Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Tag: aquarel

Dromen van de zee …

  

Advertenties

Strandzicht

  

Het Damvalleimeer

  

Als ik dit eens vanuit m’n venster kon zien …

  

Aan het strand

Het was augustus, de zon scheen en het was vloed.
Ik liep langs de zee en zag hoe ze telkens een dun laagje water over het strand spoelde en zich snel weer terugtrok, terwijl het zand opdroogde.
Hé, dacht ik, de zee is een aquarellist!
Een aquarel maak je namelijk door papier te bedekken met een dun laagje (gekleurd) water dat je vervolgens laat opdrogen.
En dat telkens weer opnieuw, net zoals de zee.
Goed aquarelpapier heeft trouwens een uitgesproken ‘zanderig’ oppervlak en het bedekken ervan gebeurt snel en vloeiend zoals ook de zee dat doet.

Maar de verwantschap gaat verder dan dat.
Iemand omschreef aquarelleren ooit als ‘spelen met gekleurd water’.
Een aquarel laat inderdaad niet toe dat er (lang) op gewerkt wordt.
Ze verliest dan snel haar frisheid en helderheid.
Het schilderen dient speels te gebeuren.
Paradoxaal genoeg eist aquarelleren juist daarom veel ernst en concentratie: er kan immers veel verkeerd gaan en er kan weinig hersteld worden.
Het is dan ook zeer bedrieglijk om een aquarellist aan het werk te zien.
Hij lijkt alles eenvoudig, snel en moeiteloos te doen – alsof er geen kunst aan is – maar wat men niet ziet, zijn de lange jaren van hard werken en pijnlijk mislukken die aan dit kunnen-spelen zijn voorafgegaan.

20140826-152808.jpg

Aquarelleren doe je buiten alleen maar in de zomer, als de zon je papier doet drogen.
Ook op het strand wordt er alleen in de zomer gespeeld.
Mensen komen er om zich te amuseren, om zich te ontspannen.
Niets zo typisch voor het strandleven als spelende kinderen die druk in de weer zijn met hun emmertje en hun schepje.
Alleen al het kijken ernaar werkt ontspannend (sic).
Ze bouwen hele zandkastelen.
Ingespannen zijn ze bezig.
Maar hun werk is tegelijk een spel.

Bij de volwassenen is dat niet het geval.
Soms tennissen of voetballen ze wel een beetje, maar lang duurt dat nooit.
Het grootste deel van de tijd liggen ze gewoon op het zand en doen helemaal niks.
Daarom gaan ze ook naar zee: om niks te doen, om te ontspannen van het harde werken.
Het kinderlijke spelen is bij hen namelijk uiteengevallen in werken en ontspannen.
Volwassenen werken veel te ernstig dan dat ze nog speels zouden kunnen zijn.
Dat zie je goed aan al die zonnekloppers die roerloos in het zand liggen.
Ze doen niks en toch kan er geen glimlach af.
Ontspannen is voor hen een even ernstige zaak als werken.
Ze hebben die ontspanning nodig om zo hard te kunnen werken en ze moeten zo hard werken om zich überhaupt te kúnnen ontspannen.
De meeste strandgasten hebben een heel jaar gewerkt om tijdens de zomer een paar weken aan zee te kunnen doorbrengen.
Daar proberen ze dan ook het maximum uit te halen.
Van ’s morgens tot ’s avonds liggen ze roerloos in de zon.
Af en toe ‘vertreden’ ze zich, gaan een eindje wandelen of een beetje zwemmen, maar daarna gaan ze weer aan de slag: ze laden hun batterijen op, ze laten zich vollopen met licht, ze proberen alle opgestapelde ‘duisternis’ uit hun systeem te verdrijven.
Hun comateuze niets-doen is eigenlijk het spiegelbeeld van hun harde werken tijdens het jaar: hetzelfde maar omgekeerd.

20140826-152935.jpg

Niet zelden is het zwaarste deel van dat werk de zorg voor de kinderen.
Als die zorg op het strand (grotendeels) wegvalt omdat de kinderen het veel te druk hebben met spelen, dan komt er een lichte staat van euforie over de ouders.
Die euforie is de onzichtbare keerzijde van dat voor pampus liggen in de zon.
Bevrijd van hun zorgen geven de zonnekloppers zich over aan de zon, aan de zee, aan de elementen.
Ze worden helemaal lichaam, en daardoor worden ze ook één met de natuur.
Aan zee lukt dat nog vrij gemakkelijk want de natuur bevindt zich daar nog in zijn meest ‘elementaire’ vorm: aarde (zand), lucht (wind), water (zee), en vuur (zon).
De overgave aan deze nog kosmische, grenzeloze natuur gebeurt heel bewust.
Zonnekloppers lijken halfdood omdat hun aandacht helemaal naar binnen gekeerd is.
In feite bevinden ze zich in een toestand van meditatie die het volstrekte tegendeel is van het naar-buiten-gekeerd-zijn wanneer ze werken.
Wie zich vrolijk maakt over al die naakte, comateuze strandliggers, moet zich ook vrolijk maken over de gekostumeerde workaholics in het ‘binnenland’.
En als we die twee dan naast elkaar zien, vergaat het lachen ons.
Want er wordt een diepe tragiek zichtbaar: het verlies van het speelse midden, het verlies van het kind-zijn.

De volwassen mens zit in de greep van de uitersten.
Bij de comateuze zonneklopper is dat de greep van Lucifer: helemaal naar binnen gekeerd, vol overgave aan de kosmos, als een mediterende Oosterling.
Bij de hollende workaholic is dat de greep van Ahriman: helemaal naar buiten gekeerd, in de ban van de materie, als een Westerse streber.
En daartussen staat het kind: steeds eenzamer, steeds minder in staat om te spelen en zichzelf te zijn.
Spelen is een uitzondering geworden.
De regel is werken en ontspannen, en met geen van beide valt nog te lachen.

