Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Tag: Ahriman

I can’t breathe (1)

  

Ahriman laat er geen gras over groeien. De corona-crisis is nog maar net bezworen of er breekt alweer een nieuwe crisis uit. Dit keer niet in China maar aan de andere kant van de wereld, in Amerika. Daar sterft een zwarte man door toedoen van een blanke politieagent en overal in het land ontstaan er zware rellen die vervolgens ook navolging vinden in Europa. Op het eerste gezicht hebben die twee crisissen niets met elkaar te maken en is het voorbarig om ze allebei aan Ahriman toe te schrijven. Maar dat verandert wanneer we in beelden gaan denken. Dat is trouwens wat Ahriman zelf ook doet: met zijn dode, abstracte ideeën dringt hij door in onze waarneming en doet daar beelden ontstaan, imaginaties die ons gevoel en onze wil krachtig aanspreken. Op die manier drukt hij zijn stempel op alles wat vandaag gebeurt. Dat stempel – Ahrimans handtekening zeg maar – herkennen we wanneer we op onze beurt in beelden gaan denken, wanneer we onze gedachten en inzichten verdichten tot imaginaties. 

Dat is geen eenvoudige zaak. Het is zelfs een gevaarlijke zaak, want we begeven ons op een terrein waar ook Ahriman actief is en het ligt voor de hand dat hij er alles zal aan doen om ons te beletten hem te ontmaskeren. Juist daarom is het belangrijk dat we ons een voorstelling van hem maken, een ideëel portret dat we ons voor ogen kunnen houden. Want als Ahrimans imaginaties zich vermengen met de onze, komen we op een hellend vlak terecht en raken we ongemerkt in zijn greep. Na de imaginatie volgt immers de inspiratie: de beelden beginnen te spreken, en voor hun stemmen kunnen we ons al niet meer afsluiten. Als we vervolgens het stadium van de intuïtie bereiken, zijn we helemaal verloren. We worden dan één met Ahriman, in de overtuiging dat we de wereld redden van het kwaad. Daarom zegt Rudolf Steiner ook dat antroposofie een gevaarlijke zaak is. Het denken tot leven brengen – de imaginatie is daarin de eerste stap – impliceert een hevige strijd met Ahriman en vergt grote wakkerheid.

Het geval George Floyd is wat dat betreft een schoolvoorbeeld. Het toont ons hoe moeilijk (in meer dan één betekenis), maar ook hoe belangrijk het is zelf imaginaties te vormen en ze scherp te onderscheiden van die van Ahriman. We hebben allemaal de beelden gezien van de blanke Derek Chauvin met zijn knie in de nek van de zwarte George Floyd. Doordat we die beelden automatisch associëren met racisme, worden ze een zinnebeeld: we zien niet langer één blanke die in koelen bloede een zwarte verstikt, we zien het hele blanke ras dat het hele zwarte ras onderdrukt en discrimineert. Het eerste beeld is een zintuiglijke waarneming en daar reageren we in regel op door ons af te vragen welk begrip we ermee moeten verbinden. In dit geval: ongeluk of doodslag, racisme of overdreven geweld. Het tweede beeld daarentegen is een imaginatie, een waarneming waarmee het begrip racisme reeds verbonden is en waarop we onmiddellijk reageren, instinctief, zonder na te denken. 

De rellen die uitbraken na de dood van George Floyd geven een idee van de enorme kracht die uitgaat van zo’n imaginatie. Het gaat dan ook niet om een zintuiglijk beeld dat we voor ons zien en afstandelijk bekijken, maar om een bovenzintuiglijk beeld dat in onszelf leeft en waar we sterk mee verbonden zijn. Waarnemingsbeelden situeren zich op het niveau van ons fysieke lichaam: we zijn er ons bewust van en ze laten ons vrij. Imaginaties ontstaan in ons etherische lichaam, ons gewoontelichaam: we zijn er ons slechts deels van bewust en ze hebben iets dwingends. Gewoonten zijn moeilijk af te leren, vooral wanneer ze oud en diepgeworteld zijn. De imaginatie van het blanke ras dat het zwarte onderdrukt, leeft al geruime tijd in ons en wordt steeds sterker. Als dit denkbeeld juist is, dan gaat het om een goede gewoonte en is er geen reden om het te veranderen. Maar als het niet juist is, als het niet met de werkelijkheid overeenkomt, dan hebben we ons een slechte gewoonte eigen gemaakt waar we moeilijk vanaf zullen raken. 

In het geval van George Floyd braken de protesten uit zodra de beelden van de fatale arrestatie bekend werden. Ze groeiden al vlug uit tot gewelddadige rellen, plundering, doodslag en – verrassend genoeg – een heuse beeldenstorm. Ruimte voor onderzoek of reflectie was er niet, het stond meteen vast: dit ging om racisme. Dat was ook de teneur van zowat alle commentaren in de mainstream media: George Floyd was het zoveelste slachtoffer van het onuitroeibare blanke racisme. Daar kon volgens de experts geen twijfel over bestaan. De vanzelfsprekendheid waarmee ze de racisme-imaginatie poneerden kwam niet uit de lucht vallen. Al tientallen jaren lang verschijnen in de officiële media met de regelmaat van een klok opiniestukken waarin het racisme van de blanke bevolking wordt aangeklaagd. Onophoudelijk wordt er op die spijker geklopt. Inmiddels is men reeds een stap verder gegaan: niet alleen het racisme wordt aangeklaagd maar in toenemende mate ook de blanke onwil om dat racisme te erkennen.

In feite zijn de media het stadium van de imaginatieve beeldvorming reeds voorbij. De vraag is niet langer of het beeld van de blanke racist juist is, de vraag is waarom de blanke niet wil luisteren naar de luid klinkende stem van dit beeld. Waarom wil hij de waarheid niet onder ogen zien? De experts – journalisten, academici, ervaringsdeskundigen – hebben met andere woorden het stadium van de inspiratie bereikt, en dat betekent dat er geen discussie meer mogelijk is. De waarheid staat vast: de blanke is racistisch en onderdrukt zijn gekleurde medemens. Wie deze imaginatie nog ontkent, ontkent het licht van de zon, hij sluit de ogen voor wat iedereen kan zien. Zo’n ontkenner is niet langer voor rede vatbaar en plaatst zichzelf buiten de gemeenschap. Daarom verkondigen steeds meer zwarte mensen – merkwaardig genoeg vooral vrouwen, en vaak zeer jonge – dat ze niet langer met blanken over racisme willen spreken. Het heeft toch geen zin. Hun boodschap is: genoeg gepraat, er moet gehandeld worden.

People of color – dat zien we zowel in Amerika als in Europa – voelen zich steeds meer gerechtigd geweld te gebruiken tegen de kwaadwillende blanke die hen langzaam verstikt. Ze zien het als een vorm van wettige zelfverdediging. Dat argument horen we ook bij moslims: ze moeten wel geweld gebruiken anders worden ze doodgedrukt door de ongelovige blanke. Wat dat laatste betreft hebben ze trouwens gelijk: de blanke is inderdaad een ongelovige, en het is zijn ongeloof dat zo verstikkend is. Niet alleen gelooft hij niet meer in God, hij gelooft ook zijn eigen ogen niet meer. Hij baseert zich steeds minder op de zintuiglijke waarneming en steeds meer op het abstracte denken. Dat dode denken vormt vervolgens imaginaties die voor werkelijker dan de werkelijkheid worden gehouden en alles ‘verstikken’. Bovendien zijn die imaginaties nog besmettelijk ook, want ze worden gretig overgenomen door de people of color. Ook hier weer hebben deze laatsten gelijk: de blanke koloniseert hen met zijn imaginaties. Nog altijd.

De vraag is niet of dit geestelijke koloniseren gerechtvaardigd is, want dat is nu eenmaal hoe beschavingen ontstaan: mensen bevruchten elkaar met ideeën, met beelden, met imaginaties. Ook de blanke, Europese beschaving is ontstaan door kolonisatie: enerzijds door de Romeinen met hun abstracte denken, en anderzijds door gekleurde mensen uit het Midden-Oosten met christelijke beelden die, naar ze beweerden, uit de zintuiglijke werkelijkheid afkomstig waren. Moeten wij deze kolonisators nu met de vinger wijzen omdat ze ons gemaakt hebben tot wat we zijn? Of moeten we hen juist dankbaar zijn, ondanks het geweld dat ze gebruikten? De echte vraag gaat niet over het koloniseren op zich, ze gaat over de waarde van de koloniserende ideeën en imaginaties. Zijn ze beter dan de (denk)beelden van de gekoloniseerde? Maken ze zijn leven beter en menselijker? Zijn ze met andere woorden gebaseerd op de waarheid (die voor ieder mens geldt) of op leugens (die onderdrukking veroorzaken)?

Geen enkele Europeaan zal betreuren 2000 jaar geleden gekoloniseerd te zijn door Romeinen en Palestijnen, want uit die – deels gewelddadige, deels vreedzame – kolonisering is een beschaving ontstaan die zijn weerga niet kent. De reden waarom momenteel zoveel people of color naar Europa emigreren is simpelweg dat het leven nergens beter is, dat mensen nergens meer mens kunnen zijn dan juist hier. Dat neemt niet weg dat in dat bewonderens- en benijdenswaardige Europa ideeën en imaginaties leven die in de vorige eeuw een storm van geweld hebben ontketend die niet te rijmen valt met de Europese idealen van vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid. Deze anti-Europese ideeën en imaginaties zijn weliswaar ontstaan in Europa en worden er ook door gevoed, maar ze zijn een koekoeksjong dat, sinds het uit zijn ei is gekropen, de oorspronkelijke beelden één voor één uit het Europese nest kiepert. En dat is iets wat niet enkel (blanke) Europeanen moeten betreuren, het gaat de hele wereld aan.

Het geweld dat de wereld nu al meer dan 100 jaar teistert, wordt niet veroorzaakt wordt door de Europese idealen (die inmiddels wereldidealen zijn geworden). Vrijheid van meningsuiting, gelijkheid van alle mensen, afschaffing van de slavernij: het zijn verwezenlijkingen waar ieder mens op aarde, ongeacht zijn ras of kleur, achter kan staan. Tenzij ze natuurlijk als ‘wit’ beschouwd worden en het resultaat van ‘eurocentrisch denken’. Maar dan kan men zich ook niet op die idealen en mensenrechten beroepen om racisme en discriminatie aan te klagen. Wat achter de hele racismekwestie schuilgaat, is de vraag naar waarheid. Bestaat er een waarheid die voor iedereen geldt, tot welk ras hij ook behoort? Of zijn er alleen maar Europese waarheden, blanke waarheden, zwarte waarheden, gekleurde waarheden? In het laatste geval is de strijd tegen het racisme gewoon een strijd om de macht: wiens waarheid wint? In het eerste geval dient de waarheid onderscheiden worden van de leugens van het koekoeksjong.

Ahriman zet de waarheidsvraag op scherp door ons denken te infiltreren met zijn leugens, door imaginaties te doen ontstaan die gebaseerd zijn op dode ideeën, ideeën die het contact met de levende werkelijkheid verloren hebben en een eigen onderaards leven zijn gaan leiden. Ongewild wijst Ahriman er ons op dat waarheid een werkwoord is en dat we haar niet kunnen vinden als we ons niet inspannen, als we ons denken niet (zelf) tot leven brengen door imaginaties te vormen, door onze dode ideeën weer met de zintuiglijke werkelijkheid te verbinden zodat ze verhinderd worden hun eigen gang te gaan (en zelfs door computers overgenomen te worden). Het abstraheren of ‘doden’ van ideeën is een cruciale stap in het verwerven van onze vrijheid. Het is een vermogen dat we aan Lucifer te danken hebben, maar waar Ahriman zich nu meester van maakt om er zijn imaginaties mee te vormen die het materialisme diep in ons gemoed en onze wil prenten en ons ongemerkt tot slaaf maken. 

Dit ahrimaniseren van onze ziel kunnen we alleen tegengaan door zelf – bewust en vrijwillig – imaginaties te vormen in plaats van ze onbewust in onze ziel te laten opstijgen als tegenbeeld van ons dode cijferdenken. Want imaginaties vormen we hoe dan ook, ons denken komt sowieso tot leven, dat valt niet tegen te houden. Het probleem is dat we er ons niet bewust van zijn, dat het allemaal instinctief verloopt en dat we bijgevolg niets doen om evenwicht te scheppen tussen ons cijferdenken en ons imaginatieve denken. Van die onbewustheid en passiviteit maakt Ahriman gebruik om ons denken in de door hem gewenste richting sturen, en dat is niet de richting van een bewuste samenwerking tussen beide tegengestelde vormen van denken, maar die van toenemende polarisatie en strijd. Deze strijd maakt zowel het (bewuste) dode als het (onbewuste) levende denken steeds sterker en wanneer de uitersten zich ten slotte met elkaar vermengen, wanneer les extrêmes se touchent, ontstaat er chaos in onze ziel. Op die manier drijft Ahriman ons langzaam maar zeker tot waanzin.

Deze overgang van dood naar levend denken maakt deel uit van het Keerpunt der Tijden. Het is de uitvergroting van een natuurlijk proces dat zich in ieder mensenleven voltrekt. Als kind leven we in beelden, daarom tekenen we ook allemaal. Het vormen van beelden is de mens aangeboren, het is zijn moedertaal, een vermogen dat hij meebrengt uit de geestelijke wereld. Op aarde moet hij echter afstand nemen van deze beelden, hij moet de geestelijke wereld ‘doden’ en in abstracte begrippen leren denken, anders kan hij niet overleven. Maar wanneer hij deze overlevingsstrijd gewonnen heeft en oud wordt, begint hij weer in beelden te leven, herinneringsbeelden die zich langzaam verdichten tot imaginaties, tot wijsheid. De oude mens wordt weer kind, zijn oorspronkelijke beeldvormende vermogen krijgt weer adem en langzaam glijdt hij de geestelijke wereld in. Vandaag is ieder modern mens oud geworden, hij heeft het abstracte denken helemaal ontwikkeld en begint nu als vanzelf weer in beelden te leven.

We worden, zoals Rudolf Steiner zei, op een natuurlijke wijze weer helderziend. Dat klinkt mooi, maar het houdt grote gevaren in, want als we deze overgang naar het imaginatieve denken niet zelf ter hand nemen, dan maakt Ahriman er zich meester van. Op dit keerpunt heeft hij lang zitten wachten en nu slaat hij toe. We beleven het moment van de waarheid, want als de leugen verschijnt, verschijnt ook de waarheid. De incarnatie van Ahriman valt samen met de wederkomst van Christus en plaatst ons voor de keuze: door wie zullen we ons leven en onze toekomst laten bepalen? Om überhaupt te kunnen kiezen moeten we Ahriman en Christus eerst leren onderscheiden, anders kiezen we automatisch voor Ahriman, de wolf in een schaapsvacht. De grote vraag van onze tijd is dan ook: wat is waarheid en wat is leugen? Met cijferdenken alleen komen we daar niet achter, want Ahriman heeft al lang de stap naar de imaginatie gezet. We kunnen hem alleen ontmaskeren – lees: van Christus onderscheiden – wanneer we net als hij in beelden leren denken.  

Corona (5)

  

Science is the belief in the ignorance of experts. (Richard Feynman)

Tijdens de eerste wereldoorlog, toen miljoenen mensen stierven op het slagveld, werd er in Dornach getimmerd, gebeeldhouwd en geschilderd aan het Goetheanum. Ook tijdens de daaropvolgende katastrofe, toen nog veel meer mensen stierven aan de Spaanse griep, bleef Rudolf Steiner voordrachten geven over de wereld van de geest. Juist in deze tijden, zei hij, is het van belang dat we ons blijven concentreren op het antroposofische werk. Zowel de wereldoorlog als de epidemie waren volgens hem karmische gevolgen van het 19de eeuwse materialisme en zolang dat niet overwonnen werd, zouden de katastrofes elkaar blijven opvolgen. Daaraan moest ik denken tijdens het werken aan mijn beschouwingen over het ontwikkelen van een oog voor kunst. Hoe futiel lijkt het niet om je daarmee bezig te houden in tijden van corona-crisis! Maar kijk, tot mijn eigen verbazing stel ik vast dat mijn conclusies nauw aansluiten bij de huidige situatie waarin we ons blindelings overleveren aan ‘experts’ die de hele wereld op zijn kop zetten.   

Virologen, epidemiologen en bacteriologen buitelen over elkaar en overstelpen ons met hun expertise tot onze oren ervan tuiten. Niet alleen spreken ze elkaar tegen, maar ze veranderen ook geregeld van mening, een beetje zoals wijlen Jan Hoet, die de ene dag zonder verpinken het tegenovergestelde zei van wat hij de dag tevoor nog had beweerd. Het deed niets af aan zijn gezag of geloofwaardigheid, wel integendeel, hij werd op handen gedragen, net als griepcommissaris Marc Van Ranst vandaag. Deze laatste lijkt wel in quarantaine te zitten op de VRT en brengt zijn tijd door met de bevolking te vertellen wat ze moet doen en vooral niet mag doen. Volgens hem zal de toestand nog maanden duren en vallen de drastische maatregelen niet zomaar terug te schroeven. Niet alleen in ons land, maar in heel Europa, ja in de hele wereld zullen mensen nog een hele tijd ‘in hun kot’ moeten blijven en dat terwijl de zon schijnt en iedereen naar buiten wil. 

