Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Tag: Brugge

65 (3)

  

Geloof kan bergen verzetten, zo heet het. Ik heb dat bergenverzettende geloof momenteel hard nodig, want ik sta voor een enorme berg: het vinden van een nieuw huis, een huis vergelijkbaar met het huidige, want ik wil en kan niet terug naar de stress, het lawaai en de lelijkheid van mijn oude leven. Na drie jaar Scheldewindeke – jaren van rust, stilte en schoonheid – zou ik dat innerlijk niet meer overleven. Ik heb een geloof nodig dat bergen kan verzetten omdat de kans dat we zo’n huis vinden langs de gebruikelijke weg zo goed als onbestaande is. Net als drie jaar geleden toen we Destelbergen moesten verlaten, is er opnieuw een mirakel nodig. Ons nieuwe huis zal met andere woorden uit de hemel moeten vallen, net als dat in Scheldewindeke. Sinds ik hier woon weet ik dat dergelijke mirakels gebeuren. En eigenlijk weet ik dat al langer, want er zijn wel meer onwaarschijnlijke dingen gebeurd in mijn leven. Maar de vraag is: kun je zo’n mirakel bewerkstelligen door erin te geloven?

We hebben jaren gezocht voor we het huis in Scheldewindeke vonden. Achteraf gezien had dat zoeken geen enkele zin, want hoe vaak we ons ook kandidaat stelden voor een huis, we werden telkens afgewezen wegens werkloos, wegens een te laag inkomen. Uiteraard werd die reden nooit vermeld, we kwamen er pas op het laatst achter. Dat vruchteloze zoeken had dus nog jaren kunnen doorgaan als we niet op het beslissende moment – toen de huisbaas met de rechtbank dreigde – een seintje van kennissen hadden gekregen dat er in Scheldewindeke een huis te huur stond. Er was geen immo-kantoor bij betrokken en de zaak was in een, twee, drie beklonken. We hadden ons die jarenlange vernederende zoektocht dus kunnen besparen. Vandaag herhaalt die geschiedenis zich. Hoe meer huizen we gaan bekijken, hoe duidelijker het wordt dat het opnieuw geen zin heeft om te zoeken: een huis zoals het huidige zullen we niet vinden, tenzij er opnieuw een mirakel gebeurt.

We kunnen twee dingen doen. Ofwel wachten we vol vertrouwen op een nieuw mirakel, ofwel nemen we het eerste het beste huis dat we kunnen krijgen. Dat zal dan wel een huis zijn zoals in Destelbergen, een huis dat niemand anders wil. We zullen dan met andere woorden terugkeren naar ons oude leven, een leven temidden van lawaai en lelijkheid. Na drie jaar in het ‘beloofde land’ gewoond te hebben, omringd door rust, stilte en schoonheid, zou dat een enorme schok betekenen, niet alleen fysiek en mentaal, maar ook geestelijk. Het zou weinig heel laten van het geloof dat ik in de loop der jaren moeizaam heb opgebouwd, het karmische geloof dat de wereld – en dus ook mijn leven – een kunstwerk is. Het zou me met lege handen de woestijn weer in sturen, want dat geloof is het enige wat ik heb overgehouden aan een leven dat ik meer dan 30 jaar geleden aan de kunst heb gewijd, een leven dat me geen roem, geen eer, geen geld, en zeker geen huis heeft opgeleverd. 

Ik kan dat karmageloof niet zomaar opgeven in ruil voor een dak boven mijn hoofd. Als ik zou accepteren wat we normaal gezien kunnen krijgen, dan zou ik me neerleggen bij de nuchtere, concrete realiteit. Ik zou afstand doen van mijn dromen, mijn verlangens, mijn geloof. Ik zou denken: al die geestelijke aspiraties zijn mooi zolang je een huis hebt, maar als dat huis verdwijnt, kun je er niks mee aanvangen. Of nog: als puntje bij paaltje komt, dan speelt die zogenaamde geestelijke dimensie van het bestaan geen rol meer, dan gaat het enkel nog om de harde, materiële feiten. Die keuze voor de concrete, tastbare realiteit zou een salon-antroposoof van mij maken, iemand die de mond vol heeft van de geestelijke wereld zolang hij in een comfortabel huis woont, maar die op slag weer materialist wordt als hij dat huis kwijtraakt. Het zou van mijn leven een schijnvertoning maken en van de antroposofie wat mooi behang. Ik kan dus niet anders dan blijven geloven in een mirakel. 

Het doet me denken aan de begintijd van Vijgen na Pasen. We waren toen al op zoek naar een nieuw huis omdat het steeds duidelijker werd dat we niet in Destelbergen konden blijven wonen. Op een dag hadden we er eentje gevonden in Moortsele, niet ver van waar we nu wonen. Het was een buitenkans want was er geen immo-kantoor in het spel: als we ja zeiden, was het huis voor ons. De omgeving was precies wat we zochten: rust, stilte en groen alom. Het huis zelf was een ander verhaal: een badkamer kan ik me niet herinneren, de keuken was een ramp, de slaapkamer was alleen te bereiken via een steile ladder, en van de tuin zag je binnen helemaal niks. We moesten dus twee dingen tegen elkaar afwegen: de zeer aantrekkelijke omgeving en het zeer onaantrekkelijke interieur. Het was een dubbeltje op zijn kant, want we wisten dat we niet gauw meer zo’n kans zouden krijgen. Maar na lang nadenken kwamen we tot dezelfde conclusie: we nemen het niet. De reden: we vonden dat we meer verdienden dan dit. 

Het was dezelfde keuze waarvoor we ook vandaag weer staan. Financieel gezien kunnen we ons alleen dit soort huizen permitteren. Ofwel is de omgeving mooi maar ontbreekt de meest elementaire luxe, ofwel is het omgekeerd. Beide samen behoort niet tot onze mogelijkheden. Maar we weigerden ons neer te leggen bij de feiten en afstand te doen van ons geloof in de geest, ons geloof in de menselijke waardigheid. Wat we in feite weigerden te accepteren is dat materie en geest niet kunnen samengaan, dat je verplicht bent te kiezen tussen beide: ofwel wijd je je leven aan de geest en moet je afstand doen van rijkdom, luxe en zelfs elementair comfort, ofwel wijd je je leven aan de materie en blijven geest, kunst en antroposofie louter decoratie en versiering. Wij hadden allebei ons leven gewijd aan de ‘geest’ en dat had ons inderdaad veroordeeld tot materiële armoede. Door het huis in Moortsele af te wijzen, kwamen we in verzet tegen dat dualisme van geest en materie. 

Het bleek de juiste keuze te zijn, want uiteindelijk vonden we – als bij wonder – het huis in Scheldewindeke. Hier hadden we het allebei samen: een aantrekkelijke omgeving en een aantrekkelijk interieur. Deze overwinning op het dualisme kwam symbolisch tot uitdrukking in de drie schouwen op het huis: een schouw met één pijp, een schouw met twee pijpen en een schouw (de hoogste) met drie pijpen. Het was alsof er een derde element was verschenen dat beide andere verbond en oversteeg. In dit huis-met-de-drie-schouwen voerde ik ook drie karmaonderzoeken: het eerste naar het karma van de antroposofische beweging, het tweede naar mijn eigen karma, en het derde naar het karma van Adriaen Brouwer, wiens levenslot dat van de Lage Landen weerspiegelde en wiens werk als geen ander geest en materie verenigde. De eerste twee onderzoeken waren een herhaling van eerdere onderzoeken, maar Adriaen Brouwer was nieuw, hij kwam – net als het huis – uit de hemel vallen. 

Hoe nieuw en onverwacht ook, deze derde factor was eveneens een herhaling van het verleden. De drie karmaonderzoeken in Scheldewindeke weerspiegelden de drie karmaonderzoeken in Destelbergen. Het eerste begon toen ik nadacht over mijn mislukking in Brugge, over mijn eigen persoonlijke levenslot. Daarna dacht ik – ter voorbereiding van de zomeruniversiteit in Frandeux – een jaar lang na over oude en jonge zielen, over het bovenpersoonlijke karma van de antroposofische beweging. En ten slotte dacht ik – ter voorbereiding van de Lichtbakenconferentie in Antwerpen – ook na over de karikatuur, een thema dat persoonlijk en bovenpersoonlijk tegelijk was. Zowel de kunstzinnigheid van dit derde thema als het internationale karakter van de conferentie werden later weerspiegeld door de Adriaen-Brouwertentoonstelling in Oudenaarde. Net zoals de karikatuur mij ‘van hogerhand’ als thema was aangewezen, zo was ook Adriaen Brouwer, wiens tentoonstelling een soort godsgeschenk was, een vingerwijzing ‘uit den hoge’. 