20140826-153505.jpg
(Vroeger was het beter)

Wie op het strand zit te aquarellen – lees: te spelen met gekleurd water – beseft heel goed hoe uitzonderlijk dat is.
Ik was waarschijnlijk de enige schilder aan de hele Belgische kust.
Je ziet vandaag immers geen mensen meer buiten schilderen.
De kunst is ‘binnenskamerser’ geworden dan ooit.
Ik herinner me nog dat ik op een keer buiten stond te schilderen toen er een schoolklas passeerde.
In een mum van tijd was ik omringd door verbaasde kinderen.
Dit hebben we nog nooit gezien! riepen ze uit.
Eén jongetje stond ostentatief in zijn ogen te wrijven en herhaalde keer op keer: ik kan het niet geloven, ik kan het niet geloven!
In zijn ogen was ik een soort mythische figuur waar hij wel eens had horen over vertellen maar waarvan hij zich niet kon voorstellen dat dat hij echt bestond.
Het was vermakelijk en pijnlijk tegelijk.

Want wat betekent het dat kunstenaars niet meer buiten schilderen, zeker in Vlaanderen niet?
De Grote Revolutie in de kunst vond plaats toen de impressionisten hun atelier verlieten en in de natuur gingen schilderen.
Ze deden hetzelfde als de ontelbare mensen die in de zomer naar zee trekken: ze onttrokken zich aan de verstikkende greep van Ahriman door zich in de armen van Lucifer te werpen.
Het resultaat was een kunst die zich volzoog met zon en licht, een kunst die alle ernst van zich afwierp en opnieuw begon te spelen.
Het was een plezier om naar die kinderlijke kunst te kijken en ze werd dan ook populairder dan een kunst ooit geweest is.
Maar de ‘vakantie’ duurde niet lang.
De kunst raakte weer in de greep van Ahriman, en die greep was verstikkender dan ooit.
De kunst had immers ervaren hoe ze eigenlijk zou moeten zijn: speels en kinderlijk.
Ze had weer contact gemaakt met haar eigen wezen, en dat kon ze niet meer vergeten.
Het maakte de gedwongen terugkeer naar de oude toestand – opgesloten in het atelier, afgesloten van de wereld – tot een kwelling.

20140826-153900.jpg

De kunst maakte na het impressionisme in het groot mee wat ik vandaag in het klein meemaak.
Na een week lang aan zee te hebben geschilderd en op die manier het spelende kind in me gewekt te hebben, is de terugkeer naar de ‘gewone’ wereld nauwelijks te dragen.
Verleden jaar had ik dat niet.
Maar ik heb toen ook niet of nauwelijks geschilderd.
Het was meer dan 25 jaar geleden dat ik nog met vakantie was geweest en dus had ik het veel te druk met luieren en niks doen.
Toen ik terug thuis kwam, voelde ik me helemaal opgefrist.
Ik draaide de knop probleemloos weer om.
Van Ahriman naar Lucifer en omgekeerd: dat gaat vanzelf.
Iedereen doet dat.
Moderne mensen houden werk en ontspanning strikt gescheiden: ze pendelen heen en weer tussen beide.
Kunstenaars kunnen dat niet.
Hun werk is spel tegelijk, en als het dat niet is, stelt het niet veel voor.
Het behoort tot het wezen van de kunst dat die twee één zijn.
En dat heeft tot gevolg dat de kunstenaar geen knop kan omdraaien.
Hij kan Lucifer niet vergeten en al zijn aandacht weer op Ahriman richten.
Hij ervaart de druk van beide tegelijk, en hij ervaart die druk ook nog eens als een kind, dat wil zeggen: zonder verweer.

Ik moet me dan ook tot het uiterste inspannen om weer greep te krijgen op mezelf, op mijn leven, op alle dingen die na die vakantieweek tegelijk over me heen vallen.
Maar ‘inspannen’ is niet het juiste woord.
Het is veeleer een uithouden van de onmacht.
Ik mag er niet aan denken wat er zou gebeuren als ik niet het mensbeeld van de antroposofie had, dat me als een geraamte belet om helemaal in elkaar te zakken.

20140826-154307.jpg

Ik maak me dan ook sterk, op gevaar af aan projectie te doen, dat de kunst zich na haar impressionistische ‘vakantie’ in de armen van Ahriman heeft geworpen om verlost te raken van de ondraaglijke kwelling die de confrontatie van het (opnieuw) spelende kind met Ahriman betekende.
Juist omdat ze de knop niet konden omdraaien en ook omdat ze niet over een mensbeeld beschikten dat hen overeind hield, hebben ze aan Ahriman niet alleen gegeven wat des Ahrimans is, maar hebben ze zich helemaal aan hem overgeven, het ‘spelende kind’ incluis.
Daardoor zijn ze – veel meer dan mensen die spel en werk zorgvuldig gescheiden kunnen houden – in de greep van de tegenmachten geraakt.
Het levert beelden op die zo pijnlijk zijn dat niemand ze kan geloven.
Men staat tegenover de ‘geahrimaniseerde’ kunst zoals dat in zijn ogen wrijvende jongetje tegenover mij stond toen hij mij zag schilderen: alsof het een soort mythische werkelijkheid is die niet echt bestaat.
De beelden van de hedendaagse kunst worden niet als echt ervaren.
Ze worden van iedere realiteit ontdaan door ze te herleiden tot abstracte, intellectuele begrippen.
Alleen op die manier kan men ze nog onder ogen zien.
Maar dat ‘zien’ is in feite een vorm van blindheid die veel erger is dan fysieke blindheid.
Want deze laatste kan men niet negeren.
Kunstblindheid beseft men echter helemaal niet.
Wel integendeel, hedendaagse ‘kunstkenners’ voelen zich halve helderzienden, ver verheven boven de gewone kijker.

