Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Tag: Christus

I can’t breathe (1)

  

Ahriman laat er geen gras over groeien. De corona-crisis is nog maar net bezworen of er breekt alweer een nieuwe crisis uit. Dit keer niet in China maar aan de andere kant van de wereld, in Amerika. Daar sterft een zwarte man door toedoen van een blanke politieagent en overal in het land ontstaan er zware rellen die vervolgens ook navolging vinden in Europa. Op het eerste gezicht hebben die twee crisissen niets met elkaar te maken en is het voorbarig om ze allebei aan Ahriman toe te schrijven. Maar dat verandert wanneer we in beelden gaan denken. Dat is trouwens wat Ahriman zelf ook doet: met zijn dode, abstracte ideeën dringt hij door in onze waarneming en doet daar beelden ontstaan, imaginaties die ons gevoel en onze wil krachtig aanspreken. Op die manier drukt hij zijn stempel op alles wat vandaag gebeurt. Dat stempel – Ahrimans handtekening zeg maar – herkennen we wanneer we op onze beurt in beelden gaan denken, wanneer we onze gedachten en inzichten verdichten tot imaginaties. 

Dat is geen eenvoudige zaak. Het is zelfs een gevaarlijke zaak, want we begeven ons op een terrein waar ook Ahriman actief is en het ligt voor de hand dat hij er alles zal aan doen om ons te beletten hem te ontmaskeren. Juist daarom is het belangrijk dat we ons een voorstelling van hem maken, een ideëel portret dat we ons voor ogen kunnen houden. Want als Ahrimans imaginaties zich vermengen met de onze, komen we op een hellend vlak terecht en raken we ongemerkt in zijn greep. Na de imaginatie volgt immers de inspiratie: de beelden beginnen te spreken, en voor hun stemmen kunnen we ons al niet meer afsluiten. Als we vervolgens het stadium van de intuïtie bereiken, zijn we helemaal verloren. We worden dan één met Ahriman, in de overtuiging dat we de wereld redden van het kwaad. Daarom zegt Rudolf Steiner ook dat antroposofie een gevaarlijke zaak is. Het denken tot leven brengen – de imaginatie is daarin de eerste stap – impliceert een hevige strijd met Ahriman en vergt grote wakkerheid.

Het geval George Floyd is wat dat betreft een schoolvoorbeeld. Het toont ons hoe moeilijk (in meer dan één betekenis), maar ook hoe belangrijk het is zelf imaginaties te vormen en ze scherp te onderscheiden van die van Ahriman. We hebben allemaal de beelden gezien van de blanke Derek Chauvin met zijn knie in de nek van de zwarte George Floyd. Doordat we die beelden automatisch associëren met racisme, worden ze een zinnebeeld: we zien niet langer één blanke die in koelen bloede een zwarte verstikt, we zien het hele blanke ras dat het hele zwarte ras onderdrukt en discrimineert. Het eerste beeld is een zintuiglijke waarneming en daar reageren we in regel op door ons af te vragen welk begrip we ermee moeten verbinden. In dit geval: ongeluk of doodslag, racisme of overdreven geweld. Het tweede beeld daarentegen is een imaginatie, een waarneming waarmee het begrip racisme reeds verbonden is en waarop we onmiddellijk reageren, instinctief, zonder na te denken. 

De rellen die uitbraken na de dood van George Floyd geven een idee van de enorme kracht die uitgaat van zo’n imaginatie. Het gaat dan ook niet om een zintuiglijk beeld dat we voor ons zien en afstandelijk bekijken, maar om een bovenzintuiglijk beeld dat in onszelf leeft en waar we sterk mee verbonden zijn. Waarnemingsbeelden situeren zich op het niveau van ons fysieke lichaam: we zijn er ons bewust van en ze laten ons vrij. Imaginaties ontstaan in ons etherische lichaam, ons gewoontelichaam: we zijn er ons slechts deels van bewust en ze hebben iets dwingends. Gewoonten zijn moeilijk af te leren, vooral wanneer ze oud en diepgeworteld zijn. De imaginatie van het blanke ras dat het zwarte onderdrukt, leeft al geruime tijd in ons en wordt steeds sterker. Als dit denkbeeld juist is, dan gaat het om een goede gewoonte en is er geen reden om het te veranderen. Maar als het niet juist is, als het niet met de werkelijkheid overeenkomt, dan hebben we ons een slechte gewoonte eigen gemaakt waar we moeilijk vanaf zullen raken. 

In het geval van George Floyd braken de protesten uit zodra de beelden van de fatale arrestatie bekend werden. Ze groeiden al vlug uit tot gewelddadige rellen, plundering, doodslag en – verrassend genoeg – een heuse beeldenstorm. Ruimte voor onderzoek of reflectie was er niet, het stond meteen vast: dit ging om racisme. Dat was ook de teneur van zowat alle commentaren in de mainstream media: George Floyd was het zoveelste slachtoffer van het onuitroeibare blanke racisme. Daar kon volgens de experts geen twijfel over bestaan. De vanzelfsprekendheid waarmee ze de racisme-imaginatie poneerden kwam niet uit de lucht vallen. Al tientallen jaren lang verschijnen in de officiële media met de regelmaat van een klok opiniestukken waarin het racisme van de blanke bevolking wordt aangeklaagd. Onophoudelijk wordt er op die spijker geklopt. Inmiddels is men reeds een stap verder gegaan: niet alleen het racisme wordt aangeklaagd maar in toenemende mate ook de blanke onwil om dat racisme te erkennen.

In feite zijn de media het stadium van de imaginatieve beeldvorming reeds voorbij. De vraag is niet langer of het beeld van de blanke racist juist is, de vraag is waarom de blanke niet wil luisteren naar de luid klinkende stem van dit beeld. Waarom wil hij de waarheid niet onder ogen zien? De experts – journalisten, academici, ervaringsdeskundigen – hebben met andere woorden het stadium van de inspiratie bereikt, en dat betekent dat er geen discussie meer mogelijk is. De waarheid staat vast: de blanke is racistisch en onderdrukt zijn gekleurde medemens. Wie deze imaginatie nog ontkent, ontkent het licht van de zon, hij sluit de ogen voor wat iedereen kan zien. Zo’n ontkenner is niet langer voor rede vatbaar en plaatst zichzelf buiten de gemeenschap. Daarom verkondigen steeds meer zwarte mensen – merkwaardig genoeg vooral vrouwen, en vaak zeer jonge – dat ze niet langer met blanken over racisme willen spreken. Het heeft toch geen zin. Hun boodschap is: genoeg gepraat, er moet gehandeld worden.

People of color – dat zien we zowel in Amerika als in Europa – voelen zich steeds meer gerechtigd geweld te gebruiken tegen de kwaadwillende blanke die hen langzaam verstikt. Ze zien het als een vorm van wettige zelfverdediging. Dat argument horen we ook bij moslims: ze moeten wel geweld gebruiken anders worden ze doodgedrukt door de ongelovige blanke. Wat dat laatste betreft hebben ze trouwens gelijk: de blanke is inderdaad een ongelovige, en het is zijn ongeloof dat zo verstikkend is. Niet alleen gelooft hij niet meer in God, hij gelooft ook zijn eigen ogen niet meer. Hij baseert zich steeds minder op de zintuiglijke waarneming en steeds meer op het abstracte denken. Dat dode denken vormt vervolgens imaginaties die voor werkelijker dan de werkelijkheid worden gehouden en alles ‘verstikken’. Bovendien zijn die imaginaties nog besmettelijk ook, want ze worden gretig overgenomen door de people of color. Ook hier weer hebben deze laatsten gelijk: de blanke koloniseert hen met zijn imaginaties. Nog altijd.

De vraag is niet of dit geestelijke koloniseren gerechtvaardigd is, want dat is nu eenmaal hoe beschavingen ontstaan: mensen bevruchten elkaar met ideeën, met beelden, met imaginaties. Ook de blanke, Europese beschaving is ontstaan door kolonisatie: enerzijds door de Romeinen met hun abstracte denken, en anderzijds door gekleurde mensen uit het Midden-Oosten met christelijke beelden die, naar ze beweerden, uit de zintuiglijke werkelijkheid afkomstig waren. Moeten wij deze kolonisators nu met de vinger wijzen omdat ze ons gemaakt hebben tot wat we zijn? Of moeten we hen juist dankbaar zijn, ondanks het geweld dat ze gebruikten? De echte vraag gaat niet over het koloniseren op zich, ze gaat over de waarde van de koloniserende ideeën en imaginaties. Zijn ze beter dan de (denk)beelden van de gekoloniseerde? Maken ze zijn leven beter en menselijker? Zijn ze met andere woorden gebaseerd op de waarheid (die voor ieder mens geldt) of op leugens (die onderdrukking veroorzaken)?

Geen enkele Europeaan zal betreuren 2000 jaar geleden gekoloniseerd te zijn door Romeinen en Palestijnen, want uit die – deels gewelddadige, deels vreedzame – kolonisering is een beschaving ontstaan die zijn weerga niet kent. De reden waarom momenteel zoveel people of color naar Europa emigreren is simpelweg dat het leven nergens beter is, dat mensen nergens meer mens kunnen zijn dan juist hier. Dat neemt niet weg dat in dat bewonderens- en benijdenswaardige Europa ideeën en imaginaties leven die in de vorige eeuw een storm van geweld hebben ontketend die niet te rijmen valt met de Europese idealen van vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid. Deze anti-Europese ideeën en imaginaties zijn weliswaar ontstaan in Europa en worden er ook door gevoed, maar ze zijn een koekoeksjong dat, sinds het uit zijn ei is gekropen, de oorspronkelijke beelden één voor één uit het Europese nest kiepert. En dat is iets wat niet enkel (blanke) Europeanen moeten betreuren, het gaat de hele wereld aan.

Het geweld dat de wereld nu al meer dan 100 jaar teistert, wordt niet veroorzaakt wordt door de Europese idealen (die inmiddels wereldidealen zijn geworden). Vrijheid van meningsuiting, gelijkheid van alle mensen, afschaffing van de slavernij: het zijn verwezenlijkingen waar ieder mens op aarde, ongeacht zijn ras of kleur, achter kan staan. Tenzij ze natuurlijk als ‘wit’ beschouwd worden en het resultaat van ‘eurocentrisch denken’. Maar dan kan men zich ook niet op die idealen en mensenrechten beroepen om racisme en discriminatie aan te klagen. Wat achter de hele racismekwestie schuilgaat, is de vraag naar waarheid. Bestaat er een waarheid die voor iedereen geldt, tot welk ras hij ook behoort? Of zijn er alleen maar Europese waarheden, blanke waarheden, zwarte waarheden, gekleurde waarheden? In het laatste geval is de strijd tegen het racisme gewoon een strijd om de macht: wiens waarheid wint? In het eerste geval dient de waarheid onderscheiden worden van de leugens van het koekoeksjong.

Ahriman zet de waarheidsvraag op scherp door ons denken te infiltreren met zijn leugens, door imaginaties te doen ontstaan die gebaseerd zijn op dode ideeën, ideeën die het contact met de levende werkelijkheid verloren hebben en een eigen onderaards leven zijn gaan leiden. Ongewild wijst Ahriman er ons op dat waarheid een werkwoord is en dat we haar niet kunnen vinden als we ons niet inspannen, als we ons denken niet (zelf) tot leven brengen door imaginaties te vormen, door onze dode ideeën weer met de zintuiglijke werkelijkheid te verbinden zodat ze verhinderd worden hun eigen gang te gaan (en zelfs door computers overgenomen te worden). Het abstraheren of ‘doden’ van ideeën is een cruciale stap in het verwerven van onze vrijheid. Het is een vermogen dat we aan Lucifer te danken hebben, maar waar Ahriman zich nu meester van maakt om er zijn imaginaties mee te vormen die het materialisme diep in ons gemoed en onze wil prenten en ons ongemerkt tot slaaf maken. 

Dit ahrimaniseren van onze ziel kunnen we alleen tegengaan door zelf – bewust en vrijwillig – imaginaties te vormen in plaats van ze onbewust in onze ziel te laten opstijgen als tegenbeeld van ons dode cijferdenken. Want imaginaties vormen we hoe dan ook, ons denken komt sowieso tot leven, dat valt niet tegen te houden. Het probleem is dat we er ons niet bewust van zijn, dat het allemaal instinctief verloopt en dat we bijgevolg niets doen om evenwicht te scheppen tussen ons cijferdenken en ons imaginatieve denken. Van die onbewustheid en passiviteit maakt Ahriman gebruik om ons denken in de door hem gewenste richting sturen, en dat is niet de richting van een bewuste samenwerking tussen beide tegengestelde vormen van denken, maar die van toenemende polarisatie en strijd. Deze strijd maakt zowel het (bewuste) dode als het (onbewuste) levende denken steeds sterker en wanneer de uitersten zich ten slotte met elkaar vermengen, wanneer les extrêmes se touchent, ontstaat er chaos in onze ziel. Op die manier drijft Ahriman ons langzaam maar zeker tot waanzin.

Deze overgang van dood naar levend denken maakt deel uit van het Keerpunt der Tijden. Het is de uitvergroting van een natuurlijk proces dat zich in ieder mensenleven voltrekt. Als kind leven we in beelden, daarom tekenen we ook allemaal. Het vormen van beelden is de mens aangeboren, het is zijn moedertaal, een vermogen dat hij meebrengt uit de geestelijke wereld. Op aarde moet hij echter afstand nemen van deze beelden, hij moet de geestelijke wereld ‘doden’ en in abstracte begrippen leren denken, anders kan hij niet overleven. Maar wanneer hij deze overlevingsstrijd gewonnen heeft en oud wordt, begint hij weer in beelden te leven, herinneringsbeelden die zich langzaam verdichten tot imaginaties, tot wijsheid. De oude mens wordt weer kind, zijn oorspronkelijke beeldvormende vermogen krijgt weer adem en langzaam glijdt hij de geestelijke wereld in. Vandaag is ieder modern mens oud geworden, hij heeft het abstracte denken helemaal ontwikkeld en begint nu als vanzelf weer in beelden te leven.

We worden, zoals Rudolf Steiner zei, op een natuurlijke wijze weer helderziend. Dat klinkt mooi, maar het houdt grote gevaren in, want als we deze overgang naar het imaginatieve denken niet zelf ter hand nemen, dan maakt Ahriman er zich meester van. Op dit keerpunt heeft hij lang zitten wachten en nu slaat hij toe. We beleven het moment van de waarheid, want als de leugen verschijnt, verschijnt ook de waarheid. De incarnatie van Ahriman valt samen met de wederkomst van Christus en plaatst ons voor de keuze: door wie zullen we ons leven en onze toekomst laten bepalen? Om überhaupt te kunnen kiezen moeten we Ahriman en Christus eerst leren onderscheiden, anders kiezen we automatisch voor Ahriman, de wolf in een schaapsvacht. De grote vraag van onze tijd is dan ook: wat is waarheid en wat is leugen? Met cijferdenken alleen komen we daar niet achter, want Ahriman heeft al lang de stap naar de imaginatie gezet. We kunnen hem alleen ontmaskeren – lees: van Christus onderscheiden – wanneer we net als hij in beelden leren denken.  

Het verbod op het denken

    

 
Honderd jaar geleden voorspelde Rudolf Steiner dat er aan het begin van de 21ste eeuw – nu dus – een verbod op het denken zou komen. Een verbod op het denken? Hoe kun je denken nu verbieden! Die Gedanken sind toch frei! Niemand kan een mens beletten te denken wat hij wil, om de eenvoudige reden dat niemand kan zien wat een ander denkt. Gedachten zijn vrij omdat ze onzichtbaar zijn, omdat ze geestelijk zijn. Hetzelfde kan natuurlijk niet worden gezegd van de woorden waarmee die gedachten worden uitgedrukt. Woorden zijn wel degelijk zichtbaar of hoorbaar en kunnen daarom, in tegenstelling tot de gedachten zelf, heel goed verboden worden. Dat is dan ook wat vandaag gebeurt: het uitspreken of neerschrijven van bepaalde gedachten wordt verboden. Je mag ze denken zoveel je wil, als je ze maar niet in een zintuiglijk waarneembare vorm giet, want dan gaan de poppen aan het dansen. Het is dus niet het denken maar het spreken dat aan banden wordt gelegd.

Had Rudolf Steiner het dan niet beter kunnen hebben over een spreekverbod in plaats van een denkverbod? Het is toch niet omdat je niet meer kunt zeggen wat je wilt, dat je niet meer kunt denken wat je wilt. Maar is dat wel zo? Kun je denken en spreken los zien van elkaar? Zelf kan ik alvast niet nadenken zonder te schrijven of te spreken. Ik moet mijn gedachten in een zichtbare of hoorbare vorm gieten om ermee aan de slag te kunnen. Doe ik dat niet, dan gaan ze hun eigen gang. Mijn hoofd wordt dan een volière vol gedachten die als kwetterende vogels rondfladderen. Met denken heeft dat gefladder niets te maken. Het hebben van gedachten is niet hetzelfde als daadwerkelijk denken. Er hebben altijd veel gedachten rondgefladderd in mijn hoofd, maar met (bewust) denken ben ik pas begonnen toen ik ook begon te schrijven. En dat gebeurde niet op school. Daar leerde ik wel de techniek van het schrijven, maar ik zag geen enkele reden om die techniek ook te gebruiken als middel om te denken. 

