewezen worden. Maar toch was ze in dit geval geen projectie van christelijke beelden of antroposofische gedachten. Daarvoor trof het zomerse karakter van die lentedag me veel te onverwachts. Bovendien was ik er me slechts vaag van bewust dat het die dag Hemelvaart was. Nee, ik bekeek de natuur even onbevangen en verwonderd als ik dat altijd doe.

Die onbevangenheid heb ik me eigen gemaakt door de natuur als een kunstwerk te zien, door haar met een kunstzinnige blik te bekijken. In de kunst gaat het er namelijk om je geest leeg te maken en een kunstwerk zonder enig vooroordeel of vooropgezet idee te benaderen. Weliswaar doet men in de hedendaagse kunst precies het omgekeerde, maar volgens Rudolf Steiner (en iedereen die nog enig artistiek gevoel bezit) is dat een aberratie. Wie kunst op de normale, kunstzinnige manier benadert, kan ervaren dat een subjectieve waarneming – alle kunstzinnige waarnemingen zijn subjectief – tegelijk objectief kan zijn. In de (moderne) wetenschap is dat niet mogelijk, in de kunst wel. De kunst bezit het vermogen om tegenstellingen op te heffen. En dat vermogen kun je je ook als kijker eigen maken, door je waarneming te zuiveren van alle egoïsme, van alle verlangen, van alle streven, door ze met andere woorden ‘zomers’ te maken. 

Zo’n subjectief-objectieve waarneming spreekt niet alleen het gevoel aan, ze spreekt ook de wil aan. Ze wekt in de kijker dezelfde scheppende wil die ook het kunstwerk heeft doen ontstaan. Dat ondervond ik op Hemelvaartsdag: mijn ‘zomerse’ waarneming liet me niet los. Ik wilde dit ‘zaadje’ doen ontkiemen door erover na te denken. Aanvankelijk ging dat vrij vlot: het eerste deel van mijn beschouwingen stond al vlug op ‘papier’. Maar het was vrij algemeen en abstract. Ik wilde een concreter beeld van Hemelvaart ontwikkelen, (enkel) uitgaand van mijn natuurwaarneming. Gewoonlijk gebeurt het omgekeerde: je probeert christelijke of antroposofische inzichten te herkennen in de werkelijkheid. Daar is op zich niks mis mee, maar het houdt wel het gevaar in dat je de werkelijkheid geweld aandoet, dat je haar onbewust onderwerpt aan je ideeën. Met name de kunst is op die manier een speeltuin geworden voor intellectuelen die hun ideeën weerspiegeld willen zien.

De egoïstische, narcistische wil van de intellectueel heeft de kunst – en de hele werkelijkheid – onderworpen en tot slaaf gemaakt van abstracte ideeën. De moderne mens denkt dat hij de dingen ziet zoals ze zijn, maar hij ziet ze alleen zoals hij wil dat ze zijn. Hij kijkt met een blik vol machtswellust en is zich daar niet van bewust. Nochtans wordt zijn machtsstreven al vlug zichtbaar wanneer hij geconfronteerd wordt met een andere visie: hij wordt dan onverdraagzaam en zelfs agressief. Deze onbewuste machtswellust is vandaag zo sterk dat niemand er vrij van blijft. Ook wie de wereld christelijk of antroposofisch bekijkt, wordt al vlug gemakzuchtig: hij meent zijn ideeën bevestigd te zien door de werkelijkheid en kijkt niet meer verder. Daardoor worden (of blijven) zijn opvattingen een geloof, een verzameling abstracte inzichten die wel genot verschaffen maar de mens in zichzelf opsluiten en blind maken voor de werkelijkheid. 

Daarom wilde ik de zaak omkeren: ik wilde niet uitgaan van ideeën die ik onbewust aan de werkelijkheid opdrong, maar van de onbevangen waarneming van de natuur. Dat was echter gemakkelijker gezegd dan gedaan, want voor de intellectualistische mens (die we allemaal in meer of mindere mate geworden zijn) is onbegonnen werk om zijn overvolle brein leeg te maken. Dat kan ook de bedoeling niet zijn, want aan dat brein heeft de mens zijn vrijheid en zelfstandigheid te danken. Als hij die opgeeft, komt hij van de regen in de drop terecht. De ahrimaanse machtswellust maakt dan plaats voor luciferische onderwerping, en die maakt hem eveneens blind voor de werkelijkheid. Nee, de weg van de mens is die van Odysseus: zorgvuldig laverend tussen de ‘verblindende’ uitersten, geduldig zoekend naar het gulden midden.

Het is tevens de weg van de kunst, die ritmisch pendelend langzaam ruimte schept tussen Lucifer en Ahriman. In die – moeizaam veroverde – vrije ruimte lichten af en toe flitsen op van de ware, ongedeelde werkelijkheid. Mijn Hemelvaartswaarneming was zo’n ‘flits’ die even de kloof tussen mezelf en de wereld overbrugde. Tegelijk opende zich echter een andere kloof: die tussen mijn waarneming en mijn denken. Want zo’n Hemelvaartswaarneming, hoe wonderlijk ook, werkt verwarrend: je kunt ze niet meteen een plaats geven in je leven. Volgens Rudolf Steiner worden dit soort ‘bovenzintuiglijke’ waarnemingen steeds talrijker. De moderne mens raakt dan ook steeds meer in de war en veroorzaakt chaos in de wereld. Het is dus van het grootste belang dat de mens ook deze ‘tweede kloof’ overbrugt en inzicht krijgt in zijn onbewuste ‘Hemelvaartswaarnemingen’. 

We beleven vandaag de Wederkomst van Christus en dat is een soort omgekeerde Hemelvaart. Zoals de leerlingen Christus zagen verdwijnen, zo zien wij Christus weer verschijnen: in de wolken, dat wil zeggen in de etherische sfeer van de aarde. Het resultaat is in beide gevallen echter hetzelfde: verwarring. Zoals de leerlingen na die 40 dagen met de Verrezene als uit een droom ontwaakten, zo wordt ons wakkere bewustzijn vandaag beneveld door onze onbewuste waarnemingen van Christus. Net als 2000 jaar geleden staan we voor de (Pinkster)opgave om beide vormen van bewustzijn – het wakkere en het dromerige – met elkaar te verbinden, want als we daar niet in slagen zal de verwarring alsmaar groter worden. De leerlingen van Christus hadden geen keuze: door wat ze de afgelopen drie jaar hadden meegemaakt, waren ze andere mensen geworden. Ze konden niet doen alsof er niets gebeurd was, ze moésten wel tot een nieuw begrip komen. 

Vandaag hebben we echter wel een keuze. De etherische wereld waarin Christus verschijnt, is een ritmische wereld waarin dezelfde processen steeds weer herhaald worden. Christus verschijnt als het ware in golven, zoals een kind tijdens een geboorte. We krijgen met andere woorden steeds nieuwe kansen om hem te leren kennen, maar tegelijk neemt ook de verwarring toe en dreigen we ons bewustzijn te verliezen. We hebben dus de vrijheid om de wedergekomen Christus te negeren en het noodzakelijke uit te stellen. Maar we betalen er een hoge prijs voor. Vroeg of laat zullen we de werkelijkheid onder ogen moeten zien, en dat is een werkelijkheid waarin de zomer alsmaar meer in de lente doordringt, waarin de geest zich steeds duidelijker manifesteert in de materie. Hoe langer we ermee wachten om ons bewustzijn daarop af te stemmen, hoe moeilijker het zal worden.  

Hemelvaart (1)

  

Verleden week was het Hemelvaartsdag, Ons-Heer-Hemelvaart zoals het vroeger in Vlaanderen werd genoemd. Terwijl de ramadan met alle mogelijke egards wordt behandeld, is het bon ton geworden om de draak te steken met de christelijke feestdagen: hoe stom en onnozel waren de mensen vroeger toch! Bij het lezen van die spottende commentaren – op Facebook wemelt het ervan – moet ik mezelf geweld aandoen om niet denken: hoe stom en onnozel zijn de mensen vandaag toch! Wees blij, zeg ik dan tegen mezelf, dat je de antroposofie hebt leren kennen, anders zou je wellicht net zo stom en onnozel zijn. Maar dat is toch een brug te ver. Ook zonder de antroposofie zou ik niet de spot hebben gedreven met de christelijke feestdagen. Wel zou ik er de schouders voor hebben opgehaald omdat ik niet begreep hoe mensen geloof kunnen hechten aan dergelijke dingen. Maar ik zou nooit vergeten zijn wat het christendom betekend heeft voor de kunst. Hoe zou dat ook kunnen! De hedendaagse kunst herinnert me dagelijks aan de gevolgen van het verdwijnen van de christelijke inspiratie. Nee, ik ben me te zeer bewust van de leegte en de geestloosheid van onze moderne tijd, dan dat ik ooit het koor der spotters-met-het-christendom zou vervoegd hebben. 

