Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Tag: Antwerpen

De Tuin van Heden (5)

  

In Leuven woonde ik opnieuw aan de rand van de stad. Opnieuw moest ik iedere dag de Dijle oversteken, maar dit keer maakte ze deel uit van de stad. Ze was niet veel breder dan een beek en de brug erover maakte deel uit van de Brusselsestraat die van mijn kot tot helemaal in het centrum liep. Bovendien ging ze bergaf, zodat ik met een vaart de academische wereld binnenfietste en niet merkte dat ik een grens, rivier of brug passeerde. Het was een beeld van mijn leven: de zwaartekracht trok me letterlijk en figuurlijk naar beneden, de stad en de wetenschap in. Weliswaar zou het nog 15 jaar duren voor ik het absolute dieptepunt van mijn leven bereikte, maar de grens tussen buiten en binnen, tussen platteland en stad, tussen kunst en wetenschap was reeds vervaagd. Ze werd de stenen wereld van het materialisme binnengezogen en ik met haar. Mijn eerste week in Leuven bracht ik door tussen vier witte muren, als een gevangene in zijn cel.  

Ik voelde me afgesneden van mijn oude, speelse leven op de grens tussen stad en platteland, materie en geest. Vóór mijn puberteit maakte die grens nog deel uit van het platteland: het was een rivier die zich door het landschap kronkelde. Daarna kreeg ze een steedser karakter: de Leuvense vaart was een onnatuurlijk rechte lijn die dwars door het landschap sneedt. In Leuven was de grens reeds onderdeel van de stad geworden. Ik leefde nu helemaal tussen de stenen, letterlijk en figuurlijk. Het brood van de kunst was vervangen door de stenen van de wetenschap: dode, harde abstracties waarmee ik mijn maag niet kon vullen. Daarom bleef ik ’s zondags naar de academie gaan, in een laatste poging om het contact met de levende geest te behouden. Nog drie jaar hield ik dat vol, maar toen werd de tegenstelling te groot. Ik kon de tweespalt niet langer verdragen en knipte de navelstreng door. Ik stond nu met beide benen in de wetenschappelijke wereld. Ik was volwassen geworden.

In een poging om het contact met mijn moederwereld niet helemaal te verliezen ging ik ’s avonds model tekenen in de academie van Leuven. Maar toen ik er een karikatuur van de leraar maakte, vloog ik aan de deur. Voor het eerst begon ik te beseffen dat de academie van Mechelen niet de regel maar een uitzondering was. De geest die ik daar had leren kennen, was in Antwerpen aan de deur gezet en had in Mechelen nog een laatste toevlucht gevonden. In Leuven was er al geen plaats meer voor hem. Maar zonder dat ik hem herkende, verscheen hij in een andere gedaante: ik leerde de astrologie kennen. Ik had nog nooit gehoord over planeten, huizen en aspecten, maar vreemd genoeg kwam het me allemaal vertrouwd voor. Ik besloot de zaak nader te onderzoeken en leerde horoscopen trekken. Geen moment kwam het in me op dat het in feite karikaturale portretten waren. Ik stelde alleen vast dat ze gelijkend waren. 

Daar stond ik van te kijken. Hoe kon een (abstract) beeld van de sterrenhemel nu gelijkenis vertonen met een (levend) mens? En het was geen vage, ingebeelde gelijkenis, het was een gelijkenis die – net als in een goede karikatuur – de nagel op de kop sloeg. De wetenschap mocht dan wel smalend doen over de astrologie, maar hadden die betweterige wetenschappers ooit een horoscoop getrokken? Ik wist wat ik zag. Na enkele tientallen horoscopen getrokken te hebben, twijfelde ik niet meer aan het verband tussen boven en beneden. Aan de lelijke, zinloze en toevallige wereld waarin ik leefde, bleek een verborgen, esthetische orde ten grondslag te liggen. Die zekerheid zou het fundament gaan vormen van een nieuwe brug tussen geest en materie. Er begon weer licht te schijnen in de duisternis. Overdag zat ik me te vervelen in de les, maar ’s avonds zat ik de sterren te bestuderen. Ik ontdekte een nieuwe wereld, en had er ook nog eens succes mee bij de vrouwelijke studenten. 

Wie kunst heeft en wie wetenschap heeft, die heeft ook religie, zei Goethe ooit. In de astrologie kwamen die drie inderdaad samen. Het trekken van horoscopen was zowel een kunst als een wetenschap, en het sloeg tegelijk een brug naar de religieuze wereld die ik zeven jaar tevoren verlaten had. Het was nog maar de eerste steen van die brug, maar hij was solide en ik greep er vaak naar terug als ik overvallen werd door twijfel. De hechte drieëenheid die ik in de astrologie aantrof, verving de verbrokkelende eenheid van academie, school en kathedraal die ik in Mechelen had aangetroffen. Maar de twee straten die dwars door het culturele hart van het oude Mechelen sneden (en die kunst, wetenschap en religie uiteen deden vallen) maakten wel de vrijheid mogelijk die ik miste in de astrologie. Daardoor verloor ik gaandeweg mijn belangstelling voor de sterren, maar ze hadden wel de deur geopend naar een onbekende wereld die ik enthousiast verder exploreerde. 

Mijn stap van kunst naar wetenschap bleek tegelijk een stap naar de ‘occulte’ wetenschap te zijn, en die twee sporen zou ik gedurende mijn hele verblijf aan de universiteit blijven volgen. Net als voordien leefde ik in twee werelden, maar ik pendelde niet langer (uiterlijk) ussen stad en platteland, tussen school en spel, tussen wetenschap en kunst. Ik pendelde nu (innerlijk) tussen hemel en aarde, tussen geest en materie, tussen zichtbaar en onzichtbaar. Ik keek nu verder omhoog dan de torens van de Winketbrug of de toren van de Sint-Romboutskathedraal: ik keek naar de sterren. Ik keek ook verder naar beneden, want na de astrologie ging ik me bezighouden met de makrobiotiek. Na de sterren aan de hemel, de planten op de aarde. Na het geestelijk voedsel, het materiële voedsel. Had de astrologie mij inzicht gegeven in de verborgen patronen van het leven, dan deed de makrobiotiek mij een middel aan de hand om weer greep te krijgen op dat leven. Denken maakte plaats voor doen, beelden voor realiteit. Maar allebei verlosten ze me van de zwaarte van het bestaan.

Na een paar maanden rijst, groenten en gomasio was ik 20 kilo lichter geworden. Ik had de indruk te zweven als ik over straat liep. Maar belangrijker was dat ik me een ander mens voelde. Mijn eeuwige verkoudheden waren verdwenen en mijn donkere depressies behoorden tot het verleden. Ik sliep niet langer een gat in de dag, maar zat ’s morgens vroeg al te genieten van de zonsopgang en een bordje havermout. Ik had de sleutel tot het geluk gevonden! Later zou ik bij Rudolf Steiner lezen dat mann sich der Himmel nicht hinein kann fressen, maar nu geloofde ik werkelijk de graal te hebben gevonden. Ik voelde me als Leonardo di Caprio op de boeg van de Titanic: king of the world. Iedereen zag de ijsberg afkomen, maar ik dacht er niet over om gas te minderen: ik was op weg naar een betere wereld. De botsing kwam nadat ik Leuven al had verlaten. Nu ging alles nog goed, ik kon niet genoeg krijgen van de brave new world die voor me openging. De keuken werd mijn nieuwe biotoop.

Af en toe ging ik nog eens naar de les om wat mensen te zien, en zo ontmoette ik mijn toekomstige vrouw. Met een mengeling van fascinatie en ontzetting keek ze naar de manier waarop ik ‘studeerde’. Ze had in Leuven de steinerpedagogie leren kennen – eveneens een alternatieve vorm van onderwijs – en daar was ze meteen voor gewonnen geweest. Zelf zou ik pas zeven jaar later toegang vinden tot de antroposofie. Blijkbaar moest ik eerst nog dieper afdalen in de hel. Dankzij de makrobiotiek ging het me fysiek stukken beter en de astrologie had me bevrijd van het zwarte nihilisme van mijn puberteit, maar daartussen gaapte nog steeds de leegte die de kunst had achtergelaten. En daar tuimelde ik nu in. Dat gebeurde in Antwerpen, de stad waar ik verliefd op was geworden, omdat ik er (onbewust) dezelfde geest in herkende die ik aan de academie van Mechelen had ontmoet. Bij die geest wilde ik zijn en daarom was ik na mijn studies naar de koekestad verhuisd. 

