Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Tag: cijferdenken

I can’t breathe (1)

  

Ahriman laat er geen gras over groeien. De corona-crisis is nog maar net bezworen of er breekt alweer een nieuwe crisis uit. Dit keer niet in China maar aan de andere kant van de wereld, in Amerika. Daar sterft een zwarte man door toedoen van een blanke politieagent en overal in het land ontstaan er zware rellen die vervolgens ook navolging vinden in Europa. Op het eerste gezicht hebben die twee crisissen niets met elkaar te maken en is het voorbarig om ze allebei aan Ahriman toe te schrijven. Maar dat verandert wanneer we in beelden gaan denken. Dat is trouwens wat Ahriman zelf ook doet: met zijn dode, abstracte ideeën dringt hij door in onze waarneming en doet daar beelden ontstaan, imaginaties die ons gevoel en onze wil krachtig aanspreken. Op die manier drukt hij zijn stempel op alles wat vandaag gebeurt. Dat stempel – Ahrimans handtekening zeg maar – herkennen we wanneer we op onze beurt in beelden gaan denken, wanneer we onze gedachten en inzichten verdichten tot imaginaties. 

Dat is geen eenvoudige zaak. Het is zelfs een gevaarlijke zaak, want we begeven ons op een terrein waar ook Ahriman actief is en het ligt voor de hand dat hij er alles zal aan doen om ons te beletten hem te ontmaskeren. Juist daarom is het belangrijk dat we ons een voorstelling van hem maken, een ideëel portret dat we ons voor ogen kunnen houden. Want als Ahrimans imaginaties zich vermengen met de onze, komen we op een hellend vlak terecht en raken we ongemerkt in zijn greep. Na de imaginatie volgt immers de inspiratie: de beelden beginnen te spreken, en voor hun stemmen kunnen we ons al niet meer afsluiten. Als we vervolgens het stadium van de intuïtie bereiken, zijn we helemaal verloren. We worden dan één met Ahriman, in de overtuiging dat we de wereld redden van het kwaad. Daarom zegt Rudolf Steiner ook dat antroposofie een gevaarlijke zaak is. Het denken tot leven brengen – de imaginatie is daarin de eerste stap – impliceert een hevige strijd met Ahriman en vergt grote wakkerheid.

Het geval George Floyd is wat dat betreft een schoolvoorbeeld. Het toont ons hoe moeilijk (in meer dan één betekenis), maar ook hoe belangrijk het is zelf imaginaties te vormen en ze scherp te onderscheiden van die van Ahriman. We hebben allemaal de beelden gezien van de blanke Derek Chauvin met zijn knie in de nek van de zwarte George Floyd. Doordat we die beelden automatisch associëren met racisme, worden ze een zinnebeeld: we zien niet langer één blanke die in koelen bloede een zwarte verstikt, we zien het hele blanke ras dat het hele zwarte ras onderdrukt en discrimineert. Het eerste beeld is een zintuiglijke waarneming en daar reageren we in regel op door ons af te vragen welk begrip we ermee moeten verbinden. In dit geval: ongeluk of doodslag, racisme of overdreven geweld. Het tweede beeld daarentegen is een imaginatie, een waarneming waarmee het begrip racisme reeds verbonden is en waarop we onmiddellijk reageren, instinctief, zonder na te denken. 

De rellen die uitbraken na de dood van George Floyd geven een idee van de enorme kracht die uitgaat van zo’n imaginatie. Het gaat dan ook niet om een zintuiglijk beeld dat we voor ons zien en afstandelijk bekijken, maar om een bovenzintuiglijk beeld dat in onszelf leeft en waar we sterk mee verbonden zijn. Waarnemingsbeelden situeren zich op het niveau van ons fysieke lichaam: we zijn er ons bewust van en ze laten ons vrij. Imaginaties ontstaan in ons etherische lichaam, ons gewoontelichaam: we zijn er ons slechts deels van bewust en ze hebben iets dwingends. Gewoonten zijn moeilijk af te leren, vooral wanneer ze oud en diepgeworteld zijn. De imaginatie van het blanke ras dat het zwarte onderdrukt, leeft al geruime tijd in ons en wordt steeds sterker. Als dit denkbeeld juist is, dan gaat het om een goede gewoonte en is er geen reden om het te veranderen. Maar als het niet juist is, als het niet met de werkelijkheid overeenkomt, dan hebben we ons een slechte gewoonte eigen gemaakt waar we moeilijk vanaf zullen raken. 