Ik kan het spoor van deze ‘hemelse’ derde factor nog verder terug volgen. Ik begon destijds met (persoonlijk) karmaonderzoek nog voor ik het woord kende. Later leerde ik ook het (bovenpersoonlijke) karmaonderzoek van Rudolf Steiner kennen, en ten slotte verscheen als een geschenk uit de hemel Basic Instinct, een kunstwerk dat het persoonlijke en het bovenpersoonlijke op weergaloze wijze verbond. In de loop van mijn leven duiken dus drie keer dezelfde drie vormen van karmaonderzoek op: het persoonlijke, het bovenpersoonlijke en het kunstzinnige dat beide omvat. Ze komen overeen met de drie plaatsen waar ik (samen met mijn vrouw) gewoond heb: Melle, Destelbergen en Scheldewindeke. Telkens was het derde kunstzinnige element het meest wonderlijke, het meest onverwachte, het meest michaëlische. Want wat ik in Brugge begon te vermoeden, werd in Antwerpen bevestigd: Michaël was de inspirerende kracht achter dit karmaonderzoek, en dan vooral achter de kunstzinnige verbinding van het persoonlijke met het bovenpersoonlijke. 

Ik ontdekte dat hij er altijd al geweest was en dat hij al heel vroeg een beslissende rol in mijn leven had gespeeld door mij een tekenleraar te geven die in alle opzichten michaëlisch te werk ging. Het eerste wat hij deed, toen ik als jongetje van 11 de (koninklijke) academie van Mechelen betrad, was … me de toegang tot de klas versperren en me terugsturen om materiaal te kopen. Daarna toonde hij me heel bondig hoe ik tewerk moest gaan en liet me verder met rust. Pas jaren later begon ik me bewust te worden van zijn aanwezigheid, want al die tijd had hij me volkomen vrij gelaten en was hij alleen verschenen op momenten dat ik helemaal in de knoei zat. Dan toonde hij mij opnieuw de weg, kordaat en zonder veel woorden. Pas lang nadat ik zijn klas had verlaten, begon ik te begrijpen wat een uitzonderlijk leraar hij was geweest. Zo is het me ook met Michaël vergaan. Hij toonde mij al heel vroeg welke weg ik moest gaan en verdween dan, om pas een halve eeuw later naar voor te treden en zich kenbaar te maken. 

Als ik terugdenk aan die allereerste ontmoeting met Michaël, in de persoon van mijn tekenleraar, dan zie ik een wachter op de drempel die mij terugstuurt. Ik was een kind en deed wat me gezegd werd, maar ik herinner mij de teleurstelling: ik had nog maar pas het heiligdom van de kunst betreden en ik werd al meteen teruggestuurd naar de wereld van de materie. Dit kleine voorval (dat ik me desondanks goed herinner) herhaalde zich 50 jaar later in Brugge waar ik op de markt ging staan in een laatste poging om de wereld van de schilderkunst te betreden. Op de drempel van die wereld ontmoette ik opnieuw een onverbiddelijke wachter. Net als toen gebeurde dat in het centrum van een historische stad op een plek met een geestelijk verleden. Net als toen stuurde Michaël me terug, dit keer niet om tekenmateriaal te kopen, maar om karmaonderzoek te doen. Ga ik te ver als ik ook daarin een herhaling zie en dat karmaonderzoek beschouw als het materiaal dat ik nodig heb om kunstzinnig aan de slag te gaan?

Ik kocht mijn tekenmateriaal destijds in een heel oud, middeleeuws aandoend winkeltje dat volgestouwd was met alles waar een kunstenaar maar van dromen kan. Het was mijn eerste kennismaking met een wereld die ik sindsdien altijd als een paradijs-op-aarde heb ervaren: de wereld van het teken- en schildermateriaal, de wereld van de onbeperkte mogelijkheden. Ik keek mijn ogen uit in dat winkeltje: wat een schatkamer! Toen ik in Brugge werd teruggestuurd, begon ik na te denken over mijn eigen leven en keek vol verbazing naar het ‘materiaal’ dat naar boven kwam. Die verbazing werd nog groter toen twee onverwachte vragen dat persoonlijke karmaonderzoek uitbreidden tot het bovenpersoonlijke en het kunstzinnig-verbindende karmaonderzoek. In Scheldewindeke herhaalde die drievoudige ontdekkingstocht zich en culmineerde ten slotte in de oude ridderzaal van het 16de eeuwse stadhuis van Oudenaarde waar ik het werk van Adriaen Brouwer zag (en waar bij de ingang een geopende schatkist stond).

Merkwaardig hoe de geschiedenis zich herhaalt, hoe het einde van een mensenleven het begin weerspiegelt. Toen Michaël me in Brugge de weg naar de kunst versperde, deed hij hetzelfde als toen ik 11 was en de tekenklas wilde binnenstappen: hij stuurde me terug om materiaal te kopen. In Mechelen was dat (drievoudig) tekenmateriaal: papier, houtskool en pluim. In Destelbergen en Scheldewindeke was het (drievoudig) karmamateriaal: persoonlijk, bovenpersoonlijk en kunstzinnig. Ik heb de afgelopen vijf jaar eigenlijk doorgebracht in een soort metamorfose van dat oude winkeltje op de hoek van het AB-straatje. Ik heb trouwens pas ontdekt dat het 16de eeuwse huis waar dat tekenwinkeltje gevestigd was In den Vijgenboom heet, en dat de letters AB – toevallig ook de initialen van Adriaen Brouwer – refereren naar een oude brouwerij die daar ooit gevestigd was. Of hoe de wonderen de wereld nog niet uit zijn, wonderen waarvan een mens zich in de verste verte niet bewust is. 

In de loop der jaren ben ik gaan inzien dat er in mijn leven verschillende wonderen zijn gebeurd, zaken die zo onwaarschijnlijk zijn dat ze niet aan het toeval toegeschreven kunnen worden. Op het moment zelf was ik me van die wonderen niet bewust, ik werd te veel in beslag genomen door de materiële werkelijkheid, met name dan door het mislukken van mijn plannen. Pas in Scheldewindeke begon ik het verband te zien tussen de wonderen en de mislukkingen, die in feite ontmoetingen met de wachter op de drempel waren. Ik werd me nu ook bewust van de rol die Michaël hierin speelde, de geest die me de weg naar het karmaonderzoek had gewezen. Deze bewustwording is op de een of andere manier een keerpunt, want voor het eerst kijk ik nu tegelijk achteruit en vooruit. Nadenken over de mislukkingen uit mijn verleden doet in mij het geloof en de hoop rijzen dat ook deze derde wegversperring in vijf jaar – na Brugge en Destelbergen moet ik nu ook Scheldewindeke verlaten – de voorwaarde is voor een nieuw wonder.    

De Tuin van Heden (3)

  

 

Mijn nieuwe leven in Scheldewindeke staat in het teken van mijn tuin. Als de winter ten einde loopt en het weer het toelaat, ga ik naar buiten en begin in de grond te wroeten. Zoals de meeste mensen ben ik blij dat het lente wordt, dat het zonnetje schijnt, dat alles weer begint te groeien. Dat was vroeger wel anders. Ieder jaar bad ik weer: Heer, laat deze lente aan mij voorbijgaan, laat het alsjeblieft nog wat langer winter blijven! Het deed pijn om alles tot leven te zien komen maar zelf gevangen te zitten in een dode, verstarde wereld. Sinds ik een tuin heb, is daar verandering in gekomen. Ik sta nu niet langer aan de kant, ik ben geen machteloze toeschouwer meer. Ik neem deel aan de lente, ik ben medewerker geworden, medeschepper. Ik spit, ik rakel, ik wied, ik snoei, ik zaai, ik plant, ik giet en ik maai. Mijn karma heeft het zo geregeld dat ik op mijn oude dag de stap zet van winter naar lente, van toeschouwer naar deelnemer, van wetenschap naar kunst zeg maar. 

Die stap is niet nieuw, ik heb hem al eerder gezet. Toen ik als elfjarig jongetje aan de hand van mijn vader (notabene een verwoed tuinier) de trappen van de Mechelse academie besteeg, zette ik een stap van de gewone school, waar de wetenschap regeerde, naar een school waar alles in het teken van de kunst stond. Tijdens de week luisterde ik braaf naar de meester, ’s zondags ging ik zelf aan de slag. Op school liet ik mijn hoofd vullen met gedachten, aan de academie stak ik de handen uit de mouwen. Het waren twee totaal verschillende scholen, twee totaal verschillende werelden. Aanvankelijk was de kloof niet zo groot. Pas na de lagere school werd ze voelbaar. Het onderwijs werd alsmaar wetenschappelijker en mijn afschuw van cijfers, getallen en formules werd alsmaar groter. Het tekenen van lijnen, vormen en vlakken daarentegen vervulde me met steeds meer vreugde. In mijn herinnering was het dan ook altijd lente aan de academie. Ik kon er ongestoord groeien en bloeien. 

