Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Vakantielectuur

  

Ieder jaar verschijnt in juni de nieuwe Donna Leon. Al 25 jaar houdt de in Venetië wonende Amerikaanse schrijfster – Donna Leon is merkwaardig genoeg haar echte naam – dat vol. Ik ben haar daar dankbaar voor, want de avonturen van commissario Brunetti behoren tot mijn favoriete vakantielectuur. Avonturen is een groot woord, veel actie of spanning valt er in haar boeken niet te bespeuren. Eigenlijk zijn ze één lang bezoek aan Venetië, onder leiding van iemand die al zowat een halve eeuw in de stad woont en er geen geheim van maakt dat ze dat een voorrecht vindt. Dat laatste kan ik me overigens levendig voorstellen: ik zou het ook een voorrecht vinden om in dat andere Venetië – Brugge – te wonen. Voortdurend omringd te zijn door schoonheid, wat een droom! De toeristen moet je er natuurlijk bijnemen. Dat doet Donna Leon ook, al sakkert ze er bij monde van haar hoofdpersonage wel eens op. Maar ze is te verstandig om niet te beseffen dat die toeristen een soort levensverzekering vormen voor de stad. 

De inwoners van Brugge zijn zo verstandig niet. Het is me meer dan eens opgevallen hoe kregelig ze reageren op de toeristen. Ik kan begrijpen dat de drukte hen wel eens teveel wordt, maar ik had meer van hen verwacht. Uit de les vaderlandse geschiedenis herinner ik me nog dat Jacques de Chatillon, de Franse landvoogd van Vlaanderen, tijdens zijn intocht groen zag van nijd omdat de Brugse vrouwen rijker uitgedost waren dan de adellijke dames in zijn gevolg. De Bruggelingen uit de 14de eeuw wisten hoe ze een buitenlander op zijn nummer moesten zetten. Bovendien paarden ze kracht aan schoonheid: een paar maanden later zou de Chatillon sneuvelen tijdens de Guldensporenslag, toen de Vlamingen de Franse adel in de pan hakten. Dat waren nog eens tijden! Vandaag blijft van ‘der vaadren fierheid’ alleen nog een soort verongelijkte kregeligheid over die noch van kracht noch van schoonheid getuigt. Alleen de rijkdom is er nog – of beter gezegd opnieuw – want het toerisme heeft Brugge geen windeiereren gelegd. 

In de boeken van Donna Leon gaat het er gelukkig een stuk beschaafder aan toe. Commissario Brunetti getuigt zonder schaamte van zijn liefde voor Venetië en neemt de schaduwkanten op de koop toe. Hij is dan ook een ontwikkeld man, met oog voor schoonheid. Regelmatig staat hij stil om een kerkgevel te bewonderen, een palazzo, of het uitzicht op het Canal Grande. In zijn keuken (!) hangt zelfs een echte Canaletto, een huwelijksgeschenk van zijn adellijke schoonouders. Over de biënnale van Venetië, de wereldberoemde hoogmis van de hedendaagse kunst, rept hij dan weer met geen woord. Ook dat getuigt van beschaving. Toch sluit Donna Leon zich niet op in het verleden. Hedendaagse problemen komen in haar boeken wel degelijk aan bod, zowel tijdens de onderzoeken van Brunetti als tijdens de tafelgesprekken die hij voert met zijn kritische kinderen en zijn sociaal bewogen vrouw. Toch is het Venetië dat Donna Leon schetst in de eerste plaats een oase van schoonheid en cultuur. 

Ik vind het zalig om die oase te kunnen bezoeken zonder uit mijn luie zetel te komen. Ik wilde dat ik hetzelfde kon met Brugge, maar Pieter Aspe, de Vlaamse tegenhanger van Donna Leon, laat me in de steek. Zijn boeken spelen zich wel af in Brugge, maar afgezien van enkele bekende straatnamen en gebouwen, zou je je in gelijk welke andere Vlaamse provinciestad kunnen wanen. Commissaris Van In heeft helemaal geen oog voor de schoonheid van Brugge. Hij denkt alleen maar aan de borsten en billen van zijn vrouw, en aan zijn Duvel. Pieter Aspe maakt van hem een soort Pallieter, een Lamme Goedzak, een karikaturale Vlaming die wel slim is maar wiens geestloosheid blijkt uit zijn snobisme: exclusieve wijnen, exclusieve restaurants, exclusief design en andere peperdure dingen-met-een-naam moeten de lezer duidelijk maken dat hij met een man van de wereld te maken heeft en niet met een kneuterige kerktoren-Vlaming die van Brugge en Bokrijk houdt.  

Natuurlijk is juist die geblaseerde onverschilligheid voor de schoonheid van Brugge een uiting van provincialisme. En Pieter Aspe is helaas niet de enige Vlaming die zich zo klein betoont. Ook Jef Geeraerts besteedt in zijn politieromans nauwelijks aandacht aan Antwerpen, toch ook een stad met een groot verleden. De verfilming van zijn boeken lijdt aan hetzelfde euvel. Ik zag ooit ‘De zaak Alzheimer’, een best genietbare film, maar van Antwerpen: geen spoor. Idem voor ‘Aspe’, de op de boeken van Pieter Aspe gebaseerde tv-serie. Niet één keer komt de Rozenhoedkaai in beeld, niet één keer de Halletoren, niet één keer het begijnhof. Niets krijgt de kijker te zien van het typische Brugge, zelfs geen zwaan. Nu zou men kunnen zeggen: filmen in steden als Antwerpen en Brugge is geen sinecure, het vergt een groot budget en dat heeft de Vlaamse televisie niet. Maar wat kosten enkele sfeerbeelden? En waarom kon het bijvoorbeeld wel in ‘Flikken’, de tv-serie die zich in Gent afspeelt?

Wat ‘Flikken’ zo geslaagd maakte, was juist het feit dat Gent mocht meespelen, als decor, als sfeer, als taal, als … geest. Daar! Het grote woord is eruit! Het provincialisme van de Vlaming die zich schaamt voor Vlaanderen is een vorm van geestelijke armoede, een uiting van materialisme. Waar hij zich voor schaamt, is de Vlaamse geest. Niet de dode, abstracte geest die iedereen in hetzelfde keurslijf dwingt, maar de levende geest die zich uitdrukt in talloze vormen: Franse, Duitse, Engelse, Vlaamse, Brugse, Antwerpse, Gentse, enzovoort. Door neer te kijken op de Vlaamse geest denkt de snobistische Vlaming – de Vlaming zonder geestelijke adel – deel te hebben aan een hogere, Europese of zelfs universele geest. Maar ook hier geldt het spreekwoord: wie het kleine niet eert, is het grote niet weerd. De geest is één, het grote spreekt door het kleine, God verbergt zich in de details. Wie de Vlaamse geest versmaadt, versmaadt ook de Europese geest en de wereldgeest.

‘Flikken’ was goed zolang het volks, Vlaams en Gents bleef. In de eerste afleveringen spraken de acteurs ‘keurig’ Nederlands maar daar stapten ze gelukkig gauw vanaf. In de latere seizoenen ging de serie de internationale toer op en dat betekende het begin van het einde. Het was pijnlijk om te zien hoe de Gentse flikken krampachtig probeerden wereldburgers te zijn en precies daardoor hun provincialisme in de verf zetten. Vergelijk dat met Inspector Morse, een serie van wereldklasse, en toch very British. Ze pakte als vanzelfsprekend uit met de toeristische aantrekkelijkheden van Oxford, iets waar Vlaamse filmmakers de neus voor ophalen. Je ziet het telkens weer: internationale successen gaan hand in hand met liefde voor het eigen volk, de eigen taal, de eigen stad. Niets is zo universeel als het eigene. Succes is weliswaar niet hetzelfde als kwaliteit, maar het is zeker geen toeval dat Donna Leon, met haar onverholen liefde voor Venetië, een betere schrijfster is dan Pieter Aspe, met zijn verholen minachting voor Brugge. 

Advertenties

In Flanders fields

  

Helen Mirren schittert bij herdenking van Slag bij Passendale. Zo stond het gisteren in de krant. Vreemde titel vond ik dat. Alsof het bij de herdenking van een van de bloedigste veldslagen uit de geschiedenis vooral ging om de acteerprestaties van de herdenkenden. Ik besloot de bijgaande video eens te bekijken en zag hoe een ravissante Helen Mirren het beroemde oorlogsgedicht In Fanders Fields op bijna triomfantelijke toon voordroeg. Wat ik verder nog zag of las bevestigde die indruk: de herdenking was vooral een viering van de overwinning. Ieper werd overstroomd door Engelsen. Van Duitsers was er geen spoor te bekennen. Nochtans waren zij de grote verliezers, die door het perfide Albion in deze verschrikkelijke oorlog werden gelokt.

In een tijd waarin men de mond vol heeft van gelijkheid, solidariteit, de Europese gedachte en ‘nooit meer oorlog’, zou je toch denken dat de herdenking van de Slag bij Passendale een gelegenheid was om vrede te sluiten, fouten te erkennen en stil te staan bij het lijden dat het nationalisme veroorzaakt heeft. Maar neen, de Britten maakten er een Britse vertoning van, met als hoogtepunt een Britse actrice die een Brits gedicht voordroeg. Je zou denken dat Helen Mirren, een actrice, iemand met invoelingsvermogen dus, een beetje terughoudendheid en ingetogenheid aan de dag zou leggen. Maar neen, ze gaf uiting aan het Britse triomfantalisme alsof 1917 gisteren was. En dat is tegelijk beschamend en verontrustend. 
 

Lichtbaken (epiloog)

  

Als het niet zo ernstig klonk, zou ik zeggen: het is volbracht. Eindelijk is mijn verslag van de Lichtbaken-conferentie klaar. Dat het zolang geduurd heeft, is te wijten aan mijn nieuwe tuin die me de voorbije lente zowat iedere dag opeiste, maar ook – en vooral – aan het feit dat het om méér ging dan een verslaggeving van (mijn aandeel in) de conferentie. Ik was, zonder dat aanvankelijk te beseffen, bezig met het afronden van het werk van een heel leven. Die ‘afronding’ begon toen ik uitgenodigd werd op de Lichtbaken-conferentie en nam een heel jaar in beslag. In dat jaar – waarin ik ook verhuisde – kwam ik stap voor stap tot een synthese van zowat een halve eeuw nadenken. De cirkel is, hoewel verre van volmaakt, rond. En dat zou me nooit gelukt zijn zonder de steun van wat ik ‘de geest van de conferentie’ noem, een geest die ik als zeer reëel heb ervaren. Hij hielp me de zaak tot een goed einde te brengen en gaf me daardoor de erkenning waarop ik niet meer hoopte. 

Waarover heb ik m’n hele leven nagedacht? Over kunst uiteraard, over datgene wat het allerbelangrijkste voor me is. Daar ben ik niet uit eigen beweging mee begonnen. Ik heb het gedaan omdat de kunst aangevallen werd. Mijn denken was een poging om haar te verdedigen tegen datgene wat zich hedendaagse kunst noemde. Dat is wat me van meet af aan gedreven heeft. In de praktijk kon ik niks doen. Achter haar masker van vrijheid en verdraagzaamheid ontplooide de hedendaagse kunst zo’n verpletterende macht dat het zelfmoord was je daartegen te verzetten. Ik kwam aanvankelijk dan ook niet verder dan machteloze verontwaardiging. Daar werd ik alleen maar ziek van en dus zat er niets anders op dan te proberen de hele situatie te begrijpen. Op een andere manier kon ik de kunst niet helpen, op een andere manier kon ik ook mezelf niet helpen. Dat is de reden waarom ik ben beginnen nadenken over kunst: omdat ik me ertoe gedwongen voelde.     