Deze arrogante blindheid voor de realiteit van de kunst – die in wezen een blindheid is voor de geestelijke dimensie van de werkelijkheid – wordt echter zwaar betaald.
Ze wordt betaald met de stelselmatige (zelf)vernietiging van alle volwassen vermogens die de mens met zoveel moeite ontwikkeld heeft.
De moderne ‘kunstkenner’, niet in staat de realiteit van de hedendaagse kunst onder ogen te zien, herleidt zichzelf tot een kind, maar dan wel tot een kind dat niet langer beschermd en verzorgd wordt door zijn ouders, dat wil zeggen door het (mannelijke) verstand en het (vrouwelijke) gevoel.
Dat kind kan zich niet verweren tegen de geest die achter de blasfemische beelden van de hedendaagse kunst schuilgaat.
Het doet en zegt precies wat die geest het voordoet en voorzegt.

20140826-154457.jpg

Als ik kunstenaars bezig zie met pispotten en kakmachines, dan moet ik mezelf dwingen te denken: ze hadden als kind, als opgroeiende kunstenaar-in-spe geen andere keuze dan zich over te geven aan de antichristelijke geest die de (officiële) kunst in zijn greep heeft.
Het was dát of hun kunstdroom opgeven.
En dat kan een kunstenaar niet.
Maar de ‘volwassenen’, de kijkers, de kunstliefhebbers: die hebben wél een keuze.
Zij zijn niet verplicht om hun gevoel en hun verstand het zwijgen op te leggen om erbij te kunnen horen.
Dat ‘erbij horen’ heeft voor hen lang niet dezelfde gevolgen als het voor jonge kunstenaars heeft.
En toch gaan ze voor de bijl.
Als ik weer eens een kunstliefhebber ontmoet die zich inspant om erbij te horen, om ‘hedendaags’ en ‘van zijn tijd’ te zijn, dan moet ik mijn verontwaardiging bedwingen, want in mijn ogen is hij de zoveelste volwassene die ‘het spelende kind’ in de steek laat.
Ik moet mezelf dan dwingen om te begrijpen hoe het zover is kunnen komen.
Verontwaardiging brengt me immers geen stap vooruit, wel integendeel.

20140826-155330.jpg

En dus span ik mij in om het spelende kind te begrijpen in zijn relatie met de volwassenen.
Aan zee, schilderend op het strand, had ik volop de gelegenheid om beiden gade te slaan, zowel buiten mezelf als in mezelf.
Overal om me heen waren kinderen aan het spelen en ik was gewoon één van hen: ik werkte en speelde tegelijk.
Maar ik was ook een volwassene: ik wisselde werk en ontspanning af.
Dat ligt namelijk in de aard van de aquarel: je werkt even heel hard en geconcentreerd, en dan moet je wachten tot het papier droog is.
Aan die afwisseling ontkom je niet.
Eigenlijk deden we allemaal hetzelfde: de kinderen, de volwassenen en ikzelf.
Aan dat rijtje kun je ook nog de zee toevoegen, want ook zij ‘aquarelleerde’.
Er bevonden zich op het strand dus vier niveaus van bewustzijn: het slapende bewustzijn van de natuur, het dromende bewustzijn van het kind, het wakkere bewustzijn van de volwassene, en het bewustzijn van de kunstenaar.
Samen vormen ze een evolutionaire ketting.
Ieder kind wordt geboren uit de ‘moederzee’.
Ieder kind wordt volwassen.
Iedere volwassene wordt kunstenaar.
Want kunstenaar word je als je probeert de dingen die je doet beter te doen.
En dat wil toch ieder mens?
De enorme verbeteringsdrift die de moderne mens bezielt, wijst erop dat hij kunstenaar aan het worden is en dat hij een volgend bewustzijnsniveau bereikt.

20140826-155507.jpg

Maar dat kunstzinnige bewustzijnsniveau is tegelijk een keerpunt.
De kunstenaar begint weer te spelen als een kind.
Wat bij de volwassene in twee gedeeld is, voegt hij weer samen: werk en ontspanning worden één.
Daardoor komt de kunstenaar echter in botsing met de volwassene, die de twee juist strikt scheidt.
Twee tegengestelde bewustzijnsniveaus staan nu tegenover elkaar: het wakker oordelende maar gespleten bewustzijn van de volwassene en het dromerig scheppende eenheidsbewustzijn van de kunstenaar.
Voor het eerst in de bewustzijnsontwikkeling van de mens staan oordeelskrachten en scheppende krachten als gelijken tegenover elkaar.
Tot nog toe zijn ze altijd na elkaar gekomen, elkaar ritmisch afwisselend zoals eb en vloed.
Bij de volwassenen is dat duidelijk: ze werken het hele jaar en gaan dan twee weken naar zee om een beetje afstand te nemen van al dat werken.
Maar ook bij de kunstenaar vinden we die afwisseling, zij het veel sneller: hij neemt telkens weer afstand van zijn kunstwerk-in-wording, beoordeelt het en werkt er dan verder aan.
Zelf God kon niet tegelijk scheppen en oordelen: eerst moest hij de wereld scheppen, en pas daarna, op de zevende dag toen hij rustte, kon hij zien dat het goed was.