Waarom zou ik me op school ingespannen hebben om te denken? Alles draaide er om het hebben van gedachten, niet om het denken zelf. Je leerde de verplichte gedachten uit je hoofd, strooide er bloemsuikergewijs een paar eigen gedachten overheen en klaar was kees. Meer werd er niet van je verwacht en het kwam niet in me op om méér te doen dan wat strikt noodzakelijk was. In het onderwijs ging het niet om het denken, het ging zelfs niet om de gedachten, het ging louter en alleen om de punten. Die had je nodig om later aan een job te geraken en geld te verdienen. Het hebben van gedachten was direct gelieerd aan het hebben van geld, het was met andere woorden een materiële aangelegenheid. Met de geestelijke activiteit van het denken had het niets te maken, integendeel zelfs. Denken hield risico’s in, het kon je op verkeerde gedachten brengen en je punten (en later geld) kosten. Daar kon je dus maar beter niet aan beginnen. Nee, als de school me iets leerde, dan was het om vooral niet te denken. 

Dat ik toch heb leren denken, dank ik aan de kunst. Het begon al aan de academie waar ik al tekenend meetkundig moest leren denken. Ik kan niet zeggen dat ik het graag deed, want het was vervelend werk: meten, meten en nog eens meten. Ik moest dan ook voortdurend vechten tegen innerlijke verleiders die me aanspoorden om dat saaie meetwerk niet zo nauw te nemen of het zelfs helemaal over te slaan en meteen onder te duiken in de – zoveel opwinderder – scheppingsroes. Denken had met andere woorden een morele kwaliteit die de zaak aanzienlijk bemoeilijkte maar wel veel betere tekeningen opleverde. En daar ging het om. De vreugde die ik aan die tekeningen beleefde was mijn motivatie om te denken – echt te denken, want met het hebben van gedachten had tekenen niets te maken. Denken was hier louter activiteit, een activiteit die niet werd uitgedrukt in gedachten, maar in lijnen en vormen. Tekeningen waren zichtbaar gemaakt denken, maar beslist géén zichtbaar gemaakte gedachten. 

Door te tekenen verbond ik mijn denken niet alleen met de zintuiglijke werkelijkheid, maar ook met mezelf. Dat kostte me veel moeite want die verbinding was me niet gegeven. De verbinding met de zintuiglijke werkelijkheid, die was me wel gegeven en ik was er niet echt blij mee. Ik ervaarde de werkelijkheid als dwingend. De wereld was een plek waar ik verplicht was vanalles te doen: opstaan, aankleden, eten, naar school gaan, enzovoort, het hield niet op. Daarom trok ik me vaak terug in de ‘volière’ van mijn hoofd. De gedachten die daar rondfladderden waren me eveneens gegeven, een leeg hoofd bestond niet. Maar aangezien niemand in dat hoofd kon kijken, had ik er privacy. Ik kon er doen wat ik wilde, ik kon er helemaal mezelf zijn. Of beter: ik hoefde er niet iemand anders te zijn, ik hoefde geen maatschappelijke rol spelen. Maar hoe graag ik ook in mijn volière vertoefde, ik kon er niet blijven, het was er te nauw, te eenzaam, te vervelend. Er gebeurde nooit iets.

Mijn hoofd was mijn toevluchtsoord, mijn vrijplaats. Ik kon er behaaglijk wegdromen, zwemmend in een wereld van gedachten en voorstellingen, als een kind in de baarmoeder. Denken was opnieuw ongeboren worden, terugkeren naar het paradijs. Maar een echt paradijs was het natuurlijk niet, het had geen substantie, geen leven. Het was een schijnparadijs, een schimmenwereld. En dus moest ik telkens weer terug naar de echte wereld, de levende zintuiglijke werkelijkheid met al zijn wetten, plichten en noodzakelijkheden. Echt vrij was ik er dus niet, want ik was gedwongen voortdurend heen en weer te pendelen tussen de (ideële) wereld van mijn hoofd en de (zintuiglijke) wereld van mijn lichaam. In geen van beide kon ik lang blijven, in geen van beide voelde ik mij echt thuis. En een gulden middenweg vond ik niet, want beide tegenpolen sloten elkaar uit. Om in mijn hoofd te kunnen verblijven, moest ik mij afsluiten van de buitenwereld, en in die buitenwereld kon ik niks aanvangen met mijn fladderende gedachten. 

Eén uitzondering: de kunst. Als ik tekende verbond ik mij zowel met mijn gedachten (ik moest echt denken, logisch en gestructureerd) als met de zintuiglijke werkelijkheid (die ik niet alleen aandachtig bekeek, maar waar ik ook handelend – want tekenend – optrad). Denken was hier tevens handelen, zowel in mijn hoofd (waar niemand me kon zien) als in de buitenwereld (waar iedereen kon zien wat ik tekende). Dat denkende handelen kostte me, zoals gezegd, heel wat moeite want van nature was ik uitgesproken passief, zowel in het denken als in het handelen. Het actief verbinden van beide werelden resulteerde echter in een diepe voldoening waar ik nooit genoeg kon van krijgen. Als ik tekende was ik eindelijk mezelf, ik was eindelijk vrij. Dat was de paradox van de kunst: door me te onderwerpen aan de wetten van zowel de zintuiglijke werkelijkheid (die natuurgetrouw moest weergegeven worden) als het denken (er moest nauwkeurig gemeten en gerekend worden) werd ik vrij, werd ik mezelf.  

Tekenen overbrugde de kloof tussen denken en doen, tussen mijn innerlijke wereld en de buitenwereld. Maar nu werd ik geconfronteerd met een nieuwe kloof: die tussen kunst en werkelijkheid. Die werkelijkheid werd in toenemende mate beheerst door de school. Kon ik eerst nog volop buiten spelen, dan was daar steeds minder tijd voor. Ik moest huiswerk maken en me inspannen om te leren (wat voordien spelenderwijs gebeurd was). Die inspanningen speelden zich helemaal af op het gebied van het denken, een concrete verbinding met de zintuiglijke werkelijkheid was er niet. Vooral in de lessen wiskunde werd dat wereldvreemde denken helemaal abstract. Het was hetzelfde soort denken dat ik gebruikte om te tekenen, maar hier stond het volkomen los van de zintuiglijke werkelijkheid en daardoor werd het voor mij onverteerbaar. Kon ik in de gewone, dagelijkse werkelijkheid mezelf al niet zijn, dan kon ik dat in de wereld van de wiskunde nog veel minder. 

Juist dat onverteerbare abstracte denken beheerste niet alleen het onderwijs, het beheerste de hele wereld. Overal werd gerekend en gemeten, overal werd in formules gedacht en nergens werd ook maar één moment rekening gehouden met schoonheid. Alleen aan de academie gebeurde dat. Daar kon ik ’s zondags even ademhalen en beleven wat het betekent vrij te zijn, hoe het voelt jezelf te kunnen en te mogen zijn. Maar de academie was slechts een kleine oase van vrijheid in een onmetelijke woestijn van plichten. De tegenstelling tussen beide werelden werd steeds groter en uiteindelijk werd ik gedwongen om te kiezen: school of academie. Ik stond voor de drempel van de volwassenheid en moest mijn plaats veroveren in de wereld. Daar had je een diploma voor nodig, met een tekenpotlood kon je er niks aanvangen. Na jarenlang gevochten te hebben tegen het dode, abstracte denken, was ik uitgeput. Ik had de kracht niet meer om me te verzetten en gaf me over. Ik ging naar de universiteit.

Daar gebruikte ik mijn denken niet om aandachtig en liefdevol door te dringen in de zintuiglijke werkelijkheid (zoals ik al tekenend deed), maar om die werkelijkheid zonder enig respect te manipuleren en te bedriegen. Het was voor mij de enige manier om punten te halen, want mijn weerzin voor de abstracte leerstof was veel te groot dan dat ik ze op een legale manier had kunnen of willen verstouwen. Met het kunstzinnige, individuele, morele denken (dat ik aan de academie geleerd had) kon ik aan de universiteit niks aanvangen. Wetenschappers waren minder geïnteresseerd in de zintuiglijke werkelijkheid dan in hun eigen denkpatronen. Ze bestudeerden de werkelijkheid vooral om haar te onderwerpen, om macht over haar uit te oefenen. Deze liefdeloze en immorele machtsdrang was eigen aan de moderne wetenschap en ik nam ze over, ik gebruikte ze tegen haarzelf. Dat was niet eens zo moeilijk, want de wetenschappers waren zich van geen kwaad bewust. 

Ik was dat des te meer, want ik kon hun wetenschappelijke geest vergelijken met de kunstzinnige geest. Deze laatste verloochende ik nu. Was ik in de kunst onvermoeibaar de strijd aangegaan met de ‘verleiders’, dan gaf ik ze nu gemakzuchtig het roer in handen. En dat loonde. Ik kreeg mijn punten, ik haalde mijn diploma en ik vond werk. Ik werd een keurig lid van de maatschappij. Maar dat succesverhaal had een keerzijde: ik had een ontzettende hekel gekregen aan mezelf, aan de universiteit, aan die hele leugenachtige, immorele wereld. Ik verachtte mezelf omdat ik al die jaren niet de moed en de kracht had gevonden om me te verzetten tegen de geest waaraan ik mijn ziel had verkocht. Ik verachtte de professoren die zich door mij hadden laten bedriegen, ik verachtte de hele universiteit die dit mogelijk maakte. Die haat en die minachting maakten van de werkelijkheid waarin ik leefde één grote schijnvertoning, een kwalijke grap. Ze vernietigden ook het laatste greintje zelfgevoel dat ik nog had. Ik hield als het ware op te bestaan. 

Mijn leven werd één langgerekt innerlijk sterven. Toen er ten slotte niets meer van me overbleef dan een lege huls, deed ik wat ik destijds niet had kunnen of durven doen: ik koos voor de kunst. Ik deed dat heel bewust, zonder me iets aan te trekken van de gevolgen. Niets kon immers erger zijn dan het schijnbestaan dat ik leidde, dit levende dood-zijn. Ik nam de draad weer op waar ik hem had laten liggen: aan de academie. Maar die bleek onherkenbaar veranderd. De immorele leugengeest die overal heerste, was nu ook doorgedrongen in de kunst. Met ontzetting zag ik hoe hij mijn toevluchtsoord verwoestte, hoe hij alles vernietigde wat mij vroeger zoveel vreugde en voldoening had geschonken. Een zeldzame uitzondering niet te na gesproken, deed iedereen wat ik aan de universiteit gedaan had: leraars en leerlingen verkochten hun ziel, ze gaven zich over aan de ‘nieuwe’ geest die nu de sleutels van de kunstwereld in handen had. Net als ik misten ze de kracht en de moed om zich te verzetten. Net als ik beseften ze niet waar hun volgzaamheid op uit zou draaien. 

De kunst waar ik voor gekozen had, bleek er niet meer te zijn. Ze was uit haar eigen huis verdreven door de geest van de (materialistische) wetenschap die haar plaats had ingenomen. Geen haar op mijn hoofd dacht eraan mij te onderwerpen aan haar brutale en gewelddadige vervanger. Een ezel stoot zich geen twee keer aan dezelfde steen. Maar waar moest ik nu heen? Ik zag geen andere mogelijkheid dan mij – opnieuw – terugtrekken in mijn volière, tussen mijn gedachten. Daar probeerde ik mij een beeld te vormen van de kunst zoals ik ze had leren kennen. Ik probeerde erachter te komen wat er gebeurde wanneer ik tekende (de kunst als denken) en ik probeerde erachter te komen wat er in de kunstwereld aan de hand was (de kunst als waarneming). Ik had de kunst meegemaakt als een zonnig, levend wezen maar ik had ook meegemaakt hoe ze helemaal verduisterd werd. Om die akelige zonsverduistering te kunnen verdragen, moest ik ze begrijpen. Dat werd mijn nieuwe levensdoel.

Ik probeerde met mijn dode denken door te dringen in het levende wezen van de kunst, zoals ik al tekenend doordrong in de zintuiglijke werkelijkheid. Ik probeerde met andere woorden in gedachten een portret te maken van de kunst. Op die manier kwam ik tot de conclusie dat haar wezen hetzelfde was als het wezen van het denken – niet van het dode, abstracte denken uiteraard, maar van het levende, scheppende denken dat liefdevol doordringt in de zintuiglijke werkelijkheid, dat er zich helemaal mee verbindt en het transformeert tot een kunstwerk. Dat wezen was de Logos, het was Christus zelf. En ik begreep dat het verbod op het denken in wezen een verbod op Christus was. Hijzelf kan natuurlijk niet verboden worden, maar men kan wel beletten dat hij begrepen wordt, dat de mens zich een (denk)beeld van hem vormt. De antichristelijke geest die het denken verbiedt, kan ons de wederkomst van Christus doen verslapen, en dat is volgens Rudolf Steiner het ergste wat ons kan overkomen. 

Kerstmijmeringen

  

Op kerstavond vieren we traditioneel de geboorte van het kindje-in-de-stal. Het is waarschijnlijk het meest populaire feest ter wereld, het meest natuurlijke ook. De donkerste periode van het jaar is voorbij, het licht wordt weer sterker. Er is een eind gekomen aan de zwangerschap van de herfst en de geboorte van het kind heeft verlossing gebracht in al die zwaarte. Geboorteproces en natuurproces spiegelen elkaar: eenvoudiger en vanzelfsprekender kan niet. Toch betekende kerstmis oorspronkelijk iets anders. Het ging helemaal niet om de geboorte van een kind, het ging ook niet om de winterzonnewende of de recuperatie van een of ander heidens feest. Kerstmis was de viering van iets totaal nieuws, iets wat zich op geestelijk vlak had afgespeeld: de komst van Christus op aarde, de intrede van deze kosmische geest in de mensheidsontwikkeling. Dat is de eigenlijke betekenis van kerstmis, de betekenis die we in de loop der eeuwen helemaal vergeten zijn.  

Dat wil niet zeggen dat het traditionele kerstfeest een leugen is. Het is een beeld, een metafoor. Hoe zouden we anders iets kunnen vieren dat geestelijk van aard is, dat geen vorm heeft en onzichtbaar is? Het kindje is een beeld van de grote kosmische Christusgeest die zich heel klein heeft gemaakt, de stal is een beeld van de nederige aarde. Maar dat beeld is geen fictie, het is ontleend aan de historische werkelijkheid. Kort voordat Christus op aarde kwam, werd inderdaad een kindje in een stal geboren, een kindje dat later het fysieke voertuig zou worden van de geest die tijdens de doop in de Jordaan neerdaalde in het lichaam van Jezus. Christus wachtte dus 30 jaar in de geestelijke sfeer van de aarde tot het kindje-in-de-stal volgroeid was en geschikt om als ‘woning’ te dienen. Die wachttijd was een weerspiegeling van wat iedere mensengeest meemaakt wanneer hij incarneert: hij wacht in de etherische sfeer van de aarde tot er een fysiek lichaam vrij komt.

Hoewel de komst van Christus een zuiver geestelijke gebeurtenis was en de geboorte van het kindje-in-de-stal een zuiver natuurlijke gebeurtenis, weerspiegelden beide elkaar. Ze waren nauwer met elkaar verbonden dan we zouden denken, maar er waren ook aanzienlijke verschillen. Het lichaam dat de Christusgeest uitkoos, was een volwassen lichaam: dat van de 30-jarige Jezus. Het lichaam dat een mensengeest uitkiest, is niet meer dan een eicel. Aan die eicel werkt hij in de baarmoeder negen maanden tot hij er een lichaam heeft uit gemaakt waarmee hij op aarde kan leven. De Christusgeest doet hetzelfde, met dat verschil dat hij aan een reeds bestaand lichaam werkt. Je zou kunnen zeggen: Christus bouwt niet, hij renoveert. Drie jaar lang, van de doop in de Jordaan tot Golgotha, verbouwt hij het lichaam van Jezus tot het klaar is om ermee geboren te worden. Die geboorte vindt plaats op het moment dat Jezus sterft. De kruisdood is een baringsproces. 

Tijdens de doop in de Jordaan, wanneer Christus zich verbindt met het lichaam van Jezus, klinkt een stem uit de hemel: heden heb ik u verwekt. De doop komt overeen met het moment dat de menselijke geest zich verbindt met de eicel: het moment van verwekking, van conceptie. De drie jaren dat Christus vervolgens op aarde leeft, komen overeen met de menselijke zwangerschap. Christus wandelt over de aarde, hij spreekt met mensen en hij doet wonderen. Maar dat is slechts de buitenkant van het eigenlijke wonder: Christus werkt aan het lichaam van Jezus. Hij verbouwt het van binnenuit en transformeert het stap voor stap tot zijn eigen lichaam. Het Laatste Avondmaal is de bezegeling van die transformatie: lichaam van Christus is nu klaar om ‘gegeten’ te worden. Daarna beginnen de geboorteweeën: op Goede Vrijdag wordt het nieuwe lichaam uit de baarmoeder geperst (de lijdensweg), op Stille Zaterdag duikt het in het geboortekanaal (de neerdaling ter helle) en op Paaszondag wordt het geboren (de verrijzenis). 

Dit hele conceptie- en geboorteproces – beginnend met kerstmis en eindigend met Pasen – was uniek en eenmalig: het was nog nooit gebeurd en zou ook nooit meer gebeuren. Tegelijk was het een proces dat ieder mens doormaakt tussen zijn aankomst op aarde en zijn geboorte. Maar wat bij de mens diep in het verborgene van de baarmoeder plaatsvindt en negen maanden duurt, speelde zich bij Christus in het openbaar af en nam drie jaar in beslag. Talloze mensen waren getuige van dat ‘openbare mysterie’: de apostelen en de leerlingen, de farizeëers en de schriftgeleerden, de Romeinen en het joodse volk. Allemaal zagen en beleefden ze de schepping van het nieuwe lichaam uit het oude, maar er was er slechts één die echt begreep wat hij zag: Johannes, ‘de leerling die Jezus liefhad’. Als Lazarus was hij door Christus ingewijd en als Johannes werd hij op Golgotha met Maria verbonden. Uit die verbintenis kwam het esoterische christendom voort dat later het kerstfeest zou instellen. 