Tweeëntwintig jaar later zette ik dezelfde stap opnieuw, dit keer alleen en uit vrije wil. Ik keerde het gewone, door wetenschap beheerste leven voorgoed de rug toe en begon aan een nieuw leven, een leven voor de kunst. Ik bevrijdde mezelf uit de gevangenis waarin ik zolang opgesloten had gezeten en keerde terug naar de wereld waar ik me altijd zo vrij had gevoeld. De winter was voorbij, het werd weer lente. Ik tekende alsof m’n leven ervan afhing. En dat was ook zo, mijn ziel was op sterven na dood geweest. Nog eens 30 jaar later, zou ik diezelfde stap voor de derde keer zetten. Ik verliet een geasfalteerde wereld vol drukte en lawaai, en verhuisde naar een groene wereld van rust en stilte. Het was dezelfde rust en stilte die ik had leren kennen aan de academie en die een uitdrukking was van intense, scheppende activiteit. Dit keer ging het echter niet om de scheppende activiteit van de kunst, maar om de scheppende activiteit van de natuur en de mens die haar bewerkt. 

Drie keer heb ik in mijn leven de stap gezet van wetenschap naar kunst, van winter naar lente, van gevangenschap naar vrijheid. De eerste keer was ik nog een kind en werd ik bij de hand genomen door mijn vader. De tweede keer was ik volwassen en besliste ik zelf. De derde keer was ik gepensioneerd en besliste het lot. Deze drie stappen hebben mijn leven bepaald, meer zelfs, ik kan me dat leven niet voorstellen zonder deze drie grensoverschrijdingen, deze drie verhuizingen naar een andere wereld. Van de laatste stap kan ik nog niet veel zeggen, ik heb hem pas gezet. Maar beide vorige hebben mijn leven gered, daar twijfel ik niet aan. Zonder de lente van de kunst zou ik bezweken zijn aan de winter van de wetenschap. Mijn ziel zou doodgevroren zijn. Kunst en wetenschap zijn voor mij als leven en dood. Ze zijn mijn Stirb und Werde, mijn kruisiging en opstanding. Aan de wetenschap sterf ik, in de kunst verrijs ik. Die metamorfose vormt het oerbeeld van mijn leven. 

Maar ook de omgekeerde beweging – van kunst naar wetenschap – maakt deel uit van die metamorfose. Ook die stap heb ik drie keer gezet in mijn leven en telkens gebeurde dat door een duidelijke ingreep van het lot. Normalerwijze had ik na de lagere school in het kunstonderwijs terecht moeten komen. Tekenen was het enige wat me interesseerde en mijn schoolresultaten gingen steil bergaf. Slechts door een onwaarschijnlijke samenloop van omstandigheden haalde ik mijn humanioradiploma en kwam daarna aan de universiteit terecht. Daar herhaalde de geschiedenis zich: het lot greep in. Ik herinner mij nog altijd de lachbui die me overviel toen ik in de tweede kandidatuur 53 procent van de punten haalde zonder één enkel herexamen. Hier waren hogere krachten in het spel, daar twijfelde ik niet aan. Ik besloot dan ook mijn tijd niet langer te verspelen door naar de les te gaan, het stond toch in de sterren geschreven dat ik mijn diploma zou halen. En zo gebeurde het ook. 

Door middel van een reeks ongelooflijke kunstgrepen dreef het lot mij naar de hel van de wetenschap. Maar in die diepe duisternis begon een licht te stralen: ik ontmoette aan de universiteit mijn vrouw en (daardoor ook) de antroposofie. Het was toen lang nog niet zeker of dat licht zou standhouden. Het zou bijvoorbeeld nog jaren duren voor ik toegang vond tot de antroposofie. Pas toen ik radicaal brak met mijn oude leven en onvoorwaardelijk koos voor de kunst, werd de ban van de duisternis verbroken. De lange winter was voorbij, maar dat betekende nog niet dat de kou overwonnen was. Het werd niks met mijn artistieke carrière. Hoe hard ik ook werkte, ik kwam geen meter vooruit. Toch twijfelde ik geen moment aan de stap die ik gezet had. Nooit zou ik nog terugkeren naar mijn oude leven, naar die doodse, door wetenschap beheerste wereld. Maar als ook de wereld van de kunst geen uitzicht bood, waar moest ik dan heen? Het werd opnieuw donker rondom mij. 

Maar ook nu begon er weer een licht te stralen in de duisternis. Het was hetzelfde licht als de eerste keer, maar in een geheel andere gedaante. Ik herkende het niet meteen. Pas later drong het tot me door dat ik de antroposofie had zien verschijnen in de vorm van een kunstwerk dat me trof tot in het diepst van mijn ziel. Die ervaring zou voor de tweede keer een wetenschapper van me maken, want ik wilde de beelden begrijpen die zo’n diepe herkenning in mij hadden teweeggebracht. Ik realiseerde me dat ik nog nooit echt had nagedacht in mijn leven. Pas nu ondervond ik wat wetenschappelijk denken was, en tot mijn grote verbazing vernietigde het de kunstzinnige beleving niet. Wel integendeel, het bevruchtte ze, het complementeerde ze, het bevestigde wat ik gevoelsmatig had waargenomen. Tijdens die zomer van mijn leven beleefde ik de – onmogelijk geachte – eenheid van denken en voelen, van wetenschap en kunst, de  coïncidentia oppositorum

De kunst laat dezelfde geest in de cultuur stromen die ook aan de basis ligt van de antroposofie. Het komt van twee kanten en zo moet men het leven ook zien.’ Dat was, in de woorden van Rudolf Steiner, waar ik getuige – maar ook deel – van was tijdens de zonnewende van mijn leven. Ik beleefde de ontmoeting van kunst en (geestes)wetenschap, en dat vervulde mijn hele wezen. Maar de vreugde bleef niet duren want ik kon ze met niemand delen. De antroposofen herkenden de antroposofie niet die hen in kunstzinnige tegemoet kwam. Wat hebben wij daarmee te maken? haalden ze hun schouders op. Hoe durfde ik zoiets beweren!  reageerden sommigen verontwaardigd. Hun onbegrip veranderde het hoogtepunt van mijn leven in een dieptepunt. Deze afwijzing van de antroposofie door antroposofen blijft de grootste ontgoocheling van mijn leven. Maar het was ook een confrontatie met mijn eigen onmacht: ik was niet in staat het hen uit te leggen. Ik kon de beelden van de kunst nog niet vertalen in woorden. Ik was een beginneling, een amateur-wetenschapper. 

De ontmoeting met de antroposofie-in-beelden maakte een wetenschapper van me, zij het niet in de klassieke betekenis van het woord. Had ik vroeger aan de universiteit, dik tegen mijn zin nagedacht over literatuur, dat wil zeggen over woorden, dan dacht ik nu met hart en ziel na over kunst, dat wil zeggen over beelden. Dit ‘wetenschappelijk onderzoek’ bracht de antroposofie tot leven en ik hield het zo’n 12 jaar vol. Toen was mijn bobijntje af. Ik raakte niet meer verder en besloot terug te keren naar de kunst. Na al dat denken had ik behoefte aan kleur en ik begon te schilderen. Voor de derde keer in mijn leven zette ik de stap van wetenschap naar kunst, en tegelijk de stap van zwart-wit naar kleur. Het werd een enorm gevecht met de materie, een gevecht dat ik vroeger al twee keer had verloren en dat me meer dan eens tot wanhoop dreef. Maar ik hield vol en de derde keer bleek de goede keer te zijn. Het voelde als een overwinning.

Maar het was slechts een begin. Als ik wilde doorgaan met schilderen moest er geld in het laatje komen, want verf en doek zijn duurder dan papier en potlood. Ik ging op de markt in Brugge staan, voorwaar geen geringe stap voor iemand die zijn hele leven far from the madding crowd was gebleven. Gelukkig zat ik aan het water, onder de bomen, in het centrum van een stad die één groot kunstwerk is en ik voelde er mij dan ook thuis, al bleef het handeldrijven me vreemd. Brugge werd een heel dubbele ervaring. De stap van binnen naar buiten, van de (geestelijke) wereld van kunst en wetenschap naar de (materiële) wereld van handel en mensen, vervulde me met vreugde. Voor mij was het een ongekend gevoel ‘op aarde’ te komen, met beide voeten op de grond staan en onder de mensen te zijn. Daarom sneed het me door de ziel toen mijn marktloopbaan op een mislukking uitdraaide en ik de plek waar ik zo hard voor gewerkt had weer moest verlaten. 