Zoals dat ook met de klimaatkwestie het geval was, heerst er grote eensgezindheid onder de experts. Tenminste, dat wordt ons voorgehouden. Wie echter een beetje rondkijkt op het internet weet dat die consensus een fabeltje is. Verschillende virologen, en heus niet de eerste de beste, beweren dat de hele corona-pandemie een hoax is, boerenbedrog dus. Ze wijzen er onder meer op dat het dodental niet hoger ligt dan andere jaren. Ieder jaar weer kost de griep het leven aan talloze mensen, meestal bejaarden. Het is een soort jaarlijkse lenteschoonmaak. Wat is er dit jaar dan anders? Vanwaar die wereldwijde paniekreactie? Verleden jaar bijvoorbeeld stierven wereldwijd 650 000 mensen aan de griep. In eigen land waren dat er een kleine drieduizend. Dat waren normale gemiddelden en geen haan kraaide er dan ook naar. Ondanks alle dramatische berichten staan we nog altijd ver van die cijfers af. Maar, waarschuwen de experts, dit is de stilte voor de storm, er zullen mogelijk miljoenen slachtoffers vallen! 

Twintig jaar geleden voorspelden experts dat half Europa vandaag onder water zou staan. Reden genoeg dus om sceptisch te staan tegenover ‘wetenschappelijke’ doemscenario’s. Eén ding is zeker: door luid alarm te slaan over een virus dat tot nog toe vrij onschuldig is gebleken, wordt een virus verspreid dat veel gevaarlijker is: angst. Volgens Rudolf Steiner is angst de beste voedingsbodem voor virussen en bacillen. Hoe angstiger mensen zijn, des te gemakkelijker worden ze geïnfecteerd. Dat zou dus betekenen dat de experts bevorderen wat ze menen te bestrijden. Ze creëren een vicieuze cirkel: hoe meer angst, hoe meer infecties, hoe meer infecties, hoe meer angst. Dat doet opnieuw de vraag rijzen: waarom jagen ze de mensen dit jaar zoveel angst aan en niet verleden jaar of de jaren daarvoor, toen er net zoveel slachtoffers vielen? Wat is het verschil? Is het na de klimaatexperts wellicht de beurt aan de virusexperts om ons de stuipen op het lijf te jagen met hun onheilspellende cijfers, tabellen en grafieken? 

Aan sommige experts, moeten we opnieuw zeggen, want er zijn er ook die beweren dat de remedie erger is dan de kwaal en dat de maatregelen die vandaag getroffen worden (veel) meer ellende veroorzaken dan het virus zelf. Denken we maar aan al die oude mensen die vandaag in eenzaamheid sterven, of aan jonge ouders die samen met hun kinderen opgesloten zitten in hun appartementje, of aan de economische gevolgen die dreigen de hele gezondheidszorg (en nog veel meer) in het gedrang te brengen. Maar, zeggen de experts, dat is de prijs die we moeten betalen om nog groter verschrikkingen te voorkomen! Dan hebben ze in Azië toch betere experts, want daar slagen verschillende landen erin het aantal slachtoffers tot een minimum te beperken zonder dat ze daarvoor een lockdown nodig hebben. Jamaar, roepen de Europese experts, we kunnen de cijfers van die communistische landen niet zomaar geloven! Alsof kapitalistische cijfers wel betrouwbaar zijn en Marc Van Ranst geen communist is …

Wie bepaalt welke experts het voor het zeggen hebben? Net als in de klimaatkwestie wordt ook nu weer een hele groep deskundigen monddood gemaakt. Alleen de angstverspreiders mogen hun mening verkondigen. Dat ligt geheel in de lijn van wat de media nu al decennia lang doen: angst en tweedracht zaaien, afwijkende meningen doodzwijgen of belachelijk maken. Daar plukken we nu de vruchten van: de angst sleurt iedereen mee. Landen die een eigen aanpak voorstaan, worden gedwongen hun standpunt te herzien. Overal moeten individuele reacties wijken voor de grote, collectieve angstreactie. Krijgswetten worden afgekondigd, alsof het oorlog is. In Amerika kan gelijk wie opgesloten worden als hij ervan verdacht wordt virusdrager te zijn. Wie bij ons op voedingswaren hoest riskeert vijf jaar cel. In Indië dreigt men overtreders van het uitgaansverbod gewoon neer te schieten. Enzovoort, enzovoort. En dat alles wordt mogelijk gemaakt door experts die onafgebroken angst zaaien. 

Marc Van Ranst vertelt op televisie dat het nog wel het hele jaar zal duren voor de situatie weer normaal is. Hij vertelt ook dat het virus terug zal keren. Dat betekent dat we volgend jaar weer hetzelfde zullen meemaken en dat de angst dus permanent zal worden. Tenzij er een vaccin wordt gevonden (Marc Van Ranst werkt nauw samen met Johnson & Johnson). Maar vaccins verzwakken het immuunsysteem, ze maken de mens kwetsbaarder en de virussen derhalve gevaarlijker. Het beste voorbeeld zijn de mazelen, een onschuldige kinderziekte die (onder meer) door massale vaccinatie vandaag levensbedreigend is geworden. De roep om een universeel vaccin zal na de corona-epidemie dan ook luider klinken dan ooit. Wellicht wordt dat het geneesmiddel dat Rudolf Steiner voorspelde en dat de mens van bij zijn geboorte zou afsnijden van de geest. De vicieuze cirkel zal dan helemaal rond zijn, want juist dit afgesneden-zijn van de geest is de grondoorzaak van de huidige crisis. 

De mensheid wordt langzaam maar zeker opgesloten in een gevangenis die ze zelf bewaakt. Men moet het maar eens wagen de nieuwe regels in vraag te stellen: onmiddellijk wordt men er door zijn medemensen van verdacht een gewetenloze egoïst te zijn, een gevaar voor de anderen, een corona-terrorist. Angst maakt mensen volgzaam op een agressieve manier: ze beginnen elkaar te controleren, ze dwingen elkaar in de pas te lopen. Het politiek-correcte bewind waaronder we al zolang leven, is een angstbewind. Het heeft het pad geëffend voor de huidige angstepidemie en die effent op haar beurt het pad voor nog meer angst, nog meer eenheidsdenken, nog meer controle. Tenzij we van de gelegenheid gebruik maken om die vicieuze cirkel te doorbreken. Maar dan komen we een nog diepere angst tegen: de angst voor de geest. Daar vinden de corona-angst, de politiek-correcte angst en de vele andere moderne angsten hun oorsprong. Nergens is de moderne mens zo bang voor als voor de geest.

Die angst kunnen we goed waarnemen in de kunst. Gevaar voor virale besmetting bestaat hier niet, want onze relatie met kunst is zuiver geestelijk: we kijken of luisteren ernaar, meer niet. Toch heerst in de kunstwereld precies hetzelfde angstklimaat als elders, met dat verschil dat het hier al zo gewoon is geworden dat we niet eens meer beseffen hoe bang we zijn, bang om zelf te kijken, bang om zelf te voelen, bang om zelf te denken. We durven niet meer oordelen over kunst omdat we geloven dat alleen experts kunnen bepalen wat kunst is en wat niet. Dat blinde geloof bepaalt heel onze omgang met kunst. Experts bepalen wat we te zien krijgen en hoe we erop moeten reageren. Zij hebben de rol van ons Ik overgenomen, een Ik dat verlamd is van angst voor de geest en zelfs niet meer durft te protesteren als het de grootste rotzooi te slikken krijgt. We leven in een angstcultuur en we beseffen het niet. Integendeel, we zijn er trots op en reageren agressief tegen al wie onze angst niet deelt.

Maar hoe kunnen we nu bang zijn voor iets waar we niet meer in geloven? Heeft ons materialisme ons niet juist bevrijd van vele irrationele angsten? Niemand is vandaag nog bang voor spoken, demonen en andere kwelgeesten. Althans niet bewust. Want onbewust gaan we allemaal over de drempel en nemen we weer geestelijke wezens waar. De angst die ze ons aanjagen projecteren we op de fysieke wereld, op onze medemensen of op virussen waarmee we de strijd aanbinden. Maar die strijd dient alleen om onze angst voor de geest te verdoven. In die zin zouden we de huidige angst-pandemie kunnen zien als het gevolg van een collectieve opstoot van onbewuste helderziendheid. Zonder het te beseffen ‘zien’ we een geest die ons de stuipen op het lijf jaagt. En wie kan dat anders zijn dan Ahriman, die op het punt staat zijn gezicht te tonen? Het corona-virus is dan ook een wake up call. We moeten onze ogen openen voor de geest die ons zoveel angst aanjaagt, anders komen we in een spiraal van geweld terecht.

Maar hoe doen we dat? Hoe ontwikkelen we een oog voor Ahriman, voor de geestelijke dimensie van de corona-epidemie? Het antwoord luidt: op dezelfde manier als we een oog voor kunst ontwikkelen. Want in de kunst slaan we geen acht op de materie, we vragen ons niet af welke verf, welke olie of welke pigmenten de schilder gebruikt heeft (tenzij we een expert zijn). We richten onze aandacht enkel op het beeld dat door deze materialen zichtbaar wordt. Daar ligt het wezen van het kunstwerk en het heeft geen zin om het elders te zoeken, bijvoorbeeld aan de achterkant van het schilderij, want daar is niets te zien. Ook de gedachten en bedoelingen van de kunstenaar kunnen we niet zien, dus daar houden we evenmin rekening mee. We kijken enkel en alleen naar het kunstwerk, naar het – in wezen geestelijke – beeld dat aan ons verschijnt. Tenminste, zo deden we dat vroeger, want sinds de hedendaagse kunst op het toneel verscheen, kijken we niet meer naar beelden, we luisteren enkel nog naar de woorden van (materialistische) experts.

De ooit zo vanzelfsprekende fenomenologische benadering van kunst – waarbij we ons enkel baseren op wat we waarnemen – is vervangen door een blind geloof in experts die ons, op grond van hun vermeende helderziendheid, vertellen wat we moeten zien, wat we moeten denken en wat we moeten voelen. Trekken we hun alwetendheid in twijfel en proberen we ons zelf een oordeel te vormen, dan is verontwaardiging ons deel: wie denken we wel dat we zijn! De kunstexperts dwingen hun gezag af door middel van angst en niemand durft tegen hen in te gaan. Die geestelijke lafheid is inmiddels een tweede natuur geworden zodat niemand in de kunstwereld zich nog realiseert hoe bang hij wel is. Immers, wie niet durft te verroeren, voelt niet dat hij verlamd is van angst. Hij verkeert in de mening dat er niks aan de hand is, en de gedachte dat er angst heerst in de kunst komt hem bespottelijk voor. De kunst is in zijn ogen juist een wereld waar iedereen zich bevrijd heeft van de angst, een wereld die moedig voorop loopt, een avant garde

We staan vandaag voor de keuze: ofwel geven we toe aan de angst en kiezen we voor een wereld vol geweld – medisch geweld, politiek geweld, sociaal geweld, militair geweld – ofwel overwinnen we die angst en openen we onze ogen voor de geest. Dat laatste doen we door de wereld fenomenologisch te benaderen, dat wil zeggen op dezelfde manier waarop we dat in de kunst doen. Maar daar komen we opnieuw voor de keuze te staan: laten we ons intimideren door de hedendaagse kunst en haar leger van experts of kiezen we voor de klassieke kunst en haar fenomenologische benadering van de werkelijkheid? Pas wanneer we dat laatste doen, ondervinden we hoe groot onze (geestelijke) angst is. Want ofschoon we volkomen vrij zijn, waagt niemand het om deze keuze te maken. We zijn als de dood voor de reactie van de experts en hun volgelingen, voor hun woede en verontwaardiging, voor hun spot en hun minachting. We zijn verlamd van angst voor de geest die door hen spreekt. 

Na de War on Drugs, de War on Terror en de War on CO2, is vandaag de War on Virus uitgebroken. Het zal de laatste niet zijn. We zitten gevangen in een spiraal van geweld waar geen eind zal aan komen tenzij we ons bewust worden van de bron van al dat geweld: onze angst voor de geest. Die angst voelen we pas wanneer we geestelijk in beweging komen, wanneer we zelf beginnen kijken, zelf beginnen voelen, zelf beginnen denken. Door ons blinde geloof in te ruilen voor vertrouwen in onszelf krijgen we de ware – ahrimaanse – aard van de experts te zien. Want zij dulden geen tegenspraak, zij dulden geen twijfel aan hun (geestelijke) gezag. Het zijn dus geen wetenschappers en het zijn evenmin kunstenaars, het zijn magiërs die de wetenschap en de kunst gebruiken om ons steeds dieper in slaap te brengen zodat ze met ons kunnen doen wat wij met de dieren doen. Het enige wat we tegen die verdierlijking kunnen doen, is wakker worden, geestelijk in beweging komen, zelf aan kunst en wetenschap doen.      

Een oog voor kunst (4)

  

De vraag hoe je een oog ontwikkelt voor kunst is in wezen dezelfde als de vraag hoe je een oog ontwikkelt voor de geest. Want een oog-voor-kunst is geen fysiek oog dat ziet wat er bijvoorbeeld op een schilderij staat, het is een innerlijk oog dat ziet wat dat schilderij tot een kunstwerk maakt. Het is een zintuig voor de geestelijke dimensie van kunst, voor datgene wat door fysieke ogen niet kan waargenomen en door het verstand niet bewezen of begrepen kan worden. Het is met andere woorden een geestelijk oog, maar dan wel een geestelijk oog dat niet kan bestaan zonder fysieke ogen. Wie blind is voor de materiële dimensie van kunst – wie geen schilderij kan zien of geen muziek kan horen – kan ook de geestelijke dimensie ervan niet waarnemen. In de kunst geldt: geen geest zonder materie. Het fysieke, zintuiglijke waarnemen is hier voorwaarde voor het geestelijke, bovenzintuiglijke waarnemen. Een oog voor kunst is dus geen oog voor de zuivere geest, het is een oog voor de geest in de materie. 

De wereld van de zuivere geest werd definitief voor ons afgesloten door de komst van Christus, de geest die afdaalde in de materie en verklaarde: niemand komt tot de Vader dan door mij. Hij deed de vijgeboom – symbool van de oude helderziendheid – verdorren en werd zelf de poort waardoor we voortaan de geestelijke wereld binnengaan. Als we dat tenminste willen, want we moeten ervoor kiezen, we kunnen alleen uit vrije wil de ogen openen voor Christus. Het waarnemen van de geest-in-de-materie is ons niet gegeven zoals de oude helderziendheid dat was. Het moet ontwikkeld worden vanuit de zintuiglijke waarneming van de materie. Die ontwikkeling is vrij, maar niet vrijblijvend, want sinds het einde van het Kali Yuga wordt onze oude helderziendheid weer wakker, en ze leidt ons weg van Christus, recht in de armen van de tegenmachten. We moeten dus kiezen tussen twee vormen van helderziendheid: de christelijke (die ons omhoog leidt) en de antichristelijke (die ons omlaag leidt, de onderwereld in). 

We gaan vandaag over de drempel en we zouden geen vrije mensen zijn als we dat niet op twee manieren konden doen: via Christus of via de tegenmachten. Voor de christelijke manier moeten we bewust en vrijwillig kiezen, voor de antichristelijke manier hoeven we helemaal niet te kiezen, dat gaat vanzelf. Om Christus waar te nemen moeten we ons inspannen, om in de greep van de tegenmachten te raken, volstaat het dat we ons laten meedrijven met de stroom. Wat er in dat laatste geval gebeurt, zien we vandaag overal: we verliezen ons verstand, we worden langzaam maar zeker met waanzin geslagen. Het is echter geen fysieke waanzin die ons treft (als gevolg van het slecht functioneren van onze hersenen), maar geestelijke waanzin (als gevolg van het niet wakker en actief worden van onze geest). En wat deze ziekte zo gevaarlijk maakt, is dat we er ons niet bewust van zijn. Integendeel, we zien ze als een teken van geestelijke gezondheid, als een vorm van hoger bewustzijn.

De oorzaak van deze waanzin ligt in de desintegratie van onze ziel bij het overschrijden van de drempel naar de geestelijke wereld. Denken, voelen en willen komen los van elkaar en gaan ieder hun eigen gang. Ze onttrekken zich aan de controle van ons Ik en plaatsen ons voor de keuze: ofwel proberen we onze losgeslagen zielevermogens weer in het gareel te krijgen, ofwel laten we ze in handen van de tegenmachten vallen. Deze laatsten blazen onze gedachten, gevoelens en wilsimpulsen op tot karikaturen en creëren in onze ziel een chaos waarin ons Ik zich niet langer kan handhaven. We worden als het ware uit ons eigen huis gedreven en de tegenmachten nemen het in bezit. We raken met andere woorden ‘bezeten’, maar dat beseffen we niet want ons Ik is buitenspel geplaatst. We kunnen geen onderscheid meer maken tussen goed en kwaad, en identificeren ons steeds meer met de nieuwe, antichristelijke geest die onze ziel bezet houdt en die ons in de waan brengt dat we superieure wezens zijn. 

