Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Tag: Academie

De Tuin van Heden (4)

  

Voor het eerst in mijn leven woon ik op het platteland, tussen de velden en weiden. Tevoren woonde ik altijd op de grens tussen stad en platteland. In Mechelen bijvoorbeeld, waar ik het grootste deel van mijn jeugd heb doorgebracht, woonde ik tijdens mijn tweede zevenjaarsperiode net buiten de stad. Vijf minuten stappen in de ene richting en ik stond op de Grote Markt. Honderd meter de andere richting uit begon er een – in mijn kinderogen eindeloze – wereld van velden, bossen en rivieren. Het platteland kwam er nog tot vlak bij de stad. Om deze laatste te bereiken moest ik de Dijle oversteken via de Winketbrug. Met haar vier torens zag ze eruit als de metalen versie van een middeleeuwse stadspoort. Ik passeerde ze dagelijks op weg naar school, of op weg naar het spel. Tussen die twee polen pendelde ik als kind heen en weer. In de stad zat ik op school in de klas. Buiten de stad speelde ik in ‘den bemd’ of op straat, of ik zat thuis te tekenen of te lezen. 

School en spel lagen nog dicht bij elkaar, letterlijk en figuurlijk. Ik leerde spelenderwijs, het kostte me geen enkele moeite. Spelen, binnen of buiten, had dan weer regels die geleerd moesten te worden. In de Winketbrug – enerzijds een fraai staaltje techniek, anderzijds een kunstwerk in ijzer – werden beide polen symbolisch verenigd. Ook hemel en aarde kwamen hier samen. Als een schip met bouwmaterialen passeerde, stond ik vol ontzag te kijken hoe de brug omhoog werd getakeld aan de vier wielen in haar torens. Als een roekeloze motorrijder met een sierlijke boog in het water verdween, volgde ik ademloos de reddingspogingen van de brandweer. Het met slijk overdekte lijk dat ze ten slotte bovenhaalden, was de eerste dode die ik zag. Het was ook mijn eerste confrontatie met het gevaar dat verbonden is met het overschrijden van de grens tussen twee werelden. Maar geen van die onderbrekingen kon mij uit de droom halen. Het leven was nog een spel.

Toen mijn derde zevenjaarsperiode aanbrak, verhuisden we naar de andere kant van de stad. Opnieuw woonden we op de grens met het platteland, opnieuw moest ik een brug oversteken om de stad te bereiken. Maar dit keer duurde het wel een half uur voor ik in het centrum stond en ook de velden en weiden lagen heel wat verder weg. Het was niet langer de kronkelende, slijkerige Dijle die ik moest oversteken, maar de propere, kaarsrechte Leuvense vaart. Er lag ook geen monumentale Winketbrug meer over, maar een belachelijk kleine Colomabrug, die nog met de hand moest open- en dichtgedraaid worden en zo smal was dat ze slechts verkeer in één richting toeliet. Dat bemoeilijkte het oversteken van de grens tussen stad en platteland in aanzienlijke mate en ik moest soms lang staan wachten tot de auto’s uit de andere richting de gammele Colomabrug waren overgestoken. Het verkeer tussen beide werelden verliep nu met horten en stoten. Het leven had zijn speelse, dromerige karakter verloren. 

Die uiterlijke verandering weerspiegelde mijn zieleleven. Ik werd langzaam wakker. De puberteit – of ‘aarderijpheid’ zoals Rudolf Steiner het noemt – begon. Zoals stad en platteland zich van elkaar verwijderden, zo verwijderden zich ook binnen- en buitenwereld van elkaar. Ik speelde niet langer op straat of in ‘den bemd’, maar had voor het eerst een eigen kamer waar ik me kon terugtrekken. Mijn gedachten en gevoelens gingen niet langer dromerig en organisch heen en weer, ze werden nu gescheiden door een strakke, rechte lijn en het verkeer tussen beide verliep moeizaam. Nu eens kregen verhitte emoties de voorrang, dan weer was het de beurt aan de kille ratio. Het evenwicht was zoek en de balans kantelde in de richting van de stad. Zoals het platteland verdween uit mijn leven, zo verdween ook de godsdienst. Van beide had ik slechts een laatste uitloper meegemaakt, en toen ik van mijn geloof afviel, gebeurde dat zoals een appel van de boom valt. Ik was rijp voor de aarde, rijp voor de stad.

Ik herinner me nog altijd het moment waarop het gebeurde. Ik zat in de zondagsmis te dromen, toen ik plots opkeek en dacht: wat doe ik hier? Ik realiseerde me opeens dat ik hier niet langer thuishoorde en in één klap viel het hele godsdienstige leven van me af, alsof het er nooit geweest was. Zelfs de straatnamen weerspiegelden die plotse overgang. Van de Bethaniënstraat (vanwaar we de Sint-Romboutstoren konden zien) waren we verhuisd naar de Voetbalstraat. De bijbel had plaats gemaakt voor de sport, de seculiere religie van onze tijd. Ik zat niet langer in de mis te dromen, maar supporterde in de Winkethal voor het legendarische Racing Mechelen. De appollinische terughouding van de godsdienst had plaats gemaakt voor de dionysische extase van de sport. Zo’n basketwedstrijd was een echte heksenketel, en als het afgelopen was, liep ik als op wolken, ik voelde me herboren, mijn ziel was gezuiverd. Zo’n katharsis had ik in de kerk nooit meegemaakt.

Hoe groot de stap van godsdienst naar sport was, ondervond ik aan den lijve. Tijdens een volleybalwedstrijd op school kwam ik ongelukkig op een bal terecht en mijn linkerknie ging aan flarden. Na drie operaties door de oude dokter Thoen (what’s in a name) hoorde ik zijn assistenten zeggen dat hij een mirakel had verricht. Het ongeval was een beeld van wat mijn ziel was overkomen: ze was uit de hemel op aarde gevallen en onderuit gegaan. In het ziekenhuis maakte ik kennis met lijden en dood. Mijn eigen revalidatie was lang en pijnlijk. Zij was een beeld van wat me te wachten stond. Ik was schijnbaar moeiteloos van mijn geloof afgevallen, maar diep in mijn ziel had zich precies hetzelfde afgespeeld als in de turnzaal. Mijn spelende leven was bruusk afgebroken, ik kwam met een smak terecht in een duistere wereld zonder zin of betekenis, een wereld vol pijn en kwellingen, een wereld die geregeerd werd door het blinde toeval. Mijn voyage au bout de l’enfer was begonnen. 

Wat ik in de mis had beleefd, beleefde ik nu op school. De wetenschap was – samen met de sport – de nieuwe religie en opnieuw had ik geen idee waarover het ging. Ik begreep niet wat de man vooraan stond te vertellen, het ging mijn ene oor in en het andere weer uit. Wat vroeger een spel was geweest, kostte me nu de grootste moeite. Mijn schoolresultaten, die altijd uitstekend waren geweest, gingen in vrije val. Alles leek te vallen toen mijn puberteit begon, mijn hele leven brak in stukken. Maar net als mijn knie werd mijn schoolcarrière – middels verschillende ‘operaties’ – op miraculeuze wijze gered. Die knie speelde daar trouwens een beslissende rol in. Na het ongeval had de turnleraar mij aan mijn lot overgelaten. Uiteindelijk was het de tekenleraar die me naar huis bracht en me daar voor de deur achterliet, want er was niemand thuis. Toen de ernst van de situatie tot de schoolleiding doordrong, voelde ze zich waarschijnlijk schuldig en besloot me terug te betalen. Dat jaar kreeg ik de examenvragen op voorhand. 

Na bijna een jaar afwezigheid was ik blij eindelijk weer naar de academie te kunnen gaan, het enige lichtpunt in mijn leven. Toen de leraar me weer zag verschijnen, barstte hij in woede uit. Waar had ik in godsnaam gezeten? Waarom had ik hem niets laten weten? Mijn hart sprong op: ik betekende iets voor die man, ik was belangrijk voor hem! Zijn woedeaanval was het grootste compliment dat ik ooit had gekregen. Vanaf dat moment werd hij mijn leraar, degene die me met vaste hand doorheen de steeds dieper wordende duisternis van mijn leven zou leiden. Terwijl ik op school leugen en bedrog leerde kennen, was hij een toonbeeld van integriteit en waarheidsliefde. Hij leerde mij de kunst kennen en zij werd mijn nieuwe religie, de bron van alles wat goed, waar en mooi was in mijn leven. Ondanks haar strikte regels liet ze me volkomen vrij, want de regels werden me niet van buitenaf opgelegd, ze spraken uit de zaak zelf, de zaak die ik boven alles liefhad. De kunst werd mijn nieuwe Winketbrug, ze verbond buiten en binnen, hemel en aarde. 

De academie was gehuisvest in een nieuw gebouw dat eruitzag als een ziekenhuis. Het was dan ook bedoeld om in tijden van oorlog dienst te kunnen doen als hospitaal. Dit ‘academische’ ziekenhuis bevond zich op de plek waar vroeger een minderbroedersklooster had gestaan. Aan de ene kant werd het geflankeerd door de Sint-Romboutskathedraal, aan de andere kant door het Scheppersinstituut waar ik school liep. Religie, kunst en wetenschap lagen er vlak naast elkaar, alsof ze samenhoorden, maar ze werden wel gescheiden door twee straten. Ofschoon godsdienst me volkomen onverschillig liet, passeerde ik de kathedraal nooit zonder even stil te staan en vol ontzag omhoog te kijken naar de indrukwekkende Sint-Romboutstoren. ’s Zondags strooide hij zijn beiaardklanken uit over de academie, als om haar te zegenen. In mijn beleving was er dan ook geen tegenstelling tussen beide. De kathedraal was een kunstwerk, tekenen was een eredienst, en aan beide beleefde ik grote vreugde. 

Heel anders was het aan de andere kant. Daar keek ik in een duistere diepte vol kwellingen. Ondanks haar naam was er op mijn school geen ruimte voor kunst, alles stond er in het teken van wiskunde en wetenschap. Dezelfde dubbelzinnigheid vertoonde de Melaan, de straat die het school en academie van elkaar scheidde. Vroeger, in de tijd toen Mechelen er nog uitzag als een Brugge-in-het-groot, liep hier een van de vele reien die de stad doorkruisten. De Melaan was dus in feite een brede brug, maar desondanks werd het (onzichtbare) water tussen kunst en wetenschap steeds dieper. Een voorval illustreerde dat. Toen we op een dag na de examens de tijd zaten te doden in de klas, zag ik door het raam hoe de leerlingen van de academie aan de overkant toestroomden voor de proclamatie. Vol verlangen vroeg ik de toezichthoudende leraar of ik de straat mocht oversteken om mijn getuigschrift (en de felicitaties van de jury) in ontvangst te nemen. Maar daar kon geen sprake van zijn. 

Toen mijn leraar aan de academie vernam dat ik naar de universiteit zou gaan, schoot hij in de lach. Hij vond het een kostelijke grap, maar zei er verder niets over. Vlak voor ik zou vertrekken, sprak hij echter voor het eerst over zijn eigen leraar, die toen net gestorven was en wiens werk in het museum van Antwerpen tentoongesteld werd. ‘Als je eens iemand wil zien die het tekenen tot de uiterste consequenties heeft doorgedreven …’ Meer zei hij niet. Ik had de naam Jos Hendrickx nog nooit gehoord en dacht er verder niet over na. Ik had wel andere dingen aan mijn hoofd. Op school zat ik in een rollercoaster die me deed duizelen. Sinds mijn ongeval had men mij op alle mogelijke manieren door de examens gesleurd. Ik had het spel meegespeeld, maar uiteindelijk werd het me teveel. Tijdens de laatste examenperiode deed ik mijn mond nauwelijks open, de meeste vragen beantwoordde ik met een schouderophalen. De Broeders van Liefde kenden echter geen genade, ze dwongen me de rit tot het bittere eind uit te zitten.

Ten slotte brak de dag des oordeels aan. Op de achterste rij van een overvolle schoolkapel zat ik samen met mijn ouders te wachten op mijn doodvonnis. Ik had het eens nagerekend: meer dan 20 percent van de punten kon ik onmogelijk behaald hebben. En ik had besloten naar de universiteit te gaan! Wat een farce! Toen hoorde ik in de verte de directeur opeens trots verklaren dat dit jaar iedereen geslaagd was- een unicum in de schoolgeschiedenis! Ik dacht: waar hééft die man het over? Pas toen iedereen iedereen begon te feliciteren drong het tot me door: ik was geslaagd! Ik begreep er helemaal niks meer van. Drie jaar later zou me dat in Leuven nog eens overkomen. Toen kreeg ik een lachbui waar geen eind aan kwam, maar nu was ik als verdoofd. De zinloosheid en absurditeit van mijn bestaan waren ten top gestegen. De tegenstelling tussen school en academie, tussen wetenschap en kunst, tussen plicht en spel was nooit groter geweest. 

Met een zucht van opluchting trok ik de schoolpoort achter me dicht, maar tegelijk overviel me het besef dat ik er nu alleen voor stond. Voortaan zou ik het moeten doen zonder de – ondanks alles – vertrouwde omhulling van de school. De universiteit was dan ook gewoon een nieuwe omhulling waar ik naartoe vluchtte. Maar op de valreep ging ik eerst kijken naar de retrospectieve van Jos Hendrickx in Antwerpen. Het werd een verpletterende ervaring. Als een Sint-Romboutstoren rees deze machtige scheppende geest voor me op. Zijn monumentale tekeningen waren als kathedralen vol heilige stilte. Toen ik weer buitenkwam, zag de wereld er anders uit. Ik bekeek hem nu met de ogen van deze geniale tekenaar. De volgende dag had ik hoge koorts. Nierontsteking, constateerde de dokter en hij schreef me platte rust en een streng dieet voor. Zo bracht ik mijn eerste week in Leuven door: liggend op bed, starend naar vier witte muren, levend op beschuit en appelsap. Ik was 18 en bevond me in het hol van de leeuw.

Lichtbaken (15)

  

Het Ik van de mens, zijn geestelijke kern dus, is niet hetzelfde als zijn karakter of zijn innerlijk. Dat laatste kun je, mits enig inlevingsvermogen, aflezen aan zijn fysieke verschijning. Het Ik daarentegen is zintuiglijk niet waarneembaar, het is geestelijk van aard en behoort tot een andere wereld waarvan je je pas bewust wordt wanneer je de zintuiglijke wereld (bijvoorbeeld al tekenend of schilderend) ‘doodt’. Het Ik wordt dan uit het fysieke lichaam bevrijd, zoals dat ook gebeurt wanneer iemand sterft. Ook dan kun je het Ik van een mens gewaarworden, wanneer je tenminste kijkt met een kunstzinnig oog. Rudolf Steiner beschrijft hoe de geest van de gestorvene zich geleidelijk uitbreidt en steeds groter wordt: de hele wereld wordt zijn ‘lichaam’. En in dat nieuwe lichaam kun je hem soms herkennen, bijvoorbeeld tijdens begrafenissen. De gestorvene manifesteert zich dan in de omgeving, door middel van sprekende beelden. Zo herinner ik mij de begrafenis van mijn leraar op Schoonselhof in Antwerpen, een prachtige plek overigens. Het was een ietwat sombere, bewolkte dag, maar exact op het moment dat zijn assen werden uitgestrooid, brak de zon door en zette de bomen, waar hij zo van hield, in volle luister. Hoe groot was de kans dat die twee zaken – het vallen van de assen en het verschijnen van de bomenpracht – niet alleen samenvielen, maar ook nog eens tekenend (sic) waren voor de dode? Ik twijfelde er niet aan: hij was daar. Ik werd zijn geest gewaar, niet rechtstreeks maar in een beeld, in ‘de vorm van de idee’. 

In een dergelijke imaginatieve sfeer maakt het Ik van de mens zich kenbaar. Het is een sfeer die ontstaat wanneer de fysieke, materiële sfeer vernietigd wordt, wanneer een mens sterft of wanneer hij door een portrettist ‘gedood’ wordt. De bovenzintuiglijke sfeer is sowieso een kunstzinnige sfeer. Aan een dood lichaam is niets kunstzinnigs: het valt uiteen, het gaat tot ontbinding over, het stinkt en het is lelijk. Daarom begraven of verbranden we het ook. Toch is deze akelige, dode sfeer onlosmakelijk verbonden met de levende, geestelijke sfeer, want zonder haar vernietigingsprocessen kan er nooit kunst ontstaan. De kunstenaar moet doden om nieuw leven te creëren. Dat geldt zowel in de cultuur als in de natuur. De dood, schreef Goethe, is een kunstgreep van de natuur om meer leven te hebben. Kunst is een ars moriendi. De kunst van het scheppen is altijd ook de kunst van het doden. 

Uiteraard doodt de kunstenaar niet de levende werkelijkheid zelf. Wat hij doodt, is zijn gehechtheid eraan, het zintuiglijke genot dat hij eraan beleeft. Want de (beeldende) kunstenaar is per definitie een zinnelijk mens. Hij geniet intens van de zintuiglijke vormen van de werkelijkheid. Hij beleeft die als het ware in en met zijn eigen lichaam, het lichaam waardoor hij deel uitmaakt van de aardse, fysieke werkelijkheid. Van die werkelijkheid moet hij zich losmaken als hij haar wil tekenen. Hij moet zijn zinnelijk genot overwinnen. En dat voelt aan als een sterven, een sterven waardoor zijn eigen Ik zich kan bevrijden en scheppend actief worden. 

Dat is dan ook wat ik als leerling aan de academie geleerd heb: sterven, zintuiglijk genot overwinnen. En dat vergde een hevige strijd, want hoe meer je gehecht bent aan de fysieke, zinnelijke wereld, des te meer moeite kost het om je daarvan los te maken. Maar juist om die inspanning gaat het: hoe heviger de ‘doodsstrijd’, des te groter de scheppende krachten die vrijkomen. Niet voor niets zegt de volksmond dat een kunstenaar moet lijden. Maar een kunstenaar lijdt niet om te lijden. Net zoals ieder mens – en door zijn zinnelijke aard wellicht nog meer – verafschuwt hij het lijden, deze tegenpool van zinnelijk genot. Maar hoe intens zijn afschuw van lijden en dood ook is, de vreugde die hij beleeft aan de scheppingskracht die erdoor vrij komt, is groter. 

Ik heb als leerling aan de academie hevige (innerlijke) gevechten geleverd met mijn Stofftrieb (mijn zinnelijke verlangen om vol genot te zwelgen in de vormen die ik tekende) omdat ik wist dat het slechte tekeningen zou opleveren. Voortdurend moest ik de strijd aangaan met de geest die me toefluisterde: kom nou, zo nauw steekt het heus niet, je zal het verschil niet merken! Maar ik had al ondervonden dat ik het verschil wél zou merken. Mijn tekening zou simpelweg niet lijken op de werkelijkheid, ze zou niet kloppen, ze zou een lachwekkend gedrocht zijn. Was dat vooruitzicht niet sterk genoeg, kon ik niet weerstaan aan de fluisterende stem van de verleider, dan was er altijd nog mijn leraar. Hij verstond de kunst om op het juiste moment te verschijnen en te zeggen: geef me je pluim eens! Ik wist dan al hoe laat het was. Zonder een woord te zeggen, veegde hij met enkele krachtige bewegingen m’n hele tekening uit. Vervolgens trok hij – na zorgvuldig gemeten te hebben – enkele rechte lijnen op m’n blad en zei: doe nu maar verder! 

Zo’n ingreep deed mijn hart in elkaar krimpen: uren van ingespannen werk in één handomdraai vernietigd! Maar ik wist dat mijn leraar deed wat gedaan moest worden als je een goede tekening wilde maken. Hij deed wat ik zelf ook wilde, maar – door die fluisterende stem – niet altijd kon. Dan stak hij een handje toe, dan hielp hij me sterven. En ik accepteerde zijn hardhandige ingrepen, want ik wist dat het niet anders kon. ‘De stem’ in me schreeuwde moord en brand om zoveel gebrek aan respect. Maar ik leerde onderscheid maken tussen mijn hogere zelf (mijn Ik) dat wist dat er moest gestorven worden, en mijn lagere zelf (mijn ego) dat alleen maar wilde leven en genieten. Ik had ondervonden dat (innerlijk) toegeven aan dat genotvolle, zinnelijke leven alleen maar dode tekeningen opleverde, terwijl uit het pijnlijke, moeizame sterven levende tekeningen geboren werden. 

Over kunst leerde ik niets aan de academie. Daar hield mijn leraar zich niet mee bezig. Zijn taak was om mij te leren sterven, om mij te helpen mijn ego te vernietigen. Dan kwamen de scheppende krachten van mijn Ik – als die er waren – vanzelf wel vrij, en daar moeide hij zich niet mee. Met je lagere zelf veegde hij de vloer aan, maar voor je hogere Ik toonde hij een scrupuleus respect. Daarom kon ik in zijn klas mezelf zijn, daarom voelde ik mij vrij – een ongekende ervaring voor een jongen die zich tijdens de week gebonden zag door regels en plichten waar hij niets van begreep. De regels die ik aan de academie moest gehoorzamen waren niet minder streng maar ik begreep ze tenminste. Ze kwamen voort uit de zaak zelf en die zaak wilde ik met hart en ziel. Daarom ‘stierf’ ik ook met hart en ziel. Ik leverde in mijn ziel de ene veldslag na de andere. Soms won ik, soms verloor ik, maar dan begon ik met verdubbelde kracht opnieuw. Want ik wist: dit is de weg, er is er geen andere! 

Mijn leraar gaf me niet alleen morele steun bij dat sterven, hij vertelde me ook hoe ik moest sterven. Drie dingen waren daarvoor nodig: meten, meten en nog eens meten. Tekenen was pure meetkunde. Een tekening was een wiskundige constructie, een volkomen dood en abstract bouwsel. Niets zintuiglijks mocht van het onderwerp overblijven, het moest herleid worden tot louter rechte lijnen. Het ‘doden’ moest grondig gebeuren, er mocht geen greintje leven overblijven. Want leven was ondoorzichtig en een tekening moest inzichtelijk en transparant zijn: alles wat op je blad verscheen diende begrepen te zijn. Daarom werkten we ook naar (gipsen afgietsels van) antieke beelden. Ze leken de fysieke mens na te bootsen, maar in werkelijkheid waren het zuiver wiskundige composities die alleen maar op de levende, zintuiglijke werkelijkheid leken omdat ze zo complex waren. Zo ging het ook als je tekende: als je dat meetkundige bouwen volhield tot op het eind, dan verscheen er een tekening die de zintuiglijke werkelijkheid volkomen recht deed. Het dode bouwsel diende niet tot leven te worden gewekt, het werd vanzelf levend.  

Dat was eigenlijk het grote mysterie waarin ik stelselmatig werd ingewijd: het mysterie van dood en wederopstanding. Uit het dode werd het levende geboren. Wat ik aan de academie leerde, was Stirb und Werde. Geen tegenstelling was groter dan tussen sterven en geboren worden, en toch waren ze één. Als je tekende, moest je niet eerst alles dood maken en vervolgens wachten tot het – op wonderbaarlijke wijze – weer levend werd. Nee, het sterven was tegelijk een verrijzen. Het herleiden van je (levende) onderwerp tot dode vormen, was tegelijk het bouwen aan een levende tekening. Beide vielen samen. Daarom realiseerde je je niet hoe wonderlijk dit was. En als je het toch opmerkte, dacht je er niet over na. Waarom zou je ook? Je had deel aan dat mysterie en je kon er niet genoeg van krijgen. Het was het mooiste wat je kende.

De gouden doos

  
Ik heb op deze blog al vaak verteld over mijn jaren aan de Mechelse academie. Deze oude en ‘koninklijke’ academie oefende in het Mechelen van 50 jaar geleden een grote aantrekkingskracht uit op oud en jong. Die aantrekkingskracht ging uit van de geest die deze academie bezielde, een geest die was aangestoken door … asielzoekers. In de jaren ’60 van de vorige eeuw was de Antwerpse academie namelijk veroverd door de barbaren van het modernisme, en nogal wat kunstenaars en leerkrachten waren daarvoor op de vlucht gegaan. Ze hadden onderdak gevonden in het nabij gelegen Mechelen, een slaperige provinciestad met een roemrijk verleden, waar de plaatselijke academie net een nieuw gebouw had gekregen aan de voet van de St.Romboutstoren, op de plek waar ooit een minderbroedersklooster had gestaan waarvan alleen nog de kerk overbleef. Daar kreeg de ‘Antwerpse geest’ een nieuwe, eigentijdse vorm – niet alleen qua gebouw maar ook qua pedagogie – en beleefde ze een schitterende St.Michielszomer, een gouden nabloei.

Tien jaar lang, van m’n 11de tot m’n 21ste heb ik mij daar ’s zondags (en later ook ’s zaterdags) gekoesterd in de stralen van deze (geestelijke) gouden zon. Wat haar stralen in mij wakker maakten, gaf mij de kracht om mijn leven lang te vechten tegen de ‘moderne barbaren’. Veel mensen beschouwen dat ongetwijfeld als een zielige eenmanskruistocht tegen de ‘hedendaagse’ kunst, een uiting van mijn onvermogen om mee te gaan met mijn tijd. Maar ik blijf gewoon trouw aan de geest van mijn jeugd, een geest die In mijn ogen veel moderner is dan de zogenaamde modernen. Want deze laatsten erkennen hun onvermogen niet, ze verbergen het achter arrogantie en agressie. Ze kunnen niet accepteren dat de zomer voorbij is en de herfst aangebroken. Het scheppende werk is gedaan en waar het nu om gaat is het bewaren van de opbrengst, het voorbereiden van de winter. En dat is wat er aan de academie van Mechelen gebeurde: de quintessens van het verleden werd er bewaard, op actieve wijze bewaard zoals bijen dat doen die de nectar van de bloemen verzamelen en er honing van maken. 

Dat alles gebeurde op een zeer oude plek, in het historische centrum van Mechelen. Als hoofdstad der Nederlanden had Mechelen ooit zeer steile ambities, die belichaamd werden door de indrukwekkende St.Romboutstoren die de hoogste ter wereld moest worden, maar symbolischerwijze nooit een spits kreeg. Daarna zakte Mechelen weg in een diepe slaap, en dat was de stad die ik als knaap leerde kennen: een stad waar iedereen sliep. We woonden aan de rand ervan en iedere zondagochtend fietste ik in alle vroegte naar het centrum. Ik volgde de Dijle, stak ze over  via de oude Winketbrug met haar vier torens, reed door stille smalle straatjes en bereikte ten slotte de Melaan waar ik de Minderbroedersgang indook, een soort flessehals die uitmondde op een pleintje aan de voet van de St.Romboutstoren. Op die wekelijkse fietstocht kwam ik geen levende ziel tegen. Alles verkeerde in diepe rust. In de zomer was het heerlijk, in de winter spannend. Ik genoot ervan om in helemaal in mijn eentje die oude slapende ziel binnen te dringen en haar centrum te bereiken, de academie, waar het bruiste van kunstzinnig leven en waar jong en oud samen kwamen om hard te werken. 

Ik zwierf tijdens de lessen graag door de grote lege gangen van de academie. Het was er zo mogelijk nog stiller dan buiten. Ik kwam er ook nooit iemand tegen want iedereen was ijverig aan het werk. Ik had het hele gebouw voor mij alleen. De tekeningen en schilderijen hingen roerloos aan de muren, de gipsen beelden stonden er tussenin en getuigden van een ver verleden. Soms kroop ik op het dak en had daar een adembenemend uitzicht op de slapende stad met zijn talloze kerktorens. Ik kon me bijna nog in de Middeleeuwen wanen. Maar in het centrum van die middeleeuwse stilte bruiste het van leven. Je kon het niet horen – het geschraap van houtskool over papier of van penseel over doek drong niet door muren heen – maar je kon het wel voelen. Het was alomtegenwoordig in de academie, het straalde zelfs uit over de slapende stad en vermengde zich tegen de middag met de beiaardklanken die van de St.Romboutstoren naar beneden dwarrelden als herfstbladeren. Het was een innerlijk leven, een intense geestelijke activiteit die haar sporen naliet op papier en doek, maar ook in de ziel van de leerlingen. Dat was het mooiste van alles, het hart van de hele betoverende sfeer: iedereen werd weer onschuldig. Van groot tot klein, van bedrijfsleider tot werkloze: allemaal werden ze weer spelende kinderen, allemaal werden ze echt mens. 

Dat is wat ik aan de Mechelse academie gezien heb met mijn eigen ogen, wat ik er met mijn eigen handen bewerkstelligd heb, wat ik er diep in mijn hart heb opgenomen: de mens kan weer onschuldig worden, de mens kan weer kind worden en ‘het koninkrijk der hemelen’ binnen gaan. Het is hard werken en het luistert zeer nauw, maar het is mogelijk. En het is het mooiste wat je kunt meemaken: een stukje eeuwigheid beleven in een zeer, zeer tijdelijke wereld. Maar zoals alles had het ook zijn keerzijde. Aan de overkant van de Melaan lag namelijk mijn school, die ironisch genoeg het Scheppersinstituut heette. Pas later zou ik begrijpen welk omen in deze nomen verborgen zat. Hier heerste niet de gouden zon van de academie maar het kille maanlicht van de moderne wetenschap. Groter tegenstelling was niet denkbaar. De grens tussen beide was heel scherp en duidelijk. Ze mocht onder geen beding overschreden worden, de ‘wetenschappelijke’ regels waren onwrikbaar. Tenminste tijdens mijn jeugd. Toen ik veertien jaar later terugkeerde naar de academie bleek de grens wél overschreden te zijn: de kille geest van de wetenschap was de wereld van de kunst binnengedrongen. 

Dat had die maan-geest natuurlijk al veel vroeger gedaan. Het was de reden waarom al die Antwerpse leerkrachten naar Mechelen waren gevlucht, de stad van de Maneblussers tussen haakjes. Hier vond de zonne-geest van de kunst nog even soelaas voor het maan-geweld van de ‘barbaren der moderniteit’. Maar de zonsverduistering was overmijdelijk. Bij mijn terugkeer was ik er getuige van hoe de kilte van de dood de hele Mechelse academie in zijn greep kreeg. Symbolischerwijze werd aan de voet van Rik Wouters’ beeld ‘Huiselijke zorgen‘ inderdaad een (nachtelijke) moordpoging ondernomen. Het paste allemaal in het beeld van een academie die werd veroverd door ‘de overkant’, door de tegenovergestelde geest, de kille geest van leugen, bedrog, naijver, competitie, enzovoort. De vormen van de zonne-geest hielden nog wel een tijdje stand, maar de geest zelf was verdwenen. Hij was nog slechts een herinnering. Ik was getuige van de langzame ontbinding van zijn ‘lichaam’. 

Het begon, als ik me goed herinner, met de restauratie van beide kerken: de Minderbroederskerk die tegenover de academie lag en de St.Romboutskathedraal die er vlak naast lag. De hele zijmuur van de Minderbroederskerk was bedekt met klimop. Hij zat vol met vogels die wedijverden met de beiaard van de St.Romboutstoren. Het was een plezier om ernaar te kijken en te luisteren. De toren zelf werd ook gerestaureerd. Hij zag er donker en mysterieus uit, als een  kostbaar stuk antiek bedekt met het patina van eeuwen. Toen dat verwijderd was zag de toren er vlekkerig uit, hij had een flink stuk van zijn karakter ingeboet. Idem voor de binnenkant van de kathedraal, die was ter gelegenheid van het bezoek van de Poolse paus helemaal witgekalkt. Het was een ontzettende aanslag op zowel toren als kathedraal. Ik herinner me nog dat ik in de etsklas zat, de vensters stonden open, het was lente. De werklieden op de stellingen die de St.Romboutstoren bedekten waren luidkeels aan het zingen en ik begon mee te zingen, heel luid en heel vals. Het klonk als een gigantische vloek in de immer stille etsklas, maar het was het enige wat je kon doen: de zaken overdrijven, dan leken ze in werkelijkheid iets minder erg. Want het wás erg. Zien hoe de stoffelijke resten van een geliefde geest langzaam wegrotten is in de natuur misschien wel aangenaam maar niet in de cultuur.

Ik ben later nooit meer teruggekeerd naar de academie, maar een enkele keer passeerde ik er nog wel eens en zag dan tot mijn ontzetting dat het van kwaad tot erger ging. Eerst verdween het beeld van Rik Wouters dat altijd in het midden van de voortuin had gestaan. Ik zou later ergens lezen dat niemand wist waar het was en ik geloof niet dat het intussen al weer opgedoken is. Nadien werd de Minderbroederskerk gerestaureerd. De muur van klimop verdween en werd vervangen door iets met veel blinkend glas. Ook de tuin verdween: hij werd een parkeerplaats waar iedereen in en uit kon rijden want het witte hekken dat de academie vroeger afschermde van de buitenwereld was eveneens verdwenen. Later verrees er op die kale parkeerplaats een enorme modernistische constructie die god weet waarvoor diende. Van toen af begon ik de plek te mijden. Ik kon het niet langer aanzien. Het was alsof een kwaadaardige geest zijn woede aan het koelen was op een plek waar hij vroeger niet binnen mocht. 

Toch kreeg ik vandaag nog een schok toen ik in de krant (van mijn buurman, die een weekje op reis is) een foto zag staan van de jongste aanslag. Ik moest meteen denken aan de stadshal van Gent. Precies dezelfde geest spreekt uit de ‘gouden doos’ die ze op het plein voor de academie hebben neergepoot: een schreeuwerig ‘hedendaags’ gebouw midden in het historische centrum. Het vloekt als een ketter met zijn omgeving, het is als een obsceen uitgestoken middenvinger naar het beste wat de Europese beschaving heeft voortgebracht. Wellicht mag Mechelen nog blij zijn dat het geen gigantische pispot is geworden. Maar dozen zijn in. Je ziet ze vandaag overal verschijnen: de hedendaagse architectuur is een schoendozen-architectuur. De Mechelse ‘doos’ staat op de plaats van het vroegere Ernest-Wijnantsmuseum, dat ze blijkbaar gewoon hebben afgebroken Nu kan ik niet ontkennen dat het academiegebouw zelf heel sterk op een schoendoos lijkt. Maar enerzijds is het een heel bescheiden gebouw, en anderzijds is het heel functioneel. Het is namelijk zo gebouwd dat het in tijden van oorlog meteen kan veranderd worden in een ziekenhuis. Dat was de deal.

Ik heb die symboliek altijd weten te appreciëren: de rol van de kunst in onze moderne tijd is therapeutisch, genezend. Onze tijd is ziek en het enige echte geneesmiddel is de kunst. Want de kunst maakt de mens weer onschuldig, ze maakt het kind weer in hem wakker, ze brengt hem weer in contact met het ‘eeuwige’ in zijn ziel. Daar ligt ook de oorzaak van zijn ziekte, de ziekte van het materialisme. Als de mens ook de kunst nog verliest, zal hij niet anders kunnen dan de geest geven en tot ontbinding overgaan. Die ziekte is geen ongeluk, zij is het gevolg van een kwaadaardige aanval op de kinderlijke geest van de mens. Het is beslist geen toeval dat de steden van Europa overal in het hart getroffen worden door ‘hedendaagse architectuur’. Als je de Gentse stadshal hebt zien verschijnen, twijfel je niet meer: dit is opzet. Op 100 meter van de plek waar men 100 jaar geleden een aanslag pleegde op het Lam Gods, heeft men nu een onwaarschijnlijk drieste aanval uitgevoerd op het historische hart van Gent. 

Toch kan het nog altijd erger. Dat toont die blinkende schoendoos in de (verdwenen) tuin van de Mechelse academie, aan de voet van de St.Romboutstoren. Het is bijna hallucinant. Wie bedenkt zoiets! Maar juist door deze vraag niet emotioneel-retorisch maar nuchter-rationeel te stellen, komen er merkwaardige dingen aan het licht. De blikken doos herbergt namelijk ‘figurentheater De Maan’. Dat is de opvolger van het oude Mechelse stadspoppentheater dat in het oude historische gebouw ernaast gehuisvest was. Dit kindertheater dringt nu brutaal het gebied van de academie binnen. Een heel museum moet ervoor tegen de vlakte. Nu ging ik als kind van 11 jaar reeds naar de academie. Ik zat er in dezelfde klas als mensen van 77 jaar. Er werd geen onderscheid gemaakt in leeftijd: kunst was voor iedereen hetzelfde, ze richtte zich tot het kind-in-de-mens, ongeacht hoe oud die mens was. Ze wekte dat kind op tot actief spelen, tot scheppend spelen. In het stadspoppentheater – figurentheater klinkt natuurlijk veel volwassener – blijven kinderen louter toeschouwer. Daar is op zich niks tegen, maar als het toeschouwer-zijn de scheppende activiteit aan de kant dringt, dan is er wél iets tegen, dan schuilt daar een anti-kinderlijke en ook anti-menselijke geest achter.

Die geest komt ook tot uitdrukking in zijn ‘lichaam’, dat wil zeggen in zijn gebouw. Er is niks kinderlijks aan die extreem kale, abstracte schoendoos-vorm. Hij lijkt op een gouden kooi, een gevangenis. Er is ook niks kinderlijks aan de schreeuwerige agressiviteit ervan, tenzij in negatieve zin, in de zin van een kind dat in een oude, volwassen wereld wanhopig om aandacht schreeuwt en baldadig en gewelddadig wordt. De geest die hier aan het werk is gebruikt het verwaarloosde kind-in-de-mens om verwoestingen in de menselijke ziel aan te richten. En hij doet dat in naam van het kind. Dat kunnen we niet alleen aflezen aan zijn inhoud – een poppentheater – maar ook aan zijn uiterlijk: de gouden kleur. De kille maan-geest die al 40 jaar bezig is de Mechelse academie te slopen doet zich voor als een zonne-geest, hij doet zich voor als de oorspronkelijke geest van de academie, de stralende geest die ik nog gekend heb en die hij weggejaagd heeft, zoals hij hem overal weggejaagd heeft. En zo kan hij ongestoord al het oude, maar ook – en vooral – de kiem van het toekomstige vernietigen. Want dat is wat ik – en velen met mij – aan de academie van Mechelen beleefd heb: hoe het eeuwenoude geruisloos, in alle stilte, overging in het nieuwe, het waarlijk nieuwe. Daarvoor moet die academie nog altijd boeten, daarom wordt deze ooit ‘heilige’ plek systematisch verkracht en vernield, zoals zoveel heilige plekken tegenwoordig. En het gaat daarbij niet om het verleden, het gaat om kiem van de toekomst die dat verleden verbergt. Daar zijn de aanvallen van de (zichzelf met goud bekledende) antichristelijke maan-geest tegen gericht. 

  

Michaël 2015  (3)

  

Mijn grote passie is: mensen tekenen. Aanvankelijk waren dat hele mensen. Als kleine jongen was ik een fan van Michelangelo en tekende ijverig zijn geweldige lijven na. Later aan de academie leerde ik dat veel grondiger doen. Er werd mij getoond hoe ik de menselijke figuur moest herleiden tot haar meest elementaire (abstracte) bouwstenen en ze met behulp daarvan vervolgens weer opbouwen. Het was zwaar werk om – louter op grond van waarneming  en dus zonder enige anatomische kennis – begrijpend door te dringen in de uiterst complexe vormen van het menselijk lichaam, maar als het lukte: wat een genot! Ik herinner me nog hoe ik op een dag overvallen werd door een wilde vreugde tijdens het tekenen van een … knie. Het (naakte) model was nochtans jong en aantrekkelijk en je zou verwachten dat andere lichaamsdelen meer geschikt waren om (al tekenend) genot aan te beleven, maar nee, het was haar rechterknie die zo’n explosie van vreugde in me veroorzaakte. Het was dan ook geen zinnelijk genot, het was een bovenzinnelijk genot, een soort deelachtig worden aan de scheppende geest die zo’n geweldig kunststuk als de knie tot stand had gebracht. 

Op een dag kwam mijn leraar naast me zitten. Je tekent voortreffelijk, zei hij (in de 40 jaar dat ik hem gekend heb, heeft hij dat maar één keer tegen me gezegd), maar het is allemaal wat braaf, het mist leven en bezieling. Ook dat heeft hij maar één keer gezegd. Kijk, zei hij, en hij tekende een vierkant, een cirkel en een ellips op m’n blad. Je moet eens proberen om het karakteristieke van een mens naar voor te halen. In de drie abstracte vormen tekende hij twee ogen, een neus en een mond. Een beetje zoals in een karikatuur, voegde hij eraan toe. Meer hoefde hij niet zeggen, ik had het begrepen. Vanaf dat moment begon ik verwoed karikaturen te tekenen. Het was alsof er olie was aangeboord: het spoot eruit. Ik kon er maar niet genoeg krijgen. Vijfentwintig jaar lang zou ik gepassioneerd gezichten tekenen, duizenden en duizenden gezichten. 

Het loutere kopiëren van een menselijk gelaat interesseerde me niet zo erg. Nee, ik wilde de kern raken, datgene wat een gezicht uniek maakt. Het Ik dat zich in een gezicht uitdrukt, daar baande ik mij rücksichtlos een weg naartoe, zonder rekening te houden met welke gevoeligheden ook. Integendeel, ik schepte er een demonisch plezier in alles uit de weg te ruimen wat me tegenhield. Ik liet het beest in me los en genoot ervan een gezicht zoveel mogelijk geweld aan te doen. Ik trok eraan, vervormde het, blies het op – maar steeds in functie van het onderliggende Ik dat ik bloot wilde leggen. Ja, de draak tekende beslist mee. En hij bracht leven en bezieling in mijn tekeningen. Een beetje veel zelfs. Mijn leraar schudde het hoofd en zei, tongue in cheek: had ik dát geweten! Maar hij legde me geen strobreed in de weg. Hij zag dat m’n tekeningen beter werden en daar ging het om. Je kunt beter slecht zijn dan niets zijn, grijnsde hij. En hij meende het. 

Het tekenen van gezichten was voor mij een gevecht met de draak, zowel mijn eigen draak (die ik onder controle moest houden) als die van anderen (die ik moest overwinnen om tot hun Ik door te dringen). Dat vergde soms een harde strijd, maar ik gaf me nooit gewonnen. Ik werkte verbeten door tot ik het unieke van mijn model had ‘getroffen’. Vaak waren het nipte overwinningen, maar in de loop der jaren gaf de draak zich langzaam gewonnen. Ik hoefde steeds minder geweld te gebruiken, wat tot uitdrukking kwam in het feit dat ik steeds meer kinderen begon te tekenen. Ik wilde dat aanvankelijk niet, maar ze vroegen er zelf om. Op die manier veranderde mijn strijd met de draak gaandeweg in een gevecht met de engel. Want met kinderen bestaat de kunst er niet in om door te dringen tot hun Ik – dat is nog niet afgesloten – maar om er niet in opgezogen te worden. Een pasgeboren kind is zo onweerstaanbaar dat er geweld nodig is om afstand te houden – wat een voorwaarde is om te kunnen tekenen. Mijn zwaarste gevechten heb ik dan ook met kinderen geleverd, want engelen zijn sterker dan draken. 

Als ik terugdenk aan de hele ‘scholingsweg’ die ik op die manier doorlopen heb – te beginnen met het tekenen van oude mensen (mijn oudste model was 102) en eindigend met pasgeboren kinderen (mijn jongste model was 6 uur oud) – dan begin ik te vermoeden waarom Michaël mij verleden jaar zo hardhandig de weg versperd heeft. Misschien wil hij niet dat ik terugkeer naar de dingen die ik reeds kan, maar wil hij dat ik verder ga, dat ik ook het portret leer tekenen waar ik tot dusver altijd mijn tanden heb op stukgebeten: mijn eigen portret. Niet dat van mijn fysieke, lagere zelf uiteraard, maar dat van mijn geestelijke, hogere Ik, zoals het van buitenaf op me toekomt in de vorm van mijn eigen leven. Ja, that makes sense. Ik kon tot nog toe niet begrijpen waarom de terugkeer naar mijn grootste passie – het tekenen van mensen – zo bruusk werd afgebroken. Maar als het waar is dat ik nu, in de herfst van mijn leven, een veel moeilijker portret te tekenen heb, ja dan kan ik het accepteren, ook al blijft het afscheid pijn doen.

Hoe begin je eraan om zo’n ‘hoger’ zelfportret te tekenen? Om te beginnen: door toeschouwer te worden bij je eigen leven. Volgens Rudolf Steiner moeten we leren om onszelf als een vreemde te zien. Dat is ontzettend moeilijk want ieder mens is zichzelf het meest vertrouwd. Om het duidelijker te zeggen: ieder mens is verliefd op zichzelf en bijgevolg blind voor hoe hij er werkelijk uitziet. Die eigenliefde hebben we aan Lucifer te danken en zonder dat ego-isme zouden we nooit vrij kunnen worden. Kijken naar jezelf met de ogen van een ander (die uiteraard niet verliefd op je is, maar je nuchter en afstandelijk ziet zoals je werkelijk bent) is misschien wel het moeilijkste wat er bestaat. Want een mens kan niet leven zonder liefde, evenmin als de aarde kan bestaan zonder zon. Pasgeboren kinderen hebben nog geen eigenliefde en zijn aangewezen op de liefde van hun fysieke moeder. Wie zonder eigenliefde naar zichzelf wil kijken, heeft de liefde van zijn geestelijke moeder nodig, van Sofia. Zonder haar lukt het niet.

Laat ik dus eens proberen, met behulp van wat (Antropo)Sofia me geleerd heeft, te kijken naar mezelf, dat wil zeggen naar mijn leven, dat vreemde leven waar ik zo weinig van begrijp. Waarom doet dat leven al m’n plannen mislukken? Als de goden mensen willen straffen, beweerden de oude Grieken, dan willigen ze hun wensen in. Wel, dat hebben ze bij mij alvast nooit gedaan. Geen enkele wens hebben ze ooit ingewilligd. Ze leken er zelfs plezier in te scheppen dwars tegen m’n wensen in te gaan en al m’n plannen te doen mislukken. Ik heb dat altijd ervaren als een straf, een vernedering, een noodlot. Ik leefde als kind al in de overtuiging dat er iets fundamenteels verkeerd was gegaan en dat alles wat eruit voortkwam alleen maar nog verkeerder kon zijn. Moet ik nu, 50 jaar later, werkelijk gaan geloven dat het verkeerde het juiste was, dat het noodlot mijn geluk was, dat mijn bewaarengel, die in geen velden of wegen te bespeuren was, juist heel goed voor me zorgde? Dát zou nog eens de wereld op zijn kop zijn! Maar Rudolf Steiner zei: de wereld stáát reeds op zijn kop, ik doe niets anders dan hem weer recht zetten. Dat laatste wil ik ook eens proberen met mijn eigen kleine wereld. 

Waren mijn schooljaren al een kwelling geweest, wat daarna kwam was nog erger. Ik wilde helemaal niet naar de universiteit. Maar iedereen vond dat ik verder moest studeren, ondanks m’n legendarisch slechte cijfers. Ik had het eens uitgerekend: in m’n laatste jaar van de middelbare school moest ik ongeveer 20 procent van de punten behaald hebben. Het was een complete ramp, de hele school wist dat. En toch lieten ze me erdoor. Ze vonden zelfs dat ik verder moest studeren. Kan het krankzinniger? Zelf was ik zo murw geslagen door alle schoolellende, dat ik me als een schaap naar de slachtbank liet leiden. Ik bezat de kracht niet meer om me te verzetten. 

Ik zag dat mijn tekenleraar een droomjob had. Hij verdiende evenveel als een middelbare-schoolleraar, moest geen lessen voorbereiden, geen huiswerk verbeteren, geen examens afnemen. Hij moest niet eens lesgeven als hij daar geen zin in had. En om dat te bereiken had hij niets anders moeten doen dan tekenen. Precies wat ik wilde, precies wat ik kon. Maar de gedachte dat zoiets voor me weggelegd kon zijn, kwam niet eens in me op. Het leven, was dat geen kwelling? Was dat geen straf die je moest uitzitten? Was dat niet: moeten doen wat je niet wilde doen, en niet mogen doen wat je wilde doen? Ik herinner me nog dat de examens op mijn school voorbij waren. Maar we mochten niet naar huis, we moesten op school blijven en de tijd doden. Ik stond op de gang en keek verlangend door het grote raam naar de overkant van de straat waar ik de (dag)leerlingen van de academie zag arriveren voor de proclamatie. Ik was weliswaar een weekendleerling, maar die hoorden er ook bij en ik dacht aan de vorige keer, toen ik onder luid applaus van de hele zaal naar voor was gelopen om de felicitaties van de jury in ontvangst te nemen. Dát was nog eens een pleister op mijn gekwelde hart! En dus vroeg ik de surveillant of ik de straat niet mocht oversteken. Ik legde het hem uit en zei dat ik niet lang zou wegblijven. Zoals het een Broeder van Liefde past, was hij onverbiddellijk: ik moest blijven en de dag in ledigheid doorbrengen. Slechts een straatbreedte scheidden academie en school, maar de grens was een Berlijnse muur geworden. In de jaren die volgden zou ik er zo gewoon aan worden dat ik hem niet meer zag. Ik vergat dat er ‘aan de overkant’ nog een Beloofde Land bestond waar ik iemand was, waar ik deed wat ik wilde, en waar ik nog applaus kreeg ook.

Moeten en niet mogen: daaruit bestond mijn leven ‘aan deze zijde’. En het werd er niet beter op, wel integendeel. In Leuven moest ik dingen leren die ik helemaal niet wilde leren, en wat ik wel wilde doen mocht ik niet doen. Ik probeerde het nochtans. Ik ging ’s avonds naar de Leuvense academie om naar model te tekenen. Maar na een paar dagen werd ik al aan de deur gezet. Ik had het namelijk bestaan om een karikatuur te tekenen van de leraar. Hij sprak toen de legendarische woorden: in mijn klas mag alles, maar dát niet! Het was de meest kernachtige typering van mijn leven die ik ooit gehoord had: ik mocht alles doen, behalve datgene wat ik wilde. Zijn verontwaardiging herinnerde me aan een ander veelbetekenend voorval. Ik liep met mijn moeder door de stad (kleren kopen waarschijnlijk) en ze bracht het gesprek nog maar eens op mijn lamlendige houding. Is er dan werkelijk niets dat je interesseert? riep ze wanhopig uit. Tekenen, antwoordde ik zonder aarzelen. Waarop ze zowat ontplofte van verontwaardiging: kun je dan werkelijk nóóit eens ernstig zijn? Ik was nog nooit zo ernstig geweest, maar ze zag precies het omgekeerde. Ook meneer Van Beckbergen, de beledigde kunstenaar-met-de-stofjas, begreep niet dat karikaturen voor mij een zeer ernstige zaak waren. Als je dát wil doen, moet je maar op de markt gaan staan! sprak hij visionair. 

(Wordt vervolgd)

De vlucht naar Egypte

20131207-120354.jpg

Mijn jongste dochter Marianne vertrekt vandaag naar Afrika.
Ze wil de begrafenis van Mandela bijwonen.
Grapje.
Ze gaat naar Ghana, want daar woont Patrick.
En ze komt pas in augustus terug.
Dat is dus 9 maanden.
Als u begrijpt wat ik bedoel.
Maar nee, ze gaat niet naar ginder om kindertjes te maken (die hebben ze daar genoeg) maar om iets met kindertjes te doen.
Wat precies, dat weet ik niet.
Het is voor haar eindwerk Pedagogie.
Ze paart dus het nuttige aan het aangename.
Al stel ik me bij dat nuttige wel enige vragen.
Bij dat aangename ook trouwens.
Maar hé, dochters hou je vandaag niet meer tegen.
De mijne gaan alletwee black all the way.
Vraag me niet waarom.
Misschien is Anna het antwoord.
Wie zal het zeggen!

In afwachting van de rit naar Brussel, hadden An en ik het nog even over Giel, de jongen die naar een klooster in Tibet is getrokken.
Da’s ook ver.
Gelukkig is Marianne een stuk ouder dan Giel (ze is 26), anders hadden we ’t niet zien zitten.
Een tiener die alles gedag zegt om in de Himalaya’s in een klooster te gaan wonen, het is toch wel drastisch.
Aan de andere kant: hier zijn geen kloosters meer waar beschouwelijk aangelegde jongeren zich kunnen onttrekken aan de sacrosancte ratrace die in het Westen als het summum van opvoeding geldt.

20131207-151616.jpg

Van kloosters en scholen gesproken.
Ik herinner me nog altijd de zondag dat ik als 10-jarig jongetje aan de hand van mijn vader de trappen van de academie van Mechelen beklom.
De academie stond op de plek waar zich vroeger het klooster der Fraciskanen had bevonden.
De kloosterkerk stond er trouwens nog, helemaal met klimop begroeid.
Hoezeer mijn geest ook nog in de nevelen der jeugd was gehuld, hij besefte heel goed het belang van dat moment.
In mijn kinderogen leek de academie een indrukwekkende tempel en toen ik tussen de hoge zuilen doorliep, kwam ik … thuis.
Dit was waar ik moest zijn, dit was waar ik wilde zijn.
Zo moet ook Giel zich een beetje gevoeld hebben, denk ik.
Hoop ik voor hem.

Mijn verblijf bleef aanvankelijk beperkt tot de zondagochtend.
De academie was mijn wekelijkse zondagsdienst en ik ging er trouw naartoe.
Voor geen geld ter wereld had ik het willen missen.
Later, toen ik al in Leuven zat, volgde ik in september ook de dagklassen.

In die tijd kon je aan de academie nog je humanioradiploma halen.
De gedachte alleen al moet moderne pedagogen de haren ten berge doen rijzen.
Want wat leerde je aan die academie?
Niets. Drie keer niets.
Een beetje tekenen en schilderen ja, maar dat kon je toch geen opvoeding noemen!
Werden er dan geen andere vakken gegeven, zoals kunstgeschiedenis, of kunstfilosofie, of anatomie, of Nederlands en Frans, of een inleiding tot de wetenschap, of een paar uur wiskunde en natuurkunde, of economie, of zedenleer?
Nee, niets van dat alles.
Alleen maar tekenen en schilderen en beeldhouwen en etsen.
Het zou moderne ouders radeloos en wanhopig hebben gemaakt.

Rond negen uur sloften ze de klas binnen, de ‘studenten’.
Eerst wakker worden, want zo’n avond op café, dat kruipt niet in je kouwe kleren.
Dan een sigaretje rollen.
Praatje slaan met Jef en Mie.
Intussen lag de leraar met zijn voeten op het bureau de krant te lezen.
Geen zotte morgen aan de academie.
Alleen een langzaam ontwaken.
En dan, zo tegen 10 uur, kwam er beweging in de klas.
Het model liet haar peignoir vallen, de houtskool werd geslepen, de leraar keek rond om te zien wie er vandaag was.
En dan werd er getekend. Geconcentreerd. In alle rust.
Je hoorde niks anders dan het geschraap van houtskool op papier.
Tijdens de pauze werd er opnieuw een sigaretje gerold.
Iemand ging in een hoek een boekje te lezen.
Een ander stond uit het raam te kijken.
Het verliefde koppeltje ging in de tuin wandelen en werd die dag niet meer gezien.
De leraar maakte een praatje met een paar aantrekkelijke studentes.
Alles rustig aan het academiefront.

Zo herinner ik mij mijn jaren aan de academie: intense rust, intense stilte, intense concentratie, intense arbeid, intense innerlijke strijd ook, alles even intens.
En toch zou een buitenstaander gezegd hebben: dit is geen school, hier doen ze niks, hier leren ze niks, hier verlummelen ze alleen maar hun tijd!

Zo stel ik mij ook een beetje voor dat het in Tibet gaat, in het klooster waar Giel school loopt.
De hele dag rustig en geconcentreerd bezig zijn met dingen die in onze ogen volstrekt nutteloos zijn.
Wat een verspilling!
Wat een verloren jeugd!
Denken wij.
Best mogelijk.
Maar wat hebben wij jongens als Giel te bieden?
Jongens die een rustig, beschouwelijk leven willen leiden.
Die niet mee willen of kunnen doen met de moderne ratrace.
Die geen zotte morgen, geen zotte middag en geen zotte avond willen.
Die gewoon als de zon willen opstaan, kijken en stralen, en dan rustig weer gaan slapen.
Wat is er voor dergelijke jongens en meisjes?

Vroeger waren er nog de Academies voor Schone Kunsten.
Dat waren vrijplaatsen, oases van rust waar je je kon onttrekken aan het Grote Moeten van de moderne tijd.
Met name in een academie zoals die van Mechelen heerste er in de jaren ’60 en ’70 een bijna absolute vrijheid.
Geen vrijheid-in-moderne-zin, als in: ik-doe-toch-wat-ik-wil-zeker!
Nee, echte vrijheid: het in contact komen met wat je werkelijk wil en dat dan met de grootste overgave doen, zonder dat iemand je daartoe moet aansporen.
Je kreeg aan zo’n academie alle kans om te ontdekken wie je was.
Die kans krijg je niet aan een gewone school, want daar ligt al vast wie je moet worden.

20131207-151820.jpg

Mijn leraar vertelde me ooit dat hij op een avond bij zijn vader werd geroepen, die tegen hem zei: jongen, je moet er stilaan eens beginnen over nadenken wat je later wilt worden!
Ik was diep geschokt, vertelde hij, want ik dacht dat ik al iemand wás.

Hij zei me ook: ‘Wij academiestudenten keken diep neer op andere studenten en leerlingen. We beschouwden ze als sukkels. Een academie is namelijk geen school. Je komt er niet om iets te leren. Je komt er om ingewijd te worden.’
En dat was precies wat hij zelf ook deed.
Hij wijdde zijn leerlingen in als een moderne Zen-meester.
Moderne pedagogen zouden verbijsterd zijn als ze wisten hoe hij les gaf.
Ze zouden meteen zijn ontslag geëist hebben, wegens onverantwoord gedrag.
Ik herinner me nog een stokkengevecht dat hij en ik uitvochten in de klas, voor de verbijsterde ogen van de andere leerlingen (die op zondag natuurlijk niet veel gewoon waren).
Mijn eigen ontsteltenis gold het feit dat hij doorsloeg.
Maar ik was een goede leerling en ik sloeg even hard terug.
Toen hij de volgende dag als naar gewoonte zijn hemdsmouwen oprolde, verscheen een onderarm die bont en blauw zag.
Ik had hem goed geraakt.
Wat is er met je arm gebeurd, vroeg ik.
Ik heb geen flauw idee, zei hij met een uitgestreken gezicht.
Kijk, zo’n leraars vergeet je niet.
Hij hield totaal geen rekening met je gevoeligheden of je zwakheden of je tere zieltje.
Hij was de leraar en je had te luisteren.
Maar hij had het grootst mogelijke respect voor wie je werkelijk was.
Op dat gebied behandelde hij je als een gelijke.

Voor een opgroeiende jonge mens is dat een onvergetelijke ervaring.
Een bijzonder zeldzame ervaring ook.
Want de vrijplaatsen die academies vroeger waren, bestaan niet meer.
Vandaag is een academie een gewone school, dat wil zeggen een plek waar al op voorhand vaststaat wie je bent en wat je moet worden, namelijk: niemand.
Daar is een intense scholing voor nodig: je wordt niet zómaar niemand.
Maar geen nood: vadertje staat heeft een uiterst accuraat onderwijsprogramma ontworpen, dat nog voortdurend bijgesteld wordt en waaraan geen enkel jeugdig Ik kan ontsnappen.

Het geval Giel Foubert heeft aangetoond wat er allemaal niet nodig is om aan dat Ik-vernietigende systeem te ontkomen: je wordt zelfs voor de rechtbank gedaagd.
De vraag is natuurlijk of het in Tibet zoveel beter zal zijn.
Is het ideaal van het religieuze Oosten ook niet de uitschakeling van het Ik?
Zal Giel ginder niet van de regen in de drop terechtkomen?
Zal hij daar uiteindelijk niet hetzelfde aantreffen wat hij hier ontvluchtte?
Want je kunt als kind wel voelen: hier ben ik thuis, hier wil ik zijn.
Maar wat het echt voor je betekent, daar kom je pas later achter.
En dan kun je niet meer terug.
Je bent maar één keer jong.

Kinderen worden tegenwoordig al zo vroeg meegesleurd in de moderne mallemolen dat ze algauw de kracht niet meer hebben om zich te verzetten.
Het enige wat hen nog overblijft, zijn lichamelijke protesten: ziekten, afwijkingen, verslavingen, abnormaal gedrag en – het allerpijnlijkste – zelfmoord.
Fysieke zelf-moord om te ontkomen aan de geestelijke zelf-moord, de Ik-moord, de kindermoord.

De enige erfgenamen van de oude academies – die uiteraard grondig verketterd worden – zijn de steinerscholen.
Zij proberen kunstonderwijs te verzoenen met wetenschapsonderwijs en op die manier te komen tot een nieuwe, moderne vorm van religieus onderwijs in de zin van Goethe (wie kunst en wetenschap heeft, die heeft ook religie).
In feite zijn de steinerscholen de nieuwe kloosterscholen.
Zij zijn het soort scholen dat kinderen als Giel (maar niet alleen zij) nodig hebben.
Althans in theorie.
Want Giel heeft in Gent op de steinerschool gezeten en het ging niet.
Hij vond er niet wat hij nodig had.
Wat kinderen nodig hebben, is niet de vorm van het steineronderwijs maar de kern, de Ik-kwaliteit, de inwijdingskwaliteit.
En of die (nog) aanwezig is, durf ik te betwijfelen.

Ik zie steeds meer jonge mensen ‘vluchten’.
Is het niet naar binnen (drank, drugs, rock ’n roll, facebook, enzovoort) dan wel naar buiten (Afrika, Noorwegen, Zuid-Frankrijk).
Het is als één grote vlucht naar Egypte, om te ontsnappen aan de kindermoord van de moderne Herodessen, die boeken volschrijven over opvoeding en geluk.

Laat ons hopen dat Marrianne in Ghana iets leert wat ze hier niet (meer) kan leren.

P.S. Ik krijgt net bericht dat ze vertrokken is. Anna heeft Tantie al in twee vliegtuigen zien zitten. Dat begint dus al goed.

20131207-151920.jpg

Jeder Mensch ein Kunstler

Gisteravond las ik op de blog van iemand die afstudeerde aan een of andere kunstacademie:

We zijn allemaal geslaagd. Natuurlijk zijn we allemaal geslaagd. Zou het ooit bestaan hebben dat ze iemand tegenhielden? Dat is toch je eigen job ondermijnen!

Het moderne kunstonderwijs in een notedop.
Iedereen geslaagd. Iedereen gelukkig. Iedereen kunstenaar.