In het geval van George Floyd braken de protesten uit zodra de beelden van de fatale arrestatie bekend werden. Ze groeiden al vlug uit tot gewelddadige rellen, plundering, doodslag en – verrassend genoeg – een heuse beeldenstorm. Ruimte voor onderzoek of reflectie was er niet, het stond meteen vast: dit ging om racisme. Dat was ook de teneur van zowat alle commentaren in de mainstream media: George Floyd was het zoveelste slachtoffer van het onuitroeibare blanke racisme. Daar kon volgens de experts geen twijfel over bestaan. De vanzelfsprekendheid waarmee ze de racisme-imaginatie poneerden kwam niet uit de lucht vallen. Al tientallen jaren lang verschijnen in de officiële media met de regelmaat van een klok opiniestukken waarin het racisme van de blanke bevolking wordt aangeklaagd. Onophoudelijk wordt er op die spijker geklopt. Inmiddels is men reeds een stap verder gegaan: niet alleen het racisme wordt aangeklaagd maar in toenemende mate ook de blanke onwil om dat racisme te erkennen.

In feite zijn de media het stadium van de imaginatieve beeldvorming reeds voorbij. De vraag is niet langer of het beeld van de blanke racist juist is, de vraag is waarom de blanke niet wil luisteren naar de luid klinkende stem van dit beeld. Waarom wil hij de waarheid niet onder ogen zien? De experts – journalisten, academici, ervaringsdeskundigen – hebben met andere woorden het stadium van de inspiratie bereikt, en dat betekent dat er geen discussie meer mogelijk is. De waarheid staat vast: de blanke is racistisch en onderdrukt zijn gekleurde medemens. Wie deze imaginatie nog ontkent, ontkent het licht van de zon, hij sluit de ogen voor wat iedereen kan zien. Zo’n ontkenner is niet langer voor rede vatbaar en plaatst zichzelf buiten de gemeenschap. Daarom verkondigen steeds meer zwarte mensen – merkwaardig genoeg vooral vrouwen, en vaak zeer jonge – dat ze niet langer met blanken over racisme willen spreken. Het heeft toch geen zin. Hun boodschap is: genoeg gepraat, er moet gehandeld worden.

People of color – dat zien we zowel in Amerika als in Europa – voelen zich steeds meer gerechtigd geweld te gebruiken tegen de kwaadwillende blanke die hen langzaam verstikt. Ze zien het als een vorm van wettige zelfverdediging. Dat argument horen we ook bij moslims: ze moeten wel geweld gebruiken anders worden ze doodgedrukt door de ongelovige blanke. Wat dat laatste betreft hebben ze trouwens gelijk: de blanke is inderdaad een ongelovige, en het is zijn ongeloof dat zo verstikkend is. Niet alleen gelooft hij niet meer in God, hij gelooft ook zijn eigen ogen niet meer. Hij baseert zich steeds minder op de zintuiglijke waarneming en steeds meer op het abstracte denken. Dat dode denken vormt vervolgens imaginaties die voor werkelijker dan de werkelijkheid worden gehouden en alles ‘verstikken’. Bovendien zijn die imaginaties nog besmettelijk ook, want ze worden gretig overgenomen door de people of color. Ook hier weer hebben deze laatsten gelijk: de blanke koloniseert hen met zijn imaginaties. Nog altijd.

De vraag is niet of dit geestelijke koloniseren gerechtvaardigd is, want dat is nu eenmaal hoe beschavingen ontstaan: mensen bevruchten elkaar met ideeën, met beelden, met imaginaties. Ook de blanke, Europese beschaving is ontstaan door kolonisatie: enerzijds door de Romeinen met hun abstracte denken, en anderzijds door gekleurde mensen uit het Midden-Oosten met christelijke beelden die, naar ze beweerden, uit de zintuiglijke werkelijkheid afkomstig waren. Moeten wij deze kolonisators nu met de vinger wijzen omdat ze ons gemaakt hebben tot wat we zijn? Of moeten we hen juist dankbaar zijn, ondanks het geweld dat ze gebruikten? De echte vraag gaat niet over het koloniseren op zich, ze gaat over de waarde van de koloniserende ideeën en imaginaties. Zijn ze beter dan de (denk)beelden van de gekoloniseerde? Maken ze zijn leven beter en menselijker? Zijn ze met andere woorden gebaseerd op de waarheid (die voor ieder mens geldt) of op leugens (die onderdrukking veroorzaken)?