In een ultieme poging om de zaak te redden, besloot ik opnieuw karikaturen te gaan tekenen. Daar had ik altijd succes mee gehad en Brugge, met zijn duizenden toeristen, leek er de ideale plek voor. Ik verheugde me erop weer te kunnen doen wat ik altijd het liefst gedaan had. Het kwam me ook voor als een teken: schoenmaker, blijf bij je leest! Tot mijn ontsteltenis botste ik echter op een muur van onverschilligheid. Hij was zo ondoordringbaar dat ik hem eveneens als een teken beleefde: sla deze weg niet in! Maar waarom? In een wanhopige poging om te begrijpen wat er gebeurde, kwam ik tot de onverwachte conclusie dat het Michaël was die me de weg versperde. Ik begreep dat hij ook degene was geweest die me vroeger verhinderd had de weg van de kunst in te slaan. Ik wist dat die wegversperring me ervoor behoed ten onder te gaan met de kunst en opgeslokt te worden door de Charybdis van onze tijd. Liep ik dat gevaar dat gevaar dan opnieuw of was er iets anders aan de hand? 

Hoe pijnlijk de botsing met Michaëls no pasaran ook was, diep in mijn hart wist ik dat Brugge me in een doodlopend straatje terecht had doen komen. Maar waarom had het lot me daar dan naartoe gevoerd? Het beeld dat nu in me opkomt, is dat van het labyrint. Net als je middelpunt van deze doolhof lijkt te bereiken, moet je terugkeren naar de buitenkant, waarna die beweging zich in omgekeerde zin herhaalt tot je uiteindelijk het doel bereikt. In mijn geval gebeurde dat tijdens de zomer van ’92, nel mezzo del camin di nostra vita, toen kunst en (geestes)wetenschap één werden en ik als het ware opnieuw geboren werd. Daarna begon dezelfde beweging opnieuw, de pendelbeweging tussen middelpunt en omtrek van het labyrint. Brugge was een herhaling van wat ik in mijn jeugd in Mechelen had meegemaakt. Ook daar, in die oude, historische stad (die ooit, net als Brugge, door tal van reien werd doorkruist) had Michaël mij zwijgend de weg naar de kunst versperd.

Als gevolg daarvan was ik aan de universiteit terechtgekomen en ook die geschiedenis herhaalde zich na Brugge. Out of the blue kreeg ik de vraag om enkele voordrachten te geven aan de antroposofische zomeruniversiteit. Ik had nog nooit voor een publiek gesproken en de gedachte alleen al joeg me de stuipen op het lijf. Maar het onderwerp – oude en jonge zielen – lag me nauw aan het hart en ik vond dat ik deze kans niet mocht laten liggen. Het zielenthema was een spiegelbeeld van het kunstwerk dat ik als de antroposofie-in-beeld had herkend, en het deelde ook hetzelfde lot: het werd door de antroposofische wereld miskend en genegeerd. De enige keer dat ik er een voordracht over hoorde, werd ex cathedra verkondigd dat antroposofen zich niet met dit thema horen in te laten. Toen mij onverwachts de gelegenheid werd geboden iets over te zeggen over deze afwijzing van de antroposofie door antroposofen, aarzelde ik slechts kort. De stap-naar-buiten die ik in Brugge had gezet, zou een vervolg krijgen. 

Ik overleefde ook deze tweede stap-in-de-openbaarheid, en er volgde nog een derde. Ik werd uitgenodigd om een werkgroep te leiden op de Lichtbaken-conferentie in Antwerpen. Daar bespeurde ik de werking van Michaël nog duidelijker dan in Brugge. Maar hier maakte hij het omgekeerde gebaar: in plaats van me de weg te versperren, heette hij me welkom, op zijn eigen zwijgende maar hartverwarmende manier. Het begon me langzaam te dagen dat hij me nooit de weg versperd had. Integendeel, hij had me de weg gewezen door het labyrint van mijn leven en hij had ervoor gezorgd dat ik niet uit de bochten vloog. De derde bocht van kunst naar wetenschap, viel nagenoeg samen met mijn verhuizing naar Scheldewindeke, en dat was eveneens een stap-naar-buiten. Onmiddellijk na afloop van de conferentie in Antwerpen ging ik aan de slag in mijn nieuwe tuin en beleefde daar de mooiste lente van mijn leven. En terwijl ik die half verwilderde tuin fatsoeneerde, begon ik ook orde te scheppen in de warboel van mijn levensherinneringen: ik ging op karma-onderzoek.   

Vakantielectuur

  

Ieder jaar verschijnt in juni de nieuwe Donna Leon. Al 25 jaar houdt de in Venetië wonende Amerikaanse schrijfster – Donna Leon is merkwaardig genoeg haar echte naam – dat vol. Ik ben haar daar dankbaar voor, want de avonturen van commissario Brunetti behoren tot mijn favoriete vakantielectuur. Avonturen is een groot woord, veel actie of spanning valt er in haar boeken niet te bespeuren. Eigenlijk zijn ze één lang bezoek aan Venetië, onder leiding van iemand die al zowat een halve eeuw in de stad woont en er geen geheim van maakt dat ze dat een voorrecht vindt. Dat laatste kan ik me overigens levendig voorstellen: ik zou het ook een voorrecht vinden om in dat andere Venetië – Brugge – te wonen. Voortdurend omringd te zijn door schoonheid, wat een droom! De toeristen moet je er natuurlijk bijnemen. Dat doet Donna Leon ook, al sakkert ze er bij monde van haar hoofdpersonage wel eens op. Maar ze is te verstandig om niet te beseffen dat die toeristen een soort levensverzekering vormen voor de stad. 

De inwoners van Brugge zijn zo verstandig niet. Het is me meer dan eens opgevallen hoe kregelig ze reageren op de toeristen. Ik kan begrijpen dat de drukte hen wel eens teveel wordt, maar ik had meer van hen verwacht. Uit de les vaderlandse geschiedenis herinner ik me nog dat Jacques de Chatillon, de Franse landvoogd van Vlaanderen, tijdens zijn intocht groen zag van nijd omdat de Brugse vrouwen rijker uitgedost waren dan de adellijke dames in zijn gevolg. De Bruggelingen uit de 14de eeuw wisten hoe ze een buitenlander op zijn nummer moesten zetten. Bovendien paarden ze kracht aan schoonheid: een paar maanden later zou de Chatillon sneuvelen tijdens de Guldensporenslag, toen de Vlamingen de Franse adel in de pan hakten. Dat waren nog eens tijden! Vandaag blijft van ‘der vaadren fierheid’ alleen nog een soort verongelijkte kregeligheid over die noch van kracht noch van schoonheid getuigt. Alleen de rijkdom is er nog – of beter gezegd opnieuw – want het toerisme heeft Brugge geen windeiereren gelegd. 

In de boeken van Donna Leon gaat het er gelukkig een stuk beschaafder aan toe. Commissario Brunetti getuigt zonder schaamte van zijn liefde voor Venetië en neemt de schaduwkanten op de koop toe. Hij is dan ook een ontwikkeld man, met oog voor schoonheid. Regelmatig staat hij stil om een kerkgevel te bewonderen, een palazzo, of het uitzicht op het Canal Grande. In zijn keuken (!) hangt zelfs een echte Canaletto, een huwelijksgeschenk van zijn adellijke schoonouders. Over de biënnale van Venetië, de wereldberoemde hoogmis van de hedendaagse kunst, rept hij dan weer met geen woord. Ook dat getuigt van beschaving. Toch sluit Donna Leon zich niet op in het verleden. Hedendaagse problemen komen in haar boeken wel degelijk aan bod, zowel tijdens de onderzoeken van Brunetti als tijdens de tafelgesprekken die hij voert met zijn kritische kinderen en zijn sociaal bewogen vrouw. Toch is het Venetië dat Donna Leon schetst in de eerste plaats een oase van schoonheid en cultuur. 

Ik vind het zalig om die oase te kunnen bezoeken zonder uit mijn luie zetel te komen. Ik wilde dat ik hetzelfde kon met Brugge, maar Pieter Aspe, de Vlaamse tegenhanger van Donna Leon, laat me in de steek. Zijn boeken spelen zich wel af in Brugge, maar afgezien van enkele bekende straatnamen en gebouwen, zou je je in gelijk welke andere Vlaamse provinciestad kunnen wanen. Commissaris Van In heeft helemaal geen oog voor de schoonheid van Brugge. Hij denkt alleen maar aan de borsten en billen van zijn vrouw, en aan zijn Duvel. Pieter Aspe maakt van hem een soort Pallieter, een Lamme Goedzak, een karikaturale Vlaming die wel slim is maar wiens geestloosheid blijkt uit zijn snobisme: exclusieve wijnen, exclusieve restaurants, exclusief design en andere peperdure dingen-met-een-naam moeten de lezer duidelijk maken dat hij met een man van de wereld te maken heeft en niet met een kneuterige kerktoren-Vlaming die van Brugge en Bokrijk houdt.  