Zonder de hedendaagse kunst zou mijn leven er heel anders hebben uitgezien. Ik zou mijn dagen gevuld hebben met tekenen en schilderen, niet met schrijven en nadenken. Ik zou nu een gerespecteerd lid zijn van de artistieke gemeenschap en niet een anonieme blogger zoals er duizenden zijn. Ik zou in lijnen en kleuren getuigd hebben van mijn grenzeloze bewondering voor het kunstwerk dat de wereld is, in plaats van verwikkeld te zijn in een vaak wanhopige en altijd eenzame strijd. Want medestanders heb ik nooit gevonden, tegenstanders des te meer. In de ogen van de meeste mensen ben ik een soort Don Quichote, een deels meelijwekkende deels ergerlijke figuur die tegen windmolens vecht. Ik werd dan ook voortdurend geconfronteerde met de vraag: ben ik nu gek of zijn het de anderen die hun verstand verloren hebben? Die vraag vergde het uiterste van mij, want hoe groot was de kans dat ik gelijk had en al die anderen ongelijk? 

Tijdens die (geestelijke) strijd heb ik vaak de moed verloren, maar nooit heb ik echt getwijfeld aan de zaak waarvoor ik vocht. Ik was verbijsterd dat ik die strijd überhaupt moest voeren, want wie kon nu geloven dat het uitkieperen van een vuilnisbak op hetzelfde (of zelfs een hoger) artistiek niveau stond als het maken van een meesterlijk schilderij! En toch geloofden ze het allemaal, al die kunstliefhebbers, al die kunstkenners, al die wetenschappers. Slechts bij hoge uitzondering klonk er een woord van kritiek, maar dat werd onmiddellijk overstemd door dat duizendkoppige koor van gelovigen. Ik had het gevoel in een soort onderwereld te zijn terecht gekomen, een Orwelliaanse nachtmerrie waar leugen waarheid was, lelijkheid schoonheid, en blind geloof wetenschap. Het was – en is nog altijd – om gek van te worden. Daarom deed het me zo’n deugd om erkenning te krijgen van de geest van de Lichtbaken-conferentie, want hij zou me nooit gesteund hebben als ik de verkeerde strijd had gestreden. 

Wie was nu die geest van de Lichtbaken-conferentie, de geest die meewerkte aan de herdenking van 1917, het jaar waarin de apocalyps losbarstte, het jaar ook waarin de hedendaagse kunst geboren werd? Wel, dat vertelde hij me zelf, niet met woorden – het is een zwijgzame geest – maar met beelden, en dan vooral met één beeld. Toen ik op zaterdagmiddag naar de vierde verdieping vertrok om te doen waarvoor ik gekomen was, besloot ik de lift te nemen, teneinde niet al buiten adem te zijn nog voor ik moest beginnen. Tot mijn verbazing trof ik daar een … liftboy aan. Ik was meteen gecharmeerd door het idee en vernam naderhand dat de kleine Tilman (genoemd naar de 15de-eeuwse Duitse beeldhouwer Riemenschneider) zelf het initiatief genomen had. Toen ik de lift binnenstapte en me omdraaide, zag ik hoe de knaap met een klein handgebaar een bekende en vooraanstaande antroposofe tegenhield. Ze keek verwonderd op, maar protesteerde niet. Er ging een vanzelfsprekend gezag uit van de jongen. 

Hij sprak geen woord, glimlachte niet en was absoluut niet toeschietelijk. Toch sprak er niet de minste arrogantie of machtswellust uit zijn gedrag. Kinderlijke ernst en volwassen terughouding gingen harmonisch samen. De jonge Tilman leek te opereren vanuit een andere dimensie, een dimensie waar louter rust en zekerheid heersten. Het was die geestelijke sfeer die me trof, maar ik stond er niet bij stil, want ik was gefocust op mijn eigen opdracht. Pas later, toen ik er begon over na te denken, drong het tot me door dat ik (een beeld van) Michaël had ontmoet, de geest die de zielen weegt en bepaalt wie ‘omhoog’ mag en wie nog beneden moet blijven. Ik begreep ook dat het dezelfde geest was geweest die ik in Brugge had leren kennen. Ook daar had ik in een ‘lift’ had willen stappen – ik wilde schilderen, ik wilde met kleuren werken en niet langer alleen maar in zwart-wit – maar dit keer hield hij me tegen. Ik botste als op een muur die me duidelijk maakte dat ik deze weg niet moest vervolgen. 

Het was niet de eerste keer dat Michaël me tegenhield, maar het was wel de eerste keer dat ik begreep wie achter dat onverbiddelijke no pasaran zat. Meer dan eens heb ik in mijn leven het gevoel gehad dat de weg van de kunst mij op onverklaarbare wijze versperd werd, alsof de duivel ermee gemoeid was. Pas (veel) later kwam het inzicht dat deze wegversperring mij voor erger had behoed. En ‘erger’ was: het soort (geestelijke) krankzinnigheid dat mensen overvalt wanneer ze zich blind overgeven aan de geest van de hedendaagse kunst. Of er zich blind tegen verzetten, want dat komt op hetzelfde neer. Er is  geen kruid gewassen tegen deze geest, behalve inzicht in de kunst. En dat inzicht veronderstelt een tweedeling – als kunstenaar moest ik mij losrukken van de kunst en er denkend tegenover gaan staan – maar ook een vereniging – als denker moest ik mij verbinden met het kunstzinnige element en ‘levend’ leren denken. Het was op die dubbele beweging van scheiden en verbinden – de Ik-beweging – dat Michaël toezicht hield.

Inzicht in de kunst is inzicht in Christus, de scheppende geest bij uitstek. Niemand had er mij kunnen toe bewegen om me los te maken van deze geest, behalve dan zijn tegenstander, de Antichrist, de geest van de hedendaagse anti-kunst. Hij richtte zo’n verwoestingen aan in de wereld van de – vooral de beeldende -kunst, dat ik het niet langer kon aanzien. Alles wat ik kon doen, was inzicht verwerven in de kunst, mij bewust worden van de geest die in mij werkte als ik tekende of schilderde. Dat was meteen ook het allermoeilijkste, want daarvoor moest ik in de huid van de draak kruipen. Alleen op die manier kon ik tegenover de Christusgeest gaan staan. Ik moest dus net hetzelfde doen als al die intellectuelen die met hun kille verstand de kunst vernietigden, maar dan zonder het contact met de kunst te verliezen. Dat kon niet in één keer, het moest stap voor stap gebeuren, in een pendelbeweging die mij afwisselend verwijderde van de kunst en er mij weer mee verbond. 

Ik begrijp Michaël dan ook als degene die het ritme van deze pendelbeweging bewaakt. Hij komt in actie als het (al te zeer) verstoord dreigt te worden, zowel in ruimte als in tijd. Hij roept de mens een halt toe wanneer deze te ver in deze of gene richting gaat, wanneer hij te vroeg of te laat van richting verandert. Michaël is de grote stuurman, de geest die corrigerend optreedt en de mens weer op het goede spoor zet als hij het bijster is. Maar dat doet hij alleen als iemand zelf dat spoor gekozen heeft, als hij uit vrije wil de weg van het Ik gaat, dat pendelt tussen scheiden en verbinden, en deze polariteit nooit tot een dualisme laat verstarren. Michaël laat de mens vrij, dat maakt hem tot zo’n on-vaderlijke en on-populaire geest. Hij stimuleert niet, hij moedigt niet aan en troost niet. Hij waakt. Hij is de onvermurwbare Wachter aan de Drempel die de confrontatie van de mens met het kwaad gadeslaat en diens drempeloverschrijding in goede banen leidt, steeds op voorwaarde dat de mens de drempel bewust overschrijdt en vrijwillig de confrontatie met het kwaad aangaat.

Ik herinner me nog dat ik op een dag tegen mijn tekenleraar zei: ik wil de hedendaagse kunst begrijpen! Hij schudde het hoofd en zei: dat zal je niet lukken, zij zal joú grijpen! Hij wist waarover hij sprak, hij had genoeg mensen ten gronde zien gaan aan die confrontatie en hij zou er zelf ook ten gronde aan gaan. Maar mijn liefde voor de kunst liet mij geen andere keuze. Ik besefte het niet, maar ik had mijn levensopdracht uitgesproken. En vandaag heb ik het gevoel dat ik hem vervuld heb. Het is me gelukt! De Lichtbaken-conferentie was de laatste zet die ik nodig had. Daarom riep Michaël me in Brugge een halt toe, daarom steunde hij me in Antwerpen van begin tot eind: ik moest mijn werk afmaken, ik wilde mijn werk afmaken. Dat begreep hij veel beter dan ikzelf en daar hielp hij me bij, vaak tot mijn grote – maar voorbijgaande – verdriet. Als ik daar nu op terugkijk, voel ik alleen maar dankbaarheid. Liefde is er voorlopig nog niet bij, daarvoor ken ik deze grote geest niet goed genoeg. Maar dat komt wel. Want er is nog veel te doen. 

Lichtbaken (22)

  

Toen ik de vraag kreeg om een werkgroep te leiden op de Lichtbaken-conferentie in Antwerpen, was de afspraak dat ik het zou hebben over driegeleding en tweegeleding. Ik was ervan overtuigd dat het eerste uit het tweede diende ontwikkeld te worden, want rechtstreeks geïmplementeerd veroorzaakt driegeleding alleen maar meer dualisme. Zijn het immers niet nog altijd de idealen van de Franse revolutie – vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid – die de moderne mens drijven? En toch leidt dit driegelede streven niet tot een betere wereld, wel integendeel. De samenleving is nooit zo gepolariseerd geweest als vandaag. Maar hoe moet het dan wel? Hoe moet de driegeleding ontwikkeld worden vanuit de tweegeleding, dat wil zeggen vanuit de dualistische werkelijkheid zoals we die kennen? Daar had ik aanvankelijk geen idee van, tot mij, volkomen onverwacht, de gedachte inviel – of aangereikt werd – om de karikatuur als uitgangspunt te nemen. 

Uit eigen beweging zou ik dit onderwerp nooit aangesneden hebben, het was het laatste van mijn gedachten. Maar er zijn van die gedachten die via het gevoel rechtstreeks tot in de wil doordringen, en dit was er zo een. Na een korte aarzeling – ik vond het toch wel wat gewaagd – volgde ik dit pad less traveled by, and that has made all the difference. Ik stelde vast dat de karikatuur model stond voor de dualistische wereld van vandaag: ze splitst de mens in twee, met aan de ene kant zijn lager Ik en aan de andere kant zijn hoger Ik. Die zwei Seelen tekenen zich in onze tijd duidelijk af en maken van de moderne mens een levende karikatuur. Maar dat ziet hij niet. Hij is zich niet bewust van deze dualiteit. De levende karikaturen hebben op hem niet het bevrijdende effect dat getekende karikaturen hebben, wel integendeel. Ze doen hem niet lachen maar wekken afschuw, haat en agressie in hem op.