Dat kerstfeest kan model staan voor het hele heilsgebeuren, van de geboorte van Jezus in Bethlehem tot de geboorte van Christus op Golgotha. Waar de evangeliën over berichten is in feite één groot geboorte-mysterie. Maar het kerstfeest kan ook model staan voor het christendom, dat begon als een levende spirituele beweging en zich ontwikkelde tot een kerkelijk instituut dat uiteindelijk in elkaar stortte. Het is ook de weg die Christus zelf gevolgd heeft: van een kosmische geest tot een gewone mens die ten slotte aan het kruis sterft. Er schuilt dus iets fundamenteel christelijks in de teloorgang van het christendom. Het verdwijnen van de christelijke jaarfeesten en rituelen, de bespotting en vernedering van alles wat christelijk is, de vervolgingen van christenen: het is een herhaling van het mysterie van Golgotha op wereldschaal. Net als de kruisdood van Christus is het een tragisch gebeuren, maar tegelijk bewerkt het het grootste heil: het maakt de wedergeboorte of wederkomst van Christus mogelijk.  

Dat maakt van onze moderne tijd een nieuwe kersttijd: hij is het toneel van een nieuwe Christusgeboorte. Deze geboorte is net als 2000 jaar geleden een onzichtbaar gebeuren, maar dit keer vindt ze niet plaats op de heuvel van Golgotha maar in de etherische sfeer van de aarde, dezelfde sfeer waarin Christus destijds op aarde arriveerde en waar hij 30 jaar wachtte terwijl het lichaam van Jezus in gereedheid werd gebracht. Net als zijn komst wordt ook zijn wederkomst op aarde gespiegeld door de geboorte van een kindje-in-de-stal: de antroposofie die als een etherisch wezen geboren wordt tijdens de Weihnachtstagung in een houten barak in Dornach. Deze antroposofie moet het lichaam worden van de etherische Christus, het lichaam dat hij vervolgens ‘verbouwen’ kan zoals hij dat ook deed met het lichaam van Jezus. Maar voor het zover is, moet dat kinderlijke antroposofische lichaam volwassen worden opdat het klaar zou zijn voor de tweede ‘doop in de Jordaan’.

Een beslissend moment in die ontwikkeling van kind tot volwassene is de ‘aarderijpheid’ zoals Rudolf Steiner het noemt. Het oerbeeld daarvan vinden we in het zogenaamde ‘gebeuren in de tempel’. De komst van Christus werd 2000 jaar geleden niet enkel gespiegeld door de geboorte van het kindje-in-de-stal maar ook door de geboorte van het kindje-in-het-huis. Er werden niet één maar twee Jezuskinderen geboren. Hoewel deze dubbele geboorte duidelijk valt op te maken uit de evangeliën, is ze geheim gebleven tot Rudolf Steiner ze onthulde. Ze weerspiegelt nochtans een volkomen ‘natuurlijke’ zaak: een eicel alleen volstaat niet opdat een mens zich zou kunnen incarneren op aarde, er moet ook een zaadcel zijn. En die twee moeten zich verenigen vóór de mensengeest er zich kan mee verbinden. Daarom waren er twee Jezuskinderen die zich tijdens het ‘gebeuren in de tempel’ met elkaar verenigden: de jongste Jezus werd ‘bevrucht’ door het Ik van de oudste Jezus. 

De bevruchting van de eicel door de zaadcel vindt plaats diep in het verborgene van de baarmoeder. Niemand heeft er weet van. Ook 2000 jaar geleden wist niemand wat zich tussen beide Jezuskinderen afspeelde in de tempel van Jeruzalem. Had men het wel geweten, dan zou alles anders zijn verlopen, Jezus zou niet aan het kruis zijn geslagen en het mysterie van Golgotha zou niet hebben plaatsgevonden. Het ‘gebeuren in de tempel’ was dus een mysterie van de hoogste orde: van de geheimhouding ervan hing het heil der wereld af. Niemand mocht weten dat de oudste Jezus – op wie de joodse Messiasverwachting was gericht – voortleefde in de jongste Jezus, waar niemand iets van verwachtte. Twaalf jaar lang groeiden beide Jezuskinderen naast elkaar op, daarna ontwikkelden ze zich achttien jaar lang als één enkele persoon tot ze klaar waren om – tijdens de doop in de Jordaan – de Christusgeest te ontvangen en hem tot lichaam te dienen.

In de geschiedenis van beide Jezuskinderen vinden we het oerbeeld van de ontwikkeling van de antroposofie. De oude en de jonge zielen binnen de antroposofische beweging moeten langzaam naar elkaar toegroeien met als doel een nieuw ‘gebeuren in de tempel’. Rudolf Steiner wees daar na de Weihnachtstagung op toen hij de antroposofie bestempelde als een voorbereiding op het samenkomen van platonici en aristotelici. Deze ‘bevruchting’ zou de aarderijpheid van de antroposofie markeren en de menselijke beschaving een nieuwe geestelijke impuls geven. Dit nieuwe tempelgebeuren betekent natuurlijk niet dat de platonische en aristotelische zielen samensmelten tot één enkele ziel en dat de oude zielen gewoon van het toneel verdwijnen. De samensmelting zal plaatsvinden op geestelijk-etherisch gebied en ze moet voorbereid worden doordat de oude zielen de vermogens van de jonge zielen verwerven en de jonge zielen de vermogens van de oude zielen. 

Welke vermogens dat zijn kunnen we aflezen aan de twee Jezuskinderen. De oudste was de meest ontwikkelde ziel ter wereld, de knapste kop. De jongste was een ongerepte ziel die nog beschikte over al haar scheppende vermogens. Ze waren met andere woorden het oerbeeld van de wetenschapper en de kunstenaar. Ze vormden de grootst mogelijke tegenstelling, maar onder invloed van de ‘wachtende’ Christus groeiden ze langzaam naar elkaar toe tot de ‘wetenschapper’ zich opofferde en overging in de ‘kunstenaar’. Dit offer bracht Rudolf Steiner ook toen hij het karma van Karl Julius Schröer overnam. Tot dan had zijn leven helemaal in het teken van de wetenschap gestaan: zijn gehele jeugd had Rudolf Steiner gestudeerd, hij had als kind zelfs nooit gespeeld. Na zijn karmische offer kwam hij terecht in een kunstzinnige sfeer: hij bestudeerde Goethe, leerde door Schröer de Oberufer-kerstspelen kennen, werd uitgever van een literair tijdschrift en verkeerde in artistieke kringen.

Tijdens die kunstzinnige periode hield hij evenwel niet op wetenschapper te zijn, integendeel. Hij ontwikkelde een geheel nieuwe wetenschap, een wetenschap die tegelijk een kunst was. Na die kunstzinnig-wetenschappelijke periode volgde de derde, antroposofische periode in zijn leven en daarin herhaalden de drie perioden zich: eerst was er een (geestes)wetenschappelijke periode, daarna een kunstzinnige periode, en ten slotte een periode van aardse werkzaamheid. Eerst wordt wetenschap kunst, daarna wordt kunst werkelijkheid: dat is de wetmatigheid die twee keer tot uitdrukking komt in Rudolf Steiners leven. Na de Weihnachtstagung herhaalt ze zich voor de derde keer, met dat verschil dat Steiner nu alleen een wetenschappelijke aanzet kan geven: hij onthult het geheim van de oude en de jonge zielen. Kort daarna sterft hij en het is nu aan zijn leerlingen om de wetmatigheid voort te zetten en van de zielenwetenschap een zielenkunst te maken die leidt tot een nieuw tempelgebeuren. 

Het voorbeeld van Rudolf Steiner maakt duidelijk wat het wezen is van dat naar-elkaar-toegroeien van oude en jonge zielen: het is een offer, een wederzijds offer. We herkennen dat bij de twee Jezuskinderen: de oudste offert zijn leven om over te kunnen gaan in de kunstzinnige sfeer van de jongste, maar ook voor deze laatste betekent het ‘ontvangen’ van het Ik van de ander een offer. Zoals de eicel na de bevruchting door de zaadcel herschapen wordt in een chaos, zo wordt ook het leven van de jongste Jezus helemaal ondersteboven gegooid na het gebeuren in de tempel. Tot dan leefde hij als in een droom en was de aarde een afspiegeling van de hemel. Door het opnemen van het scherpzinnige Ik van de andere Jezus gaan zijn ogen echter open voor het kwaad in de wereld en dat veroorzaakt in hem een diep lijden. Het tempelgebeuren is ook voor hem een offer, en het is dit wederzijdse offer waarop oude en jonge zielen zich moeten voorbereiden door elkaars vermogens te verwerven. 

Wat dat concreet inhoudt, zien we in de relatie tussen kunstenaar en wetenschapper. Aan alles valt af te lezen dat beiden naar elkaar toegroeien, en in die wederzijdse aantrekkingskracht herkennen we de werking van de etherische Christus. Maar dit samengroeien van de tegenpolen is niet het resultaat van een bewuste inspanning, laat staan van een offer. Het is een onbewuste vermenging waarin de tegenmachten werkzaam zijn. Dat resulteert in een verregaande dekadentie van zowel kunst als wetenschap, een dekadentie die weerspiegeld wordt door het huidige kerstfeest, dat eveneens een onbewuste vermenging is (van twee tegengestelde geboorteverhalen). Een wederopstanding van dit kerstfeest – en daarmee van onze hele beschaving – is maar mogelijk wanneer we ons opnieuw bewust worden van de oorspronkelijke (Christus)geest van dit feest. En een cruciale stap in die wederopstanding is de bewustwording van de relatie tussen beide Jezuskinderen en hun vertegenwoordigers in onze tijd. 

De vervalsing van de mens

  

Na de vervalste Russische schilderijen in het museum van Gent is er opnieuw een schandaal in de kunstwereld. In het Franse dorpje Elne, aan de voet van de Pyreneeën, blijkt de collectie van het plaatselijke museum, gewijd aan de schilder Etienne Terrus, voor meer dan de helft te bestaan uit vervalsingen. Dat werd ontdekt door een bezoeker die vaststelde dat er op sommige schilderijen gebouwen waren afgebeeld die in de tijd van de schilder – Terrus stierf in 1922 – nog niet bestonden. Bovendien bleken sommige handtekeningen nog niet droog toen hij er met zijn vinger over wreef. Nadat het personeel gealarmeerd was, werd een onderzoek ingesteld en een team van experts kwam tot de conclusie dat niet minder dan 82 werken – allemaal aangekocht in de laatste 25 jaar – vervalsingen waren. De burgemeester van Elne spreekt over een ramp en de politie is een onderzoek gestart dat zich naar verluidt niet beperkt tot de schilderijen van Terrus. De schade tot nog toe bedraagt 160.000 euro.  

Het werk van Etienne Terrus, van wie ik nog nooit had gehoord, is verre van adembenemend maar het is degelijk en kleurrijk. Een afbeelding van een van de vervalsingen daarentegen toont een grauw doek van zo’n lamentabele kwaliteit dat niet te begrijpen valt hoe een museum ooit zo’n prul heeft kunnen kopen. Het onderzoek wijst bovendien uit dat de vervalsingen geschilderd zijn op een type katoen dat nog niet in productie was toen Terrus leefde. Dat maakt de zaak nog onbegrijpelijker, want in die tijd schilderde niemand op katoen. Dit minderwaardige kunstmateriaal is pas (veel) later in voege gekomen, toen jan en alleman begon te schilderen en er massaal goedkope doeken werden geproduceerd. Al die factoren samen – het kwaliteitsverschil tussen de originelen en de vervalsingen, het gebruik van katoen als ondergrond en de nog natte verf – leiden tot de conclusie dat de verantwoordelijken van het museum in Elne ofwel totaal geen verstand hadden van kunst ofwel zo corrupt waren als de neten. 

Ik zou niet weten wat het ergste is. Het een is ook niet mogelijk zonder het ander. Wie oog heeft voor de (artistieke) kwaliteit van een kunstwerk zal niet gauw bedrogen worden, en als het toch gebeurt, is de vervalsing zo goed dat ze hoe dan ook een aanwinst is. Wat een schilderij zijn waarde geeft is immers niet wie het gemaakt heeft maar zijn kunstzinnige kwaliteit. Kan men die kwaliteit echter niet meer onderscheiden, dan wordt de handtekening het belangrijkste onderdeel van een schilderij. De vervalsers van Elne hebben niet eens de moeite gedaan om de stijl van Terrus na te bootsen, ze hebben gewoon een schilderij genomen met onderwerpen uit de streek en er zijn handtekening onder gezet. Ze hebben zelfs niet gewacht tot die handtekening droog was, zo klein was blijkbaar de kans op ontdekking. Of was de vraag zo groot dat ze het niet konden bijhouden? Waarom anders zo’n risico lopen? Met de huidige siccatieven duurt het geen week voor een handtekening in olieverf droog is. 

Het doet me denken aan een uitspraak van mijn leraar. Er zijn, zo zei hij ooit, drie dingen waarmee je op korte tijd heel veel geld kunt verdienen: sex, drugs en kunst. De eerste twee zijn in handen van de georganiseerde misdaad, dus waarom zou dat ook niet het geval zijn met de kunst! Wie ziet welke gigantische bedragen er vandaag omgaan in de kunsthandel moet zich wel de vraag stellen: wie houdt hier de touwtjes in handen? Ik las ooit een interview met een (anonieme) schilderijenvervalser. Hij vertelde dat er tijdens de onderhandelingen met zijn opdrachtgevers altijd een pistool op tafel lag. Het waren met andere woorden gangsters. Hij beweerde ook dat een aanzienlijk percentage van alle schilderijen in musea vervalsingen zijn. Als dat klopt, dan zijn misdaad en vervalsing veel dieper in de kunstwereld doorgedrongen dan we durven vermoeden. Een recent krantenbericht lijkt dat te bevestigen: 2000 kunstwerken uit het bezit van de Vlaamse overheid zijn spoorloos verdwenen, niemand weet waar ze gebleven zijn. 

Ik kan niet zeggen dat het me verbaast. Meer dan eens heb in musea vastgesteld dat een meesterwerk waar ik regelmatig ging naar kijken er op een dag niet meer hing. Het was vervangen door een werk van veel mindere kwaliteit. Had men het uitgeleend? Moest het gerestaureerd worden? Was het tijd voor iets anders? Ik had er het raden naar. Misschien was het wel verpatst om recenter werk te kunnen aankopen. Ondenkbaar is dat niet. Klassieke musea zitten in moeilijke papieren. Ze krijgen veel minder subsidies dan hedendaagse musea en staan onder grote druk om hun collectie te ‘actualiseren’. Oude kunst moet langzaam maar zeker het veld ruimen voor nieuwe kunst, en dat opent tal van criminele mogelijkheden. De ‘vernieuwing’ van het kunstbezit is op zich reeds een vervalsing, en wel van het begrip ‘museum’. Een museum is een bewaarplaats van (de quintessens van) het verleden. Het is voor de cultuur wat de herinnering is voor de mens. Daarom is een museum voor hedendaagse kunst een contradictio in terminis

Er vindt in onze tijd een grootschalige vervalsing plaats, niet alleen van kunstwerken maar ook – en vooral – van het begrip kunst zelf. Dat kunstwerken ongemerkt vervangen worden door vervalsingen en musea stiekem ingeschakeld worden in de kunsthandel, is alleen mogelijk doordat de mens het wezen van de kunst – datgene wat iets tot kunst maakt – niet meer waarneemt. Hij is blind geworden voor de geestelijke dimensie van het kunstwerk. Hij kan een meesterwerk niet meer onderscheiden van een tweederangswerk, of een origineel van een vervalsing. Hij ziet het verschil in kwaliteit niet meer. Daardoor wordt hij het slachtoffer van vervalsers en heeft hij geen verhaal tegen intellectuelen die met veel vertoon van geleerdheid betogen dat ook een pispot kunst kan zijn. Deze kunstgeleerden maken hem wijs dat er niet zoiets bestaat als ‘artistieke kwaliteit’, maar dat het een waanbeeld is gecreëerd door witte mensen om gekleurde mensen te onderdrukken. 

Het materialisme heeft ons blind gemaakt voor de geestelijke wereld en dat komt tot uiting in de teloorgang de religie. Maar de teloorgang van de kunst toont aan dat het materialisme ons paradoxaal genoeg ook blind maakt voor de materiële wereld. Het schandaal van Elne illustreert dat duidelijk. De museumverantwoordelijken zagen geen verschil in artistieke kwaliteit tussen de originele schilderijen en de vervalsingen. Ze hadden met andere woorden geen oog voor de geestelijke kwaliteit van de schilderijen. Maar ze hadden evenmin oog voor hun materiële kwaliteiten: het feit dat ze op katoen waren geschilderd, het feit dat de verf nog nat was, het feit dat er gebouwen op afgebeeld waren die in de tijd van Terrus nog niet bestonden. Deze veronderstelde deskundigen waren met andere woorden dubbel blind: ze zagen noch de geest noch de materie van de kunstwerken. Ze registreerden (het bestaan van) die materie wel, maar ze besteedden er verder geen aandacht aan. 