Deze superioriteitswaan verspreidt zich momenteel als een epidemie over de hele wereld, want we gaan allemaal over de drempel en komen daarbij allemaal voor de keuze te staan: blijven we baas in eigen ziel of ‘verkopen’ we onze ziel aan de duivel? Dat dringt echter niet tot ons door en we kiezen, al naargelang van onze natuur, voor de spirituele Lucifer of voor de materiële Ahriman, die ons meesleuren in hun onderlinge strijd en ons in de waan brengen dat het de (goede en noodzakelijke) strijd tegen de draak is. We denken dus te kiezen tussen goed en kwaad, maar in werkelijkheid kiezen we tussen twee kwaden – de links-idealistische Lucifer en de rechts-materialistische Ahriman – waardoor we in de greep raken van de vernietigende wil die beide bezielt. Door ons over te geven aan de machts- en superioriteitsroes die ze in onze ziel wekken, beginnen we in naam van het goede een nietsontziende strijd tegen het goede, tegen ons eigen Ik, tegen alles wat christelijk is.

Deze zelfvernietigende strijd is de keerzijde van de scheppende strijd die we moeten voeren om oog te krijgen voor Christus, en dat is de strijd om juist niet te kiezen tussen Lucifer en Ahriman maar beide tegenmachten in evenwicht te houden. Want we hebben ze allebei nodig om een zintuig voor Christus te ontwikkelen: Ahriman opent onze ogen voor de materie en legt aldus de grondslag voor het waarnemen van de geest-in-de-materie, terwijl Lucifer het verlangen wekt naar de geest. We mogen ze uiteraard niet hun eigen gang laten gaan, want dan raken ze slaags en veroorzaken in onze ziel een chaos van haat en geweld die ons blind maakt voor het christelijke midden. Alleen een Steigerung van beide tegengestelde krachten kan ons de ogen openen voor Christus en beletten dat we zonder het te weten voor de Antichrist kiezen. Daarom moeten Lucifer en Ahriman uit elkaar worden gehouden, ze mogen zich onder geen beding met elkaar vermengen, want dan sleuren ze ons mee in hun waanzin.

Dat is de keuze waarvoor we staan: ofwel ontwikkelen we een oog voor Christus, ofwel worden we blind voor Christus. Dat laatste is het ergste wat ons kan overkomen, want als we de wederkomst van Christus ‘verslapen’, aldus Rudolf Steiner, zal het grootst mogelijke onheil over de mensheid komen. We moeten dus kost wat kost een ‘etherisch oog’ ontwikkelen, een oog voor de etherische wereld waarin Christus verschijnt. Een belangrijker en dringender opgave bestaat momenteel niet. En hier betreedt de kunst het toneel, want zij maakt de etherische dimensie van de werkelijkheid zichtbaar. Zij legt de etherische levens- en vormkrachten vast in de materie en stelt ons daardoor in staat er een zintuig voor te ontwikkelen. Dat gebeurt op exemplarische wijze in de filmkunst, die met zijn bewegende beelden en in elkaar vloeiende kunstvormen een uitgesproken etherisch karakter heeft. Maar we leren hier ook de keerzijde van de medaille kennen: de etherische wereld wiegt ons in slaap.

Door de verbinding met de materie ‘sterft’ de geest: hij wordt door de kunstenaar bij wijze van spreken gedood en in zijn graf gelegd. Maar daaruit kan hij door de kijker weer worden opgewekt. Dit Stirb und Werde van de geest is in wezen een Offenbares Geheimnis, een openbare mysteriehandeling. In de kunst gebeurt dus in het klein wat vandaag in het groot gebeurt: de mens gaat over de drempel, hij wordt ingewijd. Vroeger was die inwijding streng voorbehouden aan uitverkorenen, maar vandaag gaat iedereen over de drempel: we betreden allemaal de grafwereld van de inwijding en de kunst, en vallen daar ‘in slaap’. We doen dat echter als vrije mensen, wat betekent dat het van onszelf afhangt of we wakker worden in die inwijdingsslaap en de ogen openen voor de geest-in-de-materie die zich daar manifesteert. Doen we dat niet en blijven we slapen, dan kunnen we Christus niet onderscheiden van de tegenmachten die ons de onderwereld binnenloodsen. 

Sinds het aflopen van het Kali Yuga dringt de geestelijke wereld opnieuw onze materiële wereld binnen en maakt er een inwijdingsplek van, een ‘grafwereld’ waar een zelfde ‘etherische’ sfeer heerst als in de kunst. Daar zijn we ons echter niet van bewust. We beseffen niet dat de moderne wereld een mysterieplaats is geworden waar we ons instinctief op dezelfde manier gedragen als in de kunst: ons overgevend aan de schone schijn, onderduikend in beelden en gevoelens die ons kritische verstand uitschakelen. We zijn ‘geestdronken’ maar voelen ons nuchterder en wakkerder dan ooit. Met nauw verholen misprijzen kijken we neer op onze ‘domme’ voorouders die nog in sprookjes geloofden, overtuigd als we ervan zijn de wereld – eindelijk – te zien zoals hij is. Geen moment komt het in ons op dat wij de slaapwandelaars zijn, de dromers die alles geloven wat hen voorgehouden wordt en geen onderscheid meer maken tussen goed en kwaad. We beseffen niet dat we in het duister tasten en op grote schaal misleid worden. 

Dit dromende inwijdingsbewustzijn maakt ons tot puppets on a string die in de waan verkeren vrij te zijn maar in werkelijkheid precies doen wat de antichristelijke puppetmaster van hen verlangt. Het probleem is dat we niet zomaar wakker kunnen worden uit deze ‘inwijdingsslaap’, want dan gebeurt hetzelfde als wanneer we in de bioscoop tijdens een film om ons heen kijken: we zien ons omringd door louter zombies die roerloos in het donker voor zich uit zitten te staren. Proberen we hen wakker te maken dan verzetten ze zich hevig, want ze willen niet uit de droom worden gehaald. En dus zit er niets anders op dan zelf ook weer onder te duiken in de film, anders kunnen we net zo goed de zaal verlaten. Dat laatste is in de reële wereld echter geen optie. Daar zitten we gevangen in het donker en breekt er een gevecht in regel uit tussen de ‘dromers’ en de ‘wakkeren’. In feite slapen ze allebei: de eersten slapen een luciferische slaap, de laatsten een ahrimaanse slaap. 

Ontwaken uit deze inwijdingsslaap is niet mogelijk. Keren we terug naar ons wakkere, materialistische bewustzijn, dan vallen we in slaap voor de geest en bestrijden instinctief alles wat spiritueel of idealistisch is. Geven we ons over aan ons dromende spirituele bewustzijn, dan vallen we in slaap voor de materie en verliezen het contact met de realiteit. Wat we ook doen, we ontsnappen niet aan de slaap en aan de onvermijdelijke botsing met andere slapers. Aangezien beide manieren van slapen elkaar versterken, sluiten ze ons op in een onderwereld vol haat en geweld, waaruit we niet eens willen ontsnappen. Want de strijd die hier woedt – het gevecht tussen de dromers en de wakkeren, tussen de idealisten en de realisten, tussen luciferisch links en ahrimaans rechts – beschouwen we als een heilige strijd, een strijd tegen de draak die gewonnen moet worden als we de wereld willen redden. Niets is belangrijker in onze ogen, niets kan ons van deze strijd afhouden.  

De enige manier om deze zelfvernietigende strijd te stoppen, is door onze ogenen te openen in de slaap en te zien dat het niet onze strijd is, maar de strijd van onze dubbelganger, die ons als een bal heen en weer kaatst tussen Lucifer en Ahriman. Vroeger werd de inwijdeling voorbereid op de ontmoeting met de dubbelganger, hij leerde diens twee gezichten kennen en wist dat hij zich niet mocht laten meezuigen in de draaikolk die ze veroorzaakten. Zoals Odysseus, moest hij tussen Scylla en Charybdis door laveren, hij moest als het ware dwars door de dubbelganger heen om Christus te bereiken, de poort tot de geestelijke wereld. Dat is vandaag nog altijd zo, maar dan met dat verschil dat de moderne mens onvoorbereid – en dus onbewust – geconfronteerd wordt met de twee wachters aan de drempel, met de dubbelganger en met Christus. In zijn slapende bewustzijn vloeien ze samen tot één wezen waaraan hij zich, gedreven door zijn intense verlangen naar de geest, blindelings overgeeft. 

Wat de mens die over de drempel gaat dus het meest nodig heeft, is onderscheidingsvermogen. Hij moet onderscheid leren maken tussen de dubbelganger en Christus, zodat hij een vrije keuze kan maken tussen beide. Want kiezen moet hij, een compromis is geen optie. Christus laat daar geen twijfel over bestaan: wie niet voor hem is, is tegen hem. Het gaat dan ook om een morele keuze, een keuze tussen goed en kwaad. En wat deze keuze zo moeilijk maakt, is dat de oude morele grenzen verdwenen zijn: goed en kwaad zijn niet langer zorgvuldig gescheiden, ze lopen door elkaar. Onze gewone moraliteit volstaat niet meer bij het overschrijden van de drempel. Daar doelt Rudolf Steiner op wanneer hij zegt dat iedere stap op de scholingsweg gepaard moet gaan met drie stappen op de morele weg. We moeten ons morele onderscheidingsvermogen versterken, we moeten het over de drempel leiden zodat we niet langer alleen maar voelen wat goed en kwaad is, maar het ook zien en doordringen tot hun wezen. 

Hoe kan de mens echter doordringen tot het wezen van goed en kwaad – dat wil zeggen tot de dubbelganger en tot Christus – als hij geen geestelijke wezens kan waarnemen, als hij niet eens gelooft in hun bestaan? Het antwoord luidt: met behulp van de kunst. Hier wordt het hele drempeloverschrijdingsproces weerspiegeld in beelden die we in alle rust kunnen bekijken en beoordelen. Anders dan in de werkelijkheid geven we ons in de kunst bewust en vrijwillig over aan de slaap. We weten dat het slechts schijn is wat we zien en precies deze wakkerheid-in-de-slaap stelt ons in staat de beelden te beoordelen op hun morele (lees: artistieke) kwaliteit. In de kunst nemen we ons morele oordeelsvermogen mee over de drempel: we leren onderscheid maken tussen goed en slecht in de etherische sfeer. En dat is precies wat we vandaag zo dringend nodig hebben. Als we niet in de grootst mogelijke ellende terecht willen komen, moeten we onze artistieke wakkerheid versterken en uitbreiden. Alleen op die manier kan kunst de wereld redden.  

Antroposofie Vandaag

  

Wie de actualiteit een beetje volgt, weet dat de vooruitzichten niet goed zijn. Om het met de woorden uit de populaire tv-serie Game of Thrones te zeggen: winter is coming. Om het antroposofisch uit te drukken: Ahriman is op komst. Niemand weet wat er te gebeuren staat, maar er hangt dreiging in de lucht en overal nemen angst en onrust hand over hand toe. Voor veel mensen is de zaak duidelijk: de jaren ’30 zijn weer terug. Honderd jaar na dato staan de nazi’s weer voor de deur en maakt Hitler opnieuw zijn opwachting. Alleen gebeurt dat dit keer niet enkel in Duitsland, maar in heel Europa en zelfs daarbuiten. Reden genoeg voor politici, journalisten, intellectuelen en kunstenaars om te waarschuwen voor de verrechtsing van de maatschappij en de heropleving van het fascisme. Maar het mag niet baten: de rechtse partijen worden alsmaar sterker. Steeds dringender klinkt dan ook de vraag: hoe kunnen we voorkomen dat de geschiedenis zich herhaalt? Hoe kunnen we een nieuwe katastrofe vermijden?

Die vraag is ook aan de orde in het winternummer van Antroposofie Vandaag, het ledenblad van de Antroposofische Vereniging in België. ‘Het is niet gemakkelijk’, aldus Werner Govaerts in het editoriaal, ‘om in deze woelige tijden van fake news, trumpisme, Brexit, IS, klimaatproblemen en andere bedreigingen het hoofd koel te houden en te trachten de grote tendensen, de grote ontwikkelingen te ontwaren.’ Toch citeert hij even verder een door Herbert Hahn opgetekende anekdote over Rudolf Steiner die aan duidelijkheid niets te wensen overlaat: ‘Maar hij zag donkere wolken aan de historische horizon opdoemen, waarvan mensen zoals wij niets konden vermoeden. Zo zei hij op een keer over de waldorfschool: ze zal elke ruk naar links uithouden, maar niet een stevige ruk naar rechts.’ Rudolf Steiner lijkt dus te waarschuwen voor rechts, maar de hoofdredacteur van Antroposofie Vandaag pleit voor enige terughouding. ‘Het zou de moeite waard zijn’, schrijft hij, ‘om te onderzoeken wat Rudolf Steiner precies in gedachten had toen hij dat zei’. 

Ook in een langer artikel over steinerpedagogie pendelt Werner Govaerts heen en weer tussen voorzichtige terughouding en duidelijke stellingname. Zo brengen ‘de rechts-nationalistische en zelfs pre-fascistische tendensen in Noord-België’ hem ertoe een vergelijking te maken tussen de situatie van de steinerscholen vandaag en de situatie van de eerste waldorfschool in Stuttgart. Daar heerste destijds grote verdeeldheid over de houding die de school moest aannemen tegenover het nieuwe nazi-regime. De enen drongen aan op samenwerking teneinde de school open te kunnen houden, de anderen wilden zich niet compromitteren. ‘Historisch gezien’, schrijft Werner Govaerts, ‘hadden de hardliners natuurlijk gelijk’, maar, voegt hij eraan toe, ‘achteraf is het makkelijk oordelen, als je er middenin zit is het moeilijk om een klare kijk te krijgen op de zaak.’ Wijze woorden zijn het, die hij echter meteen weer vergeet, want hij verbaast er zich over hoe weinig mensen zich vandaag uitspreken tegen de rechts-nationalisten. 

‘Dat is des te verwonderlijker’, schrijft hij, ‘omdat we in de jaren ’30 van de vorige eeuw gezien hebben tot welke verschrikkingen het rechts-nationalisme heeft geleid.’ Voor hem is het duidelijk: de N-VA is de Vlaamse NSDAP in wording en hij houdt deze partij dan ook verantwoordelijk voor ‘de verzieking en ontmenselijking van de maatschappij, het ondergraven van het sociale leven en het maatschappelijk vertrouwen, het opwekken en aanwakkeren van angst en eigenbelang’. Hoewel hij kort daarvoor nog schreef hoe moeilijk het is om een klare kijk te ontwikkelen op een situatie waar je middenin zit, twijfelt Werner Govaerts er geen moment aan dat hij met zijn visie aan de juiste kant van de geschiedenis staat. Hij is er zelfs zo zeker van dat hij onomwonden pleit voor politieke actie in de steinerscholen. Als de maatschappij hun voortbestaan bedreigt, schrijft hij, dan moeten ze die maatschappij veranderen. Dat is trouwens wat de leerlingen zelf willen, voegt hij eraan toe, ze willen iets doen

De hoofdredacteur van het ledenblad van de Antroposofische Vereniging die onomwonden aan politiek doet, die vroeger al vond dat steinerscholen kinderen van rechtse ouders moeten kunnen weigeren, en die nu oproept tot links activisme in de klas? Een mens vraagt zich onwillekeurig af wat Rudolf Steiner daarvan gevonden zou hebben. Hoorden steinerscholen volgens hem niet open te staan voor mensen van alle politieke en religieuze gezindten? Of verliest die regel zijn geldigheid in crisissituaties? In dat geval zouden steinerscholen wel eens tamelijk exclusief kunnen worden, want de helft van de Vlaamse bevolking stemt rechts. Met de kinderen van die andere helft wil Werner Govaerts dan de op rechts aansturende maatschappij van koers doen veranderen zodat ze de steinerpedagogie niet langer stokken in de wielen steekt. En dat moet allemaal nu gebeuren, want de jaren ’30 naderen snel, er is niet veel tijd meer om de wereld te veranderen en de steinerscholen te redden.

Hier is duidelijk iemand aan het woord die de kille adem van Ahriman in zijn nek voelt. Werner Govaerts doet weliswaar zijn best om rustig te blijven en wijze, terughoudende woorden te spreken, maar lang kan hij dat niet volhouden. Algauw slaat hij spijkers met koppen: als we geen actie ondernemen, dreigt er opnieuw een katastrofe zoals 100 jaar geleden! Het is een klassiek dilemma dat hier zichtbaar wordt: moeten we ons aanpassen aan de werkelijkheid en proberen er het beste van te maken of moeten we voet bij stuk houden en proberen die werkelijkheid te veranderen? Actie tegenover resignatie, idealisme tegenover realisme, doen tegenover denken. Werner Govaerts kiest zonder omhaal voor actie, voor links activisme tegen het rechtse gevaar. Zijn standpunt heeft alvast het voordeel van de duidelijkheid: gedaan met wikken en wegen, er moet aangepakt worden! Dat is ook wat de jongeren vragen en Werner Govaerts schaart zich ondubbelzinnig aan hun kant.

Het moet gezegd, het is een verfrissend geluid in een antroposofisch blad dat niet meteen uitmunt door eigentijdsheid. Het is wel niet zo erg als destijds in Das Goetheanum, waaruit onmogelijk op te maken viel dat er een wereldoorlog aan de gang was, maar de naam Antroposofie Vandaag dient toch met een korreltje zout te worden genomen. Werner Govaerts doet al een hele tijd zijn best om het blad bij de tijd te brengen, maar de eerbiedwaardige oude-zielensfeer blijft zijn stempel drukken. De spanning tussen de twee zielensferen – de oude en de jonge – is overigens een probleem dat zich niet beperkt tot Antroposofie Vandaag, het is het antroposofische probleem bij uitstek: moeten antroposofen zich terugtrekken en mediteren of moeten ze de wereld in trekken en actief worden? Moeten ze denken of moeten ze doen? Wanneer we de zaken zo stellen, wordt het antwoord vanzelf duidelijk: de antroposofie wil zowel denken als doen. Het is zelfs haar doel om die twee te verbinden, om denkend te doen en doend te denken.