Voor het eerst woonde ik in een grote stad. Een brede stroom scheidde mij nu van het platteland, dat nog slechts een herinnering was. Een brug viel in de verste verte niet te bekennen. Vaak zat ik op een bank aan de Schelde uit te kijken over het water naar linkeroever, waar nog niet zolang geleden de uitgestrekte polders begonnen waar mijn tekenleraar met zoveel weemoed over vertelde. Nu waren ze opgeslokt door stad en haven en keek ik tegen een muur van appartementsblokken aan. Was het dat vruchteloze verlangen naar het platteland dat me verslaafd maakte aan eten? Of was het alleen maar het fanatisme van mijn geest die macht wilde uitoefenen over mijn lichaam? Pas veel later zou de antroposofie me helpen begrijpen dat ik in de tang werd genomen door Lucifer en Ahriman. Ik kon aan hun wurggreep slechts ontsnappen met de hulp van Baghwan Shree Rajneesh, een Indische guru die toen furore maakte. In zijn boeken trof ik de Oosterse wijsheid aan die mijn ziel weer (een beetje) in evenwicht bracht.

De astrologie, de makrobiotiek en Baghwan: ‘drie wijzen uit het Oosten’ leidden me naar de stal waar het kind geboren zou worden. Die stal stond in Melle, een godvergeten dorp waar An en ik waren gaan wonen toen ze werk had gevonden in de steinerschool van Gent. Opnieuw leefde ik op de grens tussen stad en platteland, want Gent reikte tot Melle. Dezelfde Schelde aan wier oever ik in Antwerpen zo vaak had gezeten, scheidde me opnieuw van het platteland. Dit keer lag er wel een brug over, maar ik had de gelegenheid niet om ze over te steken want ik werkte overdag in Brussel. Had ik me in Antwerpen al benauwd gevoeld , de stenen woestijn van de hoofdstad verstikte me helemaal. Hier was zelfs geen Schelde die me wat ademruimte gaf en me deed dromen van het platteland. Ik zat er opgesloten tussen grauwe muren als in een stenen graf. Langzaam naderde ik mijn dieptepunt en instinctief greep ik terug naar de kunst: ik begon te schilderen. Tussen de middag ging ik aquarelletjes maken in het Brusselse Warandepark. 

Was het daar te koud of te regenachtig voor dan zwierf ik rond in het Museum voor Schone Kunsten. Daar ontdekte ik de olieverfschetsen van Rubens. Ze overdonderden me helemaal: in mijn ogen was dit het summum van schilderkunst. De schilderijtjes waren klein, maar de geest die eruit sprak was reusachtig groot. Als schilder was Rubens bovenmenselijk: een oerkracht, zoals de wind of het water. Voor het eerst zag ik zijn werkelijke grootte. In hetzelfde museum zag ik voor het eerst ook de werkelijke grootte van De Braekeleer, een totaal andere geest. Ik kende beide schilders natuurlijk van vroeger, maar pas nu drong ik tot hun wezen door. Werd ik door Rubens overdonderd, verpletterd bijna, dan werd ik door De Braekeleer ontroerd, dieper dan ik voor mogelijk had gehouden. Toen ik zijn Zicht op het Vlaams Hoofd zag, werd ik niet alleen verplaatst naar Antwerpen-linkeroever toen het nog platteland was, ik werd ook verplaatst in de tere en schuchtere ziel van de schilder.

Zo extravert als Rubens was, zo introvert was De Braekeleer. In de schilderijen van de eerste zag ik de scheppende krachten van de natuur aan het werk. Wat hij ook schilderde, het was een werveling van kleur, vorm en beweging. Antroposofen zouden zeggen dat Rubens de etherische wereld zichtbaar maakte. Ruimte voor innerlijkheid was hier nauwelijks. Dit werk was indrukwekkend om naar te kijken, maar je kon er niet in ‘wonen’, zoals je dat ook niet kunt in de wilde natuur. Heel anders was dat bij De Braekeleer. Alles was innerlijk bij hem. Zelfs wanneer hij een landschap schilderde, was het een interieur, zoals de meeste van zijn schilderijen, een ziele-interieur. De grens tussen binnen en buiten – die bij Rubens nog zo sterk voelbaar was – verdween bij De Braekeleer helemaal. Alles was bij hem zowel buiten als binnen. De stad waar hij zo van hield, werd in zijn werk één grote zieleruimte die je als kijker moeiteloos kon betreden en waar je zo lang kon verblijven als je maar wilde.

Groter tegenstelling dan tussen deze twee schilders was nauwelijks mogelijk, en toch ademden ze allebei de kunstzinnige Antwerpse geest die me zo lief was. Deze geest hielp me mijn Brusselse jaren te overleven. Het was een enorme opluchting toen ze voorbij waren en ik herinner me nog de uitbundig bloeiende natuur toen ik voor de laatste keer van Brussel naar Gent reed. We trokken een fles wijn open om mijn bevrijding te vieren, maar de vreugde was van korte duur. Ik kwam in een nieuwe gevangenis terecht: elke dag moest ik aanschuiven aan het stempellokaal en dat miste zijn werking niet. In mijn ziel groeide dezelfde dofheid die ik op de gezichten van de andere werklozen zag. Twaalf jaar geleden had ik gekozen voor de wetenschap en mijn hart het zwijgen opgelegd. Daar betaalde ik nu de prijs voor. Ik was in een doodlopende straat terechtgekomen en zag geen uitweg meer. Drie zware jaren stonden me te wachten. Ik had het dieptepunt van mijn leven bereikt. 

De Tuin van Heden (3)

  

 

Mijn nieuwe leven in Scheldewindeke staat in het teken van mijn tuin. Als de winter ten einde loopt en het weer het toelaat, ga ik naar buiten en begin in de grond te wroeten. Zoals de meeste mensen ben ik blij dat het lente wordt, dat het zonnetje schijnt, dat alles weer begint te groeien. Dat was vroeger wel anders. Ieder jaar bad ik weer: Heer, laat deze lente aan mij voorbijgaan, laat het alsjeblieft nog wat langer winter blijven! Het deed pijn om alles tot leven te zien komen maar zelf gevangen te zitten in een dode, verstarde wereld. Sinds ik een tuin heb, is daar verandering in gekomen. Ik sta nu niet langer aan de kant, ik ben geen machteloze toeschouwer meer. Ik neem deel aan de lente, ik ben medewerker geworden, medeschepper. Ik spit, ik rakel, ik wied, ik snoei, ik zaai, ik plant, ik giet en ik maai. Mijn karma heeft het zo geregeld dat ik op mijn oude dag de stap zet van winter naar lente, van toeschouwer naar deelnemer, van wetenschap naar kunst zeg maar. 

Die stap is niet nieuw, ik heb hem al eerder gezet. Toen ik als elfjarig jongetje aan de hand van mijn vader (notabene een verwoed tuinier) de trappen van de Mechelse academie besteeg, zette ik een stap van de gewone school, waar de wetenschap regeerde, naar een school waar alles in het teken van de kunst stond. Tijdens de week luisterde ik braaf naar de meester, ’s zondags ging ik zelf aan de slag. Op school liet ik mijn hoofd vullen met gedachten, aan de academie stak ik de handen uit de mouwen. Het waren twee totaal verschillende scholen, twee totaal verschillende werelden. Aanvankelijk was de kloof niet zo groot. Pas na de lagere school werd ze voelbaar. Het onderwijs werd alsmaar wetenschappelijker en mijn afschuw van cijfers, getallen en formules werd alsmaar groter. Het tekenen van lijnen, vormen en vlakken daarentegen vervulde me met steeds meer vreugde. In mijn herinnering was het dan ook altijd lente aan de academie. Ik kon er ongestoord groeien en bloeien. 