Natuurlijk is juist die geblaseerde onverschilligheid voor de schoonheid van Brugge een uiting van provincialisme. En Pieter Aspe is helaas niet de enige Vlaming die zich zo klein betoont. Ook Jef Geeraerts besteedt in zijn politieromans nauwelijks aandacht aan Antwerpen, toch ook een stad met een groot verleden. De verfilming van zijn boeken lijdt aan hetzelfde euvel. Ik zag ooit ‘De zaak Alzheimer’, een best genietbare film, maar van Antwerpen: geen spoor. Idem voor ‘Aspe’, de op de boeken van Pieter Aspe gebaseerde tv-serie. Niet één keer komt de Rozenhoedkaai in beeld, niet één keer de Halletoren, niet één keer het begijnhof. Niets krijgt de kijker te zien van het typische Brugge, zelfs geen zwaan. Nu zou men kunnen zeggen: filmen in steden als Antwerpen en Brugge is geen sinecure, het vergt een groot budget en dat heeft de Vlaamse televisie niet. Maar wat kosten enkele sfeerbeelden? En waarom kon het bijvoorbeeld wel in ‘Flikken’, de tv-serie die zich in Gent afspeelt?

Wat ‘Flikken’ zo geslaagd maakte, was juist het feit dat Gent mocht meespelen, als decor, als sfeer, als taal, als … geest. Daar! Het grote woord is eruit! Het provincialisme van de Vlaming die zich schaamt voor Vlaanderen is een vorm van geestelijke armoede, een uiting van materialisme. Waar hij zich voor schaamt, is de Vlaamse geest. Niet de dode, abstracte geest die iedereen in hetzelfde keurslijf dwingt, maar de levende geest die zich uitdrukt in talloze vormen: Franse, Duitse, Engelse, Vlaamse, Brugse, Antwerpse, Gentse, enzovoort. Door neer te kijken op de Vlaamse geest denkt de snobistische Vlaming – de Vlaming zonder geestelijke adel – deel te hebben aan een hogere, Europese of zelfs universele geest. Maar ook hier geldt het spreekwoord: wie het kleine niet eert, is het grote niet weerd. De geest is één, het grote spreekt door het kleine, God verbergt zich in de details. Wie de Vlaamse geest versmaadt, versmaadt ook de Europese geest en de wereldgeest.

‘Flikken’ was goed zolang het volks, Vlaams en Gents bleef. In de eerste afleveringen spraken de acteurs ‘keurig’ Nederlands maar daar stapten ze gelukkig gauw vanaf. In de latere seizoenen ging de serie de internationale toer op en dat betekende het begin van het einde. Het was pijnlijk om te zien hoe de Gentse flikken krampachtig probeerden wereldburgers te zijn en precies daardoor hun provincialisme in de verf zetten. Vergelijk dat met Inspector Morse, een serie van wereldklasse, en toch very British. Ze pakte als vanzelfsprekend uit met de toeristische aantrekkelijkheden van Oxford, iets waar Vlaamse filmmakers de neus voor ophalen. Je ziet het telkens weer: internationale successen gaan hand in hand met liefde voor het eigen volk, de eigen taal, de eigen stad. Niets is zo universeel als het eigene. Succes is weliswaar niet hetzelfde als kwaliteit, maar het is zeker geen toeval dat Donna Leon, met haar onverholen liefde voor Venetië, een betere schrijfster is dan Pieter Aspe, met zijn verholen minachting voor Brugge. 

Met de H van hedendaags

  
De stad Brugge heeft onlangs de Poortersloge gekocht, een 600 jaar oud gebouw in de buurt van het Jan Van Eyckplein, en gaat dat nu inrichten als een tentoonstellingsruimte voor – wat had u gedacht? – hedendaagse kunst. Alsof er nog niet genoeg hedendaagse kunst te zien is in Brugge. Gelukkig moeten de hedendaagsen afblijven van de oubollige buitenkant van Brugge, anders hadden ze die Poortersloge met de grond gelijk gemaakt, anders hadden ze heel Brugge met de grond gelijk gemaakt. En reken maar dat hen dat dwars zit. Maar elders kunnen ze hun gram halen. In Gent bijvoorbeeld. Met de Stadshal hebben ze een grote middenvinger opgestoken naar al die kleinburgerlijke burgertjes die hun stad willen behouden. En binnenkort gaat de Krook open. Na het Havenhuis in Antwerpen moest Termont toch iéts doen om niet achter te blijven! De burgervader mag er dan wel uitzien als een kloefkapper, van binnen is hij héél hedendaags. Daarvan getuigt onder meer dit fraaie statement naast de Vooruit:

  
Ik vraag me soms af hoe de wereld er over 100 jaar zal uitzien. Gelukkig zal ik dat niet meer hoeven mee te maken. ’t Is nu al erg genoeg. Ik voel me een beetje als dat beertje links in die nis van de Brugse Poortersloge. Het heeft een of andere occulte betekenis, maar ik ben vergeten welke. 

Toeristen blijven weg uit Brugge

  
 
Een zéér magere troost.
 

Michaël 2015

  

Het was al langer duidelijk dat het niks zou worden op de markt in Brugge, maar toen Michaël er aankwam wilde ik nog een allerlaatste keer mijn kraam opstellen, bij wijze van afscheid zeg maar. Tenslotte heb ik de markt op de Dijver 12 jaar lang bijna ieder weekend bezocht (waarvan de laatste twee jaar zelfstandig) en dat schept een band. Omdat het allemaal begon op een stralende Paasdag, leek het me symbolisch om er op een mooie St.Michielsdag een punt achter te zetten. Maar dat was zonder m’n oudste dochter Helena gerekend. Ze bracht de auto veel te laat terug zodat er geen tijd meer was om in te laden. Mijn Laatste Marktdag ging dus niet door. Ik besloot hem dan maar te vervangen door een dagje aan zee. Zo zag ik ook mijn vrouw nog eens. Het beloofde trouwens prachtig weer te worden. 

Maar ook plan B ging niet door. Het begon nochtans goed. Na een voorspoedige reis bereikten we de kust. Zoals gewoonlijk parkeerden we voor het Zeepreventorium en beklommen daarna het weggetje dat leidt naar het hoogste punt van De Haan. En ja, ze was er nog altijd, de zee! Maar ze zag er vreemd uit. Niet alleen leek ze veel kleiner dan anders, maar met enige verbeelding kon je haar ook zien als een donkere, massieve muur die de wereld afsloot en op de bovenste rand waarvan windmolens stonden, als evenzovele kruisen. Nog vreemder was echter wat zich beneden op het strand afspeelde: zover het oog reikte zagen we mensen met … honden, duizenden mensen met duizenden honden. We konden onze ogen niet geloven. Onze oren trouwens ook niet. De lucht was vergeven van geblaf en gejank. Later zouden we in het dorp een affiche zien: ‘zondag 27 september: hondenwandeling’! We waren te verbijsterd om verontwaardigd te zijn over deze brutale bezetting van het strand. Het was alsof alle hondenliefhebbers van België verzamelen hadden geblazen in De Haan. Uitgerekend op deze dag.

Wandelen langs het water, luieren in het zand, genieten van de zon en luisteren naar ‘het lied van de golven’: het zat er allemaal niet in. We trokken dan maar de duinen en de bosjes in, over een paar uur zou het wel voorbij zijn. Maar het was niet voorbij. Om vier uur zag het strand nog altijd zwart van het hondenvolk. Ze bléven maar komen. Je kon zelfs niet op je gemak in de duinen zitten: voortdurend kwamen honden je lastig vallen. Het was gewoon niet te harden. We besloten naar huis terug te keren. Zo waren we misschien de file nog voor, dat was dan toch dat. Op de terugweg dacht ik: hoeveel van die hondenliefhebbers zouden geweten hebben dat de hond symbool staat voor Ahriman en dat Michaël dus de Grote Hondenbestrijder is? Waarschijnlijk niet één. En toch liepen ze in een eindeloze stoet over het strand, uitgerekend twee dagen voor zijn feest. Toeval?

Voor de tweede keer in twee dagen werden m’n plannen doorkruist. Eerst viel m’n Laatste Marktdag in het water, nu m’n Laatste Dag aan Zee (want het zal er dit jaar wel niet meer van komen). Michaël lijkt voor mij in het teken te staan van de Gedwarsboomde Plannen. Want verleden jaar gebeurde precies hetzelfde. Uitgerekend in de Michaëltijd werd het duidelijk dat mijn plan om te gaan schilderen in duigen zou vallen. Toen ik er – een jaar of zeven geleden – aan begon, wist ik: dit is mijn laatste kans! Ik had m’n bekomst van het schrijven – dat leverde toch niks op dan rugpijn – en dus keerde ik terug naar mijn oude liefde: de kunst, maar nu in kleur. Het werd een enorme worsteling en meer dan eens stond ik op het punt het op te geven. Maar dan gebeurde er telkens iets waardoor ik weer moed vatte en het gevoel kreeg dat ik geholpen werd. De Brugse folkloremarkt was de laatste van die ‘aanmoedigingen’: zij zou het financieel mogelijk maken mijn schilderdroom te realiseren.