Geen enkele Europeaan zal betreuren 2000 jaar geleden gekoloniseerd te zijn door Romeinen en Palestijnen, want uit die – deels gewelddadige, deels vreedzame – kolonisering is een beschaving ontstaan die zijn weerga niet kent. De reden waarom momenteel zoveel people of color naar Europa emigreren is simpelweg dat het leven nergens beter is, dat mensen nergens meer mens kunnen zijn dan juist hier. Dat neemt niet weg dat in dat bewonderens- en benijdenswaardige Europa ideeën en imaginaties leven die in de vorige eeuw een storm van geweld hebben ontketend die niet te rijmen valt met de Europese idealen van vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid. Deze anti-Europese ideeën en imaginaties zijn weliswaar ontstaan in Europa en worden er ook door gevoed, maar ze zijn een koekoeksjong dat, sinds het uit zijn ei is gekropen, de oorspronkelijke beelden één voor één uit het Europese nest kiepert. En dat is iets wat niet enkel (blanke) Europeanen moeten betreuren, het gaat de hele wereld aan.

Het geweld dat de wereld nu al meer dan 100 jaar teistert, wordt niet veroorzaakt wordt door de Europese idealen (die inmiddels wereldidealen zijn geworden). Vrijheid van meningsuiting, gelijkheid van alle mensen, afschaffing van de slavernij: het zijn verwezenlijkingen waar ieder mens op aarde, ongeacht zijn ras of kleur, achter kan staan. Tenzij ze natuurlijk als ‘wit’ beschouwd worden en het resultaat van ‘eurocentrisch denken’. Maar dan kan men zich ook niet op die idealen en mensenrechten beroepen om racisme en discriminatie aan te klagen. Wat achter de hele racismekwestie schuilgaat, is de vraag naar waarheid. Bestaat er een waarheid die voor iedereen geldt, tot welk ras hij ook behoort? Of zijn er alleen maar Europese waarheden, blanke waarheden, zwarte waarheden, gekleurde waarheden? In het laatste geval is de strijd tegen het racisme gewoon een strijd om de macht: wiens waarheid wint? In het eerste geval dient de waarheid onderscheiden worden van de leugens van het koekoeksjong.

Ahriman zet de waarheidsvraag op scherp door ons denken te infiltreren met zijn leugens, door imaginaties te doen ontstaan die gebaseerd zijn op dode ideeën, ideeën die het contact met de levende werkelijkheid verloren hebben en een eigen onderaards leven zijn gaan leiden. Ongewild wijst Ahriman er ons op dat waarheid een werkwoord is en dat we haar niet kunnen vinden als we ons niet inspannen, als we ons denken niet (zelf) tot leven brengen door imaginaties te vormen, door onze dode ideeën weer met de zintuiglijke werkelijkheid te verbinden zodat ze verhinderd worden hun eigen gang te gaan (en zelfs door computers overgenomen te worden). Het abstraheren of ‘doden’ van ideeën is een cruciale stap in het verwerven van onze vrijheid. Het is een vermogen dat we aan Lucifer te danken hebben, maar waar Ahriman zich nu meester van maakt om er zijn imaginaties mee te vormen die het materialisme diep in ons gemoed en onze wil prenten en ons ongemerkt tot slaaf maken. 

Dit ahrimaniseren van onze ziel kunnen we alleen tegengaan door zelf – bewust en vrijwillig – imaginaties te vormen in plaats van ze onbewust in onze ziel te laten opstijgen als tegenbeeld van ons dode cijferdenken. Want imaginaties vormen we hoe dan ook, ons denken komt sowieso tot leven, dat valt niet tegen te houden. Het probleem is dat we er ons niet bewust van zijn, dat het allemaal instinctief verloopt en dat we bijgevolg niets doen om evenwicht te scheppen tussen ons cijferdenken en ons imaginatieve denken. Van die onbewustheid en passiviteit maakt Ahriman gebruik om ons denken in de door hem gewenste richting sturen, en dat is niet de richting van een bewuste samenwerking tussen beide tegengestelde vormen van denken, maar die van toenemende polarisatie en strijd. Deze strijd maakt zowel het (bewuste) dode als het (onbewuste) levende denken steeds sterker en wanneer de uitersten zich ten slotte met elkaar vermengen, wanneer les extrêmes se touchent, ontstaat er chaos in onze ziel. Op die manier drijft Ahriman ons langzaam maar zeker tot waanzin.

