Vijgen na Pasen

De wereld als een kunstwerk zien

Tag: collaboratie

Ernest Claes, een heer uit Zichem (3)

  

De moderne Vlaming leest Ernest Claes niet meer omdat hij in diens boeken over simpele dorpsmensen niets meer van zichzelf herkent. Tenminste, dat denkt hij. In werkelijkheid herkent hij er zich wél in, en dat is juist de reden waarom Ernest Claes ‘vergeten’ wordt: hij houdt de Vlaming een spiegel voor waarin deze niet meer wil kijken. Vijftig jaar geleden was dat nog wel het geval. De Witte werd toen nog volop gelezen en Wij, heren van Zichem was een enorm succes. De Vlaming was toen – blijkbaar – nog niet echt wakker en daardoor kon hij zichzelf nog herkennen in de wereld van Ernest Claes. Maar intussen heeft de moderniteit hem ingehaald en wat hij vandaag in de spiegel ziet, doet hem terugdeinzen. Zo verscheen er in Humo een bespreking van Claes’ biografie onder de titel: ‘de zwarte van Zichem’. Bedoeld werd: de collaborateur, de Duitsgezinde. Het artikel was vergezeld van een foto waarop een lachende Claes de hand schudt van een SS-officier. De Witte of de Zwarte, dat is volgens Humo the question

Het is voor veel mensen nog altijd de vraag, niet alleen ten aanzien van Ernest Claes, niet alleen ten aanzien van zijn generatie (waarvan er velen na de oorlog in opspraak zijn gekomen), maar ten aanzien van het Vlaamse volk tout court: is de Vlaming een kinderlijke dromer, een ‘manneke van plezier’, of is hij een collaborateur, een landverrader, een neonazi, een rechtse extremist? De vraag is actueler dan ooit nu België – weer eens – verscheurd wordt door communautaire twisten, dat wil zeggen door problemen veroorzaakt door het samenleven van twee zeer anders geaarde volkeren: de Nederlandstalige Vlamingen en de Franstalige Walen. De Vlamingen zijn een stuk ‘rechtser’, want individualistischer, dan de Walen, die uitgesproken ‘links’ zijn en als één blok optreden tegen het verscheurde Vlaanderen. Juist omdat de Vlaming zo verscheurd is, juist omdat hij zo sterk lijkt op Ernest Claes, kan hij geen vuist maken tegen het veel zwakkere, maar wel eensgezinde Wallonië. 

Het probleem van Vlaanderen is niet Wallonië, het is zijn eigen gespletenheid, zijn eigen verscheurdheid. Het steedse, intellectuele Vlaanderen kijkt met onverholen afschuw naar het dorpse, volkse Vlaanderen, het Vlaanderen-van-onder-de-kerktoren, het Vlaanderen van Ernest Claes. Bezield door die afschuw wil het heiliger zijn dan de paus, dat wil zeggen: linkser, progressiever, hedendaagser en internationaler dan wie ook. Dit politiek-correcte Vlaanderen beschouwt zichzelf als bijzonder volwassen en alert, maar zijn minachtende, arrogante houding tegenover alles wat Vlaams en volks is, getuigt allesbehalve van wakkerheid en volwassenheid. Het is de houding van een puber, pendelend tussen grootheidswaanzin en zelfhaat. Deze puberale houding is niet eigen aan de Vlaming alleen: het is de houding van iedere postmoderne intellectueel. Typisch Vlaams is alleen het extreme : niet toevallig kent Vlaanderen een van de hoogste zelfmoordcijfers ter wereld. 

Het hedendaagse Vlaanderen dreigt inderdaad zichzelf te vernietigen. Brussel bijvoorbeeld was ooit een door en door Vlaamse stad, omgeven door gemeenten met de prachtigste Vlaamse namen. Vandaag is het een compleet verfranste stad die zich steeds verder uitbreidt en dat ook nog eens op kosten van Vlaanderen doet. Het is een koekoeksjong dat zou sterven als Vlaanderen het niet langer voedde, maar Vlaanderen blijft dat onverminderd doen. Het bewerkt daardoor zijn eigen ondergang zoals pubers dat doen die de leiding van volwassenen moeten ontberen. Vlaanderen is een volk zonder bovenlaag: het heeft geen ‘volwassenen’, geen intellectuelen, geen kunstenaars die hun volk leiden, die het de weg tonen, die het voorlichten. Het heeft alleen intellectuelen die zich tegen hun eigen volk keren, die het verketteren, die het verafschuwen. Vlaanderen is een ‘hoofd’ dat zich wil losmaken van zijn eigen ‘lichaam’, een ‘witte’ die zich wil losscheuren van de ‘zwarte’. 

Maar de Vlaming is niet zwart of wit, hij is geen collaborateur of een politiek-correcte, hij is het allebei, zoals ieder modern mens dat is. Juist omdat hij in zo korte tijd gemoderniseerd is – in pakweg 50 jaar heeft hij een achterstand van eeuwen overbrugd – is die dubbelheid bij hem groter dan gemiddeld. De Vlaming van vandaag is een modern mens omringd door technologie, maar gisteren was hij nog een boerenjongen die op blote voeten de koeien hoedde. Vandaag leeft hij in welstand, maar honderd jaar geleden was hij nog arm als Job. Het succes van De Witte en de populariteit een tv-serie als Wij, heren van Zichem toont aan dat die arme boerenjongen nog altijd heel levendig in zijn ziel aanwezig is. Daarom is de Vlaming zo’n harde werker: hij bevindt zich nog altijd in ‘overlevingsmodus’, hij vecht nog altijd tegen de armoede, ook al is hij rijk. En tegen die werkdrift vecht dan weer zijn hoofd, want het krijgt geen tijd om na te denken. Lichaam en hoofd vechten allebei om te overleven en daardoor vernietigen ze elkaar. 

Dat is wat de moderne Vlaming doet terugdeinzen wanneer hij in de spiegel van Ernest Claes kijkt: dat innerlijke gevecht. Als kind heeft Claes een diepe relatie met de wereld van de nacht, de wereld van de geesten. Het maakt van hem een overtuigd katholiek, op de kinderlijk devote manier die we ook kennen van Felix Timmermans. Wanneer hij daarna gaat studeren en ten slotte in Brussel gaat wonen, komt hij in het andere uiterste terecht: de wereld van de dag, de wereld van de politiek. Zijn drukke nieuwe leven staat volkomen haaks op het dromerige dorpsleven in Zichem en hij moet zich tot het uiterste inspannen om die twee met elkaar te verbinden. Uiterlijk gezien slaagt hij daarin, want hij handhaaft zich in de grote stad zonder het kleine Zichem los te laten en hij wordt een gevierd schrijver. Wie echter goed kijkt, ziet dat hij nooit door ‘de stad’ aanvaard werd. Hij werd als schrijver niet voor vol aanzien en op zijn talloze vieringen was nooit een ‘hoogwaardigheidsbekleder’ aanwezig. 