Er ontbreekt de karikaturale mens iets wat de karikatuur wel heeft: kunstzinnig bewustzijn. De karikaturist weet wat hij doet wanneer hij zijn model in twee splijt (of doodt, zoals Rudolf Steiner het uitdrukt) en het vervolgens weer tot leven wekt door de gescheiden delen weer samen te voegen tot … een driegeleed geheel. Want de karikatuur is uiteraard geen simpele kopie van de mens. Wat aan die mens toegevoegd word – of beter: wat in hem zichtbaar gemaakt wordt – is ‘de vorm van de idee’. De karikatuur ‘vergeestelijkt’ de mens, de geest (of de idee) krijgt vorm in hem. En die geest is driegeleed: het is niet alleen zijn eigen geest, het is ook de geest van de kunstenaar, die ‘zijn ziel in zijn werk legt’, en last but not least is het ook nog de geest die beide geesten tot een eenheid smeedt: de geest van de kunst. De karikatuur toont ons de dualistische (materialistische) mens in de vorm van de driegelede geest. 

Dat laatste doet ze echter slechts in de mate dat ze een kunstwerk is. De karikaturist slaagt er meestal wel in een gelijkend portret te maken, en hij legt er ook altijd iets van zichzelf in, maar of zijn tekening ook een kunstwerk is, hangt af van de aanwezigheid van de ‘derde geest’, de geest van de kunst. Deze verschijnt pas wanneer de relatie tussen de tegenpolen (de kunstenaar en zijn model) een zodanige intensiteit bereikt dat er, zoals Goethe het noemt, een Steigerung plaatsvindt. De tekening bereikt dan een hoger niveau: het kunnen wordt een kunst, de tweegeleding wordt een driegeleding. Eerst daalt de geest van de kunst neer in dit spanningsveld tussen de tegenpolen en daarna stijgt hij er weer uit op, beide andere geesten met zich meenemend. Het is door het Stirb und Werde van deze ‘derde geest’ dat een dualistische, strijdige relatie de driegelede, harmonische kwaliteit krijgt die men kunst noemt. 

In feite is ieder kunstwerk een miniatuurbeeld van de mensheidsontwikkeling. De dualistische wereld zoals we die vandaag kennen, is het resultaat van de zondeval die de mens steeds dieper in de materie heeft doen afdalen. Vandaag hebben we het dieptepunt bereikt, dat tevens het keerpunt is. De spanning tussen de tegenpolen is extreem, maar of er een Steigerung zal ontstaan die onze karikaturale wereld op een hoger niveau tilt, hangt af van de mens. De ‘derde geest’ kan pas optreden als de mens dat wil, als hij zich bewust wordt van de nood aan verlossing uit de onhoudbare dualistische situatie. Maar precies op dat moment valt de mens in slaap. Dat ziet men nergens beter dan in de kunst: zij is uiteengevallen in delen (de oude en de nieuwe kunst) die tegenover elkaar staan als hoger Ik en lager Ik, maar die extreme tegenstelling, die karikatuur, wordt niet waargenomen, men doet alsof er niets aan de hand is. 

Wie niet tegenover de idee kan gaan staan, zegt Rudolf Steiner in zijn Filosofie der Vrijheid, wordt door de idee geknecht. En de idee waardoor de moderne mens geknecht wordt, is de idee van de tweegeleding. We leven in een wereld die steeds dualistischer wordt omdat we het dualisme niet onder ogen zien. We beschouwen het dualisme als de bron van alle kwaad en willen het radicaal uitroeien. Maar juist daardoor blijven we blind voor de geest die er zich in verbergt en die eruit tevoorschijn wil komen. Deze ‘derde’ geest is de geest van ons ware Ik, dat geboren wil worden uit de spanning tussen ons hogere en ons lagere Ik. Het is de geest die Rudolf Steiner gestalte heeft gegeven in de Mensheidsrepresentant, het grote houten beeld dat Christus voorstelt tussen Lucifer en Ahriman. Het is beslist geen toeval dat de Christusfiguur onafgewerkt is gebleven, terwijl de tegenmachten tot in de details zijn afgewerkt.

Zoals ieder beeldend kunstwerk moet de Mensheidsrepresentant in beweging worden gedacht. De kijker moet het (ruimtelijke) beeld in de tijd plaatsen, hij moet het als het ware vertalen in muziek. Want als materieel ding belichaamt het slechts een fase in de voortdurende metamorfose die de kunst is. Maar het is wel een cruciale fase, overeenkomend met de materialistische tijd waarin we momenteel, op het keerpunt der tijden, leven. Dat keerpunt is de Ik-fase, het middelpunt van de hele mensheidsontwikkeling. Het is tevens het vrijheidsmoment. De mens staat nu voor de keuze: blijft hij louter materie zien, dan verliest de wereld zijn betekenis en wordt een nietszeggend hedendaags kunstwerk dat van de kijker een gedresseerde aap maakt. Slaagt hij er evenwel in deze verstarde, materialistische wereld als een kunstwerk te zien, meer bepaald als een karikatuur, dan wordt de (Christus)geest zichtbaar, die hem bevrijdt en weer doet lachen. 

Het klinkt waarschijnlijk oneerbiedig om de Mensheidsrepresentant te vergelijken met een karikatuur, maar die vergelijking komt niet (enkel) van mezelf. De idee om de karikatuur tot het uitgangspunt van mijn beschouwingen te maken, werd me niet alleen ‘van buitenaf’ aangereikt, ze werd ook nog eens bevestigd door de Lichtbaken-conferentie zelf, die begon en eindigde met … een karikatuur. In de eerste voordracht (die ik bijwoonde) stelde Matthijs van Alstein de drie tegenmachten voor als karikaturen van de drieëenheid. Tegenover de Vader, de Zoon en de Heilige Geest plaatste hij Ahriman, de Antichrist en Lucifer. Ook die tegenstelling op zich had iets karikaturaals, en het verbaasde me dan ook niet in een verslag te lezen dat ‘Matthijs van Alstein gelukkig gecorrigeerd werd door het publiek’. Het was de klassieke reactie van de slapende mens. Op mij had de karikatuur echter juist een bevrijdend effect.

Dat effect had ook de slotvoordracht van de conferentie. Zo ernstig als Matthijs van Alstein (een priester) was, zo humoristisch was Roland Halfen (een kunstwetenschapper). Hij overdreef zelfs een beetje : er werd het eerste halfuur meer gelachen dan tijdens de hele conferentie samen – ongetwijfeld een reactie op alle denkinspanningen die geleverd waren. De bevrijdende humor was echter niet alleen de vorm maar ook de inhoud van de voordracht, en dat mag wel merkwaardig heten, want het ging over de … Mensheidsrepresentant, toch niet meteen een beeld dat de lachlust opwekt. Niettemin bracht uitgerekend dit ernstige en dramatische beeldhouwwerk de spreker tot de conclusie – die meteen ook het slotakkoord van de conferentie was – dat humor de ‘antroposofische stijl’ dient te zijn, de manier waarop antroposofie bedreven moet worden en in praktijk gebracht. 

De – schijnbare – tegenstelling tussen ernst en humor kwam ook tot uiting in de twee anekdoten waarrond Roland Halfen zijn voordracht had opgebouwd. De eerste betrof een klein voorval met grote consequenties. Tijdens het werk aan de Mensheidsrepresentant, een beeld van bijna 10 meter hoog, verloor Rudolf Steiner op een gegeven moment het evenwicht. Hij stond op een hoge stelling en een puntige staak die zich meters lager bevond, zou hem gespietst hebben als zijn medewerkster Edith Maryon hem niet op het laatste nippertje had vastgegrepen. Om de tegenmachten te kunnen uitbeelden, had Rudolf Steiner ze gedwongen voor hem te poseren en dat wilden ze hem betaald zetten. Het zegt iets over de nauwe relatie die de kunstenaar met de tegenmachten aangaat en de risico’s die daaraan verbonden zijn. Het was de kunst die Rudolf Steiner in levensgevaar bracht, maar het was ook de kunst (in de persoon van Edith Maryon) die hem redde.

De tweede anekdote ging in wezen over hetzelfde – het verliezen van het evenwicht en de gevolgen daarvan – maar had een heel ander karakter. Toen de Mensheidsrepresentant zijn voltooiing naderde, nodigde Rudolf Steiner enkele getrouwen uit voor een eerste bezichtiging. Eén daarvan was Mieta Waller, een rijke vrouw zonder wier financiële steun het Goetheanum waarschijnlijk niet gebouwd had kunnen worden (en de Mensheidsrepresentant niet gebeeldhouwd). Om die reden, aldus Roland Halfen, mocht (of durfde) ze al iets meer zeggen dan een ander. En dat deed ze ook toen ze het beeld zag. Ze flapte eruit: maar Herr Doctor, het staat scheef! Herr Doctor fronste de wenkbrauwen, ging naast haar staan en bekeek het beeld nog eens goed. Verdorie, zei hij, je hebt gelijk! Het torenhoge beeld leek inderdaad naar rechts te hellen, het was uit balans. 

Ieder ander zou de wanhoop nabij zijn geweest, maar niet zo Rudolf Steiner. Hij loste het probleem op door als tegenwicht linksboven een figuur toe te voegen die de ‘wereldhumor’ voorstelde en die hij das Felsenwesen, het rotswezen, noemde. Nu was het beeld wél in evenwicht. Op het eerste gezicht heeft het voorval iets opportunistisch, iets van daar-passen-we-wel-een-mouw-aan. Rudolf Steiner was dan ook geen kunstenaar in de klassieke zin. Hij had geen artistieke opleiding genoten, zijn leerschool was zuiver wetenschappelijk geweest. Geen wonder dus dat hij fouten maakte, ook al liet hij zich bijstaan door Edith Maryon, een ervaren beeldhouwster. Hun samenwerking was in feite een beeld van de antroposofie zelf: een wetenschap die kunst wil worden en daarvoor de hulp van de kunst nodig heeft. Die samenwerking tussen kunst en wetenschap is een ‘hogere’ kunst (of wetenschap) waarvoor nog geen opleiding bestaat. 

Ze moet dus met vallen en opstaan ontwikkeld worden, en dat impliceert humor. Niet voor niets gebruikt Rudolf Steiner het woord ‘humor’ om de (her)verbindende kracht van de kunst aan te duiden, de kracht waarmee ze heelt wat ze zelf in twee heeft gedeeld. De humor is met andere woorden een opstandingskracht, een kracht waarmee de mens zich opricht als hij een fout heeft gemaakt, als hij uit balans is geraakt. Het is, zou je kunnen zeggen, de manier waarop de mens Christus volgt, terwijl Lucifer en Ahriman proberen hem uit evenwicht te brengen. Zonder humor, zei Rudolf Steiner dan ook, kom je de geestelijke wereld niet binnen. Hoe dichter je die wereld nadert, hoe groter het gevaar van luciferische sentimentaliteit, en om dat te bezweren heb je humor nodig. Nee, het is beslist geen toeval dat de humor, samen met Christus, Lucifer en Ahriman deel uitmaakt van de Mensheidsrepresentant.  

Net als das Felsenwesen in de Mensheidsrepresentant is de karikatuur een randverschijnsel in de wereld van de kunst. Ze is er maar op het laatst bijgekomen en vervult de rol van hofnar: ze grijpt de kunst vast op het moment dat deze het evenwicht verliest en in de diepte dreigt te storten. Ze is een kunstvorm die geen opleiding behoeft en die de mens aangeboren is. Maar ze moet wel beoefend worden, ze mag niet vergeten worden. Het trof me toen ik las dat Mieta Waller tot de nauwste intimi van Rudolf Steiner behoorde, want ik had nog nooit van haar gehoord. Sinds het congres van Munchen in 1907, waarop de antroposofie verbonden werd met de kunst, woonde ze samen met hem en Marie von Sivers in een soort ménage á trois. Ze was een van de belangrijkste antroposofen en toch kent vrijwel niemand haar. Daarin deelt ze het lot van de kunst, en vooral dan van de humor: men neemt ze niet ernstig. 