Deze overgang van dood naar levend denken maakt deel uit van het Keerpunt der Tijden. Het is de uitvergroting van een natuurlijk proces dat zich in ieder mensenleven voltrekt. Als kind leven we in beelden, daarom tekenen we ook allemaal. Het vormen van beelden is de mens aangeboren, het is zijn moedertaal, een vermogen dat hij meebrengt uit de geestelijke wereld. Op aarde moet hij echter afstand nemen van deze beelden, hij moet de geestelijke wereld ‘doden’ en in abstracte begrippen leren denken, anders kan hij niet overleven. Maar wanneer hij deze overlevingsstrijd gewonnen heeft en oud wordt, begint hij weer in beelden te leven, herinneringsbeelden die zich langzaam verdichten tot imaginaties, tot wijsheid. De oude mens wordt weer kind, zijn oorspronkelijke beeldvormende vermogen krijgt weer adem en langzaam glijdt hij de geestelijke wereld in. Vandaag is ieder modern mens oud geworden, hij heeft het abstracte denken helemaal ontwikkeld en begint nu als vanzelf weer in beelden te leven.

We worden, zoals Rudolf Steiner zei, op een natuurlijke wijze weer helderziend. Dat klinkt mooi, maar het houdt grote gevaren in, want als we deze overgang naar het imaginatieve denken niet zelf ter hand nemen, dan maakt Ahriman er zich meester van. Op dit keerpunt heeft hij lang zitten wachten en nu slaat hij toe. We beleven het moment van de waarheid, want als de leugen verschijnt, verschijnt ook de waarheid. De incarnatie van Ahriman valt samen met de wederkomst van Christus en plaatst ons voor de keuze: door wie zullen we ons leven en onze toekomst laten bepalen? Om überhaupt te kunnen kiezen moeten we Ahriman en Christus eerst leren onderscheiden, anders kiezen we automatisch voor Ahriman, de wolf in een schaapsvacht. De grote vraag van onze tijd is dan ook: wat is waarheid en wat is leugen? Met cijferdenken alleen komen we daar niet achter, want Ahriman heeft al lang de stap naar de imaginatie gezet. We kunnen hem alleen ontmaskeren – lees: van Christus onderscheiden – wanneer we net als hij in beelden leren denken.  

Corona (14)

  

Cijfers, daar draait het in deze coronacrisis om. Cijfers, cijfers, en nog eens cijfers. Van ’s morgens tot ’s avonds worden we ermee om de oren geslagen: zoveel doden, zoveel besmettingen, zoveel ziekenhuisbedden, zoveel tests, zoveel mondmaskers, zoveel afstand, zoveel boetes – er komt gewoon geen eind aan. Het is ook allemaal begonnen met cijfers, de cijfers van een expert die op zijn computer zag dat er miljoenen doden zouden vallen en meteen de overheid alarmeerde. Die nam vervolgens drastische maatregelen, die inmiddels voorzichtig worden afgebouwd, maar als de cijfers weer de hoogte ingaan – iets wat door de meeste experts wordt voorspeld – dan begint het liedje opnieuw en worden de teugels weer aangehaald. Ons leven wordt momenteel bepaald door cijfers, cijfers van experten die de hele dag voor de computer zitten (als ze al niet zelf op het beeldscherm verschijnen). Het lijkt wel of er een wereldwijde staatsgreep is gepleegd door mensen die alleen nog in cijfers kunnen denken.  

De wereld wordt geregeerd door cijfers. Er wordt geteld dat het een lieve lust is, of beter gezegd, er wordt geteld zonder enige lust, want het zijn computers die tellen, gevoelloze machines. We zijn zozeer in cijfers gaan denken dat ons denken nu wordt overgenomen door rekenmachines. We worden onderworpen door een denken dat niet menselijk meer is, maar dat we wel zelf hebben grootgebracht. Het is een koekoeksjong dat we nog altijd voeden, ook al gooit het onze eigen jongen één voor één uit het nest. De coronamaatregelen – die zich aan het menselijke niets gelegen laten liggen – zijn een spiegel waarin we ons eigen, monsterachtig groot geworden, cijferdenken aan het werk zien. Het is geenszins een vreemde die ons aankijkt in die spiegel, maar we herkennen hem niet. Tot voor kort maakte hij nog deel uit van onze eigen ziel, maar daar heeft hij zich uit losgemaakt. Hij is als het ware geboren en staat nu tegenover ons als een nietsontziende dwingeland.