Ernest Claes bleef innerlijk verscheurd tussen dorp en stad, tussen dag en nacht, tussen droom en werkelijkheid. De oorlog zou dat aan het licht brengen. In 14-18 trekt hij partij voor de Vlaamse soldaten, die het gros van het Belgisch leger vormen en door het Franstalige officierscorps als vee behandeld worden. Dit Vlaamse activisme maakt hem verdacht bij de Belgische overheid en in de tweede wereldoorlog barst die zweer. Een deel van de Vlaamse beweging zoekt toenadering tot de Duitsers. Ze wil via de bezettingsmacht de Vlaamse eisen – onder meer een Vlaamse universiteit – ingewilligd krijgen. Ernest Claes aarzelt. Hoewel hij zeer Vlaamsgezind is, is hij ook zeer vaderlandslievend. Hij wil geen landsverrader worden, maar hij voelt zich sterk aangetrokken tot de Duitse geest en die liefde is wederkerig: zijn boeken hebben in Duitsland veel succes (net als die van Timmermans trouwens). Hij wil het Duitse publiek niet van zich vervreemden door alle bruggen met de bezetter op te blazen. 

Na de oorlog ondergaat hij hetzelfde lot als Felix Timmermans: de contacten met de Duitse uitgeverijen tijdens de oorlog worden hem zeer kwalijk genomen. Zijn huis wordt geplunderd, hij vliegt in de gevangenis en verliest zijn burgerrechten. Timmermans zal die vernedering niet overleven: zijn hart begeeft het. Claes is een stuk taaier en hij verweert zich hardnekkig. Maar juist nu wordt duidelijk hoe tegenstrijdig en gespleten hij wel is. Tijdens de oorlog heeft hij een paar keer openlijk getuigd van zijn sympathie voor Hitler, want tijdens zijn (zaken)reizen door Duitsland had hij vastgesteld hoe keurig alles daar nu was. Had hij beter moeten weten? Achteraf is dat gemakkelijk gezegd. Maar na de oorlog wist hij heel goed hoe de kaarten lagen. Hij had aan den lijve ondervonden hoe genadeloos de Belgische overheid optrad tegen Vlaamsgezinden. En dan was hij er nog relatief goed vanaf gekomen. Toch houdt hij zich niet gedeisd. Hoewel het zwaard van Damocles boven zijn hoofd hangt, publiceert in ‘verdachte’ tijdschriften.

Men zou dat als heldhaftigheid kunnen opvatten: ondanks de repressie komt hij op voor de Vlaamse zaak. Maar dat is het niet. Wie in de biografie van Bert Govaerts – die veel aandacht besteedt aan het politieke leven van die tijd – leest hoe Claes zich gedraagt, ontkomt niet aan de indruk dat hij zich de ernst van de zaak niet realiseerde, ja dat hij ze zich niet wilde realiseren. Zijn onbegrijpelijke gedrag is uitdrukking van de strijd tussen de zwei Seelen in seiner Brust. Enerzijds lijkt hij niet te kunnen geloven dat het echt is wat hem overkomt: het is als een kwade droom waaruit hij straks wel zal ontwaken. Anderzijds laat hij niets onverlet om zijn zaak te behartigen, hij laat zich zelfs in het Frans verdedigen omdat hij hoopt dan meer kans te maken. Ernest Claes is zowel een kinderlijke dromer als een berekenende volwassene, maar ze helpen elkaar niet, integendeel, ze lopen elkaar voor de voeten. De gulden middenweg tussen beide vindt hij niet, en daarin is hij een modern mens, een moderne Vlaming vooral.

Er is echter één groot verschil tussen Ernest Claes en degenen die vol afkeer in zijn spiegel kijken en hem een ‘zwarte’ noemen, of een Blut-und-bodemschrijver: Claes was zich bewust van zijn gespletenheid. Hoe kon het ook anders! Hij werd er zijn hele leven mee geconfronteerd. Reeds als kind zag hij de schrijnende armoede en achterlijkheid in zijn dorp. Op het college in Herentals zag hij de perverse praktijken waarmee men de leerlingen probeerde te ‘ontvlaamsen’. In Leuven moest hij Germaanse talen in het Frans studeren. Tijdens de oorlog ondervond hij hoe Vlaamse soldaten behandeld werden door Franstalige officieren. Na de oorlog ondervond hij hoe Vlaamsgezinden behandeld werden door de repressie. Hij was heel blij toen hij een gevierd schrijver werd, maar het zal hem zeker niet ontgaan zijn dat België daar weigerde aan deel te nemen. En zijn enige kleinkind, waar hij zo dol op was, werd opgevoed in het Frans en begreep geen woord van wat hij zei …

Zijn hele leven lang heeft Ernest Claes geleden onder de gespletenheid van zijn land, van zijn volk, van zijn eigen ziel. Als kunstenaar probeerde hij de tegenpolen met elkaar te verbinden, maar juist daardoor beleefde hij de onmacht intenser dan wie ook. Niemand wortelde zo diep in beide werelden als hij, niemand kende zo goed de ‘wereld van de nacht waarover in de boeken niet wordt gesproken’, niemand kende even goed de tegenovergestelde wereld: die van de politiek. Als het erop aankwam, koos Ernest Claes voor de wereld van de nacht, van de aarde, van het dorp. Hij vluchtte erin weg als de grond hem te heet onder de voeten werd. Maar hij was er zich van bewust, hij kende zijn onvermogen, hij worstelde ermee. En daarin verschilt hij van degenen die op hem neerkijken: zij zijn zich niet bewust van hun onvermogen, ze beseffen niet dat ze wegvluchten – in het dorp of in de stad, in het kind of in de volwassene, in de droom of in de werkelijkheid – en dat ze zichzelf niet onder ogen durven zien. 

Gifnicht

‘Ik ga iets doen waarvan ik nooit had verwacht het te zullen doen.’
Zo begint Erwin Mortier zijn opiniestuk in De Morgen.
En hij vervolgt: ‘Ik ga Laurette Onkelinx gelijk geven.’
Aha, denkt een mens dan die daar net ook een opiniestuk over heeft geschreven, een tegenstem!
Altijd interessant!
Want misschien moeten er dingen bijgeschaafd of gecorrigeerd worden.
Misschien moet een mening zelfs helemaal herzien worden.
Kan altijd gebeuren.
Ik lees dus verder.
‘Ik vind haar iets te snel als querulante weggezet om haar moed en haar verontwaardiging omdat de echo van laarzen door ons eerbiedwaardige parlement galmt.’
Huh?
De echo van laarzen?
Is dat niet een beetje, euh … overdreven?