Tweeëntwintig jaar later zette ik dezelfde stap opnieuw, dit keer alleen en uit vrije wil. Ik keerde het gewone, door wetenschap beheerste leven voorgoed de rug toe en begon aan een nieuw leven, een leven voor de kunst. Ik bevrijdde mezelf uit de gevangenis waarin ik zolang opgesloten had gezeten en keerde terug naar de wereld waar ik me altijd zo vrij had gevoeld. De winter was voorbij, het werd weer lente. Ik tekende alsof m’n leven ervan afhing. En dat was ook zo, mijn ziel was op sterven na dood geweest. Nog eens 30 jaar later, zou ik diezelfde stap voor de derde keer zetten. Ik verliet een geasfalteerde wereld vol drukte en lawaai, en verhuisde naar een groene wereld van rust en stilte. Het was dezelfde rust en stilte die ik had leren kennen aan de academie en die een uitdrukking was van intense, scheppende activiteit. Dit keer ging het echter niet om de scheppende activiteit van de kunst, maar om de scheppende activiteit van de natuur en de mens die haar bewerkt. 

Drie keer heb ik in mijn leven de stap gezet van wetenschap naar kunst, van winter naar lente, van gevangenschap naar vrijheid. De eerste keer was ik nog een kind en werd ik bij de hand genomen door mijn vader. De tweede keer was ik volwassen en besliste ik zelf. De derde keer was ik gepensioneerd en besliste het lot. Deze drie stappen hebben mijn leven bepaald, meer zelfs, ik kan me dat leven niet voorstellen zonder deze drie grensoverschrijdingen, deze drie verhuizingen naar een andere wereld. Van de laatste stap kan ik nog niet veel zeggen, ik heb hem pas gezet. Maar beide vorige hebben mijn leven gered, daar twijfel ik niet aan. Zonder de lente van de kunst zou ik bezweken zijn aan de winter van de wetenschap. Mijn ziel zou doodgevroren zijn. Kunst en wetenschap zijn voor mij als leven en dood. Ze zijn mijn Stirb und Werde, mijn kruisiging en opstanding. Aan de wetenschap sterf ik, in de kunst verrijs ik. Die metamorfose vormt het oerbeeld van mijn leven. 

Maar ook de omgekeerde beweging – van kunst naar wetenschap – maakt deel uit van die metamorfose. Ook die stap heb ik drie keer gezet in mijn leven en telkens gebeurde dat door een duidelijke ingreep van het lot. Normalerwijze had ik na de lagere school in het kunstonderwijs terecht moeten komen. Tekenen was het enige wat me interesseerde en mijn schoolresultaten gingen steil bergaf. Slechts door een onwaarschijnlijke samenloop van omstandigheden haalde ik mijn humanioradiploma en kwam daarna aan de universiteit terecht. Daar herhaalde de geschiedenis zich: het lot greep in. Ik herinner mij nog altijd de lachbui die me overviel toen ik in de tweede kandidatuur 53 procent van de punten haalde zonder één enkel herexamen. Hier waren hogere krachten in het spel, daar twijfelde ik niet aan. Ik besloot dan ook mijn tijd niet langer te verspelen door naar de les te gaan, het stond toch in de sterren geschreven dat ik mijn diploma zou halen. En zo gebeurde het ook. 

Door middel van een reeks ongelooflijke kunstgrepen dreef het lot mij naar de hel van de wetenschap. Maar in die diepe duisternis begon een licht te stralen: ik ontmoette aan de universiteit mijn vrouw en (daardoor ook) de antroposofie. Het was toen lang nog niet zeker of dat licht zou standhouden. Het zou bijvoorbeeld nog jaren duren voor ik toegang vond tot de antroposofie. Pas toen ik radicaal brak met mijn oude leven en onvoorwaardelijk koos voor de kunst, werd de ban van de duisternis verbroken. De lange winter was voorbij, maar dat betekende nog niet dat de kou overwonnen was. Het werd niks met mijn artistieke carrière. Hoe hard ik ook werkte, ik kwam geen meter vooruit. Toch twijfelde ik geen moment aan de stap die ik gezet had. Nooit zou ik nog terugkeren naar mijn oude leven, naar die doodse, door wetenschap beheerste wereld. Maar als ook de wereld van de kunst geen uitzicht bood, waar moest ik dan heen? Het werd opnieuw donker rondom mij. 

Maar ook nu begon er weer een licht te stralen in de duisternis. Het was hetzelfde licht als de eerste keer, maar in een geheel andere gedaante. Ik herkende het niet meteen. Pas later drong het tot me door dat ik de antroposofie had zien verschijnen in de vorm van een kunstwerk dat me trof tot in het diepst van mijn ziel. Die ervaring zou voor de tweede keer een wetenschapper van me maken, want ik wilde de beelden begrijpen die zo’n diepe herkenning in mij hadden teweeggebracht. Ik realiseerde me dat ik nog nooit echt had nagedacht in mijn leven. Pas nu ondervond ik wat wetenschappelijk denken was, en tot mijn grote verbazing vernietigde het de kunstzinnige beleving niet. Wel integendeel, het bevruchtte ze, het complementeerde ze, het bevestigde wat ik gevoelsmatig had waargenomen. Tijdens die zomer van mijn leven beleefde ik de – onmogelijk geachte – eenheid van denken en voelen, van wetenschap en kunst, de  coïncidentia oppositorum

De kunst laat dezelfde geest in de cultuur stromen die ook aan de basis ligt van de antroposofie. Het komt van twee kanten en zo moet men het leven ook zien.’ Dat was, in de woorden van Rudolf Steiner, waar ik getuige – maar ook deel – van was tijdens de zonnewende van mijn leven. Ik beleefde de ontmoeting van kunst en (geestes)wetenschap, en dat vervulde mijn hele wezen. Maar de vreugde bleef niet duren want ik kon ze met niemand delen. De antroposofen herkenden de antroposofie niet die hen in kunstzinnige tegemoet kwam. Wat hebben wij daarmee te maken? haalden ze hun schouders op. Hoe durfde ik zoiets beweren!  reageerden sommigen verontwaardigd. Hun onbegrip veranderde het hoogtepunt van mijn leven in een dieptepunt. Deze afwijzing van de antroposofie door antroposofen blijft de grootste ontgoocheling van mijn leven. Maar het was ook een confrontatie met mijn eigen onmacht: ik was niet in staat het hen uit te leggen. Ik kon de beelden van de kunst nog niet vertalen in woorden. Ik was een beginneling, een amateur-wetenschapper. 

De ontmoeting met de antroposofie-in-beelden maakte een wetenschapper van me, zij het niet in de klassieke betekenis van het woord. Had ik vroeger aan de universiteit, dik tegen mijn zin nagedacht over literatuur, dat wil zeggen over woorden, dan dacht ik nu met hart en ziel na over kunst, dat wil zeggen over beelden. Dit ‘wetenschappelijk onderzoek’ bracht de antroposofie tot leven en ik hield het zo’n 12 jaar vol. Toen was mijn bobijntje af. Ik raakte niet meer verder en besloot terug te keren naar de kunst. Na al dat denken had ik behoefte aan kleur en ik begon te schilderen. Voor de derde keer in mijn leven zette ik de stap van wetenschap naar kunst, en tegelijk de stap van zwart-wit naar kleur. Het werd een enorm gevecht met de materie, een gevecht dat ik vroeger al twee keer had verloren en dat me meer dan eens tot wanhoop dreef. Maar ik hield vol en de derde keer bleek de goede keer te zijn. Het voelde als een overwinning.