Als antroposoof kennen we allemaal de naam van deze dictatoriale geest. We weten dat het Ahriman is die vandaag in de wereldspiegel verschijnt. We zijn de – bevoorrechte en beklagenswaardige – getuigen van de incarnatie van de Geest der Duisternis, zoals voorspeld door Rudolf Steiner. Op het internet circuleert een filmpje waarin we regeringsleiders van over de hele wereld precies dezelfde formule horen gebruiken: diagnosis, vaccines and treatment. Wie fluistert hen deze woorden in? Wie doet hen als met één stem spreken? Daar komen we waarschijnlijk nooit achter. Ahriman schuwt de openbaarheid, hij werkt achter de schermen. Het is hem om macht te doen, niet om aanzien. De speurtocht naar ‘de schuldige’ heeft dan ook weinig zin, tenzij we hem helemaal ten einde gaan en bij onszelf uitkomen. Want uiteindelijk zijn wij het die Ahriman zijn macht geven, die zijn machtsstreven voeden als de cellen van één groot mensheidslichaam waarvan hij het brein is, een brein dat zich nu tegen het lichaam heeft gekeerd.

Ahriman wil de mensheid onderwerpen en onder controle krijgen omdat hij er afhankelijk van is. Hij wil zijn eigen bestaan zeker stellen, want zijn lot is verbonden met dat van de mens. Zijn grootste angst is dat we hem niet meer nodig zouden hebben, daarom maakt hij zich onmisbaar. Zijn machines en computers zijn de beste slaven die we ons kunnen voorstellen, ze doen zonder morren alles wat we van hen vragen. Maar juist door hun extreme dienstbaarheid worden zij ongemerkt onze meesters. Jonge mensen kunnen niet meer zonder hun smartfoon, ze zijn eraan verslaafd en vertonen afkickverschijnselen als zij hem 10 minuten moeten missen. Maar ook de volwassen wereld kan niet meer zonder computers. In nog geen 50 jaar zijn we allemaal computer-junkies geworden, Ahrimanverslaafden. Aangezien Ahriman zelf de slaaf par excellence is, betekent onze verslaving dat we Ahriman worden, dat we ons zodanig met hem vereenzelvigen dat hij in onze ziel de plaats van ons Ik inneemt.  

Om ons te behoeden voor die bezetenheid, voor die dehumanisering, moeten we ons Ik versterken. En dat doen we door te kijken, door te onderscheiden. Want ons Ik is als een oog: het neemt de geest waar in de materie, en hoe meer moeite het daarvoor moet doen, des te helderder wordt het. In die zin is Ahriman een helper: hij maakt de materie steeds ondoorzichtiger zodat ons Ik zich steeds meer moet inspannen. Maar de helper wordt een vijand wanneer ons Ik de materie niet meer kan doordringen en verduisterd wordt. Het valt dan in onmacht en we weten niet meer wie we zijn. Dat punt hebben we nu bereikt. We ‘zien’ alleen nog atomen, cellen en deeltjes, en in die louter materiële wereld van onzichtbaar kleine dingen is geen plaats meer voor het menselijk Ik. Dat wordt pijnlijk duidelijk nu die wereld-van-het-kleine zich tegen ons keert. We hebben het coronavirus zelf tot een vijand gemaakt door naar Ahriman te luisteren, door hem toe te staan ons Ik te verduisteren en ons gezichtsveld steeds kleiner te maken.

Kijken is een scheppende activiteit, het is het (onbewuste) verbinden van waarneming en denken. Dat denken is langzaam steeds abstracter geworden tot het een cijferdenken werd. Op zich is dat niet erg, integendeel, volgens Rudolf Steiner is wiskundig denken de beste voedingsbodem voor helderziendheid. Het probleem is dat dit cijferdenken zich heeft losgemaakt van de waarneming, het is een eigen leven gaan leiden, een ahrimaans leven. Het is als het ware geboren en tiranniseert nu zijn moeder die dat kwaadaardig geworden denken – dat koekoeksjong – liefheeft als haar eigen kind en er zich helemaal ten dienste van stelt. De rollen zijn met andere woorden omgekeerd: het denken dat zich altijd onderwierp aan de waarneming, onderwerpt nu zelf de waarneming. Het bepaalt wat we zien. We zien steeds meer wat we denken te zien, niet wat er werkelijk is. We zien wat Ahriman wil dat we zien. En dat zien heeft scheppende kracht: de wereld (en ook de mens) wordt zoals we hem zien.