Was dat niet wat Rudolf Steiner beoogde met de Weihnachtstagung? Hij wilde een vereniging die zowel esoterisch-naar-binnen-gericht als exoterisch-naar-buiten-gericht was. Tevoren stonden die twee aspecten los van elkaar en dat gaf enorme spanningen omdat ze elkaar steeds weer voor de voeten liepen. Het bracht Rudolf Steiner zelfs tot wanhoop maar uiteindelijk resulteerde het in wat we een Steigerung van doen en denken zouden kunnen noemen: er ontstond een geheel nieuwe vereniging waarin beide polen samenvielen. Tijdens de daarop volgende karmavoordrachten onthulde Rudolf Steiner de menselijke grondslag van die vereniging: de samenwerking tussen oude en jonge zielen, de denkende samenwerking tussen beide zielengroepen. Kort na die onthulling stierf hij echter, hij kreeg niet meer de kans die prille samenwerking te begeleiden. Nagenoeg meteen braken de vijandelijkheden weer uit. De zielen die hadden moeten samenwerken vervielen in hun oude gewoonten.

Honderd jaar later zijn die antroposofische zielen ouder en wijzer geworden, ze maken geen ruzie meer, ze hebben hun lesje geleerd. Maar kunnen we zeggen dat ze samenwerken, en vooral: dat het een denkende samenwerking is? Werken oude en jonge zielen samen in het besef van hun verschillende aard en met inzicht in hoe die twee geaardheden – de denkende en de doende – met elkaar verzoend moeten worden? De vraag stellen is ze beantwoorden: er is geen sprake van nadenken over oude en jonge zielen, en dus is er ook geen sprake van denkende samenwerking tussen beide. Dat is ook wat zo treffend tot uitdrukking komt in het winternummer van Antroposofie Vandaag, met name dan in de bijdragen van hoofdredacteur Werner Govaerts. Hier zijn twee zielen aan het woord: een oude ziel die pleit voor terughouding en een jonge ziel die oproept tot actie. Maar ze luisteren niet naar elkaar, de vraag is zelfs of ze van elkaars bestaan afweten, want de jonge ziel doet precies het tegenovergestelde van wat de oude ziel adviseert.

Wat we hier zien gebeuren, is in zekere zin een herhaling van wat honderd jaar geleden gebeurde. Na de eerste wereldoorlog stroomden honderden jonge zielen een antroposofische wereld binnen die hoofdzakelijk bestond uit oude zielen die zich in alle rust bezighielden met studie en meditatie. De jonge zielen geloofden echter niet meer in de oude wereld, ze wilden een nieuwe wereld waar de gruwelijkheden die ze hadden gezien niet meer mogelijk waren. Het resultaat was … een voortzetting van de oorlog, zij het dan op kleinere schaal: de spanningen tussen beide zielengroepen escaleerden en ontlaadden zich ten slotte in de brand van het Goetheanum waarvan de oorzaak volgens Rudolf Steiner niet buiten maar binnen de antroposofische vereniging moest worden gezocht. Het betekende het einde van de oude vereniging en de oprichting van een nieuwe vereniging. Maar het mocht niet baten: opnieuw raakten beide zielengroepen slaags alsof er niets veranderd was.

Honderd jaar later is er nog altijd geen eind gekomen aan deze ‘kleine oorlog’, de geschiedenis blijft zich herhalen. De twee zielentypes zijn duidelijk te herkennen in de bijdragen van Werner Govaerts: de wijze oude ziel en de onstuimige jonge ziel. Hun verhouding is nagenoeg dezelfde als tijdens de eerste ontmoeting van beide zielengroepen in de schoot van de antroposofische vereniging: de jonge ziel wil actie zien en de oude ziel maant tot terughouding. We herkennen deze zieledualiteit ook op het wereldtoneel. In de klimaatkwestie bijvoorbeeld staan jonge mensen die dringend om actie roepen tegenover een oude wereld die nauwelijks in beweging te krijgen is. De politieke wereld toont hetzelfde beeld: het jonge progressieve links staat lijnrecht tegenover het oude conservatieve rechts. En in al deze gevallen is er geen sprake van samenwerking, integendeel: er is geen gesprek meer mogelijk. Er heerst louter haat en vijandigheid beide zielengroepen. 

Zwei Seelen wonen ach in meiner Brust, schreef Goethe, de ene wil ten hemel opstijgen, de andere klampt zich vast aan de aarde. Hij had het over het luciferische en het ahrimaanse streven in de mens. De afgelopen honderd jaar hebben we een duidelijke slingerbeweging tussen die twee krachten kunnen waarnemen, alsof de mensheid haar evenwicht verloren heeft. Het begon met een links-luciferische reactie op het ahrimaanse materialisme. Daarop volgde de beruchte rechtse reactie in de jaren ’30. In de jaren ’60 sloeg de slinger weer uit naar links om vandaag opnieuw naar rechts te gaan. Niemand weet hoe dit zal eindigen, maar één ding is zeker: de mensheid zal haar evenwicht niet hervinden zolang ze blind blijft voor deze slingerbeweging. Zolang ze zich blijft identificeren met één van beide polen en de andere pool als de grote vijand beschouwt die te vuur en te zwaard dient bestreden te worden, zal er niets veranderen. Integendeel, de slinger zal steeds verder uitslaan.

Het onvermogen om deze fundamentele dualiteit onder ogen te zien, is de grote blinde vlek in het moderne bewustzijn. Ze vindt haar wortels in de 9de eeuw toen op het concilie van Constantinopel ‘de geest werd afgeschaft’, zoals Rudolf Steiner het uitdrukte. Het drieledige mensbeeld – geest, ziel en lichaam – werd vervangen door een tweeledig mensbeeld waarin geen duidelijk onderscheid meer werd gemaakt tussen ziel en geest. Als gevolg daarvan ging men Christus en Lucifer steeds meer elkaar verwarren. Lucifer werd onbewust geassocieerd met het goede en Ahriman met het kwade. Deze verwarring of vermenging culmineert in de 20ste eeuw: de mens meent de grote strijd met het kwaad uit te vechten maar wordt in werkelijkheid heen en weer geslingerd door de tegenmachten. Deze slingerbeweging veroorzaakt niet alleen ongezien menselijk lijden, ze veroorzaakt ook een bewustzijnsverdoving die de mens dreigt te beroven van zijn menselijkheid, van datgene wat hem onderscheidt van het dier.

Juist doordat de moderne, weldenkende, idealistische mens geen onderscheid meer maakt tussen Lucifer en Ahriman, wordt hij een speelbal van deze zwei Seelen in seiner Brust. Hij voelt Ahriman naderen en werpt zich in de strijd met de draak, niet beseffend dat het Lucifer is die hem daartoe aanzet. Steeds meer mensen, tot kinderen toe, trekken vandaag ten oorlog tegen Ahriman in de overtuiging dat ze daardoor zichzelf redden, dat ze de planeet redden, dat ze deelnemen aan de levensbelangrijke strijd van het goede tegen het kwade. In werkelijkheid doen ze echter precies het omgekeerde: heen en weer geslingerd door de tegenmachten voeren ze een blinde strijd tegen het goede, tegen het menselijke, tegen het christelijke. Slechts één ding kan deze zelfvernietigende strijd-van-allen-tegen-allen een halt toe roepen en dat is zelfkennis, kennis van de zwei Seelen die in eenieders borst wonen en weerspiegeld worden in de links-rechtstegenstelling die de wereld verscheurt en zal blijven verscheuren tot ze begrepen wordt. 

Een oog voor kunst (1)

  

 

Naar aanleiding van mijn beschouwingen over Basic Instinct vraagt een lezer me hoe je dat doet: je zodanig inleven in een kunstwerk dat je het op een objectieve manier leert kennen. Hoe leer je met andere woorden je gevoel objectiveren zodat het tot een zintuig voor kunst wordt? Aan die vraag gaat natuurlijk een andere vraag vooraf: is zoiets wel mogelijk? Kunnen gevoelens objectief zijn? Kun je ze met andere woorden gebruiken om kunst wetenschappelijk te benaderen en objectieve kennis te verwerven, niet alleen over de materiële dimensie van het kunstwerk – het gebruikte materiaal, de gebruikte techniek, het afgebeelde onderwerp – maar ook over zijn geestelijke dimensie, over datgene wat het tot kunst maakt en alleen gevoelsmatig waargenomen kan worden? Dat is een vraag die niet alleen kunstliefhebbers aanbelangt, want de hele geestelijke wereld waarover de antroposofie spreekt, onttrekt zich, net als de kunst, aan het verstand. Hij maakt zich alleen kenbaar aan het gevoel. 

Toch beweert Rudolf Steiner dat de wereld van de geest wetenschappelijk onderzocht kan worden. De moderne kunstwetenschap lijkt hem daar gelijk in te geven, want zij beperkt zich geenszins tot de materiële aspecten van de kunst. Zij wijdt aan de kunst diepgaande beschouwingen die haar een aureool van spiritualiteit geven dat haar ver doet uitstijgen boven techniek en vakmanschap. Verschilt de kunstwetenschap dan van de overige wetenschappen en erkent zij als enige de wereld van de geest? Heeft zij een methode ontwikkeld die gevoelens objectiveert en wetenschappelijke kennis oplevert over de geestelijke dimensie van de kunst? En is dat wellicht dezelfde methode die Rudolf Steiner ontwikkeld heeft? De vraag stellen is ze beantwoorden. De kunstwetenschap is net zo materialistisch als de andere wetenschappen. Ze gebruikt dezelfde methoden en is dus alleen geschikt om de materiële dimensie van de kunst te bestuderen. Gaat zij daar bovenuit, dan verliest ze haar objectieve karakter en wordt een schijnwetenschap.  

Het probleem van de kunstwetenschap werd ooit treffend verwoord door kunsthistoricus Kenneth Clark, de bedenker en presentator van de onvolprezen televisie-reeks Civilisation. In een interview verklaarde hij: ik weet niet wat beschaving is, maar ik herken haar wanneer ik ze zie. Met beschaving bedoelde hij in de eerste plaats kunst, en alles wat hij daarover zei, berustte naar zijn eigen woorden op een herkennen, dat wil zeggen op een waarneming die louter persoonlijk is en zich onttrekt aan het objectiverende verstand. Hij gaf dus min of meer toe dat de hele kunstwetenschap een onwetenschappelijke grondslag had. Dat kon hij zich permitteren omdat hij een beroemd man was, iemand die voor zijn verdiensten zelfs in de adelstand was verheven. Maar ik zie het een gewone kunstwetenschapper nog niet zo gauw doen: toegeven dat zijn inspanningen om tot objectieve, wetenschappelijke kennis te komen, berusten op een herkenning, dat wil zeggen op een subjectieve, gevoelsmatige waarneming. 

The inconvenient truth is inderdaad dat de hele kunstwetenschap steunt op iets dat volkomen onwetenschappelijk is. Want hoe herken je kunst? Hoe onderscheid je ze van wat geen kunst is? Hoe leer je dat? Daarover zwijgt de kunstwetenschap in alle talen. Gelukkig zegt de geestewetenschap daar wel iets over. Rudolf Steiner noemde het herkennen (van mensen) een helderziende ervaring: we nemen iemands geestelijke wezen – zijn Ik – rechtstreeks waar, we leiden het niet af uit zijn fysieke verschijning. We hebben die verschijning natuurlijk nodig om hem überhaupt te kunnen herkennen, want een lichaamsloze geest kunnen we niet zien. Maar ofschoon we de geest herkennen dankzij het lichaam, kan hij niet herleid worden tot dat lichaam. Alle wetenschappelijk onderzoek van het fysieke lichaam zal daar geen geest in aantreffen. En toch herkennen we mensen in één oogopslag. De mysterieuze relatie tussen lichaam en geest is voor ons een vanzelfsprekende zaak.

Met kunst is het niet anders. We herkennen haar wanneer we ze zien, ook al weten we niet hoe we dat doen of wat het juist is dat we zien. Maar het moet iets zijn dat ons heel erg vertrouwd is, want het vervult ons met vreugde en liefde. Tenminste, zo was het vroeger, toen de mens nog niet zo materialistisch was als vandaag en kunst nog in een oogopslag herkende. De eerbied en bewondering waarmee ze hem vervulde was een welhaast religieuze ervaring die hij deelde met andere mensen, want iedereen herkende dezelfde kunstzinnige geest in de vele kunstwerken – of lichamen – waarin hij zich manifesteerde. Vandaag is die vanzelfsprekende, gemeenschappelijke herkenning verdwenen, zelfs in die mate dat men niet meer gelooft in het bestaan van het geestelijke wezen ‘kunst’. In de materialistische opvatting is kunst niets anders dan een verzameling materiële voorwerpen waaraan door de mens het predikaat ‘kunst’ wordt toegekend. Kunst is hier dus geen geestelijke realiteit die herkend wordt, maar een naam, een etiket dat ergens wordt op geplakt.

Die naamgeving gebeurt in onderling overleg: men spreekt af iets kunst te noemen. Omdat de mens zich ontwikkelt, veranderen de artistieke afspraken voortdurend. Omstreeks 1900 trad er een zelfs een grote verandering op: het terrein van de kunst werd drastisch uitgebreid. Beperkte het zich voordien tot tekeningen, schilderijen en beeldhouwwerken, dan werden nu ook pispotten, kartonnen dozen en kakmachines als kunst beschouwd. Letterlijk alles kon als kunst bestempeld worden: men begon de hele wereld als een kunstwerk te zien. Maar anders dan vroeger was dit zien geen individuele, persoonlijke herkenning meer, het was een consensus geworden, een overeenkomst. Men werd het erover eens om het kunstbegrip te ‘verruimen’ en de kunst te bevrijden uit haar klassieke cocon. Voortaan kon iedereen in navolging van Marcel Duchamp verklaren: dit is kunst omdat ik het zeg. Jeder Mensch ein Kunstler. De kunst werd gedemocratiseerd, ze werd toegankelijk voor iedereen.

Daar kon natuurlijk niemand tegen zijn. Kunst was al te lang het voorrecht geweest van een kleine elite van geestelijk en/of materieel gepriviligieerde mensen. Wat men niet besefte, was dat de kunst zoals ze altijd bestaan had – dat wil zeggen als een geestelijk wezen dat ‘geïncarneerd’ was in een kunstwerk – gewoon werd afgeschaft. Het drong niet door tot het bewustzijn van de kunstliefhebber dat het oude, individuele herkennen van die geïncarneerde geest vervangen werd door het accepteren van een consensus waar hij part noch deel aan had. Want hoe kwam die overeenkomst tot stand? Wie bepaalde voortaan wat kunst was? Niet Jeder Mensch. Het kunstbegrip mocht dan wel verruimd zijn tot de hele wereld, men maakte nog altijd scherp onderscheid tussen wat kunst was en wat niet, anders kon men het begrip ‘kunst’ net zo goed afschaffen. Het was echter niet Jan met de Pet die de grens trok. Het stond hem weliswaar vrij om gelijk wat kunst te noemen, maar daarom werd hij nog niet geloofd.

Het is een beetje als met Greta Thunberg. Tienduizenden jongeren maken zich zorgen over het klimaat en zijn bereid daarvoor te spijbelen en actie te voeren, maar slechts eentje mag voor de VN gaan spreken en wordt ontvangen door de groten der aarde. Hoe wordt die selectie gemaakt? Wie bepaalt naar wie geluisterd wordt en naar wie niet? Als we ons daarin gaan verdiepen, komen we terecht in een duistere, troebele wereld waar zaken gebeuren waar we niks van afweten, waar mensen die we niet kennen aan de touwtjes trekken. In de kunstwereld is het niet anders. Niemand weet hoe de consensus tot stand komt die vandaag bepaalt wat kunst is en wat niet. Dat gebeurt in kringen die achter de schermen opereren. Zij hebben het begrip ‘kunst’ als een registered trademark in hun bezit en zien er streng op toe dat niemand anders het gebruikt. Het zijn deze onzichtbare elites die de persoonlijke, subjectieve herkenning van kunst vervangen hebben door een blind geloof in hun gezag. 

Dat gezag steunt op de overtuiging dat het niet mogelijk is gevoelens te objectiveren en kunst wetenschappelijk te benaderen. Kunst, zo gelooft men stellig, is een kwestie van smaak, en omdat er zoveel smaken zijn als mensen, en omdat al die mensen gelijkwaardig zijn, heeft het begrip ‘kunst’ geen enkele objectieve inhoud meer. Wil men het desondanks handhaven dan moet het die objectieve betekenis op een andere manier krijgen: door consensus. Het klinkt logisch, maar in de praktijk heeft het wel tot gevolg dat de kunstliefhebber de grootste rotzooi als kunst voorgeschoteld krijgt. De consensus-bepalende krachten – die zich voordoen als progressief, emanciperend en democratisch – dwingen de kunstliefhebber (bijna) letterlijk om stront te vreten. En hij doet het nog ook. Hij slikt braaf en volgzaam de meest weerzinwekkende dingen. Hij heeft immers – meent hij – geen keuze: het is ofwel de consensus ofwel de afschaffing van de kunst. En dat laatste kan hij om de een of andere reden niet accepteren.