Dat de moderne mens niet meer in staat is de geestelijke wereld waar te nemen, hoeft geen betoog. Wat hij echter veel minder beseft, is dat hij ook het vermogen begint te verliezen om de materiële wereld waar te nemen. Hij kan het nog wel, maar hij wil het niet meer. Waarnemen is een wilsactiviteit, het is iets wat de mens (bewust of onbewust) wil. En juist die wil-tot-waarnemen wordt zienderogen (sic) zwakker. Dat zien we vandaag overal, en lang niet alleen in de kunst. De verschillen tussen man en vrouw bijvoorbeeld, of de verschillen tussen rassen en volkeren, of tussen religies en culturen: de moderne mens wil ze niet meer zien. Hij verzet zich in toenemende mate tegen hun onderscheid. Zelfs de verschillen tussen mens en dier negeert hij. Hij wil dieren dezelfde rechten toekennen als mensen en baseert zich daarvoor op hun – onzichtbare -genetische gelijkenissen. De zichtbare verschillen daarentegen, hoe lachwekkend groot ook, zijn voor hem van geen tel meer. Hij doet alsof ze niet bestaan.

Hoe valt die onwil te verklaren? Waarom wil de mens de zintuiglijke werkelijkheid niet meer ondescheiden? Waarom sluit hij de ogen voor het – nochtans eclatante – verschil tussen man en vrouw, tussen mens en dier, tussen kunst en afval? De reden voor deze moedwillige blindheid ligt in zijn onbewuste verlangen naar de geest. Diep in zijn ziel weet de moderne mens hoeveel ervan afhangt dat hij weer contact maakt met de geestelijke wereld. Maar op datzelfde onbewuste niveau weet hij ook dat het waarnemen van de materiële wereld het waarnemen van de geest verhindert. Beide waarnemingen sluiten elkaar uit, op dezelfde manier als je niet tegelijk de nachtelijke sterrenhemel en de natuur overdag kunt zien. Daarom onderdrukt de moderne mens zijn zintuiglijke waarnemingen: om ruimte te scheppen voor bovenzintuiglijke waarnemingen. Het gevolg is echter dat les extrêmes se touchent: beide waarnemingen vermengen zich ongemerkt en vertroebelen zijn onderscheidingsvermogen. 

Twee grote onbewuste verlangens of driften leven in de ziel van de mens: het luciferische verlangen naar de geest (de Formtrieb) en het ahrimaanse verlangen naar de materie (de Stofftrieb). In de 19de eeuw leek Lucifer het loodje te leggen, want de materialistische Ahriman zegevierde op alle fronten. Maar toen het Duistere Tijdperk ten einde liep, maakte de spirituele Lucifer zijn comeback. Sindsdien woedt in de ziel van de mens een hevige strijd tussen beide driften. Verre van elkaar te compenseren en in evenwicht te brengen, zwepen ze elkaar op tot steeds grotere extremen. Onze tijd is heel wat spiritueler dan de 19de eeuw, maar hij is tegelijk ook nog een stuk materialistischer geworden. En die uitersten raken elkaar: luciferische spiritualiteit en ahrimaans materialisme vermengen zich tot een ‘materialistisch spiritualisme’ of een ‘spiritueel materialisme’. Dat heksenbrouwsel lijkt beide tegengestelde verlangens te bevredigen, maar in werkelijkheid maakt het de mens tot een speelbal van Lucifer en Ahriman. 

Als we willen voorkomen dat de strijd tussen Lucifer en Ahriman onze ziel verscheurt, dan moet we onze tegenstrijdige driften onder controle krijgen. Het luciferische verlangen naar de geest kunnen we niet beteugelen, want niet alleen wordt het steeds sterker, we hebben het ook nodig als tegengewicht voor het materialisme. De blindheid die het veroorzaakt door (onbewuste) bovenzintuiglijke waarnemingen te vermengen met onze zintuiglijke waarnemingen, kunnen we echter niet genezen door ons ahrimaanse verlangen naar materie en zintuiglijkheid (nog meer) aan te wakkeren. Dat doet de spanningen in onze ziel alleen maar hoger oplopen tot ze uiteindelijk ‘explodeert’. Als we dus onze ziel willen redden en voorkomen dat ze in stukken uit elkaar spat, moeten we een manier vinden om beide driften met elkaar te verzoenen. We moeten een verlangen ontwikkelen dat zowel zintuiglijk als bovenzintuiglijk is, een verlangen dat Formtrieb en Stofftrieb tegelijk is. Anders zijn we een vogel voor de kat.

Het goede nieuws is dat we zo’n verlangen reeds bezitten. De Spieltrieb, die op exemplarische wijze tot uitdrukking komt in de kunst, verbindt geest en materie. Een kunstwerk bestaat uit materie, maar wat het tot kunst maakt is geestelijk van aard. Het kan op geen enkele manier gemeten of bewezen worden, maar het kan wel worden waargenomen. Dat gebeurt op een dromerige, gevoelsmatige manier, want de waarneming van de materie dempt de waarneming van de geest en omgekeerd. In die subjectieve gevoelswaarneming tekent zich na verloop van tijd echter een objectieve kern af, een gevoel dat zich uitkristalliseert tot een zintuig waarmee we de zintuiglijk-bovenzintuiglijke kwaliteit van een kunstwerk even duidelijk kunnen waarnemen als de materiële kwaliteit. Wat een werk tot kunst maakt – wat het dus onderscheidt van een slecht of een vals werk – zien we dan in één oogopslag: het oordelen is een zien geworden, een anschauende Urteilskraft zoals Goethe het noemde.

Dit – in wezen morele – onderscheidingsvermogen hebben we nodig om onze verscheurde ziel te redden en te voorkomen dat ze helemaal desintegreert. Onze huidige moraliteit, die we te danken hebben aan de religie en die een onvrije, van bovenaf opgelegde moraliteit is, is daar niet toe in staat. Wel integendeel, ze brengt ons in toenemende mate in de problemen, denken we maar aan de islam en alles wat hij in de wereld teweegbrengt. Daarom is de vrije moraliteit die we in de kunst ontwikkelen – een moraliteit die we zelf scheppen en die niettemin universeel is – zo belangrijk. Maar nog belangrijker is dat we ons van die moraliteit bewust worden, anders kunnen we ze buiten de kunst niet gebruiken en gaat ze (in de kunst) verloren. We moeten het dromende zintuig waarmee we de artistieke, zintuiglijk-bovenzintuiglijke kwaliteit van kunst waarnemen wakker maken en deze gevoelsmatige waarneming ontwikkelen tot een helder zien. Dat was wat Rudolf Steiner deed toen hij Goethes anschauende Urteilskraft ontwikkelde tot de antroposofie. 

Dit ziende oordeelsvermogen is het zintuig waarmee we de ‘bloem’ van de kunst waarnemen, de zintuiglijk-bovenzintuiglijke kwaliteit waarin haar wezen tot uitdrukking komt. Maar deze bloem moet bevrucht worden, ze moet doordrongen worden met denkend bewustzijn. Deze liefdesdaad werd voor het eerst door Rudolf Steiner gesteld en betekende een keerpunt in de mensheidgeschiedenis. Hij bevruchtte de kunst met de wetenschap en drong op die manier door tot het scheppende wezen van de mens. Dat bleek Christus te zijn, het grote mensheids-Ik waarvan alle menselijke Ikken deel uitmaken. Christus is degene die we in de spiegel van de kunst waarnemen en die zichtbaar wordt in de kunstzinnige, zintuiglijk-bovenzintuiglijke kwaliteit van een werk. Maar die kwaliteit moeten we willen waarnemen, want vanzelf gaat het niet meer. Ons oog voor kunst gaat alleen open als we er ons voor inspannen, en daarvoor moeten we geloven dat kunst kan bloeien, dat ze die unieke kwaliteit bezit en dat we ze kunnen waarnemen.

Dat geloof ontbreekt vandaag in hoge mate. Het wordt steeds meer vervangen door een (fanatiek) geloof in het tegendeel. Dit on-geloof heerst niet alleen in intellectuele kringen die artistieke kwaliteit beschouwen als een uitvinding waarmee de witte mens de wereld gekoloniseerd heeft. We treffen het aan bij zowat iedereen die enige belangstelling heeft voor kunst. Beweren dat de kunstzinnige waarde van een kunstwerk objectief kan worden vastgesteld, volstaat vandaag om bij tal van mensen verontwaardiging te wekken. Dat is een alarmerende situatie, want volgens Rudolf Steiner zal het grootst mogelijke onheil over de mensheid komen als de wederkomst van Christus ‘verslapen’ wordt, en de spiegel van de kunst toont ons dat de hedendaagse mens de Christusgeest helemaal niet wil waarnemen. Niet alleen ontkent hij zijn bestaan met veel vertoon van geleerdheid, hij verzet er zich ook instinctief bijzonder heftig tegen. Nog liever aanbidt hij pispotten en kartonnen dozen dan dat hij bereid is in de spiegel van de kunst te kijken. 

Schandalen zoals in Gent en Elne vormen slechts het topje van een ijsberg. Vervalsingen zijn in de kunst waarschijnlijk veel talrijker dan we vermoeden. Maar daaronder gaat nog een veel groter schandaal schuil: de vervalsing van het kunstbegrip zelf, het vervangen van schilderijen en beelden door pispotten en kakmachines. Dat is op zijn beurt weer de spiegel van iets veel ergers: de vervalsing van de Christusgeest. Ieder mens voelt zich van nature aangetrokken door kunst in al zijn vormen. Wanneer hij zich echter gaat verzetten tegen de geest van de kunst en het geloof in (het bestaan van) die geest verontwaardiging bij hem wekt, dan is er in zijn ziel een wil werkzaam die niet van hem is. Door zich met deze wezensvreemde, anti-kunstzinnige wil te identificeren, neemt de mens in plaats van Christus diens tegenpool – de Antichrist – tot zijn grote voorbeeld, tot zijn morele kompas. En dat is de grootste vervalsing van allemaal, de oorzaak van het grootst mogelijke onheil: de vervalsing van de mens.

Lichtbaken (12)

  

Volgens Rudolf Steiner is kunst geen idee in de vorm van een zintuiglijke verschijning, maar precies het omgekeerde: een zintuiglijke verschijning in de vorm van de idee. In de praktijk vormt dat onderscheid geen probleem, het springt meteen in het oog. Ten minste, dat deed het tot voor kort, want vandaag ziet de moderne kunstliefhebber geen verschil meer tussen een karikatuur en een kartoen of tussen het Lam Gods van Van Eyck en de pispot van Duchamp. Voor hem is het allemaal hetzelfde. Met andere woorden: hij is blind geworden voor kunst. Want kunst onderscheidt zich van wat geen kunst is. Ze doet dat niet door haar inhoud, en ook niet door haar materiële vorm, maar door haar geestelijke vorm, door ‘de vorm van de idee’. De moderne mens kan deze kunstzinnige kwaliteit niet meer zien omdat hij ze niet meer wil zien. Het materialisme dwingt hem om de (innerlijke) ogen te sluiten voor wat vanzelf spreekt: het verschil tussen schoonheid en lelijkheid, tussen kunst en afval. Het brengt hem ertoe de schoonheid even heftig te ontkennen als de waarheid. En die ontkenning raakt zijn diepste wezen, want het is zijn Ik dat beide waarneemt, het is zijn Ik dat beide herkent. Wie waarheid en schoonheid ontkent, ontkent zichzelf. Geïnspireerd door de materialistische geest zegt hij: ik ben geen mens, ik ben geen geestelijk wezen dat onderscheid kan maken tussen goed en kwaad, ik ben een dier dat geleid moet worden door hogere, superieure wezens.  

De geschiedenis herhaalt zich. In lang vervlogen tijden zag de mens de geest even duidelijk als de materie. Hij kon het bestaan van de geest evenmin ontkennen als wij vandaag het bestaan van de materie kunnen ontkennen. Maar toen begon zijn waarneming van de goddelijk-geestelijke wereld langzaam zwakker te worden: de Godenschemering trad in. De mens raakte voor zijn geestelijke leiding meer en meer aangewezen op ‘specialisten’, op zieners, ingewijden, religieuzen. Maar ook zij ontsnapten niet aan de ‘verblinding’: hun zien werd een geloof en hun geloof werd een dogma. Hun rol werd (althans in het christelijke Europa) ongemerkt overgenomen door de kunstenaars. Zij zagen de geest echter niet langer in de hemel (dat wil zeggen rechtstreeks schouwend in de geestelijke wereld) maar op aarde, in de gewone zintuiglijke wereld. Die verandering van perspectief was natuurlijk het gevolg van de menswording van Christus, die de hemel verlaten had om op aarde te komen. Rudolf Steiner spreekt dan ook over de ‘religieuze missie’ van de kunst. Volgens hem bestaat de grote opgave van de kunstenaars erin om ‘het rijk Gods op aarde te brengen’. Zo zegt hij het letterlijk. Maar vandaag ondergaan de kunstenaars hetzelfde lot als de priesters voor hen: ze raken in de greep van het materialisme. In plaats van het rijk Gods op aarde te brengen, brengen ze in toenemende mate het rijk van de onderwereld op aarde. Ze zijn niet langer een zegen maar een vloek voor de mensheid. 

Het falen van de kunstenaars brengt de mensheid in een precaire situatie: voor het eerst in haar bestaan, dreigt ze het contact met de geestelijke wereld helemaal kwijt te raken. Ze staat voor de keuze: ofwel herstelt ze het contact met de geest, ofwel zakt ze weg in de onderwereld. En daaruit zal ze zich op eigen kracht niet kunnen redden, om de eenvoudige reden dat ze dat niet zal willen. Ze zal er namelijk van overtuigd zijn in … de hemel te zijn terechtgekomen en ze zal er alles voor doen om daar te blijven. Het klinkt als goedkope science fiction, maar het is harde werkelijkheid, een werkelijkheid die we nu reeds in de kunstwereld kunnen waarnemen. Hedendaagse kunstenaars scheppen weerzinwekkende, beschamende en soms ronduit demonische beelden. Ze leven innerlijk (en soms ook uiterlijk) in een soort onderwereld, maar de gedachte om daaruit te willen ontsnappen komt in hen niet op. Ze voelen zich juist bevrijd uit de gevangenis van de burgerlijke, traditionele kunst en willen daar nooit meer naar terug. Met een gevoel van ontzetting kijken ze naar bekrompen concepten als schoonheid en waarheidsgetrouwheid, en prijzen zichzelf gelukkig daaraan ontsnapt te zijn. Ze wanen zich mijlenver verheven boven hun voorgangers en de gedachte dat ze gered zouden moeten worden, vinden ze ronduit bespottelijk. In hun ogen is het net omgekeerd: het zijn de anderen die gered moeten worden, en ze spannen zich dan ook tot het uiterste in om hun blijde boodschap te verkondigen. 

Hun heilsmissie beperkt zich niet langer alleen tot de kunst. De geest die hen bezielt is sinds kort uit de fles: hij verspreidt zich nu ook buiten de kunstwereld. Moslimterroristen bijvoorbeeld gaan zich te buiten aan beestachtigheden van het ergste soort. Ze zijn bezeten door demonen en leven in een soort ‘occulte gevangenschap’ waaruit ze niet kunnen ontsnappen omdat ze dat niet willen. Ze beschouwen zichzelf namelijk als een avant-garde, een broederschap van martelaren die de ultieme religie van liefde en vrede op aarde komen brengen. Niets kan hen van hun stuk brengen want ze staan reeds met één been in de hemel. Ze dragen het witte kleed van de heiligen en van op hun geestelijke hoogte kijken ze neer op het verachtelijke gedoe van ongelovigen en geestelijke zwakkelingen. Maar niet alleen de (oosterse) moslimterroristen zijn bezeten door de hedendaagse geest van het materialisme. Een zelfde bezetenheid vinden we ook bij het politiek-correcte deel van de Westerse bevolking. Op hun manier zijn deze intellectuelen ook terroristen: ze verspreiden terreur door morele angst, door de angst beschouwd (en behandeld) te worden als een racist, een sexist, een fascist, een haatzaaier, kortom als een door en door slecht mens. In hen werkt dezelfde geest die we ook in het moslimterrorisme en de hedendaagse kunst aan het werk zien. Met enige ironie zou je het een driegelede geest kunnen noemen: hij verspreidt zich via wetenschap, religie en kunst. 

Deze onderwereldgeest heeft het onzinkbaar gewaande schip van de mensheid lek geslagen. Hoewel het orkest nog altijd vrolijk speelt, is het slechts een kwestie van tijd voor we ten onder gaan. De belangrijkste vraag luidt dan ook: hoe kunnen we ons redden? Zoals Bernard Lievegoed het in zijn laatste boek formuleerde: het gaat om de redding van de ziel. En die ziel kan maar op één manier gered worden: door het contact met de geest te herstellen. Maar dat kan niet de oude, oorspronkelijke Vadergeest zijn, want die weg is voor ons afgesloten. Niemand komt tot de Vader dan door mij, zei Christus. De geest die onze ziel kan redden, is de geest die de kunstenaars zagen (en volgden) toen zij nog niet in de greep van de onderwereld waren geraakt: de Zoongeest, de scheppende geest-in-de-materie. Deze Christusgeest plaatst ons echter voor een kapitaal probleem: hij leeft in dezelfde aards-zintuiglijk sfeer als de geest van het materialisme. Het herstellen van het contact met de geest krijgt daardoor een heel specifiek karakter: er moet onderscheid gemaakt worden tussen de Christusgeest en zijn materialistische tegenpool. Het probleem is dus niet contact met de geest op zich, want dat contact is sinds het einde van het Kali Yuga hersteld. De moderne mens neemt de geestelijke wereld opnieuw waar, hij wordt in toenemende mate weer helderziend. Het probleem is echter dat hij dat niet weet. Hij maakt geen onderscheid tussen zijn zintuiglijke en zijn bovenzintuiglijke waarnemingen. 