Dat was tenminste het plan. Maar na een veelbelovende start zakte de verkoop steeds dieper weg tot ik ten slotte niks meer verkocht. In de weken vóór Michaël vatte ik dan – noodgedwongen – het plan op om weer portretten en karikaturen te gaan tekenen. Daar had ik vroeger altijd succes mee gehad en uiteindelijk was het ook het enige dat ik echt met hart en ziel deed. Maar ook dát plan viel in duigen. En alsof het allemaal nog niet genoeg was, kwam vlak daarna de genadeslag: de monsterboete van de RVA. Dat was de derde uppercut en ik ging tegen de vlakte. Uit alle macht probeerde ik te begrijpen wat me overkwam, maar ik slaagde er niet in het raadsel op te lossen. Want het wás een raadsel. Of moest ik  geloven dat deze drievoudige ‘aanslag’ louter toeval was?

En moet ik ook geloven dat het toeval is dat ik dit jaar opnieuw drie uppercuts krijg met Michaël? Toegegeven, het dwarsbomen van mijn Laatste Marktdag en mijn Laatste Dag-aan-Zee kun je bezwaarlijk uppercuts noemen, maar toch, ze hadden allebei een vreemd karakter. Helena wist dat ik de auto nodig had, dat was afgesproken en tot nog toe is dat altijd goed gegaan, maar uitgerekend nu, op die voor mij toch wel speciale dag laat ze het, zonder aanwijsbare reden, afweten. De reden waarom ook plan B in duigen viel, was nog een stuk vreemder: een hondenwandeling! Wie bedenkt zoiets? En dan nog op Michaël? Maar helemáál vreemd werd het toen de derde uppercut viel. 

Daarvoor moet ik enkele maanden terug in de tijd. In het zomernummer van Antroposofie Vandaag verscheen dit jaar een column van Werner Govaerts waarin hij het ontwikkelen van nieuwe gevoelens bepleitte naar het voorbeeld van de moderne kunst. Eerst keek ik alleen maar vreemd op: nieuwe gevoelens, wat moest ik mij daarbij voorstellen? Maar al vlug drong de onverkwikkelijke waarheid tot me door: die ‘nieuwe’ gevoelens waren … omgekeerde gevoelens! Want de moderne kunst vraagt van de kijker dat hij leert bewonderen wat hij verafschuwt, en verafschuwen wat hij bewondert. Zoniet wordt hij beschouwd als een cultuurbarbaar. En dát stelde Werner Govaerts voor als de antroposofie van de toekomst! 

Ik kon m’n ogen niet geloven, maar tegelijk verbaasde het me niet. Ik zie al langer dan vandaag hoe onder het mom van ‘moderne kunst’ allerlei perversiteiten de antroposofie binnendringen. Doorgaans bijt ik dan m’n tong af want het is vechten tegen de bierkaai als je het opneemt tegen ‘de kunst van onze tijd’. Maar soms wordt het me teveel, en dan zeg ik wat ik ervan denk, wat me doorgaans zeer kwalijk wordt genomen. Ik aarzelde dus om te reageren. Wat voor zin had het trouwens? Ik kende de ‘hedendaagse’ geest goed genoeg om te weten dat je het van hem niet kunt winnen. Maar was dat een reden om me erbij neer te leggen? Moet je echt kunnen winnen om te vechten? Of moet ook de verloren strijd gestreden worden?

Na veel wikken en wegen besloot ik het toch te doen. Mijn reactie zou verschijnen met Michaël, en dat leek me wel een geschikt moment om een heikel thema aan te snijden. Ik deed mijn uiterste best om al het persoonlijke en emotionele uit mijn kritiek te weren, en ik hield het zo kort en bondig mogelijk want ik wilde ruimte openlaten voor een gesprek. Wat me namelijk het meest stoort aan de ‘hedendaagse’ kunst is dat ze ieder gesprek onmogelijk maakt, dat ze geen tegenspraak duldt, dat ze zich uitgeeft voor de enige, echte waarheid – en dat ze tegelijk beweert dat het net andersom is. Het enige wat ik wilde was het blinde geloof in deze ‘kunst’ in vraag stellen en mensen ertoe bewegen om ook eens naar haar daden te kijken in plaats van alleen maar naar haar woorden te luisteren. Tenslotte gaat het in de kunst om wat een kunstenaar doet, niet om wat hij zegt. Is dat trouwens ook niet Michaëls ingesteldheid?

Toen volgde de derde uppercut. Het herfstnummer van Antroposofie Vandaag verscheen, met daarin een lang artikel van Werner Govaerts over kunst, maar … geen spoor van mijn reactie. Men had ze gewoon niet gepubliceerd, zomaar, zonder enige uitleg of verwittiging. Ik had er het raden naar waarom. Of hadden ze mijn reactie misschien niet ontvangen? Plaatsgebrek kon het alleszins niet zijn, want mijn reactie besloeg nauwelijks één bladzijde. En dan nog. Een woordje uitleg was toch het minste wat ik mocht verwachten? Ik mailde naar Werner: geen antwoord. We zijn intussen twee dagen verder: nog altijd niets. Ik doe mijn best om geen overhaaste conclusies te trekken, maar het vermoeden groeit dat ik ben ‘kalltgestellt‘. Ik hoop van harte dat het niet zo is, want als de praktijken van de ‘hedendaagse’ kunst ook doordringen in de antroposofische beweging dan moet er niet alleen gesproken worden van omgekeerde gevoelens, maar ook van omgekeerde antroposofie. 

Wat er ook van zij, het niet-verschijnen van mijn reactie – om welke reden ook – is mijn derde opeenvolgende plan dat dit jaar met Michaël gedwarsboomd wordt. Het treft me extra hard want dit keer gaat het niet om tekenen en schilderen, maar om schrijven en denken. Toen mij verleden jaar zo bruusk de (artistieke) weg van het tekenen en schilderen versperd werd, kon ik dat nog opvatten als een teken dat ik de andere (wetenschappelijke) weg moest volgen, die van het schrijven. Maar nu ook die tweede weg versperd wordt, weet ik niet meer wat ik ervan moet denken. Als ik in de antroposofische wereld niet meer over kunst kan spreken of schrijven, dan kan ik dat nergens meer, want buiten die wereld moet ik echt niet afkomen met mijn antroposofische visie op kunst. Anders gezegd: ik heb het gevoel dat allebei mijn armen worden afgesneden. 

Verleden jaar met Michaël: drie uppercuts, dit jaar met Michaël: drie uppercuts. Verleden jaar m’n ene (artistieke) arm afgesneden, dit jaar m’n tweede (wetenschappelijke) arm afgesneden. Allemaal toeval? Ik ben echt niet iemand die overal verborgen betekenissen in ziet. Dat doe ik zelfs niet met kunstwerken of films. Maar deze twee opeenvolgende Michaëls kan ik toch echt niet meer negeren. Het is alsof ik ergens met mijn neus word op gedrukt, alsof Michaël mij iets wil zeggen. Of is het gewoon de draak die een spelletje met me speelt, en die me duidelijk wil maken: IK ben het die hier de baas is, 29 september is MIJN feest en niet langer dat van Michaël? Maar spreekt de draak werkelijk in termen van drie? En zou hij mij eerst een film zoals The Exorcist laten zien, een film waarin hij verslagen wordt? 

Eén ding lijkt wel zeker: wat me overkomt heeft met Michaël en de draak te maken. Alles speelt zich af rond 29 september, de grote honden-processie spreekt voor zich, en ook over The Exorcist kan geen twijfel bestaan: dit gaat over de strijd met de draak. Het was trouwens echt geen opzet dat ik uitgerekend nu deze film opnieuw bekeek. Ik was ook danig verrast dat ik pas nu zijn esoterische dimensie ontdekte. Nee, hoe meer ik erover nadenk, hoe meer ik geneigd ben te denken dat Michaël me iets wil zeggen. Maar wat? Verleden jaar heb ik mijn tanden stukgebeten op het raadsel dat hij me opgaf en dit jaar lijkt het niet minder moeilijk te worden. Maar opnieuw: is dat een reden om het niet te proberen? De strijd met de draak wordt nooit gewonnen, en toch moet hij gestreden worden.   

(Wordt vervolgd)

Junkieverdriet

  

Ergens op een muur in Brugge …

Brugge zien en sterven (vervolg)

Aangezien ik op een splinternieuwe iPad werk – die veel meer kan en veel minder doet dan de oude – ben ik verplicht een aantal kunstgrepen toe te passen zoals het splitsen van blogberichten. Tja, als de vooruitgang achteruitgaat dan hou je hem niet tegen. Waar waren we gebleven? O ja, in Brugge die scone. Schoonheid is, zoals ieder ontwikkeld mens weet, een doorn in des kunstenaars oog. En dus probeert die kunstenaar, gesteund door de stad Brugge, daar wat aan te doen. Persoonlijk vind ik volgende poging best geslaagd, al maak ik me sterk dat ik het zelf nog een stuk lelijker had kunnen maken.