Maar het was slechts een begin. Als ik wilde doorgaan met schilderen moest er geld in het laatje komen, want verf en doek zijn duurder dan papier en potlood. Ik ging op de markt in Brugge staan, voorwaar geen geringe stap voor iemand die zijn hele leven far from the madding crowd was gebleven. Gelukkig zat ik aan het water, onder de bomen, in het centrum van een stad die één groot kunstwerk is en ik voelde er mij dan ook thuis, al bleef het handeldrijven me vreemd. Brugge werd een heel dubbele ervaring. De stap van binnen naar buiten, van de (geestelijke) wereld van kunst en wetenschap naar de (materiële) wereld van handel en mensen, vervulde me met vreugde. Voor mij was het een ongekend gevoel ‘op aarde’ te komen, met beide voeten op de grond staan en onder de mensen te zijn. Daarom sneed het me door de ziel toen mijn marktloopbaan op een mislukking uitdraaide en ik de plek waar ik zo hard voor gewerkt had weer moest verlaten. 

In een ultieme poging om de zaak te redden, besloot ik opnieuw karikaturen te gaan tekenen. Daar had ik altijd succes mee gehad en Brugge, met zijn duizenden toeristen, leek er de ideale plek voor. Ik verheugde me erop weer te kunnen doen wat ik altijd het liefst gedaan had. Het kwam me ook voor als een teken: schoenmaker, blijf bij je leest! Tot mijn ontsteltenis botste ik echter op een muur van onverschilligheid. Hij was zo ondoordringbaar dat ik hem eveneens als een teken beleefde: sla deze weg niet in! Maar waarom? In een wanhopige poging om te begrijpen wat er gebeurde, kwam ik tot de onverwachte conclusie dat het Michaël was die me de weg versperde. Ik begreep dat hij ook degene was geweest die me vroeger verhinderd had de weg van de kunst in te slaan. Ik wist dat die wegversperring me ervoor behoed ten onder te gaan met de kunst en opgeslokt te worden door de Charybdis van onze tijd. Liep ik dat gevaar dat gevaar dan opnieuw of was er iets anders aan de hand? 

Hoe pijnlijk de botsing met Michaëls no pasaran ook was, diep in mijn hart wist ik dat Brugge me in een doodlopend straatje terecht had doen komen. Maar waarom had het lot me daar dan naartoe gevoerd? Het beeld dat nu in me opkomt, is dat van het labyrint. Net als je middelpunt van deze doolhof lijkt te bereiken, moet je terugkeren naar de buitenkant, waarna die beweging zich in omgekeerde zin herhaalt tot je uiteindelijk het doel bereikt. In mijn geval gebeurde dat tijdens de zomer van ’92, nel mezzo del camin di nostra vita, toen kunst en (geestes)wetenschap één werden en ik als het ware opnieuw geboren werd. Daarna begon dezelfde beweging opnieuw, de pendelbeweging tussen middelpunt en omtrek van het labyrint. Brugge was een herhaling van wat ik in mijn jeugd in Mechelen had meegemaakt. Ook daar, in die oude, historische stad (die ooit, net als Brugge, door tal van reien werd doorkruist) had Michaël mij zwijgend de weg naar de kunst versperd.

Als gevolg daarvan was ik aan de universiteit terechtgekomen en ook die geschiedenis herhaalde zich na Brugge. Out of the blue kreeg ik de vraag om enkele voordrachten te geven aan de antroposofische zomeruniversiteit. Ik had nog nooit voor een publiek gesproken en de gedachte alleen al joeg me de stuipen op het lijf. Maar het onderwerp – oude en jonge zielen – lag me nauw aan het hart en ik vond dat ik deze kans niet mocht laten liggen. Het zielenthema was een spiegelbeeld van het kunstwerk dat ik als de antroposofie-in-beeld had herkend, en het deelde ook hetzelfde lot: het werd door de antroposofische wereld miskend en genegeerd. De enige keer dat ik er een voordracht over hoorde, werd ex cathedra verkondigd dat antroposofen zich niet met dit thema horen in te laten. Toen mij onverwachts de gelegenheid werd geboden iets over te zeggen over deze afwijzing van de antroposofie door antroposofen, aarzelde ik slechts kort. De stap-naar-buiten die ik in Brugge had gezet, zou een vervolg krijgen. 

Ik overleefde ook deze tweede stap-in-de-openbaarheid, en er volgde nog een derde. Ik werd uitgenodigd om een werkgroep te leiden op de Lichtbaken-conferentie in Antwerpen. Daar bespeurde ik de werking van Michaël nog duidelijker dan in Brugge. Maar hier maakte hij het omgekeerde gebaar: in plaats van me de weg te versperren, heette hij me welkom, op zijn eigen zwijgende maar hartverwarmende manier. Het begon me langzaam te dagen dat hij me nooit de weg versperd had. Integendeel, hij had me de weg gewezen door het labyrint van mijn leven en hij had ervoor gezorgd dat ik niet uit de bochten vloog. De derde bocht van kunst naar wetenschap, viel nagenoeg samen met mijn verhuizing naar Scheldewindeke, en dat was eveneens een stap-naar-buiten. Onmiddellijk na afloop van de conferentie in Antwerpen ging ik aan de slag in mijn nieuwe tuin en beleefde daar de mooiste lente van mijn leven. En terwijl ik die half verwilderde tuin fatsoeneerde, begon ik ook orde te scheppen in de warboel van mijn levensherinneringen: ik ging op karma-onderzoek.   

Lichtbaken (7)

  
Ik stond nog met mijn kop koffie in de hand toen de gong weerklonk: de werkgroepen zouden beginnen. Ik had het lijstje in de folder bestudeerd en vond het moeilijk om te kiezen. Eén man wilde ik echter graag horen: Mathijs van Alstein. Hij was degene van wie ik een werkgroep had overgenomen omdat hij na de middag verhinderd was, en door dat ‘toeval’ had ik aan de conferentie kunnen deelnemen. Zoiets schept toch een zekere band. Maar dat was niet de enige reden waarom ik hem wilde horen. Iets zei me dat het interessant zou zijn en ik was niet de enige die dat dacht want zijn werkgroep vond bij wijze van uitzondering plaats in de grote zaal, zoveel belangstelling was er. Kwam dat doordat hij een ex-leerling van de school was? Wilde men graag eens een priester aan het woord horen? Wie zal het zeggen. Op het podium stapte een slanke jongeman van tussen de 25 en de 30 jaar. Naderhand zou blijken dat ik hem meer dan 10 jaar te jong had geschat. Op een rustige en zelfverzekerde manier vertelde hij wie hij was en waarover hij het zou hebben. Het klonk alsof hij dat meer gedaan had. 

De uiteenzetting die volgde was helder, eenvoudig en to the point. Het was zo’n voordracht waarvan je dingen onthoudt en dat vind ik al heel wat. Ik luisterde met groeiende belangstelling, maar ook met stijgende verbazing. Want wat Mathijs van Alstein vertelde, kwam in wezen op hetzelfde neer wat ik later op de dag in mijn eigen werkgroep zou gaan vertellen. Daar keek ik van op. Tot voor kort had ik nog nooit gehoord van de man, laat staan dat ik wist waarover hij het zou hebben. Over het trinitaire denken, zo stond het in de folder. Maar wat moest ik me daarbij voorstellen? Stond dat soort denken niet haaks op mijn eigen denken-in-tegenstellingen? Juist daarom wilde ik er meer over weten. Tot mijn verrassing bleken we het met elkaar eens te zijn en kwam Mathijs tot gelijklopende conclusies als ik. Een mooiere bevestiging van het bestaan van de ‘geest van de conferentie’ had ik me niet kunnen dromen. Maar ik had hem onderschat. Opeens hoorde ik Mathijs het woordje ‘karikatuur’ gebruiken. De tegenmachten, zei hij, waren karikaturen van de Triniteit. Krijg nou wat! dacht ik. Hoe groot was de kans dat iemand op deze conferentie over karikaturen zou spreken? En Mathijs deed het niet één keer, of twee keer, hij deed het wel tien, twintig keer. Het hele tweede deel van zijn voordracht leek in het teken van de karikatuur te staan, de karikatuur als abstract begrip weliswaar, niet als concreet kunstwerk, maar toch. Ik stond perplex. 