De materialistische geest werkt in onze zintuiglijke waarneming. Alles wat we met onze fysieke zintuigen zien, horen, voelen enzovoort wordt door hem bepaald. De Christusgeest daarentegen nemen we alleen bovenzintuiglijk waar, zijn rijk is immers ‘niet van deze wereld’ (ook al heeft hij er zich mee verbonden heeft). Doordat we ons echter niet bewust zijn van onze bovenzintuiglijke waarnemingen, onderscheiden we ze niet van onze zintuiglijke waarnemingen en zien we geen verschil tussen de Christusgeest en zijn antichristelijke tegenpool. Onze waarneming is dus in toenemende mate een – onbewuste – vermenging van zintuiglijke en bovenzintuiglijke indrukken. Als gevolg daarvan worden ook de werkingen die van Christus en de Antichrist uitgaan met elkaar vermengd. Met name in de politieke correctheid is dat heel goed waar te nemen (sic). We treffen de politiek-correcte geest vooral aan in leidende intellectuele kringen. Dat zijn kringen die uitgesproken atheïstisch zijn, maar toch worden zij bezield door bij uitstek christelijke idealen: vrijheid, gelijkheid, solidariteit, verdraagzaamheid, naastenliefde. De Christusgeest is met andere woorden heel sterk werkzaam in deze mensen. Alleen, zij weten dat niet. En daardoor wordt die Christusgeest vermengd zijn tegenpool, en veranderen al die schitterende christelijke idealen in middelen om terreur te verspreiden. In naam van de liefde wordt haat verspreid, in naam van de vrede wordt oorlog gevoerd, in naam van de kunst wordt afval geproduceerd. 

Als de moderne mens zijn ziel wil redden en niet wil wegzinken in een dierlijke onderwereld, dan moet hij opnieuw contact maken met de geest. Op eigen houtje haalt hij het niet, daarvoor zijn de problemen veel te groot en veel te complex geworden. Maar contact maken met de geest betekent: onderscheid maken tussen de twee grote tegengestelde geesten die momenteel hun werkzaamheid op aarde ontplooien. Als de mens dit onderscheid niet maakt, zal het contact met de geest hem niet redden, het zal hem juist naar de ondergang voeren. Het woordje ‘geest’ heeft vandaag geen enkele betekenis meer. Het kan om het even wat betekenen, zelfs het tegenovergestelde. Daarom gaat het er in onze tijd om levende geesten te leren onderscheiden, heel praktisch en heel concreet. We beleven apocalyptische tijden, niet alleen omdat het Beest uit de afgrond opstijgt, maar ook – en vooral – omdat het eruitziet als een lam, dat wil zeggen als de wedergekomen Christus. Dit beestachtige kwaad zou nooit zo’n enorme greep op de mens kunnen krijgen als het zich niet voordeed als het absoluut goede. Het is deze wolf-in-een-schaapsvacht die de moderne mens compleet in verwarring brengt en een veel groter gevaar voor hem betekent dan het rechttoe-rechtaan materialisme. Vandaag hult het materialisme zich in de vorm van de idee, het vermomt zich als kunst en appelleert daarmee aan het onbewuste weten dat schoonheid de wereld zal redden, zoals Dostojevski reeds wist. 

Als de wereld gered wordt, zal het door de kunst zijn. Maar dan moeten we wel opnieuw leren waarnemen wat kunst is. We moeten de ‘vorm van de idee’ leren onderscheiden van de inhoud, anders zullen we door die inhoud misleid worden. Daar is echter moed voor nodig. Niemand durft zich vandaag nog openlijk te verzetten tegen de Antichrist die zich hult in het kleed van de (hedendaagse) kunst. Zijn macht strekt zich uit van Noord tot Zuid, van Oost tot West. Terwijl in de werkelijkheid nog volop strijd woedt, heerst in de kunstwereld al een halve eeuw vrede. Het is echter de vrede van een mensheid die zich onderworpen heeft, die haar ziel heeft verkocht en trots alles slikt wat haar wordt voorgehouden. Het geeft een idee van het formaat van de vijand waarmee we momenteel geconfronteerd worden, want in de kunst kan niemand gedwongen worden. Al die ontelbare hedendaagse kunstenaars en kunstliefhebbers knielen uit vrije wil in het stof, zonder dat hun leven in gevaar is (zoals buiten de kunst wel het geval is). De oorzaak van deze collectieve onderwerping moet dan ook op geestelijk vlak worden gezocht, en wel in het gebrek aan kunstzinnig onderscheidingsvermogen. Rudolf Steiner zei het al: we hebben geen nood aan Christus (want Hij is er), we hebben nood aan bewustzijn van Christus. Dat is wat we vandaag nodig hebben om onze ziel te redden: het vermogen om Christus te onderscheiden van zijn tegenpool. En waar kunnen dat vermogen beter verwerven dan in de kunst? 

1001

  

In mijn vorige blogbericht – het duizendste – kwam ik tot de verrassende conclusie dat … iedereen de wereld als een kunstwerk ziet. En ik maar denken dat ik de enige was! Hoe heb ik daar zolang naast kunnen kijken? Natúúrlijk ziet de moderne mens de wereld als een kunstwerk! Waarom zou hij het anders normaal vinden dat je in musea naast tekeningen, schilderijen en beeldhouwwerken nu ook pispotten, bananenschillen en gebruikte condooms aantreft? En waarom zou hij anders zo fel reageren als iemand beweert dat iets géén kunst is? Dat doet hij alleen omdat hij de hele wereld als een kunstwerk ziet, met alles erop en eraan. Het is heus niet enkel een handvol avant-gardisten dat gelooft in de kunstzinnigheid van de wereld, iederéén gelooft daar vandaag in. Wie dat geloof niet deelt, is niet meer van deze tijd, hij leeft in het verleden, hij heeft de boot gemist. Hij is passé, een dinosaurus, een oude draak, een barbaar. 

Dit moderne geloof is sterker dan een geloof ooit geweest is. Het heerst van Noord tot Zuid, van Oost tot West, over alle politieke, geografische, etnische, raciale, sexuele, ideologische en religieuze grenzen heen. De hele mensheid gelooft dat de wereld een kunstwerk is. Hoe fanatiek de Hedendaagse kunst dit geloof ook in de praktijk brengt, nergens stuit ze op protest. Overal ter wereld worden voor haar luxueuze tempels opgericht. Overal zijn schriftgeleerden in de weer om de nieuwe kunst te verdedigen, te becommentariëren en te verspreiden. Gigantische geldsommen worden ervoor vrijgemaakt, zowel door regeringen, bedrijven als privé-personen. Westerse kapitalisten en Oosterse oliesjeiks, allemaal willen ze er hun naam mee verbinden. Vijftig jaar, meer had deze nieuwe kunst niet nodig om de wereld te veroveren. Nooit verspreidde een geloof zich zo snel, nooit was het zo machtig, nooit was het zo universeel. 

Maar dit nieuwe geloof is niet alleen universeel, het is ook – en vooral – onbewust. Iedereen ziet de wereld als een kunstwerk, maar niemand weet het. Het is het allerlaatste waar een modern mens aan denkt als hem gevraagd wordt wat zijn diepste overtuiging is. En toch kan zijn houding tegenover kunst – die model staat voor zijn houding tegenover de wereld – niet anders verklaard worden dan door het onbewuste geloof dat de wereld een kunstwerk is. Dit geloof is volkomen instinctief en dringt totaal niet door tot het bewustzijn van de ‘gelovige’. Het is een geloof waarmee hij als het ware samenvalt en waar hij derhalve niks van weet. Dat is zowat het omgekeerde van wat we vandaag onder geloof verstaan: een stelsel van regels, dogma’s en idealen die we heel bewust en met veel moeite proberen toe te passen in ons leven. Zo’n onbewust en instinctmatig geloof zouden we dan ook een ‘omgekeerd’ geloof kunnen noemen.

Dit universele, omgekeerde geloof is zonder twijfel het meest tragische verschijnsel van onze tijd. Want uitgerekend op het moment dat de mensheid wereldwijd hetzelfde geloof deelt, wordt ze verscheurd door oorlogen, geweld en godsdiensttwisten. Nooit was de mensheid zo eensgezind, nooit was ze zo verdeeld. Nooit heerste er zoveel vrede, nooit was er zoveel oorlog. Nooit waren mensen het zo roerend met elkaar eens, nooit maakten ze zoveel ruzie. En het wordt steeds erger. Overal stapelen de problemen zich op, overal neemt het geweld toe. De angst voor de toekomst maakt iedereen gespannen en agressief. De moderne wereld wordt langzaam maar zeker meegesleurd in een vicieuze cirkel van haat en geweld. En dat alles gebeurt zonder enig besef van de keerzijde, zonder dat iemand weet dat uitgerekend in onze tijd Alle Menschen Brüder zijn geworden. 

Gebrek aan bewustzijn, dat is de grote tragedie van onze tijd. Het ontbreekt de moderne mens niet aan goede wil, want hij wordt bezield door een groots, gemeenschappelijk project. Hij ziet de wereld als een kunstwerk en daardoor wordt ook de kunstenaar in hem wakker. Kunst zien doet kunst maken. Jeder Mensch ist ein Künstler geworden die mee wil bouwen aan de nieuwe wereld. Niets kan hem daarvan weerhouden, want een kunstenaar heeft alles over voor zijn kunst. De artistieke roeping appelleert aan het diepste wezen van de mens, aan zijn scheppende geest. Ze gaat ook uit van een scheppende geest: de scheppende wereldgeest. En dat is niemand anders dan Christus. Hij is het die zich vandaag op een geheel nieuwe manier manifesteert. Hij is het die onbewust door iedereen waargenomen wordt en waardoor we allemaal de wereld als een kunstwerk gaan zien. Het is zijn ‘wederkomst’ die iedereen tot kunstenaar maakt. 

Het was Rudolf Steiner die als een moderne Johannes de Doper de wederkomst van Christus aankondigde. Als een roepende in de woestijn van het materialisme wees hij de mensheid op de belangrijkste gebeurtenis van onze tijd. Hij waarschuwde de mensheid ook deze gebeurtenis niet verslapen want dan zou het grootst mogelijke onheil over haar komen. Zijn hele leven lang heeft hij onvermoeibaar gewerkt om daar bewustzijn voor te wekken. Hij heeft er zelfs zijn leven voor gegeven, net als zijn illustere voorganger. Honderd jaar later verkeert de moderne mensheid echter nog altijd in volslagen onwetendheid over de wederkomst van Christus. Iedereen reageert wel op die wederkomst, maar niemand is zich ervan bewust. Niemand herkent Christus, niemand ziet hem, niemand begrijpt hem …

… behalve de antroposofen, zou ik nu moeten zeggen. Antroposofen spreken inderdaad veel over Christus, ze schrijven dikke boeken over zijn wederkomst. Ze weten zelfs waar die plaatsvindt: in de etherische wereld, ‘op de wolken’ zoals de bijbel zegt. Er kan geen twijfel over bestaan: Christus vormt het middelpunt van de antroposofie. Alles draait rond hem. Maar Christus is een naam, een begrip dat deel uitmaakt van het christelijke geloof, en de antroposofie wil helemaal geen geloof zijn. Ze wil een wetenschap zijn, ze wil haar inzichten baseren op waarneming en denken. Het is haar niet te doen om de naam Christus maar om de geestelijke realiteit die zich daarachter verbergt. Die realiteit wil ze leren kennen, die wil ze waarnemen. En dat schept natuurlijk een probleem, want de moderne mens kan geen geesten meer waarnemen. Hij ziet geen engelen of demonen meer, geen kabouters of elfen. Hij ziet alleen nog materie. Als hij zich dus bewust wil worden van de wedergekomen Christus, als hij hem wil waarnemen in plaats van alleen maar in hem te geloven, dan moet hij weer helderziend worden. 

Toch is helderziend worden niet waar het in de antroposofie om gaat. De reden is simpel: de moderne mens wordt sowieso weer helderziend, daar heeft hij de antroposofie niet voor nodig. Het is gewoon een gevolg van het einde van het Kali Yuga, het ‘duistere tijdperk’ waarin de mens langzaam maar zeker zijn oude helderziendheid – en daarmee ook het contact met de geestelijke wereld – verloor. Nu dat tijdperk afgelopen is, wordt die natuurlijke, aangeboren helderziendheid weer wakker en maakt de moderne mens opnieuw contact met de wereld van de geest. Maar bevangen als hij is door het materialisme, merkt hij daar helemaal niks van. En dat heeft zware gevolgen. Want de geestelijke wereld is veel levendiger en beweeglijker dan de dode materie waarop zijn huidige bewustzijn gebaseerd is. Ze is wat vuur is voor droog hout: een vernietigende kracht. Daarom is het van cruciaal belang dat de moderne mens zijn oplevende helderziende vermogens doordringt met rationeel denken, anders dreigen ze zijn dorre, ‘houterige’ bewustzijn in brand te steken en hem te beroven van de vrijheid en zelfstandigheid waar hij zo hard voor gewerkt heeft. 

De vernietigende werking van de (onbewust waargenomen) geestelijke wereld wordt steeds zichtbaarder. De moderne mens is langzaam maar zeker zijn verstand aan het verliezen. Zijn denken wordt steeds verwarder, onsamenhangender en tegenstrijdiger. Hij slaagt er niet meer in om orde scheppen in de chaos van zijn gedachten. We herkennen dat verschijnsel in de zogenaamde ‘politieke correctheid’: de mens wordt overspoeld door (christelijke) idealen en omdat hij dat niet beseft, raakt zijn (materialistische) denken verstrikt in tegenstrijdigheden. Voorbeelden genoeg: in naam van de godsdienstvrijheid wordt de vrijheid van meningsuiting aan banden gelegd, in naam van de vrede wordt oorlog gevoerd, in naam van de verdraagzaamheid worden mensen beschuldigd en gedemoniseerd, in naam van de vrouwenemancipatie wordt de hoofddoek verdedigd, in naam van de democratie moeten landen en volkeren zich onderwerpen, in naam van de liefde wordt er intens gehaat, enzovoort, enzovoort. Het is een beschamend schouwspel.

Maar één schouwspel is nog beschamender: de zogenaamde ‘hedendaagse’ kunst. Hier zien we de moderne mens niet alleen volslagen onzin uitkramen, we zien hem ook in bewondering staan voor pispotten, bananenschillen, uitwerpselen en ander afval. Hier is geen verward maar een omgekeerd bewustzijn aan het werk. Het allerlaagste wordt hier als het allerhoogste beschouwd. Wat een normaal mens bewondert, wordt hier verafschuwd, en wat hij verafschuwt wordt bewonderd. Het is een wereld die compleet op zijn kop staat en waar het gezond verstand helemaal uitgeschakeld is. Hier kunnen we zien wat er gebeurt als de moderne mens er niet in slaagt zijn helderziendheid met helder denken te doordringen: hij komt in de onderwereld terecht. Het is niet meer dan logisch dat deze onderwereld juist in de kunst zichtbaar wordt. Meer dan wie ook is de kunstenaar degene die de wereld als een kunstwerk ziet, anders zou hij geen kunstenaar zijn geworden. Meer dan wie ook voelt hij zich geroepen door Christus. En meer dan wie ook wordt hij slachtoffer van het gebrek aan Christusbewustzijn. 

Nergens wordt de tragedie van onze tijd – die een bewustzijnstragedie is – zo duidelijk zichtbaar als in de kunst. Nergens ook wordt ze zo weinig waargenomen. Op geen enkel gebied wordt het heldere, rationele bewustzijn méér ontbeerd dan in de kunst van onze tijd. Die kunst schrééuwt als het ware om bewustzijn, om begrip, om inzicht. Op de meest aanschouwelijke wijze toont ze ons wat er gebeurt als de moderne mens zich zonder bewustzijn overgeeft aan de scheppende krachten die de ontwakende helderziendheid in hem wekt. Hij begint dan pispotten tentoon te stellen, hij gaat vleugelpiano’s met een drilboor te lijf, hij boetseert zijn zelfportret met zijn eigen uitwerpselen, hij neemt deel aan weerzinwekkende rituelen, hij verliest kortom zijn verstand. En net als een Alzheimerpatiënt merkt hij dat niet. Integendeel, hij reageert bijzonder agressief als iemand hem op zijn beschamende gedrag wijst. Hij begint dan te schelden en de betrokken persoon (op zeer overtuigende wijze) verdacht te maken. Hij verzet zich met andere woorden heftig tegen datgene wat hij het meest nodig heeft: bewustzijn. 

Dat is de tragedie van de kunst van onze tijd: ze toont ons de onderwereld en … we zien het niet. We maken geen onderscheid tussen een pispot en een schilderij van Rafaël. Een kakmachine of het Lam Gods van Van Eyck: het is allemaal kunst in onze ogen. Of een kunstwerk nu geïnspireerd wordt door de bovenwereld van Christus of de onderwereld van de Antichrist, we reageren altijd op dezelfde manier: door te applaudisseren, door te bewonderen, door ons over te geven, door lief te hebben. Dat is wat de ‘hedendaagse’ kunst bewerkstelligt: we leren de Antichrist liefhebben en Christus haten – met geheel ons hart, met geheel onze ziel en met al onze krachten. En we beseffen het niet, integendeel, we zijn ervan overtuigd dat het net omgekeerd is. Wee dan ook degene die het waagt om iets negatiefs te zeggen over onze liefde voor de ‘hedendaagse’ kunst! We beschouwen hem als de Antichrist zelve …

Dat is het ‘grootst mogelijke onheil’ waarvoor Rudolf Steiner ons waarschuwde: als de mensheid zich niet bewust wordt van de wederkomst van Christus, dan zal ze hopeloos verliefd worden op de Antichrist. Niets zal haar daarvan kunnen weerhouden, want de liefde overwint alles. De aarde zal dan inderdaad herschapen worden in een ‘planeet van liefde’ zoals Steiner voorspelde, maar het zal niet de liefde voor Christus zijn die de substantie vormt van deze nieuwe wereld, het zal de ‘omgekeerde’ liefde zijn, de liefde voor de Antichrist. De aarde zal ‘de planeet van de haat’ worden. Bij dat vooruitzicht verzinken alle rampen in het niets en daarom werd Rudolf Steiner gezonden om de mensheid te waarschuwen. Daarom heeft hij de antroposofie in het leven geroepen: niet om onze helderziende krachten te ontwikkelen, maar om ons bewustzijn te ontwikkelen, om ons te leren onderscheid te maken op geestelijk gebied, zodat we ons – verblind door liefde – niet in de armen van de Antichrist werpen. 