De mens kan die regel niet doorbreken, hij kan niet tegelijk scheppen en oordelen.
Zelfs wanneer hij het tempo van de afwisseling sterk opdrijft, zoals de kunstenaar dat doet, blijft de oer-tegenstelling bestaan.
Ze wordt zelfs zeer prangend, juist door het enorme verschil in tempo.
Terwijl de afwisseling bij de volwassene als het ware over een heel jaar is verspreid en het zelfs de vraag is of hij tijdens zijn jaarlijkse vakantie aan oordelen toekomt, gaat ze bij de kunstenaar steeds sneller: zijn oordeelskrachten zijn zo sterk geworden dat het zelfs de vraag is of hij tijdens zijn werk nog aan scheppen toe komt.
Kunstenaar en volwassene zijn elkaar dicht genaderd.
De moderne volwassene is bezeten van de drang om alles te verbeteren: hij wil kunstenaar worden.
De moderne kunstenaar is bezeten van de drang om alles bewuster te doen: hij wil volwassen worden.
Maar juist doordat ze zo dicht naar elkaar toe zijn gegroeid, is de spanning tussen hen te snijden. Want oordelen en scheppen blijven tegenpolen.
Ze laten zich niet verenigen, integendeel.
Ze bestrijden elkaar op leven en dood.

Ziedaar het Grote Drama van onze tijd, zoals het tot uitdrukking komt in de ontelbare conflicten waarbij twee tegengestelde partijen onverzoenlijk tegenover elkaar staan.
Om er maar één te noemen: het conflict tussen het Westen en de islam.
Het actieve Westen met zijn blinde scheppingsdrift.
De inerte islam met zijn onverzoenlijke oordeel.
Alle hedendaagse conflicten kunnen herleid worden tot dat ene oerdrama: de confrontatie van scheppende en oordelende krachten.
De spanningen van die confrontatie lopen zo hoog op dat ze explosief worden.
We leven in een wereld van explosies, letterlijke en figuurlijke, uiterlijke en innerlijke.
Zelfs mensen exploderen.
Ja, de hele menselijke beschaving dreigt opgeblazen te worden.

20140826-155915.jpg

Slechts één ding kan die zelfvernietiging tegenhouden, en dat is een verzoening tussen oordeelskrachten en scheppende krachten.
Zolang er geen brug wordt geslagen tussen die twee tegenpolen, is het dweilen met de kraan open.
De menselijke bewustzijnsontwikkeling heeft een cruciaal punt bereikt.
Er moet iets gebeuren wat nog nooit gebeurd is sinds de schepping van de wereld: oordelen en scheppen moeten met elkaar verenigd worden.
Daarom zei Rudolf Steiner dat we vandaag een keerpunt beleven zoals er nog nooit één geweest is.
Daarom deed hij tijdens de Weihnachtstagung ook iets wat nooit voorheen gebeurd was: hij voegde samen wat altijd gescheiden was geweest.
Daarmee legde hij de grondslag voor de wereld van de toekomst.

Het is goed om aan de Weihnachtstagung te denken als we kijken naar de gigantische problemen waarmee de mensheid vandaag geconfronteerd wordt.
Want die kerstbijeenkomst van 1923 was uiterlijk gezien zeer onaanzienlijk.
Ze vond bijna letterlijk plaats in een stal.
Daaraan kunnen we aflezen dat de oplossing van die overweldigende problemen begint op een (uiterlijk) zeer bescheiden niveau.
Ik denk bijvoorbeeld aan het strand, waar spelende kinderen en rustende volwassenen in vrede samenleven.
Wat is er eenvoudiger, bescheidener en onaanzienlijker!
En toch is het een oersituatie: het harmonisch samengaan van scheppende krachten en oordeelskrachten op een plek die er nog altijd uitziet als toen God land en water van elkaar scheidde.

20140826-160356.jpg

Op het strand bevinden we ons als het ware aan het begin van de schepping, niet alleen van de oude maar ook van de nieuwe.
Want de enige oplossing voor de huidige wereldproblemen ligt in de schepping van een nieuwe wereld.
Op een andere manier kunnen beide oerkrachten – het vrouwelijk-scheppende en het mannelijk-oordelende – niet met elkaar verzoend worden.
Er moet een nieuwe wereld worden geschapen: een kinderlijk-volwassen wereld.
Iets anders zit er niet op.
Maar hoe gigantisch die taak ook lijkt, ze is tegelijk heel eenvoudig.
Ze is gewoon een voortzetting van wat de zee spelenderwijs doet, en wat de mens nadoet wanneer hij speelt als kind, werkt en ontspant als volwassene, schildert als kunstenaar.
Telkens doet de mens hetzelfde, maar een beetje bewuster.
En zo begint ook de Nieuwe Schepping, de schepping van een Nieuwe Wereld: met de bewustwording van het stadium dat de mens nu bereikt heeft: het kunstzinnige stadium.

20140826-161136.jpg

Aan de verbeterdrift waardoor de moderne mens bezeten is, kunnen we aflezen dat hij een kunstenaar is geworden.
Aan de verontwaardiging waarin hij ontsteekt van zodra iets niet is zoals het hoort te zijn, kunnen we aflezen dat hij tegelijk een kunstcriticus is geworden.
Zowel zijn scheppende als zijn oordelende krachten hebben een hoogtepunt bereikt.
Er is maar één probleem: hij weet het niet.
Hij is zich niet bewust van de situatie waarin hij zich bevindt, en daardoor gaan beide oerkrachten hun eigen gang zonder dat hij er enige controle over heeft.

In feite kunnen alle huidige wereldproblemen daartoe herleid worden: de mens kent zichzelf niet.
Hij weet niet wat er zich in zijn ziel afspeelt.
Hij weet niet dat de Oude Schepping afgelopen is en dat hij aan de Nieuwe Schepping begonnen is.
En juist doordat hij dat niet weet, is hij een vernietiger geworden, een kunstenaar die denkt dat hij een nieuwe wereld schept, maar in feite alleen de oude vernietigt.