Een klein uur geleden had ik de zwarte doeken die de ingang tot de school afsloten, opzij geschoven en was de grote ruimte vol levendig pratende mensen binnengestapt. Niemand nam notitie van mij. Ik schoof aan voor een kop koffie en had nog maar één slok gedronken of ik moest me al naar de zaal reppen. Zonder een woord gesproken of een groet uitgewisseld te hebben, ging zitten en dacht: ik had net zo goed een toevallige voorbijganger kunnen geweest zijn die gewoon was binnengestapt om eens te kijken wat hier gaande was. Niemand had me iets gevraagd, niemand had me iets gezegd. Maar wat de mensen niet deden, deed de geest van de conferentie wel: hij verwelkomde mij, en hij deed dat in de taal die ik begrijp, de taal der beelden. Het werd me warm om het hart. Na afloop van de werkgroep schoof ik aan voor het middagmaal. Meneer, zeiden de (letterlijk) opscheppende meisjes: u heeft geen badge, wij mogen u geen eten geven! Ik antwoordde: als ik geen eten krijg, kan ik straks geen werkgroep leiden! O, zeiden ze, in dat geval … Ik ging bij enkele oude bekenden uit Gent zitten en begon me een beetje thuis te voelen.

Rechts naast me zat iemand die ik niet kende. Toen ze me hoorde praten, zei ze: je bent ook niet van hier, is het wel? Nee, antwoordde ik, ik kom uit Gent. Dat is toch geen Gents wat ik hoor? fronste ze de wenkbrauwen. Nee, zei ik, ik woon wel in het Gentse maar ik ben opgegroeid in Mechelen, vandaar. Nu was ze helemaal in de war, en ik hielp haar uit de brand: mijn ouders zijn van Gullegem en Stasegem (spreek uit: Hullehem en Stoasehem). Ik illustreerde dat met een lokale uitdrukking: aa Oarelbeke ni gescheetn, Stoasegem na gin eetn! Ja, lachte ze, zo ken ik de West-Vlamingen wel! Ik knikte: stofwisselingshumor, daar zijn we goed in. Denk maar aan Kamagurka en Wim Delvoye: beroemd geworden dankzij stront. De toon was meteen gezet: spontaan was het gesprek op kunst gekomen. Ja, het zou nog leuk worden op deze conferentie, dat voelde ik. 

Maar nu liet mijn slapeloze nacht zich voelen. Als ik om vijf uur – de start van mijn werkgroep – nog wakker wilde zijn, moest ik ergens een dutje kunnen doen. Gelukkig had ik al iemand gevonden waarmee ik ’s avonds mee terug naar Gent kon rijden. Daar hoefde ik me al geen zorgen meer over te maken. Werner Govaerts ontfermde zich over me en wees me de weg naar de ziekenboeg. Ik trok mijn schoenen uit en sloot met een zucht van verlichting de ogen. 

Om halfvijf werd ik wakker, precies op tijd. Ik trok mijn schoenen weer aan, ging me wat opfrissen en haalde een kop koffie, de zoveelste vandaag. Daarna ging ik op zoek naar het lokaal waar het zou gebeuren. Ik moest er helemaal voor naar de bovenste verdieping en was buiten adem toen ik lokaal 4.14 vond. Hé, dacht ik, 14 was mijn huisnummer toen ik in de Teichmannstraat woonde (Constance Teichmann was de Antwerpse Florence Nightingale). Ik opende de deur en mijn hart sloeg over. Door het raam zag ik het beeld waarop ik meer dan 40 jaar geleden verliefd was geworden: het panorama van de stad met in het midden de Onze-Lieve-Vrouwetoren. Dat uitzicht zag ik dagelijks vanuit de RTT-toren in de Lange Nieuwstraat waar ik tijdens de grote vakantie als jobstudent werkte. Ik was ingedeeld bij de inlichtingendienst van wat later Belgacom zou worden, en werd geprezen voor mijn geduld met de klanten en mijn karikaturen van de werknemers. Was dat niet een beetje hetzelfde wat ik ook nu weer zou doen: inlichtingen verstrekken en karikaturen tekenen? Ja, het leven kan wonderlijk zijn! En de geest die zoiets regelt, is een groot kunstenaar. Ik was er klaar voor. Met zijn zegen zou ik een vervolg breien aan het betoog van Mathijs Van Alstein, ik zou er bij wijze van spreken een tekeningetje bij maken …

(Op de foto: Mathijs van Alstein)

Lichtbaken (6)

  

Na zes maanden van ontspannen inspanning – waarbij de laatste drie maanden zowel een voortzetting als een omkering van de eerste drie waren geweest – brak dan eindelijk het grote moment aan. Vlak ervoor stak onverwachts een storm op waarvoor de kranten nu eens niet hadden gewaarschuwd. Na afloop gingen de hemelsluizen open en volgde de ene maartse bui op de andere. Hadden de media met geen woord gerept over de conferentie, de natuurwezens was ze niet ontgaan. Ze reageerden op hun manier. Of was het alweer toeval en inbeelding? Begonnen werd op vrijdagavond met een voordracht van Peter Selg, een grote naam in de antroposofische wereld en min of meer de opvolger van Sergej Prokofieff. Deze laatste had ik ooit in Antwerpen, op nagenoeg dezelfde plek, horen spreken en daarvan was me vooral het beeld van een extreme tegenstelling bijgebleven: aan de ene kant een stijve man in saai blauw pak die sprak over zeer geestelijke dingen, aan de andere kant de heksenketel van de Sinksenfoor die de grond deed daveren. Een polariteit was het echter niet. Tussen beide uitersten bestond geen enkel verband. Het waren twee aparte werelden die, hoewel slechts door een raam gescheiden, van elkaars bestaan niet afwisten.

Dit keer was het echter februari. Geen Sinksenfoor te bekennen. De volkskermis was trouwens al lang van het Zuid verdreven door hipsters en kunstgalerijen. Peter Selg zou aan de overkant van de Volksstraat spreken, in een kerk. Ik had hem graag eens bezig gezien, al was het maar uit nieuwsgierigheid naar de man-met-de-hoed die zoveel boeken schreef (waarvan ik er nog nooit een had gelezen). Maar ik ben een ochtendmens, ik kom ’s avonds niet graag mijn huis uit en bovendien had geen zin om vervoer en/of overnachting te regelen. Na zes maanden in de wereld van de geest vertoefd te hebben, stond mijn hoofd niet naar praktische zaken. Ik besloot pas de volgende dag naar Antwerpen te gaan. 

Na een slapeloze nacht stond ik al vóór zessen koffie te maken. Het zou echter nog tot 11 uur duren voor ik de Scheldestad bereikte. Ik was vergeten dat het met de trein altijd een beetje reizen is. Scheldewindeke sliep nog toen ik op het verlaten perron in een goeddeels lege trein stapte. Na Moortsele, Landskouter en Gontrode passeerden we Melle, waar we 15 jaar gewoond hadden voor we naar Destelbergen verkasten. Het station lag er nog altijd verwaarloosd bij, er was niks veranderd. In Gent kwam ik echter in een heel andere wereld terecht. De perrons waren gemoderniseerd in de megalomane huisstijl van de NMBS, ik herkende ze nauwelijks nog. De vertrekhal werd overspoeld door horden luidruchtige scouts. Bedelaars lagen op de grond. Mensen kochten haastig een kop koffie. Ik was meteen wakker. De eerste trein naar Antwerpen vertrok al over een kwartier, zag ik, maar hij bleek niet verder te gaan dan Zwijndrecht. Daar kon je dan de tram nemen, zei het bord. Dat zou ik niet doen, zei de mevrouw aan het loket. Dus werd het drie kwartier wachten. 