Na de slotvoordracht van Roland Halfen en de dankwoorden van initiatiefnemer Wilbert Lambrechts, nam een jongeman aan de piano plaats om bij wijze van afsluiting de Sonate Pathétique van Beethoven te spelen. Er viel een diepe stilte in de zaal, een stilte vervuld van de rust na volbrachte (geestelijke) arbeid. Geduldig wachtte men op het eerste akkoord. Toen dat eindelijk weerklonk, begon men op exact hetzelfde moment ergens in het gebouw te rammelen met potten en pannen, alsof men gewacht had met afwassen tot de muziek begon (of was het omgekeerd?). Het was zo’n potsierlijke coïncidentie dat ik bijna in de lach schoot: aan de ene kant die ernstige, pathetische muziek van Beethoven (ook al geen lachebek), en aan de andere kant dat gerommel uit de ingewanden van de school waar de leerlingen (opgeruimd en vrolijk) aan de schoonmaak begonnen. 

Niemand leek daar echter aandacht aan te besteden, evenmin als aan het feit dat de pianist er een paar keer flink naast sloeg. Het gerammel had hem blijkbaar toch uit zijn evenwicht gebracht. Maar juist doordat ik mijn oren niet sloot voor deze wanklanken, en er de humor van inzag, trof mij de ‘hogere’ kunstzinnigheid van het geval. De muzikale afsluiting van de conferentie was alweer een karikatuur – de ernstige muziek tegenover het vrolijke gerammel – en sloot daardoor naadloos aan bij het hele gebeuren, ook bij mijn eigen optreden als hofnar. Door gehoor te geven aan de impuls – of de wenk – om over de karikatuur te spreken, had ik uitdrukking gegeven aan de geest die – vanuit onzichtbare hoogten – de hele Lichtbaken-conferentie vorm had gegeven, de vorm van de idee, de vorm van de karikatuur. Het was mij een eer en een genoegen om deze geest op te merken en door hem opgemerkt te worden. 
 

Anna leest Steiner

  

… en denkt er het hare van. 

Lichtbaken (21)

  

Honderd jaar nadat Rudolf Steiner zijn driegeledingsidee lanceerde, is de wereld dualistischer dan ooit. Niets illustreert dat beter dan de hedendaagse politiek. De traditionele partijen bestaan nog wel, maar ze zijn schijn geworden. In werkelijkheid zijn er nog slechts twee politieke partijen: links en rechts. Allebei streven ze hetzelfde ideaal na: de vernietiging van de ander. Voor minder doen ze het niet. De gedachte aan een compromis, verstandhouding of samenwerking komt niet eens meer bij hen op, wel integendeel. Het kleinste toenaderingsgebaar wordt beschouwd als hoogverraad. En deze politieke situatie is geen uitzondering, zij is de regel. Overal, op ieder gebied staan de tegenpolen met getrokken messen tegenover elkaar. Het oeroude ideaal van het gulden midden is vervangen door zijn tegendeel. Wat vroeger gold als het grootste goed, wordt nu beschouwd als het grootste kwaad. Jean-Paul Sartres beroemde uitspraak is werkelijkheid geworden: l’enfer, c’est les autres

De moderne, gepolariseerde wereld is het volstrekte tegendeel van de driegelede samenleving die Rudolf Steiner voor ogen stond. De antroposofie is er dus niet in geslaagd de driegeledingsidee ingang te doen vinden. Ze is er zelfs niet in geslaagd ze in haar eigen kleine kring te realiseren. Driegeledingsinitiatieven eindigen telkens weer in ruzie, conflicten en tegenstellingen. Hoe komt dat? Wat gaat er mis? Ligt het misschien aan de driegeledingsidee zelf? Dat is weinig waarschijnlijk, want ze spreekt voor zich. Aan de moderne werkelijkheid ligt het ook niet, want zonder haar dualisme zou de mens nooit het vrije en zelfstandige Ik zijn geworden dat de hoeksteen vormt van de antroposofie. Bijgevolg moet de oorzaak van het falen van de driegeledingsbeweging – en bij uitbreiding van de hele antroposofie – gezocht worden in de relatie tussen beide polen, in de manier waarop driegeledingsidee en dualistische werkelijkheid met elkaar verbonden worden. 

Dat kan alleen een kunstzinnige manier zijn. De antroposofie streeft ernaar ieder gebied van het menselijk leven tot een kunst te verheffen. Van de geneeskunde wil ze een geneeskunst maken, van de opvoedkunde een opvoedkunst, van de landbouwkunde een landbouwkunst, enzovoort. Daarvoor moet ze natuurlijk weten wat kunst is en hoe een kunstenaar tewerk gaat. Rudolf Steiner heeft het daar uitvoerig over gehad. Nog vóór hij zijn Filosofie der Vrijheid schreef, had hij zijn visie op kunst reeds samengevat in zijn voordracht over Goethe en de nieuwe esthetica. Die nieuwe esthetica noemde hij een ‘gezond fundament van de antroposofie’ en hij plaatste ze tegenover de moderne esthetica, die in zijn ogen een ‘ongezond’ fundament was, want hij wees ze radicaal af. In die tegengestelde visies op kunst moet de oorzaak van het falen van de driegeleding gezocht worden, want de antroposofie neemt de verkeerde visie tot uitgangspunt van haar handelen.  

Rudolf Steiner baseerde zijn visie op Goethe en Schiller. Hij zag kunst als ‘een zintuiglijke verschijning in de vorm van de idee’ terwijl ze in de moderne visie precies het omgekeerde is, namelijk ‘de idee in de vorm van een zintuiglijke verschijning’. Deze misvatting had lange tijd geen invloed op de kunstpraktijk omdat kunstenaars en kunstliefhebbers zich – vanuit een instinctief wantrouwen voor abstracte ideeën – niks aantrokken van de denkbeelden van de esthetica. Maar in de 20ste eeuw drong het wetenschappelijke denken door in de wereld van de kunst en daaruit werd een geheel nieuwe kunst geboren. Ze kreeg de naam ‘hedendaags’ en wortelde niet langer in het instinctieve aanvoelen van kunstenaars en kunstliefhebbers, maar in de abstracte – en vooral verkeerde – ideeën van kunstwetenschappers. Uitgerekend deze hedendaagse kunst, die de rechtstreekse toepassing is van de visie die Rudolf Steiner aan de kaak stelde, heeft de antroposofie tot voorbeeld gekozen. 

Dat werd duidelijk toen men in Dornach de 100ste verjaardag vierde van het congres van Munchen, waar Rudolf Steiner als het ware officieel de antroposofie met de kunst had verbonden. Die viering werd gecombineerd met de herdenking van de dood van Joseph Beuys, een van de boegbeelden van de hedendaagse kunst. Ofschoon Beuys met zijn werk (niet met zijn ideeën) dwars ingaat tegen de kunstopvattingen van Rudolf Steiner, kwam daar zo goed als geen protest tegen. De antroposofische vereniging koos met andere woorden voor de (materialistische) visie die Steiner ondubbelzinnig afgewezen had. Daarmee keerde ze zich tegen haar stichter, maar niemand leek dat op te merken. Men zag immers geen verschil tussen het werk van Rudolf Steiner en dat van Joseph Beuys. Men zag alleen de overeenkomst tussen hun ideeën. En daar, in die blindheid voor het verschil tussen ideeën en kunst, moet de oorzaak van het falen van de driegeleding gezocht worden. 

Als idee behoort de driegeleding tot het gebied van de wetenschap. Als werkelijkheid behoort ze tot het gebied van de kunst. In de moderne visie is er geen wezenlijk verschil tussen deze twee gebieden: kunst is niet meer dan een soort toegepaste wetenschap, ze giet ideeën in een zintuiglijke vorm. Wat de wetenschap met woorden en begrippen zegt, zegt de kunst met beelden en vormen. De moderne kijker gaat er dan ook als vanzelfsprekend vanuit dat er geen wezenlijk verschil is tussen de ideeën van een kunstenaar en zijn werk. Als de ideeën van Joseph Beuys antroposofisch zijn, redeneert hij, dan is zijn kunst dat ook. Maar dat is een groteske misvatting. Kunst is, zoals Rudolf Steiner beklemtoont, géén wetenschap. Het is een heel ander, autonoom gebied dat niks te maken heeft met de ideeën van de wetenschap, ook niet met die van de geesteswetenschap. Het is dus onzin om kunst te beoordelen aan de hand van de ideeën of intenties van de kunstenaar. 

Dat iemand geesteswetenschapper is, maakt van hem nog (lang) geen kunstenaar. Toch is het een eerste stap, want de antroposofie is een wetenschap die kunst wil worden. Maar als ze zich laat leiden door de omgekeerde opvatting over kunst, dan maakt ze als het ware rechtsomkeer, dan gaat ze tegen zichzelf in. Daarom wordt haar driegelede streven telkens weer in zijn tegendeel gekeerd en bereikt ze nooit haar doel. Die omkering kan maar op één manier voorkomen worden: door bewust te worden van het onderscheid tussen kunst en wetenschap. In de loop der eeuwen is dat onderscheid uitgegroeid tot een diepe kloof, die de weerspiegeling is van de afgrond die ook in de ziel, tussen verstand en gevoel, gaapt. Door die tegenstelling wordt de moderne mens innerlijk verscheurd en hij probeert dan ook uit alle macht zijn ziel te ‘helen’. Maar hij doet dat niet bewust onderscheidend, hij doet het door instinctief de ogen te sluiten voor de kloof die zowel zijn uiterlijke als zijn innerlijke wereld verdeelt. 

Zo reageert de moderne mens op de kloof waarmee hij geconfronteerd wordt: door ze te negeren, door te doen alsof ze niet bestaat. Als gevolg daarvan les extrêmes se touchent : de tegenpolen vermengen zich met elkaar en verliezen hun eigen karakter: de wetenschap houdt op objectief te zijn, de kunst houdt op subjectief te zijn. Het verstand maakt zich los van de waarheid en wordt leugenachtig, het gevoel verliest het contact met het Ik en wordt emotioneel met neiging tot massahysterie. Samen vormen ze de karikaturale mens die niet beseft dat hij een levende contradictie is geworden. Die vermenging is het gevolg van zijn terechte maar blinde streven naar heling, genezing en eenwording. Door de ogen te sluiten voor de dualiteit en geen onderscheid meer te maken tussen de tegenpolen, probeert de mens hun oorspronkelijke eenheid te herstellen. Maar dat lukt natuurlijk niet. De evolutie kan niet omgekeerd worden. Dat leidt tot zelfvernietiging, niet tot heling.

Hoe weinig de mens zich dat realiseert, blijkt uit het feit dat hij deze reactionaire beweging ‘progressief’ noemt. De hedendaagse kunst bijvoorbeeld – resultaat van het blinde streven naar eenwording van kunst en wetenschap – ziet hij als de avant-garde van de moderniteit, terwijl ze in werkelijkheid de belichaming is van een eeuwenoude misvatting die pas in onze tijd haar ware gezicht toont. Dat gezicht is weerzinwekkend, maar het brengt de mens er niet toe de ogen te openen. Hij ziet geen verschil met de oude, vertrouwde gezicht van de kunst, want hij slaapt. Nergens kunnen we beter waarnemen hoe diep de moderne mens slaapt dan in de hedendaagse kunst. Ze helpt ons ook te begrijpen wat de oorzaak van die (bewustzijns)slaap is: het gebrek aan onderscheid tussen kunst en wetenschap, de weigering om de kloof tussen beide onder ogen te zien. Het is dan ook de bewuste confrontatie met deze kloof die ons wakker maakt en verhindert dat ons eenheidsstreven ‘omkeert’ tot een vernietigingsstreven. 