De corona-werkelijkheid is een werkelijkheid die we – zonder het te beseffen – zelf geschapen hebben. De lockdown, waar we niks kunnen aan doen, is een veruitwendiging van wat zich diep in ons bewustzijn afspeelt, en waar we wel iets kunnen aan doen. We leven in een wereld die steeds gewelddadiger, dwingender, onmenselijker en doodser wordt, een wereld die ons tot slaven maakt en ons opsluit in een kooi. Maar we scheppen die wereld zelf, iedere minuut van de dag, door de manier waarop we ernaar kijken. Hij is een spiegel van onze eigen ziel en van de omkering die daar – ongemerkt – heeft plaatsgevonden: de onderwerping van de waarneming door het (dode) denken, van de meester door de slaaf. Die omkering is een wereldhistorisch feit, want in het denken zijn we vrij en met die vrijheid doordringen we nu de waarneming, en daarmee ook de werkelijkheid. Dat wil zeggen, Ahriman doet dat in onze plaats. Hij heeft onze vrijheid gekaapt. Wij doen uit vrije wil wat hij wil.

We kunnen en mogen deze Grote Omkering niet ongedaan maken, want ze was het doel van de hele voorbije mensheidsgeschiedenis. Alles wat wij – en de wereld – tot nog toe hebben doorgemaakt, was gericht op het bereiken van dit keerpunt: de geboorte van de vrije mens, het begin van de bevrijding van de wereld. De wetenschapper wordt kunstenaar: dat is wat zich op het Keerpunt der Tijden in de ziel van de mens afspeelt. Het weten wordt een scheppende, wereldverbeterende kracht. Dat gebeurde voor het eerst op exemplarische wijze in de persoon van Rudolf Steiner, wiens alomvattende weten een scheppende impuls werd op ieder gebied. In hem zagen we de nieuwe, vrije mens geboren worden, de schepper van een nieuwe wereld. Maar tegelijk zagen we ook een ander soort mens geboren worden: de bezeten vernietiger van de oude wereld. Ahriman maakte zich op grote schaal meester van de scheppende krachten van de nieuwe mens en keerde ze om tot vernietigende krachten.

Doordat ons denken steeds abstracter wordt en we ons steeds verder van de werkelijkheid verwijderen, wordt onze waarneming van die werkelijkheid alsmaar zwakker en onduidelijker. Er vallen hiaten in die we instinctief opvullen met gedachten. Aanvankelijk zien we nog het verschil tussen waarneming en gedachten, zoals we ook in films aanvankelijk nog het verschil zagen tussen de gewone (uit de werkelijkheid afkomstige) beelden en de digitaal geconstrueerde (uit een computer afkomstige) beelden. Maar algauw kunnen we die twee niet meer van elkaar onderscheiden. De zintuiglijk waargenomen en de ideëel geconstrueerde werkelijkheid versmelten tot één geheel dat we als objectieve werkelijkheid beschouwen, dat we onvoorwaardelijk geloven en waarnaar we ook handelen. Op die manier dringt Ahriman ongemerkt tot onze wil door en stuurt die in de door hem gewenste richting. Hij nestelt zich bij wijze van spreken in ons oog, en wat in ons oog zit zien we niet, ook al is het zo groot als een balk. 

Door deze manipulering van de waarneming wordt de werking van Ahriman magisch. Hij hypnotiseert de mens en laat hem dingen doen die hij nooit zou doen als hij bij zinnen was. We herkennen deze magische, hypnotiserende werking in de filmkunst: filmbeelden boeien ons, letterlijk en figuurlijk, ze zijn verslavend. Maar het verschil met de beelden die Ahriman ons voor ogen tovert door onze waarneming te infiltreren, is dat we ons tijdens een film bewust blijven van het fictieve karakter van de beelden die we zien. De tijd dat we in paniek de bioscoop uitvluchtten als we op het scherm een trein zagen afkomen, is lang voorbij. We hebben geleerd fictie en werkelijkheid te onderscheiden. Althans in de filmkunst. In het geval van de beelden die Ahriman in ons bewustzijn creëert en die we vervolgens op de werkelijkheid projecteren, hebben we dat nog niet geleerd. We zitten nog in het stadium dat we in paniek raken wanneer er een virus als een trein op ons komt afstormen. 