De volgende trein reed wél tot in Antwerpen, maar hij had geen haast. Hij maakte eerst een reis rond de wereld. In Sint-Niklaas was alles nog normaal. De zon deed het goud blinken op de kerktoren. Of was het het stadhuis? Hier had ik nog een jaar academie gelopen. Het was de tijd van Clouseau’s eerste hit: Anne, als ik jou zie ben ik niet meer bij te sturen … Ik had mijn Anne toen reeds gezien, ik was er zelfs mee getrouwd. Dit keer was het echter de trein die het stuur kwijt leek te zijn, want opeens reden we in Temse over de Schelde. Dat was niet de reguliere weg. Terwijl iedereen naar zijn smartfoon zat te staren, keek ik gefascineerd door het raam. Ik heb Temse altijd een betoverende plek gevonden. Vroeger reed ik er naartoe via het Buitenland, want zo heette de straat die je tot bij de dijk bracht waar de Schelde in majesteitelijke traagheid voorbij gleed. We passeerden Bornem, waar het kasteel staat van Marnix van Sint Aldegonde, die burgemeester was toen Antwerpen in 1585 viel en de neergang van Vlaanderen begon. We reden door Puurs, het geboortedorp van mijn oude leraar Nederlands die in mij de liefde voor de Rede deed ontvlammen. Daarna kwam Boom, het land van de bakstenen, waar de oude kleiputten vijvers waren geworden. Er was een natuurgebied ontstaan aan de rand waarvan mijn oudste vriendin Margot vroeger met haar Kamiel woonde, als de Philemon en Baucis van Antwerpen. En zo bereikten we ten slotte het Centraal Station, na wat een heuse reis door mijn verleden was geweest.  

Ook Antwerpen maakt deel uit van dat verleden, een zeer belangrijk deel zelfs. Ik was nog geen 20 toen ik de koekestad leerde kennen en het was liefde op het eerste gezicht. Mijn hart ging open, hier kon het vrij ademen, hier leefde een geest die mij vertrouwd was. Ik had hem leren kennen in de academie van … Mechelen. Die was toen een toevluchtsoord voor kunstenaars die Antwerpen ontvlucht waren na de inval van de barbaren (lees: van de hedendaagse kunst). Mijn leraar – ik had er maar één, net als in een steinerschool – liet nooit na te beklemtonen dat hij intra muros was geboren en dus niet tot het plebs van boate tstad behoorde. Wat hield ik van die Sinjoren met hun volkse hart en hun koninklijke zelfbewustzijn! Alleen al hun taal deed me helemaal smelten. En ik was een West-Vlaming! Groter tegenstelling bestaat er in dit land niet. Blijkbaar heb ik sterke karmische banden met Antwerpen, de stad van de onovertroffen Rubens, de stad waar Breughel en Brouwer gewerkt hadden, de stad waar De Braekeleer zo diep gezwegen heeft. Weinig steden kunnen bogen op zo’n indrukwekkend artistiek verleden als Antwerpen en mijn hart brak toen de Sinjorenstad opnieuw viel, precies 400 jaar na de eerste keer. Ze gaf de geest en niemand leek dat te merken. Maar ik kon de aanblik van haar stoffelijke resten niet verdragen. Ik verliet de Scheldestad en meed haar als de pest. 

En nu, 33 jaar later, keerde ik terug. Het was als een bezoek aan het graf een gestorven geliefde. De gouden zon waarmee de dag zo stralend was begonnen, viel niet meer te bekennen toen ik het Centraal Station uitstapte. De Keyserlei strekte zich grauw en grijs voor me uit. Wat een troosteloosheid! Halsoverkop haastte ik mij naar de Volksstraat. Om de drukte van de leien te ontlopen, dook ik de stad in, maar ik vond er mijn weg niet meer. Ik passeerde de Vogelenmarkt en besefte het niet eens. Antwerpen was onherkenbaar geworden. Gelukkig zag ik twee politieagenten, een man en een vrouw. Waar ligt het museum? vroeg ik hen. Dat leek me veiliger dan naar de steinerschool te vragen. Ze keken me aan alsof ik wilde weten waar een dode opgebaard lag. Zwijgend wezen ze me de richting aan. Ik kwam in de Scheldestraat terecht, nog altijd totaal gedesoriënteerd. Maar toen smoeg ik de hoek om en zag aan de overkant opeens de Hiberniaschool liggen. De ingang was gedrapeerd met grote zwarte doeken en binnen wachtte me de grootste ‘koffietafel’ die ik ooit gezien had. De ochtendvoordracht was net afgelopen en het geroezemoes van meer dan 200 mensen vulde de benedenverdieping. Het was me gelukt! Ik had er lang over gedaan maar ik was eindelijk op mijn bestemming geraakt. 

Lichtbaken (2)

  

Enkele weken na mijn toezegging ontving ik de officiële folder van de conferentie en zag tot mijn verbazing dat ik werd aangekondigd als … karikaturist. Daar moest ik toch even van slikken. De lijst van doctoren, professoren, filosofen, wetenschappers en andere geleerde mensen was lang. Ze schreven dikke boeken, hielden lange voordrachten, bekleedden belangrijke functies en waren kind aan huis in Dornach. En daartussen stond ik dan: een karikaturist, een nar, een sotscop. Wie zou dáárnaar willen gaan luisteren? Ach, troostte ik mezelf, als er niemand komt opdagen, loop je ook niet het risico op je gezicht te vallen. En ondertussen kun je die conferentie toch maar mooi gratis bijwonen. Trouwens, wás ik eigenlijk geen nar? Was dat niet de rol die ik zo graag speelde? Mensen een beetje sarren, de draak met hen steken, hun masker afrukken, dingen tegen hen zeggen die niemand durfde zeggen.

En deed ik dat ook niet wanneer ik karikaturen tekende? Ik probeerde de mens achter het masker tevoorschijn te halen. Als ik daar enig geweld voor moest gebruiken, deed ik dat met plezier. Ja, ook als ik géén tekeningen maakte, was ik een karikaturist. Overdrijven, dat was mijn regel wel. De karakterisering in de folder was dus raak. Het was niet omdat ik al lang geen karikaturen meer tekende dat ik geen karikaturist meer was. Ik begon schik te krijgen in de zaak. Misschien was dit wel wat ik moest doen op die conferentie: de rol van nar spelen, al die koningen van de geest een lachspiegel voorhouden zodat ze niet vergaten dat ze ook maar mensen waren. Misschien kreeg ik op deze manier mijn opdracht toegewezen: de ‘gewone mens’ vertegenwoordigen aan het antroposofische hof, de mens waarmee koningen nooit in contact kwamen, die vanuit zijn hart sprak en zijn mond geen vijf keer spoelde voor hij iets zei. Ja, die rol van go between tussen de tegenpolen, tussen de herders en de koningen, was me wel toevertrouwd. Het was mijn favoriete antroposofische thema.

Hoe meer ik erover nadacht, hoe sterker het vermoeden werd dat mij de taak werd toebedeeld om op de Lichtbaken-conferentie op te treden als karikaturist. Dat kon natuurlijk niet betekenen dat ik karikaturen zou gaan tekenen van de deelnemers. Maar wat kon het dan wél betekenen? Op zoek naar een antwoord op die vraag begon ik na te denken over de karikatuur. Wat is een karikatuur? Waarom maken mensen karikaturen? Wat is het wezen van dit randverschijnsel uit de wereld van de kunst? En vooral: wat heeft het te maken met het thema van de conferentie, met de driegeleding? Die vragen bleken verrassend vruchtbaar te zijn. Ze leverden antwoorden op die mijn vermoeden bevestigden dat de manier waarop ik in de folder werd voorgesteld inderdaad een ‘karmische vingerwijzing’ was. Na de nodige aarzeling besloot ik het in mijn werkgroep over de karikatuur te hebben. Ik stond er zelf van te kijken, want het was wel het allerlaatste onderwerp dat ik gekozen zou hebben. Stel je voor: mij viel de eer te beurt om te mogen spreken op een internationale antroposofische conferentie over driegeleding en ik zou daar een uiteenzetting gaan geven over … de karikatuur! Kon het gekker? 