Dat neemt niet weg dat de christelijke feestdagen langzaam maar zeker uit mijn bewustzijn verdwenen zouden zijn. Zonder de antroposofie zou ik bijvoorbeeld nooit nagedacht hebben over Hemelvaartsdag. Toch volstaat de antroposofie alleen niet om me daartoe te bewegen. Ik mag graag lezen wat antroposofen (Emil Bock bijvoorbeeld) schrijven over het christendom. Maar er zelf over nadenken, op eigen initiatief? Nee, daarvoor is de kloof te groot. Gelukkig bestaat er een tussenstap die de afstand tussen de christelijke feesten en moderne tijd kleiner maakt, en dat is de beeldtaal van de natuur, vooral dan de gang van de vier seizoenen. Hoe ouder ik word, des te sterker beleef ik de kunstzinnigheid van het vierledige jaarverloop. Die wonderlijke metamorfose, dat jaarlijkse Stirb und Werde in slow motion: ik vind het mateloos fascinerend. Mijn jongste dochter zit regelmatig in Afrika – ze heeft daar een liefje – en wat ze ginder het meest mist, zijn de seizoenen. In Ghana kennen ze geen lente, zomer, herfst of winter. Ze weten ook niet wat een zonsondergang is. ’s Avonds wordt het opeens donker, alsof iemand het licht uitdoet. En ’s morgens gaat het weer aan. Dat is het enige (natuurlijke) ritme dat ze kennen: aan/uit, aan/uit, het hele jaar door. Zonder overgangen, zonder tussenstappen. 

In Europa kent de dag geen twee maar vier bedrijven, net als het jaar. Er is de ochtend (lente), de middag (zomer), de avond (herfst) en de nacht (winter). Die vier dagdelen hebben, net als de vier seizoenen, hun eigen karakter. Zelf hou ik het meest van de avond, zoals ik ook het meest van de herfst hou. Nochtans kan ik ook de andere drie heel erg appreciëren. Stel je voor dat er geen nacht was! Wat een nachtmerrie (sic) zou dat niet zijn! En de ochtendstond heeft nog altijd goud in de mond. Maar de avond blijft toch mijn favoriet. Misschien komt dat wel omdat hij er in onze tijd het meest bij inschiet. ’s Ochtends staan we op en gaan aan de slag, ’s middags draaien we op volle toeren, en ’s nachts slapen we. Net als de zon. Maar ’s avonds komen we niet tot rust, zoals de natuur dat doet. We gaan gewoon door, ook als de zon reeds aan het zakken is. Stoppen we ten slotte met werken, dan staat ons vaak nog een trein- of autorit in de moordende drukte van het spitsuur te wachten. Thuisgekomen duurt het nog een hele poos voor ons adrenalinepeil weer gezakt is en de natuurlijke avond is grotendeels voorbij wanneer we aan onze persoonlijke avond beginnen. Nee, het moderne leven staat nergens haakser op het kunstzinnige ritme van de natuur dan tijdens de avonduren, wanneer de zon ondergaat. 

Wat Europa onderscheidt van (onder meer) Afrika zijn de kunstzinnige overgangen: de ochtenden en de avonden. Maar vooral de avonden. ’s Avonds verzamelt de zon de vruchten van de voorbije dag en neemt ze met zich mee, de nacht in, terwijl ze ’s ochtends uitdeelt wat ze tijdens de nacht verzameld heeft. De ondergaande zon is dus vervuld van de kwaliteiten van het wakker-zijn. Misschien noemt men Europa daarom wel het Avondland: de heldere ratio is er tot ontwikkeling gekomen, maar ook het christendom, de religie waarin God sterft. Is Christus niet als de ondergaande zon? Hij verzamelt de ervaringen van het mensenleven en neemt ze mee naar de Vader. Hij is de overgang tussen (aardse) dag en (hemelse) nacht, de brug tussen mens en God, tussen materie en geest. Wat het christendom gemeen heeft met de Europese natuur is zijn kunstzinnigheid, zijn beeldenrijkdom, zijn kleurrijke zintuiglijkheid. Zoals in Europa het eentonige dag- en nachtritme (zoals we dat bijvoorbeeld aantreffen in Afrika) verlevendigd wordt door de ochtenden en de avonden, zo wordt in het christendom de abstracte relatie tussen God en mens (zoals we die bijvoorbeeld vinden in de islam) aanschouwelijk gemaakt door de beelden van het leven van Christus.

Eén van de redenen waarom vandaag zo ongeremd de spot wordt gedreven met het christendom is dat de moderne mens vervreemd is van de natuur. Wie met de natuur leeft, zoals onze voorouders dat deden, gaat slapen met een ziel die vervuld is van natuurbeelden. Als die beelden ook nog eens zo kunstzinnig zijn als in Europa, met zijn vier seizoenen en zijn vierdelige dag, dan vormen ze een vruchtbare bodem voor het christendom. In de christelijke beelden herkenden onze voorouders intuïtief de ‘vermenselijking’ van de natuur die hen zo vertrouwd was. Het is bekend dat het jonge christendom de oude, heidense natuurfeesten niet zomaar aan de kant schoof, maar ze ‘kerstende’. Dat wordt vaak aangevoerd als bewijs dat het christendom niets nieuws bracht maar het oude alleen in een nieuw kleedje stak. Maar als Christus werkelijk was wie hij verondersteld werd te zijn – de schepper van de wereld – dan was die kerstening niets anders dan het zichtbaar maken van het wezen van die natuurfeesten. De christelijke feesten haalden bij wijze van spreken de kunstenaar uit zijn kunstwerk tevoorschijn. Dat ze zo nauw aansloten bij het natuurlijke jaarverloop was geen gevolg van kerkelijke machtspolitiek, maar een uitdrukking van het wezen van het christendom zelf.  

De vier grote christelijke jaarfeesten (zoals de antroposofie ze onderscheidt) komen overeen met de vier seizoenen en de vier delen van de dag. Pasen staat voor de lente (of de ochtend), St.Jan voor de zomer (of de middag), Michaël voor de herfst (of de avond) en kerstmis voor de winter (of de nacht). De overeenkomst tussen feest en natuur is geenszins programmatisch of bedacht, maar wezenlijk en mysterieus. Op het eerste gezicht is er zelfs eerder sprake van een tegenstelling dan van een overeenkomst, want hoe valt bijvoorbeeld de geboorte van een kind (kerstmis) te rijmen met de winter of de nacht? En hoe kan de dood aan het kruis herkend worden in de stralende lente? Daar ben je niet gauw klaar mee. Maar dankzij het pionierswerk van Rudolf Steiner hebben we vandaag een denkkader dat ons in staat stelt aan de slag te gaan met die beelden en een brug te slaan tussen het christendom en de tijd waarin we leven. Dat wil ik hier eens proberen met Hemelvaartsdag. Ik kan nu toch niet in de tuin werken, het hooikoortsseizoen is begonnen. Bovendien past het wel bij Pinksteren om zelf enig licht te werpen op de zaak, in plaats van alleen maar het (weliswaar veel stralender) licht van Rudolf Steiner te weerkaatsen. 

Wat ‘vieren’ we met Hemelvaart? De ten-hemel-opneming van de verrezen Christus. Moeilijk is het niet om daar de spot mee te drijven, want niet alleen gelooft de moderne mens niet meer in het bestaan van een hemel, hij gelooft nog minder in de mogelijkheid dat iemand uit de dood zou kunnen opstaan. Daar komt nog eens bij dat Hemelvaart de vraag doet rijzen waarom Christus pas 40 dagen na zijn dood naar de hemel ging en niet onmiddellijk erna, zoals iedereen? Het lijkt wel alsof hij iets vergeten was en vlug even uit de dood verrees om het in orde te kunnen brengen en daarna voorgoed te verdwijnen. Maar zo banaal kan de betekenis van de verrijzenis natuurlijk niet zijn. De opstanding is de essentie van het christendom. Als Christus niet was verrezen, schrijft Paulus, zou ons geloof geen zin hebben. Daar moeten we rekening mee houden als we denken aan Hemelvaart. Zonder Pasen zou Hemelvaart niks bijzonders zijn, want iederéén wordt ‘ten hemel opgenomen’ na zijn dood. Maar Christus keerde niet terug naar de geestelijke wereld als een dode, dat wil zeggen als een geest-zonder-lichaam, hij keerde terug als een levende, als een geest-met-een-lichaam. Dat is wat Hemelvaart tot Hemelvaart maakt: het was een lichaam dat ten hemel steeg.    

Zoiets was natuurlijk alleen mogelijk omdat het lichaam van Christus vergeestelijkt was. Juist die vergeestelijking van het (fysieke) lichaam is de kern van het christendom. Ook in andere religies keert de mens na de dood terug naar zijn geestelijke oorsprong, maar zijn lichaam moet hij achterlaten: de kloof tussen geest en materie blijft bestaan. Christus overbrugt die kloof. Hij schept een lichaam dat zowel geestelijk als fysiek is. Van de Verrezene wordt gezegd dat hij at en dronk, en hij gaf de ongelovige Thomas zelfs toestemming om zijn wonden te betasten. Toch stijgt Christus met dat lichaam ten hemel en voegt daarmee een nieuw element toe aan de geestelijke wereld. Tegelijk doet hij dat ook met de aardse, fysieke wereld: hij plant er de kiem van een toekomstige wereld, van een vergeestelijkte aarde. Want zijn opstandingslichaam stelt hem in staat in twee werelden tegelijk te leven. En dat is wat hij doet op Hemelvaartsdag: hij keert terug naar de geestelijke wereld en verbindt zich tegelijk met de aarde. Daarom kan hij zeggen: zie, ik blijf bij u, alle dagen tot het einde van de wereld. Hemelvaart betekent dus geen scheiding maar een verbinding. Het wordt door de leerlingen alleen als een afscheid ervaren omdat ze nog niet in staat zijn die verbinding waar te nemen. Dat gebeurt pas met Pinksteren.