Hij zou kunnen zeggen: ach, wat kan die kunst mij schelen, wat maakt het mij uit of ze bestaat of niet! De artistieke consensus zou in zijn ogen dan een kinderachtig spelletje zijn: we spreken onder elkaar af dat we iets kunst gaan noemen! Het zou een soort afgoderij zijn: mensen creëren een god die ze kunnen vereren. Aangezien de moderne mens niet meer gelooft in goden en afgoden, en niet meer de behoefte voelt om op de knieën te gaan liggen voor iets wat hij zelf uitgevonden heeft, zou hij logischerwijze volkomen onverschillig moeten staan tegenover dat hele hedendaagse kunstcircus, die kerkelijke organisatie van een verzonnen godsdienst. Maar dat is nu juist niet het geval, wel integendeel. Hij identificeert zich zodanig met deze kunstkerk dat hij iedereen als een ketter beschouwt en behandelt die haar materialistische credo niet deelt. Het volstaat dat iemand beweert dat objectieve gevoelens bestaan – en dat hij dus zelf wel kan uitmaken wat kunst is – of hij reageert als door een wesp gestoken.

De paradox is dat de moderne mens rotsvast gelooft in de consensus die het objectieve bestaan van kunst ontkent omdat hij … rotsvast gelooft in het objectieve bestaan van kunst. Waarom zou hij anders zo verontwaardigd zijn als iemand de hedendaagse consensus in twijfel trekt? Waarom anders voelt hij zich op zijn ziel getrapt als iemand beweert dat de geest van de kunst bestaat en dat je hem kunt herkennen? Dit emotionele, tegenstrijdige gedrag treft men niet alleen aan bij fervente kunstliefhebbers, maar ook bij mensen die geen bijzondere belangstelling tonen voor kunst. Het is alsof de moderne mens diep in zijn ziel kunst zo belangrijk vindt dat hij bereid is alle vernederingen te ondergaan die de consensus hem oplegt om maar niet onder ogen te moeten zien dat kunst niks te betekenen heeft, dat ze niet meer is dan een afgodsbeeld. Alles is hem liever dan de logische consequentie van het materialisme te moeten trekken en de kunst gewoon af te schaffen. 

De moderne mens wordt dus gegijzeld door twee tegengestelde overtuigingen: het (materialistische) geloof dat de kunst niet bestaat en het (onbewuste, instinctieve) geloof dat ze wel bestaat. Beide geloofsovertuigingen zijn even sterk en hij kan niet kiezen. Hij kan de materialistische opvatting dat kunst slechts een naam is die we aan dingen toekennen niet accepteren omdat hij dan moreel gedwongen is de hele kunstwereld af te doen als een religieus spookbeeld, een volkomen achterhaald verschijnsel. Om de een of andere reden is hij daar niet toe in staat. Maar hij kan evenmin accepteren dat kunst een geestelijke realiteit is die we in ieder kunstwerk kunnen herkennen, want hoe zit het dan met zijn vrijheid, met zijn persoonlijke appreciatie van kunst, met zijn gevoelens? Die wil hij evenmin opgeven. Hij wil niet gedwongen worden die geestelijke realiteit te bewonderen en te vereren. En dus zit hij klem en ziet hij geen andere uitweg dan zich te onderwerpen aan het gezag van de artistieke consensus.

De moderne mens kan niet meer leven met de gedachte dat er een God bestaat die hij moet gehoorzamen. Maar hij kan evenmin de gedachte verdragen dat er geen God bestaat en dat het hele bestaan geen zin of betekenis heeft. Daarom heeft hij, zonder het te beseffen, de oude religieuze God vervangen door een de nieuwe seculiere God van de kunst. Maar die confronteert hem met hetzelfde probleem en dat maakt hem gek. Het brengt er hem toe om in plaats van kunst nu … stront te loven en te prijzen, en niet enkel in figuurlijke zin. Het is bepaald geen eenmalig feit dat ‘kunstenaars’ hun uitwerpselen tentoonstellen en daarvoor bewonderd worden door ‘kunstliefhebbers’. Als een klein kind dat doet, wordt het door zijn ouders met zachte maar ferme hand van de anale fase naar de volwassen fase geleid. Maar in de kunst gebeurt precies het omgekeerde: de volwassen, beschaafde, zelfstandig denkende mens wordt teruggevoerd naar de anale fase. En hij beseft het niet. Integendeel, hij waant zich superieurder dan ooit. 

Het ergst van al is dat deze krankzinnigheid zich nu ook buiten de kunstwereld verspreidt. Steeds meer mensen onderwerpen zich aan de politiek-correcte consensus, wanen zich moreel superieur aan degenen die dat niet doen en voelen zich gerechtigd hen te dwingen zich eveneens te onderwerpen. Een veelzeggend voorbeeld was de recente toespraak van Greta Thunberg voor de VN. We zagen daar een kind dat zich gedroeg als een volwassene maar als een marionet bespeeld werd door krachten die achter de schermen werken. Als we willen kunnen we die krachten ontmaskeren, maar dat is gevaarlijk werk. Dit keer konden we ze echter ook zien op dat van woede verwrongen gezicht van het meisje-met-de-vlecht: het waren krachten die ook in haar ziel leven, krachten waarvan ze letterlijk bezeten is. En dat is het lot dat de hele mensheid te wachten staat als zij er niet in slaagt deze duistere krachten – de uiterlijke zowel als de innerlijke – te ontmaskeren: bezeten te worden door Ahriman en het niet te beseffen. 
  

De brand van de Notre Dame

  

Op maandagavond, de tweede dag van de Goede Week, brak brand uit in de Parijse Notre Dame. Algauw stond de kathedraal in lichterlaaie en verhief zich een grote rookwolk boven la ville lumière. Ik zal wel niet de enige zijn geweest die meteen dacht aan een aanslag. Het is een publiek geheim dat in Frankrijk geen enkele kerk nog veilig is. Gemiddeld worden er twee per dag gevandaliseerd, in brand gestoken of onteerd. Iedereen weet wie daar verantwoordelijk voor is, maar er wordt zedig over gezwegen. Ook nu weer ontkenden de autoriteiten onmiddellijk dat er kwaad opzet in het spel was, al moest het onderzoek nog beginnen. Er waren restauratiewerkzaamheden aan de gang in de kathedraal en daar moest de oorzaak van de brand gezocht worden. Wat er ook van zij – aanslag of restauratie – de brandende Notre Dame in het centrum van Parijs was een omineus beeld dat onwillekeurig deed denken aan de brandende twin towers in het centrum van New York, bijna 20 jaar geleden. 

Bij antroposofen riep het nog een andere herinnering op: de brand van het Goetheanum, bijna 100 jaar geleden. Net als de Notre Dame was de antroposofische tempel niet opgetrokken door een gespecialiseerde bouwfirma maar door vrijwilligers. Talloze mensen hadden hart en ziel in dit gebouw gelegd en de brand was dan ook een enorme klap. De toenmalige antroposofische vereniging overleefde hem niet. Nochtans had ze, terwijl de vernietigende krachten van de eerste wereldoorlog Europa teisterden, een unieke scheppende prestatie geleverd. Helaas ontbrak er iets aan: bewustzijn. Rudolf Steiner wees daarop toen hij zei dat de brand weliswaar van buitenaf was aangestoken, maar dat de werkelijke oorzaak bij de antroposofen zelf lag. Ze waren te veel met zichzelf bezig geweest en daardoor hadden ze het gebouw geestelijk onbeschermd gelaten. De vlammen die het Goetheanum verteerden, waren een uiterlijk beeld van het luciferische vuur dat binnen de vereniging woedde.

Wrijvingen, afgunst, ijdelheid, fanatisme en andere egoïstische driften hadden tot gevolg dat het Goetheanum een geestelijke omhulling ontbeerde. Persoonlijke aangelegenheden eisten zoveel aandacht op dat er onvoldoende overbleef voor de tempel. Het was deze geestelijke verwaarlozing die het Goetheanum fataal werd. Iets dergelijks kan men ook zeggen van de Notre Dame in Parijs, en bij uitbreiding van alle Franse kerken en zelfs van het hele Europese culturele erfgoed. In plaats van zorg te dragen voor het kostbare geschenk dat het aan de mensheid heeft geschonken, laat Europa zich – als het ware in navolging van de antroposofische vereniging – meesleuren in onderlinge ruzies en wederzijdse beschuldigingen. Het gedraagt zich als een kunstenaar die een meesterwerk heeft geschapen maar zich dat niet realiseert. In plaats van trots te zijn op wat hij tot stand heeft gebracht, schaamt de Europese mens zich diep en probeert wanhopig goed te maken wat hij denkt verkeerd te hebben gedaan. 

Het was verrassend om te zien hoeveel jonge Fransen diep getroffen waren door de brand van de Notre Dame – alsof de schok in hen een hoger zintuig had wakker gemaakt en ze iets gewaar werden van de geestelijke dimensie van het drama. Minder verrassend waren de cynische reacties op deze bewogenheid. Als mensen na een moslimaanslag kaarsjes branden, bloemen leggen en liedjes zingen, noemen de media dat ‘sereen’. Doen ze hetzelfde als een kathedraal brandt, dan noemen ze het ‘sentimenteel’. Ze steken er de draak mee, vragen zich af of het geld voor de restauratie niet veel beter aan een goed doel kan worden geschonken, of publiceren lijstjes met alle – in hun ogen – belachelijke reacties op de brand. Op Facebook verkondigde een linkse activist zelfs triomfantelijk dat hij al sinds 1789 voorstander is van het platbranden van kerken. Nee, het is al lang geen geheim meer welke diepe haat moderne intellectuelen koesteren voor alles wat christelijk is. 

Deze haatdragende intellectuelen zijn per definitie materialistisch. Zonder het met zoveel woorden te durven zeggen, zijn ze ervan overtuigd dat een mens leeft van brood alleen. De gedachte dat een kunstwerk als de Notre Dame geestelijk voedsel is voor miljoenen, en dat geestelijk voedsel voor de mens even noodzakelijk is als fysiek voedsel, vinden ze bespottelijk. Daarom willen ze die ‘oude troep’ liefst van al vervangen door hedendaagse kunst, waar het dode intellect de plaats van de levende geest heeft ingenomen. De Franse president Macron zag zijn kans schoon. De Notre Dame, verklaarde hij, zou binnen vijf jaar worden heropgebouwd, mooier dan ooit. De boodschap was duidelijk: niet alleen zouden de moderne Fransen de klus veel vlugger klaren dan de middeleeuwers, ze zouden het ook veel beter doen. Prompt werd een architectuurwedstrijd uitgeschreven en de eerste kandidaat was Wim Delvoye die zijn genie ten dienste stelde van de wederopbouw. Of hoe een ongeluk nooit alleen komt. 

Na de luciferische ramp, de ahrimaanse ramp. Het volstaat niet dat de kathedraal zwaar beschadigd werd, ze moet ook nog eens belachelijk worden gemaakt. Dat is de nieuwe trend. Historische gebouwen worden niet zomaar gerestaureerd, ze krijgen een hedendaagse make-over. Brak men ze vroeger af om er nieuwe voor in de plaats te zetten, dan combineert men nu beide: het oude gebouw verdwijnt niet, maar wordt innig verstrengeld met een hedendaagse constructie. De intellectuele klasse wordt daar lyrisch van: ze noemt het een prachtige symbiose van heden en verleden, een toonbeeld van vreedzame coëxistentie. In werkelijkheid is het natuurlijk het tegenovergestelde, want het Europese verleden is door en door christelijk, terwijl het Europese heden – althans dat van de machthebbers en intelligentsia – door en door antichristelijk is. De verbinding van beide tegenpolen leidt onherroepelijk tot een – letterlijke en figuurlijke – kleinering van het verleden. 

Alles van waarde is weerloos. Als Europa de michaëlische krachten niet vindt om haar christelijke beschaving te beschermen, dan zal deze ‘tempel’ in vlammen opgaan of – erger nog – geïncorporeerd worden in een ahrimaanse constructie. Luciferische en ahrimaanse krachten zullen samenwerken om de christelijke beschaving te verminken en te vernederen, en van Europa één groot cultureel Golgotha te maken. Alleen michaëlische bewustzijnskrachten kunnen dat voorkomen, en dat zijn oordeelskrachten, onderscheidingskrachten. Ze zitten reeds vervat in het bijbelse scheppingsverhaal. ‘Op de zesde dag keek God naar zijn schepping en Hij zag dat het goed was‘. Met deze bedrieglijk eenvoudige woorden wordt iets heel essentieels aangeduid: een schepping moet beoordeeld worden, zonder oordeel is ze niet af. Europa heeft de afgelopen 2000 jaar een christelijke beschaving geschapen, maar die beschaving is niet af zolang we niet ‘zien dat het goed is’. 

Wat we nodig hebben, zei Rudolf Steiner, is niet Christus maar bewustzijn van Christus. De scheppende heilsdaad is gesteld, Christus heeft zich verbonden met de aarde en daaruit is een christelijke beschaving ontstaan. Maar verre van te zien dat het goed is, kijken we met groeiende afschuw naar ons christelijke verleden. In die afschuw werkt Ahriman en het is op hem dat het michaëlische inzicht moet worden veroverd dat de Europese beschaving een goede schepping is. Uiterlijk gezien wordt dit kunstwerk vandaag het meest bedreigd door de islam. Die probeert het christendom al eeuwenlang te vernietigen en dat lijkt nu eindelijk te zullen lukken, maar alleen doordat de luciferische draak van binnenuit ahrimaanse hulp krijgt. Het is inderdaad opvallend hoe de Europese machthebbers en intellectuelen de islam de hand boven het hoofd houden. Rudolf Steiner voorspelde dan ook dat het intellect kwaadaardig zou worden. Het gevaar komt dus van twee kanten: van buitenaf en (vooral) van binnenuit. 

Een stuitend voorbeeld van dat laatste is de paus van Rome, die de wereld rondreist om overal moslims – letterlijk en figuurlijk – de voeten te kussen. Als geen ander illustreert deze jezuïet in welke mate Europa ontbeert wat in wezen zelfkennis is: bewustzijn van het eigen christelijke wezen. Dat gebrek aan michaëlisch zelfbewustzijn zet de poorten open voor de tegenmachten, die zich als bloedzuigers vastzetten op het christelijke erfgoed en er iets weerzinwekkends van maken. Christus wordt als het ware voor de tweede keer aan het kruis geslagen, geen fysiek kruis dit keer, maar een etherisch kruis, een bewustzijnskruis. Het vraagt moed en inzicht om deze nieuwe kruisiging onder ogen te zien en niet mee te juichen met de farizeëers van onze tijd. Destijds werden deze michaëlische kwaliteiten belichaamd door Maria en Johannes, die aan de voet van het kruis stonden als een beeld van de vrouwelijke en mannelijke eigenschappen die moeten samenwerken om op de zesde dag te kunnen zien dat het – ondanks alles – goed is.

Deze Goede Vrijdag beleeft iedere kunstenaar wanneer een kunstwerk zijn voltooiing nadert. De mannelijke oordeelskrachten beginnen de vrouwelijke scheppingskrachten dan te verlammen en de kunstenaar wordt langzaam maar zeker toeschouwer bij zijn eigen werk. Wanneer hij die grens overschrijdt, moet hij het werk neerleggen. Het scheppen is dan afgelopen en het oordelen begint. Die overgang is als een geboorte en een sterven tegelijk: de kunstenaar moet zijn werk loslaten, want als hij er verder blijft aan werken dan begint hij het – zonder het te beseffen – weer te vernietigen. Hij verkeert dan in de overtuiging dat hij zijn fouten herstelt en zijn werk steeds beter maakt, maar in werkelijkheid doet hij het omgekeerde: hij maakt het steeds slechter. Het dringt niet tot hem door dat bij het overschrijden van de grenzen van het kunstwerk de scheppende levenskrachten veranderen in vernietigende doodskrachten.

Ik heb dat ooit eens op exemplarische wijze ondervonden tijdens mijn academietijd. Ik had een geslaagde modeltekening gemaakt, maar vond dat met name het hoofd beter kon. Waren portretten niet mijn specialiteit? Welaan dan. Dus veegde ik het hoofd uit en begon opnieuw. Het resultaat was echter niet beter maar slechter dan de eerste keer. Die fout moest uiteraard hersteld worden, maar dat lukte ook dit keer niet. Steeds wanhopiger probeerde ik mijn tekening te redden, maar het het ging van kwaad naar erger. Het uiteindelijke resultaat was een menselijke figuur met de kop van een monster (want ik had het papier kapot getekend). Intussen sloeg de leraar mijn ‘verbeterende slopingswerk’ stilzwijgend gade en maakte van iedere fase een karikatuur. Dat leverde een metamorfose-in-acht-stappen op van mens tot monster, waar de hele klas zich vrolijk over maakte. Ik ben nooit meer vergeten hoe belangrijk het is om te weten wanneer je moet stoppen. 