Ik haal er een andere opiniemaker bij.
Mark Grammens schrijft over de collaboratie: ‘In 1940 was collaboratie met de bezetter regel in België. Dit verliep in overeenstemming met de wensen van de Belgische autoriteiten, de koning, de rechterlijke macht, handel en nijverheid, de bisschoppen en de socialistische leiders. Naast deze Belgische collaboratie was er ook nog een collaboratie van Vlaamsgezinden die het politieke beginsel aanhingen dat de vijanden van mijn vijanden mijn vrienden zijn. Want daar kwam het ongeveer op neer.’
Ik ken Mark Grammens als een opiniemaker die ver uitsteekt boven het landelijke gemiddelde en dus ga ik ervan uit dat wat hij schrijft over de collaboratie niet ver bezijden de waarheid zal zijn.
Die waarheid luidt dus dat zowat iederéén in België collaboreerde.
Hoe kon het ook anders? Toen het Belgische leger capituleerde, werd de Duitse bezetter de enige wettelijke overheid in het land.
Wie toen de wet naleefde, was in de ogen van Erwin Mortier dus een collaborateur
En dat noemt hij … ‘ronduit gruwelijk’.

Er spreekt zoveel verontwaardiging uit zijn woorden dat het voor iedereen duidelijk moet zijn dat Mortier zich nooit of nooit tot dergelijke gruwelijke misdaden zou geleend hebben.
Hij zou de wet vierkant naast zich neergelegd hebben en onvervaard de strijd met de bezetter, in casu het Duitse leger, zijn aangegaan.
Het moet voor heldhaftige mensen als Erwin Mortier een kwelling zijn te leven in een tijd waarin hun moed en zieleadel niet duidelijker tot uitdrukking kan komen dan in een krantenstukje.
Wat er ook van zij, Mortier wijkt niet voor de bruine laarzen die momenteel overal rondmarcheren, tot zelfs in het Belgische parlement.
Samen met Laurette – nog zo’n eenzame, heroïsche ziel – neemt hij zonder één moment te aarzelen de handschoen op.
Nooit zal hij buigen voor de nazi’s van de N-VA!
Nooit zal hij de nieuwe bezetters naar de mond praten!

Maar heldenmoed alleen maakt nog geen opiniemaker.
Welke argumenten gebruikt Erwin Mortier om zijn apologie voor Laurette te stofferen?
Er valt nu een Schoenaertsiaanse stilte.
Ik zoek in de tekst van de apologie.
Aha!
‘Ik wacht nog altijd op de eerste goede reden waarom zeventig jaar geleden onze steden moesten gezuiverd worden van joden.’
Een echt argument is het niet, maar het snijdt wel hout.
Ja, waarom moesten onze steden gezuiverd worden van joden?
Welk belang hadden de Vlaamsgezinden erbij om een dergelijk bevel uit te vaardigen?
Het is inderdaad ‘ronduit gruwelijk’ om zoiets te doen.
Maar wacht eens even … waren het niet de Duitsers die dat bevel uitvaardigden?
En waren het niet de Vlamingen die dat bevel naast zich neerlegden en ervoor zorgden dat slechts de helft van de joden gedeporteerd werden (en niet 95% zoals in een niet nader bepaald buurland)?
Nee, dat kan niet.
Het waren alleen de Franstalige Belgen en de Belgisch gezinde Vlamingen die opkwamen voor de joden.
De Vlaamsgezinden maakten, als volleerde nazi’s, hevig jacht op joden.
Erwin Mortier heeft daar ongetwijfeld cijfers en bewijzen van.
Wel een beetje jammer dat hij ze niet noemt.
Het zou zijn opiniestuk nóg sterker hebben gemaakt.

Genoeg gezeverd!
Ik ga niet nog méér woorden vuilmaken aan deze gifnicht.
Voor alle duidelijkheid: zo noemt Erwin Mortier zichzelf.
Geheel terecht overigens.
Want wat doet hij in zijn ‘opiniestuk’, buiten het zorgvuldig weren van zelfs maar het kleinste argument?
Hij spuit gif.
Hij gebruikt zijn virtuoze pen om zijn gal te spuwen op iedereen die Vlaamsgezind is en op Jean-Pierre Rondas en Matthias Storme in het bijzonder.
En een schrijvende gifnicht zijnde, aarzelt hij niet om hen op hun fysieke uiterlijk te pakken.

Op deze ronduit heroïsche manier neemt Erwin Mortier de verdediging op zich van Laurette Onkelinx, bekend om haar viscerale afkeer van Vlamingen.
Als een hond likt Mortier de hand die hem slaat, want tot nader order is hij zelf nog altijd een Vlaming.
Maar hij hanteert het principe: de vijanden van mijn vijanden zijn mijn vrienden.
Onkelinx voelt dezelfde diepe verachting voor Vlaamsgezinden als Mortier, dus is ze zijn vriendin.
Maar wacht eens even …
Doet hij daarmee niet precies hetzelfde als de Vlaamsgezinde collaborateurs tijdens de tweede wereldoorlog? Die beschouwden de Duitse bezetter ook als hun vriend omdat hij de vijand was van hun vijanden.
Erwin Mortier bezondigt zich met andere woorden zelf aan de ‘gruwelijke’ misdaad die hij aanklaagt.
Hij ziet wel de splinter in het oog van de Vlaamsgezinden, maar niet de balk in zijn eigen oog.

Waarom roept hij zo hard over die splinter?
Waarom schrijft hij dit opiniestuk?
Alleszins niet om bij te dragen tot de discussie, want hij formuleert niet eens een mening.
Hij spuwt alleen maar gal, recht op de man.
Wat een griezel die Matthias Storme! Hij smakt altijd en zuigt op zijn tanden. Bah!
Wat een draak die Jean-Pierre Rondas! Het schuim staat op zijn bek. Bweikes!

Ik heb nog nooit iets gelezen van Erwin Mortier (en na het lezen van dit infantiele stukje proza ben ik dat minder dan ooit van plan) maar mensen zeggen me dat hij knap schrijft, dat hij een kunstenaar is.
Ik wil het graag geloven.
Maar waarom verlaagt zo’n man zich dan tot het schrijven van zo’n nichterig stuk?
Waarom gebruikt hij zijn kunstzinnige vermogens niet voor verheffender zaken?
Het antwoord is simpel: omdat hij een … collaborateur is.
Zijn hysterische opiniestuk is bedoeld voor … de bezetter.
Hij wil dat de politiek-correcte bezettingsmacht – die meer dan ooit de lakens (en het geld!) uitdeelt in de culturele sector – ziet wat voor een gezagsgetrouwe burger hij wel is.
Van het morrende volk trekt Mortier zich niks aan, dat kan voor zijn part zijn rug op.
Het is bij de politiek-correcte kaste dat hij in een goed blaadje wil staan, want die betalen hem, dáár komen zijn subsidies vandaan.
Als hij daarvoor zijn ‘volksgenoten’ moet verraden, als hij daarvoor met vuil moet gooien naar zijn niet-collaborerende mede-Vlamingen, wel dan doet hij dat.
Want Erwin Mortier is geen held.
Hij is gewoon een angstige gifnicht.
Meer niet.