Het leven van Christus is een oerbeeld. We kunnen het overal in herkennen. Zo kunnen we de voorbije 2000 jaar zien als een uitvergroting van de 40 dagen tussen Pasen en Hemelvaart. Zoals Christus zijn leerlingen onderrichtte, zo heeft ook de kerk (die het lichaam van Christus wordt genoemd) dat gedaan. Vandaag is haar onderricht afgelopen, ze heeft de mensheid niks meer te vertellen. We beleven dan ook een soort Hemelvaart: het christendom lijkt te verdwijnen, maar in feite is het aanweziger dan ooit. Dezelfde mensen die de spot drijven met het christendom worden sterker dan ooit bezield door de christelijke idealen. Christus is weliswaar uit hun bewustzijn verdwenen, maar hij is deel geworden van hun lichaam, met name dan hun etherische lichaam, hun gewoontelichaam. Ze gedragen zich christelijk zonder zich daar bewust van te zijn. Hoe kwalijk dat gebrek aan bewustzijn is, toont de politieke-correctheid iedere dag. Rudolf Steiner noemt het verslapen van de wederkomst van Christus (in de etherische wereld) het ergste wat de mensheid kan overkomen. Er is dus nood aan een tweede Pinksteren: de mens moet zich bewust worden van de werkzaamheid van Christus in zijn etherische gewoontelichaam, anders zal dat tot rampen leiden. 

Pinksteren vieren betekent Hemelvaart begrijpen. Het betekent bewust worden van de etherische levenssfeer, waar het fysieke tegelijk geestelijk is en omgekeerd. Om een dergelijk Pinksterbewustzijn te verwerven moeten we ons verzetten tegen twee diepgewortelde gewoonten: de (ahrimaans-wetenschappelijk) gewoonte om alles te verklaren vanuit de dode materie, en de (luciferisch-religieuze) gewoonte om de geest te zoeken in dode abstracties. Met name in onze tijd worden die twee ‘gewoonten’ door Lucifer en Ahriman opgezweept tot driften die de mens niet meer onder controle heeft en die hem verhinderen een (christelijk-kunstzinnig) bewustzijn te ontwikkelen van de levenssfeer. Dat komt zowel tot uiting in de kunstwereld, die ten prooi lijkt aan krankzinnigheid, als in de gewone wereld waar we in the clash of civilisations twee driften frontaal op elkaar zien botsen. Door al dat geweld verliest de mens zijn bezinning en is niet meer in staat de nodige afstand te bewaren om beelden te kunnen lezen die nu ontstaan. Gelukkig is er altijd nog de natuur waar de tegenpolen op harmonische wijze in elkaar overgaan. Met name door de aandacht te richten op de overgangen in die natuur kunnen we iets opvangen van de ‘heilige’ geest die daar werkzaam in is en waar we in onze tijd zo’n nood aan hebben. 

De humorloze comédienne

  
Hierboven ziet u de Amerikaanse komiek Kathy Griffin die bij wijze van grap poseert met het bebloede hoofd van Donald Trump in haar hand. Veel grover en wansmakelijker kan een grap niet worden en dat heeft ze dan ook mogen ondervinden. Ze kreeg massa’s ‘haatmails’ en haar shows werden afgelast. Zelfs de president twitterde dat ze zich moest schamen. Nu zou je denken dat komische Kathy beseft dat ze te ver is gegaan en dat ze de grens tussen vrije meningsuiting en oproep tot geweld heeft overschreden. Maar niets is minder waar. Tijdens een persconferentie beschuldigde ze Donald Trump ervan haar leven kapot te maken. Hij heeft mij gebroken, verklaarde ze snikkend. 

Kathy keert de zaken dus gewoon om. De foto waarop ze poseert als IS-strijder getuigt van een ongeziene haat. Kan men zich die foto voorstellen met Obama in plaats van Trump? Maar als haar haatboodschap niet geaccepteerd wordt, barst ze in tranen uit en noemt zichzelf het slachtoffer van … haat. Kathy Griffin maakt deel uit van de politiek-correcte kringen die andersdenken al jaren beschuldigen, bedreigen en broodroven. Nu ze een koekje van eigen deeg krijgt, is ze echter in alle staten. Ze beseft niet dat ze in een spiegel kijkt. Dat maakt van de hele affaire een pijnlijke grap, want een komiek die niet om zichzelf kan lachen, dat is … niet om te lachen.

Life and science

  

Sinds kort ben ik tuinier. Ik moet wel, want ik heb nu een tuin, en die kun je niet zomaar zijn gang laten gaan. Gelukkig doe ik het graag, tenminste wanneer de zon schijnt. Dat heeft ze dit jaar reeds volop gedaan en zo ben ik erin geslaagd een stukje van mijn tuin te heroveren op de wildernis. Mijn eerste overwinning behaalde ik op een overwoekerd bed aardbeien. Aardbeien! Daar had ik wel wat rug- en andere pijnen voor over. Na eerst het onkruid verwijderd te hebben, haalde ik de samengegroeide planten uit elkaar. Hingen er (naar mijn mening) nog voldoende wortels aan, dan stak ik ze meteen weer in de grond. Hingen er slechts enkele dunne draadjes aan, dan stak ik ze in potjes met potgrond die ik vervolgens in de serre plaatste om wat aan te sterken. Ik kon het niet over m’n hart krijgen om ze weg te gooien. 

Mijn debuut als tuinier bestond dus uit (1) het vernietigen van de vijand en (2) het verzorgen van zijn slachtoffers. Deze laatste kwamen langzaam weer op krachten en toen ze een beetje te groot werden voor hun potje plantte ik ze weer in volle grond. Als gevolg van die pleegzorg staat (het heroverde deel van) mijn tuin nu vol aardbeiplantjes. Half april verschenen de eerste bloempjes en die vervulden me met trots en verwachting. Maar toen ik voor het eerst sinds lang weer eens ging wandelen, zag ik de aardbeiplanten van mijn overbuurman. Vergeleken bij mijn vondelingen leken het wel reuzen. Ik stond weer met mijn voeten op de grond. Kort daarna zag ik een youtube-filmpje waarin werd uitgelegd hoe ik iets aan die achterstand kon doen: ik moest de bloempjes uitknijpen, dat zou de groei van het plantje ten goede komen. 

Het klonk me niet onlogisch in de oren. Maar moest ik nu echt de bloempjes die me met zoveel vreugde vervulden, verwijderen? Stel je voor dat mijn hele oogst eraan ging! Groot zou ze wel niet zijn, maar aardbeien van eigen kweek – al waren ’t er slechts twee (één voor mijn vrouw en één voor mij) – dat was toch iets om naar uit te kijken! Probeer het eens uit met enkele plantjes, adviseerde An. Een redelijk voorstel. Maar ik wilde niet experimenteren, ik wilde aardbeien! Op Facebook zag ik dat de tuinbouwschool van Melle een lenteverkoop hield en ik besloot daar mijn licht eens te gaan opsteken. Kon ik gelijk ook enkele tomatenplantjes van het ras ‘coeur de boeuf’ kopen. Vorige zomer had ik van iemand zo’n ossenhart-tomaat gekregen en dat was de beste tomaat die ik ooit gegeten had.

Ik was niet de enige die dat vond. Toen ik arriveerde was de coeur de boeuf al uitverkocht. Ik klampte dan maar een leraar aan en vroeg hem of het waar was dat je de eerste aardbeibloempjes moest uitknijpen. Hij keek me verbluft aan en vroeg: wie heeft je dát wijsgemaakt? Het internet, antwoordde ik. Luister eens, zei hij, ik geef hier al 30 jaar les en ik heb nog nooit gehoord dat je de bloemen van aardbeien moet uitknijpen. Hij vond het te gek voor woorden. Er is maar één regel, vervolgde hij, en die geldt voor alle vruchtdragende planten: geen blad, geen vrucht! Ja maar, antwoordde ik, dat is nu net de reden waarom ze die bloemen verwijderen: ze onttrekken energie aan de plant en beletten haar om blad te vormen! Ik dacht aan mijn schriele plantjes, die vaak maar twee blaadjes hadden (en geen honderd zoals die van mijn overbuurman).

Kom eens mee, zei hij en hij bracht me naar een serre waar bloemkolen stonden. De planten waren reusachtig, een ander woord was er niet voor. Kijk, zei hij, dát zijn bladeren en daar zullen mooie bloemkolen aan komen. Maar heb je slechts een paar kleine bladeren, dan zal daar een bloemkool aan komen de grootte van mijn vuist, en misschien zelfs dat niet. Ja maar, probeerde ik nog eens, dat is precies waarom ze zeggen dat je die eerste aardbeibloemen moet verwijderen: omdat de plant eerst bladeren moet vormen en dat kan ze niet als haar energie naar de bloemen gaat! Maar ik had het net zo goed tegen de bloemkolen kunnen zeggen. De brave man schudde alleen maar het hoofd: jongens toch, wat ze allemaal niet op het internet vertelden! 