Wat de hele wereld vandaag doodsbang maakt, is niet het coronavirus zelf, want dat kunnen we niet zien. Wat we zien is een beeld van het virus, het gestyleerde en inmiddels alom bekende beeld van een bol vol uitsteeksels, als een bom uit een stripverhaal van Suske en Wiske. Het is een bijzonder suggestief beeld: als we het virus aanraken ontploft het en zijn we er geweest. Bovendien gaat het vergezeld van de intimiderende cijfers en angstaanjagende voorspellingen van de experts die ons vertellen dat deze onzichtbare vijand miljoenen doden zal maken als we hem niet meteen de oorlog verklaren. Samen zijn beeld en woord zo overtuigend dat we overal het coronavirus menen waar te nemen, zoals Greta Thunberg CO2 kan zien. Het is deze – door Ahriman opgewekte – ‘helderziende’ waarneming die ons in paniek op de vlucht doet slaan. Maar omdat de wereld geen bioscoop is die we kunnen verlaten, vluchtten we ‘in ons kot’ terwijl de overheid ten strijde trekt.

Dat is het beeld dat verschijnt wanneer we het hoofd koel houden en aandachtig kijken naar wat er gebeurt. En we herkennen dat beeld, want het verschijnt telkens weer opnieuw. Toen er op 9/11 een aanslag werd gepleegd op de twin towers sloeg de schrik ons om het hart en werden er drastische maatregelen genomen: de War on Terror begon. Net als in het geval van het coronavirus was het niet de aanslag zelf die tot deze verwoestende oorlog leidde, het waren de beelden van de aanslag. Europa heeft sindsdien heel wat aanslagen gekend, maar geen ervan ontketende een oorlog, om de eenvoudige reden dat er geen beelden waren (of dat ze niet werden getoond). Zonder de beroemde beelden van 9/11, die zowat ieder mens op aarde (vele malen) heeft gezien, had Amerika nooit het Midden-Oosten in brand kunnen steken. Idem voor de Climate War: die brak pas los toen de cijfers van de experten versterking kregen van de filmbeelden uit Al Gore’s An Inconvenient Truth

Hetzelfde gebeurde met het coronavirus. Pas toen de alarmerende cijfers van de experten de hulp kregen van dramatische beelden – beelden van het virus dat een cel binnendrong, beelden van zieken die op de spoeddienst lagen te stikken, beelden van wanhopige artsen en verpleegsters, beelden van lange rijen lijkkisten, beelden van uitgestorven straten en steden – kwam het tot een lockdown. In het bewustzijn van de mensheid rezen nu apocalyptische beelden die hem de stuipen op het lijf joegen en hem luidkeels deden roepen om een overheid die drastische maatregelen nam. Net als na 9/11. Net als na Al Gores film. Dit telkens opnieuw terugkerende beeld – ook na de dood van George Floyd verscheen het weer – is het werk van Ahriman, het is zijn stempel, zijn gezicht. Aan dit beeld kunnen we hem herkennen en het is die herkenning die hem ontwapent. Maar we moeten dat beeld wel zelf maken, we moeten alle puzzelstukjes samenvoegen tot een levend, herkenbaar, sprekend geheel.

Ahriman speelt hoog spel. Door te incarneren en zijn ‘gezicht’ te laten zien, jaagt hij de mensheid de stuipen op het lijf en verleidt haar tot oorlogen waarin ze zichzelf vernietigt. Maar tegelijk laat hij zich kennen door mensen die aandachtig kijken naar wat er gebeurt en zelf doen wat Ahriman anders in hun plaats doet: waarnemingen verbinden met gedachten. Ahriman moet bestreden worden met zijn eigen wapens, we moeten ze hem gewoon uit handen nemen, of beter gezegd: we moeten ophouden ze hem in handen te geven. Want wij zijn het zelf die – uit gemakzucht – ons denken en ons waarnemen aan hem overlaten. Door niet langer zelf te denken en zelf te kijken, geven we de knecht de kans om onze meester te worden. We moeten dus doen wat Ahriman doet, we moeten hem tot voorbeeld nemen, hoe paradoxaal het ook klinkt. We moeten doen wat Rudolf Steiner 100 jaar geleden deed toen hij Ahriman dwong om voor hem te poseren en een portret van hem boetseerde.