  

Deze vind ik trouwens ook wel een goeie. Vooral het rood komt heel goed uit tegen al dat groen, al ben ik niet geheel zeker of de mevrouw wel bij het kunstwerk hoorde. 

   
Een mens kan natuurlijk wel lachen met al die fratsen, maar van harte gaat dat natuurlijk niet, want het is allemaal van een peilloze treurigheid. Ik sloof mij uit om een centje te verdienen zodat ik materiaal kan kopen om schone dingen te maken (of dat althans te proberen) en intussen spendeert de stad Brugge miljoenen euro’s aan ‘kunstenaars’ die proberen de dingen zo lelijk mogelijk te maken. Ik had stiekem gehoopt dat het begijnhof zou ontsnappen aan deze furor artisticus, maar dat was zonder een of andere Japanse waard gerekend die er niets beters had op gevonden dan de beroemde populieren boomhutgewijs vol planken te spijkeren. Werkelijk niets is heilig voor deze internationale barbaren. 

   
Toen er even later nog een fietsende inboorlinge tegen me aanreed en me vervolgens verbluft aankeek omdat ik niet tijdig uit de weg was gesprongen (ze generen zich nergens voor, die fietsende Bruggelingen), brak bij me de veer. Ik had er opeens genoeg van. Het verbaasde me geeneens dat ik intussen niks meer verkocht had. Hoe kun je als kunstenaar – van het soort dat mooie dingen probeert te maken – optornen tegen de pletwals van de moderne Hunnen! Het is een verloren strijd. Voor het eerst begreep ik echt dat het voor me afgelopen is daar op de Dijver in Brugge. Het heeft zelfs geen zin meer om het voor m’n plezier te doen, want dat plezier bestond er juist in om ergens bij te horen, om deel uit te maken van iets concreets. Maar hoe leuk ik het daar ook vind op de Brugse folkloremarkt, hoe goed ik ook kan opschieten met m’n collega’s, als je niks verkoopt, dan hoor je er niet bij, dan is je plek daar niet. 

   

Brugge zien en sterven …

Zondag ben ik nog eens naar Brugge geweest, dit keer samen met An, as in the good old days. Het leek opnieuw zo’n goeie ouwe dag te worden: de zon scheen, ik had er zin in, en An verheugde zich op het weerzien met de oude collega’s (die nu de mijne zijn). We waren vroeg, acht uur, en hadden de Dijver voor ons alleen. Dat zag er zo uit:

  

Ons enige gezelschap bestond uit …
  
… zeven zwanen en een alleenstaande moeder:

  
Kan een dag idyllischer beginnen? 

Terwijl An een praatje sloeg met Marijke …

  
… stelde ik m’n kraam op zoals ik het prefereer: in m’n eentje, op m’n gemak en in alle stilte. Daarna ging ik snel nog even een wandeling maken want … wat is Brugge mooi zonder toeristen! 
  
  

Daarna riep de plicht me en nam ik het roer van An over. Een half uur Later had ik al een schilderijtje verkocht. Dat begon goed: het was nog geen middag en ik was al uit de kosten! Het beloofde een aangename dag te worden. De ervaren-marskramer-in-mij maande me aan niet te vroeg victorie te kraaien en dat deed ik dan ook niet. Maar dat nam niet weg dat de teleurstelling toenam naarmate de dag vorderde, want ik verkocht niets meer. An viel erbij in slaap.

  
Toen ze weer wakker werd, besloot ik nog een stapje in de wereld te zetten. Ik wilde wel eens weten hoe bont ze het hadden gemaakt met hun triënnale, een verplicht artistiek nummer (kostprijs: 2,8 miljoen euro) dat iedere stad die niet als oubollig te boek wil staan, moet opvoeren. 

Het viel al bij al nogal mee. ’t Had zoveel erger kunnen zijn, om de dichter te citeren. 

  

Wat dacht u van volgend krachtige statement ?

  
Ja, ze zijn toch zo kritisch, onze kunstenaars! Vooral als je hen genoeg betaalt, en dat doen ze in Brugge, kijk maar:

  
Dit installeer je niet voor 500 euro, een bedrag waarvoor ik heel wat doeken en verf kan kopen. Maar welke idioot schildert nu nog met verf als hij op de Grote Markt van Brugge kan prijken en al die onnozele toeristen kan bedienen die alleen maar geïnteresseerd zijn in zichzelf!

  
De intellektuwelen die daar een mooi verhaaltje bij verzinnen, hoeven de kunstenmakers niet eens zelf te betalen. Daar zorgt de stad Brugge wel voor. 

 

Er is geen woord van gelogen, want in deze tussenruimte die het potentieel heeft om de open ruimte te overbruggen, had ik een ontmoeting met mezelf:

  

Ja, kunst kan schoon zijn …

Doodgaan in Brugge

Gisteren ben ik nog eens naar Brugge geweest om te proberen een centje bij te verdienen, of beter gezegd: om nog iets te recupereren van de onkosten die ik gemaakt heb. Het mocht niet baten. Ik heb van de hele (lange) dag niks verkocht. Vrolijk wordt een mens daar niet van. De gedachte dat ik de helft van m’n leven besteed heb aan het maken van dingen die ik aan de straatstenen niet kwijt kan, deed me twijfelen aan … nu ja, aan heel veel. Ik probeerde me te troosten met de gedachte dat al die toeristen niet naar Brugge komen om naar de triënnale te kijken (kostprijs 2,8 miljoen euro), maar veel belangstelling voor de oude stad leken ze ook niet te hebben. Hun aandacht ging vooral uit naar … henzelf. Brugge lijkt op bepaalde momenten het decor van één grote fotoshoot waarbij vrouwelijke toeristen de meest verleidelijke poses aannemen terwijl hun vriendje hen fotografeert. Of terwijl ze zichzelf fotograferen …

Doorgaans kan ik wel lachen met die hele comédie humaine, maar als je niks verdient wordt dat een stuk moeilijker. Want niks verdienen betekent eigenlijk: er niet bijhoren. En dan zien de zaken er héél anders uit. Als buitenstaander naar iets kijken is bepaald niet hetzelfde als kijken naar iets waarvan je deel uitmaakt. Daarom ook ziet een kunstenaar zijn eigen werk heel anders dan een kijker dat doet. Beiden kijken met een heel andere blik. Daar moest ik weer aan denken toen ik vandaag in de krant las dat er op de Gentse korenmarkt twee nieuwe kunstwerken zullen geïnstalleerd worden (van elk 350.000 euro) in het kader van de heraanleg van het stadscentrum. In Brugge doet men ook voortdurend pogingen in die richting, maar die stuiten tot dusver – gelukkig – op de dienst toerisme. In Gent hoeven ze echter geen rekening te houden met de toeristen, dus daar hebben ze carte blanche bij het updaten van de verouderde stadskern, want met de plaatselijke bewoners houden ze evenmin rekening. En dus verrijst daar het ene ‘hedendaagse’ kunstwerk na het andere.

Dat gebeurt overigens niet alleen in Gent. Het ergste wat je Tegenwoordig als gemeentebestuur kunt meemaken, is dat je ervan beticht wordt om conservatief (lees: achterlijk) te zijn. De beste manier om dat te weerleggen is door in het midden van je stad, gemeente of dorp een ‘hedendaags’ kunstwerk neer te poten. En dat mag best wat kosten. Niemand wil achterblijven en dus duiken die statements nu ook in de meest afgelegen boerendorpen op. Hetzelfde geldt voor muziekfestivals: ieder dorp hoort er tegenwoordig één te hebben. Dat de inwoners een of meerdere nachten niet kunnen slapen, is uiteraard geen bezwaar. Wie hip en modern wil zijn, moet kunnen lijden. Daar zijn Vlamingen goed in en dus wordt Vlaanderen overspoeld door een vloedgolf van moderne kunst. Men gaat er zelfs prat op dat die kunst doordringt tot in ongerepte natuurgebieden. Het geeft een idee van de ‘penetratiekracht’ van de moderne kunst: ze snoert zelfs de ecologisten de mond. 

Er is in Vlaanderen nagenoeg geen plek meer die gevrijwaard blijft van deze artistieke tsunami. Zelfs de kust wordt erdoor overspoeld. Op het strand, in de duinen, op de zeedijk verschijnen de meest vreemde constructies die de lege hoofden van de zonnekloppers moeten vullen met cultuur. Dat is trouwens de reden waarom we ons jaarlijkse weekje aan zee afgelast hebben. In die week wordt dit jaar namelijk vier avonden lang muziek gemaakt in De Haan. Wat dat betekent heb ik verleden jaar één keer meegemaakt: een infernaal lawaai dat zowat de hele nacht doorging en tot in de aanpalende gemeenten te horen was. Dat wil ik geen tweede keer meemaken: dus geen vakantie dit jaar. Ik weet naderhand niet meer waar ik mij moet verbergen om te ontsnappen aan die opdringerige ‘kunst’. De muziek is natuurlijk  het ergst: daar kun je je niet voor afsluiten. Maar ook aan de beeldende kunst valt steeds minder te ontkomen. Op de meest onverwachte plaatsen, zowel midden in een natuurgebied als midden in een historische stadskern, word je ermee geconfronteerd. 