Maar het voelde goed en ik ging verder in de aangewezen richting – of in de richting waarvan ik dacht dat ze mij aangewezen werd. Stap voor stap verdwenen mijn twijfels. Ja, dit was wat ik moest doen. Dit was ook wat ik wilde doen, want niets lag me nauwer aan het hart dan het tekenen van mensen en het zoeken naar wat hen uniek maakte. Ik zou proberen een portret te maken van de karikatuur, en aangezien ik altijd overdreef zou dat een karikatuur-van-de-karikatuur worden. Ik zou als het ware tegenover mezelf gaan staan en nadenken over wat mijn grootste hartstocht was. Op die internationale antroposofische conferentie zou ik het met andere woorden over … mezelf hebben. En dat was toch wel een grap, een narrenstreek, een sotternij. Hoe vaak had ik al niet moeten horen dat ik de zaken veel te persoonlijk benaderde, dat een antroposoof daarboven moest staan en zich richten op de objectieve geestelijke wereld! En nu zou ik precies het omgekeerde doen. Ik zou voor de spiegel gaan staan en zeggen wat ik zag: iemand die anderen een spiegel voorhield. Ik zou op de stoel gaan zitten waar anders de mensen zaten die door mij getekend werden. Ik zou met andere woorden het tekenen tekenen, ik zou een portret maken van de kunst. Geen doorwrocht, uitgewerkt portret maar een vlugge schets, een karikatuur, een poging om het unieke van de kunst zichtbaar te maken. 

Was dat niet wat ik mijn hele leven geprobeerd had? Honderden, duizenden mensen had ik getekend, ik kon daar nooit genoeg van krijgen. Het menselijk gelaat was voor mij landschap waarin ik eindeloos kon ronddwalen. Ik begreep dan ook niet waarom er met steeds grotere minachting werd neergekeken, niet alleen op het tekenen van mensen, maar op het tekenen tout court en op de kunst in het algemeen. Verbijsterd zag ik hoe de kunst brutaal aan de kant werd geschoven om plaats te maken voor pispotten, kakmachines en ander afval. Wat mij zo lief was, werd ontheiligd en verkracht op een manier die mij vervulde van ontzetting. Die barbaarse beeldenstorm schokte mij tot in het diepst van mijn ziel en deed daaruit de vraag oprijzen: wat gebeurt hier in godsnaam? Waarom wordt de kunst aan het kruis geslagen? Waarom moet ze zo’n smadelijke dood sterven? Want zo beleefde ik het: de kunst stierf. Er kwam een eind aan een oeroude traditie die terugging tot de grotten van Lascaux en Altamira. Al die tijd was er continuïteit geweest, al die tijd was de kunst herkenbaar gebleven. Tot vandaag. Nu brak de rode draad, en werd de kunst onherkenbaar verminkt. 

Het werd voor mij een zaak van levensbelang om mij een beeld te vormen van die stervende kunst, een beeld dat ik diep in mijn hart kon bewaren. Maar daarvoor moest ik de kunst begrijpen, daarvoor moest ik me van haar losmaken en tegenover haar gaan staan. En dat was buitengewoon pijnlijk, dat was als een sterven, want ik moest loslaten wat me het liefst was. Hoe intenser ik nadacht over de kunst, des te moeilijker werd het om zelf nog kunst te maken. Mijn denken verlamde mijn scheppende vermogens. Ik bloedde als kunstenaar langzaam leeg. De genadeslag kreeg ik in Brugge, waar ik in een laatste, uiterste krachtinspanning geprobeerd had mijn band met de kunst te behouden. De klap kwam hard aan, want het betekende het einde van mijn kunstenaarschap. Ik begreep het niet: waarom moest ik afscheid nemen van wat altijd mijn redding was geweest, van wat altijd de zin van mijn leven was geweest? Wanhopig probeerde ik de zin daarvan te doorgronden. Maar het lukte niet. Alles was één groot vraagteken geworden. Ik had geen idee hoe het nu verder moest. 

En toen kwam, als uit het niets, de vraag om op de antroposofische zomeruniversiteit in Frandeux drie voordrachten te houden. Dat was een stap over de drempel, want spreken voor een publiek was van jongs af mijn grootste nachtmerrie. Maar het lukte. Ik raakte met de hakken over de sloot. En twee jaar later kwam dan de vraag om op de Lichtbaken-conferentie een werkgroep te leiden. Voelde ik me in Frandeux nog moreel verplicht om die stap-over-de-drempel te zetten – wie zou anders over oude en de jonge zielen spreken? – dan voelde ik me in Antwerpen volkomen vrij. Wat wist ik nu helemaal over driegeleding! Ik was een rasechte tweegeleder (overdrijven is het midden verlaten en de uitersten opzoeken) en op die conferentie zou ik dus in het hol van de leeuw terechtkomen. Niemand had het me kwalijk genomen als ik daarvoor gepast zou hebben. Niemand zou er ook graten hebben in gezien als ik de manier waarop ik in de folder werd voorgesteld niet als een karmische vingerwijzing had geïnterpreteerd en bijgevolg niet over de karikatuur had gesproken. Wel integendeel. Deze stap de (internationale) drempel was een volkomen vrije beslissing.

De hele zaak deed me onwillekeurig denken aan wat Rudolf Steiner zegt over het Ik van de mens, namelijk dat het van buitenaf op hem toe komt. Ik heb dat altijd een mysterieuze en paradoxale uitspraak gevonden, want hoe kan iets zo intiems als het Ik nu van buitenaf op de mens toekomen? Maar nu begon ik het te begrijpen, ik begon het te ondervinden. Het tekenen van karikaturen was iets van mezelf en van mezelf alleen. Niemand moest me dat leren, niemand moest me daartoe aanzetten. Het was een drift die zich vanuit de duistere diepten van mijn wezen onweerstaanbaar een weg naar buiten baande. Ik vergeleek het wel eens met aardolie die werd aangeboord: het spoot eruit. En uitgerekend die hartstochtelijke wilsimpuls, die ik met zoveel hartpijn had moeten opgeven, kwam nu – totaal onverwacht – van buiten op me af in de vorm van een vraag die me volkomen vrij liet. Die vraag werd niet gesteld door mijn persoonlijke ‘demon’ maar door een bovenpersoonlijke geest die als het ware boven de conferentie zweefde en – dat zou ik duidelijk kunnen waarnemen – iedereen inspireerde die eraan deelnam. Toch was de vraag onmiskenbaar aan mij gericht en aan mij alleen. Uit de manier waarop ze werd gesteld sprak bovendien een diep inzicht in wie ik was, veel dieper dan het mijne. En de herkenning was wederzijds: ik begon een vermoeden te krijgen van wie de geest was die mij de ‘verlossende’ vraag had gesteld. 

Lichtbaken (1)

  

Zoals u heeft kunnen merken is er de laatste maanden weinig activiteit te bespeuren geweest op deze blog. Dat wil echter niet zeggen dat ik mijn dagen in ledigheid heb doorgebracht, wel integendeel. Ik was me al die tijd aan het voorbereiden op de internationale antroposofische conferentie Lichtbaken die afgelopen weekend in Antwerpen plaatsvond en waar ik een workshop moest geven, iets wat ik nog nooit had gedaan. Een half jaar lang ben ik daarmee bezig geweest, ononderbroken, dag in dag uit, van ’s morgens tot ’s avonds, weekends inbegrepen. Alleen de verhuis van Destelbergen naar Scheldewindeke onderbrak wat de langst volgehouden inspanning van mijn leven is geworden. En dat allemaal om één uur lang te spreken en daarna wat vragen te beantwoorden. Was ik dan zo bang om een figuur te slaan in dat internationale gezelschap? Dat ook natuurlijk, maar er was nog een andere reden. 