Ieder (menselijk) scheppingsproces begint met het ontbranden van een innerlijk vuur: de geest wordt vaardig maar hij doet dat in luciferische gedaante. Die uitslaande brand moet met behulp van het verstand bedwongen worden. Dat leidt tot een gevecht in regel tussen levenskrachten en doodskrachten, tussen scheppingsroes en realiteitszin. Aan het eind dooft het luciferische vuur uit en overwint Ahriman. Dat is het moment waarop de kunstenaar het scheppende werk moet neerleggen, ook al is hij er niet tevreden over. Het accepteren van de grenzen van een werk is een oefening in gelatenheid, een erkennen van de onmacht om het oorspronkelijke visioen in een concreet beeld te vatten. Met name in onze tijd is dat een heel, heel moeilijke oefening, want enerzijds worden die ‘geestelijke visioenen’ (de helderziende waarnemingen die ten grondslag liggen aan ieder kunstwerk) steeds grootser, en anderzijds wordt de (door het materialisme veroorzaakte) honger naar de scheppingsroes steeds kwellender. 

Het resultaat is een mens die van geen ophouden weet, die de wereld alsmaar beter wil maken en juist daardoor in de greep van Ahriman raakt. Zijn scheppingsroes is veranderd in een vernietigingsroes, en hij merkt het niet: hij breekt de oude wereld af in de overtuiging dat hij een Heerlijke Nieuwe Wereld opbouwt. Die waan klinkt door in de woorden van president Macron die de verwoeste Notre Dame nóg mooier wil maken. We beluisteren hier – niet toevallig uit de mond van een Fransman – de krankzinnige hoogmoed van onze tijd die denkt dat ze de middeleeuwse kathedralen kan en moet verbeteren. Zoveel hoogmoed leidt onvermijdelijk tot een val. De moderne mens kan niet accepteren dat het scheppen voorbij is, dat de Europese beschaving een grens bereikt heeft, en dat het oordelen nu moet beginnen. Het is trouwens begonnen, maar het is een onbewust vernietigend oordelen, een ahrimaans oordelen, geen bewust scheppend oordelen, geen michaëlisch oordelen. 

De mensheid gaat vandaag over de drempel, maar ze weet het niet. Ze heeft nog niet het zintuig ontwikkeld om die grens waar te nemen en te weten wanneer ze moet stoppen. Ze beleeft dat ‘stoppen’ als een sterven, als het pijnlijke uitdoven van het scheppingsvuur, en klampt zich wanhopig vast aan de oude levensroes. De menselijke beschaving is oud geworden, ze heeft haar grenzen bereikt en is stervende. Of dat sterven de wetten van het lichaam zal volgen (en leiden tot een algehele ontbinding en vernietiging) dan wel die van de geest (en leiden tot een wederopstanding), hangt af van onze moed om stil te houden en dat sterven onder ogen te zien. Brengen we die – michaëlische – moed niet op om aan de voet van het kruis te staan en klampen we ons in plaats daarvan vast aan de illusie dat de beschaving wel zal blijven bestaan, dan worden we tot de vernietigers van die beschaving, dan doen we in vlammen opgaan waar we zozeer aan gehecht zijn. 

Christchurch

  

De klimaatjongeren hadden pech. Uitgerekend op de dag dat ze wereldwijd actie voerden, werd in Nieuw-Zeeland een terroristische aanslag gepleegd. Tot overmaat van ramp was het geen aanslag van moslims maar op moslims, en dus trokken de media alle registers open. Dit keer keer geen lone wolf die in z’n eentje handelde, maar een lid van een wereldwijd extreem-rechts netwerk. Dit keer ook geen anonieme, verwarde man die om onbekende redenen aan het moorden sloeg, maar een blanke die met naam, toenaam en bedoeling werd genoemd. Evenmin werden we erop gewezen dat we meer kans maken om het leven te komen in het verkeer dan bij een terroristische aanval. Nee, wat in Christchurch gebeurde, kon net zo goed hier gebeuren, want ook in ons land is de moslimhaat aan een opmars bezig. Dat die moslimhaat niks met racisme te maken heeft maar alles met moslimterreur – de aanslag in Christchurch was een vergeldingsactie – daarover werd met geen woord gerept. 

Toen de (zwarte) acteur Morgan Freeman ooit gevraagd werd wat er gedaan kon worden aan racisme antwoordde hij: Stop talking about it! Het voortdurend hameren op de spijker van het racisme was volgens hem een veel groter probleem dan het racisme zelf. Hij had hetzelfde kunnen zeggen over de dreiging van extreem-rechts of de haat tegen moslims: het gevaar komt niet van neo-nazi’s of islamofoben, het gevaar komt van degenen die onophoudelijk spreken over extreem-rechts en moslimhaat: de linkse politici, de politiek-correcte media. Noch van racisme, noch van extreem-rechts (en al helemaal niet van moslimhaat) ging er nog enig reëel gevaar uit, tot deze lieden er begonnen over te spreken. Na twee wereldoorlogen had Europa zijn lesje wel geleerd, het zou niet opnieuw in die racistische en fascistische val trappen. Maar toen begon men dit uitdovende vuur weer op te poken en luidkeels te waarschuwen voor een heropleving van racisme, fascisme, nazisme, enzovoort.   

Algauw kreeg dit gestook een kwaadaardig karakter, voor zover het dat niet reeds van meet af aan had. De bevolking werd in toenemende mate gedemoniseerd en dat des te meer naarmate er geen reden toe was. Zo werden tijdens de oorlog in ons land meer joden uit handen van de nazi’s gered dan waar ook, maar nog geen vijftig jaar later werd het gebrandmerkt als het meest racistische land van Europa. Uitgerekend de Vlamingen – die brave, makke schapen die zich in eigen land laten reduceren tot tweederangsburgers – werden voorgesteld als een duivels volk waarvoor geen moslim, zwarte, homo of jood veilig was. Steeds driester werd dit omkeringsprincipe toegepast: van een mug werd een olifant gemaakt, van een olifant een mug. Met eindeloos veel – en vaak nieuwe – woorden zette men de zaken op hun kop. ‘Er waart een monster door Europa’, verkondigde Karel De Gucht aan iedereen die het horen wilde, en dat monster was niet de terroristische islam, het was de eigen racistische bevolking.

Inmiddels heeft dit demoniserende discours verbijsterende afmetingen aangenomen. Op de dag dat moslims drie jaar geleden in Brussel twee bloederige aanslagen pleegden, herdachten de media niet de slachtoffers – die overigens geen enkele steun of vergoeding kregen – maar riepen ze op om … de moslims te beschermen. Alle aandacht ging uit naar het extreem-rechtse gevaar terwijl de oorzaak ervan – de moslimterreur – onder het tapijt werd geveegd. Zo grotesk is deze omkering dat het – letterlijk – niet te geloven is. Veel mensen kunnen eenvoudig niet geloven dat andere mensen zo kwaadwillig kunnen zijn, dat ze dag in dag uit dezelfde leugen blijven herhalen, tegen beter weten in. Al die politici, journalisten, professoren en andere intellectuelen waar ze vol ontzag naar opkijken, kunnen toch geen doortrapte leugenaars zijn! En liever dan hun vertrouwen in deze autoriteiten te verliezen, beginnen ze de leugen te geloven. Ja, Vlamingen, Europeanen en blanken zijn racisten. Als al die verstandige mensen het zegt, zal het wel waar zijn zeker?

De omkeringsleugen vertoont ook alsmaar nieuwe scheuten: racisme, fascisme, islamofobie, sexisme, genderfobie, white privilege, kolonialisering, cultural appropriation, klimaatnegationisme, antigypsisme enzovoort. Het zijn de steeds talrijker wordende koppen van een monsterachtige draak. Maar ondanks de wildgroei van alarmerende begrippen, is er van het monster zelf nauwelijks iets te zien. Waar zijn de racisten die gekleurde mensen aanvallen, bedreigen en vermoorden? Waar zijn de neo-nazi’s die de straten onveilig maken? Waar zijn de islamofoben die moslims terroriseren? Waar zijn de fascisten (behalve bij links)? Waar zijn de genderfoben die Bo Van Spilbeeck het leven zo zuur maken dat hij zich niet meer durft te vertonen? Waar zijn de klimaatnegationisten die de media teisteren met hun fake news? Ze bestaan alleen in de verbeelding van de intelligentsia. Slechts een enkele keer wordt die verbeelding werkelijkheid, zoals in Nieuw-Zeeland. 

De Verschrikkelijke Draak waarvoor onophoudelijk wordt gewaarschuwd, bestaat alleen uit beelden, voorstellingen, woorden, tabellen en grafieken afkomstig uit het verbeeldingsrijke brein van would be drakenridders. In de realiteit is er echter geen draak te zien, en daarom wordt het monster steeds meer in de ziel van de (blanke) mens gesitueerd. Er wordt gesproken over structureel racisme, institutioneel racisme, genetisch racisme, kortom racisme waarvan de racist zich niet bewust is. Om dat kracht bij te zetten is het begrip ‘micro-agressie’ in het leven geroepen: microscopisch kleine vormen van racisme die met het blote oog niet waar te nemen zijn, maar die samen één groot en dreigend geheel vormen. Zeggen dat gekleurde mensen er goed uitzien of dat ze vlot Nederlands spreken: het zijn vormen van micro-agressie. Vragen waar iemand vandaan komt: het is een uiting van micro-racisme dat even reëel wordt geacht als de wereld van de kwaadaardige virussen en vleesetende bacterieën. 

Dit verplaatsen van het kwaad van de zichtbare naar de onzichtbare werkelijkheid heeft natuurlijk tot gevolg dat om het even wie van racisme beschuldigd kan worden, ook al is hij zich van geen kwaad bewust, ja vooral dan. Want het feit dat hij zich van geen kwaad bewust is, bewijst dat het micro-racisme ongestoord aan het woekeren is in zijn ziel en op een dag verwoestend tevoorschijn zal komen. Deze theorie van de Onzichtbare Draak is echter een mes dat aan twee kanten snijdt, want ook de uitvinders van deze theorie zijn zich van geen kwaad bewust. Hoe kunnen zij dan onderscheiden worden van de racisten? Hoe kunnen zij voorkomen dat hun theorie tegen henzelf gekeerd wordt en dat zij op hun beurt van micro-racisme beschuldigd worden? Eenvoudig: door anderen onophoudelijk te beschuldigen van racisme. Het uitgangspunt is immers dat iedere blanke een racist is, en van die erfzonde kan hij zich alleen zuiveren door het racisme in zijn medemensen aan te klagen.

Om niet als racist door het leven te gaan, volstaat het niet om geen racistische daden te stellen, het volstaat ook niet om geen racistische uitspraken te doen, en het volstaat zeker niet om te verklaren dat men geen racist is. Die passieve houding wordt beschouwd als een vorm van medeplichtigheid. Iedereen is schuldig tot hij het tegendeel bewijst en dat laatste gebeurt door racisme actief te bestrijden, door er voortdurend over te spreken, door zelfs de kleinste uitingen aan de kaak te stellen en uit te rukken als onkruid dat de kans niet mag krijgen om te groeien. Aangezien vele vormen van racisme microscopisch klein zijn, moet al wie niet verdacht wil worden, tewerk gaan als de kippen: hij moet alles omwoelen op zoek naar de kleinste zaadjes en kiemen. Onvermoeibaar moet hij overal, op ieder gebied, speuren naar mogelijk racisme: in Zwarte Piet, in carnaval, in de kerststal, in kinderboeken, in reclamefoto’s, in kledij, ja zelfs in potloden. Want het kwaad verbergt zich overal. 

Het beeld dat zich op die manier vormt in het brein van de antiracist, is dat van een (Vlaamse, Europese, blanke) samenleving die volkomen in de greep van de draak zit, waar het kwaad tot in de kleinste geledingen is doorgedrongen en daar als een onzichtbare kanker zijn vernietigingswerk verricht. Dit beeld is zo krachtig omdat het – paradoxaal genoeg – waar is. Wat de leidende klasse overal om zich heen ziet, is een onbewuste waarneming van Ahriman, de kwaadaardige geest die zich als een kanker uitzaait in de hele mensheid en tevoorschijn komt als een levensbedreigende ziekte. Maar juist omdat het een ‘astrale’ waarneming is, verschijnt alles omgekeerd. Het kwaad dat (vooral) de intellectuele klasse overal op zich af ziet komen – als extreem-rechts ongedierte dat uit de riolen van de samenleving komt gekropen en de menselijke beschaving onder de voet dreigt te lopen – is in werkelijkheid hun eigen kwaad, het is Ahriman die zich in hun eigen ziel verbergt, en dan vooral in hun intellect. 

Rudolf Steiner waarschuwde ervoor dat het intellect in toenemende mate kwaadaardig zou worden. Hij voorspelde ook dat Ahriman zou schrijven. En dat zien we vandaag gebeuren. We worden overspoeld met perfide teksten waarin intellectuelen steeds weer dezelfde boodschap herhalen: het kwaad komt tevoorschijn uit alle hoeken en kieren van de samenleving en we moeten dat onkruid bestrijden anders zal het alles overwoekeren. Wat Ahrimans geschrijf zo overtuigend maakt, is dat het waar is. Ahriman liegt niet. Hij spreekt de waarheid over zichzelf, maar projecteert die op anderen, bij voorkeur op zijn grote vijanden, de christenen. Wat we nu al tientallen jaren dagelijks in de media lezen, in alle mogelijke variaties, is een zelfportret van Ahriman. Maar zo wordt het natuurlijk niet begrepen, het wordt voorgesteld als het portret van de christelijke mens zoals we die vandaag vinden in de blanke, Europees-Westerse bevolking die nog niet aan drempelwanen lijdt. 

Ahriman schrijft. Dat betekent dat hij tegenover de werkelijkheid gaat staan en er zich een beeld van vormt dat hij vervolgens in woorden giet. Dat beeld is in zijn geval een voorstelling van de wereld als een louter materieel, dood ding waar we niks mee te maken hebben, waar we geen enkele gevoelsmatige binding mee hebben, tenzij een van minachting en afkeer. Die dode, materiële wereld fungeert als een scherm waarop Ahriman zichzelf projecteert als zijnde de Ultieme Waarheid. Hij is degene die van de moderne werkelijkheid één grote bioscoop heeft gemaakt waar we volkomen passief zitten te kijken en alles geloven wat we zien. We denken wakker en alert te zijn, maar dat is uiteraard niet het geval, anders zouden we beseffen in een donkere ruimte naar een muur te zitten kijken, zoals in de grot van Plato. In werkelijkheid slapen we, we dromen en nemen de geprojecteerde beelden van Ahriman voor waar aan. We moeten wel, want wakker worden in dat duistere hol zou ondraaglijk zijn. 

Dat ‘donkere hol’ is in feite onze schedel. Dat is de plaats waar Ahriman ons opgesloten heeft: in ons intellect. Dat geldt natuurlijk in de eerste plaats voor de intellectuelen, voor degenen die alleen met hun hoofd werken. Zij beschouwen zich als de wakkersten onder de wakkeren, maar in feite slapen zij diep. Hun slaap is een vlucht voor de duisternis waarin ze zich bevinden, de duisternis van Ahriman. Zij vluchten in dromen, in Hollywoodfilms, in utopische voorstellingen van hoe de wereld er zou kunnen of moeten uitzien. Anders gezegd, Ahriman jaagt hen in handen van Lucifer. Vandaar al die vurige idealen die zoveel kille intellectuelen er vandaag op nahouden. Nu is er op zich niks tegen die schitterende idealen, en er is ook niks tegen dat intellectuele, emotieloze denken. Wel integendeel. Het zijn geweldige vermogens, die de mens in de loop der tijden ontwikkeld heeft dankzij Lucifer en Ahriman. De tragiek is echter dat hij ze niet gebruikt. Hij geeft ze in handen van de tegenmachten, in handen van de draak. 

Rudolf Steiner wijst erop dat de moderne mens ongelooflijk goed kan denken, maar dat hij het niet doet. Hij slaapt liever. Hij zit liever te dromen in de bioscoop dan dat hij wakker wordt en de werkelijkheid onder ogen ziet. Nochtans is hij meer dan ooit in staat om door te dringen tot de kern van die werkelijkheid. Juist doordat hij tegenover die werkelijkheid kan gaan staan en er objectief en afstandelijk kan naar kijken, bezit hij (voor het eerst) de mogelijkheid zich bewust te worden van zijn Ik, dat, zoals Rudolf Steiner aangeeft, vanuit de omringende wereld op hem afkomt. Maar dan moet hij wel wakker worden en duidelijk onderscheid maken tussen de werkelijkheid en de ahrimaanse projecties die er zo nauw mee vervlochten zijn. Want als hij dat niet doet dan verwart hij zijn (christelijke) Ik met het (racistische, extreem-rechtse) ongedierte dat hij van alle kanten op zich af ziet komen. Dat is de Tragische Omkering die vandaag plaatsvindt: de moderne mens ziet Christus als de draak en de draak als zijn Verlosser. 

De slaapwandelende intellectuele klasse denkt de draak te bestrijden, maar in werkelijkheid bestrijdt ze Christus, het kosmische mensheids-Ik. Daarom gaat ze ook een vanzelfsprekende alliantie aan met de islam, de grootste antichristelijke instantie op aarde. Extreem-rechts beschouwt ze als de grote vijand, niet omdat het een reëel gevaar vormt, maar omdat het zich verzet tegen de islam, omdat het dreigt de ‘religie van de vrede’ te ontmaskeren. Dat wil echter niet zeggen dat extreem-rechts – een containerbegrip voor alles wat niet links of politiek-correct is – het christelijke vertegenwoordigt en de mens als een geestelijk Ik-wezen ziet. Rechts zit net zo goed in de greep van het materialisme als links, het is evenmin wakker. Het reageert blind en instinctief op Ahriman, met als gevolg dat het in de greep van Lucifer raakt. De blinde strijd tussen beide tegenmachten veroorzaakt een vicieuze cirkel die de mens langzaam maar zeker de dieperik in trekt. 