In hun ijver om te laten zien hoe politiek-correct, hoe Belgicistisch, hoe anti-Vlaams ze wel zijn, tuimelen de Vlaamse kunstenaars over elkaar heen.
Om ter hardst roepen ze: Kijk naar mij!
Zie hoe onderdanig ik ben!
Vergeet me niet!
Het is zielig, het is pijnlijk, het is beschamend.
Maar een ‘gruwelijke misdaad’ zou ik het niet noemen.
Het is Erwin Mortier zelf die (ongewild en onbewust) dit zware oordeel over zichzelf uitspreekt.
De groteske overdrijving verraadt dat hij diep van binnen wel weet hoe de zaken in elkaar zitten.
Hetzelfde geldt voor de hysterische Laurette Onkelinx.
Allebei hebben ze een balk in hun oog die vele malen groter is dan de splinters waar ze zo’n misbaar over maken.

Het zou van echte moed getuigen als ze dáár eens zouden naar kijken.
Het zou een ware omwenteling betekenen als onze cultuurdragers eens in de spiegel zouden kijken.
Maar ja, dát is pas moeilijk!
Zeker in tijden van bezetting.
Dan is het véél gemakkelijker om mee te huilen met de wolven in het bos en zo je eigen demonen te vergeten …

Collaboratie

Belgenland heeft een nieuwe regering!
Tenminste voor zolang het duurt.
Want voor het eerst sinds mensenheugnis zit de PS niet in de regering.
Dat is een kleine revolutie want al die tijd was de Parti Socialiste eigenlijk de baas in België. Er kon in ons land niks gebeuren zonder dat de Waalse socialisten ermee akkoord gingen. Gingen ze ergens niet mee akkoord dan gebeurde het niet. Zo eenvoudig was dat.
Gingen ze wel akkoord, dan was dat akkoord afgekocht.
Als de Vlamingen iets wilden, dan wisten ze wat ze moesten doen: betalen.
Op die manier zijn onder meer de geldtransfers van Vlaanderen naar Wallonië tot stand gekomen, de geldtransfers die zo’n doorn zijn in het oog van veel Vlamingen, niet alleen omdat ze buitensporig groot zijn (meer dan 15 miljard euro per jaar), maar ook – en vooral – omdat de Vlamingen stank voor dank krijgen.
Hoe meer ze betalen, des te meer worden ze geminacht, getreiterd en uitgescholden.
Zoals door Laurette Onkelinx tijdens de eerste zitting van het Parlement.

De PS is furieus.
Niet meer in de regering zitten, terwijl ze al die tijd de regering wáren: ze kunnen het nog altijd niet geloven.
Hoe is dat in godsnaam kunnen gebeuren?
Eén naam: Bart De Wever.
In zijn eentje heeft hij een revolutie ontketend.
Alhoewel.
Er is weinig revolutionairs aan de manier waarop hij de PS buitenspel heeft geplaatst.
Hij heeft gewoon gedaan wat Vlamingen altijd doen: betalen.
En hij heeft zwààr betaald.
Hij heeft betaald met het hele communautaire luik van zijn verkiezingsprogramma, het luik dus waaraan hij zijn verkiezingsoverwinning te danken heeft.
Als een komeet is Bart De Wever omhoog geschoten aan het politieke firmament, voortgestuwd door de Vlaamse onvrede over het gedrag van de Franstaligen.
Als geen ander verwoordde en belichaamde hij de Vlaamse eisen.
En uitgerekend die eisen heeft hij nu voor minstens 10 jaar in de ijskast gestoken.
In ruil voor een regering zonder de PS.

Wat de Vlamingen al minstens honderd jaar vragen, is dat ze als volwaardige Belgen worden beschouwd.
In een land waar iedereen gelijk heet te zijn voor de wet, vragen ze dus niets anders dan de toepassing van die wet.
Toch moeten ze daar steeds weer voor betalen.
Dat is democratie op z’n Belgisch en iedereen – enkele malcontenten uitgezonderd – vindt dat heel normaal.
De Vlamingen betalen altijd de rekening, zo simpel is dat.
Maar dat ze ook zo’n absurd hoge rekening zouden betalen, nee dat had zelfs de PS niet voor mogelijk gehouden.
Om te krijgen wat hij wilde, heeft Bart De Wever alle Vlaamse eisen opgegeven.
Wij Vlamingen, heeft hij gezegd, vragen geen gelijke rechten meer.
Wij Vlamingen vragen geen democratie meer.
Wij willen alleen de PS uit de regering.

Daar had De Wever dus alles voor over, ook de mogelijkheid dat hij door zijn kiezers zou uitgespuwd worden.
De kans dat de nieuwe regering het lang uithoudt, is dan ook bijzonder klein.
Aan de ene kant wordt ze bestookt door een woedende PS, die bijzonder agressief uit de startblokken is geschoten.
Aan de andere kant zijn er de bedrogen Vlamingen die, zoals steeds, tijd nodig hebben om te begrijpen wat hen overkomt.
Als die twee ooit op kruissnelheid komen, blijft er van de nieuwe regering niks meer over.

Wat heeft Bart De Wever bezield om zo’n hoge prijs te betalen?
Had hij een persoonlijke vete uit te vechten met de PS en was hij daarom bereid om alles op alles te zetten?
We kunnen er ons waarschijnlijk geen voorstelling van maken wat deze man op persoonlijk vlak allemaal te verduren heeft gehad van de Franstaligen.
Ik denk bijvoorbeeld aan het moment waarop hij hen in heilige verontwaardiging deed ontsteken door tijdens de regeringsonderhandelingen een paar zinnen in het … Nederlands te zeggen.
Een Vlaming die Nederlands spreekt: meer is er niet nodig om Franstaligen in alle staten te brengen.
Ik blijf het een wonder vinden dat Bart De Wever het geroep, gescheld en getier van (vooral) de Franstalige socialisten al die jaren heeft verdragen en dat hij de manier waarop hij als nazi en zelfs als Hitler himself werd voorgesteld, nooit met gelijke munt heeft betaald.
Ik kan dan ook heel goed begrijpen dat hij tot alles bereid is om de PS een hak te zetten.
Een mens moet af en toe wraak kunnen nemen om niet helemaal een voetveeg worden.
Maar toch is dat niet de echte reden voor zijn gedrag.
De belangrijkste reden, de doorslaggevende reden is: geld.