Rudolf Steiner hamerde er steeds weer op dat we wakker moeten worden. Antroposofen moeten de wereld niet verbeteren, want dat doet iedereen. Ze moeten het kwaad niet bestrijden, want ook dat doet iedereen. Ze moeten alleen maar wakker worden. Dat is hun – cruciale – bijdrage aan de moderne tijd. Antroposofen moeten onderscheid maken tussen kunst en wetenschap, ze moeten zich bewust worden van het autonome wezen van de kunst. Dat is hun core business: onderscheid maken. De rest is immers gegeven, want sinds het einde van het Kali Yuga dringt de geestelijke wereld opnieuw door tot de mens en wekt in hem een onweerstaanbaar streven naar eenheid. Maar of dat eenheidsstreven een scheppende dan wel een vernietigende werking heeft, hangt af van het onderscheidingsvermogen van de mens, van zijn vermogen om wakker te blijven in een ‘vergeestelijkende’ wereld. Daar ligt de opgave van de antroposofie: zij moet het verschil maken door het verschil te zien. 

Dat maakt de antroposofie ook tot vijand nummer één van de geest die vandaag zo actief is in de wereld, de geest die de mens wil beletten om verschillen te zien, die hem dwingt om de ogen te sluiten voor de kloof tussen kunst en wetenschap, tussen Oost en West, tussen blank en zwart, tussen man en vrouw, tussen mens en dier, kortom tussen alle tegenpolen. Deze geest stelt de dualiteit voor als de bron van alle kwaad en drijft daardoor het dualisme ten top. Hij keert het (onbewuste) eenheidsstreven van de mens tegen diens (even onbewuste) tweeheidsstreven en ontketent in hem een zelfvernietigende strijd. Want de mens heeft zijn vrijheid en zelfstandigheid te danken aan zijn dualistische streven, aan zijn streven om de kloof tussen de tegenpolen steeds groter te maken. Door tegen dat streven in te gaan, keert hij zich tegen zichzelf, tegen zijn beschaving, tegen zijn evolutie. Dat is wat de anti-menselijke geest wil bewerkstelligen, en dat is wat de antroposofie wil verhinderen. 

Hoever deze strijd tegen de dualiteit gaat, zien we in de zogenaamde genderbeweging die, in naam van de gelijkheid tussen de geslachten, het verschil tussen de geslachten wil uitwissen. La guerre des sexes wordt op die manier een oorlog tegen de geslachten, en dus ook tegen de mens. Want de scheiding der geslachten is een beeld van de oerscheiding die het ontstaan van de mens mogelijk maakte. De geestelijke wereld deelde zichzelf in twee – God kreeg een zoon, zegt men in het christendom – en schiep daardoor de ruimte waarin de mens zich kon ontwikkelen. Wie deze kloof teniet wil doen, keert zich niet alleen tegen het bestaan van de mens, hij keert zich ook tegen de geestelijke wereld en met name tegen de liefde die deze wereld ertoe bracht een kloof in zichzelf te slaan. De kwaadaardige geest waartegen de antroposofie zich verzet, is dan ook de Antichrist, de grote tegenstander van Christus, die het wezen van de liefde is, het centrum van de geestelijke wereld. 

Lichtbaken (20)

  

Toen ik karikaturen begon te tekenen, werd het ‘beest’ in me ontketend. Had ik me tot dan braaf gehouden aan de grenzen die de wereld me stelde, nu overschreed ik ze zonder schroom. Tenminste op papier. In mijn tekeningen kon ik ongeremd stout zijn en mijn vernietigingsdriften botvieren. Een doel op zich was dat echter niet. Het was een middel om beter te leren tekenen. Het beest bleef ondergeschikt aan de kunst en onder haar invloed verloor het langzaam zijn wildheid. Dat werd bevestigd toen kinderen me vroegen om karikaturen van hen te tekenen. Mijn vernietigende krachten vormden geen bedreiging meer, ik had ze getransformeerd tot het vermogen om al tekenend iemands Ik zichtbaarder te maken. En daar hadden die kinderen (blijkbaar) behoefte aan. Mijn modellen werden steeds jonger en uiteindelijk maakten ze het beest in me helemaal onschadelijk. Het was er nog wel en het had nog al zijn tanden, maar het deed nu wat ik wilde, niet omgekeerd. 

Kinderen zijn wijzer dan volwassenen. Ze begrepen altijd veel beter waar het om ging in mijn karikaturen. Bij momenten begrepen ook volwassenen het, maar evenmin als bij de kinderen drong het tot hun bewustzijn door. Dat was ook bij mezelf niet het geval. Pas nu, vele jaren nadat ik gestopt ben met het tekenen van karikaturen, begin ik me een beeld te vormen van wat er allemaal speelde. Dat kost me veel moeite, want duisternis is eigen aan het scheppingsproces. Pas wanneer het voltooid is, kan het licht van het bewustzijn ontstaan. Die volgorde is essentieel, want als je ze omkeert worden scheppingskrachten vernietigingskrachten. Dat valt goed waar te nemen in de hedendaagse kunst, die niet vertrekt vanuit de duisternis van de wil, maar vanuit het licht van de ideeën, en daardoor (zelf)vernietigend wordt. In de werkelijkheid gebeurt hetzelfde: ook daar wordt steevast uitgegaan van bewuste ideeën, concepten en theorieën, en ook daar wordt de scheppende wil vernietigend. 

Ik heb die omkering eens op een heel merkwaardige manier meegemaakt toen ik nog tekende op de Gentse Feesten. Dat was geen plek om (gewone) portretten te maken, maar er waren altijd mensen die geen karikatuur wilden. Omdat ik de centen goed kon gebruiken, probeerde ik dat probleem op te lossen door dubbel zoveel te vragen voor een portret. Dat hield mensen echter niet altijd tegen, en op een dag vroeg een jonge vrouw me om haar portret te tekenen, een gewoon portret drukte ze me op het hart, géén karikatuur. Dat laatste zou me waarschijnlijk toch niet gelukt zijn, want ze was een verbluffende schoonheid. Zo’n model had ik nog nooit van m’n leven gehad, en er kwam een gedachte in me op die ik ook nog nooit van m’n leven had gehad. Als ik nu eens, in plaats van deze vrouw zo lelijk mogelijk te maken, precies het omgekeerde deed en haar nóg mooier maakte dan ze al was! Als ik met andere woorden eens een geïdealiseerd portret van haar maakte! 

Een bevriend antroposoof had me dat ooit eens gesuggereerd. Mijn karikaturen riepen gemengde gevoelens bij hem op. Waarom toch altijd de klemtoon leggen op het lagere in de mens! Waarom niet eens proberen het hogere zichtbaar te maken! Hij was wat je noemt ‘een mens van goede wil’, hij probeerde overal het goede te zien. Zei je iets negatiefs, dan plaatste hij daar steevast het positieve tegenover. Heel vermoeiend, vond ik dat. Toch dacht ik bij mezelf: waarom niet eigenlijk? Waarom zou ik voor de verandering niet eens de schijnwerpers richten op het hogere, geestelijke Ik van de mens? Tenslotte was ik toch antroposoof. Maar alle goede voornemens ten spijt, kon ik mezelf er niet toe brengen het eens te proberen. Het was zoveel plezieriger en spannender om stout te zijn. En dus bleef ik karikaturen tekenen en mijn uiterste best doen om mensen zo lelijk mogelijk te maken. Tot die dag op de Gentse Feesten, toen die onwaarschijnlijk mooie vrouw op mijn stoel plaatsnam.

Ik dacht meteen: nu ga ik het eens proberen! Ik ga deze vrouw nog mooier maken dan ze al is! Ik hoefde er mezelf niet eens geweld voor aan te doen: haar schoonheid ontwapende me. Je moest echt wel een onmens zijn om dit godenkind naar beneden te willen halen. Zelfs ík was zo slecht niet. En zo kwam het, dat op die zomerse dag, te midden van de feestdrukte, mijn betere Ik de bovenhand kreeg en ik mijn allereerste geïdealiseerde portret tekende. Het resultaat mocht er best wezen, vond ik. De vrouw op mijn papier was nóg knapper dan de vrouw die voor me zat, en ik verheugde me al op haar reactie. Toch zat het me niet helemaal lekker. Ik had het gevoel niet eerlijk te zijn en de boel te belazeren. Slijmerd die je bent, dacht ik bij mezelf, schijnheiligaard! Het scheelde niet veel of ik had een hekel aan mezelf gekregen. Ik begreep het niet. Was ik voor één keer niet onversneden positief geweest? Had ik mijn slechte Ik niet het zwijgen opgelegd? En uitgerekend nu kreeg ik een vieze smaak in de mond.

Ik haalde m’n schouders op. Waarschijnlijk voelde mijn lagere Ik zich verongelijkt omdat het zijn tanden niet in mijn model had mogen zetten. Trots en vol verwachting toonde ik de vrouw het resultaat van mijn inspanningen. Ze bevroor. Met opengesperde ogen staarde ze naar mijn tekening. Ben ík dat? kon ze uiteindelijk uitbrengen. Ze was in shock. Ben ik dan ZO lelijk? stond er in grote letters op haar verbijsterde gezicht geschreven. Mijn eigen gezicht moet het hare weerspiegeld hebben, want ik was op mijn beurt verbijsterd. Ik had deze vrouw nóg mooier gemaakt dan ze al was, en wat ze zag was … een monster! Zo’n reactie hadden zelfs mijn kwaadaardigste karikaturen nooit teweeggebracht. Ik begreep er niks van. Wat was hier aan de hand? Mijn portret mocht dan misschien niet zo ‘ideaal’ zijn als ik wel dacht, maar een karikatuur was het heel zeker niet. En toch was de vrouw vervuld van afgrijzen en ongeloof. Wat had zij eigenlijk verwacht? Welk beeld had zij van zichzelf? 

Ik moest denken aan de onaantrekkelijke vrouwen die af en toe in mijn stoel kwamen zitten. Soms waren ze ronduit lelijk. Toch lieten ze een karikatuur van zich maken en ze konden er nog hartelijk om lachen ook. Het wekte onwillekeurig mijn bewondering. Dat zelfrelativeringsvermogen heb ik ooit eens in de overtreffende trap meegemaakt toen ik twee zwaar spastische mensen tekende. Ze waren vreselijk om aan te zien, ik durfde haast niet te kijken. Ben je zeker dat ze een karikatuur willen? vroeg ik aan hun begeleider. Heel zeker, antwoordde hij. Het was trouwens onmogelijk om van hen iets anders dan een karikatuur te maken, karikaturaler dan ze eruitzagen kon eenvoudig niet. En dus tekende ik gewoon wat ik zag. Toen ik aarzelend het resultaat liet zien, kregen ze allebei een soort epileptische aanval. Ze hingen half uit hun rolstoel, liepen paars aan, maakten piepende geluiden en schokkende bewegingen. O God, dacht ik, wat heb ik gedaan! Maar hun begeleider stelde me gerust: ze komen niet bij van het lachen!