Wat doet dit nu met een mens, vraag ik me af. En ik stel me die vraag vooral met betrekking tot die ‘hedendaagse’ beelden. Want muziek spreekt een mens rechtstreeks aan. Je voelt de klanken – en zeker luide electronische klanken – tot diep in je lichaam en ze brengen je in beweging. Tegenover artistieke beelden is er meer afstand. Ze nodigen de kijker uit tot een meer bewuste oordeelsvorming. Dat is zeker het geval met ‘hedendaagse’ beelden’. Tegelijk is er echter veel minder keuze. In de muziek kun je kiezen tussen rock, jazz, folk, blues, metal, klassiek, barok, hedendaags, enzovoort. Ze hebben allemaal hun eigen festivals, al overheerst de rockmuziek natuurlijk duidelijk. In de wereld van de beeldende kunst is het echter al ‘hedendaags’ wat de klok slaat. Van ‘klassiek’ is geen spoor meer te bekennen, daarvoor moet je naar het museum. Als er nog eens ergens een klassiek beeld in de openbare ruimte verschijnt, is het van zo’n erbarmelijke kwaliteit dat je begrijpt: dit is echt niet meer van onze tijd!

De ‘hedendaagse’ kunstwerken die vandaag overal verschijnen, zowel in oude stadskernen als ongerepte natuurgebieden, laten de kijker maar één keuze: men is ervóór of men is ertegen. Ofwel geeft men zich over aan deze kunst, ofwel keert men er zich vanaf. En dat is een zeer drastische keuze, temeer daar deze kunst er alles aan doet om zich te distantiëren van haar omgeving. De nieuwe kunstwerken in de oude Gentse stadskern zijn als een knetterende vloek, en hetzelfde kan gezegd worden van de ‘installaties’ die men dezer dagen aan zee aantreft: ze willen totaal niets te maken hebben met hun omgeving. En dus moet men als kijker kiezen: de kunst of de oude, ongerepte omgeving. De ‘hedendaagse’ kunst nodigt uit tot een bewuste oordeelsvorming, maar het is beslist géén vrije oordeelsvorming. Daarvoor is de keuze veel te drastisch en heeft ze ook veel te grote consequenties. 

Kiest men vóór deze kunst, dan gaat men er eigenlijk mee akkoord dat alles wat oud is – stadskernen zowel als natuurgebieden – verminkt mag worden door monsterachtige installaties waar niets tegenin gebracht kan worden en die men als belastingbetaler bovendien zelf moet bekostigen. Neemt men daarentegen stelling tegen deze kunst, dan keert men zich als het ware tegen zijn eigen tijd, want er IS geen andere kunst meer. Men laat zich dan kennen als een dinosaurus, een uitgestorven diersoort, een cultuurbarbaar, want wie keert zich nu tegen de kunst van zijn tijd! Door de ‘hedendaagse’ kunst af te wijzen, plaatst men zichzelf buitenspel, men geeft te kennen er niet meer bij te horen, men wordt een buitenstaander. En dat is natuurlijk een keuze waarvoor iedereen terugdeinst. 

Nochtans is deze keuze zeer verhelderend. Door buitenstaander te worden en geen deel meer uit te maken van datgene waarvan men zich een beeld probeert te vormen, krijgt men een heel andere kijk op de zaak. Men ziet dingen die men anders niet ziet, men oordeelt veel afstandelijker. Eigenlijk kan men niet tot een objectief oordeel komen over de wereld waarin men leeft, zolang men nog deel uitmaakt van die wereld. Een echt objectief oordeel is dan ook maar mogelijk wanneer men dood is, wanneer men vanuit de geestelijke wereld oordeelt. Maar men kan ook gevoelsmatig ‘sterven’ zonder de fysieke banden met de wereld door te snijden. En dat is precies wat men doet wanneer men stelling neemt tegen de ‘hedendaagse’ kunst. Men maakt zich dan innerlijk los van de wereld waarin men leeft. Men ‘versterft’ en dat is iets waartoe mensen in deze materialistische tijd niet meer vanuit zichzelf komen. 

Toen ik gisteren in Brugge zat, hoorde ik er fysiek helemaal bij. Ik had het benodigde materiaal, ik kon dat materiaal vervoeren en opstellen, ik had zelfs alle toelatingen en vergunningen. Ik maakte deel uit van de folkloremarkt en dat werd door iedereen geaccepteerd. Maar innerlijk zat ik te ‘sterven’, want het was maar al te duidelijk dat ik er NIET bijhoorde. Als ik verkoop, heb ik even de illusie dat ik er WEL bijhoor. Maar meer dan een illusie is het niet, want als ik alle onkosten (boetes inbegrepen) verreken, heb ik daar in Brugge nog altijd geen euro verdiend, ondanks alle inspanningen. Mijn marktcarrière is in feite één grote schijnvertoning. Maar innerlijk is ze zeer reëel: het gevoel te ‘sterven’ is heel echt. En dat gevoel maakt me (meer dan ooit) duidelijk dat de macht van de ‘hedendaagse’ kunst nagenoeg totaal is en dat alles wat er nog op het gebied van de ‘klassieke’ kunst gebeurt, schijn is.

Maar ook die almachtige ‘hedendaagse’ kunstwereld is een schijnwereld. De mensen die ervoor kiezen (bewust of onbewust) beseffen niet dat zij zich tegen de oude, klassieke wereld keren. Zonder het te weten, snijden zij de banden met het verleden door. Op die manier is de kunstwereld (maar niet alleen de kunstwereld) verdeeld geraakt in twee schijnwerelden die geen van beide nog een idee hebben van de echte werkelijkheid, van de echte kunst van onze tijd. Een zintuig voor de realiteit kan men alleen nog ontwikkelen door tegenover beide tegengestelde schijnwerelden te gaan staan, door zich van allebei los te maken. De eerste stap in de ontwikkeling van dat (hogere) zintuig is gezet door de ‘hedendaagse’ kunst: zij heeft de moderne mens losgemaakt van de oude kunst, de kunst uit het verleden. De tweede stap moet echter nog gezet worden: de moderne mens moet zich nu ook losmaken van de ‘hedendaagse’ kunst. Pas als hij daarin slaagt, wordt hij werkelijk een buitenstaander en kan hij zich een objectief beeld vormen van de kunst van zijn tijd, en van de wereld waarin hij leeft, want niets weerspiegelt die wereld getrouwer dan juist de kunst. 

Toen ik daar gisteren in Brugge zat (toevallig tussen de twee best verkopende kramers van de hele markt), dacht ik bij mezelf: waarom ben ik niet thuisgebleven? Waarom zit ik me hier te kwellen? Ik besefte dat ik het niet om het geld deed, maar om de illusie ‘erbij te horen’. Ik kan daar geweldig van genieten, juist omdat het gevoel zo zeldzaam voor me is. Maar aan de grenzen van mijn bewustzijn dook ook het vermoeden op dat ik het deed om me bewust te worden van die illusie. Ik hoor niet bij die folkloremarkt (en dus ook niet bij die hele klassieke kunstwereld die alleen nog als folklore bestaat) en ik hoor zeker niet bij de ‘hedendaagse’ kunstmarkt zoals die aan de overkant van de Dijver haar – ongetwijfeld veel winstgevender – activiteiten ontplooit. Ik hoor nergens bij, ik ben overal een buitenstaander. Maar juist daardoor word ik gedwongen een visie op kunst (en op de wereld) te ontwikkelen die niet partijdig is en die daarom ook geen schijn is.

Maar ik moet me daarvoor tot het uiterste inspannen, want ik kan nergens op steunen dan juist op mijn eigen denkinspanningen én op mijn gevoel te ‘sterven’. Het ene gaat waarschijnlijk niet zonder het ander, want zonder dat gevoel zou ik niet zo intens nadenken, en zonder al dat nadenken zou het gevoel wellicht ook niet zo sterk zijn. Het helpt me alleszins te begrijpen waarom geen mens het waagt zijn stem te verheffen tegen de alomtegenwoordige ‘hedendaagse’ kunst: niemand wil zomaar ‘sterven’. Het helpt me ook te begrijpen hoe die obscene en monsterachtige ‘kunst’ erin slaagt zo’n enorme invloed uit te oefenen: zij dwingt de moderne mens tot een keuze tussen leven en dood. En ook al is dat leven nog maar een schijn van wat echt leven is, en ook al is het gevoel er bij te horen een groteske illusie, het is in al z’n armzaligheid nog altijd een stuk aangenamer dan ‘sterven’.