En dat is een reden die de Vlamingen begrijpen.
Dat is de reden waarom ze niet even furieus zijn als de PS.
Ze begrijpen dat België economisch ten onder gaat als de PS de lakens blijft uitdelen.
Want de PS staat voor: belastingen, belastingen, en nog meer belastingen.
Belastingen die vooral door de Vlamingen moeten betaald worden, dat spreekt.
Daarom geven de Vlamingen Bart De Wever krediet: omdat ze begrijpen dat de economie eerst komt.
Pas als er weer volop geld verdiend wordt, kan er gepraat worden over democratie en gelijke rechten.
Daarom zijn ze bereid hun Vlaamse eisen in de ijskast te zetten.

Zoals altijd.

Is het inderdaad ooit anders geweest?
Is geld niet altijd al de reden geweest waarom de Vlamingen hun eisen inslikten?
Is geld niet de reden waarom ze er anno 2014 nog altijd niet in geslaagd zijn gelijke rechten te bekomen in dierbaar België?

Vlaanderen is vandaag een welvarende regio, één van de rijkste in Europa.
Nochtans was het 100 jaar geleden precies omgekeerd: Vlaanderen was toen één van de armste regio’s in Europa.
Het was er zelfs zo erg aan toe dat er gesproken werd over ‘de Vlaamse ziekte’.
Wie daaraan leed, crepeerde van honger en armoede.
De 20ste eeuw, die zoveel ellende over Europa gebracht heeft, betekende voor Vlaanderen net het omgekeerde: het was de eeuw waarin het van helemaal onder aan de sociale ladder tot helemaal bovenaan opklom.
Het was een Wirtschaftswunder avant la lettre.
Maar dat wonder is nagenoeg vergeten.
De jonge Vlaming die vandaag met zijn peperdure iPhone zit te spelen, kan zich niet meer voorstellen dat zijn grootouders als kind nog in een beek zaten te vissen naar stekelbaarsjes!
Stekel wát?
Het is allemaal zo onvoorstelbaar snel gegaan dat het … onvoorstelbaar is.
Daar komt het zowat op neer: de Vlaming is zo snel gestegen op de maatschappelijke ladder dat hij geen voorstelling meer heeft van zijn verleden.
Hij kijkt geboeid naar een film als ‘Daens’ omdat Antje De Boeck er zo sexy uitziet op haar blote voeten. Maar dat hijzelf honderd jaar geleden ook op blote voeten had rondgelopen (en dat allesbehalve sexy zou gevonden hebben) nee, dat komt gewoon niet in hem op. Dat is allemaal fictie, film, fantasie.
In de boeken van Claes, Streuvels en Timmermans speelt die blote-voeten-Vlaming nog een hoofdrol, net als in de Vlaamse films en series die ik als kind nog gezien heb.
Maar die zijn vandaag allemaal taboe geworden.
De jonge iPhone-Vlaming schaamt zich daar dood voor.
Komaan zeg!
Met die vloekende, rochelende en spuwende Vlaamse primitieven heeft hij niks te maken.
Hij kent die mensen niet en wil ze ook niet kennen.
Hij is een moderne, hippe en coole Vlaming, een Vlaming zonder verleden, een Vlaming zonder wortels.

Maar een mens zonder verleden is een mens zonder zelf.
Wie zijn verleden niet kent, kent zichzelf niet.
Hij weet niet meer wie hij is.
Hij is zichzelf vergeten.
Op zijn steile klim naar de economische top, is de Vlaming zijn ziel vergeten.
In zijn honger naar eten, schoenen en rijkdom heeft hij zijn ziel verkocht.
En daar wil hij niet aan herinnerd worden.

Is dat niet wat de Vlamingen op politiek gebied altijd gedaan hebben?
Door iedere keer weer te betalen voor waar ze eigenlijk recht op hadden, verkochten ze telkens weer een stukje van hun ziel.
Want waarvoor betaalden ze?
Om hun democratische rechten te krijgen?
Maar je betáált niet voor democratische rechten, je eist ze op.
Daarom heten ze ‘rechten’.
Dat zou vanzelf moeten spreken voor een welvarend volk in het hartje van Europa.
Dat Vlamingen in België dezelfde rechten horen te hebben als Franstaligen komt gewoon niet in hen op.
Ze staan wel boven aan de economische ladder, maar mentaal staan ze nog altijd onderaan, op het niveau van de proletariër die er zich bij neergelegd heeft dat er in de wereld nu eenmaal meesters en knechten zijn.
Economisch gezien is de Vlaming een meester en kan hij zich meten met gelijk wie.
Mentaal is hij echter een knecht die het hoofd buigt voor zelfs de allerzwaksten.
Want wat stelt Wallonië voor zonder Vlaanderen?
Of wat stelt Brussel voor?
Zonder Vlaanderen zouden ze wegzinken tot het niveau waar Vlaanderen honderd jaar geleden stond: een derde-wereldniveau.
Ze kunnen eenvoudig niet op eigen benen staan.
Ze zijn afhankelijk van Vlaanderen.
En voor dat afhankelijke, onzelfstandige, machteloze volkje buigt de Vlaming het hoofd en slikt hij de meest infame beledigingen.

Waarom doet hij dat?

Om helemaal op te kunnen gaan in zijn economische roes, de roes van het geld.
Hij betaalt zich blauw om niet uit die roes te moeten ontwaken.
Want dat is het enige wat hij nog kent: de roes van de materiële rijkdom.
Hij is bereid véél geld te betalen om niet geconfronteerd te worden met de keerzijde van die rijkdom: het verlies van zijn eigen ziel.
Telkens hij de Franstaligen betaalt om te krijgen wat hij gewoon zou moeten eisen, duwt hij zijn eigen ziel nog wat verder van zich af.
De miljarden die hij jaarlijks naar Wallonië doorsluist, zijn zwijggeld.
Hij legt er zijn eigen ziel het zwijgen mee op.
En hij doet dat al zo lang dat die ziel niet meer kan spreken.

Eeuwen geleden vormden de Nederlanden één geheel: Holland én Vlaanderen, de Lage Landen bij de zee.
Toen werden ze gescheiden.
De noordelijke Nederlanden gingen steeds luider praten.
De zuidelijke Nederlanden gingen steeds stiller zwijgen.
Vandaag kan de Hollander niet meer ophouden met praten, en de Vlaming kan niet meer spreken.
De Vlamingen hebben niet alleen hun ziel verloren, ze hebben ook hun taal verloren.
Ze zijn een volk zonder taal.
Letterlijk én figuurlijk.