Dat kwam op een merkwaardige manier tot uitdrukking in de aanslag in Nieuw-Zeeland. Hij werd gepleegd in een stad die Christchurch heet en dus blijkbaar uitgesproken christelijk van oorsprong is. Het wekt om te beginnen al verbazing om moslims aan te treffen in Nieuw-Zeeland, een eiland midden in de Stille Oceaan. Wat zoeken ze daar? De verbazing wordt nog groter wanneer blijkt dat ze aan weerszijden van de kathedraal in het centrum van Christchurch een moskee gebouwd hebben. Waarom juist daar? Dit is niet het gedrag van een gediscrimineerde minderheid die bescherming zoekt tegen het geweld waaraan ze overal blootstaat. Dit is uitdagend, ahrimaans gedrag dat met het creëren van een Golgothabeeld een luciferische reactie wil uitlokken, een reactie die schijnbaar gericht is tegen de ahrimaanse islam, maar die in werkelijkheid – samen met die islam – gericht is tegen het midden tussen de twee tegenmachten, tegen Christus, tegen de vrije, individuele Ik-mens.  

Ahriman kijft

  

Ahriman kon er niet om lachen toen ik iets schreef over de hond op de Gentse boekentoren. Kort nadat ik het bericht gepost had, viel mijn computer uit. Zwart scherm. Zo dood als een pier. Daar zat ik. Ik kon niet meer schrijven en wat ik al geschreven had, was ik mogelijk voorgoed kwijt. Tedju! Gelukkig ben ik een ervaringsdeskundige en maakte ik me niet al te druk. Ik heb het al twee keer meegemaakt: computer gecrasht en alles kwijt. Dat is even slikken, maar daarna begin je weer opnieuw en algauw is alles weer vergeten. Het is een oefening in sterven: ooit komt de dag dat je alles kwijt raakt, de ultieme crash. En dat overleef je ook. Het is trouwens geen slecht gevoel om al die ballast eens kwijt te zijn, al die honderden bladzijden tekst, al die duizenden foto’s. Het was wel een beetje vervelend omdat ik midden in mijn Brouwer-exploratie zit, maar nu kon de hele zaak even bezinken. Alle nadeel hep ze voordeel

En ja, Ahriman heeft wel een beetje gelijk. Tenslotte is het dankzij hem dat ik dit alles kan doen. Om te beginnen ben ik iemand die telkens opnieuw begint. Daar hou ik van: met een propere lei beginnen. Als je dat met papier en pen moet doen, wordt er véél papier en inkt verspild. Met een computer volstaat één druk op de knop en het scherm is weer maagdelijk blank. Ik kan ook veel beter schrappen en verbeteren zonder dat het een vreselijke warboel wordt. Wat ik ook doe, mijn tekst blijft altijd proper en leesbaar. Dat laatste is ook belangrijk: als je niet meer kunt lezen wat je zelf geschreven hebt, dan wordt het moeilijk. Maar het belangrijkste is natuurlijk dat ik mijn teksten op het internet kan zetten, zodat mensen ze kunnen lezen. Veel lezers heb ik niet, en dat kan ook niet met het soort dingen dat ik schrijf, maar het zijn er genoeg om erdoor gestimuleerd te worden en het vol te houden. 

Zonder computer en internet zou dat niet mogelijk zijn. Hoe zou ik anders lezers moeten vinden? Ik ben beginnen schrijven in De Mare, het tijdschriftje van de Gentse steinerschool, nu alweer meer dan 25 jaar geleden. Zonder dat zeer bescheiden medium, zou ik misschien nooit zijn beginnen schrijven, want ambitie op dat vlak heb ik nooit gehad. Hoe ‘primitief’ was het niet, dat pakje dubbelgevouwen en samengeniete fotokopieën! En hoeveel werk was het niet om al die ingezonden teksten uit te tikken, er illustraties of tekeningen bij te plakken, de hele zaak door de fotokopiemachine te draaien, en ze dan ook nog eens te versturen met de post! Ik heb daar nog een tijdlang aan meegeholpen. Dat was al lastig genoeg, maar nog lastiger werd het als er moest vergaderd worden over verontwaardigde protesten en een enkele keer zelfs een dreigbrief. 

Want ik pakte de zaak nogal Brouweriaans aan en stak de draak met de antroposofische wereld. Daar was stof genoeg voor en ik amuseerde me opperbest. Maar niet iedereen was geamuseerd. En dan moest er gepalaverd worden. Na een tijdje was ik dat beu. Ik wilde mijn ding kunnen doen, zonder mij te moeten onderwerpen aan voorwaarden, eisen en andere beperkingen. Het was ook een vorm van crashen, en ik tilde er niet zwaar aan. Het was mooi geweest, ik was blij die kans te hebben gekregen. Ik bleef schrijven, want ik had de smaak te pakken, maar ik kon er niks mee doen. Geen enkel tijdschrift zou publiceren wat ik schreef: te antroposofisch – niet antroposofisch genoeg. Toen mijn vrouw een tijdje later een computer kocht voor haar werk, inspireerde mij dat tot het starten met een eigen tijdschriftje: Het Vijgeblad. Dankzij De Mare en de steinerschool vond ik voldoende abonnees om het de moeite waard te maken. 

Maar wat een korvee was me dat! Ik moest nu alles zelf doen: schrijven, illustreren, lay out, naar de kopiewinkel, naar de post. Na vier jaar was mijn bobijntje af. Ik ging weer tekenen en schilderen. Maar toen kocht mijn vrouw een iPad, dat leek haar handiger dan zo’n grote, logge computer. Dat was het ook. Ik nam het ding meteen in beslag, ontdekte de wereld van het bloggen en zo kreeg Het Vijgeblad een digitale opvolger: Vijgen na Pasen. Stap voor kleine stap kreeg mijn schrijven – dat ooit gestart was als een sotternie – het karakter van ‘geesteswetenschappelijk onderzoek’. Wie had dat ooit kunnen denken! Ik alvast niet. Dat ik op antroposofisch gebied iets presteer, heb ik aan niemand minder dan Ahriman te danken. Hij heeft me de verschillende media verschaft zonder dewelke ik hoogstwaarschijnlijk nooit tot schrijven zou zijn gekomen. En ook niet tot min of meer samenhangend nadenken. 

Wilde hij me daar even aan herinneren toen hij na mijn bericht over de Bronzen Hond mijn iPad uitschakelde? Of was het iemand anders? Want intussen ben ik erin geslaagd mijn ‘dode’ weer tot leven te wekken door – o ironie – het gelijktijdig ingedrukt houden van de ‘huisknop’ en de ‘startknop’. En is dubbelzinnigheid of dubbelzijdigheid niet juist het kenmerk van Adriaen Brouwer? Zou hij me deze (goedmoedige) loer gedraaid hebben? Ik weet het niet. Ik weet ook niet wat hij (of wie dan ook) me wil vertellen. Dat ik een beetje respect moet tonen voor Ahriman? Maar ik dacht toch niet dat ik me oneerbiedig heb uitgedrukt. Ik ben er me juist heel erg van bewust hoeveel ik aan deze gevallen engel te danken heb. Of is het omgekeerd en wil Brouwer me juist waarschuwen voor deze gevallen engel en het automatische schrijven waartoe hij inspireert? Wie zal het zeggen? We zien wel. 

Adriaen Brouwer (5)

  

Het is precies 12 uur als ik de Adriaen-Brouwertentoonstelling verlaat en de Grote Markt van Oudenaarde op stap. De lucht is stralend blauw, het plein schittert in de septemberzon en de klokken van de Sint-Walburgakerk beieren uitbundig. Zouden ze dat hier iedere middag doen? De dag is nog jong en ik besluit het mij onbekende Oudenaarde eens te verkennen. Ik heb al een paar gevels uit de tijd van Brouwer opgemerkt, dus er valt hier vast wel wat te zien. Maar dat is zonder de waard gerekend. Opeens overspoelen honderden jonge mensen de straten. Het is woensdag en de scholen lozen hun leerlingen in één grote gulp. Ik vermoed dat ze hier vanuit de hele Vlaamse Ardennen naar school komen, want op sommige plaatsen is het echt over de koppen lopen. De plotse drukte overvalt me en terwijl ik mij een weg baan naar de Schelde, bedenk ik hoe de uitersten elkaar raken: daarnet op de tentoonstelling was ik nog de jongste, hier tussen al die jeugd ben ik opeens de oudste.

De gemiddelde leeftijd van de bezoekers aan de Brouwertentoonstelling schommelde inderdaad rond de 70. Maar hoe grijs en slecht te been ook, één ding hadden ze gemeen met de jongelui die me nu omzwermen: ze liepen allemaal rond met een electronisch apparaatje waar ze niet zonder konden. Wat de smartfoon is voor jongeren, is de audiogids voor kunstliefhebbers. Zoals de jongelui mij nu de stad uitjagen, zo joegen de ouderen mij de tentoonstelling uit. Alles was nog rustig toen ik arriveerde en ik kon de schilderijen op mijn gemak bekijken. Maar een uur later klonken overal die metalige stemmen van de audiogids, niet luid genoeg om ze te kunnen verstaan, niet zacht genoeg om ze te kunnen negeren. Iedereen hield zo’n ding tegen zijn oor, de tentoonstellingszaal liep vol met luisterende mensen. Weliswaar keken ze tijdens het luisteren naar de schilderijen, maar niemand maakte de typische pendelbeweging tussen een close reading van het schilderij en een beschouwing vanop afstand.

Deze vermenging van kijken en luisteren vind je ook in de wereld van de muziek. Nicolaas Beets vond dat er een gordijn moest hangen tussen orkest en publiek, en Svjatoslav Richter speelde liefst in het donker, met alleen een klein lichtje boven zijn partituur. Vandaag wekt hun houding alleen nog verbazing en onbegrip. De moderne concertganger wil niet enkel luisteren, hij wil ook zien. Hij wil een ‘totaalervaring’ en beseft niet dat hij slechts een halve ervaring krijgt. Wie tijdens een concert de ogen sluit, ondervindt meteen dat de muziek veel dieper binnenkomt: ze gaat recht naar het hart. Op een tentoonstelling is het niet anders: wie tegelijk luistert, kan niet goed kijken, want hij kijkt niet met zijn hart. Dat valt af te lezen aan het feit dat hij niet langer de beweging van het hart maakt: de ritmische pendelbeweging tussen de tegenpolen. De vermenging van kijken en luisteren maakt een benadering vanuit het hart onmogelijk. Ze splitst de beleving en leidt ze om naar hoofd en buik. 

Deze gespleten benadering – intellectualisch en instinctief – die zich voordoet als een ‘overweldigende totaalervaring’, is vandaag de norm geworden, en niet alleen in de kunst. De moderne mens heeft zowel het kijken als het luisteren verleerd, omdat hij beide met elkaar vermengt en zijn hart omzeilt. Daardoor wordt zijn ‘totaalbeleving’ alsmaar zwakker en heeft hij steeds meer behoefte aan prikkels en indrukken. Hoe meer hij daaraan verslaafd raakt, des te leger wordt zijn hart. Musea en tentoonstellingszalen lopen vandaag vol met mensen die hunkeren naar kunst, want kunst voedt het hart. Maar ze blijven op hun honger, de kunst dringt nauwelijks nog tot hen door, want on ne voit bien qu’avec le coeur. Ze kijken niet meer met hun hart, ze luisteren naar de gids – de audiogids, de levende gids of de geschreven gids – en die spreekt vanuit het hoofd voor het hoofd. Maar kunstwerken spreken vanuit het hart tot het hart. Hun taal is alleen te begrijpen voor wie kijken en luisteren niet met elkaar vermengt. 

De taal van de muziek is door haar beweeglijke, spirituele aard veel toegankelijker dan de onbeweeglijke en materiële beeldende kunst. Deze laatste staat als een scherm tussen kijker en geestelijke werkelijkheid: ze biedt weerstand, ze schept afstand. Maar die weerstand kan overwonnen worden, die afstand overbrugd. En dat begint wanneer de kijker de natuurlijke beweging van het hart overneemt en het kunstwerk afwisselend van dichtbij en vanop een afstand bekijkt. Op die ‘hartelijke’ manier beleeft hij het kunstwerk nu eens als een muziekstuk – een abstracte compositie van vorm, kleur en beweging – en dan weer als een herkenbaar beeld dat naar de zichtbare werkelijkheid verwijst. Deze pendelbeweging tussen kijken (naar de materie) en luisteren (naar de geest) is het tegendeel van hun vermenging. Zij doorbreekt de verstarring van het kunstwerk en doet de schone slaapster ontwaken. Het kijken met het hart wordt een luisteren met de ziel, een luisteren naar de geest van de kunst.  

De beeldende kunst is een ‘slapende’ kunst omdat ze diep in de materie doordringt. Daar wacht ze geduldig tot de kijker haar wakker maakt (en zelf ook wakker wordt). De muziek daarentegen doet ons wegdromen en inslapen. Ze sleept ons mee. Zelfs wanneer we onze oren dichtstoppen, blijven haar trillingen nog altijd tot ons doordringen. Onze ogen daarentegen kunnen we te allen tijde sluiten of afwenden. In tegenstelling tot de muziek laat de schilderkunst ons vrij. Die vrijheid is een geschenk, maar ook een opgave. We moeten zelf de eerste stap zetten, we moeten in beweging komen en ons inspannen om de afstand te overbruggen. Doen we dat niet en maken we geen gebruik van de vrijheid die de schilderkunst ons biedt, dan blijft ze gewoon slapen. De 400 jaar miskenning van Adriaen Brouwer is daar een veelzeggend voorbeeld van. Juist doordat hij zich – letterlijk en figuurlijk – zo klein maakt, doet Brouwer meer dan wie ook een beroep op onze vrijheidskrachten.   

In de 17de eeuw had men geen moeite om zijn grootheid te erkennen. Het hart keek nog door zijn uiterlijk heen en zag de moedige vrijheidsstrijder die het in zijn eentje opnam tegen de dwingende krachten uit het verleden. Vandaag halen we echter onze schouders op voor Adriaen Brouwer, we zien hem niet staan. Vier eeuwen materialisme hebben ons hart doofstom gemaakt. We begrijpen de taal van de beeldende kunst niet meer, ze brengt ons niet meer in beweging. Zo zwak is ons moderne hart geworden dat het zich zonder de hulp van het denken niet meer kan herstellen en weer tot zintuig worden voor de geest. Als we niet willen dat Ahriman (met behulp van zijn electronica) ons hart helemaal uitschakelt en intelligente dieren van ons maakt, dan moeten we ons hart ter hulp snellen met ons verstand. Als ridders moeten we het opnemen tegen de draak en de jonkvrouw bevrijden, als prinsen moeten we ons een weg banen door de doornhaag en de slapende prinses wakker kussen. 

Deze sprookjesbeelden – ze spreken de taal van het hart – hebben nog niets aan geldigheid verloren. Wel integendeel, ze zijn actueler dan ooit. Ahriman probeert de mens te ont-menselijken door op alle gebieden het midden te vernietigen zodat de tegenpolen zich met elkaar vermengen: geest en materie, links en rechts, oost en west, kunst en wetenschap, mannelijk en vrouwelijk, enzovoort. Ons wapen tegen deze ontmenselijkende vermenging is dan ook het Michaëlszwaard der onderscheiding. We moeten weer klaar zien in de grauwe brij die Ahriman van alles maakt, we moeten weer leren de tegenpolen te onderscheiden. Op die manier komen we ons hart ter hulp: door zijn beweging met ons verstand over te nemen, door in polariteiten te leren denken, heen en weer bewegend tussen de tegenpolen. Dat vergt niet alleen wakkerheid, het vergt ook moed, want Ahriman reageert heftig op dit Michaëlszwaard. In naam van alles wat menselijk is (sic) verzet hij zich uit alle macht tegen het zogenaamde ‘polariseren’.

Dat uitgerekend Adriaen Brouwer het slachtoffer is geworden van deze ahrimaanse vermenging, kan geen verwondering baren. Als geen andere schilder belichaamde hij het ‘midden’ tussen Noord en Zuid, tussen protestantisme en katholicisme, tussen toekomst en verleden. Door het (beweeglijke) zieleleven van de mens in beeld te brengen, doorbrak hij de Renaissancistische verstarring. Hij creëerde een (artistieke) relatie tussen uiterlijk en innerlijk die voordien niet bestond. Brouwer maakte de kunst op een nieuwe manier persoonlijk, hij was de hart-mens bij uitstek. Dat maakte zijn leven ook zo zwaar, want hij werd het mikpunt van Ahriman, die probeerde zijn ziel te verscheuren. Slechts ten koste van hevige innerlijke spanningen kon Brouwer dat voorkomen. Die spanningen maakten hem wakkerder dan zijn tijdgenoten, maar ze maakten hem ook eenzaam, want met wie kon hij zijn solitaire strijd delen? Geen wonder dat hij verdoving zocht in drank en drugs.