De keuze waarvoor hij staat, is dus niet: kunstenaar worden of geen kunstenaar worden.
De keuze is: een scheppend kunstenaar worden of een vernietigend kunstenaar.
De Nieuwe Wereld komt er hoe dan ook, maar of het een menselijke dan wel een onmenselijke wereld zal worden, hangt af van de mate waarin de mens zich bewust wordt van zijn kunstenaarschap, van zijn scheppende krachten.
Want scheppende krachten en oordeels- of bewustzijnskrachten kunnen maar op twee manieren met elkaar verbonden worden: ten goede en ten kwade.
Een tussenweg is er niet.

Hoe dat precies in zijn werk gaat: daarover volgende keer meer.

20140826-161347.jpg

Tentoonstelling aan zee

Woensdag begon somber.
Om van die nood een deugd te maken, besloten we om de jaarlijkse tentoonstelling van het ‘Belgische Aquarelinstituut’ te bezoeken. Die vond dit jaar namelijk heel toevallig plaats in Nieuwpoort, aan de kust dus.
Als je op het strand van De Haan richting Nieuwpoort kijkt, zie je Oostende liggen.
Klein uurtje wandelen en ik ben er, denk je.
Maar ruimte en tijd hebben aan zee een ander karakter.
Te voet naar Oostende, daar doe je zeker drie uur over.
En Nieuwpoort ligt nog eens drie uur verderop.
Zelfs met de fiets hadden we het niet gehaald.
Dus namen we de auto.
Een wijs besluit, want we waren nog niet vertrokken of het begon pijpestelen te regenen.
Ze kletterden op het dak als om te zeggen: blijf thuis!
Maar we beten op onze tanden.

20140810-162426.jpg

Dat was om meer dan één reden nodig.
Een mens vergeet altijd weer hoe onvoorstelbaar lelijk de Belgische kust is.
Wat het allemaal nog pijnlijker maakt, is dat je hier en daar nog kunt zien hoe onvoorstelbaar mooi diezelfde kust ooit geweest moet zijn.
In het nauw gedreven door intimiderende hoogbouw staan her en der nog oude villa’s en huizen die je op slag aan het dromen brengen.
Vooral in Oostende is de tegenstelling schrijnend.
Wat ooit de koningin der badsteden was, is nu een verloederde strandhoer geworden.
Tussen eindeloze rijen flatgebouwen die met elkaar wedijveren in lelijkheid, houden oude, eerbiedwaardige herenhuizen met de moed der wanhoop stand.
Als je met de auto door het centrum rijdt, passeer je af en toe een zijstraat waar je er nog een hele rij ziet: allemaal verschillend, allemaal ontsproten aan een door de zee geïnspireerde verbeelding, allemaal robuust en indrukwekkend.
Ze roepen het oude, glorieuze Oostende op en je durft niet te denken aan de verwoesting die hier heeft plaatsgegrepen.

20140810-162817.jpg

Maar het is niet alleen de ‘hogere’ kustcultuur die zo vreselijk toegetakeld is.
Van het vissersleven dat vroeger zijn stempel drukte op de kust (en er één van de grote charmes van was) is nauwelijks iets overgebleven.
Als we Nieuwpoort-dorp binnenrijden, is het nieuwe tramstation het eerste wat we zien.
Het is opgetrokken in de typisch hedendaagse, intergalactische stijl: een glimmende buizenconstructie die niet harder kan vloeken met de omgeving.
Vleermuisvormige zeilen zijn zodanig gespannen dat het er vrolijk tussendoor regent.
Wachtende reizigers moeten op een hoopje gaan staan om niet nat te worden.

Als ik zo’n schreeuwerig modern bouwsel zie, hoor ik op de achtergrond altijd een luid bulderlachen: de hedendaagse geest die de mens vierkant uitlacht.
Op een kwaadaardige manier maakt hij zich vrolijk over de stompzinnigheid van de moderne mens die je alles kunt wijsmaken, zelfs dat zijn gedrochten mooi zijn.
Het glimmende onding staat pal tegenover de Nieuwpoortse vismijn.
Die vismijn is een troosteloos gebouw zonder één spoor van schoonheid of fantasie.
Maar duizend keer liever zo’n doorleefd misbaksel dan ‘hedendaagse schoonheid’.
Nochtans kan je de ingang tot een kunsttentoonstelling niet deprimerender bedenken dan deze grauwe muren en afgebladderde ramen.
Als we de trappen beklimmen, komen we echter in een verrassend grote zaal, met aan de achterkant een riant uitzicht op de vaargeul en de aanlegsteiger.

20140810-163047.jpg

Aan een tafel zijn enkele dames in een geanimeerd gesprek gewikkeld.
Dat zet de toon.
Algauw zal namelijk blijken dat de hele tentoonstelling een vrouwenaangelegenheid is.
Ik schat dat drie vierden van de werken van de hand van vrouwen zijn.
En dat is te veel.
Als vrouwen in de meerderheid zijn, hebben ze de neiging samen te klitten en een eigen wereldje te vormen dat buitenstaanders met wantrouwen bekijkt.
Mannen hebben dan weer de neiging onderling te gaan wedijveren om te zien wie de beste en de sterkste is.
Maar hun individualiserende wedijver is een betere voedingsbodem voor kunst dan het ‘socialiserende’ samenklitten.
En dat is er ook aan te zien.
Aan de aquarellen, bedoel ik.
De overgrote meerderheid is het resultaat van nijvere vlijt, slechts uit enkele spreekt enige persoonlijkheid.
En is dat niet juist wat kunst boeiend maakt: dat je een blik werpt in een mensenziel, dat je een Ik ontmoet?