Vlamingen kunnen alleen zichzelf zijn wanneer ze dialect spreken.
Ik moet de eerste Vlaming nog tegenkomen die zich even goed in het algemeen Nederlands uitdrukt als in het dialect.
De reden is eenvoudig: die Vlaming bestaat niet.
Wanneer Vlamingen algemeen Nederlands spreken, zijn ze zichzelf niet.
Ze spelen dan een rol en ze doen dat zonder overtuiging.
Het is een beproeving om een Vlaamse film of een Vlaamse tv-serie te zien waarin ‘beschaafd’ Nederlands wordt gesproken: de acteurs lijken wel bordkartonnen figuren met zaagsel in plaats van bloed in hun aderen.
Pas wanneer ze dialect kunnen spreken, worden het echte mensen.
Ik heb Julien Schoenaerts ooit eens de beroemde verzen uit de Spaanse Brabander horen declameren in het plat Antwerps: ‘O, kaaizerlaaike stadt. Aantwaarpe, groêt en raaik …!
Het was … ‘impressionaant’.
Hier klonk een heel andere Julien Schoenaerts, niet die bekakte, arrogante ‘beschaafde’ Vlaming, maar een zinnelijke, volbloedige Rubensiaan.
Je zou kunnen zeggen: wat deze zo kunstzinnige Vlaming verscheurde, was de kloof tussen zijn welbespraakte hoofd en zijn zwijgende Vlaamse ziel.
Het was niet zijn eigen ziel waaraan Schoenaerts een stem gaf, maar een dubbelgangersziel.
En die heeft hem tot waanzin gedreven.
Die drijft in feite heel Vlaanderen tot waanzin.

800.000 dosissen anti-depressiva per dag.
Het hoogste zelfmoordcijfer ter wereld.
Boordevolle gevangenissen en psychiatrische instellingen.
En een volk dat het hoofd buigt en zich verontschuldigt voor alles en nog wat.
Maar het is wél waanzinnig rijk, dat Vlaanderen!
Het heeft dikke huizen, dikke auto’s, dikke portefeuilles, dikke nekken.
Het heeft alles waar een mens maar kan van dromen.
Behalve één ding.
Het heeft geen ziel.

Natuurlijk heeft Vlaanderen wél een ziel.
Het heeft zelfs een grote en rijke ziel.
Maar in zijn snelle klim naar economische hoogten heeft Vlaanderen het contact met die ziel verloren.
Het heeft zijn ziel onderweg vergeten.
Eigenlijk zou Vlaanderen hetzelfde moeten doen wat de Amerikaanse Indianen destijds deden als ze een treinreis ondernamen: ze stapten halverwege uit ‘om op hun ziel te wachten’.
Want die ziel kon niet zo snel reizen als hun lichaam.
Het Vlaamse Wirtschafstwunder is een materieel wonder, een fysieke wederopstanding.
Maar de prijs die ervoor betaald werd, was het achterblijven en vergeten van de Vlaamse ziel.
Waar is die ziel momenteel?
Volgens mensen als Marc Reynebeau bestaat ze niet eens en heeft ze ook nooit bestaan.
‘Vlaams’ is in zijn ogen niet meer dan een naam die gegeven wordt aan een toevallige verzameling van mensen.
Een realiteit schuilt daar niet achter, en het is dus onzin om zoveel belang te hechten aan een naam, een etiket.

Dit ‘nominalisme’ is uiteraard een vorm van materialisme.
Er bestaat niet zoiets als de Vlaamse ziel, want die kan alleen geestelijk gedacht worden en geesten bestaan niet.
Het vergeten van de Vlaamse ziel hangt dus nauw samen met het vergeten van de geest.
Die twee kunnen niet los gezien worden van elkaar: als er geen geest bestaat, dan ook geen ziel.
De ziel is datgene wat geest en lichaam met elkaar verbindt.
Als de geest niet bestaat dan hoeft het lichaam nergens mee verbonden te worden.
Het staat dan gewoon op zichzelf.

Maar als dat inderdaad zo is, als de mens inderdaad alleen maar een lichaam is dat op zichzelf bestaat, waarom zijn er in België dan zoveel communautaire problemen?
Waarom blijven de Vlamingen moeilijk doen over de miljardentransfers naar Wallonië?
Ze hebben toch meer dan genoeg?
Hun fysieke lichaam wordt hoegenaamd niet bedreigd.
Het kan dat geld best missen en de Walen hebben het nodig.
Dus, wat is het probleem?
Hetzelfde geldt voor de Franstaligen.
Ze krijgen ieder jaar 15 miljard euro van de Vlamingen.
Zomaar.
Want de Vlamingen krijgen er niks voor terug, integendeel.
En toch blijven de Franstaligen schelden op de Vlamingen.
Ze gaan zelfs nog harder schelden als die Vlamingen al hun communautaire eisen inslikken en dus iedere fysieke dreiging wegnemen.
En ze schelden niet op de hele regering, o neen, zij schelden heel gericht op de Vlaamsgezinde Vlamingen in die regering.

Het is zo’n buitenissig spektakel dat geen zinnig mens nog kan denken dat het hier alleen om geld gaat, om fysieke, materiële dingen.
De reeds legendarische scheldpartij van Laurette Onkelinx in het Parlement ging trouwens helemaal niet over geld of materiële dingen.
Ze ging over collaboratie, over het samenwerken met de Duitse bezetter tijdens de oorlog 75 jaar geleden.
Waren de N-VA-ers waartegen haar tirade was gericht dan misschien collaborateurs?
Ze waren niet eens geboren tijdens de oorlog.
Verdedigden ze dan de collaboratie?
Geenszins.
Ze beweerden alleen dat ze het konden begrijpen.
En ze waren naar een feestje geweest van een 90-jarige Vlaamsgezinde die vroeger veroordeeld was voor collaboratie.
Het was na de oorlog niet moeilijk om als Vlaming veroordeeld te worden voor collaboratie.
Het volstond dat je Vlaamsgezind was. Meer was er niet nodig.
De Franstaligen mochten collaboreren zoveel ze wilden, geen haan (sic) die ernaar kraaide.
Een Vlaming hoefde niet eens te collaboreren om veroordeeld te worden.