Laat ik echter eerst iets vertellen over die conferentie. Het was lang geleden dat er in ons land nog eens een internationale antroposofische conferentie plaatsvond. De vraag is zelfs of dat ooit gebeurd is. Het ging dus om een uitzonderlijk evenement. Wat was de aanleiding? Waarover ging het? Wel, het ging om 1917. Dit jaar is het honderd jaar geleden dat … ja, wat gebeurde er eigenlijk in 1917? Wat was er zo bijzonder aan dat jaar dat er een hele conferentie werd aan gewijd? Tijdens een inleidende voordracht van Wilbert Lambrechts, de initiatiefnemer en ook degene die me gevraagd had om mee te doen, vernam ik dat 1917 het annus horribilis was van Europa. Het was het jaar dat de Amerikanen zich in de oorlog mengden, het was ook het jaar dat de bolsjevisten in Rusland aan de macht kwamen. Beide machtsblokken – het kapitalistische en het communistische – zouden Europa in twee scheuren en haar midden vernietigen. 

Duitsland werd vernederd, verketterd en gedemoniseerd, Europa gedegradeerd tot een vazalstaat van Amerika, en de EU breidde haar macht uit in communistische stijl. De uitersten vielen samen en het midden verdween spoorloos. Maar niet helemaal. Want in datzelfde onheilsjaar 1917 presenteerde Rudolf Steiner zijn driegeledingsidee, waar hij 30 jaar had aan gewerkt. De sociale toepassing ervan was volgens hem de enige oplossing voor het oorlogsgeweld dat een dualistische wereld teisterde. Dat werd uiteraard niet begrepen, laat staan aanvaard, maar het was een zaadje dat, aldus Steiner, gezaaid moest worden. En dat wilde de Antwerpse Lichtbaken-conferentie van 2017 herdenken. Ze wilde tevens een stand van zaken opmaken. Wat was er van dat zaadje geworden? Hoe had de driegeleding zich de afgelopen honderd jaar ontwikkeld? Daar mocht ik dus mijn steentje toe bijdragen.

Ook voor mezelf is 1917 een cruciaal jaar, want toen werd de hedendaagse kunst geboren, waarvan ik het bestrijden tot mijn levensmissie heb gemaakt. Precies honderd jaar geleden stelde Marcel Duchamp de pispot tentoon die in geen tijd de wereld zou veroveren en een eind maken aan een eeuwenoude artistieke traditie. Na al die tijd is mijn verbijstering daarover nog altijd even groot. Hoe is het in godsnaam mogelijk dat de schitterende Europese cultuur in pakweg vijftig jaar aan de kant werd geschoven door een ‘kunst’ wier spectrum zich uitstrekt tussen pispot en kakmachine? Het is in wezen dezelfde vraag hoe het mogelijk was dat het land van Goethe en Schiller in de ban kon raken van iemand als Hitler. Die vraag blijft tot op de huidige dag onbeantwoord. Er worden tal van redenen en verklaringen aangevoerd, maar geen ervan raakt de kern van de zaak. Want die kern is geestelijk van aard. De oorzaak van de val van Europa kan niet in de materiële wereld worden gevonden. 

Zou de conferentie doordringen tot de kern van de zaak? Zou zij antwoord geven op de vraag die ik al m’n hele leven stel? Dat was weinig waarschijnlijk. In een wereld die Joseph Beuys op handen draagt, kun je geen ‘helderziendheid’ op artistiek vlak verwachten. Ik zou het dus zelf moeten doen. Maar laat ik niet op de zaken vooruitlopen. Dat alles was nog niet aan de orde toen ik geëngageerd werd. De afspraak was dat ik het zou hebben over de relatie tussen tweegeleding en driegeleding. Daarover had ik enkele gedachten geformuleerd die blijkbaar in goede aarde waren gevallen. Over kunst was in eerste instantie geen sprake, laat staan over hedendaagse kunst. Het was dan ook het verst van mijn gedachten om daar op de Antwerpse conferentie over te beginnen. Dat zou ik bij mijn internationale debuut nooit gewaagd hebben. Een mens moet zijn plaats kennen. Maar het lot besliste daar anders over. 

(wordt vervolgd)

Plagiaat

  

O Lieve-Vrouwetoren

  

Ienmoal, andermoal … Adzjuzee!

20140309-180623.jpg

Het nieuwe Antwerpse Havenhuis, de nieuwe hoofdzetel van het Antwerpse Havenbedrijf, van toparchitecte Zaha Hadid dreigt tientallen miljoenen euro’s meer te kosten dan gepland. In eerste instantie was de kost van de renovatie van de oude brandweerkazerne, waarop een stalen constructie komt, berekend op 28 miljoen euro. Dat werd aangepast tot 50 miljoen euro, maar ingewijden vrezen dat dit mogelijk tot 75 miljoen zal oplopen.

Kunst mag een beetje kosten nietwaar!

Al die Hedendaagse architecturale hoogstandjes hebben één ding gemeen (afgezien natuurlijk van het feit dat ze zo ongelooflijk mooi zijn dat het pijn aan de ogen doet): ze kosten altijd véél meer dan voorzien was.
Ze zullen in Antwerpen blij mogen zijn als ’t bij 75 miljoen blijft …
Maar ach, de Vlamingen zullen wel werken.
Voor kunst willen ze altijd een tandje bijsteken.
Als ’t maar hedendaags is.
En ‘internationaal’.

20140309-181630.jpg

O KASERLAIJCKE STADT, Hantwerpen groot en raijck,

Ick gheloof nau dat de Son beschaynt uwes ghelaijck,

In abondancy van sleyck, in schoonheyt van landouwen,

In Karcken triumphant, in devote Kloosters, en modeste ghebouwen,

In muragie masieft, vol alles, van rekreatie geboomt,

In kayen en in hoyen, woorlangskens dat hem stroomt

De Large revier, het water van den Schelde.

(Bredero, De Spaanse Brabander)

Ze willen maar niet luisteren

20140208-214325.jpg

Uit een bevraging van meer dan 100.000 Antwerpenaren is gebleken dat Bart De Wever het goed doet als burgemeester van de koekestad. Men is zelfs meer tevreden over hem dan over zijn voorganger, de bijna heilig verklaarde Patrick Janssens.
Dat is natuurlijk een nieuwsitem dat een Vlaamse krant niet zomaar aan de bevolking kan meedelen. Stel je voor: in Antwerpen zijn de mensen tevreden over Bart De Wever!
Zo’n bericht moet geduid worden.
Men moet het arme volk uitleggen wat het betekent.
En dus ging men ten rade bij een specialist, een politicoloog.
Dat tevredenheidscijfer, legde deze wetenschapper uit, was te wijten aan het feit dat Bart De Wever zoveel in het nieuws is geweest.

Dat kan inderdaad moeilijk ontkend worden.
Bart De Wever is iedere dag in het nieuws.
Bart De Wever is altijd in het nieuws.
Bart De Wever is het nieuws.

Er is geen opiniestuk of er wordt over Bart De Wever gesproken.
Of het nu gaat om de opwarming van de aarde, de bijensterfte, de putten in de Vlaamse wegen, het ontslag van Didier Bellens, de aankooppolitiek van Club Brugge, of de prijs van de fijne vleeswaren: men vindt altijd wel een manier om Bart De Wever erbij te halen.
Er blijft intussen niet veel meer over waarvan hij nog niet de schuld heeft gekregen.
Zelfs toen er onlangs een panelgesprek werd georganiseerd over de rol van de kunst in de hedendaagse maatschappij, bleek het gesprek grotendeels over Bart De Wever te gaan.

Nu reeds is hij een historische figuur, want nooit is een Vlaming méér over de tongen gegaan dan Bart De Wever.
Nooit is er in dit land zoveel kwaad gesproken over één politicus, of het zou Hitler moeten zijn.
Het verschil tussen Bart en Dolf is dan ook niet groot als we de media mogen geloven.
Ook Bart en Judas zijn sinds vandaag één persoon.

Omdat Bart in de media dagelijks met modder wordt overladen, is Bart volgens de media zo populair.
Het wordt stilaan onontkoombaar: de Vlaamse intellectuelen zullen naar een ander volk moeten uitkijken, want het Vlaamse wil maar niet luisteren.

20140208-213803.jpg