Daarom wordt de antroposofie ook geïnspireerd door Michaël, wiens naam betekent: wie is als God? Deze vurige geest zegt ons niet wie als God is, want dat zou onze vrijheid in het gedrang brengen. Hij stelt alleen de vraag, ja hij is die vraag. De menselijke vrijheid is de inzet van het hele mensheidsdrama, van de hele schepping, en juist daarom worden we op het keerpunt der tijden voor de keuze geplaatst tussen Christus en de Antichrist. Het spreekt vanzelf dat die keuze niet gemakkelijk kan zijn. Integendeel, het is de moeilijkste keuze waarvoor we kunnen komen te staan. Alles wat we vandaag in de wereld zien gebeuren, vertelt ons hoe ontzettend moeilijk het is om voor Christus te kiezen. Het vergt het uiterste van ons om niet meegesleurd te worden in de vicieuze cirkel van haat en geweld die de Antichrist creëert. De zuigkracht die van hem uitgaat is werkelijk ontzettend en wie denkt hem te kunnen weerstaan, vergist zich schromelijk. Het enige wat we bij deze ‘neerdaling ter helle’ kunnen doen, is wakker blijven. Dat is ook wat Rudolf Steiner zijn leerlingen steeds weer op het hart drukte: blijf wakker, laat je bewustzijn niet in slaap wiegen. Dat is waar het in de antroposofie om gaat: blijf onderscheid maken, blijf zoals Michaël de vraag stellen: wie is als God? Wéés die vraag, met geheel je hart, met geheel je ziel en met al je krachten. 

Onverdoofd slachten

  

De Antwerpse schepen van jeugd, kinderopvang, leefmilieu en dierenwelzijn Nabilla Ait Daoud (N-VA) heeft zich op haar blog nogmaals uitgesproken tegen het onverdoofd slachten van schapen op het Offerfeest. Ze heeft daarbij een foto geplaatst van het verdronken Syrische jongetje Aylan Kurdi en eronder geschreven: Kijk naar deze foto, en je weet wat je moet doen.’

Ik heb deze raadselachtige woorden niet gelezen omdat ik haar blog volg – ik had nog nooit gehoord over Nabilla Ait Daoud – maar omdat de krant ze gepubliceerd heeft. Een mens kan zich afvragen waarom. Het voor de hand liggende antwoord luidt: om te stoken, om verontwaardiging te wekken. Want welke nieuwswaarde heeft dit blogbericht? Mijns inziens: geen. Er zijn vandaag tienduizenden bloggers die de foto van Aylan gepost hebben met een of ander commentaar erbij. Maar Nabilla is lid van de N-VA, ze spreekt zich uit over een heikel thema, en ze gebruikt als voorbeeld een ander heikel thema. Samen geeft dat een cocktail waar misschien wel een brandje mee te stoken valt. En die kans laat een ‘kwaliteitskrant’ natuurlijk niet liggen. Beetje jammer wel dat Nabilla moslima is, anders was de zaak nog een stuk ontvlambaarder geweest. 

Het is een zoveelste voorbeeld van het onophoudelijke gestook van de kranten. Het lijkt mij goed om daarop te wijzen want hoe duidelijker je dat dwangmatige gestook onderkent, des te minder laat je je opstoken, des te minder laat je je meesleuren door de algemene sfeer van verontwaardiging die – laten we het niet vergeten – ook aan de basis ligt van de hele vluchtelingenellende. Want wat heeft het vuur aan de lont gestoken van de wereldbrand die al die mensen nu op de vlucht jaagt? Dat is de verontwaardiging over de aanslag op de twin towers, een aanslag waarvan ik nog altijd overtuigd ben dat hij een inside job was, dat wil zeggen: een gecreëerde of uitgelokte aanleiding om the war on terror te kunnen starten die het Midden-Oosten heeft doen ontploffen, het islam-monster heeft wakker gemaakt en Europa in nauwe schoenen heeft gebracht. Als Amerika zijn verontwaardiging had ingeslikt, en als de media niet meteen oorlog waren beginnen stoken – ik herinner mij nog altijd hysterische, opruiende titels als ‘Amerika in oorlog!’ – dan leefden we nu in een andere, vreedzamer wereld. Met 9/11 begon het tijdperk van de Grote Verontwaardiging en steeds meer Europeanen verdrinken in een (Middellandse?) zee van verontwaardiging, die steeds feller wordt opgezweept. 

Maar dat is niet de eigenlijke reden waarom ik over dat blogbericht van Nabilla begin. Nee, wat me treft in dat bericht is de raadselachtigheid ervan. Kijk naar de foto, schrijft de blogster, en je weet wat je moet doen. Wel, ik kijk naar die foto, maar ik heb geen idee wat ik moet doen. Wat heeft dat verdronken kind nu te maken met het onverdoofd slachten van schapen? Op hetzelfde moment dat ik me die vraag stel, begint me iets te dagen. Dat kind is een ‘arm schaap’, het is het onschuldige slachtoffer geworden van geweld. Het is bijna letterlijk een offerlam dat op het altaar van de oorlog werd geslacht. Hou daarmee op, lijkt Nabilla te zeggen. Hou op met het slachtofferen van onschuldige kinderen en … schapen. 
Op het moment dat ik deze – eigenlijk voor de hand liggende – interpretatie neerschrijf, begin ik te beseffen wat deze moslima hier eigenlijk zegt. Zelf geeft ze als interpretatie dat we dieren niet onnodig moeten laten lijden – net zoals we kinderen niet onnodig moeten laten lijden. Maar wat bedoelt ze daar eigenlijk mee? Dat Aylan verdoofd had moeten worden vóór hij verdronk? Want Nabilla spreekt zich niet uit tegen het slachten van schapen (voor het Offerfeest), ze spreekt zich uit tegen het onverdoofd slachten van schapen. Door dat te vergelijken met de dode Aylan, lijkt ze dus te zeggen: ik heb geen bezwaren tegen het slachtofferen van kinderen, ik vind alleen dat Aylan eerst verdoofd had moeten worden. 

Zou ze dat nu echt bedoeld hebben? Nee, natuurlijk niet. En toch is het de enige rationele verklaring van haar combinatie van beeld en tekst. Het probleem is dat ze die relatie niet doorgedacht heeft, haar interpretatie van het beeld is lukraak, emotioneel, automatisch. Ik kan me bijna voorstellen welke reeks bliksemsnelle verbindingen in haar hersenen de brug hebben geslagen tussen de foto van Aylan Kurdi en het onverdoofd slachten van schapen. Véél te snelle verbindingen, zo snel dat haar bewuste Ik het niet kon volgen en dus ook niet controleren. Het gevolg is dat zij iets zegt wat zij (hoogstwaarschijnlijk) helemaal niet wil zeggen en ook nooit zou zeggen als ze het wel wist. 

Wat veroorzaakt nu die veel te snelle verbindingen? Dat ligt voor de hand, lijkt me: emoties, verontwaardiging. Zij beletten een mens om langzaam en nauwkeurig te denken, zij verleiden de mens ertoe om zich over te geven aan de roes van de snelheid waarmee zaken in de hersenen verbonden worden. Om het antroposofisch te zeggen: het zijn de wilde luciferische emoties en driften die de mens ertoe brengen zich over te geven aan de ahrimanische snelheid van het automatische hersendenken. Verhitte emoties en kille verstandelijkheid gaan hier dus hand in hand. En dát is een opvallend kenmerk van de ‘Arabische ziel’: enerzijds grote zinnelijkheid en hartstocht, anderzijds kille berekening en intellectualiteit. Ik moet onwillekeurig denken aan dat – onwaarschijnlijke – artikel van Rachida Aziz waarover ik het al een paar keer gehad heb. Ze beschrijft hoe haar ziel, die in volkomen rust verkeert, door een heel kleine vonk opeens explodeert zodat haar bloed begint te koken, ze nauwelijks nog kan ademen en er ‘van ergens heel diep’ (!) luide snikken naar boven komen die ze niet onder controle krijgt. Het lijkt wel een epileptische aanval die haar innerlijk  onbedaarlijk doet schokken, snikken en huilen. Alsof ze plots overvallen wordt door een roofdier dat uit haar eigen diepten tevoorschijn springt en haar volledig in shock brengt. Maar toch blijft ze koel redeneren: ze belt onmiddellijk haar advocaat (die waarschijnlijk een zoveelste aanklacht moet indienen) en meteen daarna stelt ze een vier-stappenplan op dat het Vlaamse racisme moet indijken. 

Hoe doe je dat, vraag ik me af, overspoeld worden door heftige emoties en tegelijk koel berekend te werk gaan? Daar moet je toch een enorme tegenwoordigheid van geest voor hebben! Als ik geëmotioneerd ben, dan kan ik helemaal niet denken, dan moet ik spartelen om het hoofd boven water te houden. Om nuchter en rationeel te kunnen denken, moet het zowel binnen als buiten me rustig en kalm zijn. Maar beide samen? Nee, dat kan ik me niet voorstellen. Tenzij een andere geest dan de mijne het van mij overneemt, en doet wat ik zelf niet kan: de uitersten met elkaar verbinden, emotionele hitte en intellectuele kilte. Dat is volgens mij wat Rachida Aziz overkomen is: door de schok – die nochtans héél klein was – nam een andere geest het van haar over, een onwaarschijnlijk haatdragende geest die eigenlijk liefst van al alle niet-moslims een kopje kleiner zou maken. Ik kan me niet goed voorstellen dat Rachida Aziz zo denkt of voelt, laat staan dat zou willen. Maar als ze begint te schrijven neemt een kwaadaardige geest van haar bezit en laat haar onvoorstelbare dingen zeggen. Als antroposoof denk je dan natuurlijk aan Steiners voorspelling dat Ahriman zou schrijven, op alle mogelijke manieren zou schrijven. 

Je denkt dan ook aan Steiners aanmaning dat Ahriman onderkend moet worden. We moeten hem ontmaskeren. En dat doe je volgens mij wanneer je probeert het mechanisme te doorgronden waardoor die onwaarschijnlijk haatdragende, sluwe, geraffineerde, intellectualistische teksten van Ahriman ontstaan. Ik meen daarbij te zien hoe Lucifer eerst de vonk levert die een explosie van verontwaardiging doet ontstaan, waarna Ahriman van de consternatie gebruik maakt om het denken over te nemen. En omdat vooral de Arabische ziel of aard daar – door zijn sterke dualisme (dat we herkennen in het woestijnklimaat: overdag verzengend heet, ’s nachts vrieskoud) – zeer vatbaar voor is, manifesteert Ahriman zich het duidelijkst in de islamwereld. Maar juist omdat hij zo innig samenwerkt met Lucifer speelt op de achtergrond een andere, nog veel machtiger geest mee: de Antichrist, het beest uit de Apocalyps. En dat beest manifesteert zich natuurlijk niet alleen in de wereld van de islam, het is ook – en vooral – in het Westen werkzaam. Vooral, omdat het mij voorkomt dat hij in de moslimwereld – en hier wordt het verwarrend – vooral zijn (extraverte) luciferische kant laat zien, terwijl in het Westen vooral zijn (introverte, verborgen) ahrimanische kant werkzaam is.  

Ik denk dat we onderscheid moeten maken tussen de klassieke Lucifer en Ahriman en de hedendaagse Lucifer en Ahriman. Het eerste (duivels)koppel vormt een duidelijke dualiteit, een scherpe tegenstelling. Het tweede (beestige) koppel is als een Januskop die snel ronddraait zodat beide tegenpolen in elkaar overvloeien tot een schijnbare eenheid. En juist die schijnbare eenheid is zo gevaarlijk omdat ze – zonder een scherp onderscheidend bewustzijn, dat wil zeggen zonder een nauwkeurig, zorgvuldig en traag denken – gemakkelijk verwisseld kan worden met de tegenovergestelde christelijke eenheid. Want allebei vormen ze een triniteit: zowel Christus als de Antichrist verbinden Lucifer en Ahriman met elkaar. Ze verbinden beide echter op een heel andere manier, en het is aan die manier dat ze te herkennen vallen.

Eigenlijk was het dát wat me het meest trof in die blog van Nabilla Ait Daoud: haar eigenaardige manier om woord en beeld met elkaar te verbinden. Woorden zijn ahrimanischer, beelden zijn luciferischer. Ik wil daarmee niet zeggen dat Nabilla geïnspireerd werd door de Antichrist, want op de achtergrond meen ik ook Christus te ontwaren. Want er is nog een andere interpretatie mogelijk van haar vreemde blogbericht. In plaats van er een (cynisch en antichristelijk) pleidooi in te zien om kinderen te verdoven vóór ze verdronken, onthoofd, verkracht of op een andere manier ‘geofferd’ worden, zou je er ook een (gedurfd en christelijk) pleidooi in kunnen zien om gewoon op te houden met slachten, of het nu kinderen of schapen zijn. We mogen niet vergeten dat in de voor-christelijke culturen (zoals bijvoorbeeld het jodendom) het slachtofferen van dieren heel gewoon was. De tempel van Jeruzalem, de heiligste plaats voor de joden, werd met Pesach (het christelijke Pasen) herschapen in een slachthuis. Men waadde er werkelijk door het bloed. Het moet (in onze ogen) iets verschrikkelijks zijn geweest, maar in voorchristelijke ogen was het een heilig ritueel dat de mens nader bracht tot God.

Ik denk dat we te weinig beseffen hoe groot de afstand is tussen onze christelijke cultuur en bijvoorbeeld de moslimcultuur, waar de voorchristelijke praktijk van het offeren van schapen nog altijd (en misschien zelfs meer dan ooit) in ere wordt gehouden. Wij gruwelen van dat jaarlijkse bloedbad en we komen er ook in verzet tegen (ook al snijden we daarmee, als vleeseters, in ons eigen vlees (sic)), maar moslims kijken daar heel anders tegen aan. Dat blijkt ook uit het gemak waarmee moslims – vroeger en nu – bloedbaden aanricht(t)en. Ik denk zelfs dat ze daarbij in een soort religieuze extase raken die hen het gevoel geeft dat ze dichter bij God komen. In ons land hebben moslims inmiddels klacht ingediend tegen minister Weyts. Ze willen hem dwingen om de wet op het onverdoofd slachten te herzien. Ik denk dat dit een heel belangrijke krachtmeting is. Als – God verhoede het – Weyts gedwongen zou worden de wet weer in te trekken, dan zal dat voor de moslimfundamentalisten een grote morele overwinning zijn, een erkenning van hun recht op het aanrichten van bloedbaden. Als ze daarentegen in het zand bijten dan kan dat een eerste stap zijn in het overwinnen van die pre-christelijke woestijncultuur. En dat laatste zal maar stap voor stap kunnen gebeuren, want we hebben het al veel te ver laten komen, die verwisseling van Christus en de Antichrist … 

De Europese zonnegeest

Toen ik enkele dagen geleden iets schreef over VRT-journaliste Danira Boukhriss (die zogezegd niet wist dat er nog racisme bestond in Vlaanderen) en over Antwerpen (dat langzaam maar zeker verandert in een moslimstad) luisterde ik toevallig naar Domino, het bekende Franse chanson van André Claveau (‘le printemps chante en moi Dominique, j’ai le coeur comme une boite á musique’). Ik werd overvallen door een golf van weemoed. Hoe mooi, hoe lieflijk en hoe zonnig is de geest niet die spreekt uit het Franse chanson (Yves Montand, Edith Piaf, Charles Trenet, Juliette Greco et les autres)! En hoe lelijk, hoe grimmig en hoe duister is de geest niet die sindsdien zijn plaats heeft ingenomen!

Frankrijk heeft een centrale rol gespeeld in de ontwikkeling van de Europese beschaving, denken we maar aan de kathedraalbouwers, de Tempeliers, Jeanne d’Arc, de Franse revolutie. Maar die beschavingsrol is vandaag uitgespeeld. Frankrijk is nog slechts een schim van zichzelf. Het Franse chanson was de zwanenzang van deze ooit zo grote cultuur. Hetzelfde geldt voor het impressionisme, dat dezelfde zonnige geest uitademde: het was een nabloei, een laatste oplichten, een gouden herfst, niet alleen van de Franse cultuur, maar van de hele Europese cultuur. Die heeft zijn leven gerekt tot pakweg 1950, maar toen was het afgelopen. Toen nam Amerika het stuur definitief over. 

Ik voel me heel, heel diep verbonden met die zonnige geest van de Europese beschaving en ik verafschuw uit de grond van mijn hart de geest die hem vervangen heeft. Als ik zie hoe mensen deze akelige ahrimanische geest als vanzelfsprekend accepteren of hem zelfs enthousiast toejuichen (zoals in de Hedendaagse Kunst), dan kan ik alleen maar denken: zij kennen de Europese zonnegeest niet, anders zouden ze geschokt zijn door de tegenstelling. Mijn generatie is geboren na WO2 toen de Europese geest al vervangen was. Ze heeft die geest enkel nog leren kennen door zijn ‘overblijfselen’. Ik vorm een uitzondering op die regel want ik heb de levende zonnegeest nog op de valreep leren kennen.