Opeens kwam de school me, ondanks haar weelde aan bloemen, planten en bomen, een stuk minder aantrekkelijk voor. Was dit de geest die er heerste: een schoolmeestersgeest die niet luisterde en steeds maar weer de eigen waarheid herhaalde? Op weg naar de uitgang zag ik ergens een affiche hangen. Er stond een man in een witte overall op afgebeeld. Op zijn hoofd stond een helm, voor zijn gezicht hing een gasmasker en aan zijn handen zaten grote handschoenen. Die attributen waren rood omcirkeld en ernaast stonden de giftige stoffen vermeld waartegen ze bescherming boden. Er waren ook nog een paar sloganeske waarschuwingen aan toegevoegd. Tuinieren: het was blijkbaar een beroep vol risico’s. Toen ik weer buiten stond las ik op een spandoek: Tuinbouwschool Melle, life and science

Leven en wetenschap: het klonk me in de oren als een contradictie. Hoe kan een wetenschap die alles reduceert tot dode materie nu bijdragen tot het leven? De man-in-het-witte-pak die ik op de affiche had zien staan, zag eruit als een bestrijder van het leven die zich moest beschermen tegen zijn eigen dodelijke wapens. Eigenlijk was de moderne tuinier een karikatuur van mezelf. Wat ik wilde doen door de bloemen van mijn aardbeiplantjes uit te knijpen, deed hij in honderdvoud: doden om meer leven te hebben. Daarom was het ook lachwekkend dat de tuinbouwleraar de ogen ten hemel sloeg toen ik hem vertelde van mijn vernietigingsplan. Hij zag de gelijkenis niet tussen het kleine dat ik (voor het eerst) wilde doen en het grote dat hij (dagelijks) deed. Hij wist met andere woorden niet waar hij mee bezig was. 

Lichtbaken (19)

  

Ik herinner mij nog altijd het moment dat mijn leraar me op de karikatuur wees. Ik moet een jaar of 15 zijn geweest. Hij had gezien dat ik in een doodlopend straatje was terechtgekomen en greep in. Je tekent uitstekend, zei hij, maar het blijft allemaal nogal braaf, er ontbreekt ‘leven’ aan. Je zou eens moeten proberen om het specifieke van iemand naar voor te halen, zoals dat in een karikatuur gebeurt. En hij tekende een vierkant, een cirkel en een driehoek waarin hij vervolgens een gezicht tekende: drie smiley’s avant la lettre. Snap je? zei hij. Ik snapte het. Meer hoefde hij niet te vertellen. Vanaf dat moment begon ik karikaturen te tekenen met een hartstocht waarvan hij later (monkelend) zou zeggen: had ik dát geweten …! Het was alsof hij olie had aangeboord: het spoot eruit, er was geen tegenhouden aan. Maar het werkte: door karikaturen te tekenen ontwikkelde ik de beweeglijkheid, de levendigheid en de expressiekracht die in mijn ‘ernstige’ tekeningen ontbraken. Tekenen werd een spel, en de brandstof was … pure vernietigingskracht. Uit de diepten van mijn wil kwam iets naar boven dat zwart was als de nacht.  

Ik nam het mensen vreselijk kwalijk dat ze zo lelijk waren, dat ze zo diep ‘gevallen’ waren (uiterlijk gezien dan). Mijn autistische bewustzijn bevond zich meer buiten dan in mijn lichaam en daardoor had ik een sterkere beleving van het Ik (van anderen) dan normaal. Volgens Rudolf Steiner leeft het Ik immers niet in maar rondom de mens. Zonder het te beseffen, werd ik het enorme verschil gewaar tussen het geestelijke wezen van de mens en diens fysieke verschijning. En die tegenstelling kon ik niet verteren. Ze een diepe weerzin in me , een woede waarvan ik me niet bewust was en die ik instinctief onderdrukte. Samen met die woede onderdrukte ik echter ook mezelf: ik kon niet zijn wie ik was, ik wist niet eens wie ik was. Door karikaturen te tekenen werd die ban gebroken: ik had een manier gevonden om uiting te geven aan mijn weerzin en tegelijk ook aan mezelf. In mijn tekeningen kon ik mijn afschuw botvieren want ze werd in toom gehouden door mijn tekentechniek. Dat moest wel, want het had geen zin om mensen af te beelden als monsters als ze niet op die monsters leken. 

Wat ik wilde, was mensen confronteren met hun dubbelganger en dat lukte alleen als ze er zichzelf in herkenden. Het was niet moeilijk om monsters te tekenen, maar dubbelgangers werden het pas als mensen niet anders konden dan toegeven: ja, dat ben ik! En dat was precies wat ik beoogde. Ik wilde hen als het ware dwingen hun ‘gevallen’ toestand onder ogen te zien. Of juister: mijn eigen dubbelganger wilde dat. Hij was het die mensen in het stof wilde zien kruipen en erkennen dat ze afzichtelijke wezens waren. Maar ik hield hem in toom. Ik gebruikte mijn tekeningen nooit om mensen te vernederen of te choqueren. Ik tekende hen stiekem en liet het resultaat alleen zien als ze erom vroegen. Ik was me maar al te zeer bewust van mijn eigen aandeel in de zaak: als ik mensen (een glimp van) hún dubbelganger liet zien, liet ik hen tegelijk ook de mijne zien, en daar schaamde ik me voor. Maar het belette me niet om – in mijn eentje – volop te genieten van het ‘vernietigen’ van mensen, van het uitoefenen van macht over hun Ik (waar ik me, als autist, zo zwaar door geïntimideerd voelde).

Ik gaf mijn dubbelganger dus de vrije teugel. Hij kon – binnen de grenzen van mijn tekening – razen en tekeer gaan zoveel hij wilde. Ik legde hem geen strobreed in de weg. Dit botvieren van mijn laagste driften was echter niet de reden waarom ik karikaturen tekende. Het was slechts een middel om mijn doel te bereiken, en dat was: betere tekeningen maken. Dat is trouwens altijd het doel van de kunstenaar: beter worden. Wie niet langer probeert beter te worden, houdt op kunstenaar te zijn. Hij houdt ook op mens te zijn, want is dit onophoudelijke streven om zich te verbeteren niet juist wat een mens tot mens maakt? Toen enkele jongeren ooit aan Rudolf Steiner vroegen wat ze hic et nunc konden doen, antwoordde hij: doe wat je doet, en probeer het beter te doen! Bondiger heeft hij het (kunstzinnige) wezen van de antroposofie nooit uitgedrukt. De antroposofie is geen doel op zich, ze is slechts een middel om beter mens te worden. En centraal in dat middel staat momenteel de confrontatie met de dubbelganger, de omgang met het kwaad. Dat is de grote opgave van de mens van deze tijd.

Je zou dan ook kunnen zeggen dat de hele antroposofie niets anders is dan een voorbereiding op deze confrontatie met het kwaad, een voorbereiding op de beslissende geestelijke strijd die vandaag aan de gang is en het hele wereldgebeuren bepaalt. Rudolf Steiner vertelde aan het eind van zijn leven dat de hele antroposofische arbeid niets anders was dan een voorbereiding op het eind van de 20ste eeuw. Dan zouden, zei hij, de grote platonici voor het eerst sinds eeuwen weer op aarde zijn en moesten ze samenwerken met de aristotelische antroposofen. Wat hij er niet bij vertelde (maar wat je uit andere uitspraken kon opmaken) was dat op datzelfde moment het Beest uit de duistere diepten van de aarde zou oprijzen. De confrontatie met dit apocalyptische kwaad zou de mens alleen aankunnen als hij erop voorbereid was en daarvoor moest de antroposofie zorgen. Het kloppende hart van die voorbereiding was de samenwerking tussen oude en jonge zielen, tussen platonici en aristotelici. Zij moest het kader vormen waarbinnen het Beest zijn duivels kon ontbinden zonder (al te) veel schade aan te richten.

Toen ik karikaturen begon tekenen, ging ik de confrontatie aan met het beest in mezelf. Ik was daar goed op voorbereid want ik had leren tekenen onder leiding van een man die met zijn nuchtere, bijna wetenschappelijke aanpak zowat de tegenpool was van de dromerige oude ziel die ik zelf was. Zijn ‘aristotelische’ manier van werken was me vreemd, maar ik gedijde in de sfeer van helderheid en vrijheid die in zijn klas heerste. Binnen het strikte kader dat hij creërde liet hij me vrij mijn gang gaan en toen hij merkte dat er verstarring optrad, stimuleerde hij mijn Spieltrieb door me op de karikatuur te wijzen. Dat hij tevens duistere krachten in me aanboorde, kon hij niet vermoeden. Hij deed alleen wat noodzakelijk was om van mij een betere tekenaar te maken. Daar ging het om, de rest was niet belangrijk. In de kunst wordt alles ondergeschikt gemaakt aan de kunst, ook duistere krachten van het kwaad. De kunst gebruikt alles wat ze aantreft – zowel wat onder de luciferische Formtrieb valt als wat onder de ahrimaanse Stofftrieb valt – en zelf laat ze zich nergens door gebruiken. 