Dat wil natuurlijk niet zeggen dat er geen Vlaamse collaboratie bestond.
Vlamingen collaboreerden, zoals Franstaligen collaboreerden, zoals iedereen collaboreerde tijdens de oorlog.
Wat moest je anders?
Je meteen laten fusilleren of wegvoeren naar een werk- of ander kamp?
Nee, de enige reden waarom de Vlaamse collaboratie beschouwd werd als een onvergeeflijke misdaad was dat ze … Vlaams was.
De Belgische repressie had iets weg van een etnische zuivering, maar dan op zielegebied.
Iedere Vlaming die zich bekende tot het Vlaams-zijn werd ongenadig aangepakt.
En die repressie gaat eigenlijk nog altijd door.
Zeventig jaar geleden zou Laurette Onkelinx Jan Jambon en Theo Francken standrechtelijk hebben laten fusilleren, daar moet niet aan getwijfeld worden.
Haar hysterische stem is nog altijd de stem van de repressie.
En de Vlamingen buigen er nog altijd het hoofd voor.
Mea culpa, zeggen ze, mea culpa, mea maxima culpa.
Door mijn schuld, door mijn schuld, door mijn grote schuld.
Dat is de bekentenis die de Vlaming met gebogen hoofd aframmelt, ook al heeft hij zich niet méér schuldig gemaakt dan gelijk wie.
Integendeel zelfs, of is men vergeten dat in ons land minder joden naar de gaskamers zijn gevoerd dan gelijk waar, Denemarken uitgezonderd?
Toch zijn Jambon en Francken zich gaan verontschuldigen bij … de joodse verenigingen in ons land.
En dat zou allemaal om louter fysieke dingen gaan?
Dat zou niets te maken hebben met de Vlaamse ziel?

Materieel prijkt de Vlaming trots boven aan de economische ladder, maar geestelijk zit hij met gebogen hoofd schuld te bekennen tegen alles en iedereen.
Dat is het oerbeeld van de moderne Vlaming: de rijke boeteling.
Het is alsof Bill Gates of Richard Branson deemoedig het hoofd zouden buigen en mea culpa slaan voor hun onvergeeflijke zonden.
Uiteraard doen ze dat niet: het zijn Angelsaksers, geen Vlamingen.
Maar stel dat ze het wél deden: hoe zouden we dan reageren?
Juist.
We zouden er geen woord van geloven.
We zouden onze maag voelen keren: wat een stel hypocrieten!
Ze zouden ons respect verliezen.

Volgens mij is dat precies hoe de Franstaligen in België reageren op de Vlamingen.
Die Vlamingen zijn in hun ogen puissant rijk, zo rijk dat ze Franstalig België ieder jaar zonder oogverpinken vele miljarden euro’s kunnen toeschuiven.
Daarvoor zouden ze best ontzag kunnen opbrengen, want zoveel ondernemingskracht en kreativiteit bezitten de Franstaligen niet, dat beseffen ze wel.
Maar wat hen belet dat respect of zelfs die bewondering op te brengen, is de Vlaamse hypocrisie.
Waarom in godsnaam zitten die Vlamingen op hun knieën mea culpa te slaan?
Wat voor een schijnheilig gedoe is dat!
En de Franstaligen worden kwaad, ze verliezen alle respect voor de Vlamingen.
De ‘milde giften’ die ze ieder jaar ontvangen, worden niet gegeven uit solidariteit of menselijkheid of begrip of respect.
Ze worden gegeven uit louter schijnheiligheid.
De Vlamingen geven miljarden euro’s aan de Franstaligen, niet omdat deze laatsten dat nodig hebben, maar omdat de Vlamingen het zelf nodig hebben om hun schuldgevoel over hun eigen rijkdom te verdoven.

Ze gebruiken de Franstaligen dus om dat schuldgevoel te verlichten.
Ze dwingen hen als het ware om hen vergiffenis te schenken.
Maar waarvoor?
Omdat ze rijk zijn en de Franstaligen laten delen in die rijkdom?
Als dat een misdaad is, dan is het aanvaarden van het Vlaamse geld eveneens een misdaad.
Door hun eeuwige mea-culpahouding dwingen de Vlamingen de Franstaligen dus om zich op hun beurt schuldig te voelen.
De Franstaligen weten dat ze de geldtransfers van de Vlamingen nodig hebben, dat het Vlaamse geld hen ervoor behoedt naar beneden te glijden.
Ze weten dat ze afhankelijk zijn van de Vlamingen, maar de Vlamingen doen alsof het niet zo is.
Ze doen zelfs alsof het omgekeerd is.
Hier zie, zeggen ze, dat geld komt jullie toe, want wij verdienen het niet om zoveel geld te hebben!

Uiteraard worden die woorden nooit uitgesproken, en die gedachten worden nooit gedacht.
Maar ze leven wel in de zwijgende ziel van de Vlaming en ze worden waargenomen door de ziel van de Franstalige.
En die ziel zwijgt niet.
Ze maakt groot misbaar.
Het is onvoorstelbaar op welke agressieve, minachtende, haatdragende manier in de Franstalige pers wordt gesproken over de Vlamingen.
‘Radio Mille Collines’ noemde Yves Leterme de Franstalige pers ooit.
Maar Vlamingen geloven dat natuurlijk niet, want Vlamingen lezen geen Franstalige kranten.
Door de recente scheldtirade van Laurette Onkelinx kunnen ze er echter niet meer naast kijken: ze worden werkelijk gehaat door de Franstaligen.

Twee Vlamingen worden voor de camera’s uitgescholden voor racisten door de meest notoire raciste van het land: Laurette Onkelinx, die de Vlamingen in zuiver nazistische stijl ‘ongedierte’ pleegt te noemen.
Maakt dat de Vlamingen wakker?
Worden zij eindelijk verontwaardigd over zoveel schijnheiligheid?
Welneen, ze buigen het hoofd en verontschuldigen zich.
U heeft gelijk, zeggen ze met dat gebaar, wij zijn inderdaad ongedierte!
Wij zijn het niet waard om in het Parlement te zetelen!
Wij zijn het niet waard om te spreken, laat staan om eisen te stellen!
Wij zijn nu eenmaal Vlamingen, een verachtelijk ras!
Zij beantwoorden met andere woorden schijnheiligheid met schijnheiligheid.
Want uiteraard verlaten het Parlement niet.
Ze blijven gewoon zitten en doen alsof er niks aan de hand is.
Even sorry zeggen, en alles is weer in orde.
Dat is natuurlijk niet van aard om de woede van Laurette Onkelinx te blussen.
Integendeel, het is olie op het vuur.

Verwacht mag worden dat het allemaal nog erger zal worden.
Uiteindelijk zal de boel escaleren en leiden tot wat in feite niemand echt wil: de splitsing van België.
Aan de basis van die splitsing zullen geen fysieke of uiterlijke problemen liggen.
Het zijn louter zieleproblemen die tot de splitsing van België zullen leiden, problemen die door iedereen ontkend worden omdat de ziel nu eenmaal niet bestaat.
Het materialisme zal België splitsen, niets anders.