Adriaen Brouwer schilderde de mens die gevangen zit in de materie, overgeleverd is aan tegenstrijdige driften en vergetelheid zoekt in verdovende middelen. Het was tegelijk ook een beeld van de mens Adriaen Brouwer zelf: gespleten in hoofd en buik, in rederijker en kroegloper, in Noord- en Zuidnederlander. Maar Brouwer was in de eerste plaats een kunstenaar, een hevig kloppend hart, een helder kijkend hart ook. Beter dan wie ook zag hij hoe de draak zijn klauwen uitstrekte naar de 17de eeuwse mens en daar verzette hij zich met hart en ziel tegen. Toen Ahriman de Nederlanden uit elkaar scheurde, weigerde hij partij te kiezen. Hij pendelde heen en weer tussen het Noorden en het Zuiden, maar voelde zich nergens thuis. De wereld van het midden, zijn ware thuis, was verdwenen, in stukken gescheurd. Zo moet hij zichzelf ook gevoeld hebben: een verscheurde, vaderlandsloze ziel die heen en weer getrokken werd tussen de vrijheid van het Noorden en de geborgenheid van het Zuiden.  

Adriaen Brouwer moet daar zwaar onder geleden hebben. Waarom zou hij anders zoveel geld hebben uitgegeven aan drank, drugs, spel en gezelschap? Maar uit dat lijden, uit die enorme spanning in zijn hart, werd zijn kunst geboren, een kunst zoals men die nog nooit gezien. Hij kroop diep in de huid van de draak en werd één van die haveloze figuren die geen verweer hebben tegen Ahriman, die helemaal in zijn greep zitten en een bijna dierlijk leven leiden. Maar tijdens deze ‘neerdaling ter helle’ bleef Brouwer wakker, zijn hart hield niet op met kloppen. Het gaf zich over aan dit ‘gevallen’ leven maar nam er tegelijk ook afstand van. Op die manier kon Brouwer de nieuwe, door Ahriman beheerste mens in beeld brengen, de mens die verslaafd is aan verdovende middelen, die zich opsluit in donkere kroegen en daar de tijd – en ook zijn bewustzijn – doodt. Deze ahrimaanse mens leeft aan de rand van de maatschappij en heeft zich heel ver van het midden verwijderd.  

Adriaen Brouwer had een scherp oog voor het verschil tussen schijn en wezen. Bekend is het verhaal waarin hij zijn goedkope kleren beschildert met kostbaar uitziende patronen die hij vervolgens, nadat ze hem bewondering en achting hebben opgeleverd, ostentatief weer uitveegt, aldus zichzelf en zijn bewonderaars ontmaskerend. Brouwer wist dat de low lifes die hij schilderde ook verborgen zaten onder het masker van de gegoede burgerij. Doorheen dat masker zag hij de mens van zijn tijd, meer zelfs, hij zag met profetische blik de mens van de toekomst. Als we alle uiterlijkheden wegdenken, verschillen we niet veel van Brouwers kroeglopers: we zitten allemaal gevangen in een grauwe, materiële wereld en naast ons slavenwerk doen we niet veel anders dan drinken, roken, spelen en op andere manier vergetelheid zoeken. We denken ons leven in de hand te hebben, maar ons hart weet beter. Daarom leggen we het ook het zwijgen op: wat het ons te vertellen heeft, is veel te pijnlijk en te ontluisterend. 

Ons moderne hart ziet eruit als een ‘Brouwerke’. Vol misprijzen kijkt ons arrogante denken erop neer en spant het zonder scrupules voor zijn kar. Vierhonderd jaar miskenning van Adriaen Brouwer maken maar al te duidelijk dat ons ahrimaanse brein er niet over peinst te luisteren naar het groezelige, onaanzienlijke hart. Integendeel, het heeft een nietsontziende strijd ontketend tegen dat weerloze hart dat maar niet wil ophouden met kloppen. De verscheurdheid van de menselijke ziel is groter dan ooit en het is hoog tijd om haar te redden, want als ons hart ten onder gaat, sleurt het ons verstand mee en blijven er alleen nog dierlijke driften over. Die driften zien alles groot, ook de redding van de mens. Maar de redding van de ziel begint klein. Daarom is de Adriaen-Brouwertentoonstelling in Oudenaarde een uitgelezen kans om (de electronische) Ahriman even het zwijgen op te leggen en te luisteren naar een kloppend hart dat groot is in zijn kleinheid, veel groter dan we denken. 

Schaamlippen (4)

  

Wat bezielde Goedele Liekens om op hetzelfde moment dat in Amerika de zaak Weinstein losbarstte een voorstel te lanceren om de vrouwelijke schaamlippen een andere naam te geven? Waarom culmineerde de zaak Bart De Pauw uitgerekend op Wapenstilstanddag? Waarom hadden moslimjongeren diezelfde dag uitgekozen om oorlogje te spelen in de Brusselse Lemonnierlaan, genaamd naar de man die burgemeester was tijdens de eerste wereldoorlog? Waarom werd na die eerste wereldoorlog gewacht tot 11 uur op de 11de dag van de 11de maand om de wapenstilstand uit te roepen? Waarom gebeurde dat in Compiègne, de stad waar eeuwen geleden Jeanne d’Arc gevangen werd genomen en uitgeleverd aan de Engelsen? Waarom gebruikte een Belgische ngo de wapenstilstandcijfers 11.11.11 om mensen ertoe te bewegen geld te geven voor hongerend Afrika? En wat bezielde Belgische feministen om Vrouwendag op diezelfde 11 november te vieren? 

Wie zich vragen begint te stellen over wat er dit jaar voorviel op Wapenstilstanddag ziet allerlei onverwachte verbanden opduiken. Samen lijken ze een beeld of een teken te vormen dat ons iets wil zeggen. Gemakkelijk is het echter niet om dat beeld helder te krijgen en erachter te komen wat het precies betekent. Daarvoor moet men – onder meer – opboksen tegen een sfeer van wantrouwen en ongeloof, want dergelijke beeldvorming leidt tot samenzweringstheorieën of – erger nog – tot de suggestie dat er geestelijke factoren in het spel zijn. En dat wordt beschouwd als … grensoverschrijdend gedrag. Alles wat ons ertoe brengt om afstand te nemen van de werkelijkheid, grotere verbanden te zien en imaginatief te denken, wordt in een kwaad daglicht geplaatst. Het brengt ons dichter bij de grens tussen materie en geest, en daar verzet de geest van het materialisme zich uit alle macht tegen. Het wil ons met onze neus op de materiële werkelijkheid drukken, als was de wereld een smartfoon.

‘Grensoverschrijdend gedrag’ is goed op weg om dezelfde status te krijgen als ‘racisme’. De uitdrukking wordt gebruikt om ongeoorloofd sexueel contact aan te duiden. Maar ook geoorloofd sexueel contact is – in de letterlijke zin van het woord – grensoverschrijdend gedrag. En daar heeft men geen enkel bezwaar tegen, wel integendeel. Feministen als Goedele Liekens stimuleren sexueel gedrag op alle mogelijke manieren. Ja, er is geen beweging die meer de nadruk legt op sex dan juist de feministische. Was het vroeger vooral de man die uit was op sex, dan is nu ook de vrouw een grensoverschrijdend wezen geworden. We leven ook op andere gebieden in een grensoverschrijdende tijd. Denken we maar aan de manier waarop Amerika andere landen binnenvalt. Of aan de manier waarop de overheid binnendringt in de persoonlijke sfeer. Of aan de manier waarop moslimmigranten Europa binnenstromen. Niemand ziet graten in dergelijk ‘letterlijk’ grensoverschrijdend gedrag.

Een heel ander verhaal wordt het wanneer we grensoverschrijdend gedrag in de figuurlijke betekenis van het woord nemen. Denken we maar aan het geval Bart De Pauw. Vlaamse feministen klagen steen en been over het ongeoorloofde gedrag van mannen. Zo kan het niet verder, verklaren ze beslist. Vooral in de film- en theaterwereld loopt het volgens hen de spuigaten uit. Toch vinden ze niks ergers om hun woede op te koelen dan een komiek die pikante sms-jes verstuurt. Of wilden ze niks ergers vinden? Was het misschien juist hun bedoeling om verbaal grensoverschrijdend gedrag te viseren in plaats van fysiek grensoverschrijdend gedrag? Dat zou alvast verklaren waarom ze zo toegeeflijk zijn voor moslimgeweld maar een sms-ende clown aan de galg willen zien. Hetzelfde onderscheid vinden we bij de lgbt-beweging waarmee het feminisme zich geaffilieerd heeft: extreme toegeeflijkheid voor fysiek geweld gaat er hand in hand met extreme ontoegeeflijkheid voor geestelijk geweld.

De speerpunt van deze beweging zijn de transgenders: mensen die van geslacht (willen) veranderen. Om dat doel te bereiken schrikken ze niet terug voor fysiek geweld, zowel tegen hun eigen lichaam (chirurgische ingrepen en hormoonbehandelingen) als tegen dat van anderen. Uit deze kringen zijn nogal wat Social Justice Warriors afkomstig. Ze zijn (vooral) actief aan universiteiten, waar ze lessen verstoren, professoren het spreken beletten, en hen zelfs zodanig terroriseren dat ze ontslag moeten nemen. Dat fysieke geweld – ze lijken wel in de leer te zijn gegaan bij moslimjongeren – gebruiken ze om zich te verdedigen tegen het ‘geestelijke geweld’ van hun professoren. Ze voelen zich aangerand door ideeën die niet overeenkomen met de hunne, en daartegen willen ze beschermd worden. Onder het motto Dialogue is Violence eisen ze safe places waar ze niet blootstaan aan kwetsende woorden en ideeën. Nee, het is beslist geen fysiek grensoverschrijdend gedrag dat ze aanklagen. 

Het grensoverschrijdend gedrag waar ze hun pijlen op richten, is het vrije denken, het debat, le choc des idées. Daarom is het zo onbegrijpelijk dat universiteiten niets doen om hun professoren in bescherming te nemen tegen deze – voor het vrije onderzoek dodelijke – Social Justice Warriors. Maar ook de overheid haalt bakzeil. Zo keurde de Canadese senaat onlangs een wetsvoorstel goed dat mensen het recht geeft aangesproken te worden zoals zij dat willen. Een man kan bijvoorbeeld eisen als vrouw aangesproken te worden en omgekeerd. Wie dat weigert, zal strafrechterlijke vervolging riskeren. Het gaat zelfs verder dan dat. Er is een heel nieuw vocabularium bedacht waarmee de verschillende genders (en dat zijn er nogal wat) aangeduid willen worden. Het omvat (Engelse) woorden aan als zie, zim, zir, zis, tey, tem, ters, enzovoort. Professor Jordan Peterson, die verklaarde die woorden niet te zullen gebruiken, kwam in het oog van een storm te staan en dreigt nu zijn job te verliezen. 

Dit alles speelt zich niet af in de marge van de maatschappij maar aan de meest prestigieuze Amerikaanse en Canadese universiteiten: Harvard, Berkeley, Yale, Toronto. Er moet niet aan getwijfeld worden dat deze ‘sociale oorlog’ ook naar Europa zal overwaaien. Nu reeds heerst aan onze universiteiten een wildgroei van genderstudies die de hele wetenschap willen herschrijven. Dat levert vakken op als feministische geologie en genderneutrale wiskunde. Een Amerikaanse feministe betoogde onlangs dat de #metoo beweging een wereldrevolutie inluidt: er komt een eind aan het hele door mannen beheerste verleden. Er is een nieuwe wereld aan het ontstaan waarin geen plaats meer zal zijn voor grensoverschrijdend gedrag. Denken zal gebeuren door middel van artificiële intelligentie, dat wil zeggen door de nieuwe, superieure robotmens die als een God zal (moeten) aanbeden worden. In Silicon Valley heeft men de nieuwe godsdienst reeds laten registreren. No kidding.

Als antroposoof weet je wat dat betekent: Ahriman incarneert. Het is de vraag of we hem ooit te zien zullen krijgen, want deze geest opereert achter de schermen en wil liefst verborgen blijven. Maar we zien hem overal aan het werk in ontelbare ‘activisten’ die strijd voeren tegen racisme, tegen grensoverschrijdend gedrag, tegen male supremacy, tegen white privilege, enzovoort. Hun ‘sociale strijd’ is zo misleidend omdat hij volkomen gerechtvaardigd is wat het fysiek-materiële aspect betreft. Er kan geen twijfel over bestaan dat discriminatie op basis van ras of geslacht niet meer van deze tijd is. Maar het activisme gaat verder dan dat. Het overschrijdt ongemerkt de grens tussen materie en geest, waardoor de strijd slechts in schijn tegen fysieke grensoverschrijdingen gericht is. In werkelijkheid viseert hij geestelijke grensoverschrijdingen. Zo gaat Ahriman te werk: hij gaat ‘in het geheim’ over de drempel, zonder dat we het zien, en zet daardoor de zaken op hun kop. 

Als gevolg van deze ‘occulte’ grensoverschrijding verandert de strijd tegen racisme ongemerkt in een strijd tussen de rassen, de strijd tegen de ongelijkheid tussen man en vrouw verandert in een guerre des sexes, de strijd tegen grensoverschrijdend gedrag wordt een strijd tegen de geest. Alles wordt namelijk gespiegeld wanneer we over de drempel gaan, alles is omgekeerd aan gene zijde. Houden we daar geen rekening mee – omdat we niet weten of zien dat de drempel wordt overschreden – dan halen we geest en materie door elkaar. Wat op geestelijk vlak thuishoort, doen we dan op fysiek vlak of omgekeerd. Dat geldt heel speciaal voor de drempeloverschrijding zelf. Die moet op geestelijk vlak plaatsvinden, dat wil zeggen bewust en vrijwillig, niet instinctief en gedwongen zoals bij een ‘fysieke’ drempeloverschrijding. Het resultaat van die verwisseling is een enorme chaos waarin iedereen slaags raakt met iedereen. Op die manier bereidt Ahriman de oorlog van allen tegen allen voor.

Het enige wat we daar tegenover kunnen plaatsen is ‘drempelbewustzijn’, inzicht in wat er gebeurt wanneer we de grens tussen geest en materie overschrijden. Hoezeer Ahriman zich daardoor bedreigd voelt kunnen we aflezen aan de heftigheid waarmee hij grensoverschrijdend gedrag bestrijdt. Want die strijd is slechts in schijn gericht tegen ongeoorloofd fysiek-sexueel contact. In werkelijkheid is hij gericht tegen ‘geestelijke’ grensoverschrijdingen. Ahriman wil onder geen beding dat we de drempel bewust overschrijden en op die manier het grensgebied leren kennen. Dat blijkt nergens zo duidelijk als in de kunst, de grensoverschrijdende activiteit bij uitstek. Hier gaat de mens – de kunstenaar zowel als de kunstliefhebber – voortdurend over de drempel. Dat kunnen we aflezen aan de spontane, fysieke beweging die hij maakt wanneer hij kunst schept of bekijkt: door afwisselend naar het kunstwerk toe en van het kunstwerk weg te bewegen, overschrijdt hij telkens weer de grens tussen geest en de materie, tussen mens en kunstwerk. 

Deze ‘grensoverschrijdende’ beweging heeft Ahriman helemaal lamgelegd door een kunst in het leven te roepen waarbij het zinloos is het kunstwerk afwisselend van dichtbij en van op een afstand te kijken. In de hedendaagse kunst is er immers geen verband meer tussen het (materiële) kunstwerk en de (geestelijke) betekenis ervan, tenzij een ‘nominalistisch’ verband. De hedendaagse kunstenaar geeft zijn kunstwerk een bepaalde betekenis zoals ouders hun kind een bepaalde naam geven. Marcel Duchamp heeft dat bijvoorbeeld gedaan met een pispot. Aan die pispot kunnen we de betekenis niet aflezen, we kunnen ze alleen van de kunstenaar (of een van zijn ingewijden) vernemen. Het hele grensgebied tussen materie en geest, waar we niet alleen uiterlijk maar ook innerlijk in beweging konden komen, is verdwenen. Ahriman heeft ons in de kunst onze bewegingsvrijheid ontnomen en ons veroordeeld tot geestelijke passiviteit en onderworpenheid.

Na 100 jaar hedendaagse kunst zijn we ervan overtuigd geraakt dat kunst een soort hostie is die je moet slikken en die je in de mond wordt gelegd door ‘ingewijden’ die pretenderen over de drempel te zijn gegaan. Dat we zelf over die drempel kunnen of moeten gaan, komt niet eens meer in ons op. Ons hele middengebied is uitgeschakeld, ons hart het zwijgen opgelegd. En daar ligt het verband met met Wapenstilstand, met de eerste wereldoorlog, met de #metoo beweging, met de Social Justice Warriors. Onder het mom van een gerechtvaardigde strijd wordt ‘het midden’ van de wereld – zowel uiterlijk als innerlijk – aangevallen, steeds weer opnieuw. De kunstzinnige, grensoverschrijdende activiteit die vanuit dit midden, dat wil zeggen vanuit het menselijke Ik, tot bewustzijn had moeten komen, wordt nu vanuit de tegenpolen – door de geallieerde krachten van Lucifer (het Oosten) en Ahriman (het Westen) – onder vuur genomen. Dat is het ‘occulte’ beeld dat dit jaar op Wapenstilstanddag zichtbaar werd. Wat het te maken heeft met de cijfercombinatie 11.11.11 blijft vooralsnog een raadsel.