  

Dat gebeurde in Mechelen, aan de voet van de St.Romboutstoren, in de academie waar de ooit zo glorieuze Vlaamse kunsttraditie haar laatste adem uitblies. Toen ik mijn leraar ooit zei hoe blij ik was dat nog te mogen meemaken, antwoordde hij meewarig: ach jongen, jij weet helemaal niet wat een echte academie is, zelfs ik heb dat niet meer meegemaakt! Hij was er zich zeer van bewust in een stervende traditie te staan en misschien verleende dat bewustzijn wel die heel bijzondere glans aan de geest die hij – als een der allerlaatsten – vertegenwoordigde. In ieder geval, ik heb die stralende, zonnige geest heel diep in mijn hart opgenomen. Tot op de huidige dag blijft hij het mooiste wat ik ooit gekend heb.

Het lot heeft me evenwel belet die geest te volgen (en met hem ten onder te gaan). Ik werd naar de tegenovergestelde geest geleid, de grauwe geest van het intellectualisme. Zo zonnig als mijn dagen aan de academie waren, zo koud en duister waren ze aan de universiteit. Ik kwam er terecht in een wereld van schijn, dikdoenerij, leugen en bedrog, een wereld bevolkt met mensen die ik onmogelijk au sérieux kon nemen. De tegenstelling kon niet groter zijn. Ik leerde er voor het eerst de ahrimanische geest in al zijn onbarmhartige kilheid kennen. Ik had het gevoel dat ik als mens niet meer meetelde, dat ik iemand anders moest worden dan wie ik was. En dus trok ik mij terug, diep in mezelf, onbereikbaar voor iedereen.

In dat diepste isolement, in dat bijna volstrekte duister ging er een lichtje branden: ik ontmoette de antroposofie. Niet in de vorm van een leer of (godbewareme) een wetenschap, maar in de vorm van een mens. Ik vond er mijn vrouw, en via haar vond ik een toegang tot het werk van Rudolf Steiner. Op een andere manier was dat laatste niet mogelijk geweest. Hoe had ik ooit de levende zonnegeest kunnen herkennen in de dorre geesteswetenschap van de steevast in het zwart geklede Herr Doctor! Ik verafschuwde doctors en professors, ik had alleen respect voor mensen die iets met hun handen konden. Als mijn tekenleraar iets zei, spitste ik mijn oren, want ik had gezien wat hij met zijn handen kon. 

  

De antroposofie is christelijk, maar ze is dat op een michaëlische manier. Dat wil zeggen: zij is gepantserd, zij is strijdbaar, zij is bewust. Zij is eigenlijk het tegenovergestelde van de zonnegeest die ik aan de Mechelse academie leerde kennen en die dromerig was, ontwapenend en kinderlijk onschuldig. En toch, als ik nuchter terugdenk aan die tijd dan moet ik erkennen dat er in die zo stille, zonnige academie, onder de beiaardklanken van St.Rombouts, hevige innerlijke gevechten werden gevoerd, want te midden van de (naar mijn gevoel) absolute vrijheid die er heerste, gold één ijzeren stelregel: wat je deed, moest juist zijn. Je mocht geen loopje nemen met de werkelijkheid, daar werd streng op toegekeken. 

Anders gezegd: de onzichtbare binnenkant van die hartverwarmende zonnigheid, was michaëlische strijdlust. Mijn leraar was allesbehalve begripsvol en toegeeflijk. Hij was in feite ongenadig: klopte er iets niet, dan moest je herbeginnen. Niets liet hij passeren. Maar dat werd niet als dwang of plicht ervaren. Je wist: dit is de weg naar het doel dat ik wil bereiken. Deze ononderbroken morele strijd tegen schijn, leugen en (zelf)bedrog is de weg naar de vreugde van het scheppen. Jaren later heb ik zelf nog een tijdje les gegeven, op dezelfde ‘michaëlische’ manier, en ik ondervond toen hoe ongelooflijk zwaar deze weg is. Als kind had ik hem spelenderwijs bewandeld, als volwassene waren mijn benen als van lood. 

Het heeft lang geduurd voor ik door het michaëlische pantser van de antroposofie heen raakte en doordrong tot de zonnige ‘binnenkant’ ervan. Slechts heel langzaam begon ik in te zien dat de antroposofie de zonnegeest van de (Europese) kunst weerspiegelde. Aanvankelijk zag ik alleen maar de immense tegenstelling tussen de levende geest en zijn dode spiegelbeeld. Hoe ongelooflijk dor, saai en hard is de antroposofie niet vergeleken bij de betoverende kinderlijkheid van de zonnegeest die ik in mijn jeugd had leren kennen! En toch, als ik zag hoe kinderen in de steinerschool naar hartelust konden tekenen, herkende ik iets van die zonnige geest. Ik begreep later ook dat het de bedoeling was dat hij zich in een steinerschool op alle gebieden manifesteerde, en niet alleen in de kunstvakken. 

   

Vandaag begrijp ik dat de zonnegeest moet sterven om zich te kunnen vermenigvuldigen. Hij moet als het ware gereduceerd worden tot zijn spiegelbeeld om daarna weer op grotere schaal te kunnen verrijzen. Dat is ook de reden waarom ik ben beginnen nadenken over kunst: omdat het de enige manier was om haar te redden. Ik zag hoe de kunst tenonder ging en ik wist dat ik daar niks kon aan veranderen, de tegenkrachten waren veel te groot. Het enige wat ik kon doen, was proberen de zaak te begrijpen. Daartoe moest ik doen wat ik nooit had gekund zolang de kunst nog leefde: afstand nemen, ertegenover gaan staan. Die scheiding was zo pijnlijk dat ik ze niet had overleefd zonder de hulp van de antroposofie. 

Mijn hele leven is getekend door die scheiding. Gisteren ben ik voor het eerst dit jaar weer naar Brugge geweest. Uiterlijk gezien, was het een heerlijk weerzien, een weerzien met de zon. Reeds tijdens de ochtendlijke rit op de autostrade keek ik mijn ogen uit op de zonovergoten velden en bomen. Hoe ongelooflijk zuiver zag de wereld eruit in het licht van de lentezon! Ook op de Dijver was het zalig. Ik trof er een beetje dezelfde atmosfeer aan als toen ik vroeger op zondag door het slapende Mechelen naar de academie fietste (of hoe ook de eigen levensgeschiedenis zich herhaalt). Ik heb zowat de hele dag in de zon gezeten, luisterend naar het geroezemoes van de toeristen, kijkend naar de lichtgevende groene blaadjes aan de lindebomen.  

Maar zo zonnig als deze heerlijke lentedag was, zo donker en somber was het in mijn hart. Want ik voelde heel goed dat ik met mijn schilderijen de harten van de toeristen niet bereikte. De dingen die ik maak behoren dan ook tot het verleden. Het zijn overblijfselen, ‘stoffelijke resten’ van de zonnegeest. Ze zijn een soort eerbetoon aan een gestorven geliefde. Ik voel me niet in staat om uitdrukking te geven aan de levende zonnegeest en dat is een blijvende kwelling. Het feit dat ook anderen daar niet in slagen, biedt geen troost, integendeel. Hun onmacht reflecteert mijn eigen onmacht. Het enige verschil is dat ik mij bewust ben van die onmacht, terwijl de meesten doen alsof er niks aan de hand is.

   

 

  

De Europese zonnegeest is gestorven. We leven vandaag in een dode wereld. Het enige wat nog ‘leeft’ zijn de ontbindingskrachten die het dode lichaam langzaam maar zeker doen uiteenvallen. Het is vreselijk om dat onder ogen te moeten zien, maar het is het enige wat we nog kunnen doen. Wie zijn ogen sluit voor dit ontbindingsproces werkt eraan mee. De islamisering van Europa – om maar één voorbeeld te noemen – kan niet meer tot staan worden gebracht. Het is slechts een kwestie van tijd voor in alle grote Europese steden overwegend moslims leven. En zij zullen de macht grijpen, daar hoeft niet aan getwijfeld te worden. Maar zij veroorzaken de ondergang van de Europese beschaving niet, ze maken die alleen zichtbaar. 

Rudolf Steiner verklaarde 100 jaar geleden al dat de Europese beschaving in een deplorabele toestand verkeerde. Wie vandaag nog denkt dat ze te redden is, gedraagt zich als iemand die zich vastklampt aan het lichaam van een gestorven geliefde. De politiek correcten geven door hun idealen blijk van een vurig christendom. Maar doordat ze hun intense liefde voor de Europese zonnegeest richten op zijn stoffelijk overschot – en weigeren zijn dood onder ogen te zien – worden ze tot handlangers van de ahrimanische ontbindingskrachten die alles tot stof willen herleiden. Nooit was het mysterie van Golgotha – het sterven van de zonnegeest – zo actueel als vandaag, nooit was het onder ogen zien van die vreselijke dood zo belangrijk.

Christus sterft in onze tijd niet op een heuvel in Palestina, hij sterft overal, en hij sterft vooral in Europa, waar zijn zonnegeest tot nog toe het duidelijkst tot uitdrukking is gekomen. De michaëlische opgave van de antroposofie en van eenieder die deze ‘Europese’ geest liefheeft, bestaat erin om zich los te maken van zijn gestorven lichaam, om er tegenover te gaan staan en de harde waarheid van zijn dood onder ogen te zien. Alleen op die manier kunnen we weer voeling krijgen met de sfeer waar zijn geest nog leeft en zich voorbereidt op zijn wederopstanding. Maar dan moeten we wel een harde leerschool doorlopen en een hevige strijd voeren tegen schijn, leugen en zelfbedrog. 

Kunst en geld (2)

Kunst is het zichtbaar maken van het geestelijke IN het materiële.
Het is NIET het uitdrukken van spirituele ideeën in een materiële vorm, maar precies het omgekeerde: het tevoorschijn roepen van wat er in het materiële reeds aan geestelijks aanwezig is.
En het is NOOIT de bedoeling dat dit geestelijke los komt te staan van de materiële vormen.
In de kunst zijn en blijven geest en materie één.
Dat klinkt begrijpelijk, om niet te zeggen vanzelfsprekend, maar in de praktijk is het zowel voor materialisten als spiritualisten heel moeilijk om deze eenheid te vatten.
Beide zien geest en materie namelijk als gescheiden werkelijkheden.
De materialist ziet materie zonder geest en de spiritualist ziet geest zonder materie.
De antroposoof daarentegen ziet beide (in principe) als een eenheid.
In die zin is de antroposofie niets anders dan de bewustwording van de kunst, de bewustwording van die mysterieuze eenheid van geest en materie.
Uiteraard omvat die bewustwording de (wetenschappelijke) kennis van de materie en de (esoterische) kennis van de geest, maar het gaat in de eerste plaats toch om het inzicht in hun beider eenheid, en DAT is nog iets anders.
De eenheid van geest en materie kan niet herleid worden tot één van beide.
Ze is een derde element, dat weliswaar niet kan worden losgezien van beide andere maar er toch van onderscheiden moet worden.
Dit derde – christelijke – element is het wezen van zowel de kunst als de antroposofie.

Met de bewustwording van dat mysterieuze en ongrijpbare element word ik momenteel geconfronteerd.
Eind september vorig jaar botste ik op de markt in Brugge op een onzichtbare ‘muur’.
Iets wat ik heel graag wilde en bijna als een morele plicht ervoer – het tekenen van mensen – bleek onverwachts op een probleem te stuiten waar ik geen oplossing voor zag en nog altijd niet zie.
Het tekenen op zich was geen probleem: ik kon het nog, ik vond het nog altijd even boeiend, ik had voldoende materiaal en de omstandigheden waren geschikt.
Ook de mensen op zich vormden geen probleem: ze wilden graag getekend worden, ze stonden zowat aan te schuiven.
Maar … ze wilden er niet voor betalen.
We wilden allebei iets heel erg graag – ik tekenen en zij getekend worden – dat was dus niet het probleem.
Het probleem was het samengaan van die twee polen.
En dat samengaan kwam tot uitdrukking in … geld.

Dat is natuurlijk geen verrassing.
Kunstenaars hebben altijd al problemen gehad met geld, dat is algemeen geweten.
Maar merkwaardig genoeg wordt daar nooit serieus over nagedacht.
Je leest in de boeken zelden of nooit hoe kunstenaars aan de kost kwamen terwijl dat nu juist hun grootste bekommernis was (en nog altijd is).
Toen de regering onlangs besloot om 5 procent te besparen op cultuur ging er een golf van ontzetting door de artistieke wereld die in geen verhouding stond met die minieme besparing (ter vergelijking: in Nederland werd er 20 procent bespaard).
De ontzetting was dan ook niet het gevolg van die besparingsmaatregel van de regering.
Ze ontstond doordat de kunstwereld met een schok herinnerd werd aan haar grootste en meest fundamentele probleem: geld.
Eigenlijk heeft een kunstenaar maar twee problemen: artistieke problemen en financiële problemen.
En van die twee zijn de financiële het grootst, want zonder geld kun je geen kunst maken.

Dat is wat ik nu aan den lijve ondervind.
Ik wil schilderen maar daarvoor heb ik geld nodig en dus ben ik in Brugge op de markt gaan staan.
Maar het lukt me niet om daar geld mee te verdienen en dat betekent dat ik moet ophouden met schilderen.
Om dat zware verdict te vermijden, ben ik dan maar opnieuw mensen beginnen tekenen – iets waar ik in het verleden wél geld mee kon verdienen – maar het mocht niet baten: ook dát lukte niet meer.
Het trof me dieper dan ik zelf wilde bekennen.
Op de kop af dertig jaar geleden besloot ik om ‘mijn leven aan de kunst te wijden’ en me nergens anders nog wat van aan te trekken.
Dat was geen roekeloos besluit.
Het was een overlevingsreflex.
Zonder kunst kan ik eenvoudig niet leven, en ik kan het weten want ik heb het geprobeerd.
Vijftien jaar lang had ik het geprobeerd, tot er vrijwel niets meer van me overbleef en ik een soort wandelende zombie was geworden.
Ik had geen contact meer noch met mezelf noch met de wereld.
Ik was innerlijk volkomen dood.

Het vooruitzicht niet meer te kunnen tekenen en schilderen treft me dan ook als een doodvonnis.
Een leven zonder kunst is voor mij geen leven.
Wat er dan gebeurt, is dat ik me langzaam uit mezelf terugtrek, dat mijn Ik (geest) mijn lichaam (materie) verlaat, en dat de verbinding tussen beide steeds zwakker wordt.
Het is een vorm van dementeren – mens betekent geest – en dat is niet iets wat je bewust wilt meemaken.
Het feit dat zo talloos veel mensen vandaag getroffen worden door dementie is volgens mij een gevolg van het feit dat ze zonder kunst moeten leven, en ‘kunst’ bedoel ik hier in de zeer ruime zin van ‘het samengaan van geest en materie’.
Naarmate de moderne mens materialistischer wordt, verliest hij het contact met de geest en komt hij terecht in een soort schimmenrijk, want hij verliest ook het contact met de materiële wereld.
Dat hij in een louter materiële wereld zou kunnen leven, is een illusie.
Materie en geest gaan samen: wie het contact met het een verliest, verliest ook het contact met het ander.
Dementeren betekent in feite: het contact verliezen met Christus, want hij is het wezen van dat samengaan van materie en geest.
Om het met de woorden van Willem Zeylmans te zeggen, ‘Christus is de werkelijkheid waarin we leven’.
Zonder Christus zouden we eenvoudig niet kunnen leven in een zo materialistische wereld als de onze.
Hij is degene die het ons mogelijk maakt zo diep in de materie af te dalen.

Maar vandaag is er een grens bereikt.
Als we er niet in slagen bewust contact te maken met Christus, dat wil zeggen met ‘de werkelijkheid waarin we leven’, dan zullen we langzaam het contact met die werkelijkheid verliezen, we zullen langzaam dementeren.
Dat dementeringsproces is reeds volop aan de gang.
We zien het niet alleen op materieel vlak: zelfs jonge mensen worden vandaag door dementie getroffen.
We zien het ook op geestelijk vlak: we verliezen onze werkelijkheidszin, ons gezond verstand.
Wat we ‘politieke correctheid’ noemen, is in wezen een vorm van geestelijke dementie.
En die is gevaarlijker dan de fysieke dementie, want we kunnen ze zintuiglijk niet waarnemen.
Het is een verbinding van extreem materialisme (de mens is louter lichaam, louter ras, louter volk) en extreem spiritualisme (Alle Menschen werden Brüder).
Maar het is geen christelijke verbinding, het is geen kunstzinnige verbinding.
Het is een anti-christelijke, anti-kunstzinnige verbinding.

De reden waarom ik vandaag (op meer dan één vlak trouwens) geconfronteerd word met het vooruitzicht van een langzame geestelijke dementie ten gevolge van de onmogelijkheid om nog te kunnen tekenen of schilderen, ligt uiteindelijk in mijn radicale afwijzing van de antichristelijke, anti-kunstzinnige geest.
Ik verafschuw hem zo diep dat ik onder geen beding met hem te maken wil hebben.
Daardoor blijft de kunstwereld voor mij hermetisch afgesloten en word ik gedwongen op de markt te gaan staan, want niemand krijgt toegang tot de kunstwereld (en zijn grote geldpot) die niet op de een of andere manier de knie buigt voor de Antichrist.
Ik word op mijn oude dag bewust geconfronteerd met de onmogelijke keuze waarvoor iedere jonge kunstenaar vandaag onbewust komt te staan: ofwel kiest hij voor de geest van de anti-kunst ofwel geeft hij de kunst helemaal op.
Geen enkele kunstenaar zal dat laatste doen, want hij weet instinctief dat hij dan zijn doodvonnis tekent.
Kunstenaars zijn gekwetste zielen die zonder (de helende werking van) kunst hun kwetsuur niet kunnen overleven.
Dat geldt in feite voor ieder mens, maar als kunstenaar beleef je het een stuk bewuster.