De Vlamingen zijn de meesters van dit land.
Zonder hen zou België niet eens meer bestaan.
Het wordt tijd dat ze dat eens gaan beseffen en er zich ook naar gedragen.
Want nu gedragen ze zich als knechten: ze laten zich onderdrukken, ze laten zich vernederen, en ze werken zich te pletter voor hun onderdrukker.
Hoe moet je reageren op koningen die zich als herders gedragen, of erger nog: als schapen?
Daar kun je met je verstand niet bij en de Franstaligen reageren er dan ook instinctief op: ze gaan zich als koningen gedragen terwijl zij in feite de herders zijn in dit land, de ‘arme schapen’ die beschermd en behoed moeten worden.
Ze imiteren met andere woorden de Vlamingen, ze weerspiegelen hen.
Op de een of andere manier gaat er zo’n sterke invloed uit van de Vlaamse koningen die zich als herders gedragen, dat ze niet anders kunnen dan die omkering nabootsen en zich op hun beurt als koningen gedragen.
Ze willen dat eigenlijk niet en ze worden er ook niet gelukkig van, want een herder die zich als koning moet gedragen, kan maar aan één ding denken: weer zichzelf te kunnen zijn.

Door het irrationele gedrag van de Vlamingen voelen de Franstaligen zich dus eigenlijk beroofd van hun ziel.
Daarom blijven ze de Vlamingen haten, hoe vaak die zich ook verontschuldigen, hoeveel miljarden die ook betalen.
Ze zijn bang hun ziel kwijt te raken in hun relatie met die vreemde en onbegrijpelijke wezens.
Daarmee vormen ze een scherpe tegenstelling met de Vlamingen, want die zijn hun ziel kwijt en vinden ze niet meer terug.
En hier ligt de bron van alle communautaire misverstanden in België.
De Vlamingen begrijpen niet dat de Franstaligen bang zijn hun ziel kwijt te raken.
En de Franstaligen begrijpen niet dat de Vlamingen hun ziel al kwijt zijn.
Ze begrijpen niet dat de Vlamingen geknield en met gebogen hoofd door het leven gaan omdat ze voortdurend hun ziel aan het zoeken zijn.
En de Vlamingen begrijpen niet dat dit schouwspel de Franstaligen de stuipen op het lijf jaagt.
Want de Franstaligen kunnen zich een leven zonder ziel eenvoudig niet voorstellen, het is hun diepste nachtmerrie.
Daarom reageren ze zo agressief: ze denken dat de Vlamingen een spelletje spelen, dat ze doen alsof ze hun ziel kwijt zijn, dat het alleen maar een list is om de Franstaligen hun ziel af te nemen en hen te herleiden tot zielloze knechten.
En de Vlamingen?
Zij zien in de Franstalige woede een bevestiging van hun eigen diepe schuld: ze hebben hun ziel verloren, ze hebben haar verkocht voor het geld, om de ladder te kunnen beklimmen waar ze nu bovenaan prijken.
Daarom buigen ze het hoofd steeds dieper.
En maken de Franstaligen steeds angstiger en woedender.

Bart De Wever heeft het hoofd dieper gebogen dan enige Vlaming vóór hem.
Hij heeft alle Vlaamse eisen opgegeven.
Hij is helemaal door de knieën gegaan.
En waarvoor?
Voor het geld, voor de economie.
Het resultaat is dat de PS nu helemaal buiten zinnen raakt.
Nochtans draaide de politiek van de Waalse socialisten maar om één ding: geld, zoveel mogelijk economisch voordeel binnenhalen.
Ze zijn dus van hetzelfde laken een broek: ze denken alleen aan geld.
Daarom kunnen Vlamingen en Franstaligen elkaars bloed wel drinken: niet omdat ze zo verschillend zijn, maar omdat ze zo gelijk zijn, omdat ze elkaar zo volkomen spiegelen en dat niet beseffen.

De Belgische communautaire situatie wordt veroorzaakt door een oerbeeld: dat van de koningen en de herders.
In de bijbel treden ze gescheiden op, ook al heeft de kerk ze altijd in één verhaal samengevat.
Het is één van de grote christelijke mysteries, een mysterie dat vandaag bekend en begrepen wil worden.
En dat begrijpen begint bij het onderscheiden.
Want het probleem is niet, zoals 2000 jaar geleden, dat koningen en herders gescheiden optreden.
Het probleem is juist dat ze in onze tijd zo onweerstaanbaar tot elkaar worden aangetrokken dat ze met elkaar vermengd raken.
In België is die aantrekkingskracht zelfs tot een nieuw land geworden.
Een land in het hartje van Europa, een hart dat in zich de hoofdstad van Europa draagt.
Ook dàt is een oerbeeld, een oerbeeld van de toekomst.
Want het ‘nieuwe land’ waarin de mensheid moet gaan wonen, is een land waarin koningen en herders broederlijk naast elkaar leven, een land waar het hart van de mens diens hoofd in zich draagt, precies zoals Rudolf Steiner het bedoelde met de Weihnachtstagung.

Dat is het oerbeeld van België, dat kleine land dat door de grote landen van Europa in de 19de eeuw gecreëerd is.
En welke motieven ook ten grondslag lagen aan die nieuwe creatie, het geestelijke oerbeeld was christelijk van aard.
Als we dat oerbeeld onderkennen, begrijpen we ook wat de grote opgave is: onderscheid maken tussen de koningen en de herders.
Ik had bijna gezegd dat het de grote opgave van de Belgen is.
Maar eigenlijk is het de opgave van Europa.
Europa moet zich bewust worden van haar hart: het verscheurde en gekwelde België.
In plaats van al haar aandacht te besteden aan het wanstaltige hoofd dat Brussel is, zou Europa beter eens kijken naar de broedertwist tussen de Vlamingen en de Franstaligen, want daar klopt haar hart. En dat hart is op zijn beurt een beeld van de hele moderne wereld, want overal heersen broedertwisten tussen herders en koningen die elkaar liefhebben maar elkaar niet begrijpen.
Dat is de grote paradox van onze wereld op het Keerpunt der Tijden: we verzuipen in liefde, maar het is blinde liefde, broederliefde die steeds weer ontaardt in broedertwist.
Wat ontbreekt aan deze liefde is de waarheid, het inzicht, het onderscheid.
We ons ontbreekt, is niet Christus maar Michaël: het vermogen om tegenover Christus te gaan staan en Hem te onderscheiden.
Wie niet tegenover de idee kan gaan staan, wordt erdoor geknecht, zegt Rudolf Steiner.
Christus is de idee der ideeën, en we zijn allemaal in meer of mindere mate verslaafd aan Hem.
Christusverslaving, dat is het grote probleem van onze tijd.
En die verslaving-der-verslavingen kunnen we niet alleen overwinnen.
We kunnen niet alleen tegenover Christus gaan staan.
Dat kunnen we alleen wanneer we als twee broederzielen tegenover elkaar gaan staan en elkaar (h)erkennen.