De vormkrachten die ik aan de academie ontwikkeld had (door nauwgezet en gedisciplineerd dode vormen te tekenen) bleken bestand tegen het geweld van de vernietigingskrachten die in me ‘ontketend’ werden: de ‘monsters’ die ik tekende waren gelijkend. De ontketende vernietigingskrachten spoorden me op hun beurt aan om mijn vormkrachten verder te ontwikkelen, want hoe meer ruimte die duistere krachten kregen, des te sterker werden ze. Er school – zeker voor een autist – een intens genot in het gevoel van macht dat de karikatuur me verleende, en daar wilde ik steeds meer van: alle Lust will Ewigkeit, tiefe, tiefe Ewigkeit. Op die manier – door het (gecontroleerde) wisselspel tussen Lucifer en Ahriman – werden mijn karikaturen langzaam beter, werd ik een betere tekenaar. Hoewel het hard werk bleef – ik kreeg er altijd grote honger van – werd tekenen steeds meer een spel. En zo hoort het ook: kunst is in wezen een spel, een ernstig spel. Uiteindelijk ging het om de kunstzinnige kwaliteit van mijn karikaturen. De vreugde die ik daaraan beleefde deed het genot van macht en vernietiging verbleken. 

Dit streven naar (de vreugde van de) verbetering bracht ongemerkt een transformatie op gang. Door de jarenlange ‘training’ werden mijn vormkrachten sterk en beweeglijk genoeg om op een gegeven moment de stap te zetten naar het tekenen (van karikaturen) om den brode. Dat diende in het openbaar te gebeuren want ik had (en heb) er een ontzettende hekel aan om naar foto’s te werken. Ik moest me dus blootstellen aan de oordelende blikken (of woorden) van de omstaanders, en dat waren opnieuw ‘vernietigende’ krachten. Maar ik bleek ertegen bestand (en voor een autist wil dat heel wat zeggen). Terwijl mijn vormkrachten opschoven in de richting van het spel, deden mijn vernietigingskrachten precies hetzelfde. Mede door het feit dat ik alleen mensen tekende die dat echt wilden en alles dus in een sfeer van vrijheid plaatsvond, verloor mijn dubbelganger (en ook die van mijn model) zijn grimmigheid en kreeg hij amusementswaarde. Men moest er hartelijk om lachen, zoals men ook moet lachen om een klein kind dat zich verschrikkelijk kwaad maakt en wiens engelengezicht verandert in een duivelstronie. 

Noch ikzelf noch de toeschouwers beseften dat door het zichtbaar maken van het dierlijke-in-de-mens ook het geestelijke-in-de-mens zichtbaar wordt en een sfeer van kinderlijke onschuld verspreidt. Die onschuld ontwapent de dubbelganger en maakt hem tot een bron van vreugde. Hoe reëel die ‘ontwapening’ van mijn vernietigingskrachten was, ondervond ik toen kinderen mij om een karikatuur begonnen te vragen. Aanvankelijk weigerde ik dat. Zoiets deed je niet, vond ik. Je bracht het onschuldige wezen van een kind niet in contact met het monsterlijke wezen van de dubbelganger. Bovendien was het, louter tekenkundig, heel moeilijk om niet te zeggen onmogelijk, om de zachtheid van een kindergezicht te bewaren als je er een karikatuur van maakte. Karikaturen verdierlijken én verouderen de mens. Een kind houdt op een kind te zijn als je er een karikatuur van tekent. Was dat niet juist wat me zo kwelde: dat het engelachtige Ik-wezen van de mens ‘viel’ en harde, dierlijke trekken kreeg? En nu zou ik die ‘zondeval’ zelf tot stand brengen? Nee, dat wilde ik niet.

Maar dat was zonder de kinderen gerekend. Ze bleven aandringen. Wil je dan niet liever een gewoon portret? vroeg ik hen. Neenee, het moest zo’n tekening zijn – ze konden het woord ‘karikatuur’ niet eens uitspreken. Tegen kinderen is geen kruid gewassen en dus gaf ik toe: ik begon karikaturen van kinderen te tekenen. Daarmee voorzag ik duidelijk in een behoefte, want algauw zag ik me op feestjes, kermissen, markten en andere plaatsen waar ik mijn kunsten vertoonde, omringd door kinderen die getekend wilden worden en geduldig hun beurt afwachtten, desnoods urenlang. Ik stond ervan te kijken hoe stil en rustig ze waren. Het was alsof deze woelwaters voelden dat er iets bijzonders te gebeuren stond. En eigenlijk was dat ook zo. Als ik een kind tekende, zag ik – of voelde ik – hun Ik tevoorschijn komen als een bloem die openbloeide. Dat was tenminste de indruk die deze ‘bovenzintuiglijke waarneming’ op me maakte. Ik zag dat ook wel bij volwassenen, maar in veel, veel mindere mate. Het was een wonderlijk gebeuren dat me diep ontroerde en dat (af te lezen aan hun gedrag) ook door de kinderen zelf werd waargenomen. 

Als de karikatuur dan klaar was en ik ze toonde, knikten ze heftig maar durfden nauwelijks te kijken. Ze waren nog niet bestand tegen een confrontatie met hun dubbelganger, maar ze hadden wel behoefte aan een beeld van hun Ik. Als ze er zich sterk genoeg voor voelden – zo stelde ik mij voor – zouden ze de tekening uit de omslag halen en een blik werpen in een spiegel die ze nergens anders vonden. Want waar konden ze een waarheidsgetrouw beeld vinden van zichzelf? Wie vertelde hen wie ze werkelijk waren? Aan de ene kant werden ze verwend zoals moderne kinderen verwend worden: alsof het engeltjes waren. Aan de andere kant leerden ze op school dat de mens eigenlijk een dier is en tot duivelse dingen in staat. Hoe moesten ze die twee uitersten aan elkaar knopen? De karikatuur die ik van hen had gemaakt, zou hen – tenminste dat wilde ik graag geloven – tonen dat zoiets mogelijk is, dat de mens zowel een engel als een dier is. Dat hadden ze trouwens tijdens het tekenen reeds ondervonden: ze poseerden als engeltjes, om daarna weer te veranderen in kwajongens en -meisjes. 

De transformatie van duivel(tje) tot engel werd bewerkstelligd door mijn geconcentreerde aandacht. Dat was zeker niet de ‘liefdevolle’ (luciferische) aandacht die ze gewoon waren en evenmin het harde (ahrimaanse) oordeel waaraan ze onderworpen werden. Het was de volstrekt nuchtere, ‘technische’ aandacht voor hun zintuiglijke verschijning, met voorbijgaan aan hun engelachtige aard. Ja, met die verleidelijke engel moest ik het gevecht aangaan, want het is heel moeilijk om afstand te nemen van het kinderlijke, om je er niet aan over te geven. Zonder afstand kun je echter niemand tekenen en dus moest ik al mijn vernietigende krachten inschakelen om die afstand te creëren. Het gevecht met de (luciferische) engel bracht me echter in contact met het Ik van het kind. Het deed dat Ik (even) openbloeien, maar werkte ook in de andere richting. De voortdurende inspanning van mijn vernietigende krachten putte die krachten langzaam maar zeker uit. Door jarenlang karikaturen te tekenen van kinderen verloor ik gaandeweg de behoefte om mensen in monsters te veranderen. 

Mijn dubbelganger beet zich bij wijze van spreken zijn tanden stuk op … kinderen. Tientallen jaren had hij zijn vernietigende krachten kunnen botvieren, zonder dat ik hem ook maar één beperking – tenzij de gelijkenis – had opgelegd. En het resultaat was dat hij onschadelijk werd. Ik liet me bij het tekenen van mensen (nog altijd) volledig gaan, maar dat leverde in toenemende mate tekeningen op die nauwelijks nog karikaturen genoemd konden worden. Het waren gewoon levendige, sprekende portretten geworden. Dubbelganger en Ik waren – zowel in de tekening als in de tekenaar – samengesmolten, en in plaats dat de dubbelganger het Ik had doen ‘vallen’, had hij precies het omgekeerde gedaan: hij had zich door het Ik laten ‘verheffen’, hij had er zich dienstbaar aan gemaakt en het zijn kracht en levendigheid ter beschikking gesteld. Door me op de karikatuur te wijzen had mijn leraar destijds (ongewild) een doos van Pandora geopend. Maar hij had het omwille van de kunst gedaan, en daardoor was die doos veranderd in een schatkist waaruit ik naar believen kon putten. 