20140810-163403.jpg

Het is zeker geen toeval dat de meeste schilderijen abstract zijn.
Volgens Rudolf Steiner zit het Ik van de mens niet ‘van binnen’, maar komt het ‘van buiten’ op de mens toe.
De mens vindt zijn Ik dus niet door de blik naar binnen te richten (wat vrouwen zo graag doen) maar door naar buiten te kijken.
Dáár, in de hem omringende wereld, leeft zijn Ik.
Abstracte kunst is het resultaat van ‘introversie’ en dat levert geen individuele, bezielde kunst op, maar eindeloos geëxperimenteer met kleuren en vormen en materialen.
Dat is wat de aquarellerende dames gedaan hebben: ze hebben zich geamuseerd met verf en papier.

Op zich is daar natuurlijk niks mis mee, integendeel.
Aquarelleren is in essentie: spelen met gekleurd water.
Maar ‘spelen’ impliceert kinderlijke onbevangenheid, en die is hier ver te zoeken.
Alles op deze tentoonstelling ademt ernst, diepe, gewichtige ernst.
Wie denkt hier te maken te hebben met een groepje moeders wier kinderen het huis uit zijn en die de lege tijd vullen met het schilderen van bloemstukjes of zeezichtjes, vergist zich zwaar.
Deze dames gaan voor het echte werk, voor de kunst met een grote K.
Ze zijn er zelf van onder de indruk.
Met ernstige gezichten staan zij voor elkaars experimentele prestaties commentaar te leveren of leggen zij bezoekers uit welke peilloze diepten in hun werk verborgen liggen.
Die bezoekers begrijpen meteen dat hier de grootste ernst geboden is.
Wee degene die een onvertogen woord zou zeggen of, (veel) erger nog, in lachen uit zou barsten!
Eeuwige haat zou hem of haar ten deel vallen.
Jonge mensen zijn hier dan ook in geen velden of wegen te bekennen, noch aan de schilderende noch aan de kijkende kant.
De gemiddelde leeftijd ligt rond de 65.

20140810-171400.jpg

Ik kijk naar de verf-experimenten en vraag me af: hoe hebben ze dát in godsnaam gedaan?
Ik had geen idee dat je dat soort effecten kon bereiken met aquarelverf.
Maar echt interesseren doet het me niet.
Dat soort experimenten is … voor kinderen.
Zij moeten de mogelijkheden van de materie nog verkennen voor ze ermee aan de slag gaan.
Maar deze dames (en enkele heren) zijn geen kinderen meer, en ze gaan ook nergens mee aan de slag.
Ze blijven gewoon steken in het prille begin en vinden dat het einde.
Ze verbinden de uitersten met elkaar en slaan het hele middenstuk over, het stuk waar het kind zich ontwikkelt tot volwassene en de volwassene tot kunstenaar.

De dag tevoren had ik op het strand nog vol bewondering staan kijken naar de sierlijke en geraffineerde vormen die het zeewater in het zand geboetseerd had.
De gedachte kwam in me op om dáár eens een aquarel van te maken, maar ik verwierp ze weer.
Misschien, als ik jonger was geweest …
Dan moet je dergelijke huzarenstukjes proberen, om (jezelf) te tonen wat je kunt.
Maar ik heb daar geen tijd meer voor, ik ben te oud geworden.
Ik wil nu doen als het kind dat met grote ogen staat te kijken naar het geboetseerde zand en er vervolgens zijn spade in steekt.
Want net als dat kind wil ik zandkastelen bouwen.
Ik wil iets maken dat van mezelf is en waarin ik kan wonen en mezelf verdedigen tegen alles wat mij wil beletten ‘Ik’ te zijn.
Die kinderlijke zandkastelen mogen dan lachwekkend onbeholpen zijn vergeleken bij het geniale meesterschap van de natuur, maar het zijn wel mijn kastelen.

20140810-172007.jpg

Er hangen op de hele tentoonstelling maar twee ‘zandkastelen’, twee kinderlijk onbeholpen aquarellen, en dat zijn meteen de beste.
Het zijn ook de enige die iets vertellen over de schilder (een vrouw trouwens, ik ben de naam vergeten): één kind tussen allemaal doodernstige volwassenen.
Toevallig of niet hangen haar schilderijen helemaal achteraan, alsof ze er net nog bij mochten.
Het zijn twee vrolijke, speelse interieurs, licht en transparant zoals een aquarel hoort te zijn.
Ze dragen als titel: Atelier I en Atelier II.
Het is een verfrissing na titels als: ‘Could there be any light in this darkness?’ of ‘Sand in my hair, sand in my mouth.’
Ik stel met voldoening vast dat de schilder(es) haar beide aquarellen duurder geprijsd heeft dan het gemiddelde van de tentoonstelling (dat tussen de 500 en 600 euro ligt).
Dat wijst erop dat ze zich van haar waarde bewust is, en dat is een goede zaak, anders zou ze vroeg of laat ook beginnen experimenteren, om bij de ‘echte’ kunstenaars te horen.

Ik hoor een vrouw haar afkeer uitspreken voor deze twee aquarellen.
Moet je eens kijken, hoe vuil en slordig dat geschilderd is!
Wat haar betreft hadden ze die kladwerken moeten weigeren: ze doen het vermoeden rijzen dat hier amateurs aan het werk zijn en daar zal op de eerstvolgende vergadering van het Aquarelinstituut eens ernstig over gesproken moeten worden.
De vrouw beseft natuurlijk niet dat ze in een spiegel kijkt.
En dat alleen het gelijke het gelijke herkent.
Het kind-in-haarzelf heeft zich niet kunnen ontwikkelen.
Het zit gevangen in de kooi van haar volwassenheid.
En het is die verstarde volwassenheid die zich ergert aan het spel van het vrije kind en niet in staat is de kunstzinnigheid ervan waar te nemen.