Hij vertelde me dat er niks mis was met hun verstand, innerlijk waren ze net als iedereen. Alleen uiterlijk zagen ze er monsterlijker uit dan zelfs mijn ‘beestachtigste’ karikaturen. En met dat afschuwelijke uiterlijk waren ze nu als gek aan het lachen. Later op de dag zag ik ze in de verte passeren. Ze waren nog altijd naar mijn tekening aan het kijken. Het voorval maakte een diepe indruk op mij. Deze ‘ongelukkigen’, zoals ze vroeger genoemd werden, hadden niet alleen vrede met hun uiterlijk, ze konden er zelfs hartelijk om lachen. Zoveel relativeringsvermogen kwam me bijna bovenmenselijk voor. Het verschil met de vrouw die geschokt naar haar geïdealiseerde portret staarde, kon niet groter zijn. Haar reactie had iets ‘ondermenselijks’: ze was begiftigd met een uiterlijk dat velen haar ongetwijfeld benijdden, maar in plaats van dit geschenk naar waarde te schatten, was ze diep teleurgesteld omdat het niet mooier was. Mijn portret mocht dan geïdealiseerd zijn, haar reactie was een groteske karikatuur. 

Waarom bracht mijn streven om mensen zo lelijk mogelijk te maken het beste in hen naar boven? Waarom beleefden zij, net als ikzelf, ongeremd plezier aan het zichtbaar worden van hun lager Ik, terwijl het omgekeerde – het zichtbaar worden van hun hoger Ik – hen met afschuw vervulde? Ik heb weliswaar maar één keer geprobeerd een geïdealiseerd portret te maken, en misschien was die ene vrouw toevallig een uitzondering. Maar als ik denk aan een fenomeen als de politieke correctheid, dan meen ik daarin dezelfde reactie te herkennen. De moderne mens is, althans uiterlijk, een ‘mooie’ mens: beschaafd, vriendelijk, verdraagzaam, vredelievend, enzovoort. De wereld waarin hij leeft steekt schril af tegen de vele landen waar oorlog heerst, armoede, honger, onderdrukking, enzovoort. Toch is deze mooie mens niet te spreken over zijn wereld. Als iemand er een beeld van schetst dat de positieve kanten accentueert, reageert hij geschokt en ziet alleen maar monsterlijk racisme.

Die mooie vrouw was dus geen uitzondering, evenmin als die twee spastische mensen. Samen belichaamden ze een regel: probeer iemands hoger Ik zichtbaar te maken (door bijvoorbeeld een geïdealiseerd portret van hem te maken) en zijn lager Ik komt tevoorschijn, probeer hem daarentegen zo lelijk mogelijk te maken (door bijvoorbeeld een karikatuur van hem te maken) en hij wordt mooi. Anders gezegd, het hogere maakt het lagere wakker, het lagere het hogere. Of nog: positief-zijn werkt averechts, negatief-zijn ook. Dat is natuurlijk de omgekeerde wereld. Mijn vriend de antroposoof zou het er zeker niet eens mee zijn. En hij zou nog gelijk hebben ook. Want er ontbreekt iets aan mijn regel, iets essentieels: hij geldt alleen in de kunst. De klemtoon leggen op het lagere in de mens, werkt alleen ‘verhogend’ als het een middel is om kunst te maken. In de werkelijke wereld maakt het accentueren van het lagere de mens niet beter, wel integendeel. En het accentueren van het hogere maakt hem ook niet slechter. Dat gebeurt alleen in de kunst. 

Maar als deze (omkering)regel alleen geldt in de kunst, hoe komt het dan dat je hem ook aantreft in de politieke correctheid, die maar al te werkelijk is? Men probeert uit alle macht het hogere Ik van de mens tevoorschijn te roepen door te hameren op verheven idealen als gelijkheid, verdraagzaamheid, liefde, diversiteit, enzovoort. Het resultaat is een schrikbarende ‘verlaging’ van de mens, want de haat, de afschuw, de onverdraagzaamheid en de verontwaardiging nemen hand over hand toe. Met andere woorden, de moderne mens reageert in toenemende mate zoals de mooie vrouw op mijn poging tot idealisering. Wat in de kunst gebeurt, gebeurt dus ook in de werkelijkheid. De grenzen tussen beide vallen weg. Toch blijft er nog altijd één groot verschil: de moderne mens reageert beslist niet zoals de twee ‘ongelukkigen’ op mijn (getekende) karikatuur. Wanneer hij geconfronteerd wordt met een levende karikatuur barst hij niet in lachen uit, maar in woede en verontwaardiging.

Geen mooier voorbeeld dan de Amerikaanse presidentsverkiezingen van dit jaar. Ze waren een karikatuur van wat verkiezingen horen te zijn en de verkozen president was een karikatuur van wat een president hoort te zijn. Maar daar werd niet om gelachen, o nee. Overal ter wereld braken protesten uit, de mensheid leek wel ten prooi aan massahysterie. De reacties op Donald Trump waren nog karikaturaler dan de man zelf. Ze getuigden van een gebrek aan relativeringsvermogen dat in de kunst ondenkbaar is. Want zelfs als mensen niet kunnen lachen om een karikatuur, beseffen ze dat ze dat eigenlijk wel zouden moeten kunnen, en dat het getuigt van zwakheid om je kwaad maken. Wat de mens in de kunst wél kan, kan hij niet in de werkelijkheid. En hij kan het niet omdat hij niet weet dat de grenzen tussen kunst en werkelijkheid verdwenen zijn. Hij realiseert zich niet dat de moderne wereld één grote karikatuur is geworden waar hij eigenlijk zou moeten kunnen om lachen.  

De moderne mens beseft niet dat het omkeringsprincipe van de kunst vandaag ook in de werkelijkheid werkzaam is en dat hij de wereld dus niet zal kunnen verbeteren door er louter positieve, idealiserende krachten op los te laten. Dat zal juist averechts werken, de actualiteit bewijst het iedere dag. Het enige wat echt zal helpen, is het omgekeerde: een karikatuur maken van de werkelijkheid. Alleen door het negatieve uit te vergroten zal de mens kunnen doen wat hij zo graag wil: een nieuwe, mooiere wereld maken. Hij moet ‘het beest’ in zich loslaten, maar dan wel op een kunstzinnige manier: niet als een doel op zich, maar als een middel om kunst te maken. Daarvoor moet hij echter eerst een beeld hebben van wat kunst is, hij moet weten hoe een kunstwerk ontstaat. En dat betekent in de eerste plaats dat hij zich bewust moet worden van het omkeringsprincipe dat in de kunst werkzaam is. Want als hij dat niet doet, zal al zijn idealisme, al zijn streven naar wereldverbetering hem alleen maar in het ongeluk storten. 

Hemelvaart (4)

  

Wat gebeurde er tussen Hemelvaart en Pinksteren? Dat weten we niet, maar we kunnen er ons wel iets bij voorstellen. Na de dood van hun meester moeten de leerlingen diep geschokt zijn geweest. Hij had hen weliswaar voorspeld dat hij zou sterven, maar weten dat iets zal gebeuren is één ding, het zien gebeuren een ander. Toen Christus uit de doden verrees, waren ze ongetwijfeld vervuld van vreugde, maar dat betekende nog niet dat hun ziel geheeld was. Daarvoor was ze te diep ontredderd. Wel deed de aanwezigheid van de Verrezene hen tijdens de 40 dagen tussen Pasen en Hemelvaart boven zichzelf uitstijgen. Ze raakten niet in extase zoals in oude tijden, maar ze werden toch opgetild. 

Toen Christus op Hemelvaart in de wolken verdween, vielen ze weer op zichzelf terug. Hun bewustzijn nam opnieuw zijn normale proporties aan en alle geschoktheid, verbijstering en verdriet kwamen terug. Iets dergelijks gebeurde ook na de dood van Rudolf Steiner. Zijn geweldige geest had zijn leerlingen boven zichzelf doen uitstijgen, hij had hun hoger Ik wakker gemaakt. Maar toen hij stierf, viel het weer in slaap. De gevolgen zijn bekend: er ontstond ruzie en de vereniging werd helemaal lam gelegd. Voor dit beschamende gedrag is maar één acceptabele uitleg: Steiners dood maakte de weg vrij voor de tegenmachten. Zonder zijn beschermende aanwezigheid konden ze een frontale aanval openen op zijn leerlingen.

Zou iets dergelijks ook niet gebeurd zijn tijdens de tien dagen tussen Hemelvaart en Pinksteren? De tegenmachten, die op Goede Vrijdag nog meenden gezegevierd te hebben, bleken met Pasen het pleit verloren te hebben. Dat moet hen woedend hebben gemaakt. Zolang Christus nog bij zijn leerlingen was, konden ze niks doen. Maar daarna hebben ze ongetwijfeld geprobeerd hun slag te slaan. Tussen Hemelvaart en Pinksteren werd het bewustzijn van de leerlingen verduisterd en opende zich in hun ziel een diepe kloof die ze slechts met de grootste inspanning konden overbruggen. Het was de kloof tussen de etherische wereld (waarin Christus verdwenen was) en hun eigen (ontredderde) astrale wereld, een kloof die met demonen was gevuld. 

Is dat ook niet de kloof waarvoor de moderne mens vandaag staat nu Christus spoorloos (uit de samenleving) is verdwenen? Zoder dat hij het beseft, is het leeg geworden in zijn ziel en verlangt hij hevig naar wat hij kwijt is geraakt. Maar hij kan de stille stem van Christus niet onderscheiden van de luide stemmen die uit de afgrond opklinken. Daarvoor ontbreekt het hem aan innerlijke rust en reflectie. Hij is steeds minder in staat om een weloverwogen oordeel te vormen en het kaf van het koren te scheiden. Ahriman bestookt hem met (materialistische) leugens, Lucifer doet hem keer op keer ‘ontploffen’, en samen zorgen ze ervoor dat de mens zijn evenwicht niet vindt en van het ene uiterste in het andere valt. 

Voor eenzelfde kloof kwam ik omstreeks Hemelvaart te staan. Dankzij het uitzonderlijk mooie weer had ik zowat de hele lente in mijn tuin kunnen werken en dat voelde aan als een staat van genade. Vroeger was ik altijd een machteloze toeschouwer bij de lente. Ik zag dan ook heel erg op tegen haar komst en dacht ieder jaar weer: laat deze kelk aan mij voorbijgaan! Maar dit jaar was het anders. Voor het eerst kon ik meewerken aan de ‘bevalling’ van de natuur: ik was niet enkel vader meer, ik was ook moeder geworden. Het deed behoorlijk pijn – met een rug als de mijne is werken in de tuin geen sinecure – maar ik had het er graag voor over. Liever (dit soort) fysieke pijn dan de zielepijn van de onvruchtbaarheid. 

Ik voelde me dus als uit de doden verrezen. Na de kwellingen van het jarenlange vergeefse zoeken naar een huis kwam Scheldewindeke als een verlossing. De maanden die volgden waren één lange paastijd: alles was nieuw. Eindelijk was het ook lente in mezelf! Er was een brug geslagen tussen mijn ziel en de wereld. Maar toen Hemelvaart kwam, stortte ze weer in. De ‘genade’ verdween. De eerste barsten waren reeds ontstaan toen ik netten moest spannen om de vogels te beletten mijn aardbeien en bessen op te eten. Ik gunde die vogels heus wel iets, maar men had me gewaarschuwd: ze laten niet één vrucht hangen! Dat wilde ik niet riskeren en dus begon het geworstel met die akelige plastic netten.