De tragiek van de hedendaagse kunstenaar is dus dat hij voor de anti-kunst kiest omdat hij anders de kunst moet opgeven.
Dat dringt evenwel niet tot hem door omdat hij al heel vroeg voor die keuze wordt gesteld, op een leeftijd dat hij nog niet kan kiezen.
Het hedendaagse kunstonderwijs – waar je als jonge kunstenaar-in-de-dop onvermijdelijk in terechtkomt – is een soort inwijding in de mysteriën van de Antichrist.
Ik heb zelf nog een allerlaatste uitloper van het klassieke kunstonderwijs meegemaakt en dat was eveneens een inwijding, maar dan in de omgekeerde, christelijke mysteriën.
Ook al viel ze – volgens mijn eigen leraar – niet meer te vergelijken met de oorspronkelijke inwijding, ze maakt het mij tot op de huidige dag onmogelijk om de knie te buigen voor de geest van de anti-kunst.
Van de ontelbare jonge mensen die dat toch doen (en er zijn er waarschijnlijk geen andere, want zelfs de steinerschool biedt geen bescherming) kan ik alleen maar denken: ze zijn nooit ingewijd in de geest van de kunst, ja ze kennen die geest waarschijnlijk niet.
En dus kennen ze ook de tegenovergestelde geest niet waaraan ze zich overgeven.
Want het is pas wanneer je de twee naast elkaar ziet, dat je ze werkelijk kunt onderscheiden, dat je werkelijk een keuze hebt.

Ik heb destijds als jonge kunstenaar NIET voor de kunst gekozen, maar dat was niet MIJN keuze, ik werd er door het lot toe gedwongen.
Ik vond het vreselijk om gescheiden te worden van de kunst en terecht te komen aan de universiteit, de meest onkunstzinnige wereld die je je maar kunt voorstellen.
Het was het begin van één lang en bewust doorleefd dementeringsproces.
De scheiding van de kunst was immers tegelijk een scheiding van mezelf, en ik vond mezelf pas terug toen ik me – vijftien jaar later – weer verbond met de kunst.
Die herverbinding was WEL mijn eigen keuze, en ze was tevens het begin van het inzicht dat de (onvrijwillige) scheiding mijn relatie met de kunst gered had.
Als ik voor de kunst had gekozen, zou dat geleid hebben tot een confrontatie met de antichristelijke geest die de kunstwereld en het kunstonderwijs toen al stevig in zijn greep had.
Die confrontatie zou me zo’n diepe weerzin hebben ingeboezemd dat ik waarschijnlijk nooit meer iets met kunst te maken had willen hebben.
Die zo pijnlijke scheiding – van m’n 18de tot mijn 33ste – heeft me eigenlijk gered.
Ze heeft mijn relatie met de kunst gered, maar ze heeft er tegelijk een vrije relatie van gemaakt.
Ik voel me niet gedwongen om kunst te maken en het kost me zelfs telkens een grote inspanning om ermee te beginnen, maar ik weet wat ze voor mij betekent, ik leer haar steeds beter kennen.

Vandaag sta ik weer voor een stap in dat bewustwordingsproces, een stap die op de een of andere manier een metamorfose is van vorige stappen.
Want ik word vandaag weer geconfronteerd met die onmogelijke keuze tussen (zeg maar) Christus en de Antichrist.
Geen haar op m’n hoofd denkt eraan om voor de laatste te kiezen en op die manier toegang te krijgen tot de Hedendaagse kunst en haar geldpotten.
Maar hoe moet ik voor Christus kiezen, hoe moet ik voor de kunst kiezen?
Want als ik geen geld kan verdienen met mijn kunst is het afgelopen.
Ik zou dan nog altijd kunnen kiezen voor het schrijven over kunst, dat is tenslotte toch ook een kunstzinnige activiteit.
Maar ik ondervind aan den lijve hoe sterk ik dan in de greep van Ahriman raak.
Zuiver geestelijk, in mijn denken, kan ik hem nog min of meer op afstand houden, maar hij verplaatst zijn verlammende greep dan naar mijn hart en mijn lichaam.
En daar kan ik met mijn denken niet doordringen, daarvoor heb ik de kunst en haar ‘handwerk’ nodig.

Daarom is het voor mij geen optie om ‘voor de antroposofie te kiezen’ zoals iemand onlangs suggereerde.
De antroposofie zit vandaag zelf te veel in de greep van Ahriman dan dat ik er de genezende krachten zou kunnen aan ontlenen die ik nodig heb.
Die krachten zouden er wel zijn als de antroposofie een ‘sociaal kunstwerk’ was, maar dat is ze alleen in Beuysiaanse zin, dat wil zeggen zonder een echt levend verband tussen geest (de esoterie) en materie (de exoterische werkgebieden).
De antroposofie is alleen in abstracto een sociaal kunstwerk en van de abstractie gaat geen genezende werking uit.
Ik sta dus voor de opgave om zelf een ‘sociaal kunstwerk’ te creëren, daar komt het wel een beetje op neer.
Als ik contact wil maken met Christus, dat wil zeggen met de helende kracht van de kunst, dan moet ik contact maken met de toeristen in Brugge, en wel op zo’n manier dat ze bereid zijn geld te geven voor een portret.
Alleen dankzij dat geld zal ik in staat zijn kunst te blijven maken en niet langzaam te dementeren onder die vreselijke, verlammende druk van Ahriman.
Daar moet ik dus nog eens diep over nadenken, want de relatie tussen geld en Christus zie ik niet meteen.

De spiegel van de kunst

‘Men moet zich bij het beleven tegenover de idee kunnen plaatsen, anders wordt men door de idee geknecht’.
Aldus Rudolf Steiner in zijn Filosofie der Vrijheid.
Hij heeft het hier natuurlijk niet over de dode, abstracte gedachte (die ons juist vrij laat) maar over de levende idee, dat wil zeggen over het geestelijke wezen achter de gedachte.

De belangrijkste ‘idee’ van onze tijd is ongetwijfeld Christus.
Dat we vandaag zijn wederkomst beleven, plaatst ons voor de opgave om tegenover hem te gaan staan, anders worden we als mensheid ‘geknecht’.
Geknecht worden door Christus is natuurlijk een contradictio in terminis.
Christus is wel de laatste die de vrijheid van de mens in het gedrang zou willen brengen.
Nee, het is door zijn tegenpool, de Antichrist, dat we geknecht worden als we niet tegenover Christus kunnen gaan staan.
En dat is wat vandaag op grote schaal gebeurt.
De Antichrist probeert de hele mensheid te knechten en hij gebruikt daarvoor onze blinde overgave aan Christus.

We raken in toenemende mate in de greep van de Antichrist omdat we de wederkomst van Christus ‘verslapen’.
Die wederkomst vindt namelijk plaats in de etherische wereld, de wereld die geest en materie verbindt.
Aangezien we als mens zowel uit lichaam als uit geest bestaan, is de etherische wereld ons eigenlijke element.
We zwemmen erin rond als een vis in het water, maar net als die vis zijn we ons niet bewust van dat zo vertrouwde element.
Het verschijnen van Christus in de etherische wereld plaatst ons voor de opgave om dit element te leren kennen, anders kunnen we Christus niet onderscheiden van de Antichrist en zal deze laatste ons knechten zonder dat we het zelfs maar merken.

De beste manier om de etherische wereld te leren kennen, is door de kunst.
De etherische wereld is namelijk een bij uitstek kunstzinnige wereld en het zijn etherische krachten die de kunstenaar gebruikt om materie te verheffen tot kunst.
Die kunst bezit dan ook de bij uitstek etherische eigenschap geest en materie met elkaar te verbinden.
Wanneer we naar een kunstwerk kijken, nemen we een etherische wereld waar en we doen dat op een etherische manier.
Wanneer we de wereld van de kunst betreden, dompelen we ons onder in het etherische element.
Maar we zijn ons daar niet van bewust want we gaan kopje onder in dit ‘water’, we kunnen er niet tegenover blijven staan.

Wat daar de gevolgen van zijn, zien we in de hedendaagse kunst.

Door hun vertrouwdheid met de etherische wereld waren kunstenaars de eersten die de wederkomst van Christus gewaarwerden.
Hun kunst ondergaat in de 20ste eeuw dan ook een ware metamorfose.
De ene dag maakten ze nog impressionistische schilderijen, de volgende dag stelden ze … een pispot tentoon.
Ze breken radicaal met het verleden: de kunst van na 1900 kan zelfs niet meer vergeleken worden met de kunst van daarvoor.
Wie de figuur van Christus een beetje kent, kan zich moeilijk voorstellen dat hij zich bij zijn wederkomst artistiek zou uitdrukken door middel van pispotten en kakmachines.
Wie weet hoe een rups verandert in een vlinder kan zich ook maar moeilijk voorstellen dat in de kunst precies het tegenovergestelde zou gebeuren en dat vlinders daar veranderen in rupsen.
En wie ten slotte vaststelt dat één ding géén metamorfose heeft ondergaan – ons bewustzijn – begrijpt wat er gebeurd is: we hebben de wederkomst van Christus ‘verslapen’ en daardoor is de kunst van de 20ste eeuw in handen van de Antichrist gevallen.

Christus en de Antichrist werken vandaag allebei in de etherische wereld.
Zolang we geen zintuig ontwikkelen voor die wereld, zullen we in toenemende mate ‘geknecht’ worden.
Diep in onze ziel – waar ons bewustzijn niet doordringt – begroeten we onze Heiland namelijk met groot enthousiasme.
Onze behoefte aan redding en genezing is zo groot dat we ons blindelings in zijn armen werpen.
We zijn eenvoudig niet in staat om afstand te houden.
Maar die afstand hebben we juist nodig om Christus te kunnen onderscheiden van de pseudo-Heiland.
Het volstaat dat deze laatste door middel van magische beelden en woorden rechtstreeks inwerkt op de onderbewuste lagen van onze ziel en we verliezen alle bezinning.
De gevolgen hebben we gezien in nazi-Duitsland.
En we zien ze vandaag ook in de hedendaagse kunst.

Dat wil zeggen, we zien ze eigenlijk NIET.

We kijken met verbijstering naar het Duitsland van de jaren ’30 en begrijpen niet hoe een hoogontwikkeld en vooruitstrevend volk als de Duitsers in de ban kon raken van zo’n onderwereldbeweging als het nazisme. Op hetzelfde moment staan de meest ontwikkelde en progressieve geesten onder ons vol bewondering voor een onderwereldkunst die bestaat uit pispotten, uitwerpselen en ander afval, en geen moment komt het in hen op dat ze eigenlijk precies hetzelfde doen.
Integendeel, ieder die hun ‘hedendaagse’ kunst in vraag durft te stellen, wordt ervan beschuldigd een … nazi te zijn, een gevaarlijke cultuurbarbaar.
Ze maken dus geen onderscheid meer tussen Christus en de Antichrist, evenmin als de Duitsers destijds.
Ze zijn op etherisch vlak volkomen blind geworden.
Het verontrustende is dat die blindheid vandaag niet slechts één volk treft, maar de hele mensheid.
De hedendaagse anti-kunst wordt bewonderd over de hele wereld, over alle grenzen heen.
Nog verontrustender is dat deze ‘etherische’ blindheid zich nu ook buiten de kunstwereld verspreidt.
Overal ter wereld zijn de hedendaagse intellectuelen behept met de onweerstaanbare drang om zich te onderwerpen aan een ronduit barbaarse ideologie.
Ze laten zich massaal knechten door de Antichrist.

Een en ander maakt duidelijk hoe belangrijk het is dat we bewustzijn ontwikkelen op etherisch gebied.
Het gaat om niets minder dan de redding van onze ziel, want wie eenmaal in de greep is van de Antichrist raakt er niet zomaar weer uit.
Wie ooit geprobeerd heeft in gesprek te gaan met zo’n ‘geknechte’ intellectueel weet dat het onbegonnen werk is: deze mensen zijn niet meer voor rede vatbaar.
We moeten dus uit de greep van de Antichrist blijven, en dat kan maar op één manier: door ons bewustzijn te verruimen, door ons inzicht in de materiële wereld uit te breiden tot de etherische wereld.
En dat is iets wat we kunnen oefenen in de kunst.
Dat is trouwens ook wat de Antichrist gedaan heeft: hij heeft de huidige ‘blindheid’ voorbereid in de kunst.

Door te midden van de klassieke kunstwereld (met zijn tekeningen, schilderijen en beeldhouwwerken) opeens een pispot neer te poten, heeft hij ons onverhoeds overvallen met de vraag: wat is kunst?
Op zich is dat geen slechte zaak, want die vraag leidt ons tot het bewustzijn van de etherische Christus.
Christus is namelijk het wezen van de kunst.
Het menselijke Ik schept zich een spiegel in de kunst, en juist omdat het deel is van het grote mensheids-Ik, schept het tegelijk een spiegel van Christus.
Wanneer we naar een kunstwerk kijken, zien we dus niet alleen onszelf weerspiegeld maar ook Christus.
We zijn ons daar alleen niet van bewust.
Hadden we, toen Marcel Duchamp zijn pispot tentoonstelde, werkelijk de vraag gesteld ‘wat is kunst?’ dan waren we ons bewust geworden van Christus – niet als een abstract, religieus begrip maar als een levende, geestelijke werkelijkheid.
Duchamps pispot verscheen echter in 1917, midden in de eerste wereldoorlog.
We hadden toen wel andere zaken aan ons hoofd dan te vragen naar het wezen van de kunst.

De Antichrist werkte dus op twee vlakken tegelijk: het materieel-fysieke (waar hij dood en vernieling zaaide) en het etherisch-kunstzinnige (waar hij de grootst mogelijke verwarring zaaide).
Dat doet hij trouwens nog altijd.
Door middel van een waar bombardement met intellectualistische beschouwingen over kunst schept hij zoveel verwarring over de vraag wat kunst nu eigenlijk is, dat niemand nog het antwoord vindt.
Tegelijk creëert hij in de buitenwereld zoveel dreiging en angst dat niemand het nog waagt om op die vraag een ander antwoord te geven dan dat van de Antichrist.
En dat antwoord luidt: kunst bestaat niet.
Kunst is gewoon een consensus, een naam die we afspreken ergens aan te geven.
Er is geen wezenlijke inhoud, er zit geen geestelijke realiteit achter.

Door in plaats van een kleurrijk impressionistisch schilderij opeens een pispot voor onze neus te zetten, heeft de Antichrist ons met een schok wakker gemaakt: kunst is niets anders dan een luciferische illusie, een mooie droom.
Die schoktherapie paste hij ook toe op de hele menselijke beschaving.
Met twee wereldoorlogen doorbrak hij de illusie dat de mens een beschaafd wezen was.
Beschaving, zo toonde hij aan, is niet meer dan een laagje vernis waaronder zich de ware roofdieraard van de mens verbergt.
Die ‘nuchtere waarheid’ houdt de Antichrist ons sindsdien onafgebroken voor ogen, in de wetenschap, in de kunst, in de media, ja zelfs in de religie: we zijn een bende wilde dieren die getemd moeten worden, anders loopt het verkeerd af.

De Antichrist is buitengewoon sluw.
Kunst is inderdaad schijn.
Wanneer we naar een schilderij kijken of naar muziek luisteren, zijn we even ‘weg’ van de gewone werkelijkheid: we bevinden ons in een droomwerkelijkheid waaruit we daarna weer ontwaken.
Daar valt niets op af te dingen.
De vraag is echter of die droomwerkelijkheid niet even werkelijk is als de zogenaamde echte werkelijkheid.
Het vermogen om kunst te scheppen en ervan te genieten maakt deel uit van onze menselijke natuur.
Zolang de mens bestaat, maakt hij kunst, iets wat geen enkel dier ooit gekund heeft.
Juist dat scheppende vermogen onderscheidt ons van de dieren.
Het is eigenlijk het meest werkelijke wat er bestaat: zonder dat vermogen zouden we niet meer kunnen leven.
We zouden zonder meer gek worden, we zouden elkaar kapot maken.
Een terugkeer naar het dier-zijn zou pas echt wilde roofdieren van ons maken.

Dat is wat de Antichrist met ons doet: door ons blind te maken voor de kunstenaar-in-ons verandert hij ons in roofdieren die elkaar verscheuren.
Hij doet dat door ons te beletten in de spiegel te kijken, want dat is de enige manier om de kunstenaar-in-ons te leren kennen.
We zijn die kunstenaar namelijk zelf, en als geestelijk wezen kunnen we niet naar onszelf kijken zonder hulp van de spiegelende materie.
De meest concrete spiegel die we hebben, zijn andere mensen, maar sinds de Antichrist zijn duivels ontbonden heeft, is het ontzettend moeilijk geworden om in die spiegel te kijken.
Gelukkig is er ook nog de spiegel van de kunst.
Juist doordat het geen levende spiegel is, stelt hij ons in staat om in alle rust en vrijheid het scheppende wezen van de mens – en dus ook Christus – te benaderen zonder gevaar te lopen geknecht te worden.
Hoe intens onze beleving van kunst ook is, we blijven er altijd tegenover staan.
Dat is vooral het geval met de beeldende kunst.
Haar zeer materiële karakter maakt het nagenoeg onmogelijk om in haar te ‘verdwijnen’ zoals we dat wel kunnen met muziek of dans of literatuur.
Het nadeel is dan weer dat het ons meer moeite kost om ‘erin’ te komen.
Maar in tijden als de onze is dat nadeel juist een voordeel.

(wordt vervolgd)