20140810-172201.jpg

Al die gedachten spelen half bewust door m’n hoofd als An me naar het raam wenkt.
Haast je, gebaart ze.
Ik rep me naar het venster en ben net op tijd om een sleepboot te zien voorbijvaren.
Op de voor- en achtersteven lees ik in grote witte letters: Peter Paul Rubens.
Ik moet lachen: dát is een beeld dat kan tellen!
Rubens was een zeer ‘volwassen’ man, een man van de wereld.
Als schilder was hij een harde, gedisciplineerde werker.
Als zakenman was hij gehaaid en succesvol.
Als diplomaat liet hij zich in met ernstige wereldse aangelegenheden.
Als esotericus kende hij diepe spirituele geheimen.
Volwassener kun je ’t echt niet bedenken.
Maar deze rijke, beroemde en gewichtige man schilderde als een kind.
Zijn penseel danste en zwierde over het doek, vol onbedaarlijke levensvreugde.
Als een ondeugend kind zocht hij voortdurend de grenzen van het toelaatbare op.
Hij speelde met vuur door de kwezels en inquisiteurs van het katholieker dan katholieke Spanje schilderijen te presenteren waarvan de zinnelijkheid soms aan het obscene grensde.
Maar hij kwam daarmee weg omdat hij het niet opzettelijk deed.
Hij wás gewoon zo: een groot kind.
Daarom kon hij ook kinderen schilderen als geen ander.

20140810-172622.jpg

Ik weet niet welke regisseur het zo bepaalde dat die sleepboot daar net op dat moment kwam voorbijvaren, maar hij creëerde een volmaakt tegenbeeld van die aquareltentoonstelling.
De geniale Rubens, kind en volwassene in één, en de kinderachtige, zichzelf zo ernstig nemende aquarellistes: groter tegenstelling is niet mogelijk.
Ik prees mezelf gelukkig dat ik me ergens in het midden bevind: ver verwijderd van het onbereikbare genie van Rubens, maar niet minder ver verwijderd van die ‘omgekeerde kinderlijkheid’, die combinatie van luciferische eigenwaan en ahrimanische verstarring.
De aquarellen die ik op het strand maak – tussen de (andere) spelende kinderen – zijn onbeholpen pogingen vergeleken met de indrukwekkende experimenten van de schilderende dames, maar ze hebben (hoop ik) iets wat op deze tentoonstelling ontbreekt, en dat is Ik-kwaliteit, de kwaliteit van het midden die ontstaat wanneer Lucifer en Ahriman in evenwicht worden gehouden.
Gelet op de innige omhelzing van beide spitsbroeders – als van twee boksers die zich aan elkaar vastklampen – kan dat enkel een zeer wankel evenwicht zijn, een evenwicht waarbij je harde klappen moet incasseren.
Want van zodra je Lucifer en Ahriman uit hun omhelzing losmaakt, word je hun boksbal.

20140810-173052.jpg

An is intussen naar buiten gevlucht.
Ze kreeg geen lucht meer.
Of dat alleen aan de natuurlijke omstandigheden lag – ondanks de regen was de atmosfeer drukkend – laat ik in het midden (sic).
Ik vervoeg haar even later en samen slenteren we langs de viswinkels aan de overkant.
Het zijn er wel drie of vier, en in hun etalages liggen vissen van alle soorten hoog opgestapeld.
Wie koopt dat allemaal, vragen we ons af.
Tenslotte is Nieuwpoort niet bijster groot.
Ter vergelijking: in De Haan vind je geen enkele vishandel.
Degenen die er een wilden beginnen, stuitten naar verluidt op het veto van de omwonenden: het zou teveel stinken.
Wat zou er echter het meest stinken, vis of domheid?

We willen een koffie drinken om te bekomen van al die ‘kunst’, maar we komen alleen maar visrestaurants tegen (die overigens allemaal bomvol zitten).
Gelukkig vinden we een gewoon cafeetje.
Het is nagenoeg leeg.
We eten er een veel te zoete wafel en een veel te zoet ijsje, terwijl we luisteren naar muziek uit de tijd toen we nog jong waren.
Bij het afscheid wordt ons een strandspel-set van Hoegaarden aangeboden.
We hebben nochtans alleen maar koffie gedronken.
Dank u, zegt An, wij zijn daar te oud voor en onze kleinkinderen te jong (een dichterlijke vrijheid, want we hebben er slechts één).
We appreciëren niettemin het gebaar.
Misschien herkende de waard – een jong meisje – het kind wel in ons, en wilde ze het een cadeautje doen …

20140810-173654.jpg

Spelen met gekleurd water

Zo, het is afgelopen met het mooie weer.
Daarnet zat ik nog in de brandende zon te schilderen, nu zit ik alweer binnen naar de regen te kijken.
Het kan verkeren in de Lage Landen.
De ene dag wil je de kachel aansteken, de volgende dag zit je te verlangen naar air-conditioning.
Ik heb geen probleem met die uitersten.
Ik hou van hitte én van vrieskou.
Maar ik heb een probleem met de afwisseling.
Ik ben geen flexibel mens.

Daarom heb ik zoveel moeite met aquarelleren.
Dat heb ik namelijk de afgelopen week gedaan.
Iedere dag buiten gaan schilderen.
Problemen zoeken, zeg maar.

Ja, wie overvallen wil worden door een stortvloed van problemen, moet maar eens een aquarel maken.
Succes – dat wil zeggen: mislukken – gegarandeerd!