Het werd nog erger toen ik mij realiseerde dat ik, als ik wilde plukken, die netten telkens weer moest verwijderen en opnieuw aanbrengen. Daar had ik niet aan gedacht. Wat een hoogtepunt had moeten worden, werd daardoor een dieptepunt. En dat was slechts één aspect van de omslag die plaatsvond omstreeks Hemelvaart. Er steeg een soort weerzin tegen al dat tuinieren in me op. Opeens had ik er genoeg van. Het leek me dat er een cyclus afgelopen was, dat alles nu moest groeien en rijpen, en dat ik me moest beperken tot algemeen onderhoud. Als om dat te bevestigen, begon het onkruid overal wild op te schieten. De natuur gaf dus zelf aan wat er gedaan moest worden. Maar ik luisterde niet.

De oorzaak was een combinatie van enthousiasme en onwetendheid. Ik had me laten meeslepen door zaai- en kweekgenot. Als gevolg daarvan stond mijn serre vol met plantjes die ik wekenlang met moederlijke zorg omringd had. Die kon ik toch niet allemaal op de composthoop gooien? En dus ging ik in tegen het gevoel dat ik los moest laten, dat ik afstand moest nemen. Het veroorzaakte chaos in mijn ziel: ook daar begon het onkruid nu wild te woekeren en algauw zag ik er geen gat meer aan. Ik had de zaken niet langer onder controle. Ik begon me te ergeren aan het lawaai van spelende kinderen, van krassende kauwen, van ronkende landbouwmachines. Nee, dit was geen hemel op aarde meer. 

Tijdens dat omslagmoment nam ik de zomer-in-de-lente waar. Merkwaardig genoeg gebeurde dat tijdens een autorit op weg naar mijn ouders, die in zekere zin een ‘terugkeer naar de Vader’ was. Voor het eerst in mijn leven kon ik met mijn vader – een hartstochtelijk tuinier – een gesprek voeren over tomaten en aardbeien. In extremis raakten onze interesses elkaar. Als om die terugkeer te bekrachtigen, bleef de ‘zomer’ aanhouden. De hele week was het verstikkend warm. Geen weer om buiten te werken. En dus maakte ik van de gelegenheid gebruik om na te denken over mijn Hemelvaartwaarneming, want hoe onaanzielijk ze op het eerste gezicht ook leek, ze bleef in mijn bewustzijn hangen. 

Aanvankelijk ging het vrij vlot. Ik maakte een korte schets van christelijke en antroposofische opvattingen over Hemelvaart en vergeleek die met de gang van de seizoenen. Maar toen ik de zaak wilde omdraaien en niet van abstracte ideeën uitgaan maar van (de waarneming van) de natuur zelf, keerde het tij. De moed zonk me opeens in de schoenen. Het werd donker in mijn ziel en voor mij opende zich een afgrond waarvan ik dacht: hier kom ik nooit overheen! Het was een soort herhaling van wat ik net in de tuin had meegemaakt. Tot overmaat van ramp viel ook nog eens mijn iPad uit, mijn electronisch schrijfinstrument. Wat ik ook deed, op welk knopje ik ook drukte, het scherm bleef zwart.

Intussen was het Pinksteren geworden, maar van verlichting was geen sprake. Wel integendeel, de zomer veranderde opeens in herfst. Er stak een storm op. Als een bezetene rukte de wind aan alles wat boven de grond uitstak. De plastic serre die ik in de gauwte geïmproviseerd had voor mijn wachtende tomatenplantjes, werd in een oogwenk gesloopt. De onderdelen lagen over de tuin verspreid, samen met afgerukte takken en vruchten. Wat een tempeest! Zoals de ‘zomer’ een week had geduurd, zo bleef ook de wind dagenlang razen, zonder ook maar één moment te gaan liggen. Verbaasd keek ik naar al dat natuurgeweld. Wat was hier aan de hand? Dit was echt geen (Schelde)windeke meer.

Extreme hitte, stormwinden, hooikoortsaanvallen, iPad in panne, chaos in mijn ziel. Nadat ik (bij wijze van spreken) maandenlang één was geweest met de wereld om me heen, werd ik er nu helemaal van afgesloten. Ik viel als het ware terug in mijn vorig leven. Maar tegelijk ontstond in mezelf de verbeten wil om mijn beschouwingen over Hemelvaart voort te zetten. Vanuit de chaos – zowel buiten als binnenin mezelf – baande ik mij weer een weg naar boven, stap voor stap, dag na dag. Met veel moeite klom ik uit de kloof waarin ik zo onverwacht gevallen was. En toch had ik het gevoel dat ik ‘gedragen’ werd, dit keer niet door de natuur maar door de geest. Ik beleefde als het ware mijn eigen kleine Pinksteren. 

Daarmee ben ik aan het eind van deze beschouwingen gekomen. Ik heb ze geschreven op mijn oude iPad, die het nog altijd prima doet (en alleen de WordPress-app niet meer kan draaien). Toen hij me door het moeilijkste heen had geholpen, begon mijn nieuwe iPad als bij wonder opnieuw te werken én hield het buiten op met stormen. Alles keerde weer terug naar het oude, maar niet helemaal. Ik had Hemelvaart en Pinksteren, twee feesten die ik – net als de meeste mensen – al lang niet meer vier, op een nieuwe manier beleefd. Dat was deels een geschenk, deels het resultaat van mijn eigen inspanningen. En dat ervaar ik als een oerbeeld. Onze tijd heeft meer dan ooit nood aan de Heilige Geest. Maar hij komt niet vanzelf, toen niet en nu niet. 

Ite missa est

  

De streek waar ik nu woon, de Vlaamse Ardennen, ligt bezaaid met dorpjes. Om de vijf kilometer steekt een kerktoren boven de bomen uit. Groot zijn ze niet, die kerkjes, maar ze vormen wel een duidelijk herkenningspunt in het landschap. Het uiterlijke landschap dan, want voor ons innerlijke landschap betekenen ze niets meer. Ze zijn dan ook allemaal gesloten. Af en toe gaat de deur nog eens open, als de pastoor passeert om een mis op te dragen. Dat is dan niet de pastoor van het dorp, maar een ‘vliegende’ pastoor die in het weekend van hot naar her rijdt om in zoveel mogelijk kerken een eucharistieviering te houden. Feestelijk is anders. Ik heb nog de tijd meegemaakt dat er op zondag in iedere parochie meerdere misvieringen waren. Keuze genoeg. Later kwam daar ook nog de zaterdagavond bij. Maar dat was al een veeg teken.

Tijdens mijn leven is de ooit zo machtige katholieke kerk geruisloos ingestort. Mijn ouders gingen nog als vanzelfsprekend iedere zondag naar de mis. Even vanzelfsprekend ging ik (vanaf mijn 14de) niet meer, en mijn kinderen weten niet eens wat een mis is. Ze weten niks meer van het christendom, zoals de meeste jonge mensen. Dat betekent evenwel niet dat het christendom verdwenen is, wel integendeel. Het is langs de voordeur buitengeschopt, maar langs de achterdeur weer binnengekomen. De jongere generaties zijn even vanzelfsprekend politiek-correct als de oudere generaties christelijk waren, en politieke correctheid is niets anders dan onbewust, instinctief christendom. De idealen die de moderne mens in vuur en vlam zetten, zijn christelijke idealen. Alleen, hij weet het niet. En dat is de vloek van onze tijd.

Eigenlijk vieren we vandaag voortdurend Hemelvaart, maar dan in omgekeerde zin: we zijn blij dat Christus verdwenen is. Weg met religie! roepen we. Maar we bedoelen: weg met Christus! Want andere religies, de islam op kop, behandelen we met veel égards. De moderne mens is een christen-tegen-Christus geworden, en dat kan niet goed aflopen. Door gebrek aan bewustzijn is de wederkomst van Christus een zelfvernietigende impuls geworden, die de mens langzaam maar zeker ten gronde richt. Wat we meemaken is een omkering van het oerbeeld van Hemelvaart. In plaats dat we vooruitgaan naar Pinksteren keren we terug naar Golgotha en slaan in naam van de menselijkheid het wezen van alle menselijkheid aan het kruis. Meer dan ooit geldt het Christuswoord: heer, vergeef het hen, want ze weten niet wat ze doen!

Hemelvaart (3)

  

Hemelvaart volgt 40 dagen na Pasen. Die tijdspanne is enerzijds een concrete tijdsaanduiding van wat zich 2000 jaar geleden (op fysiek vlak) in Palestina heeft afgespeeld. Anderzijds heeft ze ook een oerbeeldkarakter: ze verwijst naar een geestelijke kwaliteit die zich uitdrukt in een bepaald ritme. Zo staat het getal 40 voor een cyclus die afgelopen is, een ontwikkeling die doorgemaakt is, een cirkel die rond is. Tenminste, dat las ik ergens toen ik aan het 40ste nummer van Het Vijgeblad was toegekomen. Dat was meer dan een abstract gegeven, het was ook – en vooral – iets wat ik ‘aan den lijve’ ondervond. Na 4 jaar had ik het gevoel dat ik mezelf begon te herhalen. Bovendien maakte mijn rug me pijnlijk duidelijk dat het geen goed idee was om voort te doen. Het was genoeg geweest. En dus zette ik er een punt achter.

Vandaag herhaalt die geschiedenis zich. Het is precies 4 jaar geleden dat ik begon met Vijgen na Pasen en opnieuw speelt mijn rug me hevig parten. Het gevoel mezelf te herhalen is er dit keer niet, wel het inzicht dat ik in de grond altijd over hetzelfde schrijf en dat het ook niet anders kan. Ieder mens heeft zijn specifieke taak in het leven en de mijne lijkt te zijn erachter te komen wat ik wil. Volgens Rudolf Steiner heeft een mens alles wat hem overkomt, zelf gewild. Je karma bestuderen, is dus proberen je eigen wil te doorgronden. Het is zoeken naar je eigen Ik, en daarmee ook naar Christus, het grote mensheids-Ik en tevens ‘heer van het karma’. Dat kan wel kloppen met het feit dat ik als oude ziel een ‘Christuszoeker’ ben. Mijn zoektocht is nog lang niet ten einde, maar er is wel opnieuw een cyclus afgelopen. 

Ook de Lichtbaken-conferentie in Antwerpen was het eind van een cyclus: ze voerde me terug naar mijn jeugd, toen ik karikaturen begon te tekenen. Ook dat was een zoektocht naar het Ik: het Ik van andere mensen (dat ik in m’n tekeningen zichtbaar wilde maken), het eigen Ik (dat ik in het tekenen – en eigenlijk alleen daar – beleefde), en ten slotte het mensheids-Ik Christus (wiens aangezicht de grootste gemene deler was van al individuele gezichten). Daar was ik me nooit bewust van geweest, maar nu begon die driegeleding me opeens te dagen. Aan het eind van mijn leven zag ik onverwachts het begin weer opduiken. Het was wel nog niet helemaal het eind en ook niet helemaal het begin, maar er was toch onmiskenbaar een cirkel rond. De conferentie sloot een cyclus af met de bewustwording ervan. 

Er werden nog meer cyclussen afgesloten. Zoals een 7-jaarscyclus. Ik word dit jaar 63 en begin dus aan mijn 10de zevenjaarsperiode. Die leeftijd is, naar verluidt, het begin van de voorbereiding op de dood. Ik begrijp dat als een terugblikken op het leven, want dat is toch waar een mens na de dood mee bezig is: het herbeleven en doorgronden van zijn voorbije leven? Zelf ben ik daar al veel vroeger mee begonnen – een autist leeft sowieso een beetje als een dode – dus zoveel verschil zal het niet maken. Maar toch is er iets veranderd. Brugge was een laatste poging om iets nieuws te beginnen in mijn leven. Dat zit er nu niet meer in, dat voel ik duidelijk. De mislukking van mijn marktloopbaan was een eindpunt, het afsluiten van een levenscyclus. Het ‘scheppende’ deel van mijn leven is voorbij, nu begint het (terug)kijken en oordelen.

Uiteraard was dat kijken en oordelen er voordien al. Een kunstenaar neemt tijdens het scheppen regelmatig afstand van zijn werk, maar nooit zoveel dat hij er los van komt. Dat laatste gebeurt pas wanneer het klaar is: dan wordt de navelstreng doorgeknipt. Uiterlijk is dat een kleine stap, maar innerlijk verandert er heel veel. De kunstenaar wordt nu toeschouwer en begint fouten en gebreken te zien die hij voordien niet zag. Hij ontwaakt uit de droom en dat komt soms hard aan. Ieder mens is de schepper van zijn eigen leven en als hij aan zijn 10de zevenjaarsperiode begint, moet hij de omslag naar het toeschouwerschap maken. In mijn geval werd dat nog eens extra beklemtoond doordat ik met pensioen ging. Uiterlijk veranderde er niets – ik was al lang ‘gepensioneerd’ – maar innerlijk was het toch duidelijk voelbaar.

Voor de meeste mensen is met pensioen gaan wél een grote verandering. Dat was het voor mij ook toen ik 30 jaar geleden besloot mijn leven ‘aan de kunst te wijden’. Ik kwam in een parallel universum terecht: ik hoorde er niet meer bij. De volgende vijf jaar vulde ik – zoals zoveel gepensioneerden – met een frenetieke activiteit die op hard werken leek maar in werkelijkheid ‘compenserend gedrag’ was. Pas toen ik begon te schrijven, kwam ik een beetje tot rust, want ik deed wat een gepensioneerde hoort te doen: reflecteren, beginnen met het ‘herkauwen’ van mijn leven. Daar was ik nog veel te jong voor en ik bleef dan ook pendelen tussen scheppen en oordelen. Maar nu ik 63 word en officieel met pensioen ben, heb ik het gevoel dat er genoeg afstand is ontstaan om werkelijk reflecteren mogelijk te maken.

Tegelijk begint het mij ook te dagen dat de moderne mensheid als geheel de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt. Een scheppende cyclus is afgelopen en de tijd is gekomen om te reflecteren. Maar dat keerpunt wordt genegeerd. Men doet alsof er niks aan de hand is en het leven gewoon doorgaat. Het gevolg is dat scheppen verandert in vernietigen. Wat in de geest moet gebeuren – reflecteren is een vorm van vernietigen (van levenskrachten) – gebeurt in de materie. Dat zien we zowel in de kunst als in de werkelijkheid: er vindt een explosie van geweld plaats, geweld dat wordt toegejuicht als was het het ontstaan van een nieuwe wereld. Maar die nieuwe wereld kan er nooit komen als de mens niet tot bezinning komt over de voorbije 2000 jaar, als hij daarover niet gaat reflecteren en zich een beeld vormt van wat er in dat ‘voorbije leven’ is gebeurd. 

Wat ik vandaag (en eigenlijk al m’n hele leven) in het klein meemaak, maakt de mensheid ook in het groot mee: de omslag van scheppen naar reflecteren. Daarom spreekt Rudolf Steiner ook over het Keerpunt der Tijden, een uitdrukking die hij zowel gebruikt voor de gebeurtenissen in Palestina 2000 jaar geleden, als voor onze tijd. Wat destijds op fysiek gebied gebeurde, moet nu op etherisch gebied gebeuren: het sterven van de levenskrachten en het verrijzen van het inzicht. Het eerste keerpunt vond in de materie plaats, het tweede dient in de geest plaats te vinden, in het bewustzijn van de mens. Daar is het dat we Christus moeten navolgen en ‘sterven’: we moeten erkennen dat er na die 2000 jaar scheppend werk voorlopig niks nieuws meer zal komen. Een werk (of cyclus) is af en moet nu beoordeeld worden. 

Pas als we ontwaken uit onze scheppingsroes (die meer en meer een vernietigingsroes wordt), zal de nodige afstand ontstaan om te reflecteren over die voorbije beschavingscyclus, om er de essentie uit te puren en mee te nemen naar een volgende cyclus. We moeten leren ‘met pensioen’ te gaan in plaats van onszelf blindelings in een frenetieke activiteit te storten. Hoe beschamend is het niet dat we in een wereld die volgestouwd is met machines die het werk van de mens overnemen, alsmaar harder en langer moeten werken! We raken op ons 30ste al ‘opgebrand’ maar de pensioengerechtigde leeftijd blijft opschuiven. Die vorm van krankzinnigheid is het gevolg van het onvermogen om ‘het keerpunt’ onder ogen te zien, om te erkennen dat er een tijdperk voorbij is, een cyclus afgelopen.  

Het grote weerspiegelt het kleine, het algemene het persoonlijke. Dat maakt het des te boeiender om aandachtig te kijken naar wat ik momenteel meemaak bij deze ommekeer in mijn leven. De opvallendste omslag was de verhuizing van Destelbergen naar Scheldewindeke. Na 21 jaar autolawaai woon ik nu in de stilte van het platteland. Zowel die stilte als dat platteland zijn zeer relatief, maar het verschil met vroeger is toch groot. Het is hetzelfde verschil als tussen het scheppen (op aarde) en het reflecteren (na de dood). Is het moderne leven niet één lange autorit: druk, snel, stresserend en lawaaierig? En heerst na de dood niet de rust en de stilte van ‘de buiten’? Hier in Scheldewindeke heb ik mezelf ‘begraven’. Ik kom mijn huis niet meer uit en onderhoud alleen nog via deze blog contact met de wereld.  

Ik ben als het ware van de aardbodem verdwenen, maar tegelijk ben ik er meer mee verbonden dan ooit. Want ik ben nu tuinier. Mijn hele leven heb ik me beziggehouden met ‘geestelijke’ zaken, maar nu wroet ik in de grond, plant sla en aardappelen, prei en selder, tomaten en aardbeien. Zowat iedere dag van de afgelopen lente heb ik buiten in de zon doorgebracht. Mijn rug en knieën protesteren daar hevig tegen, maar mijn ziel ziet een langgekoesterde wens in vervulling gaan. Ofschoon ik met volle overtuiging voor de kunst heb gekozen en daar nooit één moment spijt van heb gehad, heb ik het werken in een tuin altijd als een gemis ervaren. Ik had me dan ook al voorgenomen om in een volgend leven tuinier te worden. En zie, ik krijg daar al een voorproefje van!

Eindelijk ben ik verlost van het autolawaai dat me 21 jaar gekweld heeft. Ik voel me bevrijd uit een onderwereld vol razende demonen. Dat is natuurlijk een dichterlijke overdrijving, maar Scheldewindeke is in menig opzicht toch een hemel vergeleken bij Destelbergen: de rust, de stilte, het groen, de zuivere lucht, het degelijke huis, de grote tuin, en last but not least: de zon. De afgelopen jaren zat ik rond deze tijd van het jaar te kleumen naast de brandende kachel terwijl buiten de auto’s voorbijraasden. Nu leef ik al maanden in het licht van de zon en de stilte van de natuur. Ik heb een figuurlijke Hemelvaart beleefd: ik ben teruggekeerd naar de Vader, naar de wereld van de eeuwige zomer, maar tegelijk heb ik me verbonden met de aarde, met haar leven, haar ritmen en seizoenen. 

Aanvankelijk verzuchtte ik: waren we hier maar vroeger komen wonen, alles zou dan heel anders zijn geweest! Dat laatste is zeker waar, maar zou ik het ook werkelijk gewild hebben? Als autist heb ik het leven op aarde altijd ervaren als een verblijf in de onderwereld (met gelukkig af en toe een paar vrije dagen). Maar in die ‘onderwereld’ heb ik wel veel geleerd: ik heb er leren tekenen en schrijven, en ik heb er de antroposofie leren kennen. Dat zou allemaal niet gebeurd zijn als ik van jongs af in Scheldewindeke had gewoond en in de tuin had kunnen werken. De natuur zou me dan (zoals ik dat nu ondervind) volledig in beslag hebben genomen. Ze laat weinig ruimte voor ‘geestelijke’ dingen. De geest moet veroverd worden op de natuur en dat houdt een doodsproces in, een doodsproces dat ik heb gewild, dat lijdt geen twijfel. 

Mijn bestaan op aarde was één lange leerschool, want werken heb ik nauwelijks gedaan. Leven ook niet. Ik heb (of ben) hoofdzakelijk ‘gestorven’. Dat geldt overigens niet alleen voor mij. Vroeger leefde de mens veel dichter bij de natuur en haar eeuwig terugkerende ritmen en seizoenen. Hij werd er nagenoeg volledig door in beslag genomen en tijd voor bewustwording was er nauwelijks. Dat is vandaag heel anders: de mens is vervreemd van de natuur, hij is veel bewuster maar ook veel ‘doder’ geworden. Een uitzondering ben ik dus niet, hoogstens een karikatuur. We zijn vandaag allemaal meer dood dan levend, en in die zin lijken we op de leerlingen 2000 jaar geleden. Ze hadden het sterven van Christus zo intens meebeleefd dat ze zelf nauwelijks nog leefden. Hun ziel was helemaal omgeploegd en daar zaaide de Verrezene zijn woorden in. 

Dat doet hij ook vandaag weer. Aan het eind van de 19de eeuw werd Christus opnieuw gekruisigd, dit keer door het materialisme. Daarna verrees hij weer en kwam terug om de mensheid te onderrichten. Rudolf Steiner was de eerste om zijn ‘woorden’ te horen en te vertalen in moderne begrippen. Sindsdien is het onze opgave om Steiners voorbeeld te volgen en te ‘luisteren’ naar de wedergekomen Christus. Alleen dan kan er een Pinksteren komen en kan de Heilige Geest ons bewustzijn verlichten zodat we zien wat we willen en begrijpen waarvoor we op aarde zijn gekomen. Dit weten-wat-we-willen zal ons vrij maken, want vrijheid betekent niet dat we doen wat we willen maar dat we weten wat we doen. Om dat weten te verwerven, moeten we ons inspannen. We moeten zelf Pinksteren tot stand brengen.

We moeten leren luisteren naar de woorden van de wedergekomen Christus, dat wil zeggen naar zijn Heilige Geest. Maar eerst moeten we zijn beelden leren zien: de eeuwige beelden die hij ons in de natuur voorhoudt en de tijdelijke beelden die hij ons in de menselijke wereld toont. Imaginatie komt voor inspiratie. Die volgorde is belangrijk, want we zien vandaag wat er gebeurt wanneer de eerste stap wordt overgeslagen. De politiek-correcte mens meent de stem van Christus te horen, maar is blind voor zijn beelden. Dat maakt hem tot een (geestelijke) terrorist die denkt dat hij een heilige is. Ahriman doet hem een essentiële stap overslaan en dat leidt tot een omgekeerd Pinksteren: in plaats dat het bewustzijn van de mens verlicht wordt door de Geest, wordt het verduisterd door het Beest.