Lichtbaken (18)

  

De karikatuur doet ons lachen omdat we (zonder ons dat echt te realiseren) de discrepantie waarnemen tussen het Ik van de geportretteerde en zijn fysieke uiterlijk. Je zou het kunnen vergelijken met een peuter die zijn voetjes in de schoenen van zijn vader of moeder steekt en ermee door het huis klost. Het tafereel is onweerstaanbaar humoristisch omdat het contrast tussen die kinderlijke voetjes en die volwassen schoenen zo groot is. De vergelijking is trouwens treffender dan ze lijkt, want het Ik van de mens verhoudt zich tot diens fysieke lichaam inderdaad als een peuter tot een volwassene. Het fysieke lichaam is het oudste (en meest volmaakte) deel van het menselijk wezen, terwijl het Ik de allerjongste (en nog zeer onvolmaakte) telg is. Dit nog piepjonge Ik draagt geweldige mogelijkheden in zich (die de mens vroeger niet bezat) maar het moet die nog ontwikkelen, het moet nog een verhouding vinden tot dat veel oudere (en veel wijzere) lichaam. De karikatuur maakt deze wanverhouding tussen Ik en lichaam zichtbaar en brengt ons daardoor aan het lachen. Het is een bevrijdende lach omdat we herinnerd worden aan het feit dat we een geestelijk wezen zijn. De karikatuur doorprikt de (in wezen deprimerende) materialistische illusie dat we louter lichaam zijn. 

Maar niet iedereen kan lachen met een karikatuur. Heel wat mensen zijn er als de dood voor en willen onder geen beding getekend worden. Dat kan natuurlijk een kwestie van ijdelheid zijn – niemand wordt graag geconfronteerd met zijn tekortkomingen – maar net als bij het lachen speelt ook hier nog iets anders mee. Doordat de karikatuur een wig drijft in onze waarneming worden twee zaken zichtbaar die we anders nooit te zien krijgen: ons geestelijke wezen en ons aardse wezen. In normale omstandigheden zien we alleen hun mengvorm en daarin zijn geen van beide samenstellende delen nog terug te vinden. Dat is maar best ook, want zo aantrekkelijk als ons geestelijke wezen is, zo onaantrekkelijk is ons aardse, fysieke wezen. Het is namelijk dierlijk van aard. De karikatuur maakt dit (anders onzichtbare) dierlijke wezen zichtbaar en dat is niet meer dan logisch want dieren zijn karikaturen van mensen. Lang geleden zijn ze ontstaan uit eigenschappen die van de mens werden afgesplitst teneinde diens (nog ongeboren) Ik meer ruimte te geven. Die afgesplitste menselijke eigenschappen ontwikkelden zich tot zelfstandige wezens: de dieren. Het dierenrijk zoals we dat nu kennen, is dus een extreme uitvergroting of karikatuur van de mens.

Volgens de moderne wetenschap waren gedomesticeerde dieren (zoals we die bijvoorbeeld op een boerderij aantreffen) in oorsprong wilde dieren die in de loop der tijden door de mens getemd en dienstbaar gemaakt werden. Volgens de antroposofie is het precies omgekeerd. Paarden, koeien, schapen, enzovoort zijn dieren die nog iets bewaard hebben van hun oorspronkelijke vreedzame, aan de mens verwante aard, terwijl de andere dieren verwilderd zijn en zich ver van de mens verwijderd hebben. Als we dat verwilderde dierenrijk konden samenvatten in één enkel dier, dan zouden we een beeld hebben van het dierlijke wezen van de mens. Dat monsterlijke dier maakt deel uit van de mens, want destijds werd slechts een overmaat aan ‘dierlijkheid’ afgesplitst. Er bleef nog genoeg over om de mens parten te spelen en dat ‘overschot’ ontwikkelde zich als een schaduw, een negatief, een dubbelganger van het Ik. Hoe meer dat Ik zich losmaakte uit het geestelijke (moeder)verband, des te meer verwilderde het dierlijke dubbelgangerswezen. Goethe drukte dat lapidair uit: hoe groter geest, hoe groter beest. Het is dan ook geen toeval dat uitgerekend het meest ontwikkelde volk ter wereld – het Duitse – in de vorige eeuw ten prooi viel aan zijn dubbelganger en zich te buiten ging aan beestachtig gedrag.

Het is ook geen toeval dat diezelfde Duitsers vandaag het tegenovergestelde doen en vluchtelingen, migranten en gelukszoekers uit de hele wereld welkom heten in hun land. Dit ‘heilige’ gedrag is een spiegelbeeld van het vroegere ‘beestachtige’ gedrag (en zal waarschijnlijk al even rampzalig blijken te zijn). De Duitsers vormen met dit ‘spiegelgedrag’ trouwens geen uitzondering: meer dan ooit staat de mens voor de opgave om een gulden middenweg te vinden tussen zijn dierlijke en zijn geestelijke wezen. Het eerste is als het ware de bodem waarop hij leeft, het tweede is de kosmos die daarop inwerkt, en de mens is de ‘tuinman’ die beide in een vruchtbaar evenwicht moet houden. Maar om dat evenwicht tot stand te kunnen brengen, moet hij beide tegenspelers eerst van elkaar kunnen onderscheiden, en daar ligt het grote probleem. Niet alleen ziet de moderne, materialistische mens enkel nog hun mengvorm, hij weet ook niet meer dat het een mengvorm is. Onderscheid maken is dus het laatst van zijn gedachten, het druist in tegen zijn beleving van de werkelijkheid die hij als één (want louter materieel) en zeker niet als dubbel ervaart. Dat wordt weerspiegeld door zijn instinctieve verzet tegen alles wat de wereld verdeelt in tegenpolen. 

Dit verzet maakt de moderne mens blind voor de realiteit en dat is in de eerste plaats de realiteit van de drempeloverschrijding: de mensheid maakt weer contact met de geestelijke wereld. Ze ondergaat een inwijding en ontmoet daarbij zowel haar (hogere) geestelijke wezen als haar (lagere) dierlijke wezen. Op wereldschaal is dat geestelijke wezen Christus, het mensheids-Ik, en het dierlijke wezen is het Beest, de dubbelganger van de mensheid. De ontmoeting met deze twee (kosmische) wezens vormt de achtergrond van alles wat vandaag in de wereld gebeurt. En de tragiek is dat de moderne mens niets van deze ontmoeting af weet: ze vindt plaats in zijn onderbewuste. Als gevolg daarvan worden de krachten die van beide grote tegenpolen uitgaan niet onderscheiden en vermengen ze zich ongemerkt. Het gevolg is een toenemende chaotisering van denken, voelen en willen. We herkennen die chaos in de drie grote kwalen van onze tijd: de politieke correctheid, de islam en de hedendaagse kunst. Ze hebben met elkaar gemeen dat de mens de wereld wil redden, maar hem – door gebrek aan onderscheidingsvermogen – de afgrond in jaagt. Hij is enerzijds verblind door (het luciferische beeld van) het hogere Ik en anderzijds wendt hij de blik af van de (ahrimaanse) duisternis van de dubbelganger.

Beide vormen van blindheid – te veel licht, te veel duisternis – herkennen we in de tegengestelde reacties op de karikatuur. De lachers zien vooral het (opwekkende) Ik van de mens, maar verliezen de (dreigende) dubbelganger uit het oog. De afkerigen zien vooral het dierlijke wezen van de mens en vergeten in hun ontzetting dat de mens ook een hoger Ik heeft. Ze bekijken de karikatuur vanuit een diametraal tegenovergesteld standpunt en hebben in die zin allebei gelijk en ongelijk. Het lachen met een karikatuur heeft iets oppervlakkigs in die zin dat de lachers slechts een beeld van het hoger Ik waarnemen, een weerspiegeling ervan in het fysieke lichaam. Het plezier dat ze aan de karikatuur beleven, vormt tegelijk een scherm dat het eigenlijke geestelijke wezen van de mens aan het oog onttrekt. Het is een kortstondig luciferisch genot, een oplichten en weer uitdoven. De afkeer voor een karikatuur heeft dan weer iets ahrimaans: het is een verlammende emotie die de mens belet de dubbelganger nuchter onder ogen te zien. Beide reacties – plezier en afkeer, sympathie en antipathie – zijn gevoelsmatig en als zodanig reeds een vorm van bewustwording, maar tot de eigenlijke waarheid dringen we pas door wanneer we een ‘hoger’ standpunt innemen vanwaar we hun polariteit kunnen zien. 

Maar dan moeten we wel de confrontatie met de dubbelganger aangaan. Het is niet moeilijk om onszelf te herkennen in (het luciferische spiegelbeeld van) ons hoger Ik. We geloven maar al te graag dat we vervuld zijn van liefde en goede wil. Het is echter bijzonder moeilijk om ons ook te herkennen in het dierlijke wezen van onze dubbelganger en in te zien dat er veel meer haat dan liefde in ons leeft (volgens Rudolf Steiner wel honderd keer meer). Er bestaan in de dierenwereld heel wat monsterlijke vormen die ons doen griezelen. Maar omdat we heel goed weten dat we met die gedrochten niks te maken hebben, schuilt er ook genot in dat griezelen. In het geval van onze dubbelganger is er echter geen sprake van genot, wel integendeel. Juist omdat we niet anders kunnen dan toegeven ‘ja, dat ben ik!’, worden we diep geschokt door de ontmoeting met ons dierlijke wezen (dat we in normale omstandigheden nooit te zien krijgen). We zijn daar eigenlijk niet tegen bestand en verdringen deze ontmoeting dan ook uit alle macht. Maar ze is een realiteit, want ieder mens gaat vandaag ‘over de drempel’ en ontmoet daarbij zijn dubbelganger. We kunnen zijn bestaan (gevoelsmatig) niet ontkennen, maar we kunnen het evenmin (bewust) erkennen, en dus projecteren we onze dubbelganger buiten onszelf. 