20130906-153853.jpg

Maar áls het eens een keer lukt, ja dan is het feest!
Een geslaagde aquarel is iets wonderlijks.
Iets van een andere wereld bijna.
Goede aquarellisten zijn dan ook zeldzaam.
Aquarelleren staat bekend als de moeilijkste van alle artistieke technieken.
Dat heb ik deze week wel ondervonden.

Mijn oude tekenleraar omschreef aquarelleren ooit als: spelen met gekleurd water.
Hij bedoelde het natuurlijk in de Schilleriaanse betekenis van het woord: spelen als de hoogste verwezenlijking van het mens-zijn.
Spelen als een kind, maar dan als volwassene.
Dát is aquarelleren.
Dat is in feite álle kunst, maar in het aquarelleren treedt het spelelement het duidelijkst op de voorgrond.
Daarom is aquarelleren ook zo moeilijk: omdat spelen zo moeilijk is.

Ik heb hard gewerkt de afgelopen dagen, maar niet gespeeld.
Dat lukte niet.
Er was dan ook geen reden om feest te vieren.
Tuurlijk, als ik m’n aquarellen toon, zeggen mensen: o, wat mooi!
Maar dat is natuurlijk niet wat ik wil horen.
Ik wil niks horen.
Ik wil dat woorden in de keel blijven steken.
Pas dan weet ik dat ik echt een goede aquarel heb gemaakt.

Ik geloof dat ik nog nooit zo’n aquarel heb gemaakt.
Ja, aquarelleren is vreselijk ontmoedigend.
Aquarelleren zonder tranen: zo luidde de titel van een cursus die ik ooit op internet tegenkwam.
Eén van de ontelbare cursussen.
Want aquarelleren is heel populair.

Hoe valt dat samen te rijmen?
Waarom willen zoveel mensen aquarelleren als het zo moeilijk is?
Waarom houdt een mens het vol als het steeds weer mislukt?

Wel, aquarelleren líjkt heel gemakkelijk.
Op het internet vind je honderden filmpjes van mensen die tonen hoe het moet.
En het ziet er allemaal zo eenvoudig uit.
En het kost hen helemaal geen moeite.
En het staat erop voor je ’t weet.
En dus denk je: dat-kan-ik-ook.

Maar er gaapt een diepe kloof tussen zien doen en zelf doen.
Het is de kloof tussen theorie en praktijk.
Want de theorie van aquarel is heel eenvoudig.
Er zijn maar twee basistechnieken: een natte en een droge.
Bij de natte werk je op nat papier: je brengt wat verf op met je penseel en je wacht af wat er gebeurt.
Meer kun je niet doen. Het water doet alle werk.

Het resultaat is typisch voor aquarel: kleuren die zacht in elkaar overvloeien.

Bij de droge manier werk je op droog papier.
Hier heb je veel meer controle.
Toch blijft die controle beperkt, want van zodra je iets op papier hebt gezet, moet je eraf blijven.
Je moet het water ook hier zijn werk laten doen.

En ook hier is het resultaat typisch voor aquarel: zeer scherp afgelijnde kleurvlakken.

Veel theorie komt er dus niet aan te pas.
Nat of droog. Wazig of scherp.
Dat is het zowat.
Maar de kunst bestaat erin om deze twee technieken met elkaar te combineren.
En dan beginnen de problemen, want het zijn ‘extreme’ technieken.
Ze vormen de grootst mogelijke tegenstelling.
In de hele kunstwereld zijn geen waziger vormen te vinden dan die van aquarel.
In de hele kunstwereld zijn geen scherper lijnen te vinden dan die van aquarel.
Heel zacht vervloeiend en heel scherp aflijnend: ziedaar de twee polen waartussen de aquarel zich afspeelt (sic).
Daarom is aquarel zo moeilijk: omdat je de grootste uitersten met elkaar moet verbinden.
En je moet dat spelenderwijs doen, alsof het geen moeite kost.
Begin er maar eens aan!
Als volwassene.
Als weinig flexibel mens.
Als autist, die veranderingen haat.

Niets verandert zo als een aquarel.
Het verschil tussen een natte en een droge aquarel is enorm.
Wat er op dat natte papier gebeurt en wat er droog van overblijft, is … ontnuchterend.
Je moet tijdens het schilderen helemaal meegaan met dat water,
maar tegelijk mag je nooit vergeten hoe het eruit zal zien als alles weer droog is.
Je moet dromen en tegelijk heel wakker zijn.
Als je aquarelleert, kom je telkens weer die uitersten tegen.
En dat betekent dat je jezelf tegenkomt.
Geen pretje.
Er is een sterk Ik nodig om jezelf onder ogen te zien.

Dat ‘zelf’ is wel heel volwassen geworden, maar het heeft het kind-in-zich verloren.
Het is als een baarmoeder die leeg achterblijft nu het kind geboren is.
En met dat kind moet de moderne, volwassen geworden mens, een relatie aangaan.
Hij heeft dat kind nodig om volwassen te blijven, om niet weer kinds te worden.
En ook dat kind heeft de volwassene nodig om niet verloren te gaan.
We kunnen niet terug naar vroeger, toen de mens het kind nog in zich droeg.
We kunnen alleen vooruit, naar een mens-zijn dat tegelijk volwassen en kinderlijk is.
Het beeld van de nieuwe mens is dubbel: een volwassene en een kind.
Twee uitersten en toch één.
Want tussen die uitersten speelt het grote mysterie zich af, het mysterie van de kunst dat tegelijk het mysterie van het menselijke Ik is.

Ik heb deze week hard gewerkt.
Ik heb leren spelen, al was het maar met gekleurd water.
Ik heb me geoefend in mens-zijn.
En ik heb ondervonden dat er nog een héél lange weg te gaan is.
Want: ars longa.
En de rest ben ik vergeten.

20130906-173905.jpg