Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Tag: Ahriman

Indrukwekkend zichtbaar

  

In Antroposofie Vandaag – altijd goed voor enige verbazing – lees ik van de hand van Matthias Girke de volgende zinsnede: ‘… de levenskracht van de antroposofie, die in de afgelopen jaren zo indrukwekkend zichtbaar was en het culturele en maatschappelijke leven heeft veranderd …’ Het is bekend dat antroposofen positieve mensen zijn die always look at the bright side of life, maar dat ze zó positief waren, nee dat had ik toch niet voor mogelijk gehouden. Van die ‘indrukwekkende zichtbaarheid’ van de antroposofie heb ik namelijk niks gemerkt. Ik mag dan wel (nog heel even) in Scheldewindeke wonen, maar ik volg wat er in de wereld gebeurt en daar kwam de antroposofie – zoals gewoonlijk – niet in voor. Wat ik wel heb gezien, zijn de culturele en maatschappelijke veranderingen die de afgelopen jaren zichtbaar zijn geworden. Om er maar een paar te noemen: massa-immigratie, terrorisme, klimaatactivisme, corona-lockdown, BlackLivesMatter. En dat zou allemaal het werk zijn geweest van de antroposofie? 

Als je maandenlang opgesloten zit in je kot, zeggen zelfs de meest verstandigen onder ons wel eens dingen die ze beter niet hadden gezegd. Toch blijft het vreemd bovenstaande uitspraak te zien staan in een artikel over de verantwoordelijkheid van de antroposofie – en meer bepaald de Vrije Hogeschool voor Geesteswetenschap – tegenover de wereld. Je zou verwachten dat mensen die, zoals Matthias Girke, deel uitmaken van deze Hogeschool, twee of zelfs drie keer nadenken voor ze in het openbaar een dergelijke uitspraak doen. Maar daar staat ze, zwart op wit, in Antroposofie Vandaag. Wat moet een mens daarvan denken? Misschien kan hij maar beter helemaal niets denken, dat is veiliger in de huidige ‘veranderende’ wereld. Gewoon op de like-knop drukken. Er is al genoeg kritiek, haat en verzuring. Laten antroposofen daar maar eens een uitzondering op vormen en ongeremd trots zijn op hun indrukwekkende zichtbaarheid en wereldtransformerende krachten. 

Maar heeft de waarheid niet ook haar rechten? Ik zie hoe zowat de hele mensheid opgesloten wordt ‘in haar kot’ omwille van een griepvirus, ik zie hoe bejaarden in mensonterende omstandigheden sterven, ik zie hoe kleine zelfstandigen failliet gaan, ik zie hoe jongeren wanhopig en depressief worden, ik zie hoe mensen tegen elkaar worden opgezet, ik zie hoe er een nieuwe normaal ontstaat waarin de overheid schier onbeperkte macht heeft, ik zie hoe er met grote haast gewerkt wordt aan een dubieus vaccin dat waarschijnlijk verplicht zal worden, ik zie hoe de mensheid langzaam tot waanzin wordt gedreven, ik zie hoe ze haar eigen verleden aan het uitwissen is, ik zie hoe standbeelden worden vernield, boeken verboden, piano’s op straat gegooid, enzovoort, enzovoort. Tenzij de media dat allemaal verzonnen hebben, zijn het harde feiten, indrukwekkend zichtbare feiten in een snel veranderende wereld. En daar eist de antroposofie de verantwoordelijkheid voor op?

Nee, dat kan niet zijn. Matthias Girke moet iets anders bedoelen. Maar wat dan wel? Welke andere veranderingen in het culturele en maatschappelijke leven van de jongste jaren kunnen op rekening van de antroposofie en haar Hogeschool worden geschreven? Ik zie ze niet. Van die ‘indrukwekkende zichtbaarheid’ van de antroposofie zie ik nog veel minder. En dan woon ik nog in een land waar de antroposofie redelijk aanwezig is, wat van veel andere landen niet gezegd kan worden. Het vermoeden rijst dat de antroposofie waar Matthias Girke het over heeft, alleen in zijn verbeelding bestaat. En dat fenomeen ken ik. Veertig jaar geleden was ik een overtuigd makrobiotieker. Ik leefde in de enthousiaste overtuiging dat makrobiotiek de wereld aan het veroveren was en voelde me gedragen door een wereldwijde golf van bewustwording die steeds hoger steeg. The sky was the limit. Gelukkig werd ik ouder en wijzer, en toen ik uit de beweging groeide, hield ze plotseling op te bestaan.

Zolang ik deel uitmaakte van het makrobiotische wereldje, voordrachten volgde en deelnam aan praktische activiteiten, kwam de makrobiotiek me voor als ‘indrukwekkend zichtbaar’: ik zag ze overal. Ze was de wereld langzaam maar zeker aan het veranderen, daar twijfelde ik niet aan. Maar toen ik uit die ‘bubbel’ stapte, spatte de makrobiotiek als een zeepbel uit elkaar. Ze werd op slag onzichtbaar. Jaren later, toen het internet zijn intrede had gedaan, vroeg ik me af: zou ze nog bestaan, de makrobiotiek? Ik tikte het woord in, en ja hoor: de winkels, de restaurants, de tijdschriften, de voordrachten, het was er nog allemaal. Alleen zag ik de zaak nu in zijn ware proporties en die waren lachwekkend klein. Ik heb nooit spijt gehad dat ik mij heb laten meeslepen door deze luciferische illusie: het was een spannende tijd en ik lust nog altijd tahin. Maar ik ben ook blij dat ik eruit ben gegroeid. De makrobiotiek heeft goede dingen gedaan, maar mede dankzij de antroposofie heb ik haar beperktheid en eenzijdigheid leren inzien.

Vandaag herken ik diezelfde beperktheid en eenzijdigheid in het antroposofische wereldje zelf. Ik lees Antroposofie Vandaag en tref daar mijn makrobiotische enthousiasme van weleer aan. Het staat weliswaar op een hoger niveau, maar het heeft hetzelfde illusoire karakter. Indrukwekkende zichtbaarheid? Zoiets kan alleen gezegd worden door mensen die nooit afstand hebben genomen van de antroposofische wereld, die hem alleen van binnenuit kennen en beleven. Net als de makrobiotiek destijds, is de antroposofie een boeiende, spannende, leerrijke wereld waar je idealistische mensen ontmoet die iets anders willen dan gewoon meedraaien in de grote materialistische mallemolen. Ik heb dus – opnieuw – geen spijt dat ik die wereld heb leren kennen, wel integendeel. Hij maakt onlosmakelijk deel uit van mijn karma, zoals alle werelden die ik heb leren kennen in mijn leven. Maar net als die andere werelden is ook de antroposofische wereld mij te eng. Ik kan er niet vrij ademen.

Het is gek. Vandaag komt de jeugd overal op straat, skanderend I can’t breathe, en dat is exact het gevoel dat ik had toen ik als jongmens de antroposofische wereld leerde kennen: ik kreeg er geen adem. Meer dan eens heb ik tijdens een antroposofische voordracht de aanvechting gevoeld om op te staan, mijn stoel door het raam te keilen en te roepen: het is hier om te stikken, er is hier geen lucht! Ook bij andere gelegenheden moest ik moeite doen om niet baldadig te worden en vandaag is dat opnieuw het geval. Bij het lezen van de woorden van Matthias Girke moet ik me inhouden om niet mijn meest sarcastische pen boven te halen. Gelukkig heb ik in de loop der jaren geleerd dat sarcasme te bedwingen en om te zetten in inzicht. Op die manier ben ik dan toch aan de benodigde zuurstof geraakt en dat wil ik ook nu weer proberen. In plaats van de draak te steken met de uitspraak van Mattias Girke wil ik proberen te begrijpen waarom hij zo’n groteske dingen zegt.

Ik krijg daarbij onverwacht de hulp van Rudolf Steiner. In de voordracht van 1 februari 1919 (GA 188) zegt hij iets heel merkwaardigs. Als schuldig aan de eerste wereldoorlog noemt hij twee factoren: het kapitalisme en … de antroposofie. Jawel, zo staat het er: samen met het kapitalisme is de geesteswetenschap verantwoordelijk voor de grootste ramp van de 20ste eeuw, een ramp die wij ons nog altijd bezuren. Natuurlijk bedoelt Rudolf Steiner niet de antroposofie op zich, maar een specifiek soort antroposofie, een antroposofie die zich, zoals hij het uitdrukt, niks aantrekt van Ahriman en niet probeert ‘de alledaagse werkelijkheid te doordringen met een doortastend denken’. Hij heeft het met andere woorden over een luciferische antroposofie, een antroposofie die zich terugplooit op zichzelf en zich alleen bezig houdt met abstracte spirituele inhouden. En deze in een ‘bubbel’ levende antroposofie acht hij even schuldig aan de eerste wereldoorlog als het kapitalisme. 

Wie Antroposofie Vandaag (her)leest met deze woorden in gedachten, beseft opeens dat Matthias Girke … gelijk heeft. De antroposofie is de afgelopen jaren inderdaad ‘indrukwekkend zichtbaar’ geworden: wat we vandaag overal om ons heen zien gebeuren, het is mede mogelijk gemaakt door de antroposofie. Aan de ene kant trekken duizenden – vooral jonge – mensen de straat op, schreeuwend om drastische maatregelen tegen de opwarming van de aarde en luidkeels protesterend tegen het alomtegenwoordige racisme. Het lijkt wel een kruistocht tegen de ‘witte mannen’, gepaard gaand met het nodige geweld. Aan de andere kant zien we een soort wereldregering aan de oppervlakte komen, een deep state die de mensheid door middel van technologie wil controleren en robotiseren. Deze twee snel groeiende bewegingen – een spiritueel-luciferische en een onderaards-ahrimaanse – verpletteren het midden en vermengen zich met elkaar tot wat je ‘omgekeerde antroposofie’ zou kunnen noemen.

De jonge kruisvaarders worden bezield door louter christelijke idealen: vrijheid, gelijkheid, solidariteit, verdraagzaamheid, mensenliefde, respect voor de aarde en de natuur, noem maar op. Het zijn dezelfde mensheidsidealen die ook de antroposofie bezielen. Daartegenover staat de deep state, de ondergrondse organisatie van de nieuwe wereldheerser Ahriman die volgens het aloude principe ‘verdeel en heers’ de macht wil grijpen. Het is een indrukwekkend beeld: de scharen van Michaël trekken ten strijde tegen de draak. Antroposofie in actie dus. Maar als we wat nauwer kijken, dan zien we dat de drastische maatregelen waar de social justice warriors om schreeuwen, alleen maar opgelegd kunnen worden door een oppermachtige overheid, een overheid zoals we die momenteel aan het werk zien tijdens de corona-crisis. Met andere woorden, de door christelijke, antroposofische idealen bezielde activisten staan helemaal niet in oppositie met de ahrimaanse wereldregering, ze vormen er een … conjunctie mee.

Deze kwaadaardige conjunctie kan alleen plaatsvinden omdat het christelijke, antroposofische midden ontbreekt. Een werkelijk levenskrachtige en ‘indrukwekkend zichtbare’ antroposofie had kunnen beletten dat Lucifer en Ahriman de handen in elkaar sloegen en zich vandaag voordoen als het nieuwe midden, dat wil zeggen als de wedergekomen Christus. Maar die antroposofie is er niet, tenzij in de verbeelding van antroposofen zoals Matthias Girke. En bij gebrek aan dat inspirerende midden is er in de zielen van de jonge mensen van vandaag een kwellende leegte ontstaan die in toenemende mate gevuld wordt met ‘omgekeerde antroposofie’: de idealen die zoveel hedendaagse jongeren bezielen – en die vervat zitten in het beeld van Michaël en de draak – keren door gebrek aan levende inzichten in hun tegendeel en worden vernietigende krachten. Omdat er geen zichtbare en levenskrachtige antroposofie is, valt er opnieuw een generatie ten prooi aan de tegenmachten. 

Tijdens de eerste wereldoorlog trokken duizenden idealistische jongeren zingend naar het front. Met name degenen die de driegeledingsbeweging hadden moeten ontwikkelen, sneuvelden op de slagvelden van Vlaanderen. Tijdens de tweede wereldoorlog gebeurde hetzelfde: talloze jongeren die bestemd waren voor de antroposofie raakten in de greep van de nazi’s en kwamen roemloos aan hun eind. En de antroposofen? Die waren zich van geen kwaad bewust. Het is bekend dat er in Das Goetheanum – de Dornachse tegenhanger van Antroposofie Vandaag – vier jaar lang met geen woord gerept werd over de aan de gang zijnde wereldoorlog. Men deed alsof hij niet bestond. Als ik Antroposofie Vandaag lees, stel ik vast dat er nog niet veel veranderd is. Er wordt vol enthousiasme gesproken over de zoveelste internationale conferentie in Dornach, maar de buitenwereld, waar voor de derde keer ontelbare jongeren in hun ongeluk lopen, wordt slechts terloops een blik gegund.

De reden valt niet ver te zoeken: die buitenwereld is een spiegel. Er speelt zich precies hetzelfde af als in de antroposofische wereld. Bij gebrek aan ‘ademend’ midden raken mensen opgesloten in twee kampen waartussen geen gesprek meer mogelijk is. In de buitenwereld noemt men ze links en rechts, in de antroposofische wereld oude en jonge zielen, maar het gaat in wezen om dezelfde polariteit. Het verschil is dat deze fundamentele tweedeling in de buitenwereld ‘indrukwekkend zichtbaar’ is, terwijl er in de antroposofische wereld met geen woord over gerept wordt, ondanks de dringende woorden van Rudolf Steiner aan het eind van zijn leven. De legendarische ruzie die uitbrak na zijn dood en die de antroposofische vereniging in twee scheurde, is waarschijnlijk niet vreemd aan dat stilzwijgen. Men wil voorkomen dat deze onverkwikkelijke geschiedenis zich herhaalt en denkt dat te bereiken door de tweedeling te negeren, door geen aandacht te besteden aan het feit dat de antroposofische beweging bestaat uit twee groepen van zielen.

Volgens Rudolf Steiner was er een verband tussen de (luciferische) antroposofie en de eerste wereldoorlog. Volgens Ita Wegman was er een verband tussen de grote ruzie in de antroposofische wereld en de opkomst van Hitler. De vraag rijst of er niet ook een verband is tussen het negeren van de antroposofische oer-tegenstelling en de ‘indrukwekkende zichtbaarheid’ ervan in de wereld van vandaag. Anders gezegd, heerst er niet zoveel onenigheid in de buitenwereld omdat er zoveel tevredenheid heerst in de antroposofische wereld, omdat de – geestelijke – strijd tussen beide zielengroepen er angstvallig uit de weg wordt gegaan? Wie oud wordt, stelt vast dat hij niet zozeer spijt heeft van de dingen die hij gedaan heeft, dan wel van de dingen die hij niet gedaan heeft. Antroposofen mogen gerust trots zijn op wat ze gerealiseerd hebben, maar als die trots hen belet om te zien wat ze verzuimd hebben en nog altijd verzuimen, dan heeft Ahriman hen te pakken.  

I can’t breathe (6)

  

BlackLivesMatter is de jongste weken uitgegroeid tot de antiracistische slogan bij uitstek. De drie woorden betekenen letterlijk: zwarte levens doen ertoe, ze tellen mee, ze zijn belangrijk. Dat spreekt natuurlijk vanzelf. Niemand twijfelt er anno 2020 nog aan dat black lives matter. Het gaat dus op het eerste gezicht om een onschuldige slogan. Er wordt echt niet veel gevraagd, gewoon een beetje respect voor de zwarte medemens, meer niet. Maar als je begint na te denken over deze slogan, dan blijkt onder het wollige uiterlijk van BlackLivesMatter een wolf schuil te gaan. Juist de vanzelfsprekendheid van de drie woorden geeft ze een heel andere betekenis. Ze suggereert dat er nog altijd mensen zijn die vinden dat een zwart leven er niet toe doet. Gelet op de heftigheid en verontwaardiging waarmee de slogan geskandeerd wordt, zijn deze racisten zelfs zo talrijk dat ze een bedreiging vormen voor de zwarte mens. En dat maakt van BlackLivesMatter een zware beschuldiging.

Iedereen weet aan wie die beschuldiging gericht is: niet aan de Aziaten, niet aan de Indianen, zelfs niet aan de Arabieren, de spreekwoordelijke handelaars in zwarte slaven. Nee, het zijn de blanken die ervan beschuldigd worden racisten te zijn die geen waarde hechten aan een zwart leven. Dat was ook de betekenis die gegeven werd aan de dood van George Floyd: hij was het zoveelste zwarte slachtoffer van blank racisme. Het beeld van een zwarte man die in koelen bloede gewurgd wordt door een blanke man is in feite de inhoud van de BlackLivesMatter-slogan: de zwarte bevolking wordt zodanig gediscrimineerd en onderdrukt dat ze langzaam stikt. Of het nu onderwijs is, economie, justitie, gezondheidszorg of wat dan ook, nergens telt de zwarte mens mee, nergens doet zijn leven ertoe. Het wordt niet met zoveel woorden gezegd, maar het klinkt uit de woede en de wanhoop waarmee BlackLivesMatter wordt geschreeuwd: de blanken proberen de zwarten uit te roeien.

De BlackLivesMatter-beweging rechtvaardigt de gewelddadigheid van haar protesten door ze voor te stellen als een vorm van zelfverdediging: de zwarte bevolking vecht voor haar leven en dan kun je geen redelijkheid verwachten. BlackLivesMatter zou dan ook vertaald kunnen worden als: Stop de Uitroeiing van de Zwarten. De blanken worden er met andere woorden van beschuldigd nazi’s te zijn die een tweede holocaust voorbereiden. Dat is de werkelijke betekenis van BlackLivesMatter, de betekenis die zich verbergt onder de schaapsvacht van Show me some Respect. Door de slogan in zijn concrete context te zien – en niet als een in de lucht zwevende abstractie – verandert de vanzelfsprekende mededeling in de zwaarst mogelijke beschuldiging: de blanken proberen het zwarte ras uit te roeien. Het is precies dezelfde beschuldiging die we ook horen uit de mond van moslims: blanken maken moslims het leven onmogelijk. Daarom zijn moslims verplicht een nietsontziende overlevingsstrijd te voeren: de jihad. 

BlackLivesMatter is niet alleen de zwaarst mogelijke beschuldiging, het is tevens de grootst mogelijke leugen. Verre van de zwarten te willen uitroeien, zijn het in Amerika juist de blanken die vaak het slachtoffer zijn van zwart geweld. Hetzelfde geldt voor de relatie tussen blanken en moslims. Hoeveel blanke aanslagen worden er op moslims gepleegd? Hun aantal verzinkt in het niets vergeleken bij het aantal moslimaanslagen op blanken. Bovendien gaat het meestal om represailles voor het niet aflatende moslimgeweld. Men kan zich zelfs de vraag stellen of het politiegeweld in Amerika geen vorm van zelfverdediging is, want politieagenten zijn er vaak het mikpunt van (vooral zwart) geweld. In Europa zien we hetzelfde: dagelijks belanden politieagenten in het ziekenhuis omdat ze worden aangevallen door moslims. Geen wonder dat de houding van de politie verhardt en dat er brutaliteit optreedt. Met racisme heeft dat niets te maken, met de agressie van de zogenaamde slachtoffers des te meer. 

BlackLivesMatter keert de zaken dus gewoon om: daders worden voorgesteld als slachtoffers, slachtoffers als daders. Deze schijnbaar antiracistische slogan is in werkelijkheid de meest racistische slogan die men kan bedenken: een welbepaald ras – het blanke – wordt ervan beschuldigd een ander ras – de people of color – te willen uitroeien, niet om hen te beroven van hun materiële of geestelijke rijkdom, maar uit puur en onversneden racisme, uit blinde rassenhaat. Die rassenhaat, zo wordt steeds weer betoogd, is zo diep geworteld in het blanke ras dat de blanken er zich niet bewust van zijn. Racisme is voor hen zo vanzelfsprekend als ademen. Het kenmerkt al hun gewoonten, al hun gebruiken, al hun instellingen. De blanke beschaving – daar kan volgens antiracisten niet genoeg op gewezen worden – is in wezen racistisch. Racisme is haar fundament, het is wat deze beschaving zo machtig heeft gemaakt: het onderdrukken en uitroeien van andere rassen.

BlackLivesMatter is een zo groteske leugen dat niemand kan geloven dat mensen zoiets zouden beweren als het niet waar was. En dus begint men te zoeken naar voorbeelden van dit blanke racisme. Uiteraard vindt men die, want racisme is van alle tijden en alle volkeren, en ofschoon het uitgerekend in het blanke ras duidelijk op de terugweg is, blijven er overal nog resten over. Gaat men het begrip racisme dan ook nog eens uitbreiden tot ver voorbij de oorspronkelijke betekenis en verkettert men de meest onschuldige zaken, dan wordt de indruk gewekt dat de leugen inderdaad waar is. Zo hebben de nazi’s het ook met de joden gedaan: kleine verschillen en karaktertrekken werden zodanig uitvergroot dat de Duitsers uiteindelijk gingen geloven dat het waar was wat Hitler zei: de joden probeerden het Duitse volk te vernietigen. En dat gaf de Duitsers natuurlijk het recht om zich met alle mogelijke middelen te verdedigen tegen die kwaadaardige joden. 

Hitler wist het al: hoe groter de leugen, des te gemakkelijker wordt hij geloofd. Want niemand kan geloven dat mensen zo kwaadaardig kunnen zijn dat ze dergelijke leugens verspreiden. Juist dat ongeloof stelde hem in staat bijna een heel volk uit te roeien. Om dezelfde reden geloven mensen vandaag de groteske leugen van BlackLivesMatter: omdat ze niet kunnen geloven dat mensen zo kwaadaardig kunnen zijn. Ze verspreiden die leugen verder, omdat ze het als hun morele plicht zien (wat zij als) de waarheid (beschouwen) te verdedigen. Het is dus hun eigen goede inborst die hen ertoe brengt de kwaadaardigste beschuldigingen te uiten. Dat is het perverse effect van de BlackLivesMatter-leugen: hij keert niet alleen de waarheid in zijn tegendeel, hij verandert ook goedheid in kwaadaardigheid. Mensen worden leugenaars omdat ze de waarheid liefhebben, ze worden kwaadaardig omdat ze goed zijn. Dat is de tragedie van de antiracisten: bezield met de beste bedoelingen en de hoogste morele normen, plaveien ze de weg naar de hel.

Een leugen als BlackLivesMatter kan zich als een lopend vuurtje verspreiden, niet omdat mensen kwaadaardig zijn, maar juist omdat ze goedaardig zijn. Vooral de blanke mens is vandaag zo idealistisch, zo bevlogen, zo spiritueel dat hij alles wat negatief en laag bij de gronds is verafschuwt. Zelfs gewone kritische opmerkingen betitelt hij als hate speech en hij maakt ze strafbaar. Alles wat maar enigszins kwetsend of onaangenaam zou kunnen zijn, wil hij verbieden. Hij wil met andere woorden het kwaad uitroeien. Wat hij echter niet weet is dat het kwaad twee tegengestelde kanten heeft. Hij beseft niet dat al zijn (luciferische) positiviteit van hem geen goed mens maakt, wel integendeel, ze roept juist het (ahrimaans) negatieve op. Want beide horen samen, beide maken deel uit van het kwaad. Hoe positiever een mens wordt, des te sterker wordt ook het negatieve in hem, en omgekeerd. Wanneer beide polen ten slotte een bepaalde graad van intensiteit bereiken, ontstaat er een Steigerung.

Dat is wat we vandaag meemaken: de Steigerung van het kwaad. Lucifer en Ahriman hebben elkaars werkzaamheid zodanig geïntensiveerd dat uit de spanning tussen beide een nieuw soort kwaad geboren is, een kwaad dat zowel extreem positief als extreem negatief is. Beide tegenpolen vallen samen en dat maakt het nieuwe kwaad zo verwarrend dat we er geen verhaal tegen hebben. Degenen die het bestrijden – in de vorm van racisme, terrorisme, fascisme, Global Warming, coronavirus of wat dan ook – zijn buitengewoon positieve mensen, die zichzelf vervuld weten van liefde. Ze willen een betere wereld en een betere mensheid maken. Maar tegelijk zijn het buitengewoon negatieve mensen die vervuld zijn van haat, die anderen onophoudelijk beschuldigen, die drastische maatregelen eisen en het uitstekend vinden dat de overheid de onwillige mensheid opsluit ‘in haar kot’. Wat deze wereldverbeteraars zo gevaarlijk maakt is dat hun negativiteit niet te onderscheiden is van hun positiviteit. 

Het nieuwe kwaad kan niet bestreden worden zoals het oude: door evenwicht te scheppen tussen de tegenpolen, door het gulden midden te zoeken tussen Lucifer en Ahriman. Want dat midden is verdwenen, de tegenpolen zijn samengevallen. Wie het kwaad bestrijdt zonder onderscheid te maken tussen zijn twee gezichten, wordt er als het ware door opgeslokt en verandert zonder het te beseffen in een bestrijder van het goede. Wie bijvoorbeeld ten strijde trekt tegen het rechtse (ahrimaanse) gevaar kiest automatisch partij voor (luciferisch) links, want een centrum is er niet meer. Omdat links samenvalt met rechts kiest hij partij voor beide kwaden en keert zich tegen het goede. Zolang niet wordt ingezien dat links en rechts kanten van dezelfde medaille zijn, betekent het kwaad bestrijden niets anders dan het goede bestrijden. Al die activisten die als paddestoelen uit de grond schieten, al die fanatieke wereldverbeteraars die schreeuwend door de straten trekken: ze zijn de stoottroepen van het nieuwe, geallieerde kwaad. 

Wie vandaag de draak wil bevechten, wie een echte Michaëliet wil zijn, moet in de allereerste plaats het kwaad leren onderscheiden. Hij moet onderscheid leren maken tussen de wolf en de schaapsvacht, tussen Ahriman en de luciferische idealen waarin hij zich hult. Het kwaad heeft een nieuw gezicht gekregen, een heel verleidelijk, onschuldig gezicht. Want Lucifer is niet langer de wilde fanaticus, die godsdienstoorlogen ontketent omdat God aan zijn kant staat. Nee, hij legt nu op een rustige, schijnbaar redelijke, ja zelfs wetenschappelijke manier uit waarom hij het gelijk aan zijn kant heeft. Hij heeft zich met andere woorden een ‘ahrimaanse stijl’ aangemeten. De tegenmachten spreken vandaag als door één mond: Lucifer levert de – christelijke – inhoud en Ahriman de – antichristelijke – vorm. Wie deze twee niet van elkaar onderscheidt, kan onmogelijk weerstand bieden aan de newspeak van het Nieuwe Kwaad. Daar ligt dan ook de echte michaëlische strijd: in het ontwikkelen van een nieuw onderscheidingsvermogen, een nieuw zintuig voor het kwaad. 

Dat zintuig is tegelijk ook een zintuig voor het goede, want door Lucifer en Ahriman uit elkaar te halen, maken we ook Christus weer zichtbaar. Met ons gewone morele zintuig kunnen we Hem niet meer waarnemen: Hij is als het ware opgeslokt door de wolf. Om het christelijke midden weer te kunnen waarnemen, moeten we het kwaad transparant maken, we moeten erdoorheen leren kijken. Dat is de Parsifalweg die naar Christus leidt: dwars doorheen de draak. We ontwikkelen pas een (nieuw) zintuig voor Christus als we onze ogen openen voor het (nieuwe) kwaad. Het een gaat niet zonder het ander. We moeten ‘het zwaard omgorden’ zoals de bijbel zegt, en dat is niet het oude, materiële zwaard, maar het geestelijke Michaëlszwaard van ons scherp onderscheidende denken. Blijven we het oude, gedachtenloze zwaard gebruiken, zoals de hedendaagse activisten dat doen, dan keert het zich tegen ons, dan wordt het tot een werktuig van de tegenmachten en zullen we erdoor vergaan.

Dit Michaëlszwaard moeten we zelf smeden, met behulp van ons denken, ons voelen en – vooral – ons willen. Want er is moed nodig om tegen de ‘wilde horden’ in te gaan. Iedereen juicht hen toe: de media, de overheid, het bedrijfsleven, de sportwereld, het onderwijs, ouders, grootouders, kinderen. Allemaal roepen ze enthousiast BlackLivesMatter en andere vergelijkbare slogans. Wie weigert mee te doen, betaalt een zware prijs. Wat zal er bijvoorbeeld gebeuren met de zeldzame sportlui die weigeren te knielen en de vuist in de lucht te steken voor aanvang van een wedstrijd? Hoe zullen zij door hun ploegmaats bekeken en behandeld worden? Welke maatregelen zal het bestuur van hun club tegen hen nemen, bang als het is dat sponsors zullen afhaken? Hun carrière kan in een oogwenk voorbij zijn, enkel en alleen omdat ze de moed hadden niet in te stemmen met de oproep tot geweld die BlackLivesMatter in wezen is. En dat geldt niet alleen voor sportlui, het geldt voor iedereen.

De draak bevechten is een gevaarlijke onderneming. Ze maakt alleen kans op slagen als we een nieuw bewustzijn ontwikkelen, een bewustzijn dat zich niet laat meeslepen door holle slogans en massa-bewegingen, maar dat er denkend doorheen kijkt en de wolf leert zien die zich in al die wolligheid verbergt. BlackLivesMatter is een voorbeeld van een onschuldig lijkende slogan die door eenvoudig, logisch te denken stap voor stap ontmaskerd kan worden. Dat vergt tijd en uithoudingsvermogen want er moet lang gehamerd worden om een michaëlszwaard te smeden dat scherp genoeg is om Lucifer en Ahriman te scheiden. Iedereen die wel eens een zeis heeft ‘gehamerd’ weet dat het geen kwestie van kracht is. Het is een kunst – net als het gebruik van de zeis – en kunst vereist de inzet van alle menselijke vermogens. Het michaëlszwaard wordt gesmeed door ons Ik, dat zich met dat zwaard verdedigt tegen het geallieerde kwaad dat het menselijke Ik probeert voor te stellen als de bron van alle kwaad. 

I can’t breathe (1)

  

Ahriman laat er geen gras over groeien. De corona-crisis is nog maar net bezworen of er breekt alweer een nieuwe crisis uit. Dit keer niet in China maar aan de andere kant van de wereld, in Amerika. Daar sterft een zwarte man door toedoen van een blanke politieagent en overal in het land ontstaan er zware rellen die vervolgens ook navolging vinden in Europa. Op het eerste gezicht hebben die twee crisissen niets met elkaar te maken en is het voorbarig om ze allebei aan Ahriman toe te schrijven. Maar dat verandert wanneer we in beelden gaan denken. Dat is trouwens wat Ahriman zelf ook doet: met zijn dode, abstracte ideeën dringt hij door in onze waarneming en doet daar beelden ontstaan, imaginaties die ons gevoel en onze wil krachtig aanspreken. Op die manier drukt hij zijn stempel op alles wat vandaag gebeurt. Dat stempel – Ahrimans handtekening zeg maar – herkennen we wanneer we op onze beurt in beelden gaan denken, wanneer we onze gedachten en inzichten verdichten tot imaginaties. 

Dat is geen eenvoudige zaak. Het is zelfs een gevaarlijke zaak, want we begeven ons op een terrein waar ook Ahriman actief is en het ligt voor de hand dat hij er alles zal aan doen om ons te beletten hem te ontmaskeren. Juist daarom is het belangrijk dat we ons een voorstelling van hem maken, een ideëel portret dat we ons voor ogen kunnen houden. Want als Ahrimans imaginaties zich vermengen met de onze, komen we op een hellend vlak terecht en raken we ongemerkt in zijn greep. Na de imaginatie volgt immers de inspiratie: de beelden beginnen te spreken, en voor hun stemmen kunnen we ons al niet meer afsluiten. Als we vervolgens het stadium van de intuïtie bereiken, zijn we helemaal verloren. We worden dan één met Ahriman, in de overtuiging dat we de wereld redden van het kwaad. Daarom zegt Rudolf Steiner ook dat antroposofie een gevaarlijke zaak is. Het denken tot leven brengen – de imaginatie is daarin de eerste stap – impliceert een hevige strijd met Ahriman en vergt grote wakkerheid.

Het geval George Floyd is wat dat betreft een schoolvoorbeeld. Het toont ons hoe moeilijk (in meer dan één betekenis), maar ook hoe belangrijk het is zelf imaginaties te vormen en ze scherp te onderscheiden van die van Ahriman. We hebben allemaal de beelden gezien van de blanke Derek Chauvin met zijn knie in de nek van de zwarte George Floyd. Doordat we die beelden automatisch associëren met racisme, worden ze een zinnebeeld: we zien niet langer één blanke die in koelen bloede een zwarte verstikt, we zien het hele blanke ras dat het hele zwarte ras onderdrukt en discrimineert. Het eerste beeld is een zintuiglijke waarneming en daar reageren we in regel op door ons af te vragen welk begrip we ermee moeten verbinden. In dit geval: ongeluk of doodslag, racisme of overdreven geweld. Het tweede beeld daarentegen is een imaginatie, een waarneming waarmee het begrip racisme reeds verbonden is en waarop we onmiddellijk reageren, instinctief, zonder na te denken. 

De rellen die uitbraken na de dood van George Floyd geven een idee van de enorme kracht die uitgaat van zo’n imaginatie. Het gaat dan ook niet om een zintuiglijk beeld dat we voor ons zien en afstandelijk bekijken, maar om een bovenzintuiglijk beeld dat in onszelf leeft en waar we sterk mee verbonden zijn. Waarnemingsbeelden situeren zich op het niveau van ons fysieke lichaam: we zijn er ons bewust van en ze laten ons vrij. Imaginaties ontstaan in ons etherische lichaam, ons gewoontelichaam: we zijn er ons slechts deels van bewust en ze hebben iets dwingends. Gewoonten zijn moeilijk af te leren, vooral wanneer ze oud en diepgeworteld zijn. De imaginatie van het blanke ras dat het zwarte onderdrukt, leeft al geruime tijd in ons en wordt steeds sterker. Als dit denkbeeld juist is, dan gaat het om een goede gewoonte en is er geen reden om het te veranderen. Maar als het niet juist is, als het niet met de werkelijkheid overeenkomt, dan hebben we ons een slechte gewoonte eigen gemaakt waar we moeilijk vanaf zullen raken. 

In het geval van George Floyd braken de protesten uit zodra de beelden van de fatale arrestatie bekend werden. Ze groeiden al vlug uit tot gewelddadige rellen, plundering, doodslag en – verrassend genoeg – een heuse beeldenstorm. Ruimte voor onderzoek of reflectie was er niet, het stond meteen vast: dit ging om racisme. Dat was ook de teneur van zowat alle commentaren in de mainstream media: George Floyd was het zoveelste slachtoffer van het onuitroeibare blanke racisme. Daar kon volgens de experts geen twijfel over bestaan. De vanzelfsprekendheid waarmee ze de racisme-imaginatie poneerden kwam niet uit de lucht vallen. Al tientallen jaren lang verschijnen in de officiële media met de regelmaat van een klok opiniestukken waarin het racisme van de blanke bevolking wordt aangeklaagd. Onophoudelijk wordt er op die spijker geklopt. Inmiddels is men reeds een stap verder gegaan: niet alleen het racisme wordt aangeklaagd maar in toenemende mate ook de blanke onwil om dat racisme te erkennen.

In feite zijn de media het stadium van de imaginatieve beeldvorming reeds voorbij. De vraag is niet langer of het beeld van de blanke racist juist is, de vraag is waarom de blanke niet wil luisteren naar de luid klinkende stem van dit beeld. Waarom wil hij de waarheid niet onder ogen zien? De experts – journalisten, academici, ervaringsdeskundigen – hebben met andere woorden het stadium van de inspiratie bereikt, en dat betekent dat er geen discussie meer mogelijk is. De waarheid staat vast: de blanke is racistisch en onderdrukt zijn gekleurde medemens. Wie deze imaginatie nog ontkent, ontkent het licht van de zon, hij sluit de ogen voor wat iedereen kan zien. Zo’n ontkenner is niet langer voor rede vatbaar en plaatst zichzelf buiten de gemeenschap. Daarom verkondigen steeds meer zwarte mensen – merkwaardig genoeg vooral vrouwen, en vaak zeer jonge – dat ze niet langer met blanken over racisme willen spreken. Het heeft toch geen zin. Hun boodschap is: genoeg gepraat, er moet gehandeld worden.

People of color – dat zien we zowel in Amerika als in Europa – voelen zich steeds meer gerechtigd geweld te gebruiken tegen de kwaadwillende blanke die hen langzaam verstikt. Ze zien het als een vorm van wettige zelfverdediging. Dat argument horen we ook bij moslims: ze moeten wel geweld gebruiken anders worden ze doodgedrukt door de ongelovige blanke. Wat dat laatste betreft hebben ze trouwens gelijk: de blanke is inderdaad een ongelovige, en het is zijn ongeloof dat zo verstikkend is. Niet alleen gelooft hij niet meer in God, hij gelooft ook zijn eigen ogen niet meer. Hij baseert zich steeds minder op de zintuiglijke waarneming en steeds meer op het abstracte denken. Dat dode denken vormt vervolgens imaginaties die voor werkelijker dan de werkelijkheid worden gehouden en alles ‘verstikken’. Bovendien zijn die imaginaties nog besmettelijk ook, want ze worden gretig overgenomen door de people of color. Ook hier weer hebben deze laatsten gelijk: de blanke koloniseert hen met zijn imaginaties. Nog altijd.

De vraag is niet of dit geestelijke koloniseren gerechtvaardigd is, want dat is nu eenmaal hoe beschavingen ontstaan: mensen bevruchten elkaar met ideeën, met beelden, met imaginaties. Ook de blanke, Europese beschaving is ontstaan door kolonisatie: enerzijds door de Romeinen met hun abstracte denken, en anderzijds door gekleurde mensen uit het Midden-Oosten met christelijke beelden die, naar ze beweerden, uit de zintuiglijke werkelijkheid afkomstig waren. Moeten wij deze kolonisators nu met de vinger wijzen omdat ze ons gemaakt hebben tot wat we zijn? Of moeten we hen juist dankbaar zijn, ondanks het geweld dat ze gebruikten? De echte vraag gaat niet over het koloniseren op zich, ze gaat over de waarde van de koloniserende ideeën en imaginaties. Zijn ze beter dan de (denk)beelden van de gekoloniseerde? Maken ze zijn leven beter en menselijker? Zijn ze met andere woorden gebaseerd op de waarheid (die voor ieder mens geldt) of op leugens (die onderdrukking veroorzaken)?

Geen enkele Europeaan zal betreuren 2000 jaar geleden gekoloniseerd te zijn door Romeinen en Palestijnen, want uit die – deels gewelddadige, deels vreedzame – kolonisering is een beschaving ontstaan die zijn weerga niet kent. De reden waarom momenteel zoveel people of color naar Europa emigreren is simpelweg dat het leven nergens beter is, dat mensen nergens meer mens kunnen zijn dan juist hier. Dat neemt niet weg dat in dat bewonderens- en benijdenswaardige Europa ideeën en imaginaties leven die in de vorige eeuw een storm van geweld hebben ontketend die niet te rijmen valt met de Europese idealen van vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid. Deze anti-Europese ideeën en imaginaties zijn weliswaar ontstaan in Europa en worden er ook door gevoed, maar ze zijn een koekoeksjong dat, sinds het uit zijn ei is gekropen, de oorspronkelijke beelden één voor één uit het Europese nest kiepert. En dat is iets wat niet enkel (blanke) Europeanen moeten betreuren, het gaat de hele wereld aan.

Het geweld dat de wereld nu al meer dan 100 jaar teistert, wordt niet veroorzaakt wordt door de Europese idealen (die inmiddels wereldidealen zijn geworden). Vrijheid van meningsuiting, gelijkheid van alle mensen, afschaffing van de slavernij: het zijn verwezenlijkingen waar ieder mens op aarde, ongeacht zijn ras of kleur, achter kan staan. Tenzij ze natuurlijk als ‘wit’ beschouwd worden en het resultaat van ‘eurocentrisch denken’. Maar dan kan men zich ook niet op die idealen en mensenrechten beroepen om racisme en discriminatie aan te klagen. Wat achter de hele racismekwestie schuilgaat, is de vraag naar waarheid. Bestaat er een waarheid die voor iedereen geldt, tot welk ras hij ook behoort? Of zijn er alleen maar Europese waarheden, blanke waarheden, zwarte waarheden, gekleurde waarheden? In het laatste geval is de strijd tegen het racisme gewoon een strijd om de macht: wiens waarheid wint? In het eerste geval dient de waarheid onderscheiden worden van de leugens van het koekoeksjong.

Ahriman zet de waarheidsvraag op scherp door ons denken te infiltreren met zijn leugens, door imaginaties te doen ontstaan die gebaseerd zijn op dode ideeën, ideeën die het contact met de levende werkelijkheid verloren hebben en een eigen onderaards leven zijn gaan leiden. Ongewild wijst Ahriman er ons op dat waarheid een werkwoord is en dat we haar niet kunnen vinden als we ons niet inspannen, als we ons denken niet (zelf) tot leven brengen door imaginaties te vormen, door onze dode ideeën weer met de zintuiglijke werkelijkheid te verbinden zodat ze verhinderd worden hun eigen gang te gaan (en zelfs door computers overgenomen te worden). Het abstraheren of ‘doden’ van ideeën is een cruciale stap in het verwerven van onze vrijheid. Het is een vermogen dat we aan Lucifer te danken hebben, maar waar Ahriman zich nu meester van maakt om er zijn imaginaties mee te vormen die het materialisme diep in ons gemoed en onze wil prenten en ons ongemerkt tot slaaf maken. 

Dit ahrimaniseren van onze ziel kunnen we alleen tegengaan door zelf – bewust en vrijwillig – imaginaties te vormen in plaats van ze onbewust in onze ziel te laten opstijgen als tegenbeeld van ons dode cijferdenken. Want imaginaties vormen we hoe dan ook, ons denken komt sowieso tot leven, dat valt niet tegen te houden. Het probleem is dat we er ons niet bewust van zijn, dat het allemaal instinctief verloopt en dat we bijgevolg niets doen om evenwicht te scheppen tussen ons cijferdenken en ons imaginatieve denken. Van die onbewustheid en passiviteit maakt Ahriman gebruik om ons denken in de door hem gewenste richting sturen, en dat is niet de richting van een bewuste samenwerking tussen beide tegengestelde vormen van denken, maar die van toenemende polarisatie en strijd. Deze strijd maakt zowel het (bewuste) dode als het (onbewuste) levende denken steeds sterker en wanneer de uitersten zich ten slotte met elkaar vermengen, wanneer les extrêmes se touchent, ontstaat er chaos in onze ziel. Op die manier drijft Ahriman ons langzaam maar zeker tot waanzin.

Deze overgang van dood naar levend denken maakt deel uit van het Keerpunt der Tijden. Het is de uitvergroting van een natuurlijk proces dat zich in ieder mensenleven voltrekt. Als kind leven we in beelden, daarom tekenen we ook allemaal. Het vormen van beelden is de mens aangeboren, het is zijn moedertaal, een vermogen dat hij meebrengt uit de geestelijke wereld. Op aarde moet hij echter afstand nemen van deze beelden, hij moet de geestelijke wereld ‘doden’ en in abstracte begrippen leren denken, anders kan hij niet overleven. Maar wanneer hij deze overlevingsstrijd gewonnen heeft en oud wordt, begint hij weer in beelden te leven, herinneringsbeelden die zich langzaam verdichten tot imaginaties, tot wijsheid. De oude mens wordt weer kind, zijn oorspronkelijke beeldvormende vermogen krijgt weer adem en langzaam glijdt hij de geestelijke wereld in. Vandaag is ieder modern mens oud geworden, hij heeft het abstracte denken helemaal ontwikkeld en begint nu als vanzelf weer in beelden te leven.

We worden, zoals Rudolf Steiner zei, op een natuurlijke wijze weer helderziend. Dat klinkt mooi, maar het houdt grote gevaren in, want als we deze overgang naar het imaginatieve denken niet zelf ter hand nemen, dan maakt Ahriman er zich meester van. Op dit keerpunt heeft hij lang zitten wachten en nu slaat hij toe. We beleven het moment van de waarheid, want als de leugen verschijnt, verschijnt ook de waarheid. De incarnatie van Ahriman valt samen met de wederkomst van Christus en plaatst ons voor de keuze: door wie zullen we ons leven en onze toekomst laten bepalen? Om überhaupt te kunnen kiezen moeten we Ahriman en Christus eerst leren onderscheiden, anders kiezen we automatisch voor Ahriman, de wolf in een schaapsvacht. De grote vraag van onze tijd is dan ook: wat is waarheid en wat is leugen? Met cijferdenken alleen komen we daar niet achter, want Ahriman heeft al lang de stap naar de imaginatie gezet. We kunnen hem alleen ontmaskeren – lees: van Christus onderscheiden – wanneer we net als hij in beelden leren denken.  

Corona (5)

  

Science is the belief in the ignorance of experts. (Richard Feynman)

Tijdens de eerste wereldoorlog, toen miljoenen mensen stierven op het slagveld, werd er in Dornach getimmerd, gebeeldhouwd en geschilderd aan het Goetheanum. Ook tijdens de daaropvolgende katastrofe, toen nog veel meer mensen stierven aan de Spaanse griep, bleef Rudolf Steiner voordrachten geven over de wereld van de geest. Juist in deze tijden, zei hij, is het van belang dat we ons blijven concentreren op het antroposofische werk. Zowel de wereldoorlog als de epidemie waren volgens hem karmische gevolgen van het 19de eeuwse materialisme en zolang dat niet overwonnen werd, zouden de katastrofes elkaar blijven opvolgen. Daaraan moest ik denken tijdens het werken aan mijn beschouwingen over het ontwikkelen van een oog voor kunst. Hoe futiel lijkt het niet om je daarmee bezig te houden in tijden van corona-crisis! Maar kijk, tot mijn eigen verbazing stel ik vast dat mijn conclusies nauw aansluiten bij de huidige situatie waarin we ons blindelings overleveren aan ‘experts’ die de hele wereld op zijn kop zetten.   

Virologen, epidemiologen en bacteriologen buitelen over elkaar en overstelpen ons met hun expertise tot onze oren ervan tuiten. Niet alleen spreken ze elkaar tegen, maar ze veranderen ook geregeld van mening, een beetje zoals wijlen Jan Hoet, die de ene dag zonder verpinken het tegenovergestelde zei van wat hij de dag tevoor nog had beweerd. Het deed niets af aan zijn gezag of geloofwaardigheid, wel integendeel, hij werd op handen gedragen, net als griepcommissaris Marc Van Ranst vandaag. Deze laatste lijkt wel in quarantaine te zitten op de VRT en brengt zijn tijd door met de bevolking te vertellen wat ze moet doen en vooral niet mag doen. Volgens hem zal de toestand nog maanden duren en vallen de drastische maatregelen niet zomaar terug te schroeven. Niet alleen in ons land, maar in heel Europa, ja in de hele wereld zullen mensen nog een hele tijd ‘in hun kot’ moeten blijven en dat terwijl de zon schijnt en iedereen naar buiten wil. 

Zoals dat ook met de klimaatkwestie het geval was, heerst er grote eensgezindheid onder de experts. Tenminste, dat wordt ons voorgehouden. Wie echter een beetje rondkijkt op het internet weet dat die consensus een fabeltje is. Verschillende virologen, en heus niet de eerste de beste, beweren dat de hele corona-pandemie een hoax is, boerenbedrog dus. Ze wijzen er onder meer op dat het dodental niet hoger ligt dan andere jaren. Ieder jaar weer kost de griep het leven aan talloze mensen, meestal bejaarden. Het is een soort jaarlijkse lenteschoonmaak. Wat is er dit jaar dan anders? Vanwaar die wereldwijde paniekreactie? Verleden jaar bijvoorbeeld stierven wereldwijd 650 000 mensen aan de griep. In eigen land waren dat er een kleine drieduizend. Dat waren normale gemiddelden en geen haan kraaide er dan ook naar. Ondanks alle dramatische berichten staan we nog altijd ver van die cijfers af. Maar, waarschuwen de experts, dit is de stilte voor de storm, er zullen mogelijk miljoenen slachtoffers vallen! 

Twintig jaar geleden voorspelden experts dat half Europa vandaag onder water zou staan. Reden genoeg dus om sceptisch te staan tegenover ‘wetenschappelijke’ doemscenario’s. Eén ding is zeker: door luid alarm te slaan over een virus dat tot nog toe vrij onschuldig is gebleken, wordt een virus verspreid dat veel gevaarlijker is: angst. Volgens Rudolf Steiner is angst de beste voedingsbodem voor virussen en bacillen. Hoe angstiger mensen zijn, des te gemakkelijker worden ze geïnfecteerd. Dat zou dus betekenen dat de experts bevorderen wat ze menen te bestrijden. Ze creëren een vicieuze cirkel: hoe meer angst, hoe meer infecties, hoe meer infecties, hoe meer angst. Dat doet opnieuw de vraag rijzen: waarom jagen ze de mensen dit jaar zoveel angst aan en niet verleden jaar of de jaren daarvoor, toen er net zoveel slachtoffers vielen? Wat is het verschil? Is het na de klimaatexperts wellicht de beurt aan de virusexperts om ons de stuipen op het lijf te jagen met hun onheilspellende cijfers, tabellen en grafieken? 

Aan sommige experts, moeten we opnieuw zeggen, want er zijn er ook die beweren dat de remedie erger is dan de kwaal en dat de maatregelen die vandaag getroffen worden (veel) meer ellende veroorzaken dan het virus zelf. Denken we maar aan al die oude mensen die vandaag in eenzaamheid sterven, of aan jonge ouders die samen met hun kinderen opgesloten zitten in hun appartementje, of aan de economische gevolgen die dreigen de hele gezondheidszorg (en nog veel meer) in het gedrang te brengen. Maar, zeggen de experts, dat is de prijs die we moeten betalen om nog groter verschrikkingen te voorkomen! Dan hebben ze in Azië toch betere experts, want daar slagen verschillende landen erin het aantal slachtoffers tot een minimum te beperken zonder dat ze daarvoor een lockdown nodig hebben. Jamaar, roepen de Europese experts, we kunnen de cijfers van die communistische landen niet zomaar geloven! Alsof kapitalistische cijfers wel betrouwbaar zijn en Marc Van Ranst geen communist is …

Wie bepaalt welke experts het voor het zeggen hebben? Net als in de klimaatkwestie wordt ook nu weer een hele groep deskundigen monddood gemaakt. Alleen de angstverspreiders mogen hun mening verkondigen. Dat ligt geheel in de lijn van wat de media nu al decennia lang doen: angst en tweedracht zaaien, afwijkende meningen doodzwijgen of belachelijk maken. Daar plukken we nu de vruchten van: de angst sleurt iedereen mee. Landen die een eigen aanpak voorstaan, worden gedwongen hun standpunt te herzien. Overal moeten individuele reacties wijken voor de grote, collectieve angstreactie. Krijgswetten worden afgekondigd, alsof het oorlog is. In Amerika kan gelijk wie opgesloten worden als hij ervan verdacht wordt virusdrager te zijn. Wie bij ons op voedingswaren hoest riskeert vijf jaar cel. In Indië dreigt men overtreders van het uitgaansverbod gewoon neer te schieten. Enzovoort, enzovoort. En dat alles wordt mogelijk gemaakt door experts die onafgebroken angst zaaien. 

Marc Van Ranst vertelt op televisie dat het nog wel het hele jaar zal duren voor de situatie weer normaal is. Hij vertelt ook dat het virus terug zal keren. Dat betekent dat we volgend jaar weer hetzelfde zullen meemaken en dat de angst dus permanent zal worden. Tenzij er een vaccin wordt gevonden (Marc Van Ranst werkt nauw samen met Johnson & Johnson). Maar vaccins verzwakken het immuunsysteem, ze maken de mens kwetsbaarder en de virussen derhalve gevaarlijker. Het beste voorbeeld zijn de mazelen, een onschuldige kinderziekte die (onder meer) door massale vaccinatie vandaag levensbedreigend is geworden. De roep om een universeel vaccin zal na de corona-epidemie dan ook luider klinken dan ooit. Wellicht wordt dat het geneesmiddel dat Rudolf Steiner voorspelde en dat de mens van bij zijn geboorte zou afsnijden van de geest. De vicieuze cirkel zal dan helemaal rond zijn, want juist dit afgesneden-zijn van de geest is de grondoorzaak van de huidige crisis. 

De mensheid wordt langzaam maar zeker opgesloten in een gevangenis die ze zelf bewaakt. Men moet het maar eens wagen de nieuwe regels in vraag te stellen: onmiddellijk wordt men er door zijn medemensen van verdacht een gewetenloze egoïst te zijn, een gevaar voor de anderen, een corona-terrorist. Angst maakt mensen volgzaam op een agressieve manier: ze beginnen elkaar te controleren, ze dwingen elkaar in de pas te lopen. Het politiek-correcte bewind waaronder we al zolang leven, is een angstbewind. Het heeft het pad geëffend voor de huidige angstepidemie en die effent op haar beurt het pad voor nog meer angst, nog meer eenheidsdenken, nog meer controle. Tenzij we van de gelegenheid gebruik maken om die vicieuze cirkel te doorbreken. Maar dan komen we een nog diepere angst tegen: de angst voor de geest. Daar vinden de corona-angst, de politiek-correcte angst en de vele andere moderne angsten hun oorsprong. Nergens is de moderne mens zo bang voor als voor de geest.

Die angst kunnen we goed waarnemen in de kunst. Gevaar voor virale besmetting bestaat hier niet, want onze relatie met kunst is zuiver geestelijk: we kijken of luisteren ernaar, meer niet. Toch heerst in de kunstwereld precies hetzelfde angstklimaat als elders, met dat verschil dat het hier al zo gewoon is geworden dat we niet eens meer beseffen hoe bang we zijn, bang om zelf te kijken, bang om zelf te voelen, bang om zelf te denken. We durven niet meer oordelen over kunst omdat we geloven dat alleen experts kunnen bepalen wat kunst is en wat niet. Dat blinde geloof bepaalt heel onze omgang met kunst. Experts bepalen wat we te zien krijgen en hoe we erop moeten reageren. Zij hebben de rol van ons Ik overgenomen, een Ik dat verlamd is van angst voor de geest en zelfs niet meer durft te protesteren als het de grootste rotzooi te slikken krijgt. We leven in een angstcultuur en we beseffen het niet. Integendeel, we zijn er trots op en reageren agressief tegen al wie onze angst niet deelt.

Maar hoe kunnen we nu bang zijn voor iets waar we niet meer in geloven? Heeft ons materialisme ons niet juist bevrijd van vele irrationele angsten? Niemand is vandaag nog bang voor spoken, demonen en andere kwelgeesten. Althans niet bewust. Want onbewust gaan we allemaal over de drempel en nemen we weer geestelijke wezens waar. De angst die ze ons aanjagen projecteren we op de fysieke wereld, op onze medemensen of op virussen waarmee we de strijd aanbinden. Maar die strijd dient alleen om onze angst voor de geest te verdoven. In die zin zouden we de huidige angst-pandemie kunnen zien als het gevolg van een collectieve opstoot van onbewuste helderziendheid. Zonder het te beseffen ‘zien’ we een geest die ons de stuipen op het lijf jaagt. En wie kan dat anders zijn dan Ahriman, die op het punt staat zijn gezicht te tonen? Het corona-virus is dan ook een wake up call. We moeten onze ogen openen voor de geest die ons zoveel angst aanjaagt, anders komen we in een spiraal van geweld terecht.

Maar hoe doen we dat? Hoe ontwikkelen we een oog voor Ahriman, voor de geestelijke dimensie van de corona-epidemie? Het antwoord luidt: op dezelfde manier als we een oog voor kunst ontwikkelen. Want in de kunst slaan we geen acht op de materie, we vragen ons niet af welke verf, welke olie of welke pigmenten de schilder gebruikt heeft (tenzij we een expert zijn). We richten onze aandacht enkel op het beeld dat door deze materialen zichtbaar wordt. Daar ligt het wezen van het kunstwerk en het heeft geen zin om het elders te zoeken, bijvoorbeeld aan de achterkant van het schilderij, want daar is niets te zien. Ook de gedachten en bedoelingen van de kunstenaar kunnen we niet zien, dus daar houden we evenmin rekening mee. We kijken enkel en alleen naar het kunstwerk, naar het – in wezen geestelijke – beeld dat aan ons verschijnt. Tenminste, zo deden we dat vroeger, want sinds de hedendaagse kunst op het toneel verscheen, kijken we niet meer naar beelden, we luisteren enkel nog naar de woorden van (materialistische) experts.

De ooit zo vanzelfsprekende fenomenologische benadering van kunst – waarbij we ons enkel baseren op wat we waarnemen – is vervangen door een blind geloof in experts die ons, op grond van hun vermeende helderziendheid, vertellen wat we moeten zien, wat we moeten denken en wat we moeten voelen. Trekken we hun alwetendheid in twijfel en proberen we ons zelf een oordeel te vormen, dan is verontwaardiging ons deel: wie denken we wel dat we zijn! De kunstexperts dwingen hun gezag af door middel van angst en niemand durft tegen hen in te gaan. Die geestelijke lafheid is inmiddels een tweede natuur geworden zodat niemand in de kunstwereld zich nog realiseert hoe bang hij wel is. Immers, wie niet durft te verroeren, voelt niet dat hij verlamd is van angst. Hij verkeert in de mening dat er niks aan de hand is, en de gedachte dat er angst heerst in de kunst komt hem bespottelijk voor. De kunst is in zijn ogen juist een wereld waar iedereen zich bevrijd heeft van de angst, een wereld die moedig voorop loopt, een avant garde

We staan vandaag voor de keuze: ofwel geven we toe aan de angst en kiezen we voor een wereld vol geweld – medisch geweld, politiek geweld, sociaal geweld, militair geweld – ofwel overwinnen we die angst en openen we onze ogen voor de geest. Dat laatste doen we door de wereld fenomenologisch te benaderen, dat wil zeggen op dezelfde manier waarop we dat in de kunst doen. Maar daar komen we opnieuw voor de keuze te staan: laten we ons intimideren door de hedendaagse kunst en haar leger van experts of kiezen we voor de klassieke kunst en haar fenomenologische benadering van de werkelijkheid? Pas wanneer we dat laatste doen, ondervinden we hoe groot onze (geestelijke) angst is. Want ofschoon we volkomen vrij zijn, waagt niemand het om deze keuze te maken. We zijn als de dood voor de reactie van de experts en hun volgelingen, voor hun woede en verontwaardiging, voor hun spot en hun minachting. We zijn verlamd van angst voor de geest die door hen spreekt. 

Na de War on Drugs, de War on Terror en de War on CO2, is vandaag de War on Virus uitgebroken. Het zal de laatste niet zijn. We zitten gevangen in een spiraal van geweld waar geen eind zal aan komen tenzij we ons bewust worden van de bron van al dat geweld: onze angst voor de geest. Die angst voelen we pas wanneer we geestelijk in beweging komen, wanneer we zelf beginnen kijken, zelf beginnen voelen, zelf beginnen denken. Door ons blinde geloof in te ruilen voor vertrouwen in onszelf krijgen we de ware – ahrimaanse – aard van de experts te zien. Want zij dulden geen tegenspraak, zij dulden geen twijfel aan hun (geestelijke) gezag. Het zijn dus geen wetenschappers en het zijn evenmin kunstenaars, het zijn magiërs die de wetenschap en de kunst gebruiken om ons steeds dieper in slaap te brengen zodat ze met ons kunnen doen wat wij met de dieren doen. Het enige wat we tegen die verdierlijking kunnen doen, is wakker worden, geestelijk in beweging komen, zelf aan kunst en wetenschap doen.      

Een oog voor kunst (4)

  

De vraag hoe je een oog ontwikkelt voor kunst is in wezen dezelfde als de vraag hoe je een oog ontwikkelt voor de geest. Want een oog-voor-kunst is geen fysiek oog dat ziet wat er bijvoorbeeld op een schilderij staat, het is een innerlijk oog dat ziet wat dat schilderij tot een kunstwerk maakt. Het is een zintuig voor de geestelijke dimensie van kunst, voor datgene wat door fysieke ogen niet kan waargenomen en door het verstand niet bewezen of begrepen kan worden. Het is met andere woorden een geestelijk oog, maar dan wel een geestelijk oog dat niet kan bestaan zonder fysieke ogen. Wie blind is voor de materiële dimensie van kunst – wie geen schilderij kan zien of geen muziek kan horen – kan ook de geestelijke dimensie ervan niet waarnemen. In de kunst geldt: geen geest zonder materie. Het fysieke, zintuiglijke waarnemen is hier voorwaarde voor het geestelijke, bovenzintuiglijke waarnemen. Een oog voor kunst is dus geen oog voor de zuivere geest, het is een oog voor de geest in de materie. 

De wereld van de zuivere geest werd definitief voor ons afgesloten door de komst van Christus, de geest die afdaalde in de materie en verklaarde: niemand komt tot de Vader dan door mij. Hij deed de vijgeboom – symbool van de oude helderziendheid – verdorren en werd zelf de poort waardoor we voortaan de geestelijke wereld binnengaan. Als we dat tenminste willen, want we moeten ervoor kiezen, we kunnen alleen uit vrije wil de ogen openen voor Christus. Het waarnemen van de geest-in-de-materie is ons niet gegeven zoals de oude helderziendheid dat was. Het moet ontwikkeld worden vanuit de zintuiglijke waarneming van de materie. Die ontwikkeling is vrij, maar niet vrijblijvend, want sinds het einde van het Kali Yuga wordt onze oude helderziendheid weer wakker, en ze leidt ons weg van Christus, recht in de armen van de tegenmachten. We moeten dus kiezen tussen twee vormen van helderziendheid: de christelijke (die ons omhoog leidt) en de antichristelijke (die ons omlaag leidt, de onderwereld in). 

We gaan vandaag over de drempel en we zouden geen vrije mensen zijn als we dat niet op twee manieren konden doen: via Christus of via de tegenmachten. Voor de christelijke manier moeten we bewust en vrijwillig kiezen, voor de antichristelijke manier hoeven we helemaal niet te kiezen, dat gaat vanzelf. Om Christus waar te nemen moeten we ons inspannen, om in de greep van de tegenmachten te raken, volstaat het dat we ons laten meedrijven met de stroom. Wat er in dat laatste geval gebeurt, zien we vandaag overal: we verliezen ons verstand, we worden langzaam maar zeker met waanzin geslagen. Het is echter geen fysieke waanzin die ons treft (als gevolg van het slecht functioneren van onze hersenen), maar geestelijke waanzin (als gevolg van het niet wakker en actief worden van onze geest). En wat deze ziekte zo gevaarlijk maakt, is dat we er ons niet bewust van zijn. Integendeel, we zien ze als een teken van geestelijke gezondheid, als een vorm van hoger bewustzijn.

De oorzaak van deze waanzin ligt in de desintegratie van onze ziel bij het overschrijden van de drempel naar de geestelijke wereld. Denken, voelen en willen komen los van elkaar en gaan ieder hun eigen gang. Ze onttrekken zich aan de controle van ons Ik en plaatsen ons voor de keuze: ofwel proberen we onze losgeslagen zielevermogens weer in het gareel te krijgen, ofwel laten we ze in handen van de tegenmachten vallen. Deze laatsten blazen onze gedachten, gevoelens en wilsimpulsen op tot karikaturen en creëren in onze ziel een chaos waarin ons Ik zich niet langer kan handhaven. We worden als het ware uit ons eigen huis gedreven en de tegenmachten nemen het in bezit. We raken met andere woorden ‘bezeten’, maar dat beseffen we niet want ons Ik is buitenspel geplaatst. We kunnen geen onderscheid meer maken tussen goed en kwaad, en identificeren ons steeds meer met de nieuwe, antichristelijke geest die onze ziel bezet houdt en die ons in de waan brengt dat we superieure wezens zijn. 

Deze superioriteitswaan verspreidt zich momenteel als een epidemie over de hele wereld, want we gaan allemaal over de drempel en komen daarbij allemaal voor de keuze te staan: blijven we baas in eigen ziel of ‘verkopen’ we onze ziel aan de duivel? Dat dringt echter niet tot ons door en we kiezen, al naargelang van onze natuur, voor de spirituele Lucifer of voor de materiële Ahriman, die ons meesleuren in hun onderlinge strijd en ons in de waan brengen dat het de (goede en noodzakelijke) strijd tegen de draak is. We denken dus te kiezen tussen goed en kwaad, maar in werkelijkheid kiezen we tussen twee kwaden – de links-idealistische Lucifer en de rechts-materialistische Ahriman – waardoor we in de greep raken van de vernietigende wil die beide bezielt. Door ons over te geven aan de machts- en superioriteitsroes die ze in onze ziel wekken, beginnen we in naam van het goede een nietsontziende strijd tegen het goede, tegen ons eigen Ik, tegen alles wat christelijk is.

Deze zelfvernietigende strijd is de keerzijde van de scheppende strijd die we moeten voeren om oog te krijgen voor Christus, en dat is de strijd om juist niet te kiezen tussen Lucifer en Ahriman maar beide tegenmachten in evenwicht te houden. Want we hebben ze allebei nodig om een zintuig voor Christus te ontwikkelen: Ahriman opent onze ogen voor de materie en legt aldus de grondslag voor het waarnemen van de geest-in-de-materie, terwijl Lucifer het verlangen wekt naar de geest. We mogen ze uiteraard niet hun eigen gang laten gaan, want dan raken ze slaags en veroorzaken in onze ziel een chaos van haat en geweld die ons blind maakt voor het christelijke midden. Alleen een Steigerung van beide tegengestelde krachten kan ons de ogen openen voor Christus en beletten dat we zonder het te weten voor de Antichrist kiezen. Daarom moeten Lucifer en Ahriman uit elkaar worden gehouden, ze mogen zich onder geen beding met elkaar vermengen, want dan sleuren ze ons mee in hun waanzin.

Dat is de keuze waarvoor we staan: ofwel ontwikkelen we een oog voor Christus, ofwel worden we blind voor Christus. Dat laatste is het ergste wat ons kan overkomen, want als we de wederkomst van Christus ‘verslapen’, aldus Rudolf Steiner, zal het grootst mogelijke onheil over de mensheid komen. We moeten dus kost wat kost een ‘etherisch oog’ ontwikkelen, een oog voor de etherische wereld waarin Christus verschijnt. Een belangrijker en dringender opgave bestaat momenteel niet. En hier betreedt de kunst het toneel, want zij maakt de etherische dimensie van de werkelijkheid zichtbaar. Zij legt de etherische levens- en vormkrachten vast in de materie en stelt ons daardoor in staat er een zintuig voor te ontwikkelen. Dat gebeurt op exemplarische wijze in de filmkunst, die met zijn bewegende beelden en in elkaar vloeiende kunstvormen een uitgesproken etherisch karakter heeft. Maar we leren hier ook de keerzijde van de medaille kennen: de etherische wereld wiegt ons in slaap.

Door de verbinding met de materie ‘sterft’ de geest: hij wordt door de kunstenaar bij wijze van spreken gedood en in zijn graf gelegd. Maar daaruit kan hij door de kijker weer worden opgewekt. Dit Stirb und Werde van de geest is in wezen een Offenbares Geheimnis, een openbare mysteriehandeling. In de kunst gebeurt dus in het klein wat vandaag in het groot gebeurt: de mens gaat over de drempel, hij wordt ingewijd. Vroeger was die inwijding streng voorbehouden aan uitverkorenen, maar vandaag gaat iedereen over de drempel: we betreden allemaal de grafwereld van de inwijding en de kunst, en vallen daar ‘in slaap’. We doen dat echter als vrije mensen, wat betekent dat het van onszelf afhangt of we wakker worden in die inwijdingsslaap en de ogen openen voor de geest-in-de-materie die zich daar manifesteert. Doen we dat niet en blijven we slapen, dan kunnen we Christus niet onderscheiden van de tegenmachten die ons de onderwereld binnenloodsen. 

Sinds het aflopen van het Kali Yuga dringt de geestelijke wereld opnieuw onze materiële wereld binnen en maakt er een inwijdingsplek van, een ‘grafwereld’ waar een zelfde ‘etherische’ sfeer heerst als in de kunst. Daar zijn we ons echter niet van bewust. We beseffen niet dat de moderne wereld een mysterieplaats is geworden waar we ons instinctief op dezelfde manier gedragen als in de kunst: ons overgevend aan de schone schijn, onderduikend in beelden en gevoelens die ons kritische verstand uitschakelen. We zijn ‘geestdronken’ maar voelen ons nuchterder en wakkerder dan ooit. Met nauw verholen misprijzen kijken we neer op onze ‘domme’ voorouders die nog in sprookjes geloofden, overtuigd als we ervan zijn de wereld – eindelijk – te zien zoals hij is. Geen moment komt het in ons op dat wij de slaapwandelaars zijn, de dromers die alles geloven wat hen voorgehouden wordt en geen onderscheid meer maken tussen goed en kwaad. We beseffen niet dat we in het duister tasten en op grote schaal misleid worden. 

Dit dromende inwijdingsbewustzijn maakt ons tot puppets on a string die in de waan verkeren vrij te zijn maar in werkelijkheid precies doen wat de antichristelijke puppetmaster van hen verlangt. Het probleem is dat we niet zomaar wakker kunnen worden uit deze ‘inwijdingsslaap’, want dan gebeurt hetzelfde als wanneer we in de bioscoop tijdens een film om ons heen kijken: we zien ons omringd door louter zombies die roerloos in het donker voor zich uit zitten te staren. Proberen we hen wakker te maken dan verzetten ze zich hevig, want ze willen niet uit de droom worden gehaald. En dus zit er niets anders op dan zelf ook weer onder te duiken in de film, anders kunnen we net zo goed de zaal verlaten. Dat laatste is in de reële wereld echter geen optie. Daar zitten we gevangen in het donker en breekt er een gevecht in regel uit tussen de ‘dromers’ en de ‘wakkeren’. In feite slapen ze allebei: de eersten slapen een luciferische slaap, de laatsten een ahrimaanse slaap. 

Ontwaken uit deze inwijdingsslaap is niet mogelijk. Keren we terug naar ons wakkere, materialistische bewustzijn, dan vallen we in slaap voor de geest en bestrijden instinctief alles wat spiritueel of idealistisch is. Geven we ons over aan ons dromende spirituele bewustzijn, dan vallen we in slaap voor de materie en verliezen het contact met de realiteit. Wat we ook doen, we ontsnappen niet aan de slaap en aan de onvermijdelijke botsing met andere slapers. Aangezien beide manieren van slapen elkaar versterken, sluiten ze ons op in een onderwereld vol haat en geweld, waaruit we niet eens willen ontsnappen. Want de strijd die hier woedt – het gevecht tussen de dromers en de wakkeren, tussen de idealisten en de realisten, tussen luciferisch links en ahrimaans rechts – beschouwen we als een heilige strijd, een strijd tegen de draak die gewonnen moet worden als we de wereld willen redden. Niets is belangrijker in onze ogen, niets kan ons van deze strijd afhouden.  

De enige manier om deze zelfvernietigende strijd te stoppen, is door onze ogenen te openen in de slaap en te zien dat het niet onze strijd is, maar de strijd van onze dubbelganger, die ons als een bal heen en weer kaatst tussen Lucifer en Ahriman. Vroeger werd de inwijdeling voorbereid op de ontmoeting met de dubbelganger, hij leerde diens twee gezichten kennen en wist dat hij zich niet mocht laten meezuigen in de draaikolk die ze veroorzaakten. Zoals Odysseus, moest hij tussen Scylla en Charybdis door laveren, hij moest als het ware dwars door de dubbelganger heen om Christus te bereiken, de poort tot de geestelijke wereld. Dat is vandaag nog altijd zo, maar dan met dat verschil dat de moderne mens onvoorbereid – en dus onbewust – geconfronteerd wordt met de twee wachters aan de drempel, met de dubbelganger en met Christus. In zijn slapende bewustzijn vloeien ze samen tot één wezen waaraan hij zich, gedreven door zijn intense verlangen naar de geest, blindelings overgeeft. 

Wat de mens die over de drempel gaat dus het meest nodig heeft, is onderscheidingsvermogen. Hij moet onderscheid leren maken tussen de dubbelganger en Christus, zodat hij een vrije keuze kan maken tussen beide. Want kiezen moet hij, een compromis is geen optie. Christus laat daar geen twijfel over bestaan: wie niet voor hem is, is tegen hem. Het gaat dan ook om een morele keuze, een keuze tussen goed en kwaad. En wat deze keuze zo moeilijk maakt, is dat de oude morele grenzen verdwenen zijn: goed en kwaad zijn niet langer zorgvuldig gescheiden, ze lopen door elkaar. Onze gewone moraliteit volstaat niet meer bij het overschrijden van de drempel. Daar doelt Rudolf Steiner op wanneer hij zegt dat iedere stap op de scholingsweg gepaard moet gaan met drie stappen op de morele weg. We moeten ons morele onderscheidingsvermogen versterken, we moeten het over de drempel leiden zodat we niet langer alleen maar voelen wat goed en kwaad is, maar het ook zien en doordringen tot hun wezen. 

Hoe kan de mens echter doordringen tot het wezen van goed en kwaad – dat wil zeggen tot de dubbelganger en tot Christus – als hij geen geestelijke wezens kan waarnemen, als hij niet eens gelooft in hun bestaan? Het antwoord luidt: met behulp van de kunst. Hier wordt het hele drempeloverschrijdingsproces weerspiegeld in beelden die we in alle rust kunnen bekijken en beoordelen. Anders dan in de werkelijkheid geven we ons in de kunst bewust en vrijwillig over aan de slaap. We weten dat het slechts schijn is wat we zien en precies deze wakkerheid-in-de-slaap stelt ons in staat de beelden te beoordelen op hun morele (lees: artistieke) kwaliteit. In de kunst nemen we ons morele oordeelsvermogen mee over de drempel: we leren onderscheid maken tussen goed en slecht in de etherische sfeer. En dat is precies wat we vandaag zo dringend nodig hebben. Als we niet in de grootst mogelijke ellende terecht willen komen, moeten we onze artistieke wakkerheid versterken en uitbreiden. Alleen op die manier kan kunst de wereld redden.  

Antroposofie Vandaag

  

Wie de actualiteit een beetje volgt, weet dat de vooruitzichten niet goed zijn. Om het met de woorden uit de populaire tv-serie Game of Thrones te zeggen: winter is coming. Om het antroposofisch uit te drukken: Ahriman is op komst. Niemand weet wat er te gebeuren staat, maar er hangt dreiging in de lucht en overal nemen angst en onrust hand over hand toe. Voor veel mensen is de zaak duidelijk: de jaren ’30 zijn weer terug. Honderd jaar na dato staan de nazi’s weer voor de deur en maakt Hitler opnieuw zijn opwachting. Alleen gebeurt dat dit keer niet enkel in Duitsland, maar in heel Europa en zelfs daarbuiten. Reden genoeg voor politici, journalisten, intellectuelen en kunstenaars om te waarschuwen voor de verrechtsing van de maatschappij en de heropleving van het fascisme. Maar het mag niet baten: de rechtse partijen worden alsmaar sterker. Steeds dringender klinkt dan ook de vraag: hoe kunnen we voorkomen dat de geschiedenis zich herhaalt? Hoe kunnen we een nieuwe katastrofe vermijden?

Die vraag is ook aan de orde in het winternummer van Antroposofie Vandaag, het ledenblad van de Antroposofische Vereniging in België. ‘Het is niet gemakkelijk’, aldus Werner Govaerts in het editoriaal, ‘om in deze woelige tijden van fake news, trumpisme, Brexit, IS, klimaatproblemen en andere bedreigingen het hoofd koel te houden en te trachten de grote tendensen, de grote ontwikkelingen te ontwaren.’ Toch citeert hij even verder een door Herbert Hahn opgetekende anekdote over Rudolf Steiner die aan duidelijkheid niets te wensen overlaat: ‘Maar hij zag donkere wolken aan de historische horizon opdoemen, waarvan mensen zoals wij niets konden vermoeden. Zo zei hij op een keer over de waldorfschool: ze zal elke ruk naar links uithouden, maar niet een stevige ruk naar rechts.’ Rudolf Steiner lijkt dus te waarschuwen voor rechts, maar de hoofdredacteur van Antroposofie Vandaag pleit voor enige terughouding. ‘Het zou de moeite waard zijn’, schrijft hij, ‘om te onderzoeken wat Rudolf Steiner precies in gedachten had toen hij dat zei’. 

Ook in een langer artikel over steinerpedagogie pendelt Werner Govaerts heen en weer tussen voorzichtige terughouding en duidelijke stellingname. Zo brengen ‘de rechts-nationalistische en zelfs pre-fascistische tendensen in Noord-België’ hem ertoe een vergelijking te maken tussen de situatie van de steinerscholen vandaag en de situatie van de eerste waldorfschool in Stuttgart. Daar heerste destijds grote verdeeldheid over de houding die de school moest aannemen tegenover het nieuwe nazi-regime. De enen drongen aan op samenwerking teneinde de school open te kunnen houden, de anderen wilden zich niet compromitteren. ‘Historisch gezien’, schrijft Werner Govaerts, ‘hadden de hardliners natuurlijk gelijk’, maar, voegt hij eraan toe, ‘achteraf is het makkelijk oordelen, als je er middenin zit is het moeilijk om een klare kijk te krijgen op de zaak.’ Wijze woorden zijn het, die hij echter meteen weer vergeet, want hij verbaast er zich over hoe weinig mensen zich vandaag uitspreken tegen de rechts-nationalisten. 

‘Dat is des te verwonderlijker’, schrijft hij, ‘omdat we in de jaren ’30 van de vorige eeuw gezien hebben tot welke verschrikkingen het rechts-nationalisme heeft geleid.’ Voor hem is het duidelijk: de N-VA is de Vlaamse NSDAP in wording en hij houdt deze partij dan ook verantwoordelijk voor ‘de verzieking en ontmenselijking van de maatschappij, het ondergraven van het sociale leven en het maatschappelijk vertrouwen, het opwekken en aanwakkeren van angst en eigenbelang’. Hoewel hij kort daarvoor nog schreef hoe moeilijk het is om een klare kijk te ontwikkelen op een situatie waar je middenin zit, twijfelt Werner Govaerts er geen moment aan dat hij met zijn visie aan de juiste kant van de geschiedenis staat. Hij is er zelfs zo zeker van dat hij onomwonden pleit voor politieke actie in de steinerscholen. Als de maatschappij hun voortbestaan bedreigt, schrijft hij, dan moeten ze die maatschappij veranderen. Dat is trouwens wat de leerlingen zelf willen, voegt hij eraan toe, ze willen iets doen

De hoofdredacteur van het ledenblad van de Antroposofische Vereniging die onomwonden aan politiek doet, die vroeger al vond dat steinerscholen kinderen van rechtse ouders moeten kunnen weigeren, en die nu oproept tot links activisme in de klas? Een mens vraagt zich onwillekeurig af wat Rudolf Steiner daarvan gevonden zou hebben. Hoorden steinerscholen volgens hem niet open te staan voor mensen van alle politieke en religieuze gezindten? Of verliest die regel zijn geldigheid in crisissituaties? In dat geval zouden steinerscholen wel eens tamelijk exclusief kunnen worden, want de helft van de Vlaamse bevolking stemt rechts. Met de kinderen van die andere helft wil Werner Govaerts dan de op rechts aansturende maatschappij van koers doen veranderen zodat ze de steinerpedagogie niet langer stokken in de wielen steekt. En dat moet allemaal nu gebeuren, want de jaren ’30 naderen snel, er is niet veel tijd meer om de wereld te veranderen en de steinerscholen te redden.

Hier is duidelijk iemand aan het woord die de kille adem van Ahriman in zijn nek voelt. Werner Govaerts doet weliswaar zijn best om rustig te blijven en wijze, terughoudende woorden te spreken, maar lang kan hij dat niet volhouden. Algauw slaat hij spijkers met koppen: als we geen actie ondernemen, dreigt er opnieuw een katastrofe zoals 100 jaar geleden! Het is een klassiek dilemma dat hier zichtbaar wordt: moeten we ons aanpassen aan de werkelijkheid en proberen er het beste van te maken of moeten we voet bij stuk houden en proberen die werkelijkheid te veranderen? Actie tegenover resignatie, idealisme tegenover realisme, doen tegenover denken. Werner Govaerts kiest zonder omhaal voor actie, voor links activisme tegen het rechtse gevaar. Zijn standpunt heeft alvast het voordeel van de duidelijkheid: gedaan met wikken en wegen, er moet aangepakt worden! Dat is ook wat de jongeren vragen en Werner Govaerts schaart zich ondubbelzinnig aan hun kant.

Het moet gezegd, het is een verfrissend geluid in een antroposofisch blad dat niet meteen uitmunt door eigentijdsheid. Het is wel niet zo erg als destijds in Das Goetheanum, waaruit onmogelijk op te maken viel dat er een wereldoorlog aan de gang was, maar de naam Antroposofie Vandaag dient toch met een korreltje zout te worden genomen. Werner Govaerts doet al een hele tijd zijn best om het blad bij de tijd te brengen, maar de eerbiedwaardige oude-zielensfeer blijft zijn stempel drukken. De spanning tussen de twee zielensferen – de oude en de jonge – is overigens een probleem dat zich niet beperkt tot Antroposofie Vandaag, het is het antroposofische probleem bij uitstek: moeten antroposofen zich terugtrekken en mediteren of moeten ze de wereld in trekken en actief worden? Moeten ze denken of moeten ze doen? Wanneer we de zaken zo stellen, wordt het antwoord vanzelf duidelijk: de antroposofie wil zowel denken als doen. Het is zelfs haar doel om die twee te verbinden, om denkend te doen en doend te denken.

Was dat niet wat Rudolf Steiner beoogde met de Weihnachtstagung? Hij wilde een vereniging die zowel esoterisch-naar-binnen-gericht als exoterisch-naar-buiten-gericht was. Tevoren stonden die twee aspecten los van elkaar en dat gaf enorme spanningen omdat ze elkaar steeds weer voor de voeten liepen. Het bracht Rudolf Steiner zelfs tot wanhoop maar uiteindelijk resulteerde het in wat we een Steigerung van doen en denken zouden kunnen noemen: er ontstond een geheel nieuwe vereniging waarin beide polen samenvielen. Tijdens de daarop volgende karmavoordrachten onthulde Rudolf Steiner de menselijke grondslag van die vereniging: de samenwerking tussen oude en jonge zielen, de denkende samenwerking tussen beide zielengroepen. Kort na die onthulling stierf hij echter, hij kreeg niet meer de kans die prille samenwerking te begeleiden. Nagenoeg meteen braken de vijandelijkheden weer uit. De zielen die hadden moeten samenwerken vervielen in hun oude gewoonten.

Honderd jaar later zijn die antroposofische zielen ouder en wijzer geworden, ze maken geen ruzie meer, ze hebben hun lesje geleerd. Maar kunnen we zeggen dat ze samenwerken, en vooral: dat het een denkende samenwerking is? Werken oude en jonge zielen samen in het besef van hun verschillende aard en met inzicht in hoe die twee geaardheden – de denkende en de doende – met elkaar verzoend moeten worden? De vraag stellen is ze beantwoorden: er is geen sprake van nadenken over oude en jonge zielen, en dus is er ook geen sprake van denkende samenwerking tussen beide. Dat is ook wat zo treffend tot uitdrukking komt in het winternummer van Antroposofie Vandaag, met name dan in de bijdragen van hoofdredacteur Werner Govaerts. Hier zijn twee zielen aan het woord: een oude ziel die pleit voor terughouding en een jonge ziel die oproept tot actie. Maar ze luisteren niet naar elkaar, de vraag is zelfs of ze van elkaars bestaan afweten, want de jonge ziel doet precies het tegenovergestelde van wat de oude ziel adviseert.

Wat we hier zien gebeuren, is in zekere zin een herhaling van wat honderd jaar geleden gebeurde. Na de eerste wereldoorlog stroomden honderden jonge zielen een antroposofische wereld binnen die hoofdzakelijk bestond uit oude zielen die zich in alle rust bezighielden met studie en meditatie. De jonge zielen geloofden echter niet meer in de oude wereld, ze wilden een nieuwe wereld waar de gruwelijkheden die ze hadden gezien niet meer mogelijk waren. Het resultaat was … een voortzetting van de oorlog, zij het dan op kleinere schaal: de spanningen tussen beide zielengroepen escaleerden en ontlaadden zich ten slotte in de brand van het Goetheanum waarvan de oorzaak volgens Rudolf Steiner niet buiten maar binnen de antroposofische vereniging moest worden gezocht. Het betekende het einde van de oude vereniging en de oprichting van een nieuwe vereniging. Maar het mocht niet baten: opnieuw raakten beide zielengroepen slaags alsof er niets veranderd was.

Honderd jaar later is er nog altijd geen eind gekomen aan deze ‘kleine oorlog’, de geschiedenis blijft zich herhalen. De twee zielentypes zijn duidelijk te herkennen in de bijdragen van Werner Govaerts: de wijze oude ziel en de onstuimige jonge ziel. Hun verhouding is nagenoeg dezelfde als tijdens de eerste ontmoeting van beide zielengroepen in de schoot van de antroposofische vereniging: de jonge ziel wil actie zien en de oude ziel maant tot terughouding. We herkennen deze zieledualiteit ook op het wereldtoneel. In de klimaatkwestie bijvoorbeeld staan jonge mensen die dringend om actie roepen tegenover een oude wereld die nauwelijks in beweging te krijgen is. De politieke wereld toont hetzelfde beeld: het jonge progressieve links staat lijnrecht tegenover het oude conservatieve rechts. En in al deze gevallen is er geen sprake van samenwerking, integendeel: er is geen gesprek meer mogelijk. Er heerst louter haat en vijandigheid beide zielengroepen. 

Zwei Seelen wonen ach in meiner Brust, schreef Goethe, de ene wil ten hemel opstijgen, de andere klampt zich vast aan de aarde. Hij had het over het luciferische en het ahrimaanse streven in de mens. De afgelopen honderd jaar hebben we een duidelijke slingerbeweging tussen die twee krachten kunnen waarnemen, alsof de mensheid haar evenwicht verloren heeft. Het begon met een links-luciferische reactie op het ahrimaanse materialisme. Daarop volgde de beruchte rechtse reactie in de jaren ’30. In de jaren ’60 sloeg de slinger weer uit naar links om vandaag opnieuw naar rechts te gaan. Niemand weet hoe dit zal eindigen, maar één ding is zeker: de mensheid zal haar evenwicht niet hervinden zolang ze blind blijft voor deze slingerbeweging. Zolang ze zich blijft identificeren met één van beide polen en de andere pool als de grote vijand beschouwt die te vuur en te zwaard dient bestreden te worden, zal er niets veranderen. Integendeel, de slinger zal steeds verder uitslaan.

Het onvermogen om deze fundamentele dualiteit onder ogen te zien, is de grote blinde vlek in het moderne bewustzijn. Ze vindt haar wortels in de 9de eeuw toen op het concilie van Constantinopel ‘de geest werd afgeschaft’, zoals Rudolf Steiner het uitdrukte. Het drieledige mensbeeld – geest, ziel en lichaam – werd vervangen door een tweeledig mensbeeld waarin geen duidelijk onderscheid meer werd gemaakt tussen ziel en geest. Als gevolg daarvan ging men Christus en Lucifer steeds meer elkaar verwarren. Lucifer werd onbewust geassocieerd met het goede en Ahriman met het kwade. Deze verwarring of vermenging culmineert in de 20ste eeuw: de mens meent de grote strijd met het kwaad uit te vechten maar wordt in werkelijkheid heen en weer geslingerd door de tegenmachten. Deze slingerbeweging veroorzaakt niet alleen ongezien menselijk lijden, ze veroorzaakt ook een bewustzijnsverdoving die de mens dreigt te beroven van zijn menselijkheid, van datgene wat hem onderscheidt van het dier.

Juist doordat de moderne, weldenkende, idealistische mens geen onderscheid meer maakt tussen Lucifer en Ahriman, wordt hij een speelbal van deze zwei Seelen in seiner Brust. Hij voelt Ahriman naderen en werpt zich in de strijd met de draak, niet beseffend dat het Lucifer is die hem daartoe aanzet. Steeds meer mensen, tot kinderen toe, trekken vandaag ten oorlog tegen Ahriman in de overtuiging dat ze daardoor zichzelf redden, dat ze de planeet redden, dat ze deelnemen aan de levensbelangrijke strijd van het goede tegen het kwade. In werkelijkheid doen ze echter precies het omgekeerde: heen en weer geslingerd door de tegenmachten voeren ze een blinde strijd tegen het goede, tegen het menselijke, tegen het christelijke. Slechts één ding kan deze zelfvernietigende strijd-van-allen-tegen-allen een halt toe roepen en dat is zelfkennis, kennis van de zwei Seelen die in eenieders borst wonen en weerspiegeld worden in de links-rechtstegenstelling die de wereld verscheurt en zal blijven verscheuren tot ze begrepen wordt. 

Een oog voor kunst (1)

  

 

Naar aanleiding van mijn beschouwingen over Basic Instinct vraagt een lezer me hoe je dat doet: je zodanig inleven in een kunstwerk dat je het op een objectieve manier leert kennen. Hoe leer je met andere woorden je gevoel objectiveren zodat het tot een zintuig voor kunst wordt? Aan die vraag gaat natuurlijk een andere vraag vooraf: is zoiets wel mogelijk? Kunnen gevoelens objectief zijn? Kun je ze met andere woorden gebruiken om kunst wetenschappelijk te benaderen en objectieve kennis te verwerven, niet alleen over de materiële dimensie van het kunstwerk – het gebruikte materiaal, de gebruikte techniek, het afgebeelde onderwerp – maar ook over zijn geestelijke dimensie, over datgene wat het tot kunst maakt en alleen gevoelsmatig waargenomen kan worden? Dat is een vraag die niet alleen kunstliefhebbers aanbelangt, want de hele geestelijke wereld waarover de antroposofie spreekt, onttrekt zich, net als de kunst, aan het verstand. Hij maakt zich alleen kenbaar aan het gevoel. 

Toch beweert Rudolf Steiner dat de wereld van de geest wetenschappelijk onderzocht kan worden. De moderne kunstwetenschap lijkt hem daar gelijk in te geven, want zij beperkt zich geenszins tot de materiële aspecten van de kunst. Zij wijdt aan de kunst diepgaande beschouwingen die haar een aureool van spiritualiteit geven dat haar ver doet uitstijgen boven techniek en vakmanschap. Verschilt de kunstwetenschap dan van de overige wetenschappen en erkent zij als enige de wereld van de geest? Heeft zij een methode ontwikkeld die gevoelens objectiveert en wetenschappelijke kennis oplevert over de geestelijke dimensie van de kunst? En is dat wellicht dezelfde methode die Rudolf Steiner ontwikkeld heeft? De vraag stellen is ze beantwoorden. De kunstwetenschap is net zo materialistisch als de andere wetenschappen. Ze gebruikt dezelfde methoden en is dus alleen geschikt om de materiële dimensie van de kunst te bestuderen. Gaat zij daar bovenuit, dan verliest ze haar objectieve karakter en wordt een schijnwetenschap.  

Het probleem van de kunstwetenschap werd ooit treffend verwoord door kunsthistoricus Kenneth Clark, de bedenker en presentator van de onvolprezen televisie-reeks Civilisation. In een interview verklaarde hij: ik weet niet wat beschaving is, maar ik herken haar wanneer ik ze zie. Met beschaving bedoelde hij in de eerste plaats kunst, en alles wat hij daarover zei, berustte naar zijn eigen woorden op een herkennen, dat wil zeggen op een waarneming die louter persoonlijk is en zich onttrekt aan het objectiverende verstand. Hij gaf dus min of meer toe dat de hele kunstwetenschap een onwetenschappelijke grondslag had. Dat kon hij zich permitteren omdat hij een beroemd man was, iemand die voor zijn verdiensten zelfs in de adelstand was verheven. Maar ik zie het een gewone kunstwetenschapper nog niet zo gauw doen: toegeven dat zijn inspanningen om tot objectieve, wetenschappelijke kennis te komen, berusten op een herkenning, dat wil zeggen op een subjectieve, gevoelsmatige waarneming. 

The inconvenient truth is inderdaad dat de hele kunstwetenschap steunt op iets dat volkomen onwetenschappelijk is. Want hoe herken je kunst? Hoe onderscheid je ze van wat geen kunst is? Hoe leer je dat? Daarover zwijgt de kunstwetenschap in alle talen. Gelukkig zegt de geestewetenschap daar wel iets over. Rudolf Steiner noemde het herkennen (van mensen) een helderziende ervaring: we nemen iemands geestelijke wezen – zijn Ik – rechtstreeks waar, we leiden het niet af uit zijn fysieke verschijning. We hebben die verschijning natuurlijk nodig om hem überhaupt te kunnen herkennen, want een lichaamsloze geest kunnen we niet zien. Maar ofschoon we de geest herkennen dankzij het lichaam, kan hij niet herleid worden tot dat lichaam. Alle wetenschappelijk onderzoek van het fysieke lichaam zal daar geen geest in aantreffen. En toch herkennen we mensen in één oogopslag. De mysterieuze relatie tussen lichaam en geest is voor ons een vanzelfsprekende zaak.

Met kunst is het niet anders. We herkennen haar wanneer we ze zien, ook al weten we niet hoe we dat doen of wat het juist is dat we zien. Maar het moet iets zijn dat ons heel erg vertrouwd is, want het vervult ons met vreugde en liefde. Tenminste, zo was het vroeger, toen de mens nog niet zo materialistisch was als vandaag en kunst nog in een oogopslag herkende. De eerbied en bewondering waarmee ze hem vervulde was een welhaast religieuze ervaring die hij deelde met andere mensen, want iedereen herkende dezelfde kunstzinnige geest in de vele kunstwerken – of lichamen – waarin hij zich manifesteerde. Vandaag is die vanzelfsprekende, gemeenschappelijke herkenning verdwenen, zelfs in die mate dat men niet meer gelooft in het bestaan van het geestelijke wezen ‘kunst’. In de materialistische opvatting is kunst niets anders dan een verzameling materiële voorwerpen waaraan door de mens het predikaat ‘kunst’ wordt toegekend. Kunst is hier dus geen geestelijke realiteit die herkend wordt, maar een naam, een etiket dat ergens wordt op geplakt.

Die naamgeving gebeurt in onderling overleg: men spreekt af iets kunst te noemen. Omdat de mens zich ontwikkelt, veranderen de artistieke afspraken voortdurend. Omstreeks 1900 trad er een zelfs een grote verandering op: het terrein van de kunst werd drastisch uitgebreid. Beperkte het zich voordien tot tekeningen, schilderijen en beeldhouwwerken, dan werden nu ook pispotten, kartonnen dozen en kakmachines als kunst beschouwd. Letterlijk alles kon als kunst bestempeld worden: men begon de hele wereld als een kunstwerk te zien. Maar anders dan vroeger was dit zien geen individuele, persoonlijke herkenning meer, het was een consensus geworden, een overeenkomst. Men werd het erover eens om het kunstbegrip te ‘verruimen’ en de kunst te bevrijden uit haar klassieke cocon. Voortaan kon iedereen in navolging van Marcel Duchamp verklaren: dit is kunst omdat ik het zeg. Jeder Mensch ein Kunstler. De kunst werd gedemocratiseerd, ze werd toegankelijk voor iedereen.

Daar kon natuurlijk niemand tegen zijn. Kunst was al te lang het voorrecht geweest van een kleine elite van geestelijk en/of materieel gepriviligieerde mensen. Wat men niet besefte, was dat de kunst zoals ze altijd bestaan had – dat wil zeggen als een geestelijk wezen dat ‘geïncarneerd’ was in een kunstwerk – gewoon werd afgeschaft. Het drong niet door tot het bewustzijn van de kunstliefhebber dat het oude, individuele herkennen van die geïncarneerde geest vervangen werd door het accepteren van een consensus waar hij part noch deel aan had. Want hoe kwam die overeenkomst tot stand? Wie bepaalde voortaan wat kunst was? Niet Jeder Mensch. Het kunstbegrip mocht dan wel verruimd zijn tot de hele wereld, men maakte nog altijd scherp onderscheid tussen wat kunst was en wat niet, anders kon men het begrip ‘kunst’ net zo goed afschaffen. Het was echter niet Jan met de Pet die de grens trok. Het stond hem weliswaar vrij om gelijk wat kunst te noemen, maar daarom werd hij nog niet geloofd.

Het is een beetje als met Greta Thunberg. Tienduizenden jongeren maken zich zorgen over het klimaat en zijn bereid daarvoor te spijbelen en actie te voeren, maar slechts eentje mag voor de VN gaan spreken en wordt ontvangen door de groten der aarde. Hoe wordt die selectie gemaakt? Wie bepaalt naar wie geluisterd wordt en naar wie niet? Als we ons daarin gaan verdiepen, komen we terecht in een duistere, troebele wereld waar zaken gebeuren waar we niks van afweten, waar mensen die we niet kennen aan de touwtjes trekken. In de kunstwereld is het niet anders. Niemand weet hoe de consensus tot stand komt die vandaag bepaalt wat kunst is en wat niet. Dat gebeurt in kringen die achter de schermen opereren. Zij hebben het begrip ‘kunst’ als een registered trademark in hun bezit en zien er streng op toe dat niemand anders het gebruikt. Het zijn deze onzichtbare elites die de persoonlijke, subjectieve herkenning van kunst vervangen hebben door een blind geloof in hun gezag. 

Dat gezag steunt op de overtuiging dat het niet mogelijk is gevoelens te objectiveren en kunst wetenschappelijk te benaderen. Kunst, zo gelooft men stellig, is een kwestie van smaak, en omdat er zoveel smaken zijn als mensen, en omdat al die mensen gelijkwaardig zijn, heeft het begrip ‘kunst’ geen enkele objectieve inhoud meer. Wil men het desondanks handhaven dan moet het die objectieve betekenis op een andere manier krijgen: door consensus. Het klinkt logisch, maar in de praktijk heeft het wel tot gevolg dat de kunstliefhebber de grootste rotzooi als kunst voorgeschoteld krijgt. De consensus-bepalende krachten – die zich voordoen als progressief, emanciperend en democratisch – dwingen de kunstliefhebber (bijna) letterlijk om stront te vreten. En hij doet het nog ook. Hij slikt braaf en volgzaam de meest weerzinwekkende dingen. Hij heeft immers – meent hij – geen keuze: het is ofwel de consensus ofwel de afschaffing van de kunst. En dat laatste kan hij om de een of andere reden niet accepteren.

Hij zou kunnen zeggen: ach, wat kan die kunst mij schelen, wat maakt het mij uit of ze bestaat of niet! De artistieke consensus zou in zijn ogen dan een kinderachtig spelletje zijn: we spreken onder elkaar af dat we iets kunst gaan noemen! Het zou een soort afgoderij zijn: mensen creëren een god die ze kunnen vereren. Aangezien de moderne mens niet meer gelooft in goden en afgoden, en niet meer de behoefte voelt om op de knieën te gaan liggen voor iets wat hij zelf uitgevonden heeft, zou hij logischerwijze volkomen onverschillig moeten staan tegenover dat hele hedendaagse kunstcircus, die kerkelijke organisatie van een verzonnen godsdienst. Maar dat is nu juist niet het geval, wel integendeel. Hij identificeert zich zodanig met deze kunstkerk dat hij iedereen als een ketter beschouwt en behandelt die haar materialistische credo niet deelt. Het volstaat dat iemand beweert dat objectieve gevoelens bestaan – en dat hij dus zelf wel kan uitmaken wat kunst is – of hij reageert als door een wesp gestoken.

De paradox is dat de moderne mens rotsvast gelooft in de consensus die het objectieve bestaan van kunst ontkent omdat hij … rotsvast gelooft in het objectieve bestaan van kunst. Waarom zou hij anders zo verontwaardigd zijn als iemand de hedendaagse consensus in twijfel trekt? Waarom anders voelt hij zich op zijn ziel getrapt als iemand beweert dat de geest van de kunst bestaat en dat je hem kunt herkennen? Dit emotionele, tegenstrijdige gedrag treft men niet alleen aan bij fervente kunstliefhebbers, maar ook bij mensen die geen bijzondere belangstelling tonen voor kunst. Het is alsof de moderne mens diep in zijn ziel kunst zo belangrijk vindt dat hij bereid is alle vernederingen te ondergaan die de consensus hem oplegt om maar niet onder ogen te moeten zien dat kunst niks te betekenen heeft, dat ze niet meer is dan een afgodsbeeld. Alles is hem liever dan de logische consequentie van het materialisme te moeten trekken en de kunst gewoon af te schaffen. 

De moderne mens wordt dus gegijzeld door twee tegengestelde overtuigingen: het (materialistische) geloof dat de kunst niet bestaat en het (onbewuste, instinctieve) geloof dat ze wel bestaat. Beide geloofsovertuigingen zijn even sterk en hij kan niet kiezen. Hij kan de materialistische opvatting dat kunst slechts een naam is die we aan dingen toekennen niet accepteren omdat hij dan moreel gedwongen is de hele kunstwereld af te doen als een religieus spookbeeld, een volkomen achterhaald verschijnsel. Om de een of andere reden is hij daar niet toe in staat. Maar hij kan evenmin accepteren dat kunst een geestelijke realiteit is die we in ieder kunstwerk kunnen herkennen, want hoe zit het dan met zijn vrijheid, met zijn persoonlijke appreciatie van kunst, met zijn gevoelens? Die wil hij evenmin opgeven. Hij wil niet gedwongen worden die geestelijke realiteit te bewonderen en te vereren. En dus zit hij klem en ziet hij geen andere uitweg dan zich te onderwerpen aan het gezag van de artistieke consensus.

De moderne mens kan niet meer leven met de gedachte dat er een God bestaat die hij moet gehoorzamen. Maar hij kan evenmin de gedachte verdragen dat er geen God bestaat en dat het hele bestaan geen zin of betekenis heeft. Daarom heeft hij, zonder het te beseffen, de oude religieuze God vervangen door een de nieuwe seculiere God van de kunst. Maar die confronteert hem met hetzelfde probleem en dat maakt hem gek. Het brengt er hem toe om in plaats van kunst nu … stront te loven en te prijzen, en niet enkel in figuurlijke zin. Het is bepaald geen eenmalig feit dat ‘kunstenaars’ hun uitwerpselen tentoonstellen en daarvoor bewonderd worden door ‘kunstliefhebbers’. Als een klein kind dat doet, wordt het door zijn ouders met zachte maar ferme hand van de anale fase naar de volwassen fase geleid. Maar in de kunst gebeurt precies het omgekeerde: de volwassen, beschaafde, zelfstandig denkende mens wordt teruggevoerd naar de anale fase. En hij beseft het niet. Integendeel, hij waant zich superieurder dan ooit. 

Het ergst van al is dat deze krankzinnigheid zich nu ook buiten de kunstwereld verspreidt. Steeds meer mensen onderwerpen zich aan de politiek-correcte consensus, wanen zich moreel superieur aan degenen die dat niet doen en voelen zich gerechtigd hen te dwingen zich eveneens te onderwerpen. Een veelzeggend voorbeeld was de recente toespraak van Greta Thunberg voor de VN. We zagen daar een kind dat zich gedroeg als een volwassene maar als een marionet bespeeld werd door krachten die achter de schermen werken. Als we willen kunnen we die krachten ontmaskeren, maar dat is gevaarlijk werk. Dit keer konden we ze echter ook zien op dat van woede verwrongen gezicht van het meisje-met-de-vlecht: het waren krachten die ook in haar ziel leven, krachten waarvan ze letterlijk bezeten is. En dat is het lot dat de hele mensheid te wachten staat als zij er niet in slaagt deze duistere krachten – de uiterlijke zowel als de innerlijke – te ontmaskeren: bezeten te worden door Ahriman en het niet te beseffen. 
  

De brand van de Notre Dame

  

Op maandagavond, de tweede dag van de Goede Week, brak brand uit in de Parijse Notre Dame. Algauw stond de kathedraal in lichterlaaie en verhief zich een grote rookwolk boven la ville lumière. Ik zal wel niet de enige zijn geweest die meteen dacht aan een aanslag. Het is een publiek geheim dat in Frankrijk geen enkele kerk nog veilig is. Gemiddeld worden er twee per dag gevandaliseerd, in brand gestoken of onteerd. Iedereen weet wie daar verantwoordelijk voor is, maar er wordt zedig over gezwegen. Ook nu weer ontkenden de autoriteiten onmiddellijk dat er kwaad opzet in het spel was, al moest het onderzoek nog beginnen. Er waren restauratiewerkzaamheden aan de gang in de kathedraal en daar moest de oorzaak van de brand gezocht worden. Wat er ook van zij – aanslag of restauratie – de brandende Notre Dame in het centrum van Parijs was een omineus beeld dat onwillekeurig deed denken aan de brandende twin towers in het centrum van New York, bijna 20 jaar geleden. 

Bij antroposofen riep het nog een andere herinnering op: de brand van het Goetheanum, bijna 100 jaar geleden. Net als de Notre Dame was de antroposofische tempel niet opgetrokken door een gespecialiseerde bouwfirma maar door vrijwilligers. Talloze mensen hadden hart en ziel in dit gebouw gelegd en de brand was dan ook een enorme klap. De toenmalige antroposofische vereniging overleefde hem niet. Nochtans had ze, terwijl de vernietigende krachten van de eerste wereldoorlog Europa teisterden, een unieke scheppende prestatie geleverd. Helaas ontbrak er iets aan: bewustzijn. Rudolf Steiner wees daarop toen hij zei dat de brand weliswaar van buitenaf was aangestoken, maar dat de werkelijke oorzaak bij de antroposofen zelf lag. Ze waren te veel met zichzelf bezig geweest en daardoor hadden ze het gebouw geestelijk onbeschermd gelaten. De vlammen die het Goetheanum verteerden, waren een uiterlijk beeld van het luciferische vuur dat binnen de vereniging woedde.

Wrijvingen, afgunst, ijdelheid, fanatisme en andere egoïstische driften hadden tot gevolg dat het Goetheanum een geestelijke omhulling ontbeerde. Persoonlijke aangelegenheden eisten zoveel aandacht op dat er onvoldoende overbleef voor de tempel. Het was deze geestelijke verwaarlozing die het Goetheanum fataal werd. Iets dergelijks kan men ook zeggen van de Notre Dame in Parijs, en bij uitbreiding van alle Franse kerken en zelfs van het hele Europese culturele erfgoed. In plaats van zorg te dragen voor het kostbare geschenk dat het aan de mensheid heeft geschonken, laat Europa zich – als het ware in navolging van de antroposofische vereniging – meesleuren in onderlinge ruzies en wederzijdse beschuldigingen. Het gedraagt zich als een kunstenaar die een meesterwerk heeft geschapen maar zich dat niet realiseert. In plaats van trots te zijn op wat hij tot stand heeft gebracht, schaamt de Europese mens zich diep en probeert wanhopig goed te maken wat hij denkt verkeerd te hebben gedaan. 

Het was verrassend om te zien hoeveel jonge Fransen diep getroffen waren door de brand van de Notre Dame – alsof de schok in hen een hoger zintuig had wakker gemaakt en ze iets gewaar werden van de geestelijke dimensie van het drama. Minder verrassend waren de cynische reacties op deze bewogenheid. Als mensen na een moslimaanslag kaarsjes branden, bloemen leggen en liedjes zingen, noemen de media dat ‘sereen’. Doen ze hetzelfde als een kathedraal brandt, dan noemen ze het ‘sentimenteel’. Ze steken er de draak mee, vragen zich af of het geld voor de restauratie niet veel beter aan een goed doel kan worden geschonken, of publiceren lijstjes met alle – in hun ogen – belachelijke reacties op de brand. Op Facebook verkondigde een linkse activist zelfs triomfantelijk dat hij al sinds 1789 voorstander is van het platbranden van kerken. Nee, het is al lang geen geheim meer welke diepe haat moderne intellectuelen koesteren voor alles wat christelijk is. 

Deze haatdragende intellectuelen zijn per definitie materialistisch. Zonder het met zoveel woorden te durven zeggen, zijn ze ervan overtuigd dat een mens leeft van brood alleen. De gedachte dat een kunstwerk als de Notre Dame geestelijk voedsel is voor miljoenen, en dat geestelijk voedsel voor de mens even noodzakelijk is als fysiek voedsel, vinden ze bespottelijk. Daarom willen ze die ‘oude troep’ liefst van al vervangen door hedendaagse kunst, waar het dode intellect de plaats van de levende geest heeft ingenomen. De Franse president Macron zag zijn kans schoon. De Notre Dame, verklaarde hij, zou binnen vijf jaar worden heropgebouwd, mooier dan ooit. De boodschap was duidelijk: niet alleen zouden de moderne Fransen de klus veel vlugger klaren dan de middeleeuwers, ze zouden het ook veel beter doen. Prompt werd een architectuurwedstrijd uitgeschreven en de eerste kandidaat was Wim Delvoye die zijn genie ten dienste stelde van de wederopbouw. Of hoe een ongeluk nooit alleen komt. 

Na de luciferische ramp, de ahrimaanse ramp. Het volstaat niet dat de kathedraal zwaar beschadigd werd, ze moet ook nog eens belachelijk worden gemaakt. Dat is de nieuwe trend. Historische gebouwen worden niet zomaar gerestaureerd, ze krijgen een hedendaagse make-over. Brak men ze vroeger af om er nieuwe voor in de plaats te zetten, dan combineert men nu beide: het oude gebouw verdwijnt niet, maar wordt innig verstrengeld met een hedendaagse constructie. De intellectuele klasse wordt daar lyrisch van: ze noemt het een prachtige symbiose van heden en verleden, een toonbeeld van vreedzame coëxistentie. In werkelijkheid is het natuurlijk het tegenovergestelde, want het Europese verleden is door en door christelijk, terwijl het Europese heden – althans dat van de machthebbers en intelligentsia – door en door antichristelijk is. De verbinding van beide tegenpolen leidt onherroepelijk tot een – letterlijke en figuurlijke – kleinering van het verleden. 

Alles van waarde is weerloos. Als Europa de michaëlische krachten niet vindt om haar christelijke beschaving te beschermen, dan zal deze ‘tempel’ in vlammen opgaan of – erger nog – geïncorporeerd worden in een ahrimaanse constructie. Luciferische en ahrimaanse krachten zullen samenwerken om de christelijke beschaving te verminken en te vernederen, en van Europa één groot cultureel Golgotha te maken. Alleen michaëlische bewustzijnskrachten kunnen dat voorkomen, en dat zijn oordeelskrachten, onderscheidingskrachten. Ze zitten reeds vervat in het bijbelse scheppingsverhaal. ‘Op de zesde dag keek God naar zijn schepping en Hij zag dat het goed was‘. Met deze bedrieglijk eenvoudige woorden wordt iets heel essentieels aangeduid: een schepping moet beoordeeld worden, zonder oordeel is ze niet af. Europa heeft de afgelopen 2000 jaar een christelijke beschaving geschapen, maar die beschaving is niet af zolang we niet ‘zien dat het goed is’. 

Wat we nodig hebben, zei Rudolf Steiner, is niet Christus maar bewustzijn van Christus. De scheppende heilsdaad is gesteld, Christus heeft zich verbonden met de aarde en daaruit is een christelijke beschaving ontstaan. Maar verre van te zien dat het goed is, kijken we met groeiende afschuw naar ons christelijke verleden. In die afschuw werkt Ahriman en het is op hem dat het michaëlische inzicht moet worden veroverd dat de Europese beschaving een goede schepping is. Uiterlijk gezien wordt dit kunstwerk vandaag het meest bedreigd door de islam. Die probeert het christendom al eeuwenlang te vernietigen en dat lijkt nu eindelijk te zullen lukken, maar alleen doordat de luciferische draak van binnenuit ahrimaanse hulp krijgt. Het is inderdaad opvallend hoe de Europese machthebbers en intellectuelen de islam de hand boven het hoofd houden. Rudolf Steiner voorspelde dan ook dat het intellect kwaadaardig zou worden. Het gevaar komt dus van twee kanten: van buitenaf en (vooral) van binnenuit. 

Een stuitend voorbeeld van dat laatste is de paus van Rome, die de wereld rondreist om overal moslims – letterlijk en figuurlijk – de voeten te kussen. Als geen ander illustreert deze jezuïet in welke mate Europa ontbeert wat in wezen zelfkennis is: bewustzijn van het eigen christelijke wezen. Dat gebrek aan michaëlisch zelfbewustzijn zet de poorten open voor de tegenmachten, die zich als bloedzuigers vastzetten op het christelijke erfgoed en er iets weerzinwekkends van maken. Christus wordt als het ware voor de tweede keer aan het kruis geslagen, geen fysiek kruis dit keer, maar een etherisch kruis, een bewustzijnskruis. Het vraagt moed en inzicht om deze nieuwe kruisiging onder ogen te zien en niet mee te juichen met de farizeëers van onze tijd. Destijds werden deze michaëlische kwaliteiten belichaamd door Maria en Johannes, die aan de voet van het kruis stonden als een beeld van de vrouwelijke en mannelijke eigenschappen die moeten samenwerken om op de zesde dag te kunnen zien dat het – ondanks alles – goed is.

Deze Goede Vrijdag beleeft iedere kunstenaar wanneer een kunstwerk zijn voltooiing nadert. De mannelijke oordeelskrachten beginnen de vrouwelijke scheppingskrachten dan te verlammen en de kunstenaar wordt langzaam maar zeker toeschouwer bij zijn eigen werk. Wanneer hij die grens overschrijdt, moet hij het werk neerleggen. Het scheppen is dan afgelopen en het oordelen begint. Die overgang is als een geboorte en een sterven tegelijk: de kunstenaar moet zijn werk loslaten, want als hij er verder blijft aan werken dan begint hij het – zonder het te beseffen – weer te vernietigen. Hij verkeert dan in de overtuiging dat hij zijn fouten herstelt en zijn werk steeds beter maakt, maar in werkelijkheid doet hij het omgekeerde: hij maakt het steeds slechter. Het dringt niet tot hem door dat bij het overschrijden van de grenzen van het kunstwerk de scheppende levenskrachten veranderen in vernietigende doodskrachten.

Ik heb dat ooit eens op exemplarische wijze ondervonden tijdens mijn academietijd. Ik had een geslaagde modeltekening gemaakt, maar vond dat met name het hoofd beter kon. Waren portretten niet mijn specialiteit? Welaan dan. Dus veegde ik het hoofd uit en begon opnieuw. Het resultaat was echter niet beter maar slechter dan de eerste keer. Die fout moest uiteraard hersteld worden, maar dat lukte ook dit keer niet. Steeds wanhopiger probeerde ik mijn tekening te redden, maar het het ging van kwaad naar erger. Het uiteindelijke resultaat was een menselijke figuur met de kop van een monster (want ik had het papier kapot getekend). Intussen sloeg de leraar mijn ‘verbeterende slopingswerk’ stilzwijgend gade en maakte van iedere fase een karikatuur. Dat leverde een metamorfose-in-acht-stappen op van mens tot monster, waar de hele klas zich vrolijk over maakte. Ik ben nooit meer vergeten hoe belangrijk het is om te weten wanneer je moet stoppen. 

Ieder (menselijk) scheppingsproces begint met het ontbranden van een innerlijk vuur: de geest wordt vaardig maar hij doet dat in luciferische gedaante. Die uitslaande brand moet met behulp van het verstand bedwongen worden. Dat leidt tot een gevecht in regel tussen levenskrachten en doodskrachten, tussen scheppingsroes en realiteitszin. Aan het eind dooft het luciferische vuur uit en overwint Ahriman. Dat is het moment waarop de kunstenaar het scheppende werk moet neerleggen, ook al is hij er niet tevreden over. Het accepteren van de grenzen van een werk is een oefening in gelatenheid, een erkennen van de onmacht om het oorspronkelijke visioen in een concreet beeld te vatten. Met name in onze tijd is dat een heel, heel moeilijke oefening, want enerzijds worden die ‘geestelijke visioenen’ (de helderziende waarnemingen die ten grondslag liggen aan ieder kunstwerk) steeds grootser, en anderzijds wordt de (door het materialisme veroorzaakte) honger naar de scheppingsroes steeds kwellender. 

Het resultaat is een mens die van geen ophouden weet, die de wereld alsmaar beter wil maken en juist daardoor in de greep van Ahriman raakt. Zijn scheppingsroes is veranderd in een vernietigingsroes, en hij merkt het niet: hij breekt de oude wereld af in de overtuiging dat hij een Heerlijke Nieuwe Wereld opbouwt. Die waan klinkt door in de woorden van president Macron die de verwoeste Notre Dame nóg mooier wil maken. We beluisteren hier – niet toevallig uit de mond van een Fransman – de krankzinnige hoogmoed van onze tijd die denkt dat ze de middeleeuwse kathedralen kan en moet verbeteren. Zoveel hoogmoed leidt onvermijdelijk tot een val. De moderne mens kan niet accepteren dat het scheppen voorbij is, dat de Europese beschaving een grens bereikt heeft, en dat het oordelen nu moet beginnen. Het is trouwens begonnen, maar het is een onbewust vernietigend oordelen, een ahrimaans oordelen, geen bewust scheppend oordelen, geen michaëlisch oordelen. 

De mensheid gaat vandaag over de drempel, maar ze weet het niet. Ze heeft nog niet het zintuig ontwikkeld om die grens waar te nemen en te weten wanneer ze moet stoppen. Ze beleeft dat ‘stoppen’ als een sterven, als het pijnlijke uitdoven van het scheppingsvuur, en klampt zich wanhopig vast aan de oude levensroes. De menselijke beschaving is oud geworden, ze heeft haar grenzen bereikt en is stervende. Of dat sterven de wetten van het lichaam zal volgen (en leiden tot een algehele ontbinding en vernietiging) dan wel die van de geest (en leiden tot een wederopstanding), hangt af van onze moed om stil te houden en dat sterven onder ogen te zien. Brengen we die – michaëlische – moed niet op om aan de voet van het kruis te staan en klampen we ons in plaats daarvan vast aan de illusie dat de beschaving wel zal blijven bestaan, dan worden we tot de vernietigers van die beschaving, dan doen we in vlammen opgaan waar we zozeer aan gehecht zijn. 

Christchurch

  

De klimaatjongeren hadden pech. Uitgerekend op de dag dat ze wereldwijd actie voerden, werd in Nieuw-Zeeland een terroristische aanslag gepleegd. Tot overmaat van ramp was het geen aanslag van moslims maar op moslims, en dus trokken de media alle registers open. Dit keer keer geen lone wolf die in z’n eentje handelde, maar een lid van een wereldwijd extreem-rechts netwerk. Dit keer ook geen anonieme, verwarde man die om onbekende redenen aan het moorden sloeg, maar een blanke die met naam, toenaam en bedoeling werd genoemd. Evenmin werden we erop gewezen dat we meer kans maken om het leven te komen in het verkeer dan bij een terroristische aanval. Nee, wat in Christchurch gebeurde, kon net zo goed hier gebeuren, want ook in ons land is de moslimhaat aan een opmars bezig. Dat die moslimhaat niks met racisme te maken heeft maar alles met moslimterreur – de aanslag in Christchurch was een vergeldingsactie – daarover werd met geen woord gerept. 

Toen de (zwarte) acteur Morgan Freeman ooit gevraagd werd wat er gedaan kon worden aan racisme antwoordde hij: Stop talking about it! Het voortdurend hameren op de spijker van het racisme was volgens hem een veel groter probleem dan het racisme zelf. Hij had hetzelfde kunnen zeggen over de dreiging van extreem-rechts of de haat tegen moslims: het gevaar komt niet van neo-nazi’s of islamofoben, het gevaar komt van degenen die onophoudelijk spreken over extreem-rechts en moslimhaat: de linkse politici, de politiek-correcte media. Noch van racisme, noch van extreem-rechts (en al helemaal niet van moslimhaat) ging er nog enig reëel gevaar uit, tot deze lieden er begonnen over te spreken. Na twee wereldoorlogen had Europa zijn lesje wel geleerd, het zou niet opnieuw in die racistische en fascistische val trappen. Maar toen begon men dit uitdovende vuur weer op te poken en luidkeels te waarschuwen voor een heropleving van racisme, fascisme, nazisme, enzovoort.   

Algauw kreeg dit gestook een kwaadaardig karakter, voor zover het dat niet reeds van meet af aan had. De bevolking werd in toenemende mate gedemoniseerd en dat des te meer naarmate er geen reden toe was. Zo werden tijdens de oorlog in ons land meer joden uit handen van de nazi’s gered dan waar ook, maar nog geen vijftig jaar later werd het gebrandmerkt als het meest racistische land van Europa. Uitgerekend de Vlamingen – die brave, makke schapen die zich in eigen land laten reduceren tot tweederangsburgers – werden voorgesteld als een duivels volk waarvoor geen moslim, zwarte, homo of jood veilig was. Steeds driester werd dit omkeringsprincipe toegepast: van een mug werd een olifant gemaakt, van een olifant een mug. Met eindeloos veel – en vaak nieuwe – woorden zette men de zaken op hun kop. ‘Er waart een monster door Europa’, verkondigde Karel De Gucht aan iedereen die het horen wilde, en dat monster was niet de terroristische islam, het was de eigen racistische bevolking.

Inmiddels heeft dit demoniserende discours verbijsterende afmetingen aangenomen. Op de dag dat moslims drie jaar geleden in Brussel twee bloederige aanslagen pleegden, herdachten de media niet de slachtoffers – die overigens geen enkele steun of vergoeding kregen – maar riepen ze op om … de moslims te beschermen. Alle aandacht ging uit naar het extreem-rechtse gevaar terwijl de oorzaak ervan – de moslimterreur – onder het tapijt werd geveegd. Zo grotesk is deze omkering dat het – letterlijk – niet te geloven is. Veel mensen kunnen eenvoudig niet geloven dat andere mensen zo kwaadwillig kunnen zijn, dat ze dag in dag uit dezelfde leugen blijven herhalen, tegen beter weten in. Al die politici, journalisten, professoren en andere intellectuelen waar ze vol ontzag naar opkijken, kunnen toch geen doortrapte leugenaars zijn! En liever dan hun vertrouwen in deze autoriteiten te verliezen, beginnen ze de leugen te geloven. Ja, Vlamingen, Europeanen en blanken zijn racisten. Als al die verstandige mensen het zegt, zal het wel waar zijn zeker?

De omkeringsleugen vertoont ook alsmaar nieuwe scheuten: racisme, fascisme, islamofobie, sexisme, genderfobie, white privilege, kolonialisering, cultural appropriation, klimaatnegationisme, antigypsisme enzovoort. Het zijn de steeds talrijker wordende koppen van een monsterachtige draak. Maar ondanks de wildgroei van alarmerende begrippen, is er van het monster zelf nauwelijks iets te zien. Waar zijn de racisten die gekleurde mensen aanvallen, bedreigen en vermoorden? Waar zijn de neo-nazi’s die de straten onveilig maken? Waar zijn de islamofoben die moslims terroriseren? Waar zijn de fascisten (behalve bij links)? Waar zijn de genderfoben die Bo Van Spilbeeck het leven zo zuur maken dat hij zich niet meer durft te vertonen? Waar zijn de klimaatnegationisten die de media teisteren met hun fake news? Ze bestaan alleen in de verbeelding van de intelligentsia. Slechts een enkele keer wordt die verbeelding werkelijkheid, zoals in Nieuw-Zeeland. 

De Verschrikkelijke Draak waarvoor onophoudelijk wordt gewaarschuwd, bestaat alleen uit beelden, voorstellingen, woorden, tabellen en grafieken afkomstig uit het verbeeldingsrijke brein van would be drakenridders. In de realiteit is er echter geen draak te zien, en daarom wordt het monster steeds meer in de ziel van de (blanke) mens gesitueerd. Er wordt gesproken over structureel racisme, institutioneel racisme, genetisch racisme, kortom racisme waarvan de racist zich niet bewust is. Om dat kracht bij te zetten is het begrip ‘micro-agressie’ in het leven geroepen: microscopisch kleine vormen van racisme die met het blote oog niet waar te nemen zijn, maar die samen één groot en dreigend geheel vormen. Zeggen dat gekleurde mensen er goed uitzien of dat ze vlot Nederlands spreken: het zijn vormen van micro-agressie. Vragen waar iemand vandaan komt: het is een uiting van micro-racisme dat even reëel wordt geacht als de wereld van de kwaadaardige virussen en vleesetende bacterieën. 

Dit verplaatsen van het kwaad van de zichtbare naar de onzichtbare werkelijkheid heeft natuurlijk tot gevolg dat om het even wie van racisme beschuldigd kan worden, ook al is hij zich van geen kwaad bewust, ja vooral dan. Want het feit dat hij zich van geen kwaad bewust is, bewijst dat het micro-racisme ongestoord aan het woekeren is in zijn ziel en op een dag verwoestend tevoorschijn zal komen. Deze theorie van de Onzichtbare Draak is echter een mes dat aan twee kanten snijdt, want ook de uitvinders van deze theorie zijn zich van geen kwaad bewust. Hoe kunnen zij dan onderscheiden worden van de racisten? Hoe kunnen zij voorkomen dat hun theorie tegen henzelf gekeerd wordt en dat zij op hun beurt van micro-racisme beschuldigd worden? Eenvoudig: door anderen onophoudelijk te beschuldigen van racisme. Het uitgangspunt is immers dat iedere blanke een racist is, en van die erfzonde kan hij zich alleen zuiveren door het racisme in zijn medemensen aan te klagen.

Om niet als racist door het leven te gaan, volstaat het niet om geen racistische daden te stellen, het volstaat ook niet om geen racistische uitspraken te doen, en het volstaat zeker niet om te verklaren dat men geen racist is. Die passieve houding wordt beschouwd als een vorm van medeplichtigheid. Iedereen is schuldig tot hij het tegendeel bewijst en dat laatste gebeurt door racisme actief te bestrijden, door er voortdurend over te spreken, door zelfs de kleinste uitingen aan de kaak te stellen en uit te rukken als onkruid dat de kans niet mag krijgen om te groeien. Aangezien vele vormen van racisme microscopisch klein zijn, moet al wie niet verdacht wil worden, tewerk gaan als de kippen: hij moet alles omwoelen op zoek naar de kleinste zaadjes en kiemen. Onvermoeibaar moet hij overal, op ieder gebied, speuren naar mogelijk racisme: in Zwarte Piet, in carnaval, in de kerststal, in kinderboeken, in reclamefoto’s, in kledij, ja zelfs in potloden. Want het kwaad verbergt zich overal. 

Het beeld dat zich op die manier vormt in het brein van de antiracist, is dat van een (Vlaamse, Europese, blanke) samenleving die volkomen in de greep van de draak zit, waar het kwaad tot in de kleinste geledingen is doorgedrongen en daar als een onzichtbare kanker zijn vernietigingswerk verricht. Dit beeld is zo krachtig omdat het – paradoxaal genoeg – waar is. Wat de leidende klasse overal om zich heen ziet, is een onbewuste waarneming van Ahriman, de kwaadaardige geest die zich als een kanker uitzaait in de hele mensheid en tevoorschijn komt als een levensbedreigende ziekte. Maar juist omdat het een ‘astrale’ waarneming is, verschijnt alles omgekeerd. Het kwaad dat (vooral) de intellectuele klasse overal op zich af ziet komen – als extreem-rechts ongedierte dat uit de riolen van de samenleving komt gekropen en de menselijke beschaving onder de voet dreigt te lopen – is in werkelijkheid hun eigen kwaad, het is Ahriman die zich in hun eigen ziel verbergt, en dan vooral in hun intellect. 

Rudolf Steiner waarschuwde ervoor dat het intellect in toenemende mate kwaadaardig zou worden. Hij voorspelde ook dat Ahriman zou schrijven. En dat zien we vandaag gebeuren. We worden overspoeld met perfide teksten waarin intellectuelen steeds weer dezelfde boodschap herhalen: het kwaad komt tevoorschijn uit alle hoeken en kieren van de samenleving en we moeten dat onkruid bestrijden anders zal het alles overwoekeren. Wat Ahrimans geschrijf zo overtuigend maakt, is dat het waar is. Ahriman liegt niet. Hij spreekt de waarheid over zichzelf, maar projecteert die op anderen, bij voorkeur op zijn grote vijanden, de christenen. Wat we nu al tientallen jaren dagelijks in de media lezen, in alle mogelijke variaties, is een zelfportret van Ahriman. Maar zo wordt het natuurlijk niet begrepen, het wordt voorgesteld als het portret van de christelijke mens zoals we die vandaag vinden in de blanke, Europees-Westerse bevolking die nog niet aan drempelwanen lijdt. 

Ahriman schrijft. Dat betekent dat hij tegenover de werkelijkheid gaat staan en er zich een beeld van vormt dat hij vervolgens in woorden giet. Dat beeld is in zijn geval een voorstelling van de wereld als een louter materieel, dood ding waar we niks mee te maken hebben, waar we geen enkele gevoelsmatige binding mee hebben, tenzij een van minachting en afkeer. Die dode, materiële wereld fungeert als een scherm waarop Ahriman zichzelf projecteert als zijnde de Ultieme Waarheid. Hij is degene die van de moderne werkelijkheid één grote bioscoop heeft gemaakt waar we volkomen passief zitten te kijken en alles geloven wat we zien. We denken wakker en alert te zijn, maar dat is uiteraard niet het geval, anders zouden we beseffen in een donkere ruimte naar een muur te zitten kijken, zoals in de grot van Plato. In werkelijkheid slapen we, we dromen en nemen de geprojecteerde beelden van Ahriman voor waar aan. We moeten wel, want wakker worden in dat duistere hol zou ondraaglijk zijn. 

Dat ‘donkere hol’ is in feite onze schedel. Dat is de plaats waar Ahriman ons opgesloten heeft: in ons intellect. Dat geldt natuurlijk in de eerste plaats voor de intellectuelen, voor degenen die alleen met hun hoofd werken. Zij beschouwen zich als de wakkersten onder de wakkeren, maar in feite slapen zij diep. Hun slaap is een vlucht voor de duisternis waarin ze zich bevinden, de duisternis van Ahriman. Zij vluchten in dromen, in Hollywoodfilms, in utopische voorstellingen van hoe de wereld er zou kunnen of moeten uitzien. Anders gezegd, Ahriman jaagt hen in handen van Lucifer. Vandaar al die vurige idealen die zoveel kille intellectuelen er vandaag op nahouden. Nu is er op zich niks tegen die schitterende idealen, en er is ook niks tegen dat intellectuele, emotieloze denken. Wel integendeel. Het zijn geweldige vermogens, die de mens in de loop der tijden ontwikkeld heeft dankzij Lucifer en Ahriman. De tragiek is echter dat hij ze niet gebruikt. Hij geeft ze in handen van de tegenmachten, in handen van de draak. 

Rudolf Steiner wijst erop dat de moderne mens ongelooflijk goed kan denken, maar dat hij het niet doet. Hij slaapt liever. Hij zit liever te dromen in de bioscoop dan dat hij wakker wordt en de werkelijkheid onder ogen ziet. Nochtans is hij meer dan ooit in staat om door te dringen tot de kern van die werkelijkheid. Juist doordat hij tegenover die werkelijkheid kan gaan staan en er objectief en afstandelijk kan naar kijken, bezit hij (voor het eerst) de mogelijkheid zich bewust te worden van zijn Ik, dat, zoals Rudolf Steiner aangeeft, vanuit de omringende wereld op hem afkomt. Maar dan moet hij wel wakker worden en duidelijk onderscheid maken tussen de werkelijkheid en de ahrimaanse projecties die er zo nauw mee vervlochten zijn. Want als hij dat niet doet dan verwart hij zijn (christelijke) Ik met het (racistische, extreem-rechtse) ongedierte dat hij van alle kanten op zich af ziet komen. Dat is de Tragische Omkering die vandaag plaatsvindt: de moderne mens ziet Christus als de draak en de draak als zijn Verlosser. 

De slaapwandelende intellectuele klasse denkt de draak te bestrijden, maar in werkelijkheid bestrijdt ze Christus, het kosmische mensheids-Ik. Daarom gaat ze ook een vanzelfsprekende alliantie aan met de islam, de grootste antichristelijke instantie op aarde. Extreem-rechts beschouwt ze als de grote vijand, niet omdat het een reëel gevaar vormt, maar omdat het zich verzet tegen de islam, omdat het dreigt de ‘religie van de vrede’ te ontmaskeren. Dat wil echter niet zeggen dat extreem-rechts – een containerbegrip voor alles wat niet links of politiek-correct is – het christelijke vertegenwoordigt en de mens als een geestelijk Ik-wezen ziet. Rechts zit net zo goed in de greep van het materialisme als links, het is evenmin wakker. Het reageert blind en instinctief op Ahriman, met als gevolg dat het in de greep van Lucifer raakt. De blinde strijd tussen beide tegenmachten veroorzaakt een vicieuze cirkel die de mens langzaam maar zeker de dieperik in trekt. 

Dat kwam op een merkwaardige manier tot uitdrukking in de aanslag in Nieuw-Zeeland. Hij werd gepleegd in een stad die Christchurch heet en dus blijkbaar uitgesproken christelijk van oorsprong is. Het wekt om te beginnen al verbazing om moslims aan te treffen in Nieuw-Zeeland, een eiland midden in de Stille Oceaan. Wat zoeken ze daar? De verbazing wordt nog groter wanneer blijkt dat ze aan weerszijden van de kathedraal in het centrum van Christchurch een moskee gebouwd hebben. Waarom juist daar? Dit is niet het gedrag van een gediscrimineerde minderheid die bescherming zoekt tegen het geweld waaraan ze overal blootstaat. Dit is uitdagend, ahrimaans gedrag dat met het creëren van een Golgothabeeld een luciferische reactie wil uitlokken, een reactie die schijnbaar gericht is tegen de ahrimaanse islam, maar die in werkelijkheid – samen met die islam – gericht is tegen het midden tussen de twee tegenmachten, tegen Christus, tegen de vrije, individuele Ik-mens.  

Ahriman kijft

  

Ahriman kon er niet om lachen toen ik iets schreef over de hond op de Gentse boekentoren. Kort nadat ik het bericht gepost had, viel mijn computer uit. Zwart scherm. Zo dood als een pier. Daar zat ik. Ik kon niet meer schrijven en wat ik al geschreven had, was ik mogelijk voorgoed kwijt. Tedju! Gelukkig ben ik een ervaringsdeskundige en maakte ik me niet al te druk. Ik heb het al twee keer meegemaakt: computer gecrasht en alles kwijt. Dat is even slikken, maar daarna begin je weer opnieuw en algauw is alles weer vergeten. Het is een oefening in sterven: ooit komt de dag dat je alles kwijt raakt, de ultieme crash. En dat overleef je ook. Het is trouwens geen slecht gevoel om al die ballast eens kwijt te zijn, al die honderden bladzijden tekst, al die duizenden foto’s. Het was wel een beetje vervelend omdat ik midden in mijn Brouwer-exploratie zit, maar nu kon de hele zaak even bezinken. Alle nadeel hep ze voordeel

En ja, Ahriman heeft wel een beetje gelijk. Tenslotte is het dankzij hem dat ik dit alles kan doen. Om te beginnen ben ik iemand die telkens opnieuw begint. Daar hou ik van: met een propere lei beginnen. Als je dat met papier en pen moet doen, wordt er véél papier en inkt verspild. Met een computer volstaat één druk op de knop en het scherm is weer maagdelijk blank. Ik kan ook veel beter schrappen en verbeteren zonder dat het een vreselijke warboel wordt. Wat ik ook doe, mijn tekst blijft altijd proper en leesbaar. Dat laatste is ook belangrijk: als je niet meer kunt lezen wat je zelf geschreven hebt, dan wordt het moeilijk. Maar het belangrijkste is natuurlijk dat ik mijn teksten op het internet kan zetten, zodat mensen ze kunnen lezen. Veel lezers heb ik niet, en dat kan ook niet met het soort dingen dat ik schrijf, maar het zijn er genoeg om erdoor gestimuleerd te worden en het vol te houden. 

Zonder computer en internet zou dat niet mogelijk zijn. Hoe zou ik anders lezers moeten vinden? Ik ben beginnen schrijven in De Mare, het tijdschriftje van de Gentse steinerschool, nu alweer meer dan 25 jaar geleden. Zonder dat zeer bescheiden medium, zou ik misschien nooit zijn beginnen schrijven, want ambitie op dat vlak heb ik nooit gehad. Hoe ‘primitief’ was het niet, dat pakje dubbelgevouwen en samengeniete fotokopieën! En hoeveel werk was het niet om al die ingezonden teksten uit te tikken, er illustraties of tekeningen bij te plakken, de hele zaak door de fotokopiemachine te draaien, en ze dan ook nog eens te versturen met de post! Ik heb daar nog een tijdlang aan meegeholpen. Dat was al lastig genoeg, maar nog lastiger werd het als er moest vergaderd worden over verontwaardigde protesten en een enkele keer zelfs een dreigbrief. 

Want ik pakte de zaak nogal Brouweriaans aan en stak de draak met de antroposofische wereld. Daar was stof genoeg voor en ik amuseerde me opperbest. Maar niet iedereen was geamuseerd. En dan moest er gepalaverd worden. Na een tijdje was ik dat beu. Ik wilde mijn ding kunnen doen, zonder mij te moeten onderwerpen aan voorwaarden, eisen en andere beperkingen. Het was ook een vorm van crashen, en ik tilde er niet zwaar aan. Het was mooi geweest, ik was blij die kans te hebben gekregen. Ik bleef schrijven, want ik had de smaak te pakken, maar ik kon er niks mee doen. Geen enkel tijdschrift zou publiceren wat ik schreef: te antroposofisch – niet antroposofisch genoeg. Toen mijn vrouw een tijdje later een computer kocht voor haar werk, inspireerde mij dat tot het starten met een eigen tijdschriftje: Het Vijgeblad. Dankzij De Mare en de steinerschool vond ik voldoende abonnees om het de moeite waard te maken. 

Maar wat een korvee was me dat! Ik moest nu alles zelf doen: schrijven, illustreren, lay out, naar de kopiewinkel, naar de post. Na vier jaar was mijn bobijntje af. Ik ging weer tekenen en schilderen. Maar toen kocht mijn vrouw een iPad, dat leek haar handiger dan zo’n grote, logge computer. Dat was het ook. Ik nam het ding meteen in beslag, ontdekte de wereld van het bloggen en zo kreeg Het Vijgeblad een digitale opvolger: Vijgen na Pasen. Stap voor kleine stap kreeg mijn schrijven – dat ooit gestart was als een sotternie – het karakter van ‘geesteswetenschappelijk onderzoek’. Wie had dat ooit kunnen denken! Ik alvast niet. Dat ik op antroposofisch gebied iets presteer, heb ik aan niemand minder dan Ahriman te danken. Hij heeft me de verschillende media verschaft zonder dewelke ik hoogstwaarschijnlijk nooit tot schrijven zou zijn gekomen. En ook niet tot min of meer samenhangend nadenken. 

Wilde hij me daar even aan herinneren toen hij na mijn bericht over de Bronzen Hond mijn iPad uitschakelde? Of was het iemand anders? Want intussen ben ik erin geslaagd mijn ‘dode’ weer tot leven te wekken door – o ironie – het gelijktijdig ingedrukt houden van de ‘huisknop’ en de ‘startknop’. En is dubbelzinnigheid of dubbelzijdigheid niet juist het kenmerk van Adriaen Brouwer? Zou hij me deze (goedmoedige) loer gedraaid hebben? Ik weet het niet. Ik weet ook niet wat hij (of wie dan ook) me wil vertellen. Dat ik een beetje respect moet tonen voor Ahriman? Maar ik dacht toch niet dat ik me oneerbiedig heb uitgedrukt. Ik ben er me juist heel erg van bewust hoeveel ik aan deze gevallen engel te danken heb. Of is het omgekeerd en wil Brouwer me juist waarschuwen voor deze gevallen engel en het automatische schrijven waartoe hij inspireert? Wie zal het zeggen? We zien wel.