Niets kenmerkt onze ‘drempeloverschrijdingstijd’ meer dan de vicieuze cirkels die ontstaan wanneer mensen hun dubbelganger op elkaar projecteren. Dit (onbewuste) projecteren is bijzonder besmettelijk, want wie onverhoeds het slachtoffer wordt van zo’n projectie en ervan beschuldigd wordt kwaadaardig te zijn, kan er maar moeilijk aan ontsnappen de beschuldigers op zijn beurt te verdenken van kwade wil. De ene dubbelganger maakt met andere woorden de andere wakker. En wanneer twee dubbelgangers met elkaar in de clinch raken, is de mens tot machteloosheid gedoemd want hij is niet opgewassen tegen de dierlijke kracht en sluwheid van deze schaduwwezens. De vicieuze cirkels die ze creëren omvatten niet alleen individuele mensen, maar ook groepen van mensen, volkeren, rassen en zelfs geslachten. De hele wereld wordt langzaam herschapen in één grote vicieuze cirkel, een wereldwijde draaikolk die mensheid naar beneden zuigt. Het enige wat we kunnen doen, is proberen het hoofd boven water te houden, want tegen ontketende dubbelgangers is geen kruid gewassen. We kunnen alleen proberen hen onder ogen te zien, want als we er niet in slagen tegenover onze dubbelganger te gaan staan, maakt hij ons tot slaaf en doet met ons wat hij wil. 

Onze dubbelganger maakt deel uit van ons wezen. We komen er nooit los van, want we zijn dit wilde dier. We zitten er als het ware samen mee in een kooi. Als we sterven worden we daar even uit verlost, maar als we opnieuw geboren worden, moeten we weer in de kooi. Dat is een harde waarheid, maar gelukkig hebben we de kunst om de waarheid te overleven (Nietzsche). In de kunst – zowel het maken als het bekijken – gaan we de confrontatie met de dubbelganger aan. Ja, kunst is het resultaat van die confrontatie. We maken het Ik even los van het dier-in-ons en verbinden beide opnieuw met elkaar. Het is telkens een kleine inwijding, een klein sterven-en-opnieuw-geboren-worden. Op die manier verlossen we stap voor stap onze dubbelganger en ‘domesticeren’ onze verwilderde dierlijkheid, zonder dat het rechtstreekse gevolgen heeft, want alles speelt zich af in de wereld van de beelden, in de wereld van de schijn. Die schijn is echter ware schijn: we kunnen eraan aflezen hoe we de dubbelganger moeten aanpakken, we kunnen ook beleven wat dat inhoudt. Maar dan moeten we de schijn van de kunst wel ernstig nemen en er niet alleen om lachen of huilen. Dat geldt heel in het bijzonder voor de karikatuur, die het hele proces overdrijft en daardoor zichtbaar maakt.    

Lichtbaken (17)

  

Ik vrees dat ik in de vorige afleveringen van mijn Lichtbaken-feuilleton het slachtoffer ben geworden van één van mijn ondeugden: de neiging om uit te weiden, om ieder weggetje in te slaan dat zich aandient. Daardoor ben ik de draad van mijn verhaal (een beetje) kwijtgeraakt. Ik ben in de valstrik van Ahriman getrapt: ik heb teveel toegegeven aan de zintuiglijkheid. Ik heb me verloren in details met als resultaat dat het leven uit mijn tekst verdween. Paradoxaal genoeg is die ‘doodsheid’ een gevolg van het onvermogen om te sterven. Want om de grote lijnen vast te houden, moet je ontelbare kleine lijnen negeren. Je moet telkens tegen jezelf zeggen: hier zou ik me graag in verdiepen, maar het kan niet want dan raak ik de weg kwijt. Je moet bij wijze van spreken van je hart een steen maken en dat voelt als doodgaan. Goethe zou zeggen: leven is derven, derven, derven. Je kunt daar natuurlijk ook weer in overdrijven en te streng zijn. Dan trap je in de tegenovergestelde valstrik: je geeft toe aan Lucifer, volgt keurig de hoofdweg en vermijdt alle dwaal- en zijwegen. Het resultaat is hetzelfde: doodsheid. Je kunt het vergelijken met naturalistische en abstracte kunst: ze zijn allebei dood, maar op een tegengestelde manier. In het eerste geval overweegt de ahrimaanse Stofftrieb, in het laatste de luciferische Formtrieb. Het levende of het kunstzinnige ligt echter in het midden: in de Spieltrieb die zich speels en dansend beweegt tussen beide uitersten. 

Deze Spieltrieb komt op exemplarische wijze tot uitdrukking in de karikatuur. Karikaturen tekenen is een spel: je amuseert er jezelf én anderen mee. Niemand neemt het echt ernstig, het is gewoon iets om te lachen. Maar humor en ernst sluiten elkaar niet uit, wel integendeel. Wie zei ook alweer dat je een mens zonder humor niet ernstig kunt nemen? En van Rudolf Steiner is de uitspraak dat men zonder humor de geestelijke wereld niet binnenkomt. De Spieltrieb is met andere woorden een zeer ernstige zaak. Het is dan ook geen toeval dat uitgerekend de speelse karikatuur ons confronteert met het feit dat de mens een geestelijk wezen is. Want hoe valt anders te verklaren dat iemands fysieke uiterlijk op groteske wijze vervormd wordt en hij toch herkenbaar blijft? Het feit dat hij zelfs nog herkenbaarder wordt, ‘bewijst’ dat de mens niet samenvalt met zijn fysieke lichaam. Zijn (geestelijk) Ik en zijn lichaam behoren tot twee zeer verschillende werelden. Ze vormen een extreme tegenstelling. Tegelijk luistert het zo ontzettend nauw om een gelijkend portret (en dus ook een karikatuur) te maken, dat er geen twijfel kan over bestaan dat Ik en lichaam een hechte eenheid vormen. Dat is een nog groter mysterie dan het feit dat de mens (ook) een geestelijk wezen is, want hoe kunnen twee zo tegengestelde werelden – de geestelijke en de materiële – zo naadloos samenvallen dat we maar één wereld zien? Met dat mysterie confronteert de karikatuur ons, zonder dat we het beseffen.

Ze doet dat door een wig te drijven tussen onze zintuiglijke en onze bovenzintuiglijke waarneming. In feite doet ieder kunstwerk dat, want het toont ons zowel de zintuiglijke als de bovenzintuiglijke dimensie van de werkelijkheid. Een (echt) kunstwerk is nooit een loutere kopie van de zichtbare werkelijkheid, ook al lijkt het dat soms te zijn. Het volstaat om het naast een modern hyperrealistisch werk te leggen en het verschil springt in het oog. Zo’n fotografische kopie is ‘dood’ en wekt bij de kijker een gevoel van afkeer op, tenminste wanneer hij nog enig gevoel voor kunst heeft. En dat is steeds minder het geval: de moderne kijker kan dat mysterieuze samengaan van zintuiglijk en bovenzintuiglijk – dat verantwoordelijk is voor het ‘leven’ van een kunstwerk – nauwelijks nog waarnemen. Ofwel laat hij zich om de tuin leiden door het zintuiglijke (of figuratieve) aspect, ofwel door het bovenzintuiglijke aspect (de abstracte ideeën die met het kunstwerk verbonden worden), maar voor het wezenlijk kunstzinnige, dat juist in die coïncidentia oppositorum ligt, is hij in hoge mate blind geworden. Dat bewijst het succes van de hedendaagse kunst, waar het samenvallen van de tegenpolen schittert door zijn afwezigheid, een afwezigheid die niet eens opgemerkt wordt. Een en ander is natuurlijk een gevolg van het materialisme. Aangezien (de moderne mens ervan overtuigd is dat) de geest niet bestaat, kan hij niet samenvallen met de materie en er bijgevolg ook niet van onderscheiden worden. 

Om deze materialistische muur – deze blindheid voor het onderscheid tussen geest en materie – te doorbreken, is er in toenemende mate geweld nodig. De karikatuur gebruikt dat geweld, of beter: ze overdrijft het. Want iedere kunstenaar gebruikt in wezen ‘geweld’ wanneer hij het zintuiglijke van het bovenzintuiglijke scheidt door de geest uit zijn onderwerp haalt en het dus te ‘doden’. Daarna brengt hij het weer tot leven door beide ‘delen’ samen te voegen alsof er niets gebeurd was. Er is echter wel degelijk iets gebeurd: de ‘geweldpleging’ heeft de geest in de materie (een beetje) zichtbaar(der) gemaakt. Zoals gezegd moet men daar oog voor hebben: men moet als kijker hetzelfde proces van Stirb und Werde kunnen of willen doorlopen. En daar wringt het schoentje: de moderne mens is niet meer bereid om te sterven. Zijn hele zijn is zo sterk verweven met het zintuiglijke leven dat hij er zich niet meer kan of wil van losmaken. Ahriman heeft hem stevig in zijn greep. Hij belet de mens nochtans niet om spiritueel te zijn, integendeel. Zolang er maar geen verband is tussen geest en materie, zolang het spirituele maar abstract en luciferisch blijft, zolang er niet hoeft ‘gestorven’ te worden tussen beide tegenpolen. Daarom is de hedendaagse kunst zo’n onweerstaanbare verleiding: ze stelt de moderne mens in staat om zich spiritueel en kunstzinnig te wanen zonder een greintje pijn, zonder dat hij zichzelf geweld moet aandoen, zonder dat hij zijn zintuiglijke verslaving moet overwinnen.  

De karikatuur daarentegen helpt de verslaafde mens. Ze maakt het ‘geweld’ duidelijk zichtbaar en brengt daardoor ook bij de kijker het ‘sterven’ op gang dat wezenlijk is voor iedere kunstbeleving of -beoefening. Het onderscheid tussen geest (het Ik) en materie (het fysieke uiterlijk) valt in een karikatuur namelijk niet te ontkennen, de kijker hoeft de geportretteerde niet eens te kennen. Maar vreemd genoeg wekt dit gewelddadige uit-elkaar-trekken van geest en materie bij de kijker geen afweerreactie op en sluit hij er zich innerlijk niet voor af teneinde de pijn van het sterven te ontlopen. Nee, hij … barst in lachen uit, hij beleeft plezier aan dit geweld. Op een speelse, onnadrukkelijke manier brengt de karikatuur hem in contact met het mysterie van het Ik, dat tegelijk ook het mysterie van de kunst is, want de activiteit van het menselijke Ik is scheiden en verbinden, Stirb und Werde. In de karikatuur gebeurt dat spelenderwijs: vóórdat de kijker beseft wat er gebeurt, heeft hij zijn vrees voor het sterven overwonnen en beleeft hij de vreugde van het verrijzen. Die vrees voor het sterven is tegelijk ook de vrees voor de geest, en de vreugde van het verrijzen is tegelijk de vreugde van de geest. De paradox is inderdaad dat de moderne mens vreselijk bang is voor datgene wat hem de grootste vreugde bereidt: de geest. Want tussen hem en de geest staat de dood, staat het sterven, staat Ahriman. 

Ik ben geen kunsthistoricus, maar ik maak me sterk dat de karikatuur samen met het materialisme is opgedoken in de kunst, als een soort geneesmiddel dat de ziekte vergezelt. Vandaag maken we iets vergelijkbaars mee met de stand up comedians die overal als paddestoelen uit de grond schieten. Hun humor wordt mogelijk gemaakt door de afstand die het materialisme schept, maar tegelijk is hij ook een remedie voor die afstandelijkheid: hij maakt de kwellingen ervan draaglijk. Humor doet ons een ogenblik lang de vreugde beleven van het overstijgen van de kloof tussen geest en materie. Hij verbindt beide tegenpolen op een hoger (want bewuster) niveau, en hij doet dat niet alleen in de karikatuur (of het vertellen van moppen), maar in de kunst tout court. Volgens Rudolf Steiner wordt het artistieke proces van doden en weer tot leven wekken voltrokken door middel van humor. De kunstenaar, schrijft hij, moet in staat zijn zoveel humor op te brengen dat hij weer tot leven brengt wat hij eerst gedood heeft. De (vele ‘lijken’ producerende) naturalistische kunst lijdt in zijn ogen dan ook aan gebrek aan humor. Steiner gebruikt de term ‘humor’ met andere woorden om de kracht aan te duiden waarmee de kunstenaar het dode weer tot leven wekt. En het gebrek aan humor noemt hij een ziekte. Dat is, me dunkt, niet niks. Het zou ons moeten doen nadenken over de rol die de humor speelt, want hij is de (kunstzinnige) remedie bij uitstek waarmee we de ziekte van het materialisme kunnen genezen. 

Achter het lachen waarin de karikatuur ons doet uitbarsten, gaat dus een hele wereld schuil, een bevrijdende, levenwekkende wereld die we wel spontaan beleven, maar waar we ons niet bewust van zijn. We staan immers nooit stil bij dit ludieke randverschijnsel uit de wereld van de kunst. Zelf heb ik dat ook nooit gedaan, hoewel ik een half leven lang karikaturen getekend heb. Het plezier dat je daaraan beleeft (en ook anderen doet beleven) heeft aan zichzelf genoeg. De vreugde die je aan kunst beleeft hoeft niet verklaard te worden, tenzij … deze kunst dreigt te verdwijnen. Want de kloof die het materialisme slaat tussen geest en materie wordt steeds groter. Ze ontstaat nu ook tussen de mens en zijn kunst, en ze vraagt dringender dan ooit om overbrugd te worden, want de kunst is ons laatste echte contact met de wereld van de geest. Ik zou zelf nooit over de karikatuur zijn gaan nadenken als ik niet zo direct met die kloof was geconfronteerd, als ik niet aan den lijve had ondervonden hoe de (materiële en materialistische) omstandigheden mij het tekenen van karikaturen onmogelijk hebben gemaakt. Ik heb uitvoerig beschreven hoe daar enkele jaren geleden in Brugge brutaal een eind werd aan gemaakt en hoe ik dat ervaren heb als een pijnlijk sterven. Ik had werkelijk geen idee waarom datgene wat ik het liefst deed – mensen tekenen – uit mijn leven moest verdwijnen. Pas toen ik uitgenodigd werd op de Lichtbaken-conferentie in Antwerpen (en daar werd voorgesteld als karikaturist) begon me iets te dagen. 

Het feit dat ik niet langer karikaturen kan tekenen, is geen louter persoonlijke ervaring. De karikatuur is nagenoeg verdwenen uit onze cultuur. Vroeger verschenen in kranten en tijdschriften regelmatig karikaturen van politici en andere bekende figuren. Het mooiste voorbeeld zijn ongetwijfeld de karikaturen van David Levine, die zijn leven lang voor de New York Times heeft getekend. In De Standaard heeft nog een tijdje een epigoon van hem getekend (Julius), maar dat is alweer jaren geleden. Ik kan me niet herinneren sindsdien nog een echte karikatuur in krant of tijdschrift te hebben gezien. Het genre is als het ware opgeslokt door de kartoen. De meeste mensen denken dan ook niet aan portretten wanneer het over karikaturen gaat, maar aan striptekeningen. En daarin is het beeld niet meer dan een illustratie bij een grappig idee. Het slaat niet langer de brug naar de geest of de levende idee (zoals in een karikatuur), want het is ondergeschikt gemaakt aan een dode, abstracte idee. Het beeld is ‘geïslamiseerd’ zou je kunnen zeggen: zijn ‘vorm van de (levende) idee’ wordt verborgen onder de chadors, hijabs en boerka’s van de dode idee. Zo groot is de macht van Ahriman dat niet alleen de woorden maar ook de beelden ontdaan worden van hun geestelijke dimensie. De onderwerping van de karikatuur aan de kartoen is daar een sprekend voorbeeld van. Het is een alarmerend verschijnsel, want het weerspiegelt de dreigende ‘ontgeestelijking’ van de mens. 

Toen ik in Brugge onverwacht tegen een ‘muur’ aanbotste, betekende dat het einde van mijn artistieke activiteit. Nu heb ik altijd gedacht: als ik niet meer kan tekenen, ga ik dood. En zo beleefde ik het inderdaad. Een paar jaar later volgde dan – al even onverwacht – de vraag om op de Lichtbaken-conferentie te komen spreken. Ik heb dat geïnterpreteerd als een vraag om de karikatuur op een hoger vlak te tillen, om van potloodlijnen begrippen te maken en mij op die manier bewust worden van haar genezende krachten, van het Stirb und Werde dat ze op zo’n speelse en humoristische manier in beeld en praktijk brengt. Wat ik vroeger onbewust beleefde tijdens het tekenen van talloze karikaturen, beleef ik nu een stuk bewuster tijdens deze (nogal dramatische) fase in mijn leven. Ik onderga de metamorfose van een proces dat zich eerst alleen op artistiek gebied afspeelde, maar dat zich nu verruimt tot mijn hele leven. Nog altijd ben ik sterk doordrongen van het ‘sterven’ – Brugge heeft zich diep in mijn ziel gegrift – maar het feit dat ik nu in Scheldewindeke woon en daar tijdens een zeldzaam mooie lente al vele dagen in de tuin heb gewerkt, is als een uiterlijk beeld van de opstandingskrachten die aan het werk zijn. Misschien maak ik het nog mee dat ik mijn hele leven als een karikatuur leer zien en dat ik er hartelijk kan om lachen – maar dat zal nog niet voor morgen zijn. 

Kruis en Zoon

  

Dit is een Paastekening van Vadim, kleinzoon van lezeres Tientje Huismans die vermoedt dat hij de betekenis van kruis en zoon goed heeft aangevoeld. Als mens geïncarneerd zijn, schrijft ze, is met geest en ziel gekruisigd zijn aan het vlees, het fysieke lichaam, met alle